• De tegencultuur we deden het voor de toekomst

    Een symposium over de sixties – de jaren van seks, drugs en rock-’n-roll, de Beatgeneration, de dreiging van de bom – met popgrootheden als dichter/zangeres Patty Smith, gitarist en pophistoricus Lenny Kaye en Bob Dylan-biograaf Sean Wilentz. Alle drie beleefden zij als jongeren deze vernieuwende jaren, gaven er zelf vorm aan en schreven er later over. Patti Smith in het autobiografische Just Kids en Wilentz onder meer in de biografie van Bob Dylan waarin de sixties uitvoerig aan bod komen. Het Nexus-Instituut organiseerde het symposium ‘An Education in Counterculture’, dat plaatsvond op 26 mei in het DeLaMar Theater te Amsterdam.

    Tijdens het symposium, waarbij Nexus oprichter Rob Riemen als gespreksleider optreedt, komt in fragmentarische stukken en aan de hand van beelden en muziek uit de jaren ’60 en ’70, een verhaal naar boven dat een kantelmoment betekende in de culturele geschiedenis van Amerika en Europa. Over wat het was en welke betekenis het nu nog heeft, of we er nog iets van kunnen leren van die Counterculture. Roerige jaren waarin popmuziek zich razendsnel ontwikkelde en voor de jeugd een tegenwicht bood tegen het burgerlijke bestaan van hun ouders. Er kwam een beweging op gang die de wereld zou veranderen.

    Ontmoeting in New York

    Maar eerst bezocht Rob Riemen eind vorig jaar Patti Smith in New York nadat hij haar geschreven had over haar boeken die hij gelezen had en om haar uit te nodigen aan het symposium deel te nemen. Kort daarop belde ze hem om een afspraak te maken: ‘Meet me in my cafĂ©. I’ll be there writing.’ Wie het autobiografische M-Train van Smith heeft gelezen, weet van haar koffie- en schrijfrituelen. Hij ging naar New York en trof haar in het cafĂ© waar ze aan een tafeltje bij het raam zat te schrijven aan een nieuwe poĂ«ziebundel. Een bundel die overigens na voltooiing door het Nexus Instituut in een tweetalige editie is uitgegeven en niet in Amerika.
    Haar nieuwe werk, zo laat ze tijdens hun ontmoeting in New York weten, is een reactie op het besluit van Trump de Amerikaanse ambassade naar Jeruzalem te laten verhuizen. ‘Van geen [enkel] land mag Jeruzalem de hoofdstad zijn, een politiek symbool. Jeruzalem als “stad van vrede” kan dat alleen zijn als het een stad van alle volkeren is’, is het oordeel van Patti Smith. De bundel The New Jerusalem zal tijdens het symposium gepresenteerd worden.

    In de uitverkochte zaal van het DeLaMar Theater in Amsterdam zitten veel bewonderaars van Patti Smith die zelf de jeugd bezaten toen haar punkpoems in de jaren zeventig vanuit Amerika, Europa bereikten. Aan een grote ronde tafel waarover een rood kleed is gedrapeerd, wordt het gesprek gevoerd. Rechts op het toneel is een muziekhoek ingericht met een gitaar, microfoons op standaards en geluidsboxen. Dat stelt de fans vast gerust, dat Patti Smith en Lenny Kaye straks in ieder geval nog zullen optreden.

     

     

    Behoefte aan een tegengeluid

    We vallen gelijk midden in de American Dream. Een filmpje vertoont optimistische beelden van huisvrouwen met gewatergolfde kapsels, lipstick en gebloemde jurken tijdens het huishouden. Steevast twee kinderen, een jongen en een meisje en vader met een gulle lach en een golf in het glanzende haar. De American Dream: gelijke kansen en rechten voor iedereen – waarbij de belofte van een eigen huis, een tv, koelkast, wasmachine, droger, anderhalf of twee kinderen en een auto (of twee) voor iedere Amerikaanse staatsburger in het vooruitzicht wordt gesteld. Het ziet er allemaal rooskleurig en Happy family-achtig uit. Rob Riemen vraagt zich af wat daar op tegen kon zijn in de jaren van wederopbouw.

    ‘Het begint er al mee’, reageert Sean Wilentz, ‘dat er niet één zwarte burger in deze filmfragementen voorkomt.’ Waardoor Amerika het bestaan van een aanzienlijk grote bevolkingsgroep ontkende. Ook was het de tijd van de koude oorlog. Overal waren schuilkelders en werden er oefeningen gedaan om, als de bom zou vallen, er een veilig onderkomen te vinden. Niet veel later was er de oorlog in Vietnam. De term Counterculture (tegencultuur) ontstond in die jaren voor de maatschappelijke revolte en New York was de stad waar het zich allemaal voltrok. Terwijl jonge gezinnen zich in een zeker bestaan trachten te voorzien, was er onder de jeugd een sterke behoefte aan beweging.

    Beatgeneration

    De literaire stroming de Beatgeneration, in de jaren vijftig in het leven geroepen door de schrijvers Allen Ginsberg, Jack Kerouac en William S. Burrough, vond zijn hoogtepunt in de jaren zestig. Bob Dylan maakte als protestzanger furore en Allen Ginsbergs Howl, dat begint met de wervelende openingszin: ‘Ik zag de knapste koppen van mijn generatie verwoest door waanzin, hongerend hysterisch en naakt, die zich voortsleepten door negerstraten bij zonsopkomst op zoek naar een woedende spuit’ was een waar cultding voor de jeugd geworden.

    Sean Wilentz, wiens vader en oom eigenaar waren van de legendarische Book Shop in 8th street, groeide op tussen de beats. De  boekenwinkel was het literaire middelpunt van New York in die jaren. De oprichters van de Beatgeneration waren frequente bezoekers van de Book Shop. ‘Je moet niet vergeten, zegt Wilentz, dat in die tijd een boekwinkel de ontmoetingsplaats was voor gelijk gestemde geesten. Ik groeide ermee op.’ Zo was hij in de gelegenheid om op zijn twaalfde Howl te kunnen lezen.

     

     

    Waar Patti Smith vandaan kwam was geen boekwinkel of bibliotheek en had ze nog nooit gehoord van Allen Ginsberg of zijn gedicht Howl. Op die leeftijd las zij sprookjes en Peter Pan. Ze vertelt op anekdotische toon waar ze voor het eerst een uitgave van Howl zag. Het was in 1965 in Plains, New York waar Bob Dylan speelde. Ze had wat geld gespaard en nam de trein om zijn concert bij te wonen. Toen Dylan na het akoestisch gedeelte van het concert, zijn elektrische gitaar pakte begon iedereen boe te roepen. Het viel haar op dat iedereen een zwart/witte bundel bij zich droeg, als was het onderdeel van hun outfit. Terwijl ze Dylan uitjouwden, begonnen ze de boekjes naar het podium te gooien. Smith: ‘Ik dacht: wat is dat voor een boek dat iedereen het heeft. En wat een idioten dat ze ermee gooien.’ Pas toen Smith op twintig jarig leeftijd naar New York was verhuisd, kreeg ze de gelegenheid alle ‘goede boeken’ te lezen, zoals ze zelf zegt.

    Invloed Bob Dylan

    Al die dingen waar jongeren aan dachten, naar verlangden, maar niet gevisualiseerd kregen, leek Dylan in zijn songs en met zijn houding tot uitdrukking te brengen. Hij was een bondgenoot maar ook al zoveel verder dan zijn leeftijdgenoten klonk het rond de tafel. ‘Hij was iemand om je mee te identificeren’, zegt Patti Smith. ’Alles wat hij deed, was precies wat wilden zijn. Als er twintig verschillende zonnebrillen op de markt waren, was hij degene die het juiste model koos en dan wilden we allemaal die zonnebril.’ Wilentz zegt dat hij van Dylan heeft geleerd dat je niet stil moet blijven staan. Waar Kaye aan toevoegt, ‘Dat je een eigen stem moet hebben.’

    Deceptie van de jeugd van toen

    Na de politieke moorden op Malcolm X in 1965 en Robbert Kennedy in 1968 stortte de wereld voor hen die streden voor gelijkheid en wereldvrede, in. Patti Smith had zich net aangemeld als vrijwilliger om voor het campagneteam van Robert Kennedy te gaan werken. Een dag later werd hij neergeschoten. Het ontroert haar zichtbaar nog steeds als ze daarover spreekt: ‘Zijn dood was een van de treurigste dagen uit mijn leven en het einde van de hoop van de jeugd.’

    Voor Sean Wilentz viel zo’n moment van deceptie toen Malcolm X in 1965 werd neergeschoten. Het gebeurde om de hoek van de Book Shop in 8th street. Ze hadden juist die dag de boekhandel verhuisd naar een pand aan de overkant van de straat. Er heerste een feestelijke stemming, toen kwam iemand vertellen dat Malcolm X was vermoord. Wilentz: ‘Een zwarte vriend van mij verliet direct het feest. Toen ik hem later weer zag had hij zijn naam veranderd en meed al zijn witte vrienden. Het ergste vond ik dat alle successen die er tussen zwart en wit waren geboekt, teniet werden gedaan door deze gewelddadige aanslag.’

    Regels en principes

    De jaren zestig generatie werd vooral verweten dat ze traditionele waarden omver wierp. Maar in de counterculture ging het niet om tradities maar om het afwijzen van een leven dat in regeltjes en principes werd vastgelegd door de overheid.
    Patti Smith voegt daaraan toe dat de sleutel naar een betere toekomst daarin ligt dat je een goed mens moet zijn, leven in harmonie. ‘Wat we probeerden was ruimte te creĂ«ren voor de generatie na ons. Dat is wat er van ons verwacht mag worden. We moeten onze rivieren zuiveren voor de kinderen van de toekomst. De bijen beschermen, geen plastic meer. We deden het niet voor het geld of de roem, we deden het voor de toekomst.’

    Een brug naar het hier en nu

    Het is een indrukwekkend symposium, alleen al door de aanwezigheid van getuigen van gebeurtenissen uit een tijd die de aanwezigen in de zaal ooit alleen via het polygoon journaal hebben meegekregen. Later door documentaires en via de literatuur een notie hebben gekregen van hoe het er in Amerika aan toeging.
    Toch werd de brug waarvan je verwachtte dat die – van de roerige jaren zestig naar het nu – gelegd zou worden, niet gemaakt. Zoals ook het bruggetje van Amerika naar Europa in de lucht bleef hangen met een enkele uitspraak als dat van Nixon naar Trump één lijn te trekken was. En dat de protesten onlangs van de Parklandscholieren na de schietpartij op hun school, tegen wapenbezit in Amerika, de nazaten van de Beatgeneration hoopvol stemde.
    En dan bedenk je opeens dat een getuige van die tijd uit Europa het debat beslist meer verbindende grond had weten te geven. Denk aan voormalig popjournalist Elly de Waard bijvoorbeeld. Zij volgde de Beatgeneration en de Amerikaanse popmuziek op de voet en heeft en daar nog steeds iets over te zeggen, stelde ik mij zo voor.

    Poëziebundel

    Als tastbaar gegeven is daar wel de bundel The New Jerusalem door Patti Smith. Met thema’s die generaties en culturen met elkaar verbinden. Zeven proza gedichten met een religieus getint karakter en een sterke appellerende toon het leed in de wereld onder ogen te zien en actie te ondernemen. Zoals het eerste sonnet van: ‘Wat voor boodschapper daar vliegt’. Waarin Smith het angstbeeld schetst van een niet kunnen ontkomen aan een wereld van regels en voorwaarden.

    ‘Meisjes in paarse regenjassen sluipen door de schaduwen; ze hebben zich kundig gecamoufleerd en ontwijken de rode en blauwe stralen van een reusachtig volgsysteem. Spookachtig zijn ze en ze volgen de sporen die mogelijk leiden tot waar ze heimelijk kunnen overleven. Ze blijven onder de radar, zigzaggen door de zich versmeltende stralen en infiltreren in het verboden gebied waar zwaarbewaakte poorten toegang verschaffen tot de buitenste regio’s.’

    Het openings (proza)gedicht ‘De strekking van de tijd’ is welhaast een metafoor voor de inhoud van het symposium: over hoe tijd voortsloft, over regelgevers en landontginners en waarin God gebruikt wordt als doel. Waarvan in het derde couplet de indruk gewekt wordt dat de nieuwe tijd hoe dan ook schuldig is:

    ‘(
) En de nieuwe tijd was hun werktuig: een wakend oog. Een fijnmazig magnetisch web daalde neer over het land; het verlamde de rede en scheidde het volk als kaf van het koren. (
) en het kaf, de vermeend onnutte blolsters? / Dat waren wij, kinderen, dat waren wij. / (
) En met lege handen gingen wij heen, in vier windrichtingen, zonder plan of idee.’

    Dat doet dan toch weer denken aan de sixties, waar de jongeren zonder plan of idee hun weg gingen, maar wel kiezend welke richting ze op wilden.

     

    Het symposium sloot af met het door Patti Smith voordragend/zingende en onverbeterlijke We got the power die de hele zaal in beweging brengt. En dan is daar opeens de overtuiging: ‘Ja, wij hebben de macht en de keuze om dingen te veranderen’, die voor heel even als een geloofwaardig gegeven in de lucht blijft hangen.

     

    Foto’s symposium: Jan Reinier van der Vliet.
    Portretfoto: Gasper Tringale


     

    The New Jerusalem / Patti Smith
    Tweetalige editie
    Inleiding / Rob Riemen
    pag. 76
    Nederlandse vertaling: Onno Kosters
    Engelse vertaling: Liz Waters
    Uitgegeven door Nexus Instituut

     

     

     

  • Piekeren over pijnpunten: biografen aan het werk

    Biografen moeten nieuwsgierig zijn naar de levens van hun biografelingen*. Dat betekent niet dat ze alles dat tijdens hun onderzoek te weten komen zomaar – zonder twijfel en zonder scrupules – aan het papier toevertrouwen. Zeker als het gevoelige informatie betreft is zorgvuldigheid geboden. Soms staat de eigen positie als biograaf ter discussie. Ook dan moet verantwoording worden afgelegd.
    Tijdens ‘Tussen slijk en sterren: de schrijversbiografie in de kijker’, georganiseerd door het Louis Couperus Genootschap, gingen Elisabeth Leijnse, MichĂšl de Jong, Petra Teunisse en Wim Hazeu in op hun ‘pijnpunten’.

    Foute ideeën en sympathieën
    Elisabeth Leijnse wist min of meer waar ze aan begon toen ze de biograaf werd van de zussen Cécile en Elsa de Jong van Beek en Donk. Cécile had uitgesproken opvattingen over joden. Ze was een overtuigd antisemiet. Geen moment heeft Elisabeth Leijnse gedacht dat ze die kant van Cécile de Jong van Beek met de mantel der liefde moest bedekken.
    In zekere zin was het antisemitisme van CĂ©cile – getrouwd met een jood – zelfs een godsgeschenk. Elisabeth Leijnse liet zich bij de keuze van de constructie van haar biografie leiden door in haar ogen interessante tegenstellingen en paradoxen. Zo was zus Elsa – getrouwd met een antisemiet – bijvoorbeeld een anti-antisemiet.
    Het contrast tussen beide zussen is de basis geworden van Cécile en Elsa: strijdbare freules. Een biografie, waarin de paradox opvoeding c.q. privéleven versus ideologie en de ontstaansgeschiedenis van het antisemitisme en collaboratie in Frankrijk belangrijke elementen zijn.

    In de researchfase raadpleegde Elisabeth Leijnse andere biografieën waarin netelige kwesties aan de orde kwamen. Wat ze over de persoonlijkheidsstoornis van Alma Mahler las, sterkte haar in haar opvatting dat zij de oorzaken van het antisemitisme niet alleen moest zoeken in karakterologische kenmerken van haar biografeling, maar ook in externe factoren.
    Punt van aandacht was hoe binnen het kader van het boek kritiek op het antisemitisme te verwoorden. Elisabeth Leijnse koos er uiteindelijk voor om Elsa degene te laten zijn die commentaar geeft en haar verontwaardiging uit. Volgens de biografe een logische en verantwoorde keuze: het antisemitisme van haar zus had impact op Elsa. Dat blijkt uit de beschikbare  bronnen.

    Een heikel punt was de manier waarop het antisemitische gedachtengoed zelf in de biografie van de freules de Jong van Beek en Donk terecht zou komen: citeren of parafraseren. De biografe vatte vooral veel samen en zag bovendien af van het opnemen van karikaturale tekeningen en cartoons die gebruikt werden om ideeën te verspreiden.

    De objectiviteit van de biograaf
    Hij werkt inmiddels al geruime tijd aan de biografie van Heinz Polzer / Drs. P, maar het boek is nog lang niet klaar. Toch houdt één vraag MichÚl de Jong nu al bezig: hoe voer ik mezelf op in het verhaal als ik toe ben aan de laatste tien jaar van zijn leven? MichÚl de Jong is namelijk niet alleen de biograaf van Heinz Polzer / Drs. P, hij kende hem ook tamelijk goed en was tien jaar hecht met hem bevriend.
    Dat zou kunnen betekenen dat de objectiviteit van de biograaf in het geding is. Michùl de Jong is zich bewust van het dreigende gevaar, maar verwacht niet dat hij in een valkuil zal trappen. Dat de eerste 85 levensjaren van Heinz Polzer / Drs. P voor hem net zo’n onontgonnen gebied zijn als voor iedere andere biograaf, speelt daarbij een belangrijke rol.
    Bovendien kan bewondering op zich volgens MichĂšl de Jong geen kwaad – ‘echte vrienden kun je niet kritiekloos bewonderen’ – en is fascinatie niet per se een bezwaar.

    Een pijnpunt is zijn eigen verschijnen in het laatste hoofdstuk van de biografie niet, maar hij worstelt dus nog wel met de manier waarop hij zichzelf op gaat voeren en wat de consequenties daarvan zijn voor het vertelperspectief. Wordt hij een ‘ik’ of stapt er straks een Michùl de Jong de biografie binnen. De biograaf houdt zich aanbevolen voor suggesties.

    Zwaar woog voor MichÚl de Jong lang de vraag of de zeer op zijn privacy gestelde Heinz Polzer / Drs. P zijn goedkeuring wel zou hebben gegeven aan het schrijven van een biografie. Is het geen verraad aan de vriendschap? Tweeënhalf jaar na de dood van zijn biografeling vond MichÚl de Jong een sonnet dat voor hem bestemd was. Daarin sprak Heinz Polzer / Drs. P zijn goedkeuring uit voor het werk dat De Jong begonnen was. Dat was toch een pak van zijn hart.

    Uit de slaapkamer klappen
    Frans Coenen was niet alleen belangrijk als aanjager van de literaire carriĂšre van Clare Lennart, hij vervulde ook een aantal jaren de rol van minnaar in een relatie die door sadomasochisme gekenmerkt werd. Toen Petra Teunissen, biografe van Clare Lennart, de beschikking kreeg over de achthonderd brieven die haar biografeling en Frans Coenen elkaar schreven, kon ze niet meer om dat gegeven heen. Hoewel ze het liever niet geweten had, kon ze die kennis niet meer ongedaan maken en moest ze beslissen of ze de lezers van haar biografie met de feiten zou confronteren.
    Ze stelde zichzelf drie vragen – de filters van Socrates indachtig: is het waar? Is het nodig? Is het aardig? Waar was het, dat wist ze zeker. De sadomasochistische voorkeuren van Frans Coenen waren al uit andere bronnen bekend. Dat op sm geen taboe meer rust, maakte het prijsgeven minder beladen.
    Was het nodig? Ja, want ook buiten de slaapkamer was de relatie tussen Frans Coenen en Clare Lennart ongelijkwaardig. Het creëren van afhankelijkheid was een strategie van Coenen. Hij hield er een harem van jonge (schrijvende) vriendinnen op na.
    Is het aardig? Nee. De biograaf is hier een voyeur. Een professionele dief. Clare Lennart liep niet met haar privéleven te koop, zij was uitermate gereserveerd.

    Toch koos Petra Teunissen er in Voor ’t gewone leven ongeschikt: een biografie van Clare Lennart uiteindelijk voor om expliciet, maar objectief – dus zonder te oordelen – over de aard van de seksuele relatie van Clare Lennart en Frans Coenen te schrijven, omdat het voor het psychologische portret van Clare Lennart belangrijke informatie is. Frans Coenen was haar mentor, minnaar en meester. Maar hij was ook een vaderfiguur. Bij hem vond ze geborgenheid. Zoals ze ook geborgenheid vond bij Wim van den Boogaard, de man met wie ze al een aanzienlijk deel van haar leven samen was voordat ze uiteindelijk met hem trouwde.

    Rekening houden met nabestaanden
    Het verschijnen van zijn biografie van Lucebert ging gepaard met de nodige commotie. Voordat Bertus Swaanswijk Lucebert werd, liet hij zich enthousiast uit over nazi-ideeën. Wim Hazeu had Lucebert: biografie al zo goed als af toen hem de brieven waaruit dat bleek ter hand werden gesteld. Hij moest de nieuwe informatie inpassen in het verhaal dat hij al geschreven had (hij zocht en vond verklaringen voor de foute sympathieën van Bertus Swaanswijk: hij wilde het huis uit en kunstenaar worden; hij leed aan avontuurzucht; hij was gevoelig voor beïnvloeding; hij was een bewonderaar van Duitse literatuur ). Een verhaal waarin tot dat moment angst en een bijzondere vriendschap als rode draad fungeerden.

    Wim Hazeu overwoog geen moment om de informatie uit de op de valreep ter inzage gekregen brieven achter te houden. Als het om het optekenen van de levens van zijn biografelingen gaat, kent Wim Hazeu geen taboes, maar wel fatsoen. Hij is bereid om rekening te houden met nog levende familieleden. Met de weduwe van Gerrit Achterberg die ervan overtuigd was dat haar man de biografie niet gewild had, maakte hij afspraken. Hij las haar ook ter harer geruststelling passages uit de biografie voor. Passages waarin het niet om haar man draaide, maar om haar. Toen de weduwe Achterberg overleed, voelde Wim Hazeu zich vrij om de censuur die hij had toegepast op te heffen en voegde een appendix aan de biografie toe.

    In het geval van Lucebert hoefde Hazeu geen rekening te houden met de gevoelens en wensen van een weduwe, die waarschijnlijk niet op de hoogte was van de brieven en de inhoud.
    Wat zou de biograaf gedaan hebben als de weduwe van Lucebert nog wel geleefd had? Dan zou hij waarschijnlijk minder kritisch geschreven hebben over de kwestie of de publicatie van het boek uitgesteld hebben tot na haar dood. En voor het geval hij eerder dan zij zou overlijden, zou in zijn testament verwezen zijn naar het manuscript van de biografie, met de vermelding dat het boek pas na de dood van Tony Swaanswijk-Koek gepubliceerd zou mogen worden. Dat de kinderen van Lucebert nog leven, realiseert Wim Hazeu zich. En ook dat de onthullingen over hun vader voor hen meer dan pijnlijk zijn.

    Biograferen is geen kwestie van klakkeloos een leven beschrijven. Biograferen is samenhang aanbrengen op basis van een door de biograaf geformuleerde visie op een leven. Een biograaf wordt verondersteld ethisch te handelen en niet moedwillig schade toe te brengen aan het imago van zijn biografeling. Daarbij moeten biografen regelmatig balanceren op een slap koord. Ze kennen zonder uitzondering de door Elisabeth Leijnse, Michùl de Jong, Petra Teunissen en Wim Hazeu aangestipte ‘pijnpunten’, al zal niet iedere biograaf er in gelijke mate mee geconfronteerd worden.

     

    * In Vierspan: over biografieĂ«n en het schrijven ervan introduceert Jan van der Vegt de term ‘biografeling’ voor degene die het onderwerp is van een biografie. Wim Hazeu pleitte tijdens Tussen slijk en sterren: de schrijversbiografie in de kijker voor een breed gebruik van het woord.

     

    Foto MichÚl de Jong © Liliane Waanders

  • Literatuur op tv: van cultuurbemiddeling via Van Dis naar boeken pluggen

    Er is in de loop van de ongeveer zestig jaar dat er op televisie aandacht besteed wordt aan schrijvers en aan literatuur veel veranderd. Maarten Asscher vatte het tijdens het gesprek waarmee het symposium Literatuur op tv eindigde heel mooi samen: het initiatief ligt niet meer bij de schrijvers. De schrijver is een middel geworden. Als het al over literatuur gaat, gaat het niet over de inhoud, laat staan over de stijl of de structuur van een boek. Als een schrijver te gast is in een televisieprogramma dan wordt bijna altijd aan de hand van zijn of haar boek over iets anders of eventueel over hoe het is om herkend te worden in de supermarkt gepraat.

    Dat lag in de beginperiode van de televisie anders, bleek uit de inleiding van Jeroen Dera, die promoveerde op ‘literatuurprogramma’s in de vroege jaren van de Nederlandse radio en televisie’. Toen – in de tijd van Muze in spijkerbroek en Literaire ontmoetingen, dus in de jaren zestig – was er nog sprake van informatieve programma’s die cultuurbemiddeling en literaire positionering voorstonden.
    Dat ging niet zonder slag of stoot, want een relatie tussen literatuur en televisie lag niet voor de hand. Denkers – Dera noemde Postman, Finkelkraut en Bourdieu – en schrijvers – Greshoff, Salomons, Wadman, Kelk, Sierksma – achtten de kloof tussen de hoge cultuur waartoe de literatuur behoorde en het massacommunicatiemiddel dat de televisie was onoverbrugbaar.

    K. Schippers: vrijheid voor de maker
    Volgens K. Schippers – zelf gast en onderwerp in een van de drie afleveringen van Muze in spijkerbroek, maar als maker van Beeldspraak uitgenodigd op het symposium – moet je geluk hebben bij het maken van televisie. Dat geluk had hij in de jaren zeventig, toen hij samenwerkte met onder andere Jan Venema en Kees Hin. Journalistieke helderheid en fantasie in de vorm stond voor hem en zijn collega’s voorop. Dat leverde indringende portretten van en vaak verrassende gesprekken tussen collega-schrijvers op. Als je regisseurs maar de ruimte geeft, en niet van bovenaf of als redactie bepaalt dat het ergens over moet gaan.
    De schrijver K. Schippers deed vervolgens zijn voordeel met zijn ervaring als televisiemaker. Hij leerde er onder andere hoe lang iets moet zijn, en hoe je delen van een verhaal achter elkaar kunt plaatsen.

    Hier is
 Adriaan van Dis vervulde volgens Maarten Asscher een scharnierfunctie tussen de programma’s waarin literatuur zichzelf toont en zichzelf is en de tegenwoordige aandacht voor literatuur die een verlengstuk is van door een uitgever in gang gezette promotie en marketing. Het is volgens hem het laatste boekenprogramma waarin nog heel inhoudelijk over literatuur gesproken werd zonder winstoogmerk – al wil hij op verzoek van gespreksleider Jeroen van Kan wel een uitzondering maken voor VPRO Boeken.

    Van Dis en het effect
    Adriaan van Dis is er zelf tijdens het symposium bij om het Van Dis-effect te relativeren. Hij maakte televisie in de tijd dat er maar twee zenders waren en nog geen afstandsbediening: ‘Je moest opstaan om mij uit te zetten.’ Die acht keer per jaar dat Hier is
 Adriaan van Dis op televisie was, keken er tussen de 350.000 en 500.000 mensen. Daar zou een zendermanager vandaag de dag bedenkelijk bij kijken. Ook werd niet elk in het programma besproken boek een verkoopsucces, zoals wel gesuggereerd wordt.
    Volgens Van Dis had het geen zin om hele oeuvres te bespreken, maar moest het gesprek gaan over één boek, een boek waarvan de vertaling al verschenen was. En er moest een vonk overslaan tussen de kijker en de gast. Daarom verkocht Frans Pointl, die de perfecte schlemiel speelde, oneindig veel beter dan Michel Tournier die in dezelfde uitzending zat.

    Wat Van Dis en zijn redactie voor ogen stond was verheffen zonder te hurken. Adriaan van Dis zegt bij het maken van het programma ook nu nog – Van Dis maakt één keer per jaar aan de vooravond van de Boekenweek in de zendtijd van De wereld draait door een Hier is
 – de Mulo-jongen die hij zelf was voor ogen te hebben gehad: een Mulo-jongen die hogerop wilde. Van Dis was een stapelaar in opleidingen, en studeerde uiteindelijk cum laude af aan de universiteit. Dat het programma elitair gevonden werd, is volgens Van Dis onterecht. ‘De elite kijkt geen televisie. De elite kijkt er op neer.’ De elite wil niet delen: als veel mensen een boek bijzonder vinden, kan het volgens die elite niet veel zijn.

    Van zuilen naar bastions
    Televisie mag dan voor uitgevers vanuit marketingperspectief een interessant medium zijn, in een post-verzuilde samenleving moeten auteurs volgens Adriaan van Dis heel hard werken om een nieuw boek via dat medium onder de aandacht van potentiĂ«le lezers te brengen: ‘De zuilen zijn afgebroken, maar er zijn nieuwe kleine bastions ontstaan van mensen die eigenlijk slecht met elkaar communiceren. Dus voor schrijvers is het niet zo makkelijk geworden. Ze moeten het verhaal wel twintig keer vertellen.’ Dat geldt ook voor de schrijver die Van Dis inmiddels is. Ten tijde van Hier is
 Adriaan van Dis stond zijn schrijverschap nog in de kinderschoenen. Van Dis was toen nog vooral journalist, met een voorliefde voor reportages.

    Bibliobesitas
    Boudewijn BĂŒch was ook een boekenbemiddelaar, maar wel van een andere orde dan Adriaan van Dis. BĂŒch maakte zijn televisiedebuut in de documentaire Het verschijnsel B (1982) van Eline Flipse, waarin bibliofilie breed uitgemeten werd. Daarna rees zijn ster snel. Zijn biografie Eva Rovers schetst tijdens haar bijdrage zijn televisiecarriĂšre: na vijf en daarna vijftien minuten zendtijd in De verbeelding kreeg hij zijn eigen boekenprogramma: BĂŒch’s boeken. BĂŒch richtte zich, en bleef zich richten, op mensen die nog geen goed gevulde boekenkast hadden, maar besprak niet alleen populaire boeken.

    Het programma dat hem wereldberoemd in heel Nederland maakte De wereld van Boudewijn BĂŒch ging niet alleen, maar wel vaak over schrijvers die hij bewonderde. Toen dat programma in 2001 stopte, raakte BĂŒch zijn inkomen, zijn reizen, zijn materiaal voor lezingen en andere schnabbels en zijn podium kwijt. Dat hij elke week bij Barend & Van Dorp mocht aanschuiven, verzachtte het leed enigszins.
    Boudewijn BĂŒch leed aan bibliobesitas, en het was met name de mate waarin hij in staat was om zijn boekenliefde op anderen over te dragen waardoor Eva Rovers per se zijn biograaf wilde zijn. Ze wilde niet dat hij alleen te boek zou staan als de man die zijn leven verzon.

    Televisie versus zaaltjes
    In de loop van de omroepgeschiedenis vonden literatuur en televisie elkaar, ondanks de aanvankelijk voor onverenigbaar gehouden karakters. Niet altijd bewijst de televisie de literatuur een even goede dienst. Literatuur op televisie heeft beperkingen. Niet alles mag, maar ook niet alles kan. ‘Je kunt mensen in zeven minuten heel nieuwsgierig maken naar een roman’, zegt Connie Palmen in het slotgesprek. Maar op televisie haar visie op literatuur en/of de vorm van een roman toelichten gaat niet. Zo’n gesprek zou de kijker al gauw boven de pet gaan. Op televisie krijg je niet de tijd om het verhaal op te bouwen. Tijd die er tijdens een gesprek in een zaal wel is.

    Op de vraag wat het gevolg zou zijn als er helemaal geen boekenprogramma’s meer op televisie zouden zijn, antwoordt Maarten Asscher stellig: ‘het gesprek over literatuur wordt dan veel elitairder. Dat speelt zich dan af in de zaaltjes waar lezers, schrijvers, redacteuren, uitgevers, critici en ingevoerde mensen met elkaar over literatuur spreken.’ Hij hekelt het geringe bedrag dat, zeker in vergelijking met wat er betaald wordt voor de uitzendrechten voor voetbal, bij de publieke omroep beschikbaar is voor literatuur op televisie. ‘Er is zo’n verheffingsideaal verbonden aan de televisie, de hele missie van de publieke omroep: waarom komt daar niets van terecht?’

    De dode hoek van ‘Hilversum’
    Want dat er niets van terecht komt, is voor Asscher duidelijk. Hij gebruikt bijna dezelfde bewoordingen als K. Schippers, en zou graag zien dat de mensen die de programma’s maken weer wat meer de vrije hand krijgen.
    Asscher signaleert nog een ander manco: ‘Er is geen connectie tussen de literaire wereld in Amsterdam en de Hilversumse wereld van programmabonzen en zendercoördinatoren.’ Asscher had heel graag gezien dat ‘Hilversum’ Jeanette Winterson en/of Orhan Pamuk – beide auteurs waren recent in Nederland en traden voor uitverkochte zalen op in het kader van het tienjarig bestaan van SPUI25 – had gescout en die optredens (of een compilatie) dan wel een exclusief gesprek had uitgezonden.
    Jeroen van Kan ziet dat niet veranderen. Hij verwacht dat het twee parallelle werelden zullen blijven. Zelf grijpt hij voor VPRO Boeken zijn kansen. Dat programma is zo klein dat het zich onttrekt aan de kijkcijfernormen van de omroep. En dus zat Alan Hollinghurst daar toen hij recent in Nederland was en niemand anders op het idee kwam hem op televisie te interviewen.

    Op de valreep van het symposium gaat het toch nog over het programma bij uitstek dat de verkoop van boeken kan beĂŻnvloeden. Is het terecht dat er met het nodige dedain over het DWDD-effect gesproken wordt? Helemaal niet, vinden Connie Palmen en Maarten Asscher. De acht bergen van Paolo Cognetti, een van de beste romans van dit jaar volgens Maarten Asscher, had het opkontje van het boekenpanel nodig om een bestseller te worden. Dat literatuur op tv van cultuurbemiddeling via Van Dis het pluggen van boeken is geworden, heeft dus voor de individuele spelers in het boekenvak ook voordelen.

     

     

  • Succesvolle twintigste editie GDMW

    Literair feestje met sterke voordrachten

    Zaterdagavond in Katendrecht Rotterdam. Literair festival Geen Daden Maar Woorden vierde zijn twintigste editie met optredens verdeeld over drie sfeervolle gelegenheden. Ruim vierhonderd bezoekers lieten zich verrassen door Spoken word artiesten, laafden zich aan voordrachten van jonge schrijvers en genoten van interviews en muzikale optredens.

    Singer-songwriter Janna Lagerström opende de avond om 20.00 uur in muziekcafé Kopi Soesoe, in Kantine Walhalla startte om 20.10 uur Spoken word artiest Guus van der Steen en in Theater Walhalla begon om 20.20 uur het interview door Ellen Deckwitz met Hanna Bervoets en Murat Isik begon. Help oh help daar wil je bij zijn. Het niet overal bij kunnen zijn was wel de grootste crime die avond. Voor het overige was het een heerlijk genieten en werd er al snel gekozen voor een locatie en dat was Kantine Walhalla.

    Van der Steen nam, ondanks een – zo verklaarde hij – fikse oorontsteking waarbij zijn eigen stem nogal in zijn hoofd geresoneerd moet hebben, het publiek mee in een van zijn verhalen op rijm over Timo, een zonderling figuur waar de schrijver als kind uit bewondering achteraan ging. De voordracht maakt deel uit van een cabaretvoorstelling waarmee hij de komende maanden op tournee gaat. Pakkende taalfragmenten, al was het publiek nog niet helemaal op gang.


    Onderkoeld proza
    Gerda Blees las voor uit haar verhalenbundel Aan dood gaan dachten we niet. Haar proza was als een onderkoeld waterstroompje. Met personages die het passeren van de tijd op de staart willen trappen, de overgang van regen naar geen regen hopen waar te nemen. En waarin de enige actie het zoveelste kopje koffie is en het zitten in een tuinstoel onder een afdak. Fantastisch, een bundel die gelezen dient te worden.

     

    Indrukwekkende statements
    Na een muzikaal intermezzo van Gerson Main (met muts) die deze zomer nog met zijn theatervoorstelling ‘Ga weg, maar blijf’ op Oerol en de Parade stond, betrad de volgende spoken word artiest,
    Mariana Hirschfeld het podium die in haar laatste gedicht over haar moeder spreekt, die eerst haar verzorgde en waarvan zij nu de zorg overneemt en haar rode rozen meebrengt en daar voor de doornen afsnijdt. Over het lezen van Filosofie voor dummies dat ze als kind las met dank aan haar moeder die haar altijd meenam naar de bibliotheek. Haar voordrachten zijn een prachtig statement waar geen ontkomen aan is. Je gaat er in onder en komt weer boven met hernieuwde inzichten en bracht het publiek in een staat van bewondering.


    Theatermaker en schrijver Nhung Dam las voor uit haar debuutroman, Duizend vaders. Voorafgaand gaf ze een inkijkje in wat er zoal op je af komt na de publicatie van je boek. Ze had er vier jaar aan gewerkt en dacht nu eens op reis te kunnen, naar Bali bijvoorbeeld. Maar toen begon het pas: de interviews. En de recensies. En dat dan bij de eerste recensie je eindredacteur je sms’t: ‘Wow! Stop die maar in je zak. Gefeliciteerd!’ En een halve minuut later iemand van p.r. je sms’t: ‘Nhung, kop op! We gaan gewoon stug door. Laat je niet kisten.’ En wat je daar dan van maken moet.

     

    Interview Ariel Levy
    De Amerikaanse schrijfster Ariel Levy, die in haar nieuwste boek, The Rules Do Not Apply (De regels gelden niet) onthult hoe zij als feministe dacht op alles recht te hebben dat het leven te bieden heeft, ontdekte door nogal wat tegenslag in haar leven, dat ‘alles’ eigenlijk wel wat veel gevraagd is. Hoe haar leven drastisch veranderde. Het interview met Ariel Levy door Ellen Deckwitz, had iets van een gezellig onderonsje tussen twee schrijvers die aan elkaar gewaagd zijn. Geheel passend in de sfeer van het festival waar toegankelijkheid voorop staat.

    Een zeer fijn festival met de sfeer van een (groot) huiskamerfeest. Literatuur van jong talent dat nog (net) niet het grote publiek heeft bereikt. Met uitzondering van Ariel Levy die voor een promotietour Europa aandeed en op het festival de meest beroemde schrijver was. ‘En Marijn Sikken’, klonk het in de wandelgangen, ‘van Probeer om te keren, is toch ook wel een bekend auteur’, waarvan hier akte. Jonge schrijvers voor een jong publiek. Hoewel, er bevonden zich onder het publiek verrassend veel veertigers, vijftigers en zelfs zestigers.

     

    Foto’s interview Ariel Levy en Ellen Deckwitz, Nhung Dam: Marco de Swart,
    Foto Gerda Blees: Vera Cornel

     

     

  • 35ste Nacht van de PoĂ«zie als immer zonder wanklank

    Dichtbundels verkopen moeizaam, maar bijna tweeduizend bezoekers laten zich tot diep in de nacht met graagte inpakken. Ademloos luisterend naar wat er geboden wordt. Deze 35ste Nacht van de PoĂ«zie begint met de vraag: ‘Wat is het geheim van de Nacht van de PoĂ«zie?’, gesteld door Nacht-presentator Piet Piryns. Waarop hij met een antwoord komt van Guus Middag: namelijk dat de oorzaak bijvoorbeeld gezocht zou kunnen worden in de ontkerkelijking. Mensen gaan niet meer wekelijks, maar eenmaal per jaar naar de kerk en dat is tijdens de Nacht van de PoĂ«zie, dan wordt de hoogmis van het woord gevierd. De bezoekers zijn de gelovigen. Trouw en toegewijd zijn ze voor hun bedevaart naar Utrecht gestroomd en ook ditmaal kregen ze waarvoor ze gekomen waren.

    Vragen horen bij poĂ«zie, zoals de dag bij de nacht. Op de vraag wat poĂ«zie nu eigenlijk is antwoordde Gerrit Komrij ooit: “alle goeie gedichten bij elkaar”. Dat is zo’n goed antwoord, omdat je er alle kanten mee uit kunt, precies zoals de bij voorkeur ongrijpbare Komrij het ’t liefste had. Maar het is ook daarom een goed antwoord, omdat het onderdak biedt aan alle varianten. “Kost en inwoning”, zoals een andere definitie luidt. En zo was ook deze Nacht van de PoĂ«zie in Vredenburg/Tivoli te Utrecht: onderdak voor alle varianten, een huis met vele kamers, om in Bijbelse termen te blijven.

    De bezoekers zagen en hoorden een lyrische maatschappijcriticus die in zijn gedichten het vermalen van haantjes verwierp, een onwillige diva die alles deed om het publiek niet te behagen en desondanks uitbundig werd toegejuicht, een dichteres van wie de krachtige performance omgekeerd evenredig was aan de begrijpelijkheid van haar poĂ«zie en die tĂłch als eerste open doekjes oogstte: meerdere zelfs. Geen dichter die op de andere leek – en het past allemaal. Naadloos.

    Is dat misschien een kritische opmerking waard? Dat het te blij, opgewekt, lievig en welwillend is allemaal? Niemand die werd uitgejouwd, geen performer die verontwaardigd staakte. Het zegt ook iets over verontwaardiging als zodanig, wellicht. Een avondje zĂłnder is een verademing. Dus genoot het publiek – ook in dit opzicht – met volle teugen. Dichteres Antjie Krog leek in haar optreden zelf verontwaardigd, bijna giftig. De frĂȘle Zuid-Afrikaanse maakte een verpletterende indruk.

     

    De entre acts, vanouds befaamd om de onweerstaanbare mix van kwaliteit en variatie, hadden ook ditmaal hun heilzame en opschuddende effect. Brigitte Kaandorp haalde meteen aan het begin van de avond de geest uit de fles en zette op haar onnavolgbare wijze de zaal op stelten. Lucas en Arthur Jussen namen het publiek tot grote hoogten mee op hun vleugels. Karsu, Amsterdamse pianiste van Turkse afkomst, bespeelde in meerdere opzichten een verbluffend gevarieerd register, van breekbaar tot verwoestend. De Amerikaanse zanger Glen Hansard getuigde van zijn muzikale schatplichtigheid aan Woody Guthrie die 50 jaar geleden overleed, maar in het betreffende lied was het de Trump anno nu die het moest ontgelden. De zaal klapte en juichte.

    Het motto van de avond was ‘drijf een wig in de nacht en luister’ maar dat kan geen thema heten. Voor wie een beetje oplette was het thema er wel: familiebanden, al dan niet knellend. PoĂ«tisch passeerden moeders, vaders, broers, zussen, zonen, dochters. Alsof het afgesproken werk was, bijna geen dichter die eraan voorbij ging. In ruimere context bezien was dat ook wat de avond weer uniek en onvergetelijk maakte: de verbinding tussen performer en publiek met woorden en muziek. Er ontstaat een geheel dat meer is dan de som der delen. Magisch, ontastbaar, wezenlijk en reĂ«el.

    Ingmar Heytze behoorde ditmaal niet tot de optredende dichters, maar een gedicht van hem in de hal van het theater verwoordt het aldus:

    “[
] vier zalen komen tot leven rond de as,
    achthoekig, pluche en hout. Luister,

    kijk, drink alles in. Wat krijgt de wereld
    beter aan het draaien dan muziek?   

    Kom verder, nergens ben je dichterbij.
    Vanavond spelen we alleen voor jou.”

    Gelovig of niet, daaraan kan geen bedevaartganger weerstand bieden.

     

    Foto boven: Dimitri Verhulst
    Foto midden:Karsu
    Foto onder: Lucas en Arthur Jussen

    Foto’s: Marieke van Delft

     

     

  • Een week lang feest

    Spui25, genoemd naar het pand bij de Amsterdamse boekenmarkt en het Maagdenhuis waarin het academisch-culturele podium is gehuisvest, bestaat tien jaar. Dat wordt een week lang met allerlei activiteiten gevierd.
    De aftrap was vrijdag 15 september met een opfriscursus over het werk van Jeanette Winterson en de start van het nieuwe seizoen met de Spui25-lezing door Winterson zelf, een paar deuren verder in de Aula van de Lutherse Kerk. De afsluiting is 22 september met een overigens al volgeboekt gesprek tussen Orhan Pamuk en Abdelkader Benali. De opfriscursus werd gemodereerd door Fiep van Bodegom, bekend van onder meer De Gids en De Groene Amsterdammer. Moderator van de lezing was Simone van Saarloos. Omdat de Nederlandse vertaling van de volledige lezing van Winterson de komende week in De Groene zal worden gepubliceerd, worden hier wat thema’s aangestipt die zowel in de opfriscursus als in de lezing aan bod kwamen.

    Verhalen vertellen
    De eerste spreker tijdens het middagprogramma, Maarten Polman, die zes boeken van Winterson vertaalde, begon zijn inleiding aan de hand van Wintersons Vuurtorenwachter (2004) met het schetsen van de thema’s in haar werk. Een daarvan, verhalen vertellen, is in genoemde roman nadrukkelijk aanwezig omdat de vuurtorenwachter leefde bij het vertellen van verhalen.
    Winterson kwam hier ook mee toen zij zich in haar lezing afvroeg wat het is om mens te zijn. De mens, zei ze, ontwikkelde kunst, de taal en vertelde de ander verhalen bij het haardvuur. Het is een vorm van creativiteit die je met alle robotisering om ons heen niet kunt kopiĂ«ren. Het verbindt ons met het verleden, waardoor we nog steeds in gesprek kunnen zijn met een dode schrijver als Shakespeare, haar held, wiens The Winter’s Tale ze bewerkte tot Het gat in de tijd (2015).

    Kunst
    Kunst is volgens Winterson een plaats om in te leven, virtual reality. Maar wat op het toneel gebeurt, is echt, is waar. Winterson geeft niets om experience, een belevenis, maar om intensiteit.
    Joyce Goggin, de tweede inleider van de middag en universitair hoofddocent aan de Universiteit van Amsterdam, benoemde het op een soortgelijke manier: in het werk van Winterson zit vaak een open plek, een ruimte tussen binaire opposities als man-vrouw, zwart-wit, binnen-buiten. Hierin kan, stelde zij met de filosoof Hans Gadamer, betekenis worden gecreëerd. De plaats die Winterson benoemde, de lege plek waar Goggin het over had, is een vrijplaats waar je volgens Winterson voor moet vechten.

    Verbinding
    Fiep van Bodegom vroeg in het tafelgesprek en het gesprek met de zaal dat bij Spui25 altijd volgt op een of meerdere inleidingen, hoe de inleiders zich tot het werk van Winterson aangetrokken voelden. Goggin antwoordde het gevoel te hebben dat ‘ze in mijn hoofd kijkt, altijd bij me is.’ Polman kroop als vertaler in haar boeken en zo kwam zij bij hem binnen.
    Winterson begon haar lezing, nadat Lou Reeds Perfect day was gedraaid, over pure vreugde, zowel cognitief als fysiek (ook hier was de oppositie opgeheven), die je kunt ervaren in muziek, in een kus op de brug, in lezen. Er vindt een verbinding plaats met jezelf, het is leven meer dan in louter biologische zin en van haar zou je het tot op zekere hoogte religieus mogen noemen.

    Ontwikkeling
    Een interessante vraag tijdens het middagprogramma kwam uit de zaal, van biograaf, publicist en begeleider van promovendi Maaike Meijer. Zij vroeg zich af of er een ontwikkeling kan worden geconstateerd in het werk van Winterson. Polman stelde dat de vondeling die Winterson is, inmiddels haar biologische moeder heeft ontmoet, zodat dit thema (het zoeken naar identiteit) volgens hem is afgesloten. Hij vroeg zich in alle eerlijkheid af hoe het nu verder moet. Goggin zag de ontwikkeling vooral in de veelzijdigheid van Wintersons oeuvre: romans, brievenromans, essays, science fiction. De conclusie was dat ze elke keer weer verrast met een boek op hoog niveau.
    De schrijfster zelf kwam aan het eind van haar met plezier gebrachte lezing voor een grotendeels uit vrouwen bestaand publiek in wezen ook met een antwoord, in de woorden van Miranda uit Shakespeares The Tempest:

    Oh wonder!
    How many goodly creatures are there here!
    How beauteous mankind is! O brave new world,
    That has such people in it!

    In het interview met Van Saarloos zei Winterson voorts nog dat je niet kunt verwachten dat de wereld verandert, als je zelf niet kunt veranderen. Er klonk iets van de radicaliteit in door die Polman al had aangegeven. Zo kennen we haar en zo is het goed.

     

    foto: Yve du Bois

     

     

  • De chemie tussen interviewer en schrijver en een festival

    Het speelde zich voor een deel af in de Cloud van TivoliVredenburg. Te bereiken met een roltrap zoals je je die ooit voorstelde bij het liedje Roltrap naar de maan van Klein Orkest. Het laatste stuk te voet, traptreden beklimmend met aan een kant een gapende diepte (je zult maar hoogtevrees hebben). HĂ©t literatuurfestival van Utrecht, waar vertalers bevraagd worden naar het hoe en waarom van hun vertaling. Of hoe iemand erbij komt een Nederlands boek in het Catalaans of Estlands te vertalen, zoals Herman Kochs Het diner. Een festival waar schrijvers gevraagd worden naar het hoe en waarom door interviewers die zelf schrijven en/of recensent zijn. Waar films worden vertoond in Filmhuis ’t Hoogt; documentaires over de levens van literaire helden als Konstatin Paustovski en James Baldwin, de schrijver van Go Tell it on the Mountain die in I’m not your Negro, op indringende wijze tot leven word gebracht. Waar literaire prijzen worden  uitgereikt, songteksten gekoppeld aan literair werk maar bovenal waar gesproken wordt over boeken en hun schrijvers die – buiten de Nederlandse schrijvers – werden ingevlogen vanuit Engeland, China, Duitsland, Noorwegen en Zweden.

    Literaire groupies

    Het was de tweede editie van het Internationale Literatuur Festival Utrecht (ILFU). De accommodatie beviel – buiten een enkel zaaltje – niet zo goed als de accommodaties in voorgaande jaren. Daarbij denkend aan de jaren toen het festival nog Ciy2Cities heette en het literaire volk door de straten van locatie naar locatie trok op de hielen gezeten door literaire groupies en leesclubfans. Dat was nog eens wat. De onverwachte ontmoetingen, het rouleren van publiek en schrijvers bleef nu merendeels achterwege. Bezoekers bleven in de stille ruimtes tussen twee zalen (of verdiepingen) hangen of verloor zich in de klanken van een bierfeest – dat niets van doen had met dat waar we voor gekomen waren – en waar je je snel doorheen baande op zoek naar de chemie van het festival.

    Er was naar uitgekeken. Hans Bouman die de tweede avond inluidde met een interview met de Engelse schrijver Graham Swift. Een bedachtzaam man die met sonore stem zijn verhaal vertelt, zijn denkwijze. Over Moeders zondag, Mothering Sunday dat het in Engeland van oorsprong een christelijke feestdag was waarop gelovigen terugkeerden naar hun ‘moederkerk’, in de streek waar ze vandaan kwamen. En wat een schrijver zou willen met zijn boeken, over de ontmoeting met de lezer. Swift zegt dat het leven voor iedereen verwarrend is. Hij zegt zich net zo te voelen als zijn lezers, en het lijkt hem goed die verwarring te delen: ‘Auteur; betekent autoriteit. Ik wil geen autoriteit hebben over mijn lezer. Ik zit in hetzelfde schuitje als zij, in dezelfde zee van verwarring. Verhalen vertellen is een soort van navigeren door die zee van verwarring. Waarbij hij uitkomt op het begrip vertrouwen: Áls ik enige autoriteit als schrijver bezit, is dat op het gebied van vertrouwen.

    Swift kreeg alle ruimte waarin hij bedachtzaam zijn relatie van schrijver met lezers en zijn uitgangspunt als schrijver uiteen zette; niet weerhouden door enige beschroomdheid. De vraag naar het begrip ‘vertrouwen in relatie tot zijn autoriteit als schrijver’ was interessant geweest. Wat kwam was de retorische vraag: U schrijft geen contemporary literatuur? ‘Te journalistisch’, pareerde Swift de vraag. En: ‘Er is geen roman die volledig hedendaags is omdat tijd voorbij gaat: wat je nu schrijft behoort alweer tot het verleden. De reden waarom mensen lezen is dat je het gevoel hebt dat – in welke tijd het ook speelt – je het in het hier en nu beleeft. Ze worden deel van de geschiedenis en alles wat er gebeurt, overkomt hen ook. Lees je het boek opnieuw, dan beleef je het weer.’ Een schrijver die de kunst van het vertellen beheerst in een  grote zaal vol publiek met de mythologische naam Pandora. Blauwe spotlights weerspiegelen in de brillenglazen van het publiek en verder alles donker: Swift las ter afsluiting – duidelijk niet vrijwillig – maar op perfecte wijze de eerste bladzijden van zijn Moeders zondag voor. Geen chemie, mooi was het wel.

    De kantoorroman

    Arjan Peters in een kleinere zaal, Punt zes, met Paulien Cornelissen en de Duitse vertaler – van o.a. Het Bureau van Voskuil – Gerd Busse. Ook hier nieuwe literaire inzichten: heeft de kantoorroman de plaats van de streekroman ingenomen? Peters vraagt aan Cornelissen of louter het gegeven ‘kantoor’ een aanwijsbare invloed van Voskuil is. ‘Het is een aantrekkelijke fictiebiotoop’, volgens Cornelissen. ‘Vroeger zat je vast in je streek, in je buurt en had je de streekroman. Het is fijn te schrijven over een biotoop waar alles op elkaar zit. Neem toren C, The Office.’ Cornelissen las Voskuil toen ze twintig was, het was een eye opener voor haar. Ze hield niet van de boeken die op de leeslijst stonden, te saai en stom. Tot ze Het Bureau las. Het gesprek neemt geregeld een vrije vlucht, als Cornelissen het vragen stellen overneemt. Bevrijdend, soms hilarisch en Peters voedt het met opmerkingen als, ‘Nee, nee, ga je gang.’ Er komen dingen uit voort. Denk maar eens na over de vraag waarom Voskuil zijn alter ego Maarten, de achternaam ‘Koning’ gaf.

    Gerd Busse kreeg in 1998 het eerste deel te leen van een vriend. Hij verbleef  in een vertalershuis in Amsterdam, las het in bed en was verslaafd. Hij moest dit vertalen en zocht naarstig naar een uitgever. Het duurde 13 jaar voor hij die vond. Nu wordt Voskuil in Duitsland gelezen als een filosofisch werk en achtten ze hem Nobelprijs waardig.
    Cornelissen vertelt waarom Voskuil haar zo bevalt: ‘Alles klopt; wie en hoe degene is in het boek.’ Ze zegt gevoelig te zijn voor dingen die niet kloppen. Als een vrouw bijvoorbeeld over haar slipje spreekt, is Cornelissen er al klaar mee. ‘Maar wat is het dan?’, vraagt Peters. ‘Nou’, zegt Cornelissen, ‘de meeste vrouwen hebben het over onderbroek.’ Ah’, zegt Arjan, ‘leerzame avond’. Zelfs door het geroezemoes en de luide muziek van het bierfeest – dat door de glazen wanden heen dringt (hoe kan dat?) – op de achtergrond, kan dit interview niet stuk. Na afloop signeren, waarbij aangeschoven wordt. Ze vraagt of ik Sandra Koenders ken. Dat ik haar aan Sandra Koenders doe denken. Ik zeg er geen match mee te hebben. Ze lacht en dacht, nou ja.

    Enthousiasme

    Er is een gesprek met twee schrijfsters waarbij de interviewster zo oprecht enthousiast is dat ze de schrijfsters bijna het interview uitpraat. Ze springt erin (uit enthousiasme) als moet ze alles uit de doeken doen, niets vergeten. Waarbij ze (door haar enthousiasme) de auteurs vergeet te verwelkomen en praat de eerste minuten alleen maar over de inhoud van Gif, van Samanta Schweblin. Wanneer deze het woord krijgt, groet ze eerst de zaal: ‘Dit is mijn eerste interview in het Engels, wat moet ik zeggen…?‘ De interviewster is gewoon van zichzelf zo leuk (echt, ze is leuk) en enthousiast (je moet om haar lachen, ze graaft en ploegt zich door de materie), maar je hoort geen schrijvers, ze doen hun best maar vallen weg. Dan verder, naar de volgende ronde, en komt opnieuw in zaal Pandora.


    Carson McCullem en Suzanne Vega

    Daar zit Vrouwkje Tuinman in een van haar immer vrolijke jurken, en tegenover haar Suzanne Vega van Luka, waarnaar vroeger geluisterd werd als werd er een literaire romance voorgelezen: My name is Luka//I live on the second floor / I live upstairs from you / Yes I think you’ve seen me before.
    Vega’s uiterlijk doet beseffen dat je zelf ook niet meer de jongste bent. Tuinman is goed in een gesprek voeren en Vega een sympathieke partner daarin. De verbindende factor is schrijfster Carson McCullers (1917-1967). Vega, die sinds haar tienerjaren door haar gegrepen werd,  schreef een muzikale eenakter over McCullem waarin ze zelf de hoofdrol vertolkte. De liedjes daaruit zijn uitgebracht op cd: Lover, Beloved. Ze zong het nummer Harper Lee (haar stem, haar stem!, maar er was iets met de geluidsinstallatie waardoor er teveel geslist en ge-tsstt werd) en speelde dat ze McCullem was, nam een sigaret in haar rechterhand. Je wilde blijven maar er was een laatste trein te halen naar het oosten.


    De laatste dag

    ’s Middags in ’tHoogt voor I’m not your Negro, je wist waar je naar ging kijken, toen je keek wist je niet wat je zag. James Baldwin die steeds weer de vinger legde op de plek waar het schuurde, nog steeds schuurt. Een film die niet gemist mag worden. ’s Avonds in Cloud Nine –  die roltrap naar de maan en de open smalle trappen – zes genomineerden voor het C.C. Crone stipendium. Drie wonnen er waaronder Gerda Blees, die een belofte wordt genoemd om haar verhalenbundel en nu voor een dichtbundel het stipendium kreeg. Een Utrecht-stads gebeuren. Met wethouder en Nacht van poĂ«zie initieerder. Het was feestelijk en Michael Stoker interviewde de een na de andere genomineerde alsof hij ze in de wandelgangen tegenkwam, een hart onder riem stekend, bewondering uitsprekend, prikkelend en bemoedigend.

     

    Klein en groot podium

    Theo Hakkert in gesprek met Marja Pruis en Nelleke Noordervliet waar een handvol publiek op afkomt, alsof het niet in het programmaboekje vermeld stond. De schrijfsters, de interviewer en het gesprek verdienden een volle zaal. Hakkert stelde vragen  over de wanhoop van de schrijver als er een oordeel wordt geveld over het gepubliceerde boek. En hoe een boek verdwijnt als het af is. En waar een biografie goed voor is.

    Weer later Abdel Kader Benali en de Georgische schrijfster (wonend in Duitsland) Nino Haratischwili over haar 1300 pagina’s tellende boek Het achtste leven. Er werd niet veel losgemaakt over de drijfveren van de schrijfster, het kabbelde op een podium te groot voor twee, de ruimte donker en gesloten (waar is de uitgang?). Het werd niet boeiender dan dat Benali haar ondervroeg over de verschillende personages waarbij het gesproken Engels niet vanzelf ging. Aan het einde van het gesprek werd het lichtelijk precair, alsof de interviewer er het hele gesprek op gewacht had deze vraag te mogen stellen: ‘Je hebt een kind bij je toch?’ ‘Ja,’ zei de schrijfster. ‘Hoe oud is ze?’ ‘Vier maanden.’ ‘Och,’ zei Benali en je zag hem zichzelf inhouden. Hoe hij niet zei: ‘Ik heb ook een dochtertje.’ Je zag het geluk van hem afbarsten maar hij glimlachte, zwijgend en wetende. Geluk is een hardnekkige rivaal.

    Toen moesten The Joni Mitchell Stories nog komen, met Mathilde Santing, Ingmar Heytze, Jordi Lammers en Nelleke Noordervliet. Daar was ook naar uitgezien, maar ach, die laatste treinen in de nacht, die wachtten niet. Zo kwam er een (onvoltooid) einde aan een veelomvattend festival in Utrecht, Stad van de Literatuur.

     

    Foto’s: Michael Kooren
    Foto Graham Swift: Liliane Waanders

     

  • Lang verwachte biografie Boudewijn BĂŒch

    Vijf jaar werkte Eva Rovers (biograaf Helene Kröller-MĂŒller) aan de biografie van Boudewiin BĂŒch. Boud, Het verzameld leven van Boudewijn BĂŒch is deze maand verschenen bij uitgeverij Prometheus. Gisteren vond de presentatie plaats in Amsterdam. Reinder Storm was erbij aanwezig en nogal onder de indruk van de als geloofwaardig gepresenteerde details rond de legendarische dodo.

    Onder grote belangstelling werd afgelopen zondag in Amsterdam de langverwachte biografie gepresenteerd van Boudewijn BĂŒch. Er kwamen veel meer belangstellenden dan aanvankelijk verwacht was waardoor het evenement verplaatst werd van Spui25 naar de Oude Lutherse Kerk. Ook de boekhandel was er goed op voorbereid. Honderd, reeds van te voren door de auteur gesigneerde biografieĂ«n, lagen klaar voor het gretige publiek.

    Na BĂŒchs ontijdige overlijden in 2002 –  53 jaar oud – kwam hij eigenlijk alleen nog in het nieuws als fantast. Belangrijke motieven in zijn werk waren: een getroebleerde jeugd, een jong overleden zoontje, pedofiele aanleg, de gigantische erfenis van zijn vader, zijn gedegen wetenschappelijke scholing… het bleek allemaal verzonnen. De verhalen waren onwaar maar ook in het echt – tot en met zijn beste vrienden toe – had BĂŒch iedereen voor de gek gehouden. Biografe Eva Rovers stond voor de moeilijke opgave een waarachtig boek te schrijven over een schrijver en tv-persoonlijkheid die veel van zijn geloofwaardigheid verloren had.

    Of zij daarin is geslaagd moet de lectuur van dit dikke boek uitwijzen. Bij de presentatie was er in elk geval één spreekster (Sonja Barend) die vertelde dat ze tijdens het lezen zo verbijsterd was geweest, dat ze het boek geregeld moest wegleggen om bij te komen. Wat natuurlijk de nieuwsgierigheid wel prikkelt. Andere sprekers tijdens deze feestelijke bijeenkomst belichtten tal van facetten van de inderdaad zeer veelzijdige BĂŒch. Diederik van Vleuten dankt zijn James Cook-liefde aan BĂŒch. Abdelkader Benali toonde zich geĂŻnspireerd door de televisie-programma’s. Prof. dr. Lisa Kuitert plaatste de verzamelwoede gedetailleerd in wetenschappelijk perspectief. Eva Rovers zelf had duidelijk genoten van BĂŒchs aanstekelijke enthousiasme. Wie anders immers kon mensen zo bezield vertellen over Goethe of verafgelegen volslagen onbekende eilandjes en er nog succes mee hebben ook? Zelf had Eva Rovers – als overtuigd Beatles-fan – dankzij BĂŒch enige sympathie weten op te brengen voor enkele nummers van de Stones.

    Een aparte keus ten slotte maakte Jacques van Alphen: emeritus hoogleraar dierecologie en vanaf zijn zestiende bevriend met BĂŒch. Hij vertelde geen anekdotes of herinneringen. Integendeel: hij nam BĂŒch bloedserieus door mee te delen wat sinds diens overlijden door nieuw onderzoek bekend was geworden over de legendarische dodo. Dat BĂŒch ook in dit bizarre opzicht zo serieus genomen werd was misschien het indrukwekkendste eerbetoon.


    image_1382Op YouTube is een muzikale appendix bij de biografie verschenen: Boud sound lyriekmuziek: www.youtube.com/watch.

     

     

     

     

     

  • Geen daden maar woorden festival

    Het weekend van 24 en 25 september was een weekend vol (inter)nationaal literair talent, dichters, spoken word-artiesten, boekverfilmingen en singer-songwriters. Het was het weekend van het Geen Daden Maar Woorden Festival. Charlotte Out bezocht voor Literair Nederland een van de weekenddagen en bracht verslag uit.


    Poetry Circle 010
    ‘’Mogen we nog op het schip?’’ wordt er geroepen, terwijl we over het metalen bruggetje naar het schip denderen. Aan boord van het Nieuwe Luxor Spido Schip staan mensen  hoopvol naar de kade te kijken, wachtend om aan boord te gaan. Ik wurm mij door de menigte heen en kijk naar het schip. Nadat we het schip horen zoemen, zuchten en voelen trillen, klinkt de melodie van een dwarsfluit. Achter ons is  Gary Mendes verschenen, de leider van spoken word gezelschap Poetry Circle 010. Met zijn enthousiasme en zijn melancholische dwarsfluit wint hij direct onze aandacht. ‘’Wie van jullie is er wel eens op een schip geweest?’’ vraagt hij. Meer dan helft van de mensen steekt hun hand op. ‘’Maar ik wil wedden dat jullie nog nooit op een poĂ«zieschip zijn geweest,’’ zegt Mendes mysterieus. Hij loopt het schip binnen en verdwijnt. Een jonge, mooie vrouw in een witte jurk verschijnt. ‘’Vlucht, vlucht!’’ roept Chery van Dale, terwijl ze ons doordringend aankijkt. De ironie ontgaat mij niet als we juist naar binnen lopen, benieuwd naar wat ons te wachten staat.

    Langs de muren van het schip staan stoelen, waar we plaatsnemen. Vier jonge dichters kijken ons aan – Gary Mendes, Chery van Dale, Neusa Gomez en Bjorn Ivan Cameron. Samen zingend, elkaar aanvullend ,vertellen ze een verhaal. Het is een intiem en persoonlijk verhaal over hen zelf en hun voorvaderen.

    Neusa Gomez kruipt in de huid van een slavin en vertelt dat haar meester haar dagelijks verkracht. Als ze zich verzet, geselt hij haar zoontje. Haar zoontje kan niet nog een geseling aan, dan zal het zijn dood worden. Chery van Dale, met haar blanke huid,  kijkt naar Gomez. Haar grootmoeder heeft dezelfde verschrikkingen meegemaakt. Bjorn Ivan Cameron vertelt over zijn opvoeding in de jungle, waar ze ‘’de taal van de Aarde spraken’’. Toen hij in de westerse wereld werd geplaatst voelde hij zich vervreemd. Hij vond  geen woorden voor wat hij meemaakte in zijn nieuwe leven, alles was hem onbekend. De dichters draaien zich naar het publiek. ‘’Dit is niet mijn taal,’’ spreken ze tegelijk. De woorden donderen door de zaal. Ze vertellen over hun verlangen naar hun moederland. Maar het verlangen naar huis lijkt even sterk als het besef dat het niet mogelijk is. Zelfs voor Van Dale in de huid van de slavin. Ze trouwt met een man die haar pooier wordt. ‘’Ik ben dankbaar, toch,’’ zegt ze monotoon, terwijl ze vanachter ‘’haar’’ raam en met lege blik in haar ogen naar ons kijkt.

    De woorden, de blikken, de stemmen – het snijdt door de zaal en ontroert. ‘’Wat is gebeurd mag niet worden vergeten’, zegt Gomez krachtig. ‘’We vragen jullie om te luisteren.’’ Het is even stil. Dan begint het publiek te applaudisseren. De dichters glimlachen stralend en buigen. Direct worden ze omhelst en liefdevol begroet door intimi. Mendes schudt mij de hand. Ik moet er even van bijkomen.

    Toekomst Literatuur, gepresenteerd door WORM.

    In  Verhalenhuis BelvédÚre is het contrast met de voorstelling van Poetry Circle 010 groot. Het is een stijlvol, maar tuttig café, gevuld met vooral vijftig-plussers. Toekomstliteratuur? Ach nee, het programma is uitgelopen. Voor ons staat een vrouw aan de hand van een Powerpoint presentatie Nederlandse literatuur te vergelijken. Het doet mij sterk denken aan de lessen Nederlands op de middelbare school. Ik luister, maar voel me onrustig worden. Na een kwartier is de presentatie klaar. Na een kort applaus gaat het direct door naar het volgende onderdeel: Toekomst Literatuur.

    Abdelkader Benali vertelt over de populaire Amerikaanse roman Tacqacore, geschreven door een westerling die zich tot de islam  bekeerde. Benali vertaalde deze roman en schreef de inleiding. Hij leest voor. Een verhaal over een groepje punkmoslims uit New York die zich in hun bestaan zo veel mogelijk volgens de Koran leven. Hij trekt de vergelijking met een punkbeweging : deze jongeren zijn rebellen door zich in de wereld van de zonde te storten in een leven volgens strikte religieuze regels.

    De tweede schrijver is een jonge man met krullen en een vlinderdas: ‘’De reĂŻncarnatie van Boris Vian’’. Hij leest een passage voor uit zijn boek. ‘’Ik begin op pagina 24. U heeft niets gemist.’’ Het publiek moet lachen. Het boek is een komisch verhaal dat bol staat van details, waardoor de jonge man af en toe over zijn eigen woorden struikelt. Hij vertelt over een egoĂŻstische, onsympathieke dokter met een passie voor modelvliegtuigjes. Als hij ziet dat een zuster een stoel op een ziekenhuisbed heeft gezet om makkelijker de vloer te kunnen schoonmaken, vraagt hij: ‘’Wat mankeert die stoel?’ Als de zuster gekscherend meent dat de stoel ziek is, vraagt hij haar de temperatuur op te nemen van deze nieuwe patiĂ«nt. Mijn metgezel krijgt zo de slappe lach dat hij even naar buiten moet gaan. De jongeman kijkt grijnzend het publiek in. De rest van het verhaal borduurt voort op de zieke stoel, die steeds meer de rol van patiĂ«nt in al zijn facetten krijgt – een andere patiĂ«nt heeft zelfs last van het krakende geluid dat zijn nieuwe kamergenoot ’s nachts voortdurend maakt.

    Kluizenaar

    De derde spreker Raoul Goudvis, steekt meteen van wal. Met zijn droge humor en herkenbare situaties windt hij het publiek om zijn vinger. Hij vertelt over een kluizenaar die na tien jaar sociale isolatie een nieuw bestaan wil opbouwen zonder moderne apparatuur. Hij wil anderen inspireren hetzelfde te doen. Het verhaal begint als hij zijn eigen moderne apparatuur in de fik steekt en er naakt bij gaat dansen. Vervolgens begroet hij de buurvrouw, die hem de oren van het hoofd praat. ‘’We dachten dat je dood was, je was niet op Facebook, niet op Twitter
’’ ratelt ze, en ze complimenteert hem met zijn gespierde lichaam. Aan het eind loopt hij de wijde wereld in om zijn boodschap te verkondigen.

    De laatste spreker is, onder de verhalenvertellers, de kers op de taart. Joost Vandencasteele beschrijft in sprongen van twee jaar het leven van Bella, die in een distopische toekomst leeft. Als vierjarig meisje ziet ze haattweets op borden op straat, zodat burgers niet meer zo snel zullen schrikken van haatdragende teksten. Als zesjarige slikt Bella uit verveling een pil die wordt gebruikt door ouders om hun lastige kinderen aan te pakken: een pil waardoor ze in een angstaanjagende trip terechtkomt en ze haar gebit verbrijzeld door op het asfalt te kauwen op straat. Bella is niet onder de indruk. De pillen voor pubers, die zijn pas eng! De Vlaming deelt zijn zwartste, meest absurde situaties in het leven van Bella, eindigend met een korte passage over twee kleuterklassen die elkaar dagelijks uitmoorden. ‘’Na een paar uur oorlog mogen ze kiezen – een dutje doen, of oorlog. Het is meestal om het even,’’ vertelt Joost. ‘’Maar het zijn altijd dezelfden die door gaan!’’ voegt hij er vrolijk aan toe. Een beetje ongemakkelijk is het wel – mag je hier om lachen? Het publiek lacht zo nu en dan, maar is vooral stil. Aan het einde krijgt Vandencasteele een groot applaus.

    Een verrassende en veelzijdige avond. Enerzijds het serieuze spoken word toneelstuk op het schip door Poetry Circle 010, waarbij het publiek werd ondergedompeld in de verlangens en pijn van de voorvaderen van de multiculturele groep dichters. Anderzijds de hilarische, veelal bizarre verhalen in Verhalenhuis BelvĂ©dĂšre. Hoewel de interactie met het publiek bij Toekomst Literatuurhier gemist werd, heb ik geweldig genoten. Geen Daden Maar Woorden? Ik zeg: ‘een woordfestival met daadkracht.’

     

    Foto Marco de Swart

     

  • Onvergelijkbare Nacht van de PoĂ«zie

    Onbehaaglijk koude rillingen die via de ruggengraat omhoog kruipen en kippenvel krijgen bij het horen van een gedicht. Dat kon je zomaar overkomen tijdens de 34e editie van Nacht van de PoĂ«zie. In Tivoli/Vredenburg te Utrecht hingen zo’n 2000 bezoekers aan de lippen van een twintigtal opmerkelijke dichters. Een Nacht die overrompelde met dichterlijke bijdragen en enkele opzienbarende entr’actes.

    De Nacht opende glorieus met een beeldpresentatie van voorgaande Nachten, wervelende lichtbundels als sproeiende douchekoppen, openingswoorden van Piet Piryns en Ester Naomi Perquin en de Vlaamse dichter Charlotte Van Den Broeck die de spits afbeet. Haar dichtwerk over lijden en het doorbreken van sleur, was in tegenstelling tot het werk waar ze vorig jaar de Nacht mee afsloot, minder doordringbaar, maar evenwel met veelduidende strofen als: ‘geluk is geruisloos’. Of: ‘niemand strijkt de hemden meer of de man eronder’.

    ‘Spiegeling’
    Voor de geĂ«ngageerde Belgische dichter (voorheen Dichter des Vaderlands) Charles Ducal, is het socialisme nog zeer bruikbaar. Thema’s als arbeiders, Kongo, vluchtelingen op zee met een uitstapje voor een ode aan schrijver Emil Verharen (1855-1916) wist hij het publiek te boeien. Onze eigen Dichter des Vaderlands Anne Vegter is ook zeker geĂ«ngageerd maar bracht dit met zowel onontkoombare scherpte als luchtigheid. Zij was het die de luisteraars kippenvel en rillingen bezorgde met het indringende gedicht waarin ze zich afvraagt: ‘Wat nu, als de hele wereld kantelt’. Een fantastische omkeerbaarheid van de vluchteling. Heel Nederland valt uit elkaar en iedereen slaat op de vlucht maar nergens welkom. De opbouw was scherp en zonder pardon. Zo hebben we dat graag. Afsluitend klonk haar bekende: ‘Geschiedenis vindt evenwicht, maar niet vanzelf.’,werd in deze versie: ‘altijd’. Ook Joke van Leeuwen hield het publiek een spiegel voor met een karakteristiek beeld van de huidige Nederlander waarin, aan het geregeld opklinkende lachen te horen, velen zich herkenden.

    K. Michel veroverde de zaal met humor en mooie vondsten. Sterk opgebouwde, verhalende gedichten. Zoals het gedicht dat begint met het wachten op de accountant om zijn zaken op orde te brengen, is meesterlijk. Het gaat uiteindelijk over een verstoorde zus die er eigenlijk niet is omdat ze dood is. Dat een dichter niet altijd weet welke kant het gedicht op gaat, bewijst hij door de account er weer uit te schrijven en zo kwam de ‘boekhouding nooit op orde’.

    De jonge dichters van de Nacht onderscheidden zich door werk waarin nog veel werd ‘losgemaakt van ouders (vooral moeders) en werd geworsteld met verwachtingen die hen zijn opgelegd. Roos Rebergen eindigde een gedicht over moeder met; ‘Gelukkig zijn we geen vriendinnen.’ Wat veelal bij alle dichters de boventoon voerde was toch wel de op hol geslagen wereld, vluchtelingen, chaos en machteloosheid over hoe de dingen gaan. Er is geen beter voertuig, bleek deze Nacht maar weer eens, dan de poĂ«zie om aan dit alles uitdrukking te kunnen geven.

    Ongemakkelijk samenspel
    Ester Naomi Perquin en Piet Piryns presenteerden als duo voor de derde maal op rij De Nacht. Dat de rolverdeling in die drie jaar zich duidelijk onderscheidde, gaven ze zelf al aan. Perquin, de empathische die een relatie met het publiek opbouwt, noemde het publiek vorig jaar om te zoenen en Piryns’, degene die de blik streng op het tijdschema houdt en het publiek er met de kop bijhoudt. Dat dit niet altijd voor een goede balans zorgde werd duidelijk toen Piryns de Zuid-Afrikaanse schrijver Marlene van Niekerk verzocht het podium te verlaten toen haar tijd om was terwijl zij op het punt stond haar slotgedicht voor te dragen. Onverkwikkelijk vooral omdat Perquin bij aankondiging van Van Niekerk het publiek vertelde dat zij slechts enkele uren geleden geland was en speciaal voor de Nacht naar hier was gekomen. Het was een wat gĂȘnante samenloop van aanpak. Ook omdat haar voordracht begeleid werd door verhalen over de schrijnende toestand in haar land, waar per jaar 21.000 mensen (waaronder 8000 kinderen) door geweld om het leven komen. Natuurlijk, De Nacht duurt lang. Maar enige consideratie was hier op zijn plaats geweest. Het boegeroep uit verschillende hoeken van de zaal was dan ook niet van de lucht.

    En dan kwam Hans Dorrestijn nog met zijn zwartgallige maar oh zo vertederende humor, die zichzelf als een mislukte Joost Zwagerman bestempelde. Hij zelf had immers vaak genoeg klappertandend op een stoel, met een touw om zijn nek gestaan, maar was er nog steeds. Een mislukte Joost Zwagerman, jaja.

    De twee debutanten van de Nacht waren Marieke Rijneveld en Jonathan Griffioen, waarvan vooral Rijneveld verraste met haar wijze van uitdrukken als: ‘Troosten is als inparkeren / het is weten en meten’, is natuurlijk prachtig. En van Griffioen is nu al zeker dat zijn opening van de 35e Nacht onvergetelijk zal zijn.

    Wandelgangen en entr’actes
    In de wandelgangen (waar kleine uitgevers achter hun tafeltjes zaten, literaire tijdschriften vertegenwoordigd waren en boeken en eetwaren te verkrijgen waren), kon je een dichter in afwachting van zijn optreden in ogenschijnlijk rustige tred zijn rondjes om de zaal heen zien draaien. Hier en daar een enkele pauzerende bezoeker minzaam groetend. Zoals het een dichter betaamt. Een van deze rondwandelende dichters, F. Starik besprong in grasgroenkostuum het podium om het dichterschap te vieren. Met een gretigheid die het publiek soms achteruit deed deinzen, bracht hij een dichterlijke tirade over ‘gras’ (dat zich overal en onophoudelijk vertoont), ten gehore. Hiermee schudde hij de ingedutte zaal voor de rest van de Nacht goed wakker.

    De entr’actes waren verrassend en ook zo verbluffend vreemd, dat de neiging om met voorgaande jaren te vergelijken er volledig bij inschoot. Al met al was het een feestje waar niets onder de maat bleef en het publiek zich welwillend naar schikte. Uitschieters waren Mondharmonicaspeler Tim Welvaars die een hommage bracht aan de onlangs overleden Toots Thielemans en waarvan je dacht toen je hem hoorde spelen: ‘Waarom heb ik nog nooit eerder van die man gehoord?’ Daar is De Nacht dan ook weer voor, om ontdekkingen te doen en nieuwe kunstenaars te leren kennen.

    Zoals de IsraĂ«lische Asaf Avidan, muzikaal fenomeen met een stem die ongekend is en nog het dichtst bij het stemgeluid van The Tallest Man on Earth komt, maar zoals gezegd ook ‘ongekend’ is. Zijn teksten en manier van zingen deden af aan toe aan Leonard Cohen denken. Vooral de ballade The Labyrinth song, waarin het repeterende refrein deze associatie nog versterkte:

    Oh Ariadne, let me sing you, and we’ll make each other last
    Oh Ariadne, I have failed you in this labyrinth of my past
    Oh Ariadne, let me sing you, and we’ll make each other last

    En tussendoor met een regelmaat ,die het begeleidende ritme van deze Nacht werd, het vrolijk gerinkel van brekende wijnglazen. Soms een enkel glas, soms bij drieën tegelijk. Daarbij lijkt het publiek elk jaar jonger te worden, als is er een soort verschuiving in leeftijd waarneembaar. Waarschijnlijk ook dat daarom deze zeer succesvolle Nacht tot aan het einde toe opvallend druk bezocht bleef.

     

     

    Foto: Anna van Kooij

     

  • Gemoedelijkheid troef met enkele stormachtige uitschieters bij Überamstel

    Literair Nederland was erbij

    Zondag 28 augustus openden de uitgeverijen Lebowski en Podium het nieuwe literaire seizoen met de tweede editie van Überamstel. Dit maal in Nessst, een voormalige fabriekshal van de Kauwgomballenfabriek. Of de eerste editie geĂ«venaard werd blijft een vraag, dat er enkele opmerkelijke publicaties op het punt van verschijnen staan, is een feit. Casper van der Veen was aanwezig en deed er verslag van.

    Hoewel de dag vooral warm en gemoedelijk weer kende, zette er nu en dan een fikse windvlaag op bij de tweede editie van het literaire festival Überamstel, die het tentje waaronder de sprekers optraden dreigend deed schudden. Het weer sloot daarmee aan op het programma, dat aangenaam en gemoedelijk verliep – met een enkele stormachtige uitschieter. Onder meer Ilja Leonard Pfeijffer, Erik Jan Harmens, Mick Johan, Kartin Bruers, Elvis Peeters, Ivo Victoria en Jonah Falke lazen voor uit net gepubliceerd dan wel nog te verschijnen werk.

    Opener op de wisselvallige zondagmiddag bij café Nessst was Kluun, die voorlas uit zijn langverwachte roman DJ, waaraan hij jaren werkte en waarvan de publicatie al herhaaldelijk was opgeschort. Aan het woord komt de schrijver zelf, die na zijn echtscheiding een gesprek met zijn financieel adviseur heeft. Uit het leven gegrepen waarschijnlijk, aangezien Kluun zelf door een scheiding een flink deel van zijn vermogen in rook zag opgaan.

    Wrokkig oogt hij niet tijdens het voorlezen, hoewel ook niet bijster enthousiast. In pretentieloze zinnen doorspekt met tragische humor, horen we hoe de financieel adviseur Kluun afraadt zijn huidige levensstijl voort te zetten. Wat vaker thuis koken, wat minder dure wijnen. “U had een vermogen en nu hebt u een buffertje”, zegt de adviseur. Hierop grijpt de hoofdpersoon elke klus en optreden aan die hij krijgen kan, wat leidt tot enkele geestige situaties. Het door Kluun voorgelezen fragment belooft veel goeds voor de rest van de roman, die volgens de schrijver inmiddels ‘ein-de-lijk’ af is. Hoewel? “Vrijwel” dan.

    Het eerste deel van de middag werd energiek aan elkaar gebabbeld door cabaretiĂšre Karin Bruers, die de jonge (bouwjaar 1992) historicus Felix Klos interviewde. Klos heeft voor zijn leeftijd een imposant cv: magna cum laude afgestudeerd in de politicologie aan Middlebury College in het Amerikaanse Vermont, waar hij ook speeches schreef voor de Democratische senator Bernie Sanders. In Nederland schreef hij aan beleidsstukken van D66 en eerder dit jaar verscheen van zijn hand een boek over Winston Churchills campagne voor een verenigd Europa.

    Dan komt de Brexit ter sprake. Klos legt uit dat we de keuze die de Britten gemaakt hebben serieus moeten nemen, zonder toe te geven aan de intolerante sentimenten die hierachter zitten. De historicus spreekt van de “tirannie van de directe democratie”, waarbij een minderheid van de bevolking (namelijk zij die gingen stemmen Ă©n voor een vertrek uit de EU kozen) een constitutionele crisis kunnen veroorzaken. Klos legt uit hoe de opkomst van populistische en extreemrechtse politici bestreden moet worden: moderne mainstream politici moeten zelf een positief en helder verhaal vertellen in plaats van alleen maar te reageren op extreemrechtse aanvallen. Oftewel de EU en democratie als gunstige zaken verdedigen die burgers veel hebben opgeleverd, in plaats van alleen maar zeggen dat er simpelweg geen alternatief is. Verstandige en goed onderbouwde argumenten van een schrijver van wie we hopelijk nog meer zullen horen.

    Het eerste gedeelte werd overdonderend afgesloten door het dichtersduo Erik Jan Harmens en Ilja Leonard Pfeijffer, die twee gedichten voorlazen uit hun onlangs verschenen Duetten. De gedichten zijn ontstaan uit een mailwisseling en strofe om strofe geschreven. Het resultaat: harde, geëngageerde poëzie, in lijn met het Manifest voor een riskante literatuur dat het tweetal alweer acht jaar geleden in Trouw publiceerde.

    En niet alleen de woorden zijn recht voor z’n raap, beide dichters dragen ook met energie, vuur en een nauwelijks verhulde woede voor. “Excuses, ik liet mij even gaan”, verontschuldigt Pfeijffer zich zelfs na de eerste voordracht van een gedicht over terrorisme en het “heilig groeimodel” van de economie, waaruit de volgende regels komen:

    Als onze Leitkultur niet veel meer

    is dan de verplichting tot debiel geconsumeer

    snap ik wel dat iemand maait met zijn geweer

    schiet maar, het gaat niet meer

    Ook het overwonnen (maar blijkbaar toch gemiste) alcoholisme waar beide mannen al eerder over schreven, passeert de revue. Pfeijffer die onwennig omgaat met “zijn vaste koers” en Harmens die zegt “er is alleen maar tijd / als messen die prikken in je nuchterheid”. Besloten wordt met een tirade tegen gepeupel dat beschuldigend wordt toegesproken: “Ze hebben hun gewoonheid nergens op bevochten.” Als de bundel half zo goed is als het optreden, wordt het zeker een must read.

    Na de eerste pauze interviewt journalist Sander Donkers Golden Earring-frontman Barry Hay over zijn biografie van de rockster. Hay geeft toe dat hij tijdens het schrijfproces enorm veel moeite had met het “soul searching en dingen opbiechten” dat hij door de vragen van Donkers moest doen. Toen het boek af was, was Hay wel tevreden, maar toch was het “alsof je leest over iemand anders”. Enkele anekdotes over de tours van Golden Earring door de VS, waarbij zelfs KISS een keer in hun voorprogramma stond, maken nieuwsgierig naar de biografie van dit veelbewogen leven.

    Heel anders is dan de voordracht van Karin Bruers, die een boek schreef over haar dementerende moeder die zij in huis nam. In het begin valt de verwarring nog mee en gaat Bruers (of in het boek: Anna) nog met haar in discussie als ze onzin of uit de lucht gegrepen beschuldigingen uitkraamt. Maar later “waait ze maar mee, want ik verloor ieder gesprek”. De aftakeling van de moeder leidt tot schrijnende, pijnlijke situaties. Een oude vrouw die haar dochter niet meer herkent en die zich opsluit op een badkamer “en er pas uit kwam toen ik vijftig euro onder de deur door schoof”. Die professionele zorg en dagbesteding afwijst. Maar hoe schrijnend ook, Bruers draagt de tekst op humoristische wijze voor – als ware het een van haar cabaretshows. Een no-nonsens tragikomisch en autobiografisch verhaal. Hongerzomer verschijnt in november.

    Tijdens het laatste deel van de middag vertelt Ronald Giphart over zijn roman Lieve, die volgens de website van uitgeverij Podium nog deze maand wordt verwacht. Het boek ontstond per toeval, toen Giphart op vakantie door zijn leesboeken heen was en uit verveling wat begon te typen. Toen hij een jaar later de tekst terugvond, ging hij er weer aan zitten. Dit resulteerde uiteindelijk in Lieve.

    Een belangrijke term in het boek is candaulisme, aldus Giphart. “Weet iemand wat dat is?”, vraagt de auteur. Stilte. “Dat zijn mannen die er opgewonden van worden om te zien hoe hun vrouw seks met een ander heeft.” Aha. Een echt Giphart-boek dus, waar seksualiteit en bijzondere vrouwen nooit ver weg zijn. Het boek gaat over een regisseur die een relatie heeft met een getalenteerde actrice. Wanneer laatstgenoemde door een ongeluk om het leven komt, maakt de regisseur een film over haar leven.

    De inspiratie voor het boek was ook allerminst gewoon. Giphart hoorde over twee acteurs die naakt onder een deken lagen om een intieme filmscĂšne op te nemen. Vervolgens trad een technisch probleem op. Het beeld van de man en vrouw die onder de dekens liggen te wachten terwijl een hele crew om ze heen probeert een defect te fiksen, dat was samen met candaulisme hetgeen dat tot Lieve leidde.

    Hiermee kwam een boeiende literaire middag ten einde bij Nessst, waar veel voordrachten van net verschenen of nog te verschijnen werk, nieuwsgierig en ongeduldig maakt. Met alvast genoeg materiaal voor op het verlanglijstje voor de feestdagen aan het einde van dit jaar.

     

     

  • Leren lezen van tovertaal

    Onlangs was er een workshop ‘PoĂ«zie begrijpen’ bij boekhandel Broesse in Utrecht onder leiding van dichteres Ellen Deckwitz. Casper van der Veen was erbij en maakte er verslag van voor LiterairNederland.

    Een reputatie van ontoegankelijkheid, zeer geringe verkoopsuccessen, een trouwe doch kleine schare lezers: de poëzie heeft het niet makkelijk in Nederland (en daarbuiten). Toch blijkt steeds opnieuw dat er brede interesse bestaat voor deze unieke kunstvorm, bijvoorbeeld bij de jaarlijks drukbezochte Nacht van de Poëzie, het populaire Poetry International in Rotterdam en in de vaak afgeladen kroegen waarin poetry slamwedstrijden worden georganiseerd.

    Zo ook op een zonnige zondagmiddag in de Utrechtse boekwinkel Broese, waar dichteres Ellen Deckwitz een workshop ‘PoĂ«zie begrijpen?’ geeft aan een publiek waarvoor maar net genoeg stoelen zijn. Hoewel het leren lezen van gedichten altijd relevant is, is de directe aanleiding voor de workshop het onlangs verschenen boek Olijven moet je leren lezen (fragment hier te lezen). Daarin geeft Deckwitz een “cursus genieten van poĂ«zie”, waarin de lezer leert wat een gedicht is, hoe je dit begrijpt en vooral hoe je hiervan geniet. “Ik kreeg zo vaak dezelfde vragen over poĂ«zie dat ik maar besloot een boekje te schrijven waarin de antwoorden staan”, aldus Deckwitz.

    De workshop vormt een inleiding voor die cursus, bedoeld om te laten zien dat poĂ«zie lang niet zo onbegrijpelijk is als vaak wordt aangenomen. Net als in haar vorige gids Zo    word je een geweldige dichter (2015) begint Deckwitz in de Domstad ook met een hele elementaire vraag: wat is poĂ«zie eigenlijk? “Een tekst is een gedicht wanneer de schrijver zegt dat dit een gedicht is”, verklaart Deckwitz.

    Dat betekent echter niet dat het plakken van het etiket “gedicht” op een tekst geen gevolgen heeft. “Wanneer een tekst een gedicht is, gaat de auteur een aantal leesafspraken aan”, aldus Deckwitz. “Als ik op het etiket op een blik soep “soep getrokken van gevogelte” lees, interpreteer ik die woorden anders afhankelijk of het een gedicht of simpelweg een lijst ingrediĂ«nten is.”

    Na dit theoretische opwarmertje besluit de dichteres voor het eerst een gedicht voor te leggen aan het publiek. Deckwitz leest Een zwemmer is een ruiter (1960) van de Belgische dichter Paul Snoek voor, terwijl de bezoekers kunnen meelezen vanaf hun handout:

    “Zwemmen is losbandig slapen in spartelend water,
    is liefhebben met elke nog bruikbare porie,
    is eindeloos vrij zijn en inwendig zegevieren.

    En zwemmen is de eenzaamheid betasten met vingers,
    is met armen en benen aloude geheimen vertellen
    aan het altijd alles begrijpende water.

    Ik moet bekennen dat ik gek ben van het water.
    Want in het water adem ik water, in het water
    word ik een schepper die zijn schepping omhelst,
    en in het water kan men nooit geheel alleen zijn
    en toch nog eenzaam blijven.

    Zwemmen is een beetje bijna heilig zijn.”

    Nou, vraagt Deckwitz, wie weet waar dit gedicht over gaat? De zaal zwijgt, totdat enkele mensen aarzelend één woord tellende antwoorden geven: “Gevoel. Vrijheid. Ervaring. Het leven.” Niet fout, maar nog wel erg algemeen en abstract.

    Deckwitz grijpt dit moment van lichte verwarring aan om de vraag te stellen waarom dichters niet gewoon in heldere, onomfloerste bewoordingen zeggen wat ze bedoelen. Waarom niet gewoon “Ik wil met je op date” in plaats van “Ik vind je zo lief en zo licht”?

    Dat komt omdat er exact staat wat er staat – en wat er moet staan, aldus de dichteres. Door het gebruik van metaforen, stijlmiddelen en metrum kan er meer gezegd worden dan wanneer iets letterlijk zou worden neergepend. Bovendien is een ideaal gedicht zo opgesteld dat het lijkt alsof het niet anders geschreven had kunnen zijn.

    Dat het flink wat moeite kan kosten om dat ultieme eindresultaat te bereiken, illustreert Deckwitz eveneens aan de hand van de Paul Snoek. Van hem zijn gedichten bekend waarvan meer dan honderd versies zijn. De bekende Nederlandse dichter Nachoem Wijnberg schrijft van ieder gedicht zo’n vijftig tot honderd versies tot er eindelijk die publicabele parel uit rolt.

    Dan nu de hamvraag: hoe leer je die tovertaal lezen? Vrijwel alle aanwezigen geven toe wel eens een gedicht te hebben gelezen dat zij niet meteen begrepen. Volgens Deckwitz is de sleutel om veel leeservaring op te doen. Begin met een bloemlezing, kijk wat je mooi vindt en blijf ontdekken. Lees gedichten hardop voor om de muzikaliteit te ervaren. O, en koop haar cursusboek natuurlijk, zegt de dichteres met een knipoog. Je zult vanzelf meer begrijpen en poëzie meer leren waarderen.

    “Google is je beste vriend”, zo illustreert Deckwitz aan de hand van een haiku over Kyoto van de beroemde Japanse poĂ«et Basho. Ze leest voor: “Zelfs in Kyoto, / wanneer de koekoek roept, / mis ik Kyoto.” Dankzij Google kwam Deckwitz erachter dat in Japan de koekoeksroep staat voor zowel de naderende zomer als “de doden die vanuit het sprokkelhout naar hun nog levende geliefden roepen”. Maar ook zonder die kennis kun je dit een mooie haiku vinden.

    Uiteindelijk gaat het om wat de lezer zelf uit een gedicht haalt en hoe dit hem of haar raakt, verklaart Deckwitz. Zelfs als je bepaalde zinnen niet helemaal of helemaal niet begrijpt, kunnen die je evengoed raken. Dit doet denken aan een episode die Ilja Leonard Pfeijffer beschrijft in zijn autobiografische boek Brieven uit Genua. Wanneer hij als jonge tiener voor het eerst een dichtbundel uit de boekenkast van zijn vader openslaat, snapt hij niks van de gedichten die erin staan. Wat hij wel direct zeker wist: dit wil hij ook maken.

    OkĂ©, maar als het gaat om wat jij er uithaalt, heeft een gedicht dan ĂŒberhaupt een vaste betekenis? Of betekent het voor iedere lezer wat anders? Ook hier is volgens Deckwitz geen sprake van vrijblijvendheid, zoals zij eerder in een column in nrc.next uitlegde. Een gedicht kan veel betekenen en is doorgaans multi-interpretabel. Dat maakt poĂ«zie ook zo rijk en bijzonder. Maar, zoals zij eerder aangaf, je mag er vanuit gaan dat over ieder woord lang en hard is nagedacht. Dus hoewel meerdere lezingen mogelijk zijn, is niet zomaar iedere interpretatie zinnig of waardevol.

    Een jongeman vraagt Deckwitz om een discussie met zijn huisgenoot te beslechten. “Als ik wil weten wat er met een gedicht wordt bedoeld, moet ik de auteur dan hiernaar vragen?” De dichteres raadt dit af en wijst erop dat de auteursintentie vaak afwijkt van de interpretatie die lezers en critici van een gedicht hebben.

    Zo vroeg Deckwitz een keer aan Rutger Kopland wat de boodschap was van zijn beroemdste gedicht, “Jonge sla”. Door de jaren heen is erop gewezen dat dit gedicht op uiterst treffende wijze iets zegt over vergankelijkheid, verlies en hoe de mens daarmee worstelt. “Maar Kopland vond het gewoon een leuk gedicht over sla”, aldus Deckwitz. “Hij heeft het in vijf minuten geschreven en baalt ervan dat het zijn bekendste werk is geworden. Sinds ik dit weet, vind ik het gedicht ook minder mooi.”

    Deckwitz geeft twee redenen voor het feit dat veel mensen poĂ«zie niet begrijpen. “Terwijl poĂ«zie de afgelopen decennia over het algemeen ingewikkelder is geworden, leren we door het uitgeklede literatuuronderwijs niet meer hoe we een gedicht moeten lezen.” En dat is zonde, omdat de dichtkunst volgens Deckwitz wel degelijk wereldverbeterende elementen in zich draagt. De dichteres besluit haar workshop met een oproep aan docenten Nederlands:

    “Leer jongeren poĂ«zie lezen, want daardoor leren zij scherper lezen en observeren. In een tijd waarin jongeren vooral Facebook-updates lezen, die bol staan van de holle frasen en waar de nuance vaak ver te zoeken is, is die eigenschap meer dan welkom.”

    Een lerares Nederlands laat na afloop weten dat zij vooral dichtkunst met sterk beeldende elementen in haar lessen inzet. “Ik bespreek poĂ«zie altijd in de aanloop naar de Dodenherdenking, wanneer een leerling een zelfgeschreven gedicht over de oorlog en Bezetting mag voorlezen. Dan komt voor sommige mensen in de klas poĂ«zie meer tot leven.”

    Voor wie de workshop gemist heeft, Deckwitz geeft vaker lezingen en workshops over het begrijpen van poëzie. Haar boek Olijven moet je leren lezen is verkrijgbaar bij Atlas Contact.