• Een scheepsarts in dienst van de slavenhandel door W. Mijnhardt

    In 2005 presenteerde W. Mijnhardt in Archief van het Zeeuws genootschap der Wetenschappen een klein werkje van de Zwitserse arts Gallandat. Deze was in 1732 geboren en werkte via de koopvaardij tussen 1751 en 1759 als scheepsarts op slavenschepen van de West-Indische Compagnie. In 1768 publiceerde Gallandat Noodige onderrichtingen voor de slaafhandelaren in de eerste Verhandelingen van het Zeeuwsch Genootschap’, later Archief van het Zeeuws genootschap der Wetenschappen geheten. Hierin brengt hij zaken naar voren die op zijn praktijk als chirurgijn berusten. Zo meent hij dat ‘het goed gevolg van den slavenhandel zeer veel afhangt van de goede maatregelen en bekwaamheid der heelmeesters’. Hij heeft vooral een preventieve invalshoek en schrijft voor onervaren heelmeesters in de hoop dat zij beter werk leveren tot voordeel van de rederij van de slavenschepen. Bij een eerste visitatie van slaven die te koop zijn, moeten de heelmeester en de scheepsofficieren – ‘opdat de kooper niet bedrogen worde’ – letten op:

    1. De ouderdom van de slaaf. Die wordt ‘gewasschen, gewreven, gefineerd, geschoren de gryze hairen worden geverfd of uitgetrokken’. De eigenaar probeert de koper te bedriegen.

    2. De ogen van de slaaf. Let op traanfistel, staar, verzwering van de oogbal.

    3. De spraak en het gehoor van de slaaf. Dergelijke slaven hebben technieken om hun gebreken te verbergen.

    4. Alle uitwendige gebreken van de slaaf. Vrouwen moeten kunnen springen om te ‘kunnen ontdekken of ze geen uitzakking der lijfmoeder’ hebben.

    Na nog enkele punten vermeldt Gallandat de ijzeren boeien, het voedsel van gort, paardenbonen, alleen maar water te drinken. Het wordt duidelijk dat het erg moeilijk is deze mensen levend en gezond te houden!

    De chirurgijn was een man van de elite en correspondeerde met de schrijfster Betje Wolf (1738-1804). Geheel in de lijn van denken van deze groep mensen ziet Gallandat geen enkel probleem in de slavernij. Wel merkte hij aan het eind van zijn verhandeling op dat hij zelf gezien heeft dat heelmeesters onder de slaven zieken uit de kaken des doods redden door wrijvingen, smeringen van ‘olyphantsmerg’, natuurlijke balsemen, palmolie, maar ook door baden en door zieken in warm zand te leggen. Gallandat en dus ook W. Mijnhardt geven ons interessante zaken door, die een goed tijdsbeeld schetsen. Er zijn enkele publicaties over Gallandat zoals die van M. Thiery: Een 18de-eeuwse chirurgijn in dienst van de slavenhandel (1993), en die van Chr. Verkroost: Briefwisseling van David Henri Gallandat met Gerard Greeve (18de eeuw) uit 1986.

     


    W. Mijnhardt, ‘David Henri Gallandat en zijn “Noodige onderrichtingen’, in: ‘Archief van het Zeeuwsch Genootschap der Wetenschappen’, 2005, pp. 115-159.

    Deze bijdrage verscheen eerder in de Ware Tijd-Literair, Suriname.

     

  • Verborgen liefde

    Recensie door Mireille Pinas

    Een verhalenbundel van de Surinaamse dichter, schrijver R. Dobru, pseudoniem van Robin Ewald Raveles (1935-1983). Tekst is in het Nederlands. Op de achterdflap een gedicht in het Surinaams van Michel Slory. Het titelverhaal gaat over ‘het inter-raciaal liefdesleven.’

    In een land met een rijke bevolking als Suriname kom je er niet onder uit te schrijven over interraciale relaties. Vroeger een heel opvallend verschijnsel, nu veel minder. Het idee van ‘ons bij ons, jij hoort niet bij ons’ blijft door de jaren heen bestaan. En dat geldt zeker niet alleen voor Surinamers. De Aziaten in Suriname zeggen niet te discrimineren. ‘We hebben gewoon meer aandacht voor mensen die op ons lijken.’ De Chandra’s van deze tijd, maken zich niet zoveel zorgen om gezien te worden met een ‘kafri’. Die Carlo’s blijken toch wel leuk te zijn om ervaring mee op te doen, voordat ze met hun Anil gaan trouwen. Hetzelfde geldt voor de jonge hindostaanse buschauffeurs. Het is leuk om met de javaanse Claudia, de inheemse Patricia en de Afro-Surinaamse Gwendoline te cruisen door de drukke straten van Paramaribo, maar zij zijn slechts vriendinnetjes. Wannneer het op trouwen aankomt, zijn de blikken toch gericht op die ene – hindostaanse – nicht van die rijke oom.

    Straight to the point

    In de jaren zeventig schreef Dobru in De plee over de hindostaanse Chandrawatie en de Afro-Surinaamse Carlo die verliefd zijn op elkaar. Het verhaal van hun liefde wordt als het ware verteld aan de lezer. Dat maakt het lekker vlot lezen; het is alsof iemand gewoon een ‘tori’ geeft. Carlo van 26 die nog bij zijn moeder woont, besluit na zijn promotie op zichzelf te gaan wonen. Het wordt een huisje, een prasi-oso (erfwoning), op een bigi dyari (groot erf), een lang erf waar een aantal huisjes achter elkaar geplaatst zijn. Er wonen allerlei bevolkingsgroepen op het erf, maar Carlo’s oog valt op de bloedmooie Chandra die eigenlijk Alice heet. Van haar ouders mocht Chandra tot de ulo (een niveau lager dan mavo) naar school en niet verder. Een vrouw hoort thuis te blijven om uiteindelijk te trouwen met een rijke man die de ouders hebben uitgezocht. Ook in die tijd was zelfmoord een reële optie voor de Hindostaanse jongere, want Chandra praat er openlijk over. Dobru heeft geen tijd te verliezen en komt ‘straight to the point’ in het verhaal: Carlo vindt Chandra, zijn buurmeisje, mooi en wil met haar trouwen. Hij vraagt haar dat zelfs al na de tweede ontmoeting. Ontmoetingen zijn schaars, dus hij moet snel zijn. De enige plek waar ze elkaar kunnen ontmoeten is in de plee, die duidelijk beschreven wordt door de schrijver: ‘De W.C. had een gemetselde vloer. (…) Wekelijks werden de brilleplanken met lisol en lemmetjes (reinigingsmiddelen, mp) schoongemaakt.’ Hoe netjes het er ook is, het is en blijft een wc.

    Nationalistisch

    Op het erf wonen er hindostanen, javanen en creolen.Iedereen praat met elkaar en feesten doen ze ook samen: ‘Toen kwam de dag van het phagwafeest, waarbij alle jongens en meisjes op het erf werden bedreigd met een bad van gekleurde vloeistof. Roti’s werden voor de buren gezonden en er werd door de familie van Baba Krish gezongen en muziek gemaakt.’ Maar je moest niet te vrij zijn: ‘Baba Krish echter viel het op dat Carlo zijn dochter iets te vrij aansprak een keer en hij waarschuwde haar zich niet in telaten met die “kafri”.’
    Het nationalistisch gevoel is heel duidelijk voelbaar in het verhaal. De schrijver laat Carlo een preek houden over hoe wij één volk moeten zijn en niet onderling moeten vechten, want de baas bekommert zich niet over ons. Die zoekt zijn eigen voordeel en is blij als er geen eenheid is. Ook aan het einde van het verhaal laat Dobru ons deze boodschap over eenheid weer eens horen om zeker te weten dat het doorgedrongen is.
    Ondanks het feit dat Dobru’s boek uitkwam toen Suriname nog een kolonie was, vertaalt hij de meeste Surinaamse woorden niet: ’Carlo zat door een planganaad te loeren naar het huis van Baba Krish.’ Het gaat hier om een kier, een naad, tussen twee planken. Hij schrijft zelfs hele zinnen in het Sranan of Hindi.

    Sfeer

    Dobru is goed in het beschrijven van de sfeer. Behalve de uitleg van hoe de bigi dyari eruit zag en hoe de mensen met elkaar omgingen, laat hij je ook echt voelen wat zijn personages voelen: ‘Het regende door. Op een soort droevige chronische manier alsof de natuur huilde. Fijne stuifdruppels kwamen zonder begeleiding van een zucht wind neer. Als een witte klamboe hing de regen over de straat. Het ruisen van de neerspattende regen klonk als een huilende baby … Langzaam liep hij de regen in … Hij liep dwars door de plassen; langzaam, naar de grond starend met de handen in de broekzakken.’
    Heel mooi is het dat nergens in het verhaal expliciet wordt aangegeven dat het koppel de liefde bedrijft in de plee. Door zo te schrijven maakt de schrijver het alleen maar duidelijker hoe zeer zij hun liefde voor de buitenwacht moesten verbergen. Hij kon natuurlijk alles beschrijven in allerlei kleuren en geuren, maar koos voor het verborgene: ‘Het leek wel of Chandra hem wilde vergoeden wat haar vader hem wilde aandoen en reeds had aangedaan.Zij huilde die nacht de hele tijd en zoende Carlo aan-een-stuk door … Ik kon toch niet aan mijn vader zeggen dat ik ook wilde of wat er des nachts gebeurt hier als hij mij naar de W.C. heeft gebracht. En iets verder in het verhaal: ‘Wat hij (Baba, mp) tesamen met de politiemannen daar in de lichtbundel van een flashlight zag, liet hem bijna flauw vallen … Joe pikin na a man disi vrouw, a kragi foe joe no kan go na fesi rechter. (vrij vertaald: “Jouw kind is de vrouw van deze man. Je zal geen steun vinden bij de rechter met jouw aanklacht.”).’
    En natuurlijk weten wij dat Chandra en Carlo niet lang en gelukkig leefden. Maar zoals Dobru het zegt: ‘Niemand is in staat de rassen (…) gescheiden te houden’

     


    Mireille Pinas is docent in Paramaribo, Suriname. In haar vrije tijd is zij dichter, verteller en schrijft zij bijdragen voor de Ware Tijd-Literair en Literair Nederland.

  • Suriname Discovered, Toon Fey

    Suriname (her)ontdekt, herkend en erkend,

    De lovende brieven die recensie-exemplaren vergezellen staan meestal bol van allerlei loftuitingen waarbij het betreffende boek dan maar al te vaak zwaar tegenvalt … Zo staat er in het begeleidend schrijven bij Suriname Discovered dat het hier gaat om ‘een uitgave die elk fotoboek dat tot nu toe over ons land verscheen in zijn schaduw plaatst’. En deze keer denk ik dat dat zonder meer de waarheid is.

    Suriname Discovered is een prachtuitgave van formaat: 31 bij 31 cm. De omslag is wat dikker dan we gewoon zijn, het geeft een beetje mee, waardoor het boek een luxe uitstraling heeft. Het is rustig en evenwichtig vormgegeven en de foto’s zijn van uitmuntende kwaliteit. Voor mensen die ons land niet kennen is dit boek een mooie kennismaking, ze kunnen er ons land in ontdekken. Voor wie hier ‘staat geplant’ (of wie hier ‘stond geplant’!) is het een feest der herkenning, en dat fotograaf Marco de Nood zijn impressie van Suriname zo goed op de gevoelige plaat heeft vastgelegd is tevens een stuk erkenning van al het moois dat ons land te bieden heeft.
    Marco de Nood heeft Suriname doorkruist en een ? positief getinte ? dwarsdoorsnede van land en volk in beelden vereeuwigd. De mensen worden niet op de rug gefotografeerd, maar juist frontaal, ze kijken de lens in en laten zien: dit ben ik, dit is Suriname!
    Bij de foto’s die zijn ondergebracht onder de kopjes: ‘Landschappen en bewoners’, ‘Land van vele werelden’ en ‘De stad’ zijn steeds korte teksten geschreven. Het laatste deel van Suriname Discovered heet ‘Verhalen’ en vormt een zeer goede aanvulling die het boek zeker een meerwaarde geeft. In dit sluitstuk zijn diverse prettig geschreven interviews met uiteenlopende vertegenwoordigers van de Surinaamse bevolking geplaatst. Hennah Draaibaar, Toon Fey en Gré Ploeg hebben vogels van diverse pluimage gesproken, uiteenlopend van beeldend kunstenaar Marcel Pinas tot kerkmeester Willy Grunberg, van supermarkteigenaar Feizin Ouyang tot de voorzitter van de Joodse Gemeente Jules Donk. Overigens is het hele boek tweetalig: Nederlands en Engels.

    Marieke Visser

    Suriname Discovered. Fotografie Marco de Nood, tekst Toon Fey, interviews Hennah Draaibaar, Toon Fey en Gré Ploeg. Schiedam: Scriptum Publishers, 2005. Suriname Discovered is mede tot stand gekomen dankzij de ondersteuning van METS Travel & Tours en VACO N.V. Uitgeversmaatschappij. ISBN 90 5594 402 5

  • Glenn Willemsen

    Dagen van gejuich en gejubel

    Is 1 juli, de dag van de afschaffing van de slavernij in de voormalige koloniale gebiedsdelen, een dag om te vieren? Voor Surinamers lijkt het vanzelfsprekend. Sinds het begin van de jaren zestig van de 20ste eeuw is de afschaffing van de slavernij een nationale feestdag die over het algemeen uitbundig wordt gevierd. In zijn boek, Dagen van gejuich en gejubel, laat Glenn Willemsen zien dat dit niet zo vanzelfsprekend is. In andere delen van het Nederlandse koninkrijk is het geen feestdag en is het een bijna vergeten stukje geschiedenis.

    In Nederland wist men tot voor kort nauwelijks iets van dit, in de ogen van Willemsen, doorslaggevend moment in de geschiedenis van al deze gebieden. Op de Nederlandse Antillen heeft men andere momenten om het slavernijverleden te herdenken. Zo is voor Curaçao 17 augustus een belangrijke nationale dag omdat het eiland de poging tot opstand van Tula herdenkt. Willemsen gaat er niet op in maar het is natuurlijk een buitengewoon ironisch gegeven dat op Curaçao, waar er niet veel opstanden waren en er nauwelijks ruimte was voor weggelopen slaven om zich schuil te houden, dit wordt herdacht. Suriname, daarentegen, waar weggelopen slaven de koloniale autoriteiten dwongen om vredesverdragen te sluiten, heroïsche verzetsdaden pleegden en in staat waren hun eigen gemeenschappen te creëren, wijst uitgerekend de dag aan die door de machthebbers uitgezocht was om slaven vrij te verklaren.

    NiNsee reeks
    De publicatie van Willemsen, die directeur is van NiNsee (Nationaal instituut Nederlands slavernijverleden en erfenis), is de eerste van een serie opgezet door uitgeverij Amrit van de bekende publicist Sandew Hira en dit instituut. De bedoeling is om boeken over de geschiedenis van vooral het slavernijverleden uit te geven en verder publicaties die de actualiteit van dit verleden nagaan; bijvoorbeeld de psychologische doorwerking van deze eeuwen van onderdrukking. Dit boek zet direct de toon van deze reeks. De auteur gebruikt primaire bronnen zoals de discussies in de Staten-Generaal van Nederland, kranten die toen werden gepubliceerd en officiële berichten in de gouvernementsbladen in Suriname en de Nederlandse Antillen. Een deel van deze documenten zijn in bijlagen opgenomen. Het is dus zowel analyse als bronnenpublicatie wat het handig maakt voor leerkrachten die studenten willen laten zien wat er toen is verschenen en de taal waarin het is verwoord. Dit laatste is van belang want overal werd benadrukt dat het ‘Zijne Majesteit heeft behaagd’ om de slavernij af te schaffen. Het heeft dan ook heel lang geduurd voordat de nakomelingen van de slaven doorhadden dat koning Willem III eigenlijk nauwelijks wat te maken had met dit moment. Integendeel dit land was één van de laatste om dit instituut in het Caraïbisch Gebied af te schaffen. De waarde van deze publicatie zit hem dan ook in het feit dat reacties in het hele Nederlandse koninkrijk vergeleken worden en het beeld zeker bij Surinamers doorbroken wordt dat de manier hoe hier 1 juli wordt gevierd, wel hetzelfde zal zijn op de Antillen.

    De actualiteit
    Willemsen begint met de actualiteit. Hoe komt het dat er nu aandacht wordt besteed aan het slavernijverleden in Nederland? Surinamers die naar het ‘moederland’ zijn gegaan in de jaren zestig en zeventig, bleven de traditie hoog houden om 1 juli te vieren. Bovendien maakten steeds grotere groepen donkere landgenoten heel zichtbaar voor de Nederlanders dat er een Afrikaans verleden bestond. Verschillende stichtingen zorgden ervoor dat de datum steeds meer op de agenda werd geplaatst. Verzoeken om een monument op te richten ter nagedachtenis van dit verleden kwamen op de politieke agenda in Nederland. Willemsen zegt het niet, maar het zal zeker hebben geholpen dat politici doorhadden dat Surinamers niet alleen belangstelling hebben voor politiek Den Haag, maar ook actief gebruik maken van hun stemrecht.

    Dan was er nog de grote wereldconferentie van 2001 in Durban, Zuid-Afrika, waar het antiracisme centraal stond. Daar heeft de toenmalige minister voor Integratie Rogier van Boxtel zijn ‘deep remorse’, zoals het heet, getoond voor het Nederlandse slavernijverleden. Later is hij nog naar Suriname gekomen en heeft ook hier belangstelling getoond voor de restanten van dit verleden onder andere in het Nationaal Archief en met een reis naar enkele marrondorpen. Kortom, dit stukje geschiedenis werd steeds zichtbaarder voor de gewone Nederlander. De regering was ook nog bereid om geld te stoppen in een monument om deze periode te herdenken en een instituut op te zetten dat door middel van onderzoek, publicaties, exposities en andere manifestaties de slavernij zichtbaar moest maken.

    De historische context
    Willemsen staat uitgebreid stil bij het historische debat in 19de eeuws Nederland. Dit is niet geheel nieuw terrein. In zijn dissertatie van 1979, De Nederlandse regering en de afschaffing van de Surinaamse slavernij (1833-1863), heeft de onlangs overleden historicus Jozef Siwpersad ook al een analyse gemaakt van deze periode. Hier en daar legt Willemsen wel andere accenten. Zo legt hij de nadruk op het feit dat het begrip vrijheid door slaven op een andere manier werd geïnterpreteerd. Hij maakt ook veelvuldig uitstapjes naar andere delen van het Caraïbsch Gebied om aan te geven hoe er werd gereageerd op gebeurtenissen en in tegenstelling tot Siwpersad richt hij zich niet alleen op Suriname maar kijkt ook naar de Antillen en Nederland zelf.

    Een van de conclusies van het boek, die al vaker naar voren is gebracht, luidt dat in het moederland de slavernij nauwelijks tot publiek debat heeft geleid. Nederland kende geen Wilberforce die de aandacht bleef vestigen op mensonterende aspecten van slavernij. Ook kranten van die tijd besteedden hier weinig aandacht aan. Toch werd het land gedwongen de gedachten te laten gaan over de slavernij. Steeds meer omliggende (ei)landen maakten hun slaven tot vrije burgers en op een gegeven moment zou het er ook van moeten komen in de West-Indische koloniën.
    Een mooi voorbeeld van een rationeel besluit binnen het koninkrijk vindt plaats op Sint-Maarten dat toen al deels Nederlands en deels Frans was. Frankrijk schafte de slavernij af in mei 1848. Blanke meesters op het Nederlandse deel van St.-Maarten trachtten het nog geheim te houden maar uiteraard lukte dat niet. Dus enkele maanden later, in juli 1848, deden zij hetzelfde. Vandaar dat in St.-Maarten dit jaartal wordt aangegeven als het jaar van de afschaffing van de slavernij en niet het formele moment in 1863. Slaven hadden daar hun eigen vrijheid afgedwongen. Zo zijn er meerdere voorbeelden te noemen die voor veel lezers van dit boek verrassend zullen zijn.

    De dag van 1 juli 1863
    Hoe was het op de dag van de afschaffing zelf? Willemsen citeert verschillende bronnen en tracht op zo een manier een beeld te geven van wat er op deze bijzondere dag plaatsvond. Het blijft natuurlijk jammer dat er weinig of geen schriftelijke bronnen van de voormalige slaven zelf bekend zijn. Vooral de christelijke kerken zijn door het koloniaal gezag ingezet om alles rustig te houden. De nadruk werd gelegd op het worden van goede burgers van de maatschappij die moesten voldoen aan het beeld van een hardwerkend gezin waar vader en moeder wettig getrouwd waren en een godvrezend leven leidden. Tegelijkertijd geeft Willemsen aan dat heel wat slaven na de officiële viering in de kerk op 1 juli 1863 op eigen wijze hun vrijheid hebben gevierd. In heel wat gevallen bezochten zij een wintiprei. Van dit gegeven maakt Willemsen helaas te weinig gebruik om wat meer te weten te komen van de gevoelens van de voormalige slaven.

    De historische dimensies van winti zijn nog weinig onderzocht, maar zouden waarschijnlijk een waardevolle schat aan gegevens opleveren. Als gekeken wordt naar de vele studies over vodun (of voodoo) op Haïti en de rol die het gespeeld heeft bij de slavenopstand die uiteindelijk de geboorte van de eerste zwarte republiek in de Amerika’s inluidde, dan blijkt er genoeg reden te zijn om winti beter te bestuderen om de gemoedstoestand van toen beter te begrijpen. Heel kort geeft hij wel aan dat je met odo’s een heel eind kan komen om meer te weten over hoe van binnenuit over dit instituut werd gedacht. Hiermee geeft hij wel een aanzet maar er zou veel meer multi-disciplinair onderzoek moeten worden gedaan om met gebruik van deze bronnen het nodige te achterhalen.

    Op de Antillen verschilde de viering van eiland tot eiland. Dit had te maken met de omstandigheden die niet overal hetzelfde waren. Aruba had geen plantages en nauwelijks slaven. Op eilanden als Bonaire, St.-Eustatius en St.-Maarten was zoutwinning de belangrijkste economische activiteit. De slaven die daar werkten waren merendeels van het gouvernment. Slavenhouders op de zes eilanden hadden totaal geen vrees dat zij geen gebruik meer konden maken van de diensten van hun ‘bezit’ na 1863. Er gebeurde economisch gezien te weinig en veel vrije lapjes grond waren er niet. Ook dit is een fundamenteel verschil met Suriname waar er meer mogelijkheden en ruimte waren. Een ander belangrijk verschil was het ontbreken van het Staatstoezicht op de Antillen. Dit was om bovenstaande redenen gewoon niet nodig.

    Tenslotte behandelt Willemsen de verschillende keuzen die de eilanden hebben gemaakt om het slavernijverleden te herdenken. Het voorbeeld van Tula op Curaçao is al gegeven. Op Aruba leeft de dag nauwelijks. Voor hen is 18 maart 1976 van belang toen ze hun status aparte kregen. Zo geeft het boek aan dat dagen van gejuich en gejubel verschillend worden beleefd binnen eenzelfde koninkrijk maar waar de omstandigheden niet in elk gebied hetzelfde waren. Daarin zit ook het belang van deze publicatie.

    lenn Willemsen, Dagen van gejuich en gejubel. Viering en herdenking van de afschaffing van de slavernij in Nederland, Suriname en de Nederlandse Antillen, NiNsee-reeks, 327 pag., Den Haag/Amsterdam, Amrit/NiNsee, 2006. ISBN 90 74897 460

    Jerome Egger

    Jerome Egger is docent geschiedenis op het Instituut voor de Opleiding van Leraren (I.O.L.) te Suriname en op de Anton de Kom Universiteit te Suriname. Hij publiceert regelmatig in tijdschriften en in het dagblad de Ware Tijd over Surinaamse en Caribische geschiedenis en over Caribische literatuur. Tevens heeft hij meegwerkt aan enkele boeken en publicaties.

  • Een persoonlijke queeste

     Door Sen Nandoe

    Het debuut van Bea Vianen is ook  zevenendertig jaar na verschijning in Suriname nog steeds een veelgelezen boek dat graag door middelbare scholieren op ‘De leeslijst’ wordt gezet. En niet alleen vanwege de niet al te grote omvang van het boek. Bea Vianen beschrijft in Sarnami, hai het moeizame proces naar volwassenheid, het vinden van je eigen identiteit. De zoektocht is die van Sita, een leergierig Hindostaans meisje dat vastbesloten is iets van haar leven te maken. Het boek begint met een speurtocht naar het verleden, Sita wil weten wat voor man haar grootvader is geweest en waarom die, nadat zijn vrouw zelfmoord heeft gepleegd, haar moeder heeft weggegeven; achtergelaten bij een oude vrouw die helemaal geen liefde voor het meisje kon opbrengen. De antwoorden op deze vragen vindt ze niet, en voor Sita gaat leven rustig door, met de besognes die een ‘moeilijke’ vader en de puberteit met zich meebrengen.

    Anders wordt het wanneer haar beste vriendin, een moslim, zwanger wordt van een hindoejongen. Sita wordt geconfronteerd met de conflicten die bestaan tussen deze twee religieuze groeperingen en bepaalt op dat ogenblik dat haar een ander lot beschoren zal zijn. Zij studeert hard en gaat naar de middelbare school, maar dan leert ze Islam kennen en ze beginnen een relatie. Sita slaagt voor haar examens en besluit de steeds bezitteriger wordende Islam de bons te geven. Maar dan blijkt ze zwanger te zijn en zit er voor haar niets anders op dan te trouwen met Islam. Deze stap betekent voor haar het einde van haar dromen. Zij is opgesloten in een liefdeloos huwelijk en haar kansen op een verdere studie zijn verkeken. Ze probeert zich aan te passen maar besluit uiteindelijk toch voor zichzelf te kiezen, alleen tegen een niet geringe prijs: zij is genoodzaakt haar zoontje aan haar man af te staan. Dat is het ogenblik wanneer zij zegt: ‘Sarnami, hai’ oftewel: ‘Suriname, ik ben’. Dan is zij voor zichzelf niet langer naamloos, maar heeft zij haar identiteit gevonden.

    Sita heeft een transformatie ondergaan van een schoolmeisje dat zich bij de feiten neerlegde naar een volwassen, zelfstandige vrouw die zichzelf op de eerste plaats zet.

    Deze sterk autobiografische roman geeft de toon aan van Vianens verdere werk; in haar gehele oeuvre zijn opgeslotenheid, vrijheid en vlucht belangrijke thema’s. Met het verschijnen van deze roman in 1969 is de aanzet gegeven voor de vrouwelijke romanauteurs. Van echte ecriture féminine kan nog niet gesproken worden, maar Sarnami, hai is wel een klassiek voorbeeld van een coming of age novel; Sita is aan het eind van het verhaal een zelfbewuste vrouw die kiest voor de kansen die onderwijs haar biedt.

    Als klassieker is deze roman een ‘must’. Hij zou niet alleen door vrouwen gelezen moeten worden, om het emancipatorische dat aan de orde komt, maar ook door mannen die meer inzicht willen krijgen in de gevoelswereld van de vrouw. De identificatie bij (Surinaamse) studenten is groot, ook in deze tijd. Vianen beschrijft een universeel thema dat voor zowel jong als oud herkenbaar is, én zal blijven.

     

    Lees hier meer over Bea Vianen en Surinaamse literatuur

     

     

  • Hele dagen in de regen,Henna Goudzand Nahar

    Hele dagen in de regen is de eerste roman van Henna Goudzand Nahar, in Suriname bekend als Henna Goudzand (1953), een jonge literatuurdocente op het Instituut voor de Opleing van Leraren die in de jaren tachtig naar Nederland vertrok en daar nog woont en werkt. De roman is niet haar literaire debuut. Onder verschillende pseudoniemen, Amber en Amber Nahar, publiceerde ze een aantal korte verhalen in bundels en tijdschriften en twee kinderboeken, Op zoek naar een vriend(1988) en De Bonistraat (1996). Henna Goudzand heeft op haar werk een duidelijk eigen stempel gedrukt: steeds weer herkennen we in verschillende verhaalsituaties dezelfde thematiek, de worsteling van mensen om samen een gemeenschap te vormen, wat meestal misgaat door machtsmisbruik en eigenbelang, en de verhalen spelen in verzonnen plaatsen die sterke overeenkomsten vertonen met Surinaamse locaties, maar daar ook van verschillen. Hele dagen in de regen heeft, evenals haar verhaal ‘Op weg naar de horizon’ (1990) als locatie het stadje Abseba, aan de oostelijke grensrivier van het niet bij name genoemde land, dat doet denken aan Albina, de grensplaats aan de Marowijnerivier die uitkijkt op Frans Guyana. In de roman gaat de gemeenschap van stadje en omgeving gebukt onder militaire overheersing, waardoor een vergelijking met de jaren tachtig in Suriname voor de hand ligt.

     

     

     

    Hele dagen in de regen is een verhaal over mannen. Vrouwen blijven op de achtergrond, maar het zijn om de donder geen anonieme typetjes. De centrale figuren zijn de leiders van de verschillende christelijke kerken, de pater van de r.-k. kerk en de prediker van de christelijke gemeente. De pater is wit en Europees en gedraagt zich uitermate ouderwets en koloniaal, de prediker komt uit Abseba zelf als zoon van een marronmoeder en een kleurlingvader. Geen wonder dat hij een tweeslachtige figuur is. In het plaatsje worden marrons immers ronduit gediscrimineerd, er is zelfs een aparte wijk voor hen en een voor kleurlingen. Op marrons wordt neergekeken en er is sprake van letterlijke apartheid. Vader heeft zijn zoon van gemengde afkomst al vroeg naar de stad gebracht, waar hij bleef tot hij zijn studie had afgerond.

     

     

     

    De pater is de centrale figuur in het verhaal. De militaire leiders hebben besloten om de modderige zandweg naar de hoofdstad Simarabo te laten asfalteren. Om dat te kunnen bekostigen hebben zij de subsidie voor het onderwijs zwaar verminderd. Dat neemt de pater niet en hij heeft de r.-k. school gesloten. Een daad van heldhaftig verzet, waar hij geen openlijke medestanders in vindt. De prediker van de christelijke gemeente heeft zijn eigen belangen die hem bezighouden. Hij ergert zich vreselijk aan het getrommel dat de wintirituelen van de marrons begeleidt. Hij vlucht er zelfs voor naar een huisje in Bajo, een naburig indiaans dorp. Zijn verloren marronidentiteit zit hem dwars. Eigenlijk zou hij mee willen doen, maar dat kan natuurlijk niet. Nu moet hij naar de hoofdstad gaan om zijn eigen jubileum bij te wonen, georganiseerd door de christelijke gemeente, maar geen marron wil over de rivieren naar de stad varen vanwege de rituelen ter genezing van een zieke. De zandweg erheen is onbegaanbaar door de regen die ‘hele dagen’ valt. Solidariteit met de pater is dus een moeilijk punt voor de prediker. Een geasfalteerde weg zou hem o zo goed uitkomen en velen met hem. En zo zijn er meer min of meer belangrijke figuren die niet openlijk in verzet willen komen tegen het militair gezag vanwege eigen belangen. Uiteindelijk wordt de pater opgepakt met de bedoeling dat hij zo snel mogelijk naar de stad gebracht wordt met het verzoek aan de bisschop om hem een andere standplaats te geven. Niemand neemt het openlijk voor hem op.

     

    Iedere medaille heeft twee kanten. De pater mag dan heldhaftig tegen de dictatuur optreden waar de kinderen benadeeld worden, hij is ook een onverdraagzame blanke die zijn huishoudster verbiedt om ’s middags ‘warm te eten’, omdat hij dat van huis uit niet gewend is en hij ’s middags de geur niet verdraagt. Het gevolg is dat ze stiekem haar potje opwarmt als de pater er niet is.

     

    Goudzand Nahar drijft de spot met partijpolitieke grootheden in haar beschrijving van de voor ons herkenbare oude voorzitter van de ‘kleurlingenpartij’, een man met alles in de plooi die geen woord te veel zal zeggen als het om de militairen gaat.   

     

     

     

    De thematiek van Hele dagen in de regenis duidelijk verwant aan die van grote werken uit de Latijns-Amerikaanse literatuur: honderd jaar eenzaamheid door gebrek aan solidariteit, met een knipoog naar Gabriel García Márquez

     

    Henna Goudzand haar pen is echter niet zo scherp als die van de grote meester en haar palet niet zo veelkleurig. Abseba en omgeving blijft voor de lezer een verzonnen plaatsje waarvan hij niet genoeg sprekende beelden krijgt aangereikt. Door dat gemis en omdat het ook niet fysiek herkenbaar is, blijft het verhaal ondanks het boeiende thema en genoeg leuke en zelfs hilarische passages, te afstandelijk. Henna Goudzand verstaat de kunst om haar thema op ingenieuze wijze tot een verhaal te breien, maar de Caribische ‘touch’ ontbreekt, het lekkere tomeloze verteltalent dat hoort bij de samenlevingen die ze beschrijft. Het komt natuurlijk ook door haar gebruik van het Nederlandse Nederlands. Enerzijds zou dat moeten, omdat nergens staat dat het verhaal in Suriname speelt en het daardoor vastgeprikt wordt. Anderzijds: waarom geen Surinaamse ‘tongval’? De taalkeuze is een belangrijk middel tot kleuring van een tekst. Als prediker Wijnruit zich een liedje uit zijn kindertijd herinnert, staat er: ‘Alonki, kom dansen. Alonki kom dansen voor de gouverneur.’ (p.57)

     

     

     

    Hele dagen in de regen is uitgegeven door uitgeverij De Geus. Het is opgenomen in de reeks boeken waarmee Novib in Nederland en II.II.II. in België schrijvers uit niet-westerse landen een podium bieden met als doelstelling interesse voor leven en cultuur in hun landen te vergroten. Henna Goudzand heeft zeker aan die doelstelling beantwoord. Ze heeft kanten van de Surinaamse samenleving laten zien, maar juist die waar men niet zo graag over praat. Daarom heeft ze waarschijnlijk de problematiek verpakt in een gefingeerde omgeving.

     

     

     

    Het omslag van het boek van De Geus lijkt, zoals u ziet, op dat van de onlangs bij dezelfde uitgeverij verschenen bundel Koorddansers van Marylin Simons. Ook hier weer water en een bootje. Geen zwarte jongetjes, maar een zwarte man. Deze foto toont wel duidelijk de Surinaamse rivier met haar soela’s en stenen waartussen de bedreven botoman zijn bootje handig laveert. Maar dat is nou juist wat in het verhaal nietgebeurt. De botomans mogen immers niet varen vanwege het wintiritueel voor een zieke!

     

     

     

    Henna Goudzand Nahar l Hele dagen in de regenl191 pp. l Breda, Uitgeverij De Geus (i.s.m. Novib, Den Haag en II.II.II., Brussel), 2005 l ISBN 90 445 0369 3            

     

     

     

    em

     

     

     

    Els Moor is hoofdredacteur van ‘dWT-L’, de literaire pagina van Surinames grootste dagblad de Ware Tijd. Zij is meer dan twintig jaar aan de kweekschool verbonden geweest. Voor het literatuuronderwijs werkte ze mee aan de methode Fa yu e tron leisibakru (Hoe je een leesgek wordt).

     

     

     

    Deze bespreking is eerder gepubliceerd in ‘dWT-L’, 10 juni 2006.               

     

     
  • Witwassen, een verbindende schakel in het criminele circuit, Puntje Productions

    Deze week een non-fictie bespreking uit Suriname door Ruth San A Jong, mede-initiatiefnemer van Stichting Bukutori, een literaire organisatie in Suriname die zich richt op het vormen van aankomend schrijftalent.
    Witwassen, een verbindende schakel in het criminele circuit

    Als iemand mij zou vragen om uit te leggen wat witwassen is, zou het lang duren om een antwoord te vinden. Ik wist het eerlijk gezegd niet tot ik de brochure Wat is Witwassen in handen kreeg. Elke Surinaamse burger – ondernemers in het bijzonder – zou deze recente publicatie dicht in de buurt van zijn of haar bureau moeten houden.

    De Surinaamse samenleving wordt door verschillende illegale activiteiten bedreigd en uit balans gebracht. Meteen denkt men aan diefstal of roofmoord, om maar niet te spreken van de natuurramp die ons ‘gezegend’ land onlangs trof in het binnenland. Behoort witwassen ook tot de categorie die Suriname bedreigt en uit evenwicht brengt?

    Bij het witwassen wordt er geld door een criminele groep op de bankrekening van een namens hen opgerichte rechtspersoon in het binnen- of buitenland gestort bij een officiële bankinstelling. Er worden investeringen gedaan die vooral betrekking hebben op de eigen levenssfeer (luxe woningen, luxe inrichting en dergelijke) en op het vergroten van het eigen vermogen via onbeduidende zaakjes (voornamelijk in de handel) die soms uitgroeien tot grote holdings met een fenomenaal aantal vestigingen en indrukwekkende hoeveelheden importproducten. Mijn hersenen beginnen te kraken. Firma X, handelaar Y, importeur Z: die zullen toch niet witwassen?

    Puntje Productions heeft het lef gehad om het witwassen ter sprake te brengen. In  gedetailleerde tabellen worden vergelijkingen gemaakt tussen de Nederlandse en Surinaamse wetten inzake de strafbaarstelling, uiteenlopende definities en de internationale rechtshulp die ‘money laundering’ tegengaat. De auteur geeft daarnaast simpele voorbeelden van witwasmethodes. De conclusie is dat witwassen weliswaar geen symptomen kent, maar wel een verbindende schakel tussen de illegaliteit en de legale sectoren van de economie vormt.

    De vormgeving van de omslag is slim bedacht. Een wasautomaat waarin Amerikaanse dollars en Euro’s worden gewassen met ‘Witboi’-waspoeder. De biljetten hangen met wasknijpers stevig aan drooglijnen … Maar eh… waar zijn de SRD’s ?.

    Wat is Witwassen. Een uitgave van Puntje Productions, januari 2006. Prijs in Suriname: SRD 12,-.

  • De Parbo-Blues

    De eerste keer in mijn leven dat ik me er bewust van was dat ik Miles Davis hoorde, A kind of blue, was in een ander tijdperk. Een tijdperk zonder e-mail, zonder sms-verkeer. Het waren de dagen waarin we nog onderscheid maakten tussen luchtpostbriefpapier en de dikkere blaadjes die je gebruikte wanneer jouw epistel slechts een andere stad als eindbestemming had. Van een moderne vriendin die geen zin had in geduldig papier, kreeg ik in mijn provinciale brievenbus een dikke bubbeltjesenveloppe met een bandje er in, de zogeheten cassettepost. Het bandje stond vol met tori’s (verhalen) waar de heimwee naar Suriname vanaf droop. Klaagzangen over P’tata, zoals we Nederland noemden, werden afgewisseld met toch wel zeer spannende verslagen over haar leven in Amsterdam. En tussen haar gebabbel had ze, als bindende factor, Miles Davis’ muziek opgenomen. Kalmerend en onrustbarend tegelijk. Mooi vond ik het.
    Als terugkerend thema komen we de muziek van Davis in Tessa Leuwsha’s debuutroman de Parbo-blues  telkens weer tegen. Niet zozeer als rode draad ? hoewel de kleur wel het toepasselijke alarmsignaal symboliseert ?, maar meer als een haperende hartslag, zoals die te zien is op een monitor, een ononderbroken levenslijn die regelmatig, en soms opeens met horten en stoten pieken en dalen laat zien. 
    De Parbo-blues vertelt het verhaal van Henry Charmes, een Surinamer die als jonge vent de Nederlandse maatschappij als een handschoen heeft aangetrokken, passend tot op de millimeter. Bedrieglijk gemakkelijk beweegt hij zich in Holland, alsof hij niet anders weet en niet anders gewild ook. Maar onderhuids zit het niet goed, ‘under his skin’ komt Nederland niet, en wél Mama Sranan. Dat geeft wrijving. Zijn stemmingen slaan om als een herfstblad aan een boom, een ademstoot kan genoeg zijn om het blad te laten vallen. Jazzmuziek en vele joints doen het tij vaak keren, maar voor zijn kinderen Anna en Waldy en zijn (Nederlandse) vrouw Johanna, blijft het een onvoorspelbaar leven.
    Na zijn dood bezoekt Anna haar vaders geboorteland en door haar ogen zien wij Henry’s ouders vorm krijgen. Daarmee wordt ook het portret van Henry steeds genuanceerder. De pijnlijke jeugdherinneringen van Anna, waarin de gezinsleden voortdurend lijken te balanceren om een ‘normale’ sfeer in huis te behouden, worden hierdoor minder scherp.
    De wortels van Anna liggen bij Heline, de oermoeder, die in het slaperige rijstdistrict Nickerie haar Prince onmoet. En Prince is de universele Surinaamse vader die van God-weet-waar komt en al vroeg uit beeld verdwijnt, om er later zonder er al te veel woorden aan vuil te maken weer in op te duiken, wanneer Heline een moeizaam bestaan als wasvrouw opbouwt in Paramaribo. Uiteindelijk wordt Henry’s droom om naar Nederland te gaan werkelijkheid dankzij een misstap van Prince. Een vaderlijke daad tegen wil en dank.
    De roman leest plezierig, je wilt hem heel langzaam lezen zodat je ten volle kunt genieten van de parels die Leuwsha’s volzinnen en sfeertekeningen zonder enige twijfel zijn. Een simpele zoemende muskiet bezorgt de lezer ademloze momenten. Ontroering schuilt in minimale gebeurtenissen, zoals bijvoorbeeld de scene waarin Johanna dankbaar verrast is wanneer haar schoonmoeder Heline ook voor haar en de kinderen een beker warme cacao maakt, compleet met vel en voetbad. Lichtvoetiger dan het zwaarmoedige verhaal dat ze te vertellen heeft, springt de schrijfster van heden naar verleden, ver en dichtbij. Nickeriaanse rijstvelden, brandend in de zon, maken plaats voor een benauwde huiskamer van een Amsterdamse bovenwoning. En daardoorheen blaast Miles op zijn trompet. Op pagina 21 van de Parbo-blues staat: ‘Ze horen bij de tropen, die tonen.’ En als die tropen onlosmakelijk zijn verbonden met wie jij bent, maar jij niet in de tropen bent, dan kan het gaan wringen.

    Tessa Leuwsha, De Parbo-blues. Uitgeverij Augustus, Amsterdam 2005. ISBN 90-457-0233-9

    mv

  • Curaçao geschiedenissen

    Eilandbewoners met een metropools karakter

    Curaçao geschiedenissen
    is een boek waar iedereen al langere tijd op zat te wachten.

    Het boek omvat tal van interviews met verschillende vooraanstaande personen uit de Curaçaose gemeenschap. Bij het lezen krijg je algauw de indruk dat je meegesleept wordt naar het verleden. Een verleden dat nu veel rijker blijkt te zijn dan men zich in de jaren zestig van de vorige eeuw kon voorstellen. Het betreft geen diepte-interviews met de afzonderlijke cultuurdragers, maar geeft o.a. een beeld van de gemeenschap, de elitevorming en de omarming van politiek, cultuur en literatuur.
     

     

    Allereerst komt Rose Mary Allen (schrijfster) aan het woord, die vertelt over de komst van haar ouders uit St. Kitts en hoe je je als immigrant staande moest houden in een andere samenleving om succesvol door het leven te gaan. In de trend van My mother who fathered me  relateert zij de familiegeschiedenis en legt een verband met de naweeën rondom de gebeurtenissen van 30 mei 1969.
     

     

    De Nanzi-verhalen, overgewaaid uit Afrika, beschouwt zij als een vorm van verzet maar gelden voor de volksklasse als het idealiseren van een stukje macht. De orale geschiedenis alsook de muziekale stromingen Tambú en Calypso, die beiden een vorm van protest zijn tegen het gezag, komen nagenoeg aan bod.  
     

     

    Gibi Bacilio (dichter/theatermaker) heeft zijn wortels in Venezuela, zoals vele anderen in dit boek ook in St. Kitts, Spanje, Libanon, Tenerife en Rotterdam. Aanvankelijk zou hij priester worden, maar na een confrontatie in Colombia met de harde werkelijkheid is hij begonnen met het schrijven over thema’s als rechtvaardigheid, onderdrukking en liefde. Thema’s die in het heden hun beste tijd hebben gekend. In 1980 richtte hij de groep Teatro Foro op, om via straattheater bewustzijn- en veranderings-processen op gang te brengen. Beide auteurs geven duidelijk aan dat Curaçao veelal gebukt is gegaan onder de etnische scheidslijnen, die de oorzaak zijn van een verlammende discussie over zwart en wit.
     

     

    De achtergrondinformatie in dit boek biedt een verklaring voor een betere situering van de moeizame literaire ontwikkeling op Curaçao. Schrijvers zoals Cola Debrot, Guillermo Rosario, Richard Hooi, Boeli van Leeuwen en nog vele anderen, hebben hun thema’s voor hun werk ontleend aan de sociale fenomenen in de Curaçaose samenleving. Thema’s zoals buitenechtelijke verhoudingen, zelf-discriminintie en uitsluiting zijn terug te vinden in de poëzie en het proza van voornoemde schrijvers. Dit boek verklaart echter ook de onderliggende motieven voor de taalstrijd in de jaren zestig. Maar ook de redenen voor het ontbreken van een literaire infrastructuur: geen leescultuur, geen literaire activiteiten en geen stimulering van het schrijverschap. Na de dekolonisatieperiode is de cultuurpolitiek ook nooit gericht geweest om literatuur als de ruggengraat van de samenleving in te richten.
     

     

    Het boek omvat een achttal interviews, afgewisseld met fragmenten uit de romans van schrijver Boelie van Leeuwen, en is prachtig geïllustreerd met foto’s uit de vorige eeuw. Centraal thema vormt de beleving van de geïnterviewden rondom de gebeurtenissen op 30 mei 1969. Curaçao geschiedenissen geeft enig inzicht in de achtergrond van een aantal van onze schrijvers. Met dit boek is de auteur er aardig in geslaagd om de jongste geschiedenis van Curaçao via een aantal prominente figuren te portretteren. Waar St. Maarten thans als de literaire hoofdstad wordt genoemd, is Curaçao in deze achtergebleven.
     

     

    Quito Nicolaas
     

     

    Curaçao geschiedenissen
     



    Auteur: Ilse Marrevee
     

    Formaat: 26.6 x 21.5/ingenaaid, 174 pag.
     

    ISBN: 90-77808-01-9
     

    Te bestellen via: info@elisabethpublishing.com
     

     

  • De legende van Çakuntela van het Groene Continent.

    Doen waarvoor je in de wieg gelegd bent. De legende van Çakuntela van het Groene Continent

    Dit boek is voor dromers en fantasten, voor mensen die durven geloven dat er meer is dan Planeet Aarde en dat de toekomst van haar bewoners nog ver in het verschiet ligt.’ De legende van Çakuntela van het Groene Continent is de eerste Surinaamse roman in het fantasy-genre. Mede vanwege dit voor het Surinaamse lezerspubliek zo nieuwe aspect geeft schrijfster Ismene Krishnadath duidelijk aan voor wie haar boek wél, maar ook voor wie het níet bedoeld is.

    Het verhaal van Çakuntela begint bij haar moeder, Mehana. Tot haar zestiende woont Mehana op het Groene Continent, waar haar vader Arap Makar al eeuwen de Hoeder is, zoals de Groenlanders hun leider noemen. Mehana vindt pas haar levensbestemming als ze intuïtief haar weg volgt en zich met de stroom van de rivier mee laat drijven tot ze bij de zeenimfen terechtkomt en zich bij hun aansluit.

    De weg die mensen te volgen hebben, daar gaat Krishnadaths boek over. Om gelukkig te worden in het leven, moet je datgene doen waarvoor je in de wieg gelegd bent. Bij het lezen van Ismene’s fantasy-debuut betrapte ik me er op dat ik ten aanzien van een gefantaseerde wereld blijkbaar heel erg hooggespannen verwachtingen had, wat aanvankelijk een licht gevoel van teleurstelling veroorzaakte. In Ismene’s zonnestelsel is zeker niet elk mens voorbestemd om idyllisch samen te leven in harmonie en liefde. Sommige mensen zijn zelfs geboren voor het voeren van oorlogen.

    Mehana’s DNA-structuur staat helemaal in het teken van het element water. Ze reist mee met de verleidelijke nimfen die een spoor van opgebruikte mannen achterlaten, ten prooi gevallen aan de wellustige sekshonger van de waterwezens. Toch is er één man voor wie Mehana haar ‘veelventerij’ wil opgeven in ruil voor een monogaam bestaan, en dat is Prins Dhanil, van het Verzonken Continent op Planeet Drie. De leidster der nimfen Lok-Pon, is zo boos over Çakuntela’s ‘verraad aan de groep’, dat ze Mehana’s eerste kind opeist. Dat is Çakuntela. Het kleine meisje heeft echter geen water in haar genen, en Lok-Pon brengt haar terug naar het Groene Continent waar ze door haar grootvader Arap Makar grootgebracht zal worden. Çakuntela is voorbestemd is om Hoeder te worden van dit continent. Ze is degene die, jong als ze is, glashelder ziet dat haar oom Thep Krung niet thuishoort tussen de nogal naïeve, goedige Groenlanders. Gaandeweg het verhaal vordert is ook duidelijk dat de ambities van Thep Krung veel verder reiken dan het vredige leven op het Groene Continent. Hij wil het hele Zonnestelsel S-207 overnemen om daarna een ideale samenleving te verwezenlijken. Dat dat ten koste gaat van miljoenen, zelfs miljarden mensenlevens, dat speelt voor hem geen rol. Het is Çakuntela die weer wat balans – en daarmee hoop – brengt in de gebeurtenissen die steeds onomkeerbaarder elkaar lijken op te volgen.

    De parallellen zijn eenvoudig te trekken, voor de oplettende lezer. Natuurlijk niet letterlijk: we hebben in Suriname geen nimfomane waternimfen in onze wateren rondzwemmen. Maar wel is er de huidige tijd er één van verandering wat de man-vrouw-relaties betreft, ook in ons land. De verzelfstandiging van vrouwen kan de mannelijke helft van de wereldbevolking soms behoorlijk zenuwachtig maken. Ook hebben we – nog – nergens in de wereld onzichtbare afweersystemen aangelegd rondom onze leefgebieden, waardoor éénpersoons-zelfmoordunits zich een weg naar binnen zoeken om door die mazen in het net onze strategische doelen aan te vallen en te vernietigen. Maar natuurlijk is de vergelijking rap gemaakt, en zijn zaken die we ooit onvoorstelbaar vonden in de afgelopen jaren realiteit geworden.

    Ismene Krishnadath: De legende van Çakuntela van het Groene Continent. Paramarib 2004. Editing: Robby Parabirsing (Ralicon). Lay-out ontwerp: Lilian Krishnadath. Lay-out: WinCh. Print en afwerking: Office World. Een ISBN-nummer is er niet. Wie het boek wil bestellen moet zich rechtstreeks tot de auteur wenden. E-mail: i_krishnadath@hotmail.com, website: www.S77.suriname.nu.

    mv

  • Verhalen van Fita

    Antilliaanse verhalen uit de vorige eeuw

    In haar verhalenbundel beschrijft Myra Römer de  post-koloniale Curaçaose samenleving.
    Het boek omvat drieëntwintig verhalen die de lezer kennis laten maken met de jaren vijftig van de vorige eeuw op dit Antilliaanse eiland. Na vele omzwervingen ontstaat een beeld van het gezinsleven, omgangsnormen, het kerkelijk leven, huiselijk geweld, zelfbeeld van etnische groepen en de idealen van de jonge Fita. Het eerste deel van het boek is vanuit de wereld van een kind op een bijna sprookjesachtige manier geschreven.

    De kleine onschuldige Fita groeit op in een beschermd milieu. De invloed van de nonnen en fraters om de afstammeling van de slaven een onderdanige status toe te kennen, blijft in de ideeënwereld van Fita niet uit. De reeds bestaande gesegmenteerde samenleving met aan de ene kant de Sefardische Joden en Protestanten en aan de andere kant de mulatten en de zwarten, blijft lange tijd gehandhaafd. De mulatten voldoen meer aan het normbeeld van de elite en hebben meer kans van slagen in de maatschappij. Maar de eigenwijze Fita heeft meer oog voor deze tweedeling en komt regelmatig over de vloer bij de buren Tan Dzji en oom Fedzjai. 

    Tal van oude gebruiken en gewoontes, zoals retentie uit de slaventijd en het katholicisme, zijn verwerkt in de verhalen. Zo moet je als kind, uit respect, anderen oom en tante noemen. Of mag je als meisje nooit een man lang in de ogen aankijken, maar ook moet je ouderen altijd gehoorzamen. Vrouwen vormen altijd het decor, waartegen de wereld van de mannen zich aftekent. Het is alom een gewoonte om de werkelijkheid te verbloemen door middel van een leugentje. Evenals de dubbele-ontkenning, in geval van een gemengd huwelijk, van de moeder om zich van de rest te onderscheiden. Het elkaar slim af zijn, berust op de verhalen van de spin Compa Nanzi, is typerend voor de slaaf-meester verhouding. Fita aanschouwt dit allemaal en stelt haar ouders hierover pijnlijke vragen.

    De dood van haar veel oudere nicht Angelita brengt een kentering in haar leven. Een gearrangeerde verloving met de zoon van een bankiersfamilie, die op niets uitloopt, is hiervan de reden. Dit is voor Fita ook meteen een confrontatie met het andere gezicht van een zorgeloos bestaan. Maar ook de kunst van de zwarte-magie en de ruzie tussen Jaanshi en boezemvriend Boechi, die een relatie had met zijn Cubaanse vrouw en eindigt in een dubbele moord, veranderen de visie van Fita.

    In het tweede deel van het boek ontdekt Fita de denkwereld van de volwassenen. Overspel, onderdanigheid en huiselijk geweld gaan hand in hand. In een kleinschalige samenleving zijn de verticale relaties om vooruit te komen – zoals wij die tegenwoordig kennen – niet ondenkbaar. De schrijfster is zeer begaan met de overgangsrituelen en wijdt  verschillende hoofdstukken aan de dood als thema. En ook hier gaat het om het Curaçaose cultuurpatroon, dat zich in de jaren vijftig verder heeft ontwikkeld op zoek naar de eigen identiteit.

    Het boek is op indringende wijze geschreven en vanuit het perspectief van een vrouw die ook vrouwen als hoofdpersonages opvoert. Een unicum in de moderne Antilliaanse literatuur. Af en toe ontbreekt het in de verhalen aan sfeertekening, maar die worden volop gecompenseerd door het taalgebruik. De verhaalstructuur is knap in elkaar gezet. Gaandeweg ontdek je als lezer de literaire kwaliteiten van de schrijfster.

    Quito Nicolaas*

    Verhalen van Fita
    Myra Römer
    Uitgeverij Atlas
    253 blz/ ISBN: 9045005794

    Vrijdag 11 februari geeft Myra Römer een interview in het NPS-radioprogramma Kunststof, radio 1 van 19.00-20.00 uur.

    *Quito Nicolaas is auteur en bestuursvoorzitter van stichting Simia Literario, netwerk van Antilliaanse en Arubaanse dichters en schrijvers