• Een avond Poetry International

    Het is een warme woensdagavond in Rotterdam als de 47e editie van Poetry International  plaatsvindt. Dit keer in het sfeervolle RO theater in plaats van in de imposante Rotterdamse Schouwburg. Waar ik mij voorgaande jaren (was het 2009 en 2014?) in een elegant poëziepaleis waande en over de glanzende stenen vloer schreed met het geluid van rinkelende glazen in mijn oren, bevind ik mij nu met beide benen op (artistieke) grond.

    Bohemien knus theater
    De foyer van het RO Theater is een eenvoudige kleine ruimte: één bar, wat tafeltjes met stoelen, tapijt op de vloer. Buiten op het terras zitten vooral vijftigplussers met een glas wijn het programma door te nemen. Een groepje festival-vrijwilligers en dichters bespreken uitgebreid hun uitgaansavonturen en nieuwe poëzie. Een vrouw steekt een joint op. Ik zie hoe een jonge dichter en een oudere dichter elkaar met warmte begroeten en informeren naar elkaars nieuwe bundels. Ik begrijp de keuze voor deze nieuwe locatie – dichters en hun bewonderaars horen thuis in bohemienne, knusse theaters.

    Om vijf voor acht hoor ik de vrouw van de joint zeggen dat we nog zeven minuten hebben. Ik loop naar de studiozaal om te gaan luisteren naar de voordracht van drie internationale dichters. In de studio hangt een aangename, lichte houtgeur. Achterin nemen bezoekers plaats op de tribune, enkele bezoekers kiezen een stoel bij een tafeltje dichtbij het podium. Het licht dimt en de gastheer introduceert de dichters.

    Reading: Three Poets
    Jeet Thayil (1959) is een Indiase vijftiger die met zijn gekleurde brillenglazen, pak en charisma, doet denken aan George Michael. Thayil introduceert elk gedicht met de (veelal exorbitante) titel, inhoud en een kort technisch verhaal over de vorm van het gedicht. Thayil vertelt in meerdere gedichten over het verwoestende effect van drugsgebruik, en over zijn eigen heroïne verslaving  (The Heroin Sestina).In een cynisch gedicht protesteert hij  tegen de Indiase overheid (The Rules For Citizens). Tenlotte is er ruimte voor humor. Bij het laatste gedicht, The Consolations of Age (De troost van het ouder worden), laat hij eerst een stilte vallen en dan: There are none. It is a blank page. Het publiek lacht, en Thayil lacht uitbundig mee.

    De volgende dichter is de Italiaanse Laura Accerboni (1985). Een kleine vrouw met een bos krullen neemt plaats achter de photo_laura_accerboni_4x4jpg_220x500microfoon. Ze citeert haar gedichten aan één stuk, waarbij het niet altijd duidelijk is waar het ene gedicht eindigt en het andere begint. Met grote, indrukwekkende ogen schetst ze ons bizarre, gewelddadige en surrealistische beelden voor. Ze slaat spijkers in haar handen zodat ze niet meer beven (‘’Coldness’’). In ‘’Yesterday the tallest boy’’ kauwt een zoon op stenen om zijn moeder te tonen dat een vernield huis alleen maar een vernield huis is. De mensen in het publiek zijn stil en lijken niet te weten hoe om te gaan met de dreunende woordenmars van Accerboni. Als ze klaar is krijgt ze een luid applaus.

    De laatste dichter is de Nederlandse Anneke Brassinga (1948), die vorig jaar de P.C. Hooft prijs won voor haar gehele poëzie oeuvre. Ze krijgt direct de volle aandacht van het publiek door haar indringende blik en vloeiende, verhalende voordracht. Brassinga deelt in haar gedichten veelal haar gemengde gevoelens en gedachten over vergankelijkheid. Eén van de mooiste voorbeelden hiervan is De goede afloop. Ze begint het gedicht met de vraag:

    Wat doen we hier eigenlijk?

    Later in het gedicht:

    Wat we niet doen is opletten/Of is de afgrond onzichtbaar, of/bestaat er geen afgrond voor je erin valt/langs gladde steenwand suist?

    Aan het einde van het gedicht raakt ze mij onverwacht met tederheid:

    In het gras naast de beek op de bodem/wacht God, zo blij als een moeder die al die/tijd thuis is gebleven, met ’n schaaltje pinda’s,/sherry in het glas. En vanachter de bloeiende/bomen, eindelijk daar komen ze, de vermisten/voor wie je onmisbaar, die jij niet missen kon.

    The Complete Works
    the_complete_works008jpg_220x500Na een pauze ga ik naar The Complete Works. Een documentaire van Justin Stephenson over het werk van de experimentele Canadese dichter bpNichol (1944-1988), een pionier in de concrete-, sound– en digital poetry. Dit zijn termen die ik nog nooit gehoord heb, dus ik ben nieuwsgierig. In de documentaire verschijnen verschillende oude vrienden van bpNichols die zijn werk citeren en iets vertellen over hun band met de dichter.

     

    Een rode draad is de vriend die het gedicht Billy The Kid voorleest: een kort verhaal over een cowboy die vanwege zijn kleine geslachtsdeel allerhande onverstandige beslissingen neemt, zoals het neerschieten van mensen. Een andere vriend laat een voorbeeld zien van bpNichols sound poetry: hij maakt een geluid wat lijkt te beginnen als een normaal woord, maar vervolgens alle kanten op gaat – van hoog en snel gepiep tot een lange, uitgerekte geeuw. Het publiek lacht voorzichtig. De voordrachten worden afgewisseld met korte fragmenten van geluid, beeld en poëzie. Wat deze fragmenten precies zijn wordt niet duidelijk: is het het originele werk van bpNichols, is het kunst waarbij bpNichols’ poëzie wordt gebruikt of is het iets anders? Deze vraag blijft mij bezig houden.

    Met mijn hoofd vol poëzie verlaat ik het theater. Buiten is het afgekoeld en begint het te schemeren. Ik loop de Witte de Withstraat uit en denk aan de dichters op het terras, dat ze geïnspireerd naar huis zullen gaan. Net als ik.

     

  • Over hebzucht, eenzaamheid en vrijheid

    Een oranje bank in een huiskamer. Linksvoor op het podium een eetkamerstoel en een trap naar de bovenverdieping. Links achter de bank een klein dressoir. De achterpui van de huiskamer bestaat uit twee plafondhoge dubbele tuindeuren. Het dak van de veranda is te zien. Rechts een gedeeltelijk zichtbare achterkant van een piano. Rechtsvoor op het podium een pickup met daaromheen slingerende lp’s op de vloer. Herkenbaar zijn onder andere platenhoezen van Bob Dylans Bringing It All Back Home uit 1965 en Songs van Leonard Cohen uit 1967.

    Dit is het decor van ontwerper Thomas Rupert waarin het Nationale Toneel The Little Foxes speelt. Lillian Hellman (1905-1984) schreef het toneelstuk in 1939. Het werd voor het eerst opgevoerd op Broadway in dat zelfde jaar. Het verhaal speelt in het begin van de negentiende eeuw. Regisseur Antoine Uitdehaag vertelt in het programmaboekje dat het stuk qua tijd is aangepast. De nieuwe bewerking speelt in de Amerikaanse provincie in de vroege jaren zestig.

    Het belangrijkste thema is hebzucht. Het is nooit genoeg, mensen willen altijd meer. Het doet denken aan ‘Greed is good’, de uitspraak van Gordon Gekko uit de film Wallstreet. Maar of je er gelukkig van wordt?

    Gearrangeerde huwelijken
    In de eerste scène van The Little Foxes vieren twee broers (Oscar en Ben Hubbard) met hun zuster (Regina Giddens) en een investeerder (William Marshall) dat ze een nieuwe katoenfabriek gaan bouwen. Ze willen goedkoper produceren en meer winst maken. Oscar is rijk geworden door zijn huwelijk met Birdie. Zij is de erfgename van de grootste plantage uit de streek. Ben en Oscar hebben hun deel voor de nieuwe fabriek al vrijgemaakt, maar Regina kan nog niet inleggen. Haar man Horace heeft zijn aandelen namelijk in bewaring gegeven bij de bank. Hij ligt in het ziekenhuis in Baltimore. Dochter Alexandra krijgt de opdracht haar vader op te halen. Intussen worden de broers ongeduldig, bang dat de deal uiteindelijk toch nog stuk zal lopen. Zij schakelen zoon Leo, die bij de bank werkt, in om de aandelen van Horace in handen te krijgen.

    In de loop van het stuk komt naar voren dat alle huwelijken gearrangeerd zijn om bezittingen veilig te stellen. Er is geen liefde in het spel. Birdie is aan de drank geraakt. Regina droomt van een ander leven in Chicago. Zij bekent uiteindelijk dat ze nooit van haar man heeft gehouden: ‘Ik hoop dat je dood gaat! Ik kan niet wachten tot je dood gaat!’ Een volgend gearrangeerd huwelijk lijkt eraan te komen: dat tussen Alexandra en Leo, de zoon van Oscar en Birdie. Kan Alexandra aan haar ‘lot’ ontsnappen?

    Knappe rollen
    Anniek Pheifer speelt de rol van Regina Giddens. Zij won in 2015 de Mary Dresselhuys Prijs. De jury roemde haar ‘ragfijne inlevingsvermogen en haarscherpe techniek’, waarmee ze ‘schijnbaar moeiteloos van doorvoeld realisme naar droogkomisch naturel of hilarische slapstick’ overschakelt. Dat vermogen laat ze ook weer zien in haar rol van Regina. Het is knap hoe zij een onsympathiek en egoïstisch personage speelt. Tussen al die hebzuchtige mensen speelt Sallie Harmsen de liefdevolle dochter Alexandra Giddens. De stukken met vader Horace (Pieter van der Swan) in de rolstoel zijn ontroerend. Alexandra beschermt haar vader Horace bijvoorbeeld tegen de harde woorden van Regina door haar handen tegen zijn oren te houden. Een scherp contrast met de scènes waarin de broers Oscar (Jappe Claes), Ben (Mark Rietman) en investeerder William Marshall (Joris Smit) alleen maar met geld en rijkdom bezig zijn. Rijk worden is voor hen het belangrijkste van alles. Regina: ‘Ik denk dat je een arbeider moet zijn of een miljonair. Daar tussenin, dat is niks.’

    Addie de huishoudster van de familie Giddens, (een rol van Antoinette Jelgersma) formuleert het nog scherper. Hebzucht vreet de wereld kaal: ‘Er zijn nu eenmaal mensen die de aarde opeten. En er zijn mensen die erbij staan te kijken hoe ze alles opeten.’

    Details
    Mooi detail is het roken op het toneel, dat past in het tijdsbeeld. De toeschouwer kan de rook ruiken en omhoog zien kringelen. Bram Suijker is als zoon Leo overtuigend als de sukkelige bankbediende die graag bij de grote jongens wil horen. Zijn aanwezigheid zorgt voor lichtheid in het stuk. Betty Schuurman geeft uitstekend vorm aan de alcoholverslaafde Birdie.  Antoinette Jelgersma speelt niet alleen een huishoudster, ze is het gewoon. Tussen alle commotie in ruimt ze tafels af, sopt en stofzuigt en schenkt volop koffie en port. En ze ontfermt zich over de zwakkeren in de familie zoals Birdie, Alexandra en Horace.

    Licht- en geluidseffecten en muziekfragmenten ondersteunen op een knappe manier de ontwikkelingen in het verhaal. Zo wordt de eenzaamheid en hardheid van Regina benadrukt door licht vanaf de zijkant van het toneel waardoor haar silhouet scherp aftekent op de muur. Prachtig. De oplopende dramatiek in het deel na de pauze krijgt nadruk door onweersgeluiden. De regen is niet alleen hoorbaar, maar ook zichtbaar. Het water stroomt vanaf het dak van de veranda naar beneden. De muziek in het stuk symboliseert de vrijheid. Addy heeft een singeltje in haar schortjas. Als ze de huiskamer stofzuigt, zet ze het melancholieke Latijns-Amerikaanse plaatje op en danst vol overgave. Totdat een van de broers ruw de platenspeler omschopt.

    Mark Rietman en Jappe Claes zetten de zelfzuchtige broers geroutineerd neer. Joris Smit, als Marshall, is met zijn mooie pak een gladde bankier. Rietman schittert als de manipulerende broer die steeds weer nieuwe mogelijkheden ziet. Daar waar het plan dreigt te mislukken, vindt hij oplossingen die immer ten nadele zijn van de ander maar hij brengt het zo vanzelfsprekend dat die ander er mee in zee gaat. Zijn patserige houding en vileine reacties zijn meesterlijk en roepen geregeld een verbazingwekkende lach uit de zaal op.
    Anniek Pheifer als ontevreden en egoïstische echtgenoot en moeder die over lijken gaat, is zo overtuigend in haar rol, dat het bewondering wekt.

    Aan het eind van het stuk staan de zelfzuchtigen met lege handen. De hebzucht afgestraft, de onbaatzuchtigen beloond. Addy, de huishoudster heeft een som geld toegestopt gekregen van Horace en Alexandra de dochter zal niet uitgehuwelijkt worden en danst op muziek van Subterranean Homesick Blues van Bob Dylan het stuk uit.

     

    Gezien in de Stadsschouwburg Utrecht
    The Little Foxes,
    door het Nationale Toneel
    Nog te zien tot 15 juni in o.a. Venlo, Eindhoven, ’s-Hertogenbosch en ’s-Gravenhage (meerdere avonden).

     

  • Indrukwekkende opening ILFU door PJ Harvey

    Literatuur leeft! In ieder geval vorige week in Utrecht waar het International Literature Festival Utrecht (ILFU) op 22 en 23 april plaatsvond. De openingsavond was een prachtige start voor een succesvol festival. Vorig jaar debuteerde zanger en tekstschrijver Nick Cave, tijdens het literatuurfestival, toen nog City2Cities, met zijn roman De dood van Bunny Munro. Dit jaar debuteerde de Britse singersongwriter PJ Harvey met de dichtbundel The Hollow of the Hand, een bundel waarvoor de Ierse fotograaf Seamus Murphy de indrukwekkende foto’s verzorgde.

    Een gestage stroom bezoekers zocht zich vrijdagavond 22 april een weg naar de grote hal van Postkantoor Neude waar zich uiteindelijk meer dan 550 bezoekers verzamelden in de grote gewelfde hal, in afwachting van het openingsoptreden van PJ Harvey.

    Tijdens het ILFU staat de romankunst volop in de belangstelling. En in deze twee dagen is er de unieke kans, volgens Literatuurhuisdirecteur Michael Stoker in zijn welkomswoord,  om ‘in het hoofd van de schrijver’ te verkeren. Deze avond stonden zeven interviews geprogrammeerd met Zia Haider Rahman, In het licht van wat wij weten, Nell Zink Misplaats, Hagar Peeters Malva, Michael Muhammad Knight, Taqwacore, Meena Kandasamy, de Zigeunergodin, Sunjeev Sahota, Het jaar van de gelukszoekers en Connie Palmen, Jij zegt het.

    Gekluisterd aan woord en beeld

    Maar eerst PJ Harvey (1969), de meisjesachtige tengere gestalte, de donkere lange haren sluik langs haar gezicht vallend, draagt veertig minuten lang gedichten voor uit The Hollow of the Hand. Veertig minuten waarin amper een schuifelen van voeten te horen is. Geen kuchje, geen applaus tussendoor, het was bladstil terwijl Harvey dichtregels uitsprak met een perfecte dictie in klank, kleur en sound. De indrukwekkende beelden van fotograaf Seamus Murphy werden ter begeleiding van de gedichten vertoond op zes beeldschermen die aan weerszijden van de zaal stonden opgesteld.

    In de loop van vier jaar reisde zij met Seamus Murphy naar Kosovo en Afghanistan en verzamelde verhalen van mensen in door oorlog merendeels verlaten dorpen. Na afronding van deze twee reizen moest er nog een stad bij om het compleet te maken, vertelt Harvey. Het werd Washington DC, de stad waar beslissingen genomen werden die van grote invloed waren op de ontwikkelingen in Kosovo en Afghanistan. Ze ging er ‘open minded’ heen, als een kind en schreef wat ze zag. Dit is wat ze onder andere over Afghanistan en Kosovo schreef:

    There must be something in the air
    There’s fighting everywhere

    En in Washington DC:

    They die young here with a belly full of vodka
    Is there a God of non and plenty?

    Over de uitgestrekte hand van een dakloze:
    People come and go, looking at their phones.
    Nobody takes the hand
    Stretching out, shining in the rain

    Na haar optreden vormde zich een lange rij fans bij de signeertafel. Een jong stel, dat speciaal voor haar vanuit Eindhoven naar het festival was gekomen, droeg de speciale editie van The Hollow of the Hand (groot formaat) in een tas bij zich om te laten signeren. Blij en opgetogen verlieten ze na de signeersessie het festival, de reis was nog lang.


    Spice girls

    Palmen31_6065967019309671103_nStoker kondigt de schrijfsters Kristien Hemmerechts en Connie Palmen aan als de ‘Spice girls van de Nederlandstalige literatuur’, waarmee gelijk de toon werd gezet. Hoe aandachtig en stil het publiek was bij PJ Harvey, bij Palmen werd er direct luid gelachen toen ze Stokers, die hen een glas witte wijn bracht, bedankte met: ‘Oh, wat fijn om begrepen te worden!’

    Hemmerechts leidt in door te zeggen dat de romans van Palmen, romans over echte mensen zijn. Ze tracht te omschrijven wie Ted Hughes en Silvia Plath zijn. Dan zegt Palmen, die de interviewster hoort zoeken naar de juiste omschrijving: ‘Zal ik even?’ Waarop ze begint te schetsen waar Ted Hughes vandaan komt. ‘Als je Engeland kent, ik ken het niet, voegt ze eraan toe. En omschrijft het gebied Happy Valley, waar Hughes is opgegroeid met grootse gebaren.

    De zoektocht naar wie Plath en Hughes nu werkelijk waren, wil niet vlotten en Palmen stelt voor de eerste bladzijden uit haar boek voor te lezen. Waarna Hemmerechts reconstrueert wat er allemaal voorgevallen is, waarop Palmen het overneemt omdat ze het beter weet. Palmen als het enfant terrible, keurt vragen goed of niet, weigert te antwoorden, kiest zelf de richting van het gesprek en laat Hemmerechts niet uitspreken. Zo schrijft Palmen niet om bij zichzelf te komen laat ze haast beledigd weten. Zij heeft de romankunst een stuk verder gebracht, meent ze, door van haar leven een roman te schrijven.

    Hemmerechts doet nog een poging met de vraag: ‘Lig je er wakker van wat de mensen van je vinden?’
    ‘Nee, ik lig wakker omdat ik teveel drink,’ bijt Palmen. ‘Schrijven heeft alles te maken met verraad, gaat ze verder. Waarna de dames nog een kleine woordenwisseling krijgen over van wie nu de uitspraak is: ‘Met een schrijver in de familie is het gedaan met de rust.’ Volgens  Hemmerechts was dat Philip Roth maar volgens Palmen de schrijfster die vorig jaar de Nobelprijs voor de literatuur gewonnen heeft. Om dan gelijk Roth als schrijver te loven, hoe die met passie over zijn vader heeft geschreven.

    Het mooiste moment moest toen nog komen en dat was toen Palmen uitriep dat in haar laatste boek de hele Matheus zit maar dat het geen mens is opgevallen, ‘geen theoloog heeft het gezien’, roept ze uit terwijl ze steeds woester haar haren naar achter strijkt waardoor ze nog wilder op haar hoofd komen te staan.

    Het was een literaire battle met prachtige scherpe uitspraken tussen twee vriendinnen die al te lang met elkaar gedold hadden. Het publiek smulde ervan; dit was hoe literatuur zich gedraagt achter de coulissen.

     

    Foto’s: Anna van Kooij

     

  • Nacht van de Poëzie wederom met vele hoogtepunten

    In de door blauwe en roze lampen verlichte zaal van Tivoli/Vredenburg, opende Maarten van der Graaff, die vorig jaar de nacht afsloot, de Nacht van de Poëzie met een stevige aftrap en meer als een Angry Youg Man die blijkbaar ook in hem huist. Waarna presentator Piet Piryns: ‘de romaticus van het abattoir’, Luuk Gruwez aankondigde die voordroeg uit zijn bundel Moeders. En hier begon het dat men het applaudisseren tussen de gedichten door, al niet laten kon. Was het bewondering of waren de dichterlijke gemoederen al te hoog opgelopen?

    Voorafgaande aan de Nacht vond er in een van de ruimten in de catacomben van Tivoli/Vredenburg de tv-opnamen plaats voor het VPRO programma Brands met Poëzie. Zo’n twintig plaatsen voor wie het wel eens wilden meemaken en hoe Wim Brands (hoorde ik naast me) in het echt is. Nu, hij was niet veel anders dan voor of tijdens de opnamen, luidde het oordeel. Wat klonk als een compliment. Er was een format: eerst leest de dichter iets voor uit zijn werk, dat ene gedicht zal de spil van het gesprek zijn. In afwachting van de opnamen, vraagt Brands of er iemand in het publiek een gedicht uit zijn hoofd kent. Een echte Brandsvraag, die de werking van geheugen en herinneringen in het schrijfproces, mateloos intrigeert: wat gaat er om in dat hoofd? Er werd voorzichtig wat geschoven op stoelen en evenzo gelachen. Ellen Deckwitz was er wel goed in, zowel uit eigen werk als uit het werk van anderen declameerde zij uit het hoofd. Vier mooie interviews met Pieter Boksma, Ellen Deckwitz, Hester Knibbe en K. Schippers.

    Verhalen en anekdotes

    De Nacht was vol verhalen en anekdotes, met dank aan de presentatoren Esther Naomi Perquin en Piet Piryns. Perquin vertelde dat zij eens met een bijna tachtig jaar oude dichter een museum bezocht. Dat zij die dichter onderweg kwijtraakte en na tientallen minuten zoeken, waarbij ze de suppoost inschakelde en bang werd, bij elke toiletdeur die zij opentrok, de dichter ineengezakt op de vloer zou aantreffen. Tot ze de dichter buiten in de zon zag zitten, een sigaret rokend. Zij vertelde hem hoe ze hem gezocht had en haar groeiende angst hem op de vloer 12027525_992788844076975_5632214561750089309_naan te treffen terwijl ze deur van het toilet opentrok. En de dichter, die aandachtig luisterde, vroeg: ‘En, lag hij daar?’ Met deze tekst werd K. Schippers aangekondigd die met verende tred het podium betrad en vanaf de katheter voorlas: Iemand elke dag zien/iemand toevallig zien/iemand af en toe zien/ iemand per vergissing zien/(…)/iemand nooit meer zien, uit zijn nieuwste bundel Fijn dat u luistert.

     

    ‘Thuis wil ik zijn, al is het maar een nacht.’

    Een dichtregel van Tsjêbbe Hettinga (1949-2013) waarop de Nacht van de Poëzie werd gedragen. Thuis was men zeker in deze Nacht, misschien wat al teveel. Het publiek was vlot en overweldigend met applaus, joelen en fluiten dat menig dialoog, dat eventueel had kunnen ontstaan tussen zaal en podium, in de kiem werd gesmoord. Nog voor de fragiel ogende Juliette Gréco één noot had gezongen, werd de zaal haast afgebroken  met stampen, roffelende handen op houten relingen en een overweldigend applaus. Haar zang en intonatie waren zeer beheerst en soms haast krampachtig, zoals bij ‘Ne me quitte pas’ van Jacques Brel. Het doorlopend fladderen van haar handen leek teveel een maniertje en bewogen steeds net een fractie van een seconde achter de tekst aan. Misschien was het bij een wat minder overweldigend onthaal wel tot een dialoog tussen haar en het publiek gekomen. 12032127_993690873986772_8240695244972306113_nDe ontdekking van dit jaar is Benjamin Clementine met zijn theatrale zangkunsten en intrigerende teksten. In zijn donkergrijze lange coat, stond hij min of meer achter de vleugel die hij merendeels bespeelde met één hand. De rechterhand bewoog mee op de tekst van zijn songs: ‘It does’nt matter any more. En het beroemd geworden Condolence, ‘I swear, you’ve seen me/You’ve seen me here before/before.’

     

     

    Tussen de golven van applaus en performance in, was het een verademing te luisteren naar Hester Knibbe, ‘liefde, liefde, het zit altijd vast aan iemand’ en Anneke Brassinga, één met haar gedichten in haar voordracht. Zij kregen ieder op hun wijze de zaal stil, aandachtig luisterend. Waarna het lachen was met de verzen van Ivo de Wijs, en de wat cynischer, maar daarom des te komischer poëzie van  Lévi Weemoed.

     

    11987199_992793087409884_8579969130201574497_nPeter Verhelst maakte indruk met zijn gedicht over de foto van de Syrische peuter op het strand. Afhankelijk van wat we zien hoelang dit op ons netvlies blijft: ‘Zelfs toen we niet meer keken bleef het liggen op het strand/zelfs toen het weggehaald was bleven we het zien liggen’.
    Na de dip van de Nacht, en zoals Piryns het zo treffend verwoordde dat ‘je het niet kon maken nu thuis aan te komen’,  blies Ilja Leonard Pfeiffer ( ‘Zij hadden mij de nacht beloofd’), de Nacht nieuw leven in met zijn verschijning en voordracht. Ook Pieter Boksma, maakte indruk. Hij  vond het tijd worden voor een revolutie en dan een dichtertje op de troon ‘zodat men weer genieten kan van dansende zonnevlekken op een bospad’.

    Ode aan dode dichters

    Deze Nacht waren drie dode dichters aanwezig. Mike Boddé bracht een ode aan Drs. P (1919-2015) door op aanstekelijke wijze over hem te spreken en zijn liederen te zingen. Dat deed hij op zo’n zelfde wijze, dat het leek of Drs. P himself aanwezig was. Ester Naomi Perquin las het gedicht God te zijn van Joost Zwagerman voor. En vertelde dat Rogi Wieg eindeloos kon bellen. De laatste keer dat zij met hem sprak zei ze na vier uur bellen: Rogi, ik heb ook nog wat te doen.’ Waarop Rogi zei: ‘Ja, naar mij luisteren.’ Indrukwekkend was de video waarvan hij en wij in de zaal ook, wisten dat hij op het moment van uitzending er niet meer zou zijn, en waarin hij hij licht geëmotioneerd zegt: ‘Ik ga nooit meer een gedicht schrijven.’

    Terwijl voor het podium op de vloer het publiek op kussens de laatste uurtjes van de Nacht doorbrengt, de geur van zweetvoeten zijn hoogtepunt bereikt, maakt Typhoon er 12049638_992786484077211_4116692214999661065_neen feestje van met een swingend einde. Waarna Charlotte Van den Broeck met een ongelofelijke woordkracht de zaal bezwoer en de Nacht waardig afsloot. Zoals Van den Broeck haar gedichten declameerde, zo zou je het willen. Eindelijk eens een gedicht uit het hoofd leren zodat, als bijvoorbeeld Brands erom vraag, je het zo op kunt zeggen. Van den Broeck verliet het podium met een mondig ‘Goedenacht’, waarin een glimlach hoorbaar was. Mooi was het.

     

     

    Foto’s: Charlotte Van den Broeck / Peter Verhelst / K. Schippers : Annemarie Sint Jago
    Foto’s: Zaal / Benjamin Clementine: Michael Kooren

     

  • Zeer korte verhalen in Zutphen

    Het was vrijdagavond, koopavond. De straten van de stad waren op een mistroostige manier verlaten. Het zou toch niet zo zijn dat iedereen zich naar boekhandel Someren & Ten Bosch in de Turfstraat had gerept om daar A.L. Snijders te zien optreden? Snijders, die vorige week opeens tot ’s lands beroemdheden werd gerekend omdat hij de uitgave van Nederland Leest mag verzorgen. En omdat hij bij het journaal verscheen en de DWDD. Zo gaat dat.

    Maar de boekhandel was vol liefhebbers van de zkv’s van A.L. Snijders. Zij hadden hem al lief voordat hij de uitnodiging van het CPNB had aanvaard. De schrijver was ter ere van De Week van het Korte Verhaal aanwezig. Hij zou de vooravond daarvan inluiden met enkele van zijn zkv’s. Geheel vrijblijvend en belangeloos.

    De schrijver kwam vanuit een inham naar voren en beklom de open trap in het midden van de winkel. Op één traptree lag een rood fluwelen kussen. Hij vond er, na enig heen en weer geschuif, een stabiele plek op. Hij droeg stijlvolle suède schoenen. Mooie herenschoenen, met een gladde zool. Daar moest ik even aan wennen. Heel even maar en toen had ik de zware werkschoenen, of laarzen los van hem kunnen zien en pasten de suède schoenen hem wonderwel goed. Maar er was nog iets, al wist ik niet zo gauw wat.  Toen zag ik het, zijn wenkbrauwen waren bijgeknipt.

    Snijders keek met open blik de winkel rond, alsof hij iemand zocht, alvorens hij begon met het voorlezen van een mail. Degene die hem de mail gezonden had, kon wellicht onder de aanwezigen zijn. Maar nee.
    Die avond had de schrijver met zijn vrouw en dochter boodschappen gedaan bij de ‘grote’ AH in Zutphen. Alwaar hij werd aangesproken door een man die hem herkende van de televisie. De man stond naast een vrouw tegen wie hij zei: ‘Weet u wel dat u naast een beroemd man staat?’
    ‘Ja. Dat is mijn vader.’
    De mail luidde: Goedenavond meneer Snijders, Een uurtje gelden ontmoette ik u en uw vrouw in de grote AH van Zutphen. Zou u zo vriendelijk willen zijn om mij op uw Graslijst te zetten.’
    En zo begint Snijders een van de vele zijwegen te bewandelen waar hij zijn publiek al vertellend doorheen voert. Waarheen is niet belangrijk. Uit zijn zwarte tas haalt hij een A-4tje en zegt: ‘Ik lees dit stukje voor omdat ik het ontzettend graag wil voorlezen. Het is een advent verhaal dat ik op verzoek van de KRO geschreven heb.’

    Snijders is een verhalenverteller pur sang. Na het voorlezen van een van zijn zkv’s, zegt hij dat dit een te begrijpen stukje was maar dat hij de laatste tijd ook veel niet te begrijpen stukjes schrijft. Die brengt hij tot uitvoering met pianist Marcel Worms. Over Worms vertelt hij dan het prachtige verhaal van een jongen die geen muziek mocht studeren omdat zijn ouders hem dat afgeraden hadden (geen droog brood mee te verdienen) en die dat later toch wel deed. En dus nu met Snijders optreedt, of Snijders met hem. Het steekt soms heel nauw.
    Elk zkv dat hij uit zijn tas haalt, levert een bezijden verhaal op dat zo niet nog mooier is dan het op schrift gestelde zkv. Uit alles wat hem beroert komt een verhaal voort. Zijn verhalenkennis is eindeloos.

    Naderhand bij de boekentafel spreken twee mannen elkaar. ‘Ik krijg wel eens zo’n zkv met de mail, via de Graslijst. Die stuur ik dan weer door naar vrienden. Soms met een commentaar.’ De man begint nu besmuikt te lachen en gaat verder:’Laatst had ik er één doorgestuurd met de opmerking: ‘Deze vind ik niet zo goed.’ Kreeg ik van hem terug: ‘Maar ik wel.’ ‘Was ik vergeten hem uit de maillijst te halen.’ Het was een mooie avond voor een zeer kort verhaal.

     

     

  • Wim Brands en Kees ’t Hart in wederzijds-interview

    Een ontmoeting tussen Wim Brands en Kees ’t Hart bij de literaire salon in het Letterkundig Museum Den Haag. De één publiceerde onlangs de dichtbundel ’s Middags zwem ik in de Noordzee en de ander de satirische roman Theatro Olympico. Twee schrijvers  met elkaar in gesprek over hun schrijfproces. Voor de pauze interviewde Wim Brands, Kees ’t Hart over zijn laatste roman, na de pauze sprak ’t Hart met Brands over zijn dichtbundel.

     


    Nooit over jezelf schrijven

    Er is al veel gezegd over de opzet van ’t Harts roman Theatro Olympico en Brands vraagt zich af hoe het komt dat het geen ‘onzin’ roman is geworden. Dat ’t Hart daar erg zijn best voor moet hebben gedaan. ’t Hart geeft wat ontwijkende antwoorden en Brands wil weten wat hem ergert. ‘Nou’, zegt ’t Hart, ‘dat is die in zich zelf gekeerde draai die ik maak.’
    ‘De personages in je romans nemen zichzelf niet serieus’, gaat Brands door. ’t Hart bevestigt dat hij met omtrekkende bewegingen schrijft om te vermijden dat je over jezelf gaat schrijven. ‘Nooit over jezelf schrijven’. roept hij stellig. Brands: ‘Maar je doet niet anders.’ ‘Jaja, nu ja’, mompelt ’t Hart, die dondersgoed weet dat hij dat doet. ‘Wat ben je nu aan het doen?’ besluit Brands. ’t Hart werkt aan een kleine historische novelle, Het beeld van Goethe. En aan een idee voor een boek over een echtpaar dat in nare situaties belandt door alledaagse ergernissen.

    Brands op de plek van geïnterviewde toont onwennig, maar geen nood, hij neemt als vanzelfsprekend de leiding in dit interview. Hij stelt voor, omdat hem dit maar het beste lijkt, gelijk de angel eruit te halen (of zoiets) en het eerste gedicht uit zijn bundel te belichten. Zijn bundel, bestaande uit zo’n veertig gedichten lag vorig jaar rond deze tijd klaar toen zijn vrouw te horen kreeg dat ze ernstig ziek was. Zijn gedichten kwamen hem opeens zo nutteloos voor dat hij ze bijna allemaal wegdeed en twintig nieuwe schreef.

    Hij vertelt over een nacht dat het stormde en hij niet slapen kon. En daar kwam ‘de troost van de onverschilligheid’. Een zin die zich in zijn hoofd vormde terwijl hij daar, in de nacht, stond. Hij leest voor: ‘In de eerste nacht nadat ik had / gehoord dat je ziek was / schrok ik wakker // Het waaide buiten. Het waait, zei / jij, die nog geen oog dicht had / gedaan, en je glimlachte. // Ik begreep het pas later. // Wat er ook is, het zal de natuur een / zorg zijn. // Het waait, het waaide – buiten klonk / de troost van de onverschilligheid.’

    Iemand die iets is, wil altijd iets anders worden

    Brands wilde vroeger bioloog worden. Op zijn zestiende schreef hij zijn eerste gedicht en vroeg aan een vriend, die eigenlijk de dichter was, wat hij ermee kon doen. De dichter sprak: ‘Je stuurt het op naar een literair tijdschrift en dan krijg je het terug.’ Hij stuurde het gedicht op en het werd geplaatst. En zo werd hij dichter in plaats van bioloog. Maar ’t Hart herkent in zijn gedichten de bioloog, de ‘sporenzoeker’ in een poging iets te snappen.

    Hoe gaat het schrijven van een gedicht in zijn werk? Een gedicht begint met een gedachte die mogelijkheden openhoudt. Brands wilde een liefdesgedicht schrijven en vroeg zich af: hoe begint een liefde? Daarbij herinnerde hij zich een uitspraak van Wubbo Ockels. Gedaan nadat hij een rekening van 3000 euro voor zijn iPhone gebruik ontving en zijn kinderen hem hadden uitgelegd wat hij had fout gedaan, ‘Achteraf is alles altijd eenvoudig.’

    Het hoofd van de dichter als een vat vol uitspraken en een web van gedachten waarin ook de uitspraak ‘’s middags zwem ik in de Noordzee’, is blijven hangen. Deze opmerking is ontstaan in de tijd dat Brands met zijn, toen nog jonge gezin, vele seizoenen in Bakkum aan zee verbleef. Iemand kwam hem berichten dat de VPRO hem wilde bellen en hij sprak: ‘Dat is goed, maar ’s middags zwem ik in de Noordzee’. En dan ontstaat jaren later dit liefdesgedicht voor zijn vrouw:

    ‘Mijn liefde voor haar begon als een geloof. / Ze was er op een dag, daarna volgden / bedremmeld de redenen: // haar licht loensende ogen, hoe ze sprak / ‘Nee, ’s middags zwem ik in de Noordzee’. // Hoe in dat water haar armen nauwelijks / bewogen. Eenvoudig. Achteraf is alles / altijd eenvoudig.’

    ’t Hart merkt op dat hij geen poëtische taalmunter is, geen grote bewoordingen gebruikt, geen metrum en geen rijm. Dan zegt Brands: ‘Als mislukt bioloog ben ik misschien ook wel mislukt als kunstenaar.’ Maar dat weet hij beter.

     

     

  • Portugese poëzie in Den Haag

    ‘The privilege of a lifetime is being who you are’

    Er was een boekpresentatie in Den Haag. Nu zijn er wekelijks wel meer boekpresentaties, maar deze had een bijzonder karakter. Het betrof hier een presentatie van een Portugese dichtbundel Os medos e a gente ( De angst en het volk), een uitgave van Uitgeverij Chiado in Lissabon. Het is de derde dichtbundel van voormalig journalist,  tegenwoordig dichter en boekhouder bij de Portugese Ambassade, José Saraiva. Hoewel de dichter al negen jaar in Nederland woont, werd deze bundel in Portugal uitgegeven. De presentatie was in de ambtswoning van de Portugese ambassadeur.

    Met tram 1 naar het Vredespaleis. Daar was het nog even zoeken naar de residentie die achter het Vredespaleis verscholen lag. Voor de hoge groene haag rondom het huis stond een bakfiets met lichtblauwe fietstassen. Het stond wat ongewoon. Die kinderbakfiets voor dat statige huis, waar men zich niet anders dan per auto laat vervoeren. Een vriendelijk ogende huishoudster liet ons binnen. In de ontvangsthal, waarvan vloeren en wanden bekleed waren met zware tapijten, klonk het Portugees en Nederlands levendig door elkaar. Het meubilair was donker klassiek en ademde de sfeer uit van koloniale tijden. De genodigden begaven zich naar het escritorio (mooi woord voor kantoor, waarin de betekenis van schrijven zit), links van de hal. De ruimte vulde zich met meer dan dertig personen, de overige belangstellenden dromden samen in beide deuropeningen, waarvan er een toegang gaf tot de hal en de ander het escritorio met de sala de estar (woonkamer) verbond.

    De ambassadeur opende met een welkoms woord waarna de dichter zelf met verve verhaalde van de oude Grieken en Parcival. En dat die samen met Joseph Campbell een belangrijke inspiratiebron voor hem zijn geweest. Van Campbell is voor in de bundel het volgende citaat opgenomen: ‘The privilege of a lifetime is being who you are’. Hij omschrijft zijn bundel als volgt: ‘Geschreven in zwart-wit met een vleugje rood en blauw en een onderliggend groen. Ondanks de vele kleuren, heeft het niet de pretentie een regenboog te zijn… Er is geen grijs … (cinzento) ‘.

    Saraiva blijkt een dichter te zijn die vindt dat zijn bundel het nu voor het zeggen heeft, voor wie hem openslaat. Na zijn verhalende toespraak node hij zijn gasten uit voor een glas port in de ontvangsthal, alwaar ook gesigneerd zou worden. De vertaler van onder andere Saramago, Lobo Antunes en Pessoa was aanwezig en verzocht om een voordracht. Wat onwennig las de dichter het gedicht: Pó?É.Mas…
    Poemas, is Portugees voor poëzie. Door de lettergrepen los van elkaar te zetten, ontstaat: Pó. É. Mas… (Stof. Het is. Maar…). Wat de suggestie oproept van vervliegen en ’tot stof zullen we wederkeren…’ De dichter besloot met, dat schrijver én lezers als een lichaam in beweging zijn. Zoals een rivier, een beekje, een stroompje dat zee wil zijn. ‘Becoming who you are.’ Wat ik al zei, een bijzonder boekpresentatie.

     

     

  • De Nacht was weergaloos

    Het hing gewoon in de lucht en  samen met de ruim tweeduizend bezoekers, die overigens niet allen om poëtische redenen de 32e Nacht van de Poëzie bezochten maar er wel door werden gestrikt, zouden wij beleven hoe de 32e Nacht van de Poëzie een fantastisch succes werd.

    Er was een groot aantal bezoekers, (gezien de leegte van de zaal na zijn optreden) die voor Rufus Wainwright waren gekomen. “Is er geen programma?”, zoemde vele malen rond. Wij wisten wel beter, Bij de Nacht van de Poëzie is het: Wie A zegt moet ook B zeggen, en lieten ons opnemen in de geluiden van ritselende papieren, geklap van zaaldeuren, vrolijke kreten, klinkende glazen, stapelende boeken en dichterlijke begroetingen. En in de grote zaal van TivoliVredenburg steeds weer een aandachtige stilte bij elk optreden. Zoals Els Moors later zal opmerken: “Mensen horen luisteren is een onvoorstelbaar geluid”, waarbij wij, als publiek onze rol bevestigd zagen.

    Dansen op de bodem van de nacht

    De achthoekige zaal was door een groot doek tot een zeshoekige vorm teruggebracht. Wanneer je rondkeek, was het gelijk een reusachtige bibliotheek met mahonie houten schappen. De kleurige kleding van het publiek kon doorgaan voor de boekruggen. Het was een goed gevulde boekenkast.
    Op het podium werd het optreden van Maarten Heijmans, Ramsey Shaffy vertolker, voorbereid. En ik vroeg me af, de zaal rondkijkend naar al die mensen die een avond poëzie voorgeschoteld gaan krijgen, beklijft poëzie? Dit met een opmerking van Menno Wigman in mijn hoofd tijdens een radio interview. Hij zei dat we de kans niet meer krijgen dichtregels uit ons hoofd  te leren, zoals vroeger Mei, van Gorter door iedereen die school ging, gekend werd. Nog steeds wordt er school gegaan maar leeft poezie nog maar op enkele scholen. Maar tijdens deze Nacht kon je niet anders dan geloven dat poëzie beklijft. En je wenst je net zo voor te kunnen dragen als Erik Jan Harmsen. Die zijn afgebeten zinnen ritmisch het publiek in blaft met een fantastisch effect. “Mijn mond is al open / nu moet ik nog woorden verzinnen (…) kijken hoe ze vallen.” In het beste geval wordt je er dichterlijk van en op zijn minst  wil je een bundel aanschaffen.

    Van woordperformer en dichter Maud Vanhauwaert bijvoorbeeld, om de wonderlijke wereld die zij in haar gedichten beschrijft er nog eens op na te lezen: ‘Maak je geen zorgen’ fluistert iemand achter mij / Ze legt haar kin op mijn schouder / ‘Je werd verdienstelijk zesde’  / ‘In welke wedstrijd?’ vraag ik en nu pas merk ik: / ik sta in een rij / Ze slaat haar armen om me heen. Haar adem / ruikt naar een kleedlokaal.
    Horen is op schrift willen hebben, zo blijkt tijdens De Nacht. Daarvoor zijn er de boekenstands. Om aan te schaffen van wat je in de zaal gehoord hebt. Maar dat was later.

    Eerst zingt Maarten Heijmans met zijn band op geheel eigen, maar prachtige wijze liederen van Ramses Shaffy. En de poëtische zinnen van Shaffy beklijven nog steeds: “Ik hou van schamel en van duur.” Er waren er die zacht meezongen. “Want wie me lief is blijft me lief”. Met een daverend applaus verlaat de band het podium en kondigt Piet Piryns de volgende dichter aan. Nog voor hij uitgesproken is beweegt Remco Campert zich schuifelend op helblauwe suède schoenen naar de katheter. Het publiek juicht verrukt en de blijheid om zijn komst is oprecht. Waarna een stilte invalt waarin de zware ademhaling van de dichter hoorbaar is. Het publiek hangt aan zijn lippen. Hier wordt voor een avond  ongegeneerd geëerd en verafgood. Nederland houdt van poëzie. Ongewild is Campert het hoogtepunt van De Nacht en steekt zelfs Rufus, (die dan nog moet komen) naar de kroon. De laatste der vijftigers opent met een aubade aan de onlangs overleden dichter Gerrit Kouwenaar door een aan hem zelf opgedragen gedicht “Kijk het heeft gewaaid”, voor te dragen. “Het was zoals het altijd geweest was” En van Campert zelf een persoonlijk resumé over poëzie: “Poëzie is een daad van bevestiging. / Poëzie is mijn adem, beweegt mijn voeten / De dood is een ontroering.” Op zijn moeizame ademhaling bracht Campert woorden vol levenskracht. Het publiek gaat  uit hun dak. Onder gejuich en luid applaus verlaat hij met bedachtzame stappen het podium. Jean Pierre Rawie moet zich eerst door de roes van Campert heen werken, voor hij het publiek in volheid bereiken kan met mooie gedichten over bejaardenhuis en gestorven vrienden.

    Bezijden de Nacht zijn er ontmoetingen. Het koffiemeisje vraagt benieuwd of we al ‘mooie dingen’ hebben gezien. Zeg dat al de dichters die we tot nu toe gehoord hebben, fantastisch waren. Maar dat Remco Campert natuurlijk weergaloos was. Zij kent hem niet. Hoe naïef  van mij ervan uit te gaan dat hij niet, gelijk de koning door iedere Nederlander gekend wordt. Rufus Wainwright kent ze ook niet. Voor ik het weet laat ik me ontvallen: “Ken je Shrek?” Ja, die film heeft ze gezien. Het daarin gezongen Halleluja? “Ah, die!” Op de koffie maakt ze een kunstwerkje met melkschuim. Daar weet ze alles van.

    Campert zit even verderop achter een tafeltje te signeren. Een uur lang bedient hij zijn fans. Dan word hem ingefluisterd dat hij af kan sluiten als hij wil want zolang hij daar zit blijft het publiek komen voor een handtekening. Onderweg naar de uitgang loopt hij nog een omhelzing van Chabot op, waarna hij verdwijnt in de nacht. Een Nacht die zeker de geschiedenis in zal gaan als de legendarische Nacht dat de laatste van de vijftigers, met zijn helblauwe suède schoenen zich nog eenmaal had laten verleiden het podium op te gaan.

    Als De Nacht de bodem bijna heeft bereikt, komt er een man naast me zitten, berookt en bedronken. Hij kijkt op zijn mobiel. Ik kijk verholen mee, lees: ‘Wonderlijk mooi Marlies! Was het, is het.’ Dat doet De Nacht met je. Je wordt er zomaar poëtisch van, de wereld weer aan kan.

    Foto: Anna van Kooij

    Vorige Literair Nederland was erbij

  • Christos Tsiolkas (Barracuda) bij Borderkitchen

    Literair Nederland was erbij

    Door Vera ter Beest

    De avondzon schijnt in al haar glorie door de ramen van de kleine zaal van het theater. De zaal is afgeladen en het is er warm. Verkoeling zou lekker zijn. In een zwembad bijvoorbeeld.

    Dat zelfs een zwembad niet altijd verkoeling brengt, laat de Australisch-Griekse schrijver Christos Tsiolkas zien in zijn nieuwe boek Barracuda. Het is een verhaal over een professionele zwemmer, die er alles aan doet de arbeidersklasse te overstijgen om bij die groep van golden boys te horen. Zijn wens een winnaar te zijn maakt dat hij verkeerde keuzes maakt en daden verricht die een ander doen huiveren. Maar, hij komt tot inkeer.

    Tsiolkas zit tijdens deze Borderkitchen tegenover interviewer Wim Brands die hem vraagt: ‘Waarom een zwemmer?’. De schrijver zegt zelf van zwemmen te houden en ooit eens een verhaal te hebben gelezen van een Australische zwemmer die soortgelijke dingen deed als beschreven in het boek. Tsiolkas dacht dat het ging om een jongen uit de arbeidersklasse, maar dat bleek niet zo te zijn. Desalniettemin zette dit verhaal hem aan tot het schrijven van Barracuda.

    Toch heeft Tsiolkas ook andere argumenten gehad om dit boek te schrijven. Alhoewel hij dit boek toch vaker heeft mogen presenteren, is de auteur niet in staat deze redenen in enkele zinnen aan te geven. Tijdens het interview heeft hij zichtbaar moeite met het vinden van de juiste woorden om uitdrukking te geven aan zijn gedachten. Hij is zichzelf hier ook van bewust en geeft aan dat het voor hem makkelijker is zijn gevoelens en gedachten op te schrijven in een roman.

    Barracuda is een intens verhaal waarin in snel tempo krachtige emoties elkaar afwisselen. Het werk krijgt een extra dimensie nadat de auteur stukje bij beetje heeft uitgelegd waarom hij dit boek schreef. Het blijkt dat Tsiolkas na het succes van The Slap enorm beroemd werd en daardoor zijn sociale milieu, de arbeidersklasse, achter zich kon laten. Voor zijn gevoel liet hij echter zijn ouders en familie achter in die status en daar voelt hij zich schuldig over. Het gevoel van schuld en schaamte zijn onderdeel van hem, het is een deel van zijn Griekse achtergrond. Dit gevoel wil hij beschrijven, een plaats geven en dat doet hij in Barracuda.

    Daarnaast is dit boek voor hem een zoektocht naar zijn eigen identiteit, een manier om zijn leven als kind van migranten te beschrijven en te accepteren wie hij is. Hij voelt zich verbonden met de Grieken en is er trots op dat hij de taal machtig is, maar zal nooit één van hen zijn, omdat hij niet dezelfde geschiedenis deelt. Hij steunt de Grieken, maar doordat hij in Australië woont is hij ook in staat hen te bekritiseren. Nadat hij zijn verhaal heeft gedaan is de Tsiolkas zichtbaar opgelucht. Lachend merkt hij op dat hij zich, naarmate hij meer door Europa reist, ook meer Australiër gaat voelen.

    Barracuda

    Auteur: Christos Tsiokas
    Vertaald door: Tjadine Stheeman en Onno Voorhoeve
    Verschenen bij: Uitgeverij Ambo/Anthos
    Prijs: € 21,99

  • A.L. Snijders in gesprek – Zoals Thijssen de klas in liep

    Hij spreekt wat knorrig en lijkt moeite te hebben om zijn herinneringen samenhangend te vertellen. Maar de zaal hangt aan zijn lippen. Om de paar zinnen is er een lachsalvo. Hij weet uitstekend te timen. Na verloop van tijd is de spanning onder de toehoorders voelbaar als hij weer even aarzelt: nu komt de pointe.

    A.L. Snijders lijkt te praten zoals hij schrijft: associatief springend. En verwarring zaaiend.
    Tegen zijn interviewer, die een van zijn ZKV’s te feitelijk blijkt te hebben geïnterpreteerd, grapt hij: ‘dan heb ik je er toch mooi ingeluisd’.
    Het hangt de hele sessie rond zijn causerie. Verzint hij het ter plekke of is het echt waar? Over zijn pseudoniem bijvoorbeeld; er wordt hem nogal eens gevraagd waar de letters A.L. voor staan. Ze betekenen niks. Hij had zijn eerste column klaar voor het Parool, toen de redactie hem belde of hij niet onder pseudoniem wilde publiceren. Hij had een uur om iets te verzinnen. ‘Het enige dat ik wist is dat ik niet wilde dat mijn schuilnaam betekenis had zoals Nescio of Multatuli. Ik noemde toen maar wat.’

    Wat is feit en wat verzinsel? ‘Ik begin meestal aan een ZKV naar aanleiding van een gebeurtenis, maar daarna fantaseer ik er op los. Mijn meest ideale verhaaltje zou er een zijn dat ik van A tot Z verzonnen had en dat ik jaren later herlees in de overtuiging dat het volledig waar was. Maar zover ben ik nog niet’.
    Snijders heeft geen plan in zijn hoofd als hij begint: ‘Dat doe ik het liefst, aan een ZKV beginnen zoals Theo Thijssen de klas instapte. Hij zou wel zien wat hij zijn leerlingen de komende les ging vertellen’.

    Hij heeft nog een ideaal: ‘Ik gebruik veel citaten in mijn ZKV’s, liefst zonder bronvermelding. Het mooiste lijkt me een ZKV waarin geen woord van mezelf staat’.
    Hij legt er de nadruk op dat hij geen columnist is. ‘Ik vertel een verhaal. In een column stel je iets. Daarom schrijf ik nooit over politiek’. Stelligheid is sowieso niet aan hem besteed. Daarom moet hij niets hebben van mensen die menen de waarheid in pacht te hebben. Of dat nu katholieken zijn of communisten, Jehova’s of dierenactivisten. ‘Ik ben een rationalist. Maar als God echt bewezen wordt, ben ik onmiddellijk van de partij’.

    Waarom hij Amsterdam verruilde voor de Achterhoek, vraagt de interviewer. Er volgt een lang verhaal over de verloedering van de stadsbuurt waar hij met zijn gezin woonde, uitmondend in de vondst van een afgelegen boerderijtje in het oosten van het land. ‘Ik vind het een mooie zin van Lodewijk van Deyssel. Die zei ooit: ik wil in een huis wonen waarin ik ongezien uit elk raam kan pissen. Zo woon ik nu’.

    A.L. Snijders sprak in Nijmegen met deelnemers aan de Postacademische cursus Recente Nederlandse en Vlaamse Letterkunde. In 2015 viert die cursus een jubileum. Hij is er dan voor de tiende keer. Wie hierover meer wil weten kan hier terecht.

     

     

  • De vele ‘ikken’ van Fernando Pessoa

    Het was een zondag in maart en we hadden het niet zo in de gaten maar het bleek de warmste dag in maart ooit geregistreerd. We liepen langs overvolle terrassen linea recta naar Nederlands enige Literatuurhuis dat zich aan de Oudegracht in Utrecht bevindt. In een klein, witgekalkt zaaltje, voorheen de sacristie van de niet meer bestaande Regulierenkerk, hield Fernando Pessoa-kenner en directeur van Het Literatuurhuis Michaël Stoker, een lezing over de Triomfdag van deze Portugese schrijver. Het veelal oudere maar zeer aandachtig publiek had in de gereedstaande stoelen plaatsgenomen. Naast mijn studentendochter, liep er op de valreep nog een enkele jongere binnen. Het was een rustig zaaltje, als in een filmhuis. In een uitgespaarde ruimte in de muur stond een klein metalen beeldje van Jezus aan het kruis. De ruimte deed denken, (door het felle zonlicht, dat langs een halfgesloten gordijn door het openstaand venster naar binnen schitterde zonder iets van warmte af te geven) aan één van die Portugese achterkamertjes waar, hoe fel de zon buiten ook scheen, het altijd koud blijft en er geen zichtbare behoefte aan decoratie te ontdekken is dan alleen het  onontbeerlijke kruisbeeld.

    Michaël Stoker kende zijn onderwerp goed en sprak anderhalf uur lang, enkel onderbroken door drie korte filmfragmenten – waaronder een opname van een interview met August Willemsen, die Pessoa eind jaren zeventig in Nederland introduceerde. Hem werd gevraagd: ‘Waarover gaat het werk van Pessoa. Kun je dat uitleggen?’ Willemsen keek recht in de camera en zei enkel: ‘Nee’.
    Er was een korte film van de Triomfdag (1988), waarin een onrustige en weifelende Pessoa te zien is, die plots een pak papier op een dressoir schikt en staand, begint te schrijven; het eerste heteroniem, Alberto Caeiro was geboren. Pessoa liet de wereld geloven dat hij op dat moment, achter elkaar 30 gedichten schreef. Maar, wist Stoker te vertellen, onderzoek van het tekstpapier heeft uitgewezen dat hij er een half jaar aan gewerkt heeft.

    De lezing was ter gelegenheid van een nieuw uitgegeven werkje van een van de heteroniemen, Alvaro de Campos, die een Ter nagedachtenis had geschreven voor een ander heteroniem, Alberto Caeiro. Het zijn de enige teksten waarin sprake is van een ontmoeting tussen de drie belangrijkste heteroniemen en ook Pessoa zelf. In de wonderlijke wereld van Pessoa wordt de werkelijkheid gelogen. De eerste heteroniem dus, die in Pessoa een onophoudelijke stroom van gedichten losmaakte, verscheen op  8 maart 1914, later de Triomfdag genoemd. Waarna er zich nog twee aandienden, Ricardo Reis en Álvaro de Campos. Een heteroniem, anders dan een pseudoniem, is een personage die niets van zijn werkelijke verteller blootgeeft, het is een nieuwe ‘ik’. Pessoa was een man met grote plannen in zake de literatuur en zichzelf. Hij wilde zich, in meerdere talen, de wereld in schrijven, beroemd worden. Hij wilde reizen maar kwam Lissabon niet uit en schreef daarentegen het gedicht: ‘Aan de vooravond van nooit vertrekken’. Uiteindelijk liet hij een kist (arca) na met meer dan 30.000 beschreven velletjes papier die hem na zijn dood eeuwige roem bezorgde.

    Pessoa was van plan zichzelf te laten verdwijnen en de heteroniemen te laten voortleven. Uiteindelijk creëerde hij er meer dan tachtig en uit de kist schijnen nog steeds nieuwe heteroniemen tevoorschijn te komen. Een magische kist, die in mijn hoofd ondertussen de vorm heeft aangenomen van een flinke scheepskist. Een kist vol manuscripten liet Pessoa achter en zelf wilde hij verdwijnen. Het heeft iets treurigs, een groot schrijver als Pessoa, die bij zijn leven geen enkele erkenning kreeg. Van August Willemsen was ook de opmerking: ‘Wie Pessoa is, wordt nog onderzocht.’ Michaël Stoker bracht vele lijnen uit het leven van Pessoa in kaart, en lichtte tipjes van de sluier(s) op waardoor Pessoa steeds zichtbaarder voor het voetlicht trad. Na afloop werd aan alle bezoekers onderstaand boekje uitgedeeld. Een inventieve manier om een boek aan de man te brengen. De toegangsprijs was net zoveel als het boekje zelf, de lezing kreeg je erbij, of was het andersom? Maar dat maakte eigenlijk niet uit, het was een welbestede middag. De zon was ver over zijn hoogtepunt heen toen we weer over de Oudegracht liepen waar de terrassen goed gevuld waren. Maar een plaatsje op een terras in de zon,  woog niet op tegen de onthullingen over het leven van Fernando Pessoa, die door George Steiner, zo stond op de achterflap, een literaire jongleur werd genoemd.

     

  • Helon Habila in Den Haag

    Literair Nederland was erbij

    Door Vera ter Beest

    Het decor is hetzelfde, alleen de locatie is anders. BorderKitchen wordt op deze woensdag 19 februari voor het eerst gehouden in Theater Stella in Den Haag. Op het podium van de kleine zaal staan twee gemakkelijke stoelen die sfeervol belicht worden door een aantal vintage lampen. Een piano, een oude radio en natuurlijk de vele aankondigingen van voorgaande BorderKitchens, mét handtekeningen van de toen geïnterviewde auteurs, maken deze huiskamersetting compleet. Langzaam maar zeker druppelt het publiek de zaal binnen. Er heerst een gemoedelijke sfeer en je kunt voelen dat iedereen uitkijkt naar het interview met de Nigeriaanse schrijver Helon Habila. Dan komt de schrijver binnen samen met Toef Jaeger, die hem zal interviewen.

    Jaeger vraagt Habila te openen door een stuk te lezen uit eigen werk. De Nigeriaanse auteur begint te lezen uit Measuring Time, zijn tweede en favoriete roman. Het boek vertelt over een geschiedenisleraar. Deze heeft de opdracht een biografie schrijven over een Nigeriaans politiek leider. Door zijn onderzoek leert de lezer over de geschiedenis van Nigeria. De essentie van het door Habila uitgekozen stuk is dat de geschiedenis niet bestaat om te prijzen, noch om te veroordelen. Jaeger geeft aan dat de hoofdpersonen in het werk van Habila vaak direct betrokken zijn bij deze geschiedenis, zij het omdat ze journalist zijn, zij het omdat ze geschiedenisleraar/schrijver zijn.

    In zijn eerste boek Waiting for an angel is de hoofdpersoon Angel een journalist. Habila koos voor dit beroep, omdat hij zelf dit vak beoefend heeft en zich het beste kon verplaatsen in de situatie waarin Angel zich bevond. De geschiedenis, zo verklaart de Nigeriaanse schrijver, is een constructie. Zowel de historicus als de journalist moet in staat zijn zich te distantiëren van de situatie en de dingen objectief weer te geven. Desalniettemin moet hij zich ook kunnen verplaatsen in de mensen waarin hij geïnteresseerd is, begrijpen waarom en hoe zij de dingen doen die ze doen. Maar, uiteindelijk kan geen enkele historicus of journalist ooit neutraal zijn en Angel is dat ook niet. Habila zegt dat je als journalist altijd een kant moet kiezen. De enige manier, zo meent hij, om werkelijk neutraal te zijn, is door te sterven.

    Helon Habila

     

     

     

     

     

     

    Habila komt over als een rustige man. Toch zit er achter die rust een gedreven persoonlijkheid. Jeager vraagt hem in hoeverre de politiek een rol speelt in zijn werk en of hij met zijn laatste werk, Oil on Water hoopte op een reactie van de oliebedrijven. De roman gaat over de consequenties van de oliewinning in de Nigerdelta en toont vooral wat de situatie voor gevolgen heeft in de regio en hoe de lokale bevolking omgaat met de situatie. Habila geeft aan dat hij alleen een reactie wil van de oliebedrijven als dit boek werkelijk effect op ze heeft en ze daadwerkelijk actie willen ondernemen en begrijpen welke consequenties hun handelen heeft op de bevolking. Chinua Achebe is een groot voorbeeld voor Habila. Achebe was één van de eerste Nigeriaanse schrijvers die het voor elkaar kreeg een roman over zijn eigen land, zijn eigen continent te publiceren. Daarvoor werden alle romans over Afrika voornamelijk geschreven door Europeanen. Net als Achebe is Habila een auteur die de politieke situatie van zijn land altijd in zijn achterhoofd heeft. Hij wil laten zien dat wetten niet belangrijk zijn, maar dat juist de manier waarop zij geïmplementeerd worden belangrijk is.

    Ten slotte praat Habila over wat hij noemt het post-nationalisme. Nigeriaanse schrijvers hoeven vandaag de dag hun tradities niet te zoeken, hun land niet meer te creëren of vrij te maken, zoals Chinua Achebe dat deed in zijn werk. Alles ligt al vast. Daarom vertellen zij over zichzelf als individu, als Nigeriaan, in het land zelf, maar ook ver daarbuiten. En ook Nigeria wordt zo een karakter in een boek als Oil on Water. Een karakter dat spreekt en een eigen leven leidt.

     

    Foto: door Vera ter Beest