• Wat de Surinaamse pot schaft, Diana Dubois

    Pikante ingrediënten en vrijmoedige kokkinnen

    Surinamers zijn moeilijke mensen als het om hun eigen land en cultuur gaat, en helemaal wanneer het de heiligste plaats van het huis betreft: de keuken! Het is dan ook altijd spannend wanneer iemand recepten bundelt en deelt met een groter publiek. Nu is Diana Dubois, schrijfster en uitgeefster, geen type die zich snel af laat schrikken en zo verscheen medio 2007 Wat de Surinaamse Pot Schaft.

    Wat de Surinaamse Pot Schaft is niet zomaar een kookboek; het is een zogenaamd omkeerboek. Van de ene kant gelezen is het een kookboek met de basisrecepturen voor de Surinaamse keuken, en in een handomdraai heb je de andere kant voor je neus en krijg je twee dagen uit het leven van zeven jonge vrouwen voorgeschoteld.

    Het eerste deel bevat ‘de erotische, hilarische, maar soms ook aangrijpende belevenissen van zeven weergaloos optimistische vriendinnen van in de dertig’, zoals op de binnenkant van de omslag te lezen staat. De vrouwen komen bij elkaar omdat de centrale figuur in het verhaal, Nadia, een grote cateringklus heeft en wel een paar extra helpende handen kan gebruiken. Terwijl de dames koken worden er heel wat sjeuïge zaken besproken. Het verhaal leest vlot, maar is voor mijn smaak een beetje te Europees, of misschien ben ik gewoon een oude taart geworden, en zijn mijn veertig-plus-conversaties met vriendinnen een beetje delicater en bedekter … al kunnen we net zulke swit’ tori’s vertellen hoor, vergis je niet! Tussen de ontboezemingen van de vriendinnen door, wordt er natuurlijk druk gekookt. Okersoep, kippastei, gevulde sopropo, pesikroketten om maar wat gerechten te noemen.

    Deel twee heet eenvoudigweg De Recepten en bevat alle bereidingswijzen van de gerechten die in het verhaal ter sprake zijn gekomen. Op de omslag prijkt een foto van Martina Dubois, vermoedelijk de oma van de schrijfster en de bron van de familierecepten. Aan de binnenzijde van deze kaft is geschreven dat deze recepten ‘je helpen een imago op te bouwen van fantasievolle kokkin (of kok!)’. Tevens is er een aanmoediging te lezen dat talloze variaties mogelijk zijn. De recepten zijn, net zoals het verhaal, hier en daar wat verwesterd. Ze zijn echter wel makkelijk te volgen en overzichtelijk weergegeven. De foto’s van de diverse ingrediënten zijn mooi en voor mensen die niet bekend zijn met de Surinaamse keuken zeker een handig hulpmiddel. Suggesties voor variaties: de mihoen die in de ‘Saoto Ajam’ gaat eerst heel krokant bakken in hete olie en gebruik voor ‘Bami met Kip’ geen spaghetti maar Javaanse bami.

    Bij Uitgeverij Dubois verschenen eerder, ook van de hand van Diana Dubois, Prijatnogo appetita! Smakelijke recepten met citaten uit de Russische literatuur en Wittebrood in Rode Wijn. Leven en eten van Desiderius Erasmus.

    Diana Dubois, Wat de Surinaamse Pot Schaft. Rotterdam, Uitgeverij Dubois, 2007

    Michael Hermelijn & Marieke Visser

    Michael Hermelijn is culinair consultant in Suriname. Hij staat in de keuken van restaurant DOK 204, overziet alles wat met voedsel te maken heeft bij multifunctioneel complex Suit. Hij won twee maal brons tijdens The Taste of the Caribbean. Hij schrijft regelmatig korte stukjes over eten, onder meer in de toerisme-bijlage van Surinames grootste dagblad De Ware Tijd.

  • De lippen van Renate en vijfenzeventig andere columns, Ismene Krishnadath

    Hangen aan de lippen van Ismene

    Ismene Krishnadath eindigt de inleiding van haar onlangs uitgegeven De lippen van Renate en vijfenzeventig andere columns met de woorden ‘Er is veel veranderd in die zes jaar en toch … ook niet.’ Zes jaar geleden, in 2001 schreef ze de laatste van haar eerste reeks columns. Zoals ze aangeeft werden de problemen in de wereld steeds groter en het lukte haar niet ‘de kwinkslag’ voor haar columns te behouden. Toen ze haar oude werk begin dit jaar herlas inspireerde het haar tot een nieuwe serie in dit genre.

    Inderdaad is er veel veranderd in het Suriname van vandaag, als je het zo leest. Oppervlakkige dingen zoals de namen van straten: nog nooit zijn er zoveel vertrouwde straatnamen vervangen en nog steeds raken we in de war en heb je ook nog harde-lijners die weigeren de nieuwe namen te gebruiken. Ook was ik vergeten hoe inventief we soms moesten zijn. En hoe alles gestolen werd, tot en met bijna lege blikken met verf en de trap waarmee de schilders hun werk deden, en wat voor een gigantische setback dat was. Zo’n trap, daar moest je weer tien jaar voor werken, of liever gezegd: honderd jaar, want de inflatie was absoluut moordend. Ismene beschrijft hoe een weekje geveld zijn door griep betekende dat ze zich geen leesbril meer kon veroorloven.

    Het was een absurde tijd. En toch ook een tijd waarin je het gevoel had dat er iets te gebeuren stond. De mei-stakingen van 1999, waarin iedereen de straat op ging, van elite-dames waarvan gefluisterd werd dat ze zelfs hun petjes hadden gestreken tot straatvegers die zich afvroegen wat ze volgens de zittende president Wijdenbosch moesten eten: ‘Brood met brug?’.

    Dat spannende gevoel heeft plaatsgemaakt voor een iets gezondere economie, de dolgedraaide koers is gestabiliseerd. Maar het verdwijnen van de over-the-top-absurditeit heeft ook een sluier van treurigheid over alles heengelegd. De toon van de columns die dit jaar zijn geschreven is inderdaad minder kwinkslagerig van aard, minder zinderend van de hooggespannen verwachtingen. Dat maakt ze er niet minder lezenswaardig om want haar taalgebruik is even helder als altijd, de spijker op zijn kop, en gelardeerd met mooie vondsten. Zoals deze op pagina 67: Onze counterpart deed ons uitgeleide. “Ik heb een andere chauffeur voor jullie geregeld,” zei ze. “Deze rijdt heel rustig, want hij is half blind.”

    Ismene Krishnadath, De lippen van Renate en vijfenzeventig andere columns, Publishing Services Suriname, Paramaribo, 2007. Meer informatie: pubses@gmail.com.

    Marieke Visser

  • Op zoek naar de stilte, Alex van Stipriaan

    Zoeken naar de stilte in het slavernijverleden

    De discussies over het slavernijverleden in Nederland worden al enkele jaren niet bepaald in stilte gevoerd. Het slavernijmonument in het Amsterdamse Oosterpark zorgde voor heel wat opschudding, niet alleen bij de selectie van de kunstenaar maar ook tijdens de onthulling. Het NiNsee (Nationaal instituut Nederlands slavernijverleden en erfenis) is opgericht met de bedoeling om dit verleden te bestuderen en het aan een groter publiek te laten zien in verschillende vormen. In hun Amsterdamse ruimte heeft NiNsee nu een permanente kleine expositie en medewerkers hebben al enkele boeken gepubliceerd.

    Het boek Op zoek naar de stilte dat enkele maanden geleden verscheen, stelt de vraag hoe zichtbaar de sporen van het slavernijverleden zijn in Nederland. Deze publicatie laat zien dat een kritische blik en het stellen van de juiste vragen met betrekking tot soms heel uiteenlopende voorwerpen, gebouwen en zelfs schilderijen verrassend veel kan zeggen over de slavernij. Vier wetenschappers – Alex van Stipriaan, Waldo Heilbron, Aspha Bijnaar en Valika Smeulders – die hun sporen hebben verdiend, zijn op pad geweest en presenteren hun gezamenlijke research. Aspha Bijnaar namens NiNsee, Waldo Heilbron namens Het Surinaams Museum in Amsterdam. Valika Smeulders is van de Erasmus Universiteit en is bij Alex van Stipriaan bezig met promotieonderzoek en Van Stipriaan zelf werkte mee namens de Erasmus Universiteit en het Tropenmuseum waar hij nu deeltijds zit. Smeulders en Bijnaar deden het meeste onderzoek, Van Stipriaan en Heilbron het schrijfwerk en een deel van het onderzoek. Het resultaat mag er zijn.

    De publicatie begint met theoretische discussies over de vraag wat cultureel erfgoed inhoudt. Vervolgens gaan de auteurs over tot het presenteren van het resultaat van hun inventarisatie in bibliotheken, archieven en musea. Zij kijken ook naar organisaties die zich bezighouden met deze erfenis. Tenslotte worden de stilten die er zijn in het slavernijverleden, besproken. Het geheel resulteert in een handleiding voor mensen die zich willen verdiepen in dit aspect van de geschiedenis van Nederland, maar ook die van de koloniën in de West en andere delen van de wereld.

    In het tweede hoofdstuk wordt stilgestaan bij het begrip ‘cultureel erfgoed’. De verschillende definities die in de loop der jaren zijn geformuleerd, geven aan dat het niet zo gemakkelijk is om te komen tot één die sluitend is en algemeen geaccepteerd. Bovendien was er eerst bijna uitsluitend aandacht voor het materiële of tastbare. Het was vooral UNESCO die meer aandacht vroeg voor het immateriële erfgoed. Voor onderzoekers, studenten en anderen die zich bezig houden met het slavernijverleden is dit laatste van belang omdat er veel informatie verborgen zit in liedjes, spreekwoorden en verhalen. Het gaat dus om niet direct tastbare vormen van erfgoed. De auteurs wijzen er op dat bij de vaststelling wat cultureel erfgoed is ‘de vrijwel onlosmakelijke koppeling ervan aan de natie en haar negentiende eeuwse ideologie van het Europese nationalisme’ plaatsvindt. Dat betekende vaak dat juist het erfgoed de kracht, beschaving en vooruitgang toonde van de eigen natie waar iedereen met de nodige trots naar kon kijken. In volkenkundige musea, die in de 19e eeuw populair werden in Europa, kon het exotische en primitieve worden tentoongesteld. Zij dienden om ‘de eigen culturele geavanceerdheid te benadrukken’ (p. 15).

    Een ander aspect dat behandeld wordt in het eerste deel van het boek is de variatie in manieren van kijken. Dit is belangrijk want nu gaat het er bij onderzoek naar het slavernijverleden om op een andere manier aan te kijken tegen zaken die als bekend worden verondersteld. Een voorbeeld hiervan zijn de verschillende modellen van 17e- en 18e-eeuwse schepen die niet vertellen dat heel wat van deze vaartuigen werden gebruikt om slaven te vervoeren. Ook afbeeldingen van welgestelden uit dezelfde periode zijn minder neutraal als we weten dat zij een deel van hun kapitaal hebben kunnen verdienen met de opbrengsten van plantages in het Caribisch Gebied. Wie de arbeid daar verrichtten weten we wel. Een vraag die gesteld kan worden is hoe de stilten ontstaan in de geschiedenis en soms ook hoe die gecreëerd worden. De schrijvers wijzen erop dat het soms bewust gebeurt, delen van het historisch verhaal worden gewoon niet verteld, maar het is ook een kwestie van keuze. Je kan nu eenmaal niet alles behandelen. Het is goed om eraan herinnerd te worden dat termen niet neutraal zijn. Het gebruik ervan legt direct een stempel op wat er geschreven of verteld wordt. Kortom, het theoretisch deel van dit boek is noodzakelijk omdat het de lezer duidelijk maakt dat hij constant op zijn hoede moet zijn.

    Het volgende hoofdstuk geeft de inventarisatie van traditionele bewaarinstellingen zoals musea, bibliotheken en archieven. De steden die werden gekozen zijn Amsterdam, dat veel banden had met het Caribisch Gebied en een willekeurig gekozen stad, Leeuwarden, die in eerste instantie niet zo gemakkelijk geassocieerd zou worden met het Nederlandse slavernijverleden. Bovendien kwamen de onderzoekers er niet onderuit om ook de collecties van het Koninklijk Instituut voor Taal-, Land- en Volkenkunde (KITLV), de Koninklijke Bibliotheek in Den Haag en het Nationaal Archief te raadplegen. KITLV heeft waarschijnlijk de belangrijkste collectie Surinamica in de wereld. Er is wel een beperking. Dit boek geeft de stand van zaken in 2002. In het huidige digitale tijdperk is een periode van vijf jaar lang. Er zijn nu betere manieren om collecties te ontsluiten en natuurlijk is men in het denken over slavernij ook niet stil blijven zitten.

    De inventarisatie leverde hier en daar wat verrassingen op. Zo had De Nederlandsche Bank (DNB) in haar archief enkele stukken die over slavernij gaan. Bovendien werd een afbeelding gevonden van de weduwe van de eigenaar van het handelshuis Borski, dat betrokken was bij de slavenhandel. Johanna J. Borski-van de Velde (1764-1846) heeft het handelshuis met succes geleid na de dood van haar man. Dit is maar één voorbeeld hoe gericht zoeken onbekend materiaal boven water brengt ook bij instellingen waar je dat niet verwacht. In het Nederlands Scheepvaartmuseum Amsterdam (NSMA) dat dacht niet genoeg materiaal te bezitten om een expositie op te zetten over slavernij, werd een gastconservator met kennis over het slavernijverleden ingezet. Hij keek met heel andere ogen naar de collectie en het resultaat was een expositie met als titel ‘Slaven en schepen: enkele reis, bestemming onbekend’.

    Dan heb je de amateurs die ook aardig wat kunnen vinden. Zo is er een foto van een ogenschijnlijk blanke Nederlandse familie, Verseput, die bij genealogisch onderzoek afstammelingen bleken te zijn van Elisabeth Samson (p. 48). Het verhaal van Samson is bekend dankzij de studie en de roman die Cynthia Mc Leod over deze zwarte vrouw die een witte man wilde trouwen, heeft geschreven. In Amsterdam zijn er ook de traditionele plaatsen zoals het Gemeente Archief Amsterdam (GAA) dat nu zo’n 35 kilometer materiaal, heeft waaronder duizenden foto’s, prenten en tekeningen.

    In het geval van Leeuwarden stuitten de onderzoekers eerst op ‘verbaasde ontkenningen’. Toch bleek er materiaal te zijn dat herinnerde aan de slavernij. Zo stond een bericht in De Leeuwarder Courant van 25 februari 1770 dat een ‘neger’ is gedoopt die afkomstig was van Berbice (het huidige Guyana), die zich had onderscheiden bij de slavenopstand van 1763. Er werden andere sporen gevonden zoals het opvoeren van een toneelstuk over een koninklijke slaaf en een vergadering in 1858 waar er gesproken werd over de afschaffing van de slavernij. In museale collecties waren er voorwerpen die kunnen worden geplaatst in het kader van dit verleden. Stel de juiste vragen en er kan verrassend veel in Nederland worden gevonden. Dit boek is daar het bewijs van.

    Alex van Stipriaan, Waldo Heilbron, Aspha Bijnaar, Valika Smeulders, Op zoek naar de stilte: Sporen van het slavernijverleden in Nederland. Leiden/Amsterdam, KITLV/NiNsee, 2007. ISBN 978 90 6718 295 9

    Jerome Eggers

    Jerome Egger heeft Engels en Geschiedenis gestudeerd aan het Instituut voor de Opleiding van Leraren (IOL) in Paramaribo, Suriname. Hij is nu als docent verbonden aan de Anton de Kom Universiteit in Paramaribo, Suriname. Met een Fulbright beurs kon hij studeren aan de Tulane University in New Orleans, Louisiana, U.S.A., waar hij zijn Master of Arts graad in Geschiedenis behaalde. Hij publiceert regelmatig in enkele tijdschriften en in het dagblad de Ware Tijd over Surinaamse en Caribische geschiedenis en over Caribische literatuur. Hij is nog bezig met het afronden van zijn PhD aan de Florida International University in Miami, Florida, U.S.A.

    Eerder gepubliceerd in de Ware Tijd-Literair op 3 november 2007.

  • Dat ik zong,Bernardo Ashetu

    Sublieme poëzie van Bernardo Ashetu in de Sandwich-reeks

    Gerrit Komrij was enige tijd de Nederlandse ‘Dichter des Vaderlands’. Hij schrijft ook proza en heeft veel belangrijke poëziebloemlezingen samengesteld.
    Uitgeverij Van Gennep publiceert onder redactie van Komrij de Sandwich-reeks. Tot nu toe zijn er 16 kleine bundels verschenen, bloemlezingen van Nederlandstalige dichters die om een of andere reden bijzonder zijn. Nummer 16 heeft als titel Dat ik zong. Daarvoor heeft Komrij 37 gedichten gekozen uit de poëtische nalatenschap van Bernardo Ashetu.
    De dichter Bernardo Ashetu (1929-1982) bracht zijn jeugd in Suriname door. Hij was zoon van de bekende Surinaamse arts en later Statenvoorzitter Hendrik Carel van Ommeren en Juliëtte Henriëtte Nassy. Een creools-joodse jongen dus. Met zijn vader had Henk van Ommeren een problematische verhouding, die voor hem zeer frustrerend was. Hij werd telegrafist en later zeeman. Hij vertrok al vroeg uit Suriname en reisde over de hele wereld.
    In 1962 verscheen zijn debuutbundel Yanacuna onder het pseudoniem Bernardo Ashetu als dubbelnummer van het tijdschrift Antilliaanse cahiers, uitgegeven door De Bezige Bij in Amsterdam. De bundel bevat 200 gedichten. Daarna verscheen er tijdens zijn leven niets meer. Wel dichtte Bernardo Ashetu nog veel en hij stelde bundels samen, maar ze kwamen nooit bij een uitgever. De nalatenschap van onuitgegeven bundels wordt nu beheerd door Michiel van Kempen.
    Uit die nalatenschap is in 2002 door de Surinaamse uitgeverij Okopipi de kleine bundel Marcel en andere gedichten uitgegeven en nu dus Dat ik zong in Nederland.

    Salonijs
    Ik ben mijnheer Salonijs.
    Mag ik mij aan u voorstellen?
    Kijk, ik ben mijnheer Salon-ijs,
    kinderen vreten aan m’n hart.
    Dat maakt mij zo moe en ik
    raak op. Grote God, ik raak op.

    De poëzie van Bernardo Ashetu verdient het om in zulke kleine, fijne boekjes van hoge kwaliteit uitgegeven te worden. We mogen hopen dat er nog veel volgen, hier en daar. Het is fascinerende poëzie om de grote en toch onnadrukkelijke poëtische kracht ervan, de oorspronkelijkheid en de raadselachtige inhoud. Als lezer van de poëzie betreed je het wonderbaarlijke universum van de dichter met droomachtige tegenstrijdigheden die verdriet, gespletenheid en verlatenheid verbeelden op een totaal eigen manier. Het hierboven geciteerde ‘Salonijs’ (p. 20) en ‘Het tapijt’ (p. 44) staan ook in de Okopipibundel.
    ‘Salonijs’ lijkt in zijn eenvoud op een gedicht voor kinderen, maar hoe vaker je het hardop leest, hoe meer diepte je gaat ontdekken. In ‘Het tapijt’ vertelt de dichter over een oosters tapijt in een huis in Afghanistan dat hem fascineert. Hij zoekt vergeefs naar het geheim, de toverkracht, van dat tapijt, gedreven door een koppige hartstocht. Het gedicht komt uit de persoonlijke 1000 en 1 nacht van Bernardo Ashetu.
    Ook de andere gedichten in Dat ik zong zijn stuk voor stuk juwelen uit de wereld van de dichter die samenhangt met de mythologie van vele volkeren en waarin gevoel een grote plaats heeft. Gevoel dat meedeint op muzikale regels in een unieke context. Persoonlijk houd ik veel van ‘Tjiwa’, een stukje mythe over een strijder die samen met een schildpad streed aan ‘een verschrikkelijk front’. En zoals het altijd gaat na een strijd: de een houdt er rijkdom aan over, de ander armoede. Dit laatste betreft de schildpad, die gedoemd is te kruipen over het strand. Maar hij blijft zoeken naar ‘iets volmaakt onbekends’. Bernardo Ashetu presenteert deze kleine fabel alsof hij foto’s laat zien van de strijders, een prachtige vondst waardoor alle tijden weer versmelten.
    We zijn blij dat er in Nederland nu ook een bundeltje met gedichten van deze toverachtige dichter met een Surinaamse achtergrond is verschenen. En natuurlijk zijn we ook een beetje trots dat wij hier de eersten waren die gedichten uit de nalatenschap van Bernardo Ashetu uitgaven!

    Bernardo Ashetu, Dat ik zong. Onder redactie van Gerrit Komrij. De Sandwich-reeks nr. 16. Amsterdam, Van Gennep, z.j. ISBN 978 90 55158652
    Bernardo Ashetu, Marcel en andere gedichten. Paramaribo, Uitgeverij Okopipi, 2002. ISBN 99914-64-07-7

    Eerder verschenen in de Ware Tijd-Literair, op 20 oktober 2007.

    em

    Els Moor is hoofdredacteur van dWT-L, de literaire pagina van Surinames grootste dagblad de Ware Tijd. Zij is meer dan twintig jaar aan de kweekschool verbonden geweest. Voor het literatuuronderwijs werkte ze mee aan de methode Fa yu e tron leisibakru (Hoe je een leesgek wordt).

  • De groeten aan de koningin, Karin Anema

    Gefluister in de wandelgangen

    De afgelopen maanden zijn er aardig wat nieuwe boektitels verschenen die op uiteenlopende wijze een beeld schetsen van de Surinaamse samenleving, de cultuur, de hoofdstad Paramaribo. Enerzijds nuttige informatie voor mensen die voor kortere (toeristen) of langere tijd (expats) in Suriname verblijven, of voor lezers die gewoon wat meer te weten willen komen over deze voormalige kolonie van Nederland. Een ander aspect van deze publicaties is dat het aan het Surinaamse lezerspubliek de gelegenheid biedt om eens door heel andere ogen naar de eigen vertrouwde omgeving te kijken. Gewoontes, tradities, verhalen die al duizend maal verteld zijn: kortom, alles wat je kunt scharen onder de noemer ‘zo is het nou eenmaal’ komt in een ander daglicht te staan. Dat kan heel verfrissend zijn, vaak ook verrijkend. En soms ook zeer pijnlijk, of op zijn minst verwarrend.

    Een boek dat al maanden op mijn nachtkastje ligt is De groeten aan de koningin van Karin Anema. ‘Zoemzoem’ hoor ik in de wandelgangen, ‘blablabla’ tettert de mofokoranti. De ene voorbijganger spreekt er schande van, de volgende steekt de loftrompet. Ik probeer me er voor af te sluiten, wil mijn eigen mening vormen over Anema’s boek dat als ondertitel Reis door Suriname meekrijgt.

    Eerder las ik van Karin Anema Mexicaanse sneeuw. Een indrukwekkend verslag waarin zij verhaalt van haar verblijf bij de Tarahumara’s, een primitieve indianenstam die in Mexico op 3000 meter hoogte leeft in een onherbergzaam gebied. Deze zeer gesloten en teruggetrokken mensen worden in Mexcio ‘rarámuri’ genoemd – het volk van hardlopers – omdat zij dagen achtereen op blote voeten kunnen rennen zonder last te hebben van de kou. Toen ik Mexicaanse sneeuw dichtsloeg, had ik het gevoel een uitzonderlijk kijkje achter de schermen van een gesloten gemeenschap te hebben gekregen. Veel gewoonten en gebruiken van de Tarahumara’s blijven ondanks Anema’s boek onbegrijpelijk (en in mijn ogen vaak ronduit wreed), maar het mooie is dat ze ook geen moeite doet om het allemaal te verklaren, waardoor een betuttelende toon geheel ontbreekt.

    En nu heeft deze schrijfster dus een dik boek over ‘mijn’ Suriname geschreven. Het is wonderlijk hoe zeer haar weg soms leidt langs voor mij vertrouwde plaatsen. Ik nam het boek mee naar Tonka-eiland, een bergtop in het stuwmeer, waar ik een reisverslag maakte, en toen ik de bladzijde omsloeg viel de naam Frits. Ik dacht: Dat zal toch niet … En jawel, de Frits waarover Karin Anema schrijft is Frits van Troon, de beroemde boomkenner, de drijvende motor achter Tonka-eiland waar het behoud van de natuur samengaat met toeristische aantrekkingskracht en educatieve waarde. Vrijwel woordelijk herhaalt zich een conversatie in het boek over de impact die de aanleg van het stuwmeer heeft gehad op het leven van de marrons. Een conversatie die ik nog geen etmaal tevoren gevoerd heb. Personages die ook mijn levenspad kruisten bevolken de pagina’s van De groeten aan de koningin. Samoe, Ricardo Pané, Ramona …

    Ik probeer, tegen beter weten in, een soort afstandelijkheid in acht te nemen. Wat vind ik nou eigenlijk van De groeten aan de koningin? Het is vlot geschreven, beeldend maar niet wollig, de sfeer wordt goed weergegeven. Het is een verzameling schetsen, indrukken, reisverhalen, die prettig leest. Ik mis echter een duidelijke bindende factor. iets dat de som der delen de meerwaarde geeft die je van een totaalbeeld mag verwachten.

    De schrijfster raakt gevoeligheden, ook bij mij. Het gaat hier niet om blootvoetse Tarahumara’s die zich een delirium drinken op een besneeuwde bergtop ergens ver weg. Het gaat om mensen en situaties die ik ken en die me dierbaar zijn, al is dat niet altijd even wederkerig en verkeert mijn relatie met Sranan soms in woelig water. Ik wil nuances in Anema’s verhaal aanbrengen, mijn vingers jeuken om overal kanttekeningen te plaatsen. Anema beschrijft een gang van zaken die voorstelbaar is, maar voor een lezer die niet veel weet van Suriname zal het niet duidelijk zijn hoe zeer zij zelf onderdeel, soms bijna oorzaak, van het verhaal is. Dan doel ik bijvoorbeeld op de tirade die zij over zich heen krijgt van de kapitein van het inheemse dorp Christiaankondre. Bij mij tuimelen de gedachtes bij lezing van deze passages over elkaar heen. De boosheid en achterdocht van de kapitein kan ik begrijpen, het gevoel van ‘ik wil hier nú weg!’ van de auteur ook. Er is verschrikkelijk gesold met de inheemsen, met de marrons, met de Surinamers. Soms met de beste bedoelingen, vaak omdat de andere partij daar voordeel bij had: een natuurreservaat, een stuwmeer, een interessante studie, een grote schare bekeerde zieltjes. Begrijpelijk dat dit tot gevoeligheden leidt, maar voor nieuwkomers soms ook niet eerlijk dat zij nooit de kans zullen krijgen om met een schone lei te beginnen. Het zijn kwesties waar ik dagelijk mee worstel, vraagstukken waar de Surinaamse maatschappij mee aan de slag moet gaan als we willen dat oude wonden werkelijk geheeld worden. Omdat mijns inziens die stevige rode draad in Anema’s boek ontbreekt blijf ik na lezing van dergelijke episodes ietwat verward achter. Het is natuurlijk de vraag of het eerlijk van mij is dat ik van haar verwacht dat zij klaarheid brengt. Ten slotte geeft zij met haar titelkeuze aan welke plek zij in het boek inneemt: ze hoort bij ‘de koningin’, ze is en blijft daarmee een buitenstaander die de groeten moet overbrengen wanneer ze weer naar huis terugkeert.

    Het mooiste hoofdstuk vond ik het laatste: ‘Bosmensen’. Hierin beschrijft ze het leven in Palumeu, één van de meest populaire toeristische bestemmingen voor wie ‘het ongerepte binnenland en haar oorspronkelijke bewoners’ wil leren kennen. Enerzijds brengt het toerisme economisch voordeel en in het geval van Palumeu is er ook nog een school die is opgezet is en gefinancierd wordt door een mevrouw uit Limburg. Om aan de verwachtingen van de toeristen te voldoen, doen zich echter steeds meer situaties voor waarbij reeds lang verdwenen culturele gebruiken voor de komst van de toeristen even snel uit de kast gehaald worden. Wat er werkelijk in de hoofden en harten van de Palumeuse bevolking omgaat krijgt de bezoeker niet te zien. Anema doet verslag van een lesuur van de vierde klas van de lagere school. ‘In de open wand verschijnen roze hoofden met zonnehoeden en zonnebrillen. Achttien toeristen kijken de klas in, fotograferen en zetten de kinderen op video. Een vrouw wil naar binnen lopen, ze denkt dat de klas een toeristische attractie is. De gids spoort de groep aan door te lopen.’ De grens tussen oprechte belangstelling en bevrediging van een soort sensatiezucht is soms moeilijk te trekken. Een paar pagina’s verder schrijft Anema: ‘Als je afgaat op de belangstelling van toeristen, komt vrijwel iedereen voor de natuur en een klein beetje voor de indianen. Misschien moeten die twee werelden maar niet kruisen en kun je de tours net zo goed buiten het dorp houden.’

    Een aantal namen van personages heeft Karin Anema veranderd, een flink aantal niet. En uiteraard kunnen we van de pseudoniemen en naamlozen in Suriname vrij snel raden wie er bedoeld wordt. Persoonlijk heb ik er moeite mee om sommige doopcelen zo open en bloot te lichten. Deze openheid van zaken heeft er stevig aan bijgedragen dat er thans in Suriname zo’n deining rond De groeten aan de koningin ontstaan is. Ook weer niet helemaal terecht, maar aan de andere kant … Ai baya, zo dein ik dan verder, beide zijden kan ik begrijpen. But where does that leave me? Tussen wal en schip? Of ergens geworteld waar ik niet was geplant?

    Marieke Visser

    Karin Anema, De groeten aan de koningin. Amsterdam & Antwerpen, Atlas, 2007. ISBN 9789045012063

  • Switi nanga Bita, Tolin Alexander

    Vluchtigheid is goed, maar langzaam is ook goed

    Begin dit jaar bekeek hij shows op Broadway, onlangs bezocht hij het Internationaal Theater Festival in Nederland en volgend jaar zal hij in Zuid-Afrika diverse theatervoorstellingen te zien krijgen. Tolin Alexander is een van de drie Surinaamse podiumkunstenaars die in de gelegenheid zijn gesteld om hun kwaliteiten als makers uit te bouwen en aan te scherpen, in het kader van het project Theatre on the Move. Bij Tolin is het een heel pakket aan talenten die allemaal met elkaar verbonden zijn: schrijven, dichten, performen, regisseren. ‘Bij het maken van een theaterprogramma hóórt schrijven. En als ik schrijf, dan zie ik het voor me als een voorstelling.’ Zijn poëzie krijgt zeker een extra dimensie wanneer hij het voordraagt. Toch is zijn werk ook in geschreven vorm zeer de moeite waard en heb ik hoge verwachtingen van hoe dat zich zal ontwikkelen. Zijn toon en vorm zijn verfrissend, hij wijkt af van het geijkte pad. Als hij dat blijft doen, en werkelijk zijn eigen weg zal gaan, dan zullen we nog vaak van Tolin Alexander horen.

    Bij het Vierde Internationaal Literatuur Festival dat in Suriname gehouden werd, ‘Werelden in Ontmoeting’, veegde hij, al declamerend, met nog twee jonge dichters aan het eind van de galavoorstelling de vloer schoon met een grote bezem. Een idee van de organisatie, die daarmee aan wilde geven dat het de hoogste tijd was om ruim baan te maken voor de nieuwe generatie. Meer dan een jaar later legt hij mij uit dat hij daar aanvankelijk moeite mee had. ‘Ik ben zeer nostalgisch ingesteld, ik vroeg me af of ik het oude wel de deur uit wilde vegen. Die avond heb ik uiteindelijk gekozen om het gedicht “Wan winta sa wai a Sanang” te brengen, “Een wind gaat waaien in Suriname”. Ik dacht er over na wat die wind zou moeten brengen. Niet alle wind brengt namelijk iets goeds, maar ik hoop natuurlijk op iets positiefs.’ Die bedachtzaamheid is typerend voor Alexander. In zijn gedichten is ook eenzelfde wijsheid terug te vinden die meer past bij een oude grijsaard dan bij Tolins jeugdige verschijning.

    Tolin Alexander is op 10 mei 1971 geboren in Tamarin, een dorp aan de Cotticarivier. Hij is opgegroeid in de hoofdstad Paramaribo, maar verbleef ook altijd heel veel in het binnenland. ‘In april, tijdens de paasvakantie, was de tijd dat de kostgronden werden opengekapt en de rijst werd ingezaaid. In de grote vakantie brak dan de oogsttijd aan.’ Van hun ouders hebben Tolin en zijn negen broers en zusters een puur-Aucaanse opvoeding gehad, met alle bijbehorende traditionele marronnormen en -waarden. Als ik hem vraag hoe belangrijk zijn Aucaanse afkomst voor zijn kunstenaarschap is, struikelt Tolin bijna over zijn woorden. Het betekent álles voor hem. ‘Dat is heel belangrijk, dat is mijn identiteit, daar kan ik op terugvallen, daar ligt mijn hart! Voor mij is het “a way of life”.’ Het brengen van levenswijsheid via verhalen en liederen heeft Tolin met de paplepel ingegoten gekregen. Hij vertelt over een oude gewoonte om in de zeer vroege ochtend bij een ouder familielid aan te kloppen, en dat moment van de dag, waarop alles nog glashelder en fris is, te gebruiken om een probleem voor te leggen, goede raad te vragen of om een ingeving of een vreugdevolle gebeurtenis te delen. ‘De tijd werd ingedeeld naar het gekraai van de hanen. Mijn vader vertelde dat ze vroeger in het dorp heel “zuivere” hanen hadden. Je sprak dan af om bijvoorbeeld bij je grootoom langs te gaan wanneer de haan voor de vierde maal gekraaid had.’ Deze opvoeding, maar ook het liefdevolle huwelijk en de sterke band die hij tussen zijn ouders ervaren heeft, zijn een enorme bron van inspiratie voor Tolin Alexander.

    Veel mensen kennen Tolin ook als Erwin. Hij besloot echter om zijn Aucaanse naam ook te gaan gebruiken in zijn artistieke ontplooiing omdat ‘Tolin’ een naam met een bijzondere betekenis is. ‘Het betekent “toren”. De wens van mijn vader voor mij was dat ik fysiek lang zou worden. Dat is niet gelukt. Maar ik probeer wel in mijn werk uit te blinken, door te zetten. En in die zin is de naam dan toch betekenisvol.’ Dichten, vertellen, liederen verzamelen, aforismen noteren: Tolin is al heel lang actief op het creatieve vlak. ‘Tijdens mijn studententijd kwam ik bijna elk kerstdiner of andere gelegenheid, tot vervelens toe, met het gedicht “Je noemt jezelf een marron-intellectueel”. Ik vond dat heel veel marrons vervreemd waren, gedetribaliseerd zeg maar. Ik verzamelde verhalen, liederen en dergelijke. Dat was de aanloop om in 2003 met het eerse forum Tolin Toli Masanga te komen, het eerste forum van Tolins verhaalhut.’ Dit forum was een individueel project, maar al eerder was Alexander actief betrokken bij collectieve initiatieven zoals Stichting Ameva, de culturele groep Fiamba en de studentenvereniging Boston Bendt.

    In juli 2006 is Alexanders theaterstuk ‘Gaandi Nyun Nyun’ in première gegaan: ‘Het Oude Doen Herleven’. Deze voorstelling gaat over het mooie dorp Ganze en haar inwoners. Ganze is een dorp dat thans verzwolgen is door het stuwmeer dat in de jaren ’60 in het district Brokopondo is aangelegd. Nostalgische vertellingen worden afgewisseld met Saramaccaanse folklore. ‘Dit stuk is eigenlijk begonnen als een gedicht dat steeds groter werd.’ Het is zijn streven om binnen niet al te lange tijd zijn poëzie te bundelen. Niet overhaast natuurlijk. Want: ‘Vluchtigheid is goed / maar langzaam is ook goed / maar weet ook dat / de sprong om de houten tak te pakken nog niet alles is / maar de kunst om lang vast te houden is de baas’.

    Tolin Alexanders werk is nog niet in druk verschenen. Daarom hieronder een kleine selectie.

    Kaka bali
    Kaka bali kokoliokolio ooh
    dunkuu san toon giin
    San mi lasi na san dongo
    mi sa fende tide tide ete na san komoto

    De haan kraait
    De haan kraait kokoliokolio ooh
    het donker zal licht worden
    Wat ik verloren heb bij zonsondergang
    zal ik vandaag nog vinden bij zonsopkomst

    Libi teego
    Den dii mati:
    Dede
    Libi
    anga Weki Fu Dede
    Masaa Gadu
    saka kon na Goontapu
    a aksi libi sama
    san fosi yu
    wani
    dede, libi ofu weki baka fu dede
    Libi sama taki mi wani libi fosi
    dan wi wani dede ma te wi dede
    wi wani weki baka
    Masa Gadu luku libi sama na a booko lafu
    San libi sama no sabi na taki teego libi wani taki
    dede, libi anga opo baka na dede
    A nai toobi pe yu e begin
    ala den na wan

    Eeuwig leven
    De drie vrienden:
    De Dood
    Het Leven
    en De Opstanding
    De Here God
    daalt neer op de wereld
    en vraagt aan de mens
    wat wil je eerst hebben
    de dood, het leven of de opstanding
    De mens zegt ik wil eerst leven
    daarna wil dood gaan en daarna
    wil ik opstanding
    God maakt een glimlach
    Wat de mens niet weet is dat eeuwig leven wil zeggen
    leven, dood en opstanding
    en dat het niet uitmaakt waar je begint
    ze zijn allemaal een

    Switi Nanga Bita
    Ala sama e paandi switi
    Switi………
    Mi kondee ben de switi switi
    mi kon
    mi paandi bita
    mi kondee pakisee

    efu wi de switi switi
    sama sa wani bita

    Ma di wan gaan tesi kon
    pe switi toon siki
    ala sama daai luku mi
    bifo de opu den mufu
    fu aksi mi bita
    mi taki un teke ya
    defu mi wawan bita kubi
    ala den siki di switi ben meke
    Switi switi na tongo
    ma bita habi en fuka di ai puu
    dati meke begin na biten
    na dati na seeka fu kondee

    Zoet en Bitter
    iedereen plantte zoet
    Zoet……….
    Mijn land was zoet en nog eens zoet
    ik kwam
    ik plantte bitter
    mijn land(genoten) dacht(en)

    als wij zoet en nog eens zoet zijn
    wie zou bitter willen hebben

    Maar toen de grote beproeving kwam
    waar zoet ziek werd
    keerde iedereen zich om
    en keek naar mij
    voordat zij hun monden open maakten
    om mij bitter te vragen
    zei ik: neem hier
    mijn bitter genas al die ziektes
    die zoet heeft gemaakt
    Zoet is zoet op de tong
    maar bitter heeft ook zijn nut
    daarom wie vroeg begint
    zal zijn land vooruitbrengen

    Masaa Namo Namo anga Masaa Pasensi
    Masaa Namo Namo
    kii Masaa Pasensi
    Gaan Gadu
    A pakisee a wini Goontapu
    Masaa Namo Namo, Hesi Masaa
    wani ala sani mu pasa esi-esi
    A kii Masaa Pasensi esi-esi
    sondoo fu a pakisee san o miti eng
    Masaa Namo Namo feegete taki
    Goontapu e dai anga en ten
    anga dati yu mu habi langa boo
    So seefi a no ben habi ten fu pakisee taki
    Masaa Pasensi nanga Langa Boo na wan
    Masaa Namo Namo ben fee kisi odu ana naki Pasensi towe
    Masaa Namo Namo no pakisee
    fu aksi Masa Pasensi sama na Langa Boo
    Ma no sabi taki fu yu holi udu ana
    yu habi langa boo
    esi esi bun
    ma saafi saafi bun tu
    ma sabi tu taki
    fee kisi udu ana no ala ete
    ma na langa boo fu holi eng dati na basi

    Meester Haastige Spoed en Meester Geduld
    Meester Haastige Spoed vermoordde Meester Geduld
    O God almachtig
    Hij dacht dat hij de wereld had overwonnen
    Meester Haastige Spoed, Vluchtmeester
    wil dat alles vluchtig moet gebeuren
    Hij vermoordde Meester Geduld vluchtig
    zonder te hebben nagedacht wat hem zal overkomen
    Meester Haastige Spoed vergat dat de wereld op zijn eigen tempo draait
    en dat je van lange adem moet zijn
    zo ook had hij geen tijd om te denken dat
    Meester Geduld en Lange Adem een zijn
    Meester Haastige Spoed sprong en greep de houten tak en sloeg Masaa Pasensi omver
    Meester Haastige Spoed heeft er niet aan gedacht
    om Meester Geduld te vragen wie Lange Adem is
    Hij wist niet dat om de tak vast te houden
    je lange adem moet hebben
    vluchtigheid is goed
    maar langzaam is ook goed
    maar weet ook dat
    de sprong om de houten tak te pakken nog niet alles is
    maar de kunst om lang vast te houden is de baas

    Marieke Visser

  • Grenzen over zee: XIXe eeuwse grenskwesties tussen Frankrijk en Nederland, Louis Sicking

    In het kader van de actualiteit in deze editie van Literair Nederland een Franstalige titel, van een Nederlandse auteur. Een boek dat wellicht ook een Nederlandse vertaling verdient.

    In de XIXe eeuw waren Frankrijk en Nederland twee aanzienlijke koloniale machten. De reus en de dwerg: het grote, in Europa toonaangevende, Frankrijk en het kikkerlandje aan de Noordzee dat door middel van koloniën in de Oost en de West mee wilde tellen in de grote wereld. De historicus Louis Sicking, verbonden aan de Universiteit van Leiden heeft er archiefonderzoek naar gedaan. Hij heeft zich beperkt tot drie kwesties: de verhouding tussen het Franse en Nederlandse deel van het Caraïbische eiland St Martin/St Maarten, de relatie tussen beide landen in het deel van de westkust van Afrika dat ‘goudkust’ genoemd werd en, voor ons het meest interessante gedeelte, het grensconflict over het gebied tussen Lawa en Tapanahony in het zuiden van de toenmalige Nederlandse kolonie Suriname, grenzend aan Frans-Guyana. Dit onderwerp is plotseling weer actueel geworden nu er problemen gerezen zijn tussen Frankrijk en Suriname in het gebied van de rivier de Litani.

    De van huis uit Nederlandse auteur, Louis Sicking, heeft in Frankrijk en Nederland gestudeerd. Hij heeft het boek in het Frans geschreven onder de titel Frontière d’Outre-Mer. La France et les Pays-Bas dans le monde atlantique au XIXe siè. Het is in Frankrijk uitgegeven bij uitgeverij Les Indes savantes in 2006.

    Saint-Martin/Sint-Maarten
    Over de ontwikkelingen in verband met de slavernij op het gedeelde kleine eiland Saint-Martin/Sint-Maarten gaat het eerste deel. Het eiland werd in 1493 ontdekt door Christopher Columbus tijdens zijn tweede reis. In 1627 namen de Fransen het over van de Spanjaarden en in 1631 kwamen de Hollanders erbij. Zij bezetten het zuidelijke deel en de Fransen hielden het noordelijke. Op suikerrietplantages hadden de Europese eigenaars hun slaven. Bovendien waren er zoutmijnen in het Hollandse gedeelte. Na De verklaring van de rechten van de mens en de burger op 26 augustus 1789 (Franse Revolutie) kwamen de slaven van Saint-Dominique (nu Haïti) in opstand tegen de mening dat deze rechten niet golden voor slaven. Natuurlijk beïnvloedde dit via mofo koranti ook de slaven op de andere eilanden. Pas in 1794 werd de slavernij in alle Franse koloniën afgeschaft, een beslissing die uit Parijs kwam. Dat had ook zijn weerslag op de slaven van Sint-Maarten, maar ‘overlopen’ (vluchten) naar het Franse deel was niet zo makkelijk, omdat daar steeds minder werk was. De suikerplantages gingen achteruit en vele werden opgeheven vanwege de concurrentie van de Europese bietsuiker.

    Onder Napoleon Bonaparte werd de Franse slavernij weer ingesteld. Dat ging niet van een leien dakje op de Frans-Caraïbische eilanden, waar de slaven het inmiddels onafhankelijke Haïti als een lichtend voorbeeld zagen. Op Guadeloupe bijvoorbeeld kwamen de weer tot slaaf gemaakten fel in opstand en velen vluchtten het bos in.Toch zou de definitieve afschaffing op zich laten wachten. Pas na de revolutie in Parijs van 1848 kwam het ervan. De slaveneigenaren kregen hun schadeloosstelling, maar hun problemen waren nog niet voorbij vanwege de achteruitgang van de suikerteelt. Ze wilden eigenlijk annexatie van het Nederlandse deel vanwege de mogelijkheid van zoutwinning als alternatief. Dat is er om voornamelijk financiële redenen nooit van gekomen. De Nederlandse slaven zouden vrijgekocht moeten worden; bovendien rezen er twijfels over de veelbelovendheid van de zoutmijnen. Nederland had op zich niet zoveel bezwaren tegen een voordelige annexatie. Ze wilden echter de andere Bovenwindse eilandjes ook overdragen. Sint-Maarten is nog steeds een verdeeld eiland, nu zonder zoutwinning en suikerplantages, maar met het toerisme als bron van inkomsten.

    De Afrikaanse Goudkust
    Op de West-Afrikaanse Goudkust (het tegenwoordige Guinee Bissau) hadden Europeanen, voornamelijk Fransen, Britten en Hollanders, een groot aantal forten en handelsvestigingen in handen. Afrikaanse intermediairs leverden goud, ivoor en slaven. De menselijke handelswaar werd naar het Caraïbisch gebied verscheept. In het tweede deel van het boek focust Sicking op dit gebied. Hij laat zien hoe de verhoudingen steeds veranderen vooral door wisselende relaties en uitwisseling van bezittingen tussen de Europeanen onderling, de Europeanen en Afrikaanse volkeren en de Afrikanen onderling.

    Na het verbod op de slavenhandel in 1814 moest men overgaan tot andere activiteiten. Dat waren pogingen tot het aanleggen van koffie- en katoenplantages en goudwinning. De Nederlanders gingen soldaten onder de Afrikanen werven om dienst te doen in Oost-Indië. Vaak boterde het niet tussen de Fransen, de Britten en de Nederlanders. De Britten ergerden zich bijvoorbeeld gruwelijk aan de manier waarop de Nederlanders douanerechten en -plichten overtraden en gewoon hun gang gingen. Uiteindelijk, vooral door weinig economisch rendement, vertrokken de Fransen in 1870. De Nederlanders volgden in 1872. Nederland had al zijn koloniale aandacht en middelen nodig voor de onderhandelingen vanaf 1869 over verdragen in verband met het te openen Suez Kanaal, dat een veel snellere toegang tot Oost-Indië in het vooruitzicht stelde. Nederland stond zijn Afrikaanse bezittingen af aan de Britten en kreeg ongedeelde macht over het Indische eiland Sumatra ervoor terug. De houding van Nederland als ‘kleintje’ tussen de grote naties, was meestal gericht op voordeel zonder te veel dyugu dyugu, zo blijkt uit de beschrijvingen van Sicking. Dat is voor mij de eye-opener van het boek.

    Frans-Guyana en Suriname
    Bij confrontaties tussen koloniale machten gaat het altijd om economische belangen. Zo ook bij de grenskwestie tussen Frankrijk en Nederland inzake het gebied tussen Lawa en Tapanahony, tussen Frans-Guyana en Suriname. In het laatste kwart van de 19e eeuw was de goudwinning een centraal punt. Begin jaren tachtig kwamen goudzoekers in grote getale naar het gebied tussen Lawa en Tapanahony, voornamelijk Fransen die de hulp van de marrons, vooral waar het vervoer over de rivier betreft, hard nodig hadden. De marrons vormden het sterke punt van Suriname. In Frans-Guyana waren er nauwelijks. Doordat de Boni zich verraden voelden door de Ndyuka, die hadden samengespannen met de Nederlandse vijand tijdens hun legendarische strijd voor vrijheid, voelden ze zich meer aangetrokken tot het Franse gebied. Ze verleenden met hun korjalen diensten voor de Fransen op de Marowijnerivier. De Nederlanders probeerden de Ndyuka zover te krijgen dat ze gingen concurreren met de Boni. Al in 1860 had de Nederlandse gouverneur Van Lansberge een gesprek met granman Byman van de Ndyuka om hem over te halen tot bereidwilligheid tot samenwerking met de Fransen en de Boni. Ze zouden dan als vrije mensen de rivier kunnen bevaren. Granman Byman reageerde met de onsterfelijke woorden: ‘Dan moeten de Nederlanders ook hun slaven vrijlaten.’

    In de tachtiger jaren van de 19e eeuw kwamen er steeds meer goudzoekers naar het gebied. Het ging toen spannen tussen Fransen en Nederlanders en om tot een beslissing van de grenskwestie te komen werd de ‘Tsaar aller Russen’ gevraagd om in het geschil te bemiddelen. Het duurde tot 1891 tot hij eindelijk advies gaf. De Lawa zou de grensrivier worden op voorwaarde dat de Fransen hun goudconcessies konden behouden. Binnen de mondiale koloniale verhoudingen waren zulke conflicten in die tijd geen uitzonderingen. Ze hoorden bij het 19e eeuwse imperialisme.

    Louis Sicking heeft zijn onderzoeksresultaten nauwgezet, met veel details en uitgebreide vermelding van schriftelijke bronnen uitgewerkt. Voor historici is er ‘une mer à boire’, een zee om uit te drinken. Het toeval wil dat dit artikel verschijnt op 14 juli 2007, ‘quatorze juillet’, herdenking van de Franse Revolutie. De verhoudingen liggen nu anders: ‘Guyane’ is nog steeds Frans en Suriname is een onafhankelijke staat, een zelfstandige partner in de oplossing van de huidige Litani-kwestie, die gaat om bescherming van de natuur versus jacht. Noot: Twee prachtige romans zijn er over twee van de door Sicking behandelde periodes: van André Schwarz-Bart Mulattin Solitude (Ned. vert. 2002) over een wonderlijk mulattin op Guadeloupe tijdens de periode van slavernij af en aan, en van Arthur Japin De zwarte met het witte hart (1997) over twee Afrikaanse prinsjes die aan de Nederlandse koning geschonken werden in de tijd van illegale slavenhandel rond 1836 en hoe hun leven verder verloopt.

    Louis Sicking, Frontières d’Outre-Mer. La France et les Pays-Bas dans le monde atlantique au XIXe siècle. Paris, Les Indes savantes, 2006. ISBN 2846541485

    Els Moors

    Eerder verschenen in de Ware Tijd-Literair, op 14 juli 2007. Els Moor is hoofdredacteur van dWT-L, de literaire pagina van Surinames grootste dagblad de Ware Tijd. Zij is meer dan twintig jaar aan de kweekschool verbonden geweest. Voor het literatuuronderwijs werkte ze mee aan de methode Fa yu e tron leisibakru(Hoe je een leesgek wordt).

  • Stem uit Duizenden, Annel de Nore

    Susan Tersluys wacht thuis in Suriname op een telefoontje van haar dochters die in Nederland wonen. Het is de derde sterfdag van Henk, haar geliefde echtgenoot. Wanneer de telefoon echter eindelijk rinkelt blijkt het een onbekende te zijn, die niet op de hoogte is van Henks overlijden, maar die Henk wel goed gekend moet hebben: Peter Warner. Dit telefoongesprek dat op zo’n pijnlijk moment komt, is het eerste contact tussen Susan en Peter. De roman ontsluiert beetje bij beetje hoe intiem Peter en Henk elkaar kenden, en ook hoe groot de impact voor Susan is van haar uitgestelde kennismaking met Peter.

    Kort nadat zij met haar toen nog ongepubliceerde roman De bruine zeemeermin de literatuurprijs in Caracas had gewonnen, uitgeschreven door de Nederlandse ambassade in Venezuela voor ingezetenen van het Caribisch gebied, vertrok Annel de Noré naar Nederland. In 2000 gaf uitgeverij In de Knipscheer De bruine zeemeermin uit, in 2004 gevolgd door de verhalenbundel Het kind met de grijze ogen. Destijds vond ik het vreemd dat ze op zo’n succesvol moment in haar leven wegging uit Suriname. Maar wanneer ik zie hoe haar schrijverschap zich ontwikkelt, hoe ze in Stem uit duizenden een onderwerp kiest waarop een zwaar taboe rust in de Surinaamse gemeenschap, denk ik dat het niet anders had gekund. Je moet niet het gevoel hebben dat er een heel land over je schouder meeleest terwijl je de letters intoetst op je keyboard.

    Het hoofdthema van Stem uit duizenden is verborgen homoseksualiteit binnen een ogenschijnlijk idyllische gezinssituatie. Als Henk, Susan en hun kinderen An en Mireille met zijn viertjes niet een hoeksteen van de samenleving vormen, dan is er iets goed mis. En al lezend kom je er heel snel achter dat het familieportret van de familie Tersluys-Maverinck alleen aan de oppervlakte zo fraai is, maar dat er een wereld aan leed, hypocrytie, machtsmisbruik en nog meer treurigheid schuilgaat onder het eerste flinterdunne laagje.

    Hoewel dat natuurlijk niet de belangrijkste verdienste van een literair product is, is het toch heel bewonderenswaardig dat Annel de Noré zo’n zwaar onderwerp heeft aangesneden. Het draagt bij aan het bespreekbaar maken van bepaalde maatschappelijke problemen, zoals dat overigens ook met haar eerste roman gebeurde. In De bruine zeemeermin komen ontrouw en mishandeling binnen een relatie aan bod.

    Het verhaal heeft vaart, voor mij was het boek echt een pageturner. De dialogen zijn goed geschreven. Waar ik wat moeite mee heb is dat het verhaal soms heel erg langzaam verteld wordt, de kleinste details worden uit de doeken gedaan, maar even later vliegen schrijver en lezer in de tiende versnelling over heel ingrijpende gebeurtenissen heen. Dat maakt die passages minder geloofwaardig, minder indrukwekkend. ‘Grote stappen, snel thuis’ is niet geschikt als stijl voor het verhaal dat De Noré te vertellen heeft. Een ander punt van kritiek vind ik dat Peter en Henk erg zwartwit geportretteerd zijn. Het ligt er dik bovenop: dit zijn onsympathieke mannen die hun eigen frustraties botvieren op hun omgeving. Je begrijpt niet goed wat Henk in Peter zag en omgekeerd, wat Susan jarenlang haar oogkleppen ten aanzien van Henk liet ophouden, en later wat het is dat zowel Susan als An zo intens in Peter aantrekt. De ongenuanceerdheid maakt het moeilijk te verteren dat An zo’n grote vergevingsgezindheid aan de dag legt waar het Peter betreft. En het doet afbreuk aan de sympathie die de lezer voor Susan voelt, dat zij zo smelt voor zo’n player. Het maakt Henk en Peter minder levensecht, in het echte leven zijn mensen immers ook niet zo zwartwit, je hebt dan ook met mensen te maken van wie je zielsveel houdt maar wiens bestaan je tegelijkertijd soms vervloekt.

    Al met al echter een bijzonder intrigerende en vlot lezende roman. Ik kijk nu al uit naar Annel de Noré’s volgende boek.

    mv

    Stem uit duizenden, Annel de Noré. Haarlem, In de Knipscheer, 2007. ISBN 978 90 6265 586 1 Niets is zomaar: Beauty is skin-deep

    Een goed geschreven verhaal is net als een goede verteller. Het laat je alles ervaren alsof je er werkelijk deel van bent. Het brengt je mee en laat je niet los. Annel de Noré’s Stem uit duizenden is als een prachtige zwart-wit film die hier en daar wat hikt en flikkert, maar daardoor niet minder mooi is.
    Aangrijpend
    Vanaf de eerste regel ben je ‘in’ het verhaal: ‘Susan staart zo geconcentreerd naar de telefoon dat kleine beetjes traanvocht achter haar oogleden opstuwen.’ Het begint allemaal met een telefoontje. Had Susan liever niet opgenomen? Susan, weduwe en moeder van twee volwassen dochters (An en Mireille) komt op den duur te weten dat haar huwlijksleven één en al leugen was. Sterker nog: ze vraagt zich af wat haar lieve Henk nog meer heeft verzwegen. (Jammergenoeg zwijgen de doden en raken de achterblijvers verstomd.) Peter verschijnt op het toneel en verkrijgt door middel van een telefoontje toegang tot zowel het leven van moeder Susan als dochter An. En hoewel Henk overleden is, speelt hij de belangrijkste rol in heel het verhaal. Prachtig, niet waar? Daar moet je wel Annel de Noré voor wezen om deze enkele regels te verwerken tot een compleet verhaal. De hoofdstukken dragen de namen van de hoofdpersonages. Dat wil zeggen dat bijvoorbeeld hoofdstuk 1, ‘Susan’, vanuit haar optiek geschreven is en de lezer deelgenoot wordt van haar gedachten. Susan kan iedere vrouw of iedere moeder zijn. En dat maakt het verhaal zo aangrijpend. Is het terecht dat Peter haar beschuldigt in verband met de seksuele escapades van haar man Henk? En dat ze daarom moet boeten? Zou ze het moeten hebben geweten of op één of andere manier moeten hebben aangevoeld? Annel de Noré raakt een gevoelig punt. Zou je je partner blindelings moeten vertrouwen en moet je als moeder niet een extra radar hebben?

    Henk en Peter
    In het verhaal kom je achter de schandelijke daden van Henk. Over Henks uiterlijk weet je weinig, bitter weinig. Misschien doet dat er ook niet toe. Dat Henk homo, bi of ‘gewoon’ pedofiel was, zou je toch niet aan hem zien. Eén ding is zeker, hij heeft Peter, en wat de lezer later ontdekken zal, ook zijn dochter voor het leven geschaad. (De schrijfster maakt wel duidelijk wat de werkelijke straf dient te zijn voor dit soort mensen. Dit boek is zeker een aanrader voor het Surinaams parlement!). Peter is zo grondig in de war dat hij zowel haat als liefde voelt voor Henk. Zijn hele leven is gebrandmerkt door wat er toen gebeurd is en de heilige houding die Henk zich eigen maakt, laat Peters frustratie alleen groter worden. Ondanks dit blijft Peter zelfs op latere leeftijd afhankelijk van Henk, alsof hij zijn drug is waar hij niet van afkicken kan en tegelijkertijd zijn guru, zijn eeuwige leermeester. Maar iemand moet boeten voor de pijn die hij geleden heeft.

    Uiterlijk
    In het verhaal is Peters uiterlijk in tegenstelling tot dat van Henk wel belangrijk, want daar schuilt zijn macht en zijn woorden maken het compleet.
    Bij An: “Vanaf het eerste ogenblik is zijn gezicht vertrouwd. Niet omdat ze hem kent. Intensief speurt ze haar hersens af. Een relatie tussen hem en een bepaalde plaats, tijd of gebeurtenis vindt ze niet.[…] ’s Avonds na de begrafenis, glipt ze weg van de aardappelsalade, de bediening, de verhalen en de liederen en belt ze hem. ‘Tien minuten, geen seconde langer’, zegt ze. Het wordt een half uur en toch moet ze losweken. Elk woord dat hij zegt, onderschrijft ze. De volgende ochtend […] in het centrum van de stad […] staat ze oog in oog met Peter. Ze glimlachen, lachen, verstrengelen hun handen in elkaar en schateren het uit. Een uur later kuieren ze gearmd door Paramaribo. Twee uur later slaat hij zijn armen om haar middel. ’s Middags kust ze hem.”(p.313)
    Bij Susan: “‘Heb je zin om met me uit eten te gaan?’ ‘De meisjes bellen vast en schrikken zich rot als ik niet opneem.’ ‘Kun je niet zeggen dat je uit gaat?’ ‘Ik kan niet naar het buitenland bellen.’ ‘Zal ik de boodschap doorgeven?’ ‘O,nee! Wat zullen ze daarvan denken?’ ‘Dat je het hebt verdiend.’ ‘Hoe moet ik je aanduiden?’ ‘Een vriend van hun vader die met je meeleeft.’ ‘Jij zult hierover anders denken, maar dit is een rouwperiode.’ ‘Ach Susan, rouw is niet iets doen of laten.’ ‘Daar kun je best gelijk in hebben, maar de praktische zaken zoals Maatjes kamer opruimen, schoonmaken, alles regelen in verband met de begrafenis…’ ‘Ik heb mijn diensten aangeboden. Als je me zo angstvallig verbergt…’
    ‘Waarmee zou je me kunnen helpen? Het meeste moet ik zelf doen.’ ‘Welk artikel van Susans wetboek is dit? Of is het één van de talloze geboden en verboden?’ Susan lacht. ‘Gottegot, heerlijk dat je lacht. Eis je een videoclip, wil je een reclame folder of mag ik mezelf telefonisch aanprijzen?’ ‘Ga je gang.’ ‘Voetmassage, lichaamsmassage, zoutloze moppen tappen, afstoffen, eieren koken en bakken, boodshappen halen. Je schuldgevoel wegpraten. Nee, dat moet je zelf doen.’ ‘En als je me verkracht?’ vraagt ze lachend. ‘Stel dat ik beloof me keurig te gedragen, een garantie heb je niet. Je zult me moeten geloven.
    ”(p.141-142)
    Peter is zich duidelijk bewust van zijn kwaliteiten en de zwakte van zijn prooi. Net als Henk trouwens, de predikant tevens leider in de bijbelclub, tegenover een jonge bijbelclubganger. Ze maken er beiden gretig gebruik van, met ieder zijn eigen soort bevrediging als einddoel. Heeft Henk zich soms voortgeplant in Peter? Merkte Susan niet meteen bij het eerste telefoontje van Peter dat hun stemmen op elkaar leken? En zowel bij Henk als Peter zijn de slachtoffers onbelangrijk. Die doen er gewoon niet toe zolang het doel bereikt wordt.

    Hik-Hik-Flikker
    Het is uitgeverij In de Knipscheer niet gelukt het voorplat interessant genoeg te maken. (Laat het feit dat het teveel doet denken aan het voorplat van Annel de Noré’s vorige boek dat ook daar uitgegeven is. Ja, de blinders bij de ramen en deuren van vroeger zijn interessante symboliek.) Er is waarschijnlijk gedacht het plaatje – met de ogen die je rechtstreeks aankijken – klein te houden om de aandacht erop te vestigen, maar door de verschillende kleurschakeringen en de ‘grootte’ van het plaatje, komt dit niet tot zijn recht. Bovendien schept het ook een gek beeld als je het in relatie brengt met de titel: Stem uit duizenden en dan zie je een paar ogen.
    Op de achterzijde van het boek staat Susan vermeld als ‘de weduwe Susan Jones’, hoewel in het verhaal staat aangegeven: Susan Tersluys of haar meisjesnaam Susan Maverinck, trouwens geen van alle typische Surinaamse namen. Annel de Noré is een Surinaamse schrijfster en het verhaal speelt zich ook voornamelijk af in Suriname. Maar het kon evengoed elders zijn, want enkele woorden, Paramaribo, bami, Onafhankelijkheidsplein, Angalampu en wat uitdrukkingen, situeren het verhaal. Gedetailleerde beschrijvingen van gebouwen, plaatsen of straatnamen zijn er niet. De personages zijn niet per se Surinaams: ze praten geen Surinaams-Nederlands. Zelfs Detta, de dienst van Susan die waarschijnlijk uit Coronie komt, niet: ‘Susan , ik ben er niet gerust op, jij in je eentje in dat grote huis’. En elders: ‘Ze ziet er florissant uit’. De schrijfster zelf gebruikt het wel wanneer ze het over Surinamers in Nederland heeft: ‘Brenda lichtte met een tori toe.’ ‘De anekdotes werden afgewisseld met discussies over voetbal […] of ze krabden elkaar.’
    Ook valt het op dat de meisjes hun ouders bij de voornaam noemen als ze het over hen hebben, wat geen Surinaams gebruik is. Ook al mikt de schrijfster op een Nederlands publiek dan nog is het jammer dat het Surinaams-Nederlands niet klinkt uit de monden van hen die het zeker spreken.

    Alles heeft een gevolg
    Annel de Noré toont met dit verhaal dat alles impact heeft. Wie denkt dat in een mensenleven iets van voorbijgaande aard is en dat het daarbij ophoudt, moet dit boek lezen. Alles heeft een gevolg. En dan maakt het niet uit of we er nog zijn of dat we met de dood de dans denken te ontspringen; onze daden en onze besluiten hebben gevolgen.

    Annel de Noré heeft met dit boek ook bewezen dat ze gegroeid is als schrijfster. Ze voelt de personages beter aan en diept ze meer uit .Ze brengt ze meer tot leven. Deze zwart-wit film hoort in je collectie thuis, omdat het handelt over een onderwerp dat zo oud is als de tijd, maar vaak niet onder ogen gezien wordt. Men kijkt liever de ándere kant op of zegt dat je spoken ziet. En het zijn juist die ‘oude’ films die steengoed zijn en hun glans op niet verliezen.

    Annel de Noré kennen we van haar debuut: De bruine zeemeermin (2000) en later de verhalenbundel: Het Kind met de grijze ogen (2004). Ook kwam ze aan bod in de vrouwenbundel Waarover we niet moeten praten (2007).

    mp

    Mireille Pinas geeft les op een MULO-school te Latour, Paramaribo, Suriname. Ze heeft vorig jaar een studie MO- A Engels afgesloten aan het Instituut voor de Opleiding van Leraren (IOL). In haar vrije tijd is zij dichter, verteller en schrijft zij bijdragen voor de Ware Tijd-Literair en voor Literair Nederland.

    Deze bespreking verscheen eerder in de Ware Tijd-Literair op 14 juli 2007. De meest recente bijdragen aan de Literaire pagina zijn te vinden op www.dwtonline.com, onder het kopje Literair.

    Aparte schrijfstijl
    Dit is de tweede roman van de schrijfster, eerder schreef zij De bruine zeemeermin waarmee zij een prijs won voor schrijvers uit het Caribisch gebied. Stem uit duizenden speelt in Suriname en in Nederland. Het is het verhaal van een weduwe, Susan, die op de derde sterfdag van haar echtgenoot een telefoontje krijgt van een man die zegt een vriend te zijn van Henk, haar overleden echtgenoot. Zij kan zich echter niet herinneren ooit van deze man gehoord te hebben. Toch blijven ze aan de praat. De man, Peter heet hij, weet veel over Henk en zijn huwelijk met Susan. Hoewel Susan het niet helemaal vertrouwt is ze toch geïntrigeerd. Ze blijven bellen en al gauw stort Susan haar hart uit bij Peter. Andersom is dat niet het geval. Peter is niet erg open over zijn verleden en zijn contact met Henk. De hoofdstukken in dit boek wisselen van hoofdpersoon. Om en om lees je vanuit het perspectief van Susan of dat van Peter, en een enkele maal ook vanuit het oogpunt van An of Mireille. Op deze manier kom je als lezer meer te weten over de achtergrond van de beide hoofdpersonen.

    Langzaam wordt duidelijk op welke manier deze mensen met elkaar verweven zijn. En welke rol Henk hierin speelde. Ondertussen raken de twee hoofdpersonen steeds meer betrokken bij elkaar. Ze ontmoeten elkaar en er bloeit iets op. Al blijft er vooral bij Susan nog altijd iets knagen. Er is iets waar zij niet de vinger op kan leggen. Van Peter wordt ze wat dat betreft niets wijzer.

    De dochters van Susan, die beiden in Nederland wonen, gaan een steeds grotere rol spelen in dit web van verhoudingen. Tot op het laatst blijft onduidelijk welke rollen dit zijn, maar als het boek uit is blijkt er van de beelden die mensen hebben over anderen, zelfs over anderen die ze goed denken te kennen, vaak niet veel te kloppen.

    De schrijfstijl van Stem uit duizenden is apart, ik moest er aan wennen. Het is een soort combinatie van spreek- en boekentaal die mij vreemd was. Wellicht is het een kenmerkend aspect van deze schrijfster.

    miva

    Nadat Mirjam Vaes een boek over veganisme heeft geschreven, Veganisme – een manier van leven, schrijft zij thans voornamelijk weblogs, recensies en recepten. Verder ontwerpt en onderhoudt zij eenvoudige websites. Zij streeft naar een zo eenvoudig mogelijk leven.

    Deze bespreking verscheen eerder op de website waar Mirjam aan meewerkt:
    www.de-zeepkist.nl.

  • Bewegen naar het licht, Jef Crab

    Inspiratie voor innerlijke ontwikkeling

    Ook in Suriname is er een steeds groeiende behoefte aan boeken die kunnen fungeren als wegwijzers. Levensbeschouwelijke boeken, filosofische literatuur, de trendy ‘self help’-titels waar Oprah Winfrey zo enthousiast over is. Voor mensen die een spirituele weg gaan is een heel welkome aanvulling in de reeks van titels Bewegen naar het licht, de nieuwste publicatie van Jef Crab. Het is een dun boekje, maar het bevat een schat aan informatie. Geen eenvoudige kost voor een toevallige ‘voorbijganger’, maar ook weer geen materie waar de lezer eerst een hele studie voor moet volgen. Wie zich openstelt en oprecht interesse heeft om een weg in het leven in te slaan die leidt naar een vorm van verlichting, en waarmee een diepere spirituele laag aangeboord kan worden, die kan met Bewegen naar het licht een flink eind uit de voeten.

    De krijgskunst wordt in dit boekje gezien als een weg tot innerlijke ontwikkeling. Om maar met de conclusie te beginnen: ‘Het maakt niet uit waar ter wereld je woont, leeft of werkt. Het maakt niet uit wat je moet doen om in je levensonderhoud te kunnen voorzien. Het maakt niet uit wat je afkomst, geslacht of geloof is. Je kunt de Weg gaan …’. Dat is ook wat mij aanspreekt van deze beschouwing: dat er aan ten grondslag ligt dat er in elk van ons een ware krijger schuilt die met het volgen van de juiste weg naar buiten kan treden. Crab voert ons mee langs Japanse samoerais, Europese ridders, Tibetaanse lama’s, en vertelt van het Indiaanse medicijnwiel en de Chinese Tai Ji. Grondbeginselen van het boeddhisme komen aan de orde, symboliek uit de Middeleeuwen wordt uitgelegd, begrippen als yin en yang worden behandeld. Omdat het boek in Suriname uitgegeven is, had ik het interessant gevonden om meer voorbeelden en bronnen uit mijn directe omgeving terug te vinden. Is de vuurdans van de marrons ook niet een beproeving om moed te tonen; moed die in alle visies een vereiste is om een waarachtig krijger te worden? En de gebeden van de Hindoe-priester, de pandit, die hij bij gelegenheid prevelt, maar die vaak niemand kan verstaan, zijn die niet een manier om een meditatieve staat te bewerkstelligen? De vastentijd van de moslims, de vegetarische dagen van de hindoes, de hypnotiserende dyeran kepang-dans bij de Javanen, de pur’ blaka-cermonie bij de inheemsen om een rouwperiode af te sluiten: het zijn allemaal zaken die een zeker verband hebben met het streven naar een grote innerlijke ontwikkeling. Wellicht kan Jef Crab daar in een volgende uitgave aandacht aan schenken. Voor dit moment kunnen de lezers echter al meer dan voldoende inspiratie opdoen in Bewegen naar het licht.

    Eerder schreef Jef Crab De Witte Kraai. Een hedendaags sprookje en Eeuwige Lente. Leven met voldoende in een wereld van overvloed. Crab is geboren in Leuven, België, maar woont sinds 1993 in Suriname. Hij is Tai Ji-leraar en holistisch ecoloog.

    Bewegen naar het licht, Jef Crab. La Rencontre, Suriname, Stichting Ecosystem 2000, 2007. ISBN 999 14 6722 X

    mv

  • Waarover we niet moeten praten

    ‘Blijf heel, blijf heel’
    ‘God weet zoveel dat hij soms niet wil weten wat hij weet.’ Dat zegt de moeder van de hoofdpersoon in Annel de Noré’s verhaal ‘Zwarte engelen’ in de bundel die onlangs bij In de Knipscheer verscheen: Waarover we niet moeten praten. God mag dan veel weten, evenals Allah en de orakelende gebedsgenezer bij u om de hoek, maar onderling vertellen aardse stervelingen elkaar over het algemeen bitter weinig. Zeker in de Surinaamse (Zuid-Amerikaanse?) schaamte-cultuur heersen er veel taboes. Waarover we niet moeten praten bevat dan ook veel verhalen over onderwerpen waarover we nu juist wel zouden moeten spreken, vanwege de opluchting, de bevrijding die we daaraan zouden ontlenen. In de bundel staat een twintigtal verhalen van schrijfsters met een Surinaamse of Antilliaanse link, die met dit thema als uitgangspunt een bijdrage hebben geleverd. De verhalen zijn van zeer wisselende kwaliteit, maar er zitten enkele parels bij.
    Het is een thema dat me zeer aanspreekt. In mijn hart geen moordkuil, geen ‘skeletons in my closet’ en geen stof onder mijn tapijt. En als we de kans hebben om de waarheid onder ogen te zien, dan moeten we die kans grijpen (en ook bieden, wanneer wij zelf degenen zijn die die waarheid aan het licht moeten brengen). Zo voed ik ook mijn kinderen op, die mij hun harteroerselen beide regelmatig in mijn oor fluisteren. Ieder op eigen wijze. Jeenah (4) kruipt tegen me aan, houdt haar handjes om mijn oorschelp en schettert dan haar gekoesterde geheim op luide toon in mijn gehoorgang. Dat iedereen het nu weet, dat deert haar niet. En Djamey (3), die dribbelt naar mij toe en straalt van voorpret over wat hij mij gaat zeggen. Heel dichtbij brengt hij zijn kleine mondje en dan voel ik dat zijn adem lichtjes ritselt, maar verstaan doe ik niets, zo zacht fluistert hij. Hoewel zij dus beide met hun fluisteringen meer of minder doel treffen dan zij beogen, zijn allebei kinderen opgetogen over het delen van hun gedachten.
    En als je dat nou niet doet? Wat dan? Dan val je misschien wel uit elkaar, zoals Hortence Péju in het verhaal van Annette de Vries, ‘In de droge tijd’. Hortence die haar verdriet en boosheid zwijgend met zich meedraagt, decennia lang, en een saai leven leidt, laat zich op een avond gaan. Er vallen gaten in haar harnas en ergens in een roerige nacht staat ze in haar roze broekpak met zilveren pailletten in de Oude Stadskerk in Amsterdam te dansen op graven van lang tevoren gestorven Nederlanders, als een bezetene, in de waan dat zij op het graf van de vrouw danst die zij als haar moeder zag. En iemand troost haar, koestert haar en waarschuwt haar: ‘Blijf heel, blijf heel’. Zo mooi, zo liefdevol.
    Op de ‘Literaire Pagina’ van dagblad de Ware Tijd in Suriname, heeft Waarover we niet moeten praten veel aandacht gekregen. Een bespreking van Jeanette John, en daarnaast vier stukjes waaronder eentje van mijn hand. We mochten aangeven wat we het mooist, of het best vonden. Aanvankelijk dacht ik dat het dan wat saai zou worden. Zouden we immers niet allemaal min of meer de zelfde lievelingen uitverkiezen? Aangemoedigd door het enthousiasme van de drijvende kracht achter de ‘Literaire Pagina’, Els Moor, nam ik echter de uitdaging aan en zo zag men die zaterdag een verrassend bonte verzameling van voorkeuren. De een vond het taboedoorbrekende verhaal van Karin Amatmoekrim ‘Decaloog van een oude vrouw’ heel mooi, over een eenzame oude vrouw die terugdenkt aan haar pedofiele zoon die zij een leven lang in bescherming genomen heeft. En de ander zong de loftrompet over Ruth San A Jongs verhaal over zo’n verschijnsel waarover we allemaal wel hebben horen fluisteren, maar om het nu eens in druk te zien … ‘De onderbroek’ gaat over hoe een buitenvrouw afscheid neemt van haar plotsklaps overleden minnaar. Verder zwijg ik daar natuurlijk als het graf over: lees zelf maar!
    Om mij heen wordt het boek inmiddels ook gretig verslonden. Dus dat waar we niet over moet praten, daar willen we wel allemaal graag het fijne van weten. En daar praten we dan weer wél over, over het verhaal van die zotte Soeltaan, met zijn witte schoenen, die zo uit de toon valt in Den Haag (in ‘Zelfs een iglo was warmer’ van Orchida Bachnoe). Of de treurigheid die zwaar ‘als doodgewicht’ hangt over de personages in Marylin Simons’ ‘Brandmerk’. En al babbelend over romanfiguren en verhaallijnen, blijft wederom al wat ons in het uur tussen hond en wolf wakkerhoudt onbesproken en ongezegd.
    Kortom: een thema dat in elk geval Suriname op het lijf geschreven is. Maar ook een thema dat wat mij betreft nog veel verder utigediept mag worden. Door schrijvers, door schilders, door predikers, door vaders en moeders. Of het nou ongelooflijk dichtbij in je oor gefluisterd wordt of extreem luid de wereld in getetterd wordt.
    Vrouwen aan het woord. Waarover we niet moeten praten. Nieuwe Surinaamse en Antilliaanse verhalen. Haarlem, In de Knipscheer, 2007. ISBN978-90-6265-585-4

    Marieke Visser

  • Een eyeopener

    Door Sen Nandoe

    Strafhok (1971), is Bea Vianens tweede roman. Hiermee oogstte ze, net als met haar debuutroman Sarnami hai, veel succes. Het verhaal geeft precies weer wat zich in die tijd in Suriname afspeelde: de sociaal-politieke situatie als gevolg van de hokjesmentaliteit. Met deze roman heeft Bea Vianen vooral getracht een gedragsverandering teweeg te brengen, of tenminste erkenning van het feit dat er in Suriname grote verdeeldheid heerst onder de verschillende etnische groepen.
    Vianen zoekt de oorzaak bij het kolonialisme. Dat heeft immers altijd een verdeel-en-heerspolitiek gevoerd en die zou erin hebben geresulteerd dat er onderling etnische, culturele, religieuze, sociale en zelfs politieke verdeeldheid is ontstaan. Die verdeeldheid komt tot uiting in verschillende ‘strafhokgebieden’.

    De hoofdpersonen in deze roman, Nohar Gopalraj en Raymond van den Berg, zijn beiden het product van een ‘strafhok’. Nohar is een vooruitstrevende onderwijzer die er ‘moderne’ politieke ideeën op na houdt, maar die zich opgesloten voelt in zijn hindostaans milieu, zijn ‘strafhok’. Om zich daartegen af te zetten begint hij een relatie met de javaans-creoolse Roebia, maar laat haar zitten om aan te pappen met een meisje van zijn ras, maar een andere geloofsovertuiging. Dit is eigenlijk Nohars dilemma. Aan de ene kant houdt hij van Roebia, maar hij is bang voor de druk van zijn ‘strafhok’. Immers, in zijn milieu is het ondenkbaar dat een hindostaan met een niet-hindostaan trouwt! Uiteindelijk komt het wel goed, Nohar ziet in wat het beste is voor hem en kiest voor Roebia.

    Minder goed loopt het af voor Raymond. Hij is gay, en op basis van dat ‘anders-zijn’ zit hij opgesloten in een eenmansstrafhok. Het is niet alleen zijn homoseksualiteit die hem parten speelt, Raymond is geobsedeerd door het neokolonialisme van de ‘zwarte bakra’s’. Volgens hem verziekt dat de samenleving waardoor er grote onverdraagzaamheid onstaat voor elkaar. Wanneer een politieke actie mislukt, houdt het voor Raymond op. Hij begrijpt dat hij niet is geslaagd in zijn poging de situatie te veranderen en pleegt met een ijsbreker zelfmoord.

    Door Strafhok te lezen wordt je met de neus op de feiten gedrukt. Je moet het toegeven: er is in principe niets veranderd aan de politieke situatie. De ‘strafhokken’ bestaan nog steeds, al zijn er weinig mensen die dat openlijk willen toegeven en al lijkt het allemaal koek en ei. Maar de moslim mag nog steeds niet met de hindoe trouwen, homoseksuelen worden nog niet voor honderd procent geaccepteerd, de marrons worden niet voor vol aangezien en zo zijn er nog tal van voorbeelden, zolang je maar goed genoeg om je heen kijkt.
    Maar er is hoop. En daar ligt de kracht in van Strafhok. Vianen geeft aan dat geen enkele situatie onveranderd hoeft te blijven. Als je het beter wilt hebben, ga je ervoor moeten vechten. En misschien heb je de eerste keer niet direct succes, maar langzamerhand zullen dingen veranderen. Nohar heeft toch ook voor Roebia gekozen?

  • Verslag vanuit Suriname

    Met Standplaats Paramaribo biedt Nina Jurna een heel frisse blik op het wonen en werken in Suriname. Haar invalshoek is anders dan gebruikelijk. Ze is geen betweter uit Nederland die even komt vertellen hoe het allemaal moet, maar ze is ook nog niet dusdanig opgeslokt door de Surinaamse samenleving dat ze er geen afstand meer van kan nemen. Eigenlijk verkeert de schrijfster/journaliste in een situatie waarin heel erg veel Surinamers zich bevinden: tussen wal en schip. Afhankelijk van wat ze die dag gepresteerd heeft, is Nina het ene moment een echte Surinaamse sisa (zuster), maar even later kan dat omslaan en is ze een landverraadster die met de bakra’s (witte mensen) heult. Nina slaagt er in die ietwat schizofrene positie te beschrijven zonder ook maar een zweem van gekwetstheid of zeurderigheid.

    ‘Typisch voor deze verwarring was wat er in 2001 gebeurde bij de opening van het voetbalstadion van Clarence Seedorf in het district Para. Voor die gelegenheid namen de Suriprofs, waar Surinaams-Nederlandse professionals zoals Davids, Kluivert en Seedorf zelf in spelen, het op tegen de Surinaamse landskampioen. Toen de Suriprofs een doelpunt scoorden, zette Seedorf een punt bij het bordje ‘thuis’. Volgens de Surinaamse tegenstanders speelden de Suriprofs echter uit omdat ze uit Nederland kwamen, en speelden zij juist thuis. Seedorf was het daar niet mee eens: hij speelde met zijn Suriprofs ‘thuis’, het was immers zijn stadion. Het blijft een eeuwige discussie: ben je wel Surinamer als je een Nederlands paspoort hebt?’

    Na haar eerste bezoek aan Suriname in 1995, vestigt Jurna zich in 2000 in Suriname, het land waar haar voorouderlijke wortels liggen al is zij in een Nederlands gezin opgegroeid. Als verslaggeefster voor RTL verovert zij zich een plaats in de Surinaamse mediawereld, en daarmee ook in de maatschappij. Zij ontmoet haar huidige levenspartner Dave Edhard, en inmiddels zijn zij de trotse ouders van dochter Leila en zoon Zen. Ook hebben Nina en Dave een eigen bedrijf, Fawaka Creations.

    Hoewel Standplaats Paramaribo vlot leest, kabbelt het soms een beetje voort. Het ene verhaal glijdt over in het andere. Hier en daar had een duidelijker context/structuur er aan kunen bijdragen om het anekdotische plaats te laten maken voor diepgang. Een enkele keer heb ik als lezer het gevoel dat het verhaal niet afgerond is, dat de clue me onthouden wordt. Een ander minpuntje is het zeer overvloedig gebruik van de verleden tijd waar dat niet nodig is.

    Mijn eindoordeel is echter dat het boek van Nina Jurna een openhartig kijkje in de Surinaamse samenleving biedt. Een absolute aanrader voor mensen die het land willen bezoeken, maar ook voor hen die er wonen en even op een andere, eerlijke, manier naar dit samenspel van mensen en culturen willen kijken, deze krioelende micro-cosmos waar wij deel van uit maken. Heel mooi vind ik de stukjes die enerzijds ‘typisch Nina’ zijn, maar anderzijds zo haarscherp weergeven wat er hier speelt. Zoals wanneer zij beschrijft dat zij, wanneer zij nog niet in Suriname woont, ter verlichting van haar heimwee-pijn ettelijke ‘nepboekingen’ doet bij de Surinaamse luchtvaartmaatschappij SLM. Of hoe ze met een zeer sportieve outfit naar een receptie van de ambassade gaat omdat er ‘wandelkostuum’ op de uitnodiging staat.