• Snoeien en groeien dat is schrijven voor mij

    Wie het afgelopen jaar debuteerde met een roman of verhalenbundel heeft – naast de ervaring om het lang gedroomde debuut eindelijk in handen te houden – er weinig feestelijks aan beleefd. Er waren geen presentaties, geen borrels en geen signeersessies. De Vlaamse schrijver Amarylis De Gryse (1989), die vorig jaar oktober bij uitgeverij Prometheus debuteerde met de roman Varkensribben, verwoordde het zo: ‘Het voelt alsof ik stiekem gedebuteerd ben, een feestje dat onopgemerkt voorbij ging.’ 

    Met haar korte verhalen stond Amarylis De Gryse al eens op de shortlist van de Grote Lowlands Schrijfwedstrijd. In 2019 studeerde ze af aan de Antwerpse Schrijversacademie en eind vorig jaar debuteerde ze bij Prometheus met Varkensribben. Een tragikomische roman over loyaliteit en medemenselijkheid. 

    De Gryse woont in een klein huisje langs een Antwerpse snelweg en volgt een opleiding om boer te worden. Op dit moment loopt ze stage bij een biologische plukboerderij bij Antwerpen. Literair Nederland sprak met haar via een zoom verbinding. Een gesprek over schrijven, herschrijven, het proces van snoeien en groeien en debuteren. En hoe je in een tijd waarin honderden aspirant schrijvers hun boek uitgegeven willen zien, nog ontdekt kunt worden als literaire belofte. Zoals het Amarylis De Gryse overkwam: ‘Ik was al even bezig met Varkensribben toen ik op schrijversresidentie ging met De Buren, (Vlaams-Nederlands literatuurhuis Iv/dG). Ik denk dat Prometheus mij daar gezien heeft want daarna namen zij contact met mij op. En dat viel mooi samen want mijn manuscript was net af.’

     

    Hoe lang heb je aan je debuut gewerkt?

    ‘Zo’n drie jaar heb ik eraan gewerkt. Omdat ik ook een baan had, was er wel eens een periode van drie maanden dat ik er niets mee deed. Ik schrijf heel organisch en dan is het soms ook nodig het even te laten rusten, te laten gisten zeg maar.’

     

    Moest er veel herschreven worden toen het eenmaal bij de uitgever lag?

    ‘Tussen het eerste contact met de uitgever en het drukken van het boek zit een jaar. Er is nog veel aangepast, maar de basis was er al en die was goed. Hier en daar zijn er wat plotlijnen veranderd, maar de grote lijnen, de constructie bleef staan.’

    Dat is gelijk wat opvalt tijdens het lezen van Varkensribben: het boek zit goed in elkaar. Niets is overbodig, de hoofdstukken zijn kort, het verhaal meerlagig. De toon is onderkoeld waardoor de dingen die in wezen triest zijn, komisch worden. Marieke, de protagonist, is door haar vriend op straat gezet en leeft in een huurauto. Ze heeft herinneringen aan haar alleenstaande moeder en haar drie zussen. Ze herinnert zich dat haar vader niet naar haar omkeek, dat ze als kind met haar moeder in de keuken gehaktballen aan het draaien is. ‘Ze hing haar grote donkerblauwe keukenschort om mijn nek en draaide de linten tweemaal rond mijn middel. “Goed,” zei ze, en ze klapte in haar handen.’ Zoals Marieke het zich herinnert, lijkt het een liefdevolle moeder dochter relatie. Gaandeweg het boek wordt duidelijk dat haar herinneringen niet de werkelijkheid weergeven. 

    ‘Ik herken dat bij mezelf ook wel, dat herinneringen onbetrouwbaar zijn, maar wel je hele leven kleuren. Dat de dingen niet zijn zoals je ze herinnert was iets waar ik plotmatig wel mee wilde spelen.’


    In haar relatie met haar vriend Blok de slagerszoon heeft ze niets in te brengen, ook bij haar familie niet. Is het een boek over eenzaamheid, buitenstaanders?

    ‘Ja, dat ook wel. Maar voor mij gaat het vooral over het onderdrukken van jezelf. Marieke herinnert zich van alles maar wil de ware toedracht van haar herinneringen niet toelaten. Daarover wilde ik schrijven. Over iemand die zijn gevoelens onderdrukt, alles ondergaat en enkel registreert. En dat uiteindelijk niets zich laat wegdrukken, dat het altijd weer opspeelt.’ 


    Dat Marieke alles ondergaat is soms bijna niet uit te houden en dan komt er naar het einde toe opeens een geweldige apotheose. Had je dit van tevoren uitgedacht?

    ‘Tijdens het redigeren van het manuscript, ontstond dit moment van ommekeer bij Marieke. Vanuit al die thematieken als herinneringen, eenzaamheid, het geleefd worden en steeds weer tegen de grenzen van het zorgsysteem aanlopen, is het verhaal beginnen te groeien. En weer krimpen, en weer gegroeid. Snoeien en groeien dat is schrijven voor mij.’


    Het verhaal speelt zich voor een groot deel af in een verzorgingstehuis. De sfeer van vereenzaming, ontheemd zijn is goed in beeld gebracht. Heb je zelf ervaring met in de zorg werken?

    ‘Ik ben maatschappelijk assistent en heb in verschillende takken van de maatschappelijke dienstverlening gewerkt. In de medische sector, maar ook in de asiel- en migratie sector. Daar liep ik steeds tegen de grenzen aan van wat wel en niet mag. Er is geen tijd, want er is geen geld. Daarnaast was er ook het gevoel dat leeftijdsgenoten  uit mijn omgeving er vaak doorheen zaten door de grote druk in de sociale sector en in de dienstverlening. Ik vond dit frappant, dat weerbare jongeren die vol energie zouden moeten zitten, zo gedesillusioneerd waren, zo vermoeid. Dat was iets dat ik ook in het verhaal wilde hebben.’ 


    Heb je nog reacties gekregen op de schrijnende situaties die je beschrijft in het verzorgingstehuis? 

    Ik heb vrienden en familie die in een woonzorgcentrum werken. Van hen hoorde ik dat het herkenbaar is zoals ik erover schreef. Fijn om te horen dat het klopte, maar ook jammer dat dit de werkelijkheid is. Ik heb voor een woonzorgcentrum gekozen omdat ik er wel mee bekend was, maar niet te dicht bij me stond. Ik heb daarvoor een week meegelopen in een woonzorgcentrum met een verpleegster die daar de ochtenddienst had. En, (begint te lachen) het frappante was dat die verpleegster zei, ‘Ik ben blij dat je er bent want nu kunnen we eens iemand in bad doen.’


    Wilde je altijd al schrijver worden?

    ‘Ik heb altijd verhalen geschreven. Als kind ging ik wekelijks met mijn moeder naar de bieb. Ik was niet zo’n goede student, er werd me afgeraden om talen te gaan studeren. En als je geen talen gestudeerd hebt, kun je er moeilijk ambities in hebben, dacht ik. Het lezen en schrijven heb ik toen losgelaten. Pas toen ik de opleiding voor maatschappelijk werker had afgerond dacht ik opnieuw aan schrijven, dat het altijd een rode draad in mijn leven is geweest. Toen ben ik weer verhalen gaan schrijven en naast het werk ben ik toen een schrijfopleiding gaan volgen.’ 


    Hoeveel versies heb je geschreven?

    ‘Het waren meestal losse stukken die herzien werden. Met schaar en plakband knipte ik alinea’s uit en plakte die weer ergens anders. Op het scherm kan ik het geheel niet goed overzien. Er was dus eigenlijk nooit een versie die ik had afgerond, het bleef steeds in beweging. Zoals ik al zei, ik schrijf organisch. Ook heb ik veel hardop gelezen voor mezelf.’


    In Varkensribben wordt veel over vlees geschreven, het bereiden, het eten ervan, vet druipt van kinnen. Marieke heeft zelfs een relatie met een slagerszoon, waar kwam die vandaan?

    ‘Tijdens het schrijven van Marieke’s omgeving, vroeg ik mij telkens af, ‘Waarom doet ze zo? Wat heeft ervoor gezorgd dat ze zich op een bepaalde manier gedraagt’ En zo kwam daar onder andere die vriend, die haar onderdrukt en klein houdt. Dat hij er in de gedaante van een slagerszoon bij kwam, ontstond gewoon en klopte voor het verhaal en mijn gevoel.’


    Ik las ergens dat je zelf veganist bent, was het dan niet vreemd over vlees te schrijven? 

    ‘Ik heb altijd graag vlees gegeten maar was al veganist voor het boek ontstond. Voor mij was vlees eten ook een sociaal ding. Toen ik stopte met vlees en zuivel gebruiken dacht ik wel, oei, wat gaat mijn moeder nu voor mij maken als ik jarig ben? De nostalgie van het eten van vlees kon ik niet meer delen. Ik ben opgegroeid met de gedachte dat vlees erbij hoort. Daarom wilde ik het ook in het boek opnemen, om vlees eten te fictionaliseren. Maar ook als een soort eerbetoon aan de gerechten waarmee ik ben opgegroeid.’ 


    Wat was de aanleiding om veganist te worden?

    ‘Ik was me al langer bewust van de gevolgen die de dierenindustrie heeft op het milieu. Toen ik op een melkboerderij werkte dacht ik opeens, Ja, maar. Die kalfjes! (worden bij de moeder weggehaald zodat de melk verhandeld kan worden Iv/dG). Toen ben ik voor het volledige pakket gegaan. Niets van dieren. Soms nam ik nog wel eens een ei als ik bij mijn grootmoeder, die zwaar ziek lag, was. Dat ga ik dan niet afwijzen.’

    In het boek zitten twee droomachtige scènes. Marieke valt ongelukkig met haar fiets. Haar vader komt, hij steekt zijn hand in zijn romp en haalt er een rib uit waarmee hij Marieke heelt. De tweede scène is aan het eind. Haar moeder, die een kast aan het verschuiven is, komt eronder terecht. Marieke wil haar helpen, zoekt in haar romp naar een rib maar kan die niet vinden.


    Wat is de symboliek hiervan?

    ‘Dat heeft te maken met onderdrukte gevoelens die in je slaap naar boven kunnen komen. Marieke onderdrukt de aanwezigheid van haar vader in haar leven. Op ongewenste momenten komt dit toch opborrelen. Er komt het besef dat haar vader, in tegenstelling tot wat haar moeder haar deed geloven over hem, wel voor haar gezorgd heeft. Het is de symboliek van hoe je een stuk van jezelf kunt gebruiken om de ander te helpen, te helen. Het is in het hele verhaal duidelijk dat Marieke zichzelf klein maakte voor haar moeder, ze zwijgt op alles wat haar moeder haar te zeggen heeft. Marieke geeft zichzelf volledig weg tot ze eindelijk kan toelaten dat haar vader haar helpt. En haar moeder zou ze wel willen helpen, maar ze kan het niet.’


    Hoe was het om te debuteren?

    ‘Het was toch wel een droom die uitkwam. Spannend ook, maar tegelijk raar om in deze tijd, waarin iedereen thuis blijft dit mee te maken. Het leek een beetje op een verjaardag die onopgemerkt voorbij gaat. Toen het in oktober in België uitkwam mochten we  nog net met een groep van twintig mensen samenkomen. Toch heb ik besloten dat niet te doen. Een feestje geven voor een boek over de zorg, net wanneer de verzorgingstehuizen extra onder druk staan door corona, vond ik ongepast.’


    Staat er een volgend boek op stapel?

    ‘Mijn vorige boek moest ik eerst wel even laten bezinken. Nu begint het weer te borrelen. Ik denk weer over een roman en (lachend), ik denk dat veel van het buitenleven er in zal sluipen. Het boerenleven is een poëtisch gegeven.’

     

     

     


    Varkensribben / Amarylis De Gryse / 222 pagina’s / Prometheus (2020)

     

     

     

     

     

    Foto auteur: Ilja Keizer

  • Een reservaat waarin diersoorten worden gekoesterd en verjaagd

    P.F. Thomése kwam in 1990 de literatuur binnen met de verhalenbundel Zuidland, waarmee hij meteen de AKO-literatuurprijs won. Daarna oogstte hij grote successen met Schaduwkind (2003), een requiem voor zijn overleden dochtertje en naar eigen zeggen zijn beste werk. De onderwaterzwemmer (2015), bezorgde hem in 2016 de Prijs van de lezersjury van de Fintro-literatuurprijs. Vorig jaar verscheen Vaderliefde, een pakkende roman over zijn overleden ouders. Thomése oogstte internationaal succes met zijn boeken. Tussendoor schreef hij enkele komische werken waarin zijn vriend J. Kessels de hoofdrol speelt. Onlangs verscheen de Tilburg Trilogy, een bundeling van de drie boeken over J. Kessels.

    Kris Mattheeuws sprak via een videoverbinding met P.F. Thomése over zijn oeuvre, een boek als een country song, het schoppen tegen schenen en het oprekken van de grenzen van de literatuur.

    Bekend als stilist van serieuze literatuur, leek het vreemd dat uitgerekend Thomése een aantal scabreuze romans schreef waarin borsten en billen in al hun aspecten welig tieren. Boeken waarin de country & western-tearjerkers uit de autoradio jengelt, bier rijkelijk vloeit, het platvloerse en de onderbroekenlol niet uit de weg worden gegaan. Thomése heeft er geen probleem mee, integendeel.

     

    De stijl van de J. Kesselsromans is van een heel andere orde dan het meer serieuze werk dat we van u gewoon zijn. Is daar een specifieke reden toe?

    ‘Een boek schrijf ik niet met voorbedachten rade. Kort nadat Zuidland in 1990, verscheen bij een bibliofiel uitgeverijtje in Heiloo, een serie reisverhalen Deep South & Far West waarin ik met mijn vriend J. Kessels door het country gebied van de VS reisde. Omdat ik net de AKO-literatuurprijs had gewonnen, werd dit boekje ook opgemerkt. En tot mijn verwondering werd het goed onthaald. Gaandeweg is het J. Kessels-werk wel wat scabreuzer en lichtzinniger geworden. Mijn andere boeken hebben daar misschien geen gelijke tred mee gehouden, ik denk dat we alles in dat licht moeten zien. Want ook Het zesde bedrijf (1999) heeft een zekere lichtvoetigheid. Ik probeer in die roman, die zich afspeelt in Parijs tijdens de Franse Revolutie, een soort operetteachtige sfeer te creëren. De recensenten hebben dat toen een beetje gemist omdat ze zich erover verbaasden dat ik een vrouw als hoofdpersoon had gekozen. Een man die over een vrouw schreef, was voor sommigen ‘not done’ of werd op zijn minst gewantrouwd. Het was een beetje omgekeerd seksisme, terwijl ik daar helemaal geen slechte bedoelingen mee had, geen slechtere althans dan met mijn andere personages. Ik denk dat beide kanten, het komische en het tragische, het ernstige en het speelse, altijd aanwezig zijn geweest in mijn werk. In mijn debuut Zuidland is het komische al aanwezig. Ik zag onlangs een optreden van Josse De Pauw waarin hij Leviathan (kort verhaal van Thomése, K.M) als ‘Sprechtheater’ bracht. Ik moet zeggen dat ik dertig jaar na datum toch weer bij bepaalde passages in de lach schoot.’

     

    Het personage J. Kessels kwam tot leven in verhalen over roadtrips in de VS. Waarom besloot u hem als hoofdfiguur op te voeren in maar liefst drie romans? Wat is zo dankbaar aan de figuur Kessels?

    ‘Het is eigenlijk een uit de hand gelopen project. Veel had te maken met het feit dat mijn eerste uitgever Querido geen interesse had in mijn J. Kessels verhalen. Ze wilden er niets van weten, dat was ook een van de redenen om daar weg te gaan. Ik vond het een miskenning van mijn schrijverschap door niet het hele schrijverschap te willen omarmen. Het was ook een soort bevrijding, mede doordat ze bij mijn nieuwe uitgeverij Atlas Contact een groot liefhebber van J. Kessels waren. Zonder enige aarzeling gaven ze het uit. De belangrijkste rol hierin werd echter gespeeld door de redactie van Hard Gras, het literaire voetbalblad. Het blad werd zo populair dat we op een bepaald moment gingen toeren. We zaten in een busje met Anna Enquist, Henk Spaan, Herman Koch, Matthijs van Nieuwkerk en Ronald Giphart. Zij kenden mijn J. Kessels-kant nog niet. 

    Ik verraste hen daar mee en ik maakte er op den duur een sport van om hen achter de coulissen zo hard te doen lachen dat het publiek het ook hoorde. Toen Matthijs van Nieuwkerk zo gierde, is dat voor mij wel de trigger geweest er met nog meer zin mee aan de slag te gaan. Ik besefte toen dat het iets heel bijzonders had, wat ik er eerder nog niet in gezien had. Het komisch effect werd vergroot door het feit dat dit werk zo haaks stond op alles wat ze van mij kenden. Dat heb ik dan ook wel uitgebuit. In die zin zie ik het meer als het werk van een straatmuzikant. Ik begin en er staat onmiddellijk een kring om me heen. Het is informeler dan mijn andere werk, ofschoon het ook heel erg gekunsteld is. Het is mijn meest postmodernistische roman. Het bevat een heleboel metagrappen.’ 

     

    U brengt ook het personage P.F. Thomése naast de figuur van J. Kessels. Zijn de twee antipolen?

    ‘Alles is natuurlijk gebaseerd op mijn vriendschap met J. Kessels. In een vriendschap is er de neiging tot symbiose, maar die bestaat wel uit twee polen. Dat is altijd zo, denk ik.  Bij ons werd dit zeker versterkt en als schrijver versterk je dat nog meer. Het zijn complementaire gestalten, daar kwam ik gaandeweg achter en daar ging ik ook meer mee spelen. Zo valt J. Kessels op rondborstige vrouwen en bekijkt P.F. Thomése het meer van achteren, van de bilzijde. Dat getuigt ook een beetje van het achterbakse van de schrijver die altijd een beetje van achteren zit te loeren, terwijl J. Kessels oprecht is en rondborstige vrouwen met open vizier tegemoet gaat, zonder enige bijgedachte.’

     

    Is er enige gelijkenis tussen het personage Thomése en de auteur Thomése? 

    ‘Autobiografie is oninteressant in de zin dat ik er geen behoefte aan heb feiten getrouw weer te geven. Niet omdat ik iets te verbergen heb, maar omdat ik denk dat het in de tekst zelf zit. De spanning en de gevoelens worden vanzelf waar, meer dan de zogenaamde droge feiten. Door lang te figureren in die boeken ben ik überhaupt langzaamaan op hem gaan lijken. Daar ontkom ik niet aan en dat ga ik ook niet ontkennen. Maar ik denk niet dat wanneer ik mijn zoons naar  hockey breng, andere ouders denken: “Daar heb je die viespeuk weer die altijd in onzedelijke toestanden terechtkomt”.’

     

    De rode draad in de Kessels romans, naast de queeste naar seksuele verlossing, is countrymuziek. Is dat een echte passie en vanwaar die passie?

    ‘Ik ben er een beetje van afgedreven in het tweede en derde boek, maar de verhalen en het eerste boek heb ik proberen te schrijven als een country song, een melodrama. Een country song is melodramatisch in de zin van ‘vroeger was het beter’. Het verlangen naar een vroeger dat er nooit is geweest, zit er altijd in. Nostalgie is de drijfveer en dat maakt misschien ook dat ik het lichtere genre heb gekozen. Nostalgie staat bekend als een oppervlakkige emotie, terwijl iemand met een retrospectieve geest zoals ik niet zonder nostalgie zou kunnen leven. Dat betekent niet altijd het verheerlijken van het verleden, maar evenzeer het lijden aan de onmogelijke terugkeer daarnaar. Dat noem ik mijn country & western gevoel. Daar val je niemand mee lastig, maar in een verhaal kan dat heel goed werken. Het motief om het verlangen over te doen, maar dan goed, speelt een grote rol in zowel J. Kessels: The Novel als in Ik, J. Kessels. Dat verlangen naar verlossing zit ook in country songs. Denk aan het kernbegrip ‘redemption’ bij Johnny Cash. 

    Op de een of andere manier spelen deze zaken in de officiële, erkende literatuur minder een rol omdat men het kinderachtig vindt, of gênant. Als een schrijver dat doet wordt hij op de vingers getikt. Ik zie het bij veel schrijvers gebeuren. Iemand als A.F.Th. van der Heijden is voortdurend zijn verleden aan het herbezoeken en aan het herschrijven. Dat is een klassiek gegeven in de literatuur. Als je het zo vet doet als ik in de J. Kesselsromans, dan worden de wenkbrauwen gefronst. Maar ik denk dat je er juist dan dichterbij komt. Door overdrijving en het thematiseren van het smakeloze. Zoals bijvoorbeeld het literair ejaculerende teruggeilen op een meisje aan de flipperkast in de cafetaria van mijn jeugd. Het is een soort ‘not done’. Ik ken het niet als motief. Wel de onbeantwoorde jeugdliefde, maar niet de al dan niet beantwoordde eerste geilheid of erotische sensatie, en die is eigenlijk veel bepalender.’ 

     

    In de drie romans is een opvallende evolutie in de aanwezigheid van de figuur J. Kessels. In de eerste is hij zeer aanwezig, in de tweede is het op zoek gaan naar, en wordt uiteindelijk gevonden. In de derde is hij afwezig tot het einde. Is dat een bewuste keuze?

    ‘Dat is een autobiografisch gegeven. Het zijn drie boeken geworden omdat J. Kessels er genoeg van kreeg, ook van mij als vriend. Die boeken zijn het afscheid van een vriendschap geworden en dat is in drie stappen gegaan. Elk boek ging er weer een deur dicht en dan was het voorbij. In Het bamischandaal vind ik hem nog kettingrokend terug op een stoep in Shanghai, maar in Ik, J. Kessels moet ik het doen met Peerke Sonnemans die nu zijn beste vriend geworden is.’

     

    Inderdaad. J. Kessels’ rol wordt langzaam maar zeker ingenomen door Peerke Sonnemans. Welke rol speelt hij in het hele verhaal?

    ‘Hij is een epigoon van Kessels maar zonder de grandeur die Kessels heeft. Kessels zou zo uit een country song kunnen komen. Sterker, toen ik met hem door Amerika  trok, werden we dikwijls gefotografeerd omdat ze ervan overtuigd waren dat ik Art Garfunkel was, ik had toen nog meer haar, en hij een country zanger. Peerke daarentegen heeft helemaal geen stijl, hij is berekenend. Hij heeft wel één significant voordeel ten opzichte van P.F. Thomése, hij is hondstrouw. Hij doet alles voor J. Kessels, terwijl P.F. Thomése hem verraadt in toenemende mate. Dat is trouwens ook een vreemd aspect van een autobiografische roman dat niet vaak voorkomt. Dat de ik-verteller een uitermate onsympathieke, onbetrouwbare figuur is, en dat de schrijver die zelf belichaamt, is een unicum.’

     

    U schopt tegen veel schenen. De zogenaamde politieke correctheid is niet aan u besteed? U spot met homo’s, zwarten, collega-schrijvers.  Hebt u daar geen problemen mee of mee gehad?

    ‘Sinds George Floyd en Black Lives Matter is de wereld veranderd. Ik zou het nu, denk ik, niet meer doen, ik zou er tenminste niet meer zo achteloos overheen gaan.  De beweging heeft iets aan het licht gebracht waar je je als schrijver wel rekenschap van moet willen geven. In die zin zijn het dus historische romans geworden. Als ze het zouden willen censureren zou ik me wel met hand en tand verzetten. Men is niet verplicht het te lezen. Ik heb het ook niet bewust gedaan. Ik heb het gedaan omdat ik die country & westernstijl tot leven wilde brengen. Stereotypering is de ruggengraat van een goede country song, die stijlfiguur is verplicht. Alles wordt gestereotypeerd, ikzelf, J. Kessels.

    Ik heb voor deze editie een nieuwe omslag gekozen, in de oorspronkelijke editie had cartoonist Gerrit de Jager op mijn verzoek cartoons gemaakt, dat cartooneske speelt ook bij de leeservaring mee. Dat ontslaat je natuurlijk niet van verantwoordelijkheden. Hier en daar is het explosieve materie geworden. We kijken nu ook anders naar Kuifje in Afrika. Terecht. Al blijft dat album cultuurgoed. Kunstenaars zijn vaak ‘fout’, dat zit een beetje in de aard van het beestje. Als je iedereen gaat cancelen, houd je alleen koorknapen over. Dan heeft kunst geen zin meer. Veel heeft met het vermogen tot zelfspot te maken. Maar niet iedereen is het daarmee eens. In Breda lachen ze erom, in Tilburg hebben ze het er soms moeilijk mee. Dat geldt ook voor de mensen wier identiteit ik heb gebruikt. 

    De personages zijn allemaal bestaande mensen. Toen Frans Schellekens alias De Schel, mijn vriend en gids in Shanghai, na een val van een trap overleed, vroeg zijn familie mij om iets te zeggen op zijn uitvaart. Er werd met klem gevraagd óók iets voor te lezen uit Het bamischandaal. Het publiek herkende het en de lach rolde door de tent, het was ontroerend en hartverwarmend. Dat was heel bijzonder. Zo zie je, het gaat erom hoe je het opvat.’ 

     

    De zeer ironische stijl is dus een bewuste keuze.

    ‘Ja, natuurlijk. Zoals ik het schrijf is alles omkeerbaar. J. Kessels, de centrale figuur, heeft altijd stellige meningen, apodictische uitspraken, oneliners die zo uit een country song kunnen komen en slaan meestal nergens op. De waarheid is in die boeken sowieso op drift geraakt en het omgekeerde is even goed waar. De woorden hebben eigenlijk in die zin geen waarde meer. Daar heb ik ook enorm veel plezier in, om die woorden bijna te gebruiken als een autonome taal, een taal die van de pot gerukt is. 

    Een van mijn allergrootste helden is Nabokov. In Lolita zingen de woorden zich ook helemaal los van hun betekenis en dat is een van de redenen waarom het zo’n fantastisch boek is. Velen vinden het een boek over een pedofiel, maar  het is een boek over taal en die taal is losgeraakt van zijn anker, los van zijn vaste betekenis. Voor Nabokov was Engels ook een vreemde taal. Dat heb ik ook, die vreemdheid, ik druk me uit in een taal die alle kanten op kan. Dat is gemaniëreerd. Zoals de Italianen na de barok deden, ‘alla sua maniera’, op zijn eigen manier, de eigenheid van het schrijven. 

    Taal is natuurlijk iets algemeens, we wisselen uit, we weten allemaal precies wat een woord betekent en als iemand de taal op een eigen manier gebruikt, is het niet meer zo duidelijk. Dat is voor mij als schrijver belangrijk, dat de lezer niet meer weet waarheen hij wordt gevoerd. Daarom gebruik ik mezelf en die vriendschap en dat autobiografische ook. Het begint met twee vrienden die samen naar het café gaan, heel herkenbaar, en dan gaat het verder en komen ze in een krankzinnig universum terecht.’

     

    Het is een boek over vriendschap, maar evenzeer over het verlies van vriendschap. Was het schrijven van boek drie een soort van loutering of catharsis?

    ‘Boek drie is best wel een elegische roman, een elegische pornografie. P.F. Thomése belandt in de armen van een ex van J. Kessels. Hij beleeft iets wat verjaard is, nergens meer op slaat. In zijn gedachten zijn die vrouwen nog de vamps van weleer, maar daar is de tijd ook overheen gegaan.’

     

    Hoe moeilijk is het om over een bestaand figuur te schrijven die ook reacties kan geven. Bij Vaderliefde waren uw ouders al overleden, daar kon geen reactie meer van komen. Hebt u er ooit bij stilgestaan dat dit kon leiden tot de teloorgang van de vriendschap?

    ‘Ik was me daar niet bewust van. Ik had natuurlijk al in 1990 over hem geschreven en toen had ik niet de indruk dat het verkeerd viel. Ik denk dat het probleem ontstond toen de boeken steeds populairder werden. Nolens volens werd hij opeens een lokale beroemdheid, in Tilburg werd hij erop aangesproken. Die receptie heb ik onderschat. Voor mij als schrijver was dat bekend, hij had het er moeite mee. Hij werd opeens een publieke figuur, terwijl hij daar geen behoefte aan had. Maar omdat hij niks zei, was ik me daar niet van bewust. Na het tweede boek kwam de film, het media gedoe daaromheen leidde tot een definitieve breuk.’ 

     

    Om terug te komen op de stijl. Er zijn die twee aspecten in uw werk, het ernstige en het lichtvoetige, dit wordt soms bestempeld als platvloers, onderbroekenlol, goedkope humor? Houdt u zelf van die stijl?

    ‘Jazeker, zeker in een genre als de film. De films van Tarantino kan ik eindeloos bekijken. Ook in de literatuur: ik ben opgegroeid met Gerard Reve en ik hou erg van die Amerikaanse hard boiled stijl. Mijn eerste boek draag ik op aan hardgekookte jongens als Charles Bukowski, Jack Kerouac, Kinky Friedman, Hunter S. Thompson, Schrijvers die ik in verschillende fasen van mijn leven heb gekoesterd. Ik hou ervan met een bepaalde weerzin te kijken naar de lessen Nederlands of de neerlandistiek, waar de literatuur behandeld wordt als een soort reservaat, bepaalde diersoorten worden gekoesterd en andere worden als mussen afgedaan. Dat heb ik ook met de J. Kesselsboeken. Ze moeten wel naast mijn andere boeken kunnen staan, maar dat doen ze soms niet van harte. Daar heb ik wel plezier in. Het is het oprekken van de grenzen van de literatuur. 

    Dat vind ik heel belangrijk, literatuur beslaat het hele leven en de hele werkelijkheid, niet enkel het serieuze deel daarvan. Dat vind ik het knappe van Tarantino. Hij betrekt allerlei banaliteiten in zijn films, hij kan een gesprek over de kwaliteit van koffie opnemen, zoals in Pulp Fiction. W.F. Hermans claimt in zijn essay over antipathieke personages dat een personage weerstand moet oproepen. De lezer wil bevestigd worden, wil een positieve ervaring, gevleid en gerustgesteld worden. Maar de schrijver moet daar tegenin gaan, de lezer uit zijn comfortzone halen. Volgens Hermans gaat het erom dat je als lezer iets te weten komt wat je niet wilde weten maar, nu je het weet, niet meer kan vergeten. Bij Hermans is dat de bittere waarheid, terwijl het bij mij komisch kan zijn de broek te laten zakken.’

     

    Wat zijn uw plannen voor 2021, staat er een nieuw boek op stapel?

    ‘Ik ben al een jaar bezig met Lohengrin. Een roman over een broer-en-zus-achtige verhouding tussen een Amerikaanse jongen die op zoek is naar zijn gesneuvelde vader en een meisje op zoek naar haar weggelopen moeder, verloren zielen in een reële wereld. Ik verwacht het dit jaar af te maken.’

     

    Tilburg trilogy, De J. Kessels romans / P.F. Thomése / 688 pag. / Uitgeverij Prometheus (2020)
    Foto: Annaleen Louwes, (via de uitgeverij)
  • Dichters moeten rusteloos op zoek naar poëzie die hen aanspreekt

     


    Jozef Deleu (1937) is dichter en enig redacteur van het poëzietijdschrift Het liegend konijn, waarin per editie zo’n 180 nieuwe Nederlandstalige gedichten van gemiddeld 25 dichters wordt opgenomen. Voor de dichters van deze tijd is hij een belangrijke factor in de erkenning en verspreiding van nieuw werk, waarmee hij de poëzielijn vitaal houdt.

    Naast redacteur en pleitbezorger voor Nederlandstalige literatuur, is Deleu ook schrijver, al noemt hij zichzelf geen veelschrijver, eerder een schrapper, redacteur van eigen werk. Als dichter is hij zuinig met woorden, zijn poëzie kan gerust minimalistisch genoemd worden- verzen als een smalle streep op het bladpapier – maar kennen een diepe zeggingskracht. In 1962 debuteerde hij met de novelle De ontmoeting, een jaar later debuteerde hij als dichter met de bundel Schaduwlopen. Ondanks zijn karigheid met woorden, verscheen vorig jaar zijn verzamelde gedichten in Ondoorgrond, Gedichten 1963-2019 in een 350 pagina’s tellend boekwerk. 

    Toch gaat zijn meeste tijd naar die andere drang, het verspreiden van literatuur, het oprichten van literaire tijdschriften, het samenstellen van verschillende bloemlezingen, zoals het Groot Verzenboek, vijfhonderd gedichten over leven, liefde en dood dat in 2015 in een herziene en uitgebreide druk werd uitgegeven als Nieuw Groot Verzenboek.

    Door de beperkende reismogelijkheden, kwam dit interview tot stand middels mailwisseling. Een interview over hoe men zo dicht verweven raakt met literatuur, elke dag poezie lezen. Over het driestromenbeleid van een eenmansredactie, het als kind voorgelezen worden uit een streekroman en hoe zoiets eenvoudigs alles in gang zette. Mooi is dat poëzie niet eindig is, en Jozef Deleu onverstoorbaar en consciëntieus zijn werk doet.

     

    Wat heeft u beroerd waardoor u pleitbezorger van de Nederlandstalige literatuur werd?

    ‘Ik kom uit een boerenfamilie waar literatuur geen belangrijke rol speelde. Wél las mijn moeder soms voor uit een of andere streekroman. Ook twee leraren Nederlands waren essentieel voor mijn belangstelling voor literatuur. De ene was een kenner van de poëzie van Guido Gezelle, die hij heeft verzameld en uitgegeven. De andere was een bewonderaar van de Tachtigers. Hij declameerde uit zijn hoofd met groot gemak tientallen sonnetten van Willem Kloos. Daarnaast was er ook nog een leraar Frans die veel belang hechtte aan poëzie. Ook een opleiding aan het consevatorium was inspirerend.’


    Wanneer bent u zelf begonnen met schrijven? 

    ‘Toen ik zeventien was stuurde ik mijn eerste verzen naar de Vlaamse dichter en criticus André Demedts (1906-1992, Vlaams schrijver en leraar, Iv/dG). Hij inviteerde me voor een gesprek. Zo werd hij mijn leermeester. Hij zette de deuren van de eigen en de wereldliteratuur wijd voor me open. Dat was heel ongebruikelijk in de jaren vijftig vorige eeuw. Mijn mentor stimuleerde me om uitsluitend werk van belangrijke auteurs te lezen. Literatuur en poëzie in het bijzonder werden voor mij steeds belangrijker. De behoefte om zelf te schrijven werd met de dag dwingender. Maar een veelschrijver werd ik niet. Eerder een schrapper.’


    U heeft in uw leven twee tijdschriften geïnitieerd, waaronder Ons Erfdeel, dat sinds kort De lage landen heet, en waarvan u sinds de oprichting in 1957 tot 2002 de redactie voerde. 

    ‘Op suggestie van mijn leermeester ben ik in 1957 gestart met het tijdschrift Ons Erfdeel. Er hing in die dagen een intense behoefte aan openheid en verbreding van de eigen wereld in de lucht. Ons Erfdeel werd een ideologisch en politiek ongebonden Vlaams-Nederlands tijdschrift dat over de grenzen heen de eigen taal en cultuur wilde propageren. Het blad wees ‘verzuiling’ af en kwam op voor openheid, authenticiteit en onafhankelijkheid.’

    ‘Hoewel het tijdschrift en alles wat er in de loop der jaren uit voortvloeide veel aandacht opeiste, bleef ik ook schrijven, vooral ’s nachts. Adviezen en suggesties van Nederlandse vrienden als Anton Claessens en Frits Niessen werden steeds belangrijker voor mij.’


    Toen ging u in 2002 met pensioen en richtte het poëzietijdschrift Het Liegend Konijn op. Was dit een gekoesterde droom, een poëzietijdschrift van dat formaat samen te stellen? 

    ‘Het is de realisatie van een lang gekoesterde droom. Ik heb me altijd voorgesteld dat ik na mijn pensionering me heel intens met poëzie zou bezig houden. In 1976 was ik al gestart met de publicatie van Groot Verzenboek, een omvangrijke thematische bloemlezing uit de Nederlandstalige poëzie van de twintigste eeuw. Volgend jaar, in 2021 verschijnt de 19de druk van wat nu Nieuw Groot Verzenboek heet.’


    Hoe was de stand van de poëzie in die tijd, bijna twintig jaar geleden, er eigenlijk aan toe?

    ‘Ik volg al meer dan zestig jaar de hedendaagse poëzie. Het werd me met de jaren duidelijker dat poëzie geen serieuze plaats meer kreeg in de literaire tijdschriften. Twintig jaar geleden begonnen literaire tijdschriften nagenoeg allemaal in ademnood te verkeren. Velen verdwenen van het toneel. De plaats die poëzie kreeg in de overlevende bladen werd nog geringer. Aandacht voor debuterende dichters verdween zo goed als helemaal.’

    ‘Met Het Liegend Konijn wilde ik een tijdschrift maken vol poëzie van nu, met uitsluitend nieuw werk van debuterende en bekende dichters zonder een alles overheersende, eenduidige poëtica. Het blad moest op die manier een permanente bloemlezing worden van de meest hedendaagse poëzie, open voor wat beweegt en gebeurt.’ 

    ‘Ik koos voor een eenpersoonsredactie die kiest, wint en verliest. In volstrekte ongebondenheid. Voor mijn opzet zocht ik een Vlaamse  en een Nederlandse uitgever. Het blad startte bescheiden. Het mocht groeien en kon aan nieuw werk van dichters van divers pluimage een onderdak bieden. Aan de 37 nummers die tot nu zijn verschenen hebben straks vijfhonderd dichters meegewerkt.’


    Wat bedoelt u met ‘die kiest, wint en verliest’?

    ‘Het voordeel van een eenpersoonsredactie is dat je geen compromissen hoeft te sluiten. Jij bent alleen verantwoordelijk voor de keuze. Wat ik soms wel ontbeer, is confrontatie met de inzichten van collega’s. Een paar keer per jaar, als ik onzeker ben over een inzending, vraag ik advies aan een zeer belezen en geleerde vriend.’


    Bent u in de eerste plaats dichter, redacteur, of pleitbezorger?

    ‘Ik ben een dichter die het redigeren van tijdschriften niet kan laten. Ik ben zoals gezegd, geen veelschrijver, maar voortdurend met literatuur bezig. En poëzie lees ik iedere dag, de allernieuwste en de oude. Oordelen over wat nu wordt geschreven kan het best tegen de strenge meetlat van de beste poëzie van gisteren. Omdat ik de daad graag bij het woord voeg, ben ik misschien ook een pleitbezorger. Die dubbelheid wil ik graag zo houden. Uiteraard bij leven en welzijn.’


    Benadert u dichters voor nieuw werk of sturen ze zelf in, en wordt er veel ongevraagd werk ingezonden?

    ‘De samenstelling van Het Liegend Konijn is het resultaat van een soort drie stromen beleid. Allereerst benader ik een aantal dichters waarvan belangrijk recent werk verscheen. Via een netwerk van contacten zoek ik ook nieuwe dichters op die nog niet hebben gepubliceerd. Tenslotte ontvang ik wekelijks 20 à 25 ongevraagde inzendingen van zowel bekende als geheel onbekende dichters.’


    Om hoeveel gedichten gaat het, en de keuzes die gemaakt moeten worden, hoeveel uren zitten daar wel niet in?

    ‘Een nummer van Het Liegend Konijn bevat de jongste jaren om en nabij de 180 gedichten. Dat is een keuze uit een paar duizend gedichten. De lectuur en selectie van dit enorme aanbod vragen een halftijdse baan.’


    In een interview uit 2012 in Knack liet u zich uit over stadsdichters en landschapspoëten, dat de dichter teveel een performer werd. Hoe denkt u daar nu over?

    ‘Tijdens het jongste decennium werd poëzie in toenemende mate een podiumgebeuren. Als de poëten getalenteerd zijn om de eigen gedichten te brengen, dan beschouw ik dat zonder meer als positief. Maar als dichters hun teksten onverstaanbaar staan te stamelen dan geef ik de voorkeur aan lectuur. Wie herinneringen heeft aan de manier waarop bijvoorbeeld Hugo Claus of Gerrit Komrij hun gedichten op het podium brachten, denkt met heimwee terug aan die unieke momenten.’


    Hoe kijkt u naar de positie van een Dichter des Vaderlands, de kwaliteit van het dichterschap?

    ‘Een Dichter des Vaderlands die ook met talent het podium beklimt, zal ongetwijfeld efficiënter een publieke rol kunnen vervullen. Voor mij blijft de vaststelling overeind dat zwakke poëzie goed gebracht op een podium, nog geen uitstekende poëzie wordt. De kwaliteit van een gedicht is belangrijker dan de wijze waarop het zich bij het publiek aandient: gelezen, gesproken of gezongen. Alles wat bijdraagt om poëzie dichter bij de lezer of luisteraar te brengen, vind ik de moeite waard. Poëzie is deel van het leven. Een goed gedicht kan over alles gaan en moet ook op verschillende manieren kunnen worden gebracht.’

    ‘Met Het Liegend Konijn kies ik voor een vertrouwde vorm, een verzameling gedichten in een fraai boek samengebracht. Maar een pittige presentatie van een nieuw nummer van het tijdschrift ga ik niet uit de weg. Dichters zien en hoe ze hun verzen lezen, kan verhelderend zijn, als hun poëzie maar de moeite waard is!’


    Gezien uw opmerking dat ‘poëzie van nu zich moet kunnen meten met de beste poëzie van gisteren’, welke dichters zou u de jonge dichter van nu aanraden te lezen, zich in te verdiepen? 

    ‘Jonge dichters adviseer ik lectuur aan van de poëzie van Nijhoff, Achterberg, Bloem, Slauerhoff, Van de Woestijne, Vasalis, Lucebert, Claus, Gilliams, Gerlach, Nolens. Deze lijst kan natuurlijk nog uitgebreid worden met het werk van oude meesters als Gezelle, Gorter en Van Ostaijen. Onze poëzie is ongemeen veelzijdig. Natuurlijk verdient het aanbeveling dat dichters ook anderstalige poëzie lezen, in origineel of in vertaling. Persoonlijk heb ik bijvoorbeeld veel gehad aan de Franse poëzie en aan vertalingen. Het poëtisch aanbod is overweldigend. Dichters moeten rusteloos op zoek naar de poëzie die hen aanspreekt. Vreemde poëzie kan zo inspirerend zijn, het opent nieuwe werelden.’


    Ik probeer mij een voorstelling te maken van uw werkkamer, hoeveel poëziebundels heeft u in al die jaren wel niet verzameld?

    ‘Ik probeer alle nieuwe poëziebundels in het Nederlands bij te houden.Dat zijn er om en nabij de tweehonderd per jaar. Het resultaat is een grote poëziebibliotheek. Ook heb ik een verzameling bloemlezingen met poëzie in diverse talen of in vertaling. Mijn collectie Afrikaanse poëzie met dichters als Elisabeth Eybers en Breyten Breytenbach, waaruit ik in 1966 een bloemlezing heb samengesteld, heb ik weggeschonken. Ze is in goede handen.’


    Heeft u er wel eens over nagedacht te stoppen met HLK, en wat er dan met het tijdschrift zal gebeuren?

    ‘Moet een tijdschrift eeuwig blijven bestaan? Mag het niet verdwijnen als het een rol heeft gespeeld? Ik ben me natuurlijk bewust van mijn eindigheid. Daar schrijf ik overigens al heel mijn leven over. Maar ik ben ook een vitalist. Ik leef alsof er geen einde aan komt, al weet ik dat alles eindigt. Laat me bij leven en welzijn verder Het Liegend Konijn redigeren. En wat de toekomst betreft: “On verra”, zegt de Fransman in mij.’


    Wat is de rol van poëzie in uw leven? 

    ‘Een leven zonder poëzie kan ik me niet voorstellen. Zelfs in het ziekenhuis neem ik een verzamelbundel mee. De krachtige verzen bijvoorbeeld van de  Pool Czelaw Milosz, hebben me in moeilijke omstandigheden bemoediging een troost gegeven. Woorden kunnen veel betekenen als ze de dingen aanraken die er toe doen, in een taal die verrast en verwondert. Poëzie is voor mij zingeving die ik niet wil ontberen.’

    Niets passender dan af te sluiten met dit gedicht: 

    Schrijven

    woord
    voor
    woord

    troost
    bedenken
    in tekens

    verzonken
    leven
    herbeleven

    essentie
    zonder
    overdaad

    Uit: Overboord. Gedichten / Jozef Deleu / 79 blz. / Uitgeverij van Halewijck en Van Gennep (2012)

     

    Foto: Lodewijk Deleu

     

     

  • De ambitie herkennen van wat een Grote Nederlandse Roman zou willen

    Martijn Knol werkte zes jaar aan zijn nieuwe roman De lange adem. Na de novelle Elders uit 2014  is dit zijn vierde roman. ‘In stilte’ werkte hij eraan, zoals de auteursbio op de binnenflap vermeldt. Wie hem op internet zoekt, komt behalve zijn eigen website en blog niet veel tegen. Wat er over Martijn Knol te vinden is, gaat waarschijnlijk over een naamgenoot, wat nog wel eens voor verwarring zorgt. 

    ‘Er is een andere Martijn Knol die aan wielrennen doet. Een tijdje geleden kwam iemand naar me toe en vroeg of ik tips voor hem had. “Ja,” zei ik, “gewoon doortrappen.”’ Zijn plek buiten het centrum van de aandacht bevalt hem wel.

    ‘Ik ben gecharmeerd van schrijvers van wie je helemaal niets weet, zoals Salinger of Elena Ferrante. Het enige wat je kunt doen is hun boeken lezen. Dat vind ik wel mooi. Deze tijd vraagt misschien ook wel om een beetje persoonlijke terughoudendheid en het boek het boek te laten zijn.’

    Zoeken naar betekenis

    Maar wie hem zoekt voor een boekpresentatie of literair programma, weet hem wel te vinden, vertelt Knol. Het is dan ook niet zo dat hij niet graag over zijn boeken praat. De enige hapering tijdens het interview komt door een slechte Skypeverbinding aan het begin. Zodra het euvel verholpen is, gaat het gesprek moeiteloos verder. De rijkdom van zijn roman biedt genoeg stof om over te praten. In De lange adem volgen we Robbert, een beveiliger in een warenhuis. In talloze hoofdstukken, scènes en fragmenten komen we meer te weten over hem, zijn collega’s, geliefden en zijn grote kinderwens. Knol schetst hem als een rauwdouwer, iemand die er niet voor terugdeinst om als het nodig is een tik uit te delen, maar tilt hem moeiteloos uit boven het archetypische door ook zijn binnenwereld met zijn kinderwens te beschrijven.

    De andere hoofdfiguur is Roman, een vlotte reclameman die ambities in de politiek krijgt en de Partij voor de Toekomst. Net als Robbert wordt Roman omringd door vele bijfiguren onder wie zijn vrouw en collega’s op zijn reclamebureau die ruim aandacht krijgen. Het maakt van De lange adem een volle en meerstemmige roman waarin figuren uit verschillende lagen van de bevolking elkaars levens kruisen. ‘Als het waar is dat mensen zich tegenwoordig steeds vaker opsluiten in hun eigen gelijk, wat gebeurt er dan als je ze in een roman tot contact dwingt?,’ vroeg Martijn Knol zich af bij het schrijven.

    De lange adem gaat over hoe we betekenis geven aan ons leven. Voor Roman is dat gein, reclamecampagnes maken en rijk worden. Later zoekt hij het in de politiek. Robbert zoekt betekenis in goed burgerschap een gezin, zijn werk en vaderlandsliefde. Als je al die personages volgt, dan krijg je begrip voor al die standpunten. Ik heb willen laten zien dat het ene streven niet meer waard is dan het andere.’

    Luchtgaten naar de buitenwereld

    De meerstemmigheid van De lange adem zit hem niet alleen in de hoofd- en bijfiguren van de twee verhaallijnen. Knol heeft ook stukjes ingelast met moppen en commentaar van fictieve lezers. Ze verwoorden reacties op het gelezene en gaan gesprekken met elkaar aan over bijvoorbeeld de noodzaak van een bepaalde scène in het boek of de mogelijke bedoeling van de schrijver.

    ‘Met deze stemmen kon ik de roman verrijken met andere standpunten en ook twijfel en kritiek toelaten. Op deze manier wilde ik de roman al tijdens het lezen als het ware openwerken naar de samenleving. Soms is het heel leuk om een helemaal gesloten alternatieve wereld te creëren in een roman. Maar in De lange adem zijn de samenleving en democratie belangrijke thema’s en daarom wilde ik luchtgaten maken naar de buitenwereld.’

    Op geheel toevallige wijze kwam de buitenwereld in de roman terecht. Afgelopen voorjaar richtte Henk Krol, nadat hij 50PLUS had verlaten, de Partij voor de Toekomst op, dezelfde naam die Knol had bedacht voor de politieke partij van zijn personage Roman.

    ‘De essentie van politiek campagne voeren is kiezers beloften doen. Die liggen natuurlijk in de toekomst, dus ik dacht: een politicus verkoopt toekomst. Ik vond het zelf wel grappig, die naam. Het is zo over the top.’

    Roman ontpopt zich in De lange adem tot een politicus van populistische snit, wat tot geweldige passages leidt waarin hij zijn ideeën uiteenzet.

    ‘Dat populisme en opportunisme en het gebruiken van de politiek voor je eigen belangen wilde ik graag in mijn roman verwerken, maar tijdens het schrijven kwam het toch wel wat genuanceerder te liggen. Roman heeft weliswaar nare en rare trekken, maar het begon me op te vallen dat hij de politiek onderzocht om te proberen echt iets te betekenen. Er zit een soort ambivalentie in, want wij herkennen de populistische stromingen, maar tegelijkertijd zit er voor hem op psychologisch niveau een soort authentiek verlangen in om de leegte die hij voelt met betekenis te vullen.’

    Grote Nederlandse Roman

    Op de achterflap wordt De lange adem een ‘hilarische, wilde, dwarse, ernstige Grote Nederlandse Roman’ genoemd. Waar het de vorm van deze roman betreft, vormde het essay The Great Dutch Novel van Daniël Rovers een van de beginpunten voor Martijn Knol. Het essay stelt de vraag of er naar analogie van de Great American Novel iets vergelijkbaars in Nederland mogelijk is. Je zou dan een roman moeten schrijven waarin meerdere sociale groepen een plek krijgen en waarin je nadenkt over de samenleving vanaf een afstand en van dichtbij via je empathie. 

    De lange adem is een Grote Nederlandse Roman omdat ik de ambitie herken van wat een Grote Roman zou willen doen, namelijk het maken van een verhaal waarin meerdere perspectieven en stemmen samenkomen. En door de veelheid aan stemmen wordt zoiets al gauw een wat volumineuzer boek.’

    De Great American Novel ontstond in de negentiende eeuw, en misschien kunnen we vanaf dat moment ook zulke romans in Nederland vinden. 

    ‘Misschien zijn Multatuli’s Ideeën wel het begin van de traditie. In dat boek zitten zo veel verschillende stemmen. Voor een Grote Nederlandse Roman is een politiek bewustzijn nodig. Sinds de millenniumwisseling is de emancipatie pas echt een inhaalslag aan het maken. En dan bedoel ik vrouwenemancipatie, homo-emancipatie, emancipatie van mensen van kleur. Eindelijk beginnen al die perspectieven hun ruimte te krijgen dus het is heel logisch dat de roman daar ook wat mee gaat doen. Ik denk dat er een hele mooie canon van dit soort romans gaat komen.’

    Ruimte bieden

    Een andere inspiratiebron voor deze roman is het werk van Jeroen Mettes geweest. 

    ‘Bij hem zie je ook zo mooi dat hij door zijn inhoud anders te structureren probeert om iets anders te zeggen. Een andere vorm levert een andere inhoud op. Door het fragmentarische van bijvoorbeeld zijn lange prozagedicht N30, dat tegelijk wel degelijk een ordening kent, zie je dat het voor hem gewerkt heeft om iets anders te vertellen. Je ziet dat ook bij andere schrijvers zoals Tonnus Oosterhoff, of Ali Smith in haar laatste vier romans waarin ze de Brexit volgt. Dat kun je geen klassiek gestructureerde romans noemen en zo slaagt zij erin de werkelijkheid naar binnen te halen. Zij schept ruimte voor meerdere perspectieven en dat heb ik ook geprobeerd in mijn roman te doen. Als je je zoals veel klassieke romans doen, op één personage richt krijg je een soort partijdigheid. In De lange adem heb ik daarom ruimte gegeven aan heel veel personages.’

    Het geven van ruimte is ook op een andere manier belangrijk voor het schrijverschap van Martijn Knol. Begin dit jaar sprak hij Jannie Regnerus die hij kent uit de tijd dat ze ook bij uitgeverij Wereldbibliotheek publiceerde. Ze vroeg hem hoe het met zijn boek ging. Hij vertelde dat het na enige vertraging nu zou verschijnen. Logisch dat het goed kwam, vond ze, want hij had de beste redacteur van de wereld. 

    ‘Dat is mijn uitgever, Koen van Gulik. Ik ging daarover nadenken en ik begrijp waarom ze het zegt. Wat heel goed aan hem is, is dat hij me het gevoel geeft dat ik precies het boek moet maken dat ik wil. Hij geeft me als schrijver alle ruimte. Dat is wat ik zelf probeer als schrijver, ruimte geven aan de lezer, door andere perspectieven aan te bieden of alternatieve gebeurtenissen. De ruimte die ik aan de lezer wil bieden begint met de ruimte die ik krijg als schrijver.’

    Nu De lange adem in de winkel ligt, is Knol blij dat het schrijven klaar is. 

    ‘In de weken na verschijnen heb ik het boek wel twee of drie keer per dag opgepakt om me ervan te verzekeren dat het er is. Ik ben ook heel gelukkig met het boek als object: hoe het in de hand ligt en openvalt, en het mooie omslag van Christoph Noordzij. Dat effect duurde bij deze roman opvallend lang.’

     

     


     

     

     

     

     

     

     

    De lange adem / Martijn Knol / 480 pagina’s / Wereldbibliotheek (2020)

     

    Foto: ©Francesca Lucarotti

     

  • Platonov en de lange adem van de vertaler

     

    Russisch vertaler Aai Prins werkt aan een vertaalproject dat alle verhalen, verschillende novelles en een roman van de Russische schrijver Andrej Platonov (1899-1951) omvat en in twee delen verschijnt in de Russische bibliotheek van Van Oorschot. Het eerste deel, Platonov Verhalen, verscheen in de zomer van 2019 en werd later in het jaar bekroond met de Letterenfonds Vertaalprijs. Het Letterenfonds roemt Aai Prins (1959) als ambassadeur van de Russische literatuur, al is ze daar zelf zeer bescheiden over.

    Als vertaler heeft Aai Prins een lange staat van dienst, maar ook op andere wijze bracht ze de Russische literatuur onder de aandacht. Zo heeft ze vele stukken geschreven over het werk van Poesjkin, Toergenjev, Dostojevski, Tolstoj, Nabokov en Brodsky, en minder bekende auteurs als Garsjin en Kononov. Van 2006 tot 2014 woonde ze in St. Petersburg waar ze Nederlands doceerde aan het Nederlands Instituut en de Universiteit van Petersburg. Een paar jaar geleden hertaalde ze werk uit de Russische bibliotheek van Gogol, Tsjechov en Pasternak. De vertaling van Platonov, het tweede deel, is in uitvoering.

    In april zou ik Aai Prins thuis  in Amsterdam bezoeken voor een interview. Toen gooide corona roet in het eten. Omdat de kans op een ‘live’ ontmoeting wel eens lang op zich kon laten wachten, spraken we elkaar via een Zoom verbinding. Aai Prins vanuit haar zogenaamde ‘datsja’, aan het Markermeer tussen Hoorn en Enkhuizen, met een wat haperende internetverbinding, en ik vanuit mijn eigen keuken. We spraken over het vertalen van Platonov, die er zijn eigen vreemde woordgebruik op na hield, over de lange adem van een vertaler en hoe bewerkelijk deze vertalingen zijn. 


    Hoe brengt een Russisch vertaler het tot ambassadeur van de Russische literatuur?

    ‘Ja kijk, als je begint met studeren weet je eigenlijk nog niet zo goed waar je aan begint. Het was wel uit liefde voor de Russische literatuur dat ik Russisch ging studeren. Ook wel om het exotische dat me erg aansprak. Het was 1977, de tijd van de muur, de Koude Oorlog. Al had ik toen niet de illusie dat ik zelf vertaler kon worden. Ik wilde het wel maar er gebeurde in die tijd niet zoveel in de Russische literatuur. De klassiekers waren grotendeels al vertaald door, of vergeven aan de gevestigde vertalers als Charles Timmer, Karel van het Reve, Kees Verheul, Tom Eekman. Ik had niet de illusie dat ik daar ooit tussen zou kunnen komen. Maar ik had wel de mazzel, dat toen ik afgestudeerd was, ik vrij snel met de Perestrojka mee kon liften op de stroom van literatuur die na de val van de muur opeens uit Rusland kwam. Ik was net klaar en kon gaan vertalen. Maar ik voelde me niet meteen een ambassadeur van iets hoor.


    Waar en hoe bent u met de Russische literatuur in aanraking gekomen, met Platonov? 

    ‘Mijn ouders hadden veel Russische schrijvers in de kast staan, zo ben ik ermee in aanraking gekomen. Platonov kende ik van mijn studie, hij stond bij ons op de leeslijst. Maar in die tijd was zijn hele werk nog niet ongecensureerd verschenen, dus daar was nog niet alles van bekend. We moesten hem lezen, maar eigenlijk ging het me grotendeels boven mijn pet. Het is een vreemde schrijver, hij gebruikt geen algemeen beschaafd Russisch. Dus ik had wel enige kennis van zijn werk. Maar toen ik een paar jaar geleden door Van Oorschot werd benaderd om Platonov te vertalen voor de Russische bibliotheek, ben ik hem pas echt goed gaan lezen en begrijpen.’


    Toen kon het vertalen beginnen, hoe was dat?

    ‘Het was een enorme klus. Een aantal jaar geleden is zijn volledige werk in zeven delen, ongecensureerd en zo volledig mogelijk uitgegeven. Ik geloof dat zijn dochter zijn boeken bezorgd heeft. Ik heb dat toen allemaal gelezen. Daaruit heb ik een selectie gemaakt voor Van Oorschot, het zouden twee delen worden, en ik heb een selectie uit de verhalen gemaakt. Enkele van zijn beroemdste verhalen waren al vertaald door Timmer, maar die vertaling was op basis van de gecensureerde versie. Ik ben nu bezig met het tweede deel.’ Ze houdt een omvangrijk boek omhoog, een indrukwekkende Russische uitgave. 

    ‘Voor het vertalen van die verhalen heb ik eindeloos veel specialisten moeten raadplegen.  Omdat zijn taalgebruik zo bizar is, moest ik heel vaak bij Russen te rade gaan. Dan vroeg ik of het afwijkend taalgebruik was wat Platonov gebruikte, en dat beaamden ze dan. En dan wilde ik weten waarin het afwijkend was. Dan zeiden ze dat je iets niet zo zegt zoals Platonov het zegt. Kijk, je hebt in het vertalen vaak te maken met een bepaald idioom, ‘fraseologische’ uitdrukkingen. Een simpel voorbeeld: in het Russisch zeg je ‘Piet klimt op de boom’, terwijl wij zeggen ‘Piet klimt in de boom’. Dus als er staat dat ‘Piet op de boom klimt’, wordt dat bij mij, ‘in de boom’. Maar er zijn ook veel gevallen waarvan ik denk dat het fraseologisch incorrect is. Dat moet ik dan wel zeker weten, wil ik het in het Nederlands net zo bizar vertalen als het er in het Russisch staat. Als je dan begint aan een boek van achthonderd pagina’s, dan ben je wel even bezig.’


    Er komen veel technische beschrijvingen voor in zijn verhalen, hoe is dat om te vertalen?

    ‘Platonov was zelf technisch onderlegd en dat ben ik niet, maar ik heb wel drie broers die in de techniek zitten, daar kan ik altijd bij te rade gaan, over elektromotoren en zo meer. Maar het gaat in die verhalen ook over ontspoorde wetenschappers. Die wel iets weten maar daarna technisch helemaal uit het lood raken. Dan moest ik weer gaan uitzoeken of dit normaal was, dat ze bijvoorbeeld de aarde konden laten verschuiven, of dat ze een steen de ruimte in konden katapulteren, of was dat totale onzin? Platonov was landbouwkundige, heeft veel expedities gedaan door de hele Sovjet Unie, er komen dan ook heel veel geologische termen in voor. Dan laat ik me adviseren door een geoloog. Dat maakt een vertaling best bewerkelijk.’


    Vertaalt u ingewikkelde beschrijvingen zoveel mogelijk naar het begrip van de Nederlandse lezer?

    ‘Ik wil het liefst dat de Nederlandse lezer zoveel mogelijk dezelfde ervaring krijgt bij het lezen als de Russische lezer. Dus als er iets technisch gepresenteerd wordt waarvan een Russische specialist denkt, nou dat zit aardig in elkaar, dat klopt wel met al die technische dingen, maar dit is een beetje vreemd, dan wil ik dat de Nederlandse specialist dat ook denkt. Ik heb een hele lijst aan specialisten, van banketbakkers tot monteurs. Dan vertel ik dat ik een boek aan het vertalen ben en of ze mij kunnen vertellen hoe dit of dat zit. Ik ben bijvoorbeeld een hele dag rondgeleid door het Spoorwegmuseum door een man die gespecialiseerd is in oude stoomlocomotieven, die heeft mij heel lief ontvangen. Al mijn vragen had ik van tevoren opgestuurd, hij heeft me alles laten zien, hoe het werkt met die ketels, de stookplaat, de koppelstangen.’


    De verhalen zijn chronologisch op jaartal geselecteerd. Het eerste verhaal, geschreven in 1892, is dat zijn allereerste verhaal?

    ‘Ja, en je ziet dat die eerste verhalen nog niet in die heel bizarre stijl zijn geschreven. Je kunt al wel zijn aanzet zien, tot wat in zijn latere verhalen meer naar voren komt, het bezield maken van voorwerpen. Animistisch heet dat, dat je ieder ding een geest geeft. Dat zie je in zijn latere werken veel vaker maar dat is in aanzet al in die eerste verhalen van hem te zien. Ik heb de verhalen zoveel mogelijk chronologisch achter elkaar gezet, maar daar is een zeker voorbehoud bij, want op een gegeven moment kon hij niet meer vrij publiceren. Hij heeft dingen geschreven die hij nergens kwijt kon. De roman die ik nu aan het vertalen ben, heeft hij geschreven rond 1928, maar werd nooit gepubliceerd. Na die roman heeft hij nog verhalen geschreven die wel weer in deel 1 zijn opgenomen. Dus helemaal chronologisch is het niet. Ik heb zoveel mogelijk de data uit de publicaties aangehouden. Maar er zijn ook verhalen die eerst in tijdschriften hebben gestaan, later in verhalenbundels zijn opgenomen, en dan klopt het qua publicatiedatum niet helemaal. Maar waar mogelijk heb ik de chronologie aangehouden.’ 


    Was Platonov een realist of een romanticus?

    ‘De term romanticus laat zich moeilijk met hem verenigen, maar toch zit er wel iets van een romanticus in hem. Maar in de eerste plaats is hij een bevlogen communist, die aanzet tot grootse daden, vaak heeft hij ook irreële hoop, en ondertussen was hij wel een gelovig communist met een keiharde benadering van alles. Dat realisme van hem, dat is in sommige van zijn sciencefiction-verhalen ook weer ver te zoeken. Maar de elementen waarmee hij zijn verhalen opbouwt zijn wel degelijk realistisch. De machines, en zo. Maar goed, zijn verhalen over de kosmos, de ruimtereizen, of dat realistisch is? Misschien, ik weet het niet.’


    Hij was een volgeling van Stalin maar zijn verhalen doorstonden de censuur niet. Stalin wilde hem zelfs uit de partij zetten. Toch bleef hij op dezelfde aanstootgevende wijze doorschrijven.

    ‘Ja, dat klopt, dat bracht hem steeds in de problemen. Hij was in feite een proletariër pur sang, kwam uit een armoedig gezin. Hij was iemand van de toekomst, tot op het bizarre af. Er is dat verhaal over de collectivisatie van de landbouw. Over die boeren die van hun land worden gejaagd, onteigend worden en naar Siberië moeten. De slachtoffers en de hongersnoden die daaruit voortgekomen zijn, heeft hij gezien. Maar hij vond, ‘waar gehakt wordt vallen spaanders’. Hij schreef daar een verhaal over en voerde daarin een paar personen op die een beetje geschift waren en helemaal niet bij het socialisme hoorden, ofwel geloofden in de goede zaak. Hij dacht dat hij bijdroeg aan de goede zaak, door de dingen zo te presenteren. Maar Stalin en zijn trawanten zagen daar een en al kritiek in. Dan kreeg hij op zijn donder, en begreep hij niet waarom. Dat is wel ongelofelijk: a: dat ie zo’n verhaal kon schrijven, er achter bleef staan ondanks dat ie gezien had wat er speelde, en b: dat hij niet snapte dat ie daardoor in de problemen kwam. Platonov is een ingewikkelde persoonlijkheid.’

     

    Wat betekent het winnen van de Vertaalprijs voor u, had u die verwacht?

    ‘Nee, nee, absoluut niet. Ik was ergens een tolkencursus aan het doen, notatietechniek voor synchroon tolken. En toen werd ik gebeld, dat ik die prijs gewonnen had. Het was een ongelofelijke verrassing. En het fijne aan deze prijs, vind ik, dat deze wordt toegekend door vertalers. Ik voelde me daardoor zeer vereerd.

     

    Ging u na de prijsuitreiking vrolijk door met het vertalen van het tweede deel?

    ‘Dat was wel de bedoeling, dat ik gelijk door zou gaan maar dat ging niet zo makkelijk. Nu ben ik aardig op stoom. Al weet ik nu al dat ik het weer niet op tijd zal inleveren. Het is gewoon waanzinnig veel, de roman, Tsjevengoer, die ik nu aan het vertalen ben, is alleen al ruim 400 pagina’s. Dan heb je de hele dag vertaald en aan het eind van de dag zie je die stapel bladzijden maar niet minder worden. Dat eerste deel had het voordeel dat het korte verhalen waren, dan vertaal je een verhaal en dan is het af. Dan kun je zo’n pakketje maken en zien wat je gedaan hebt. Maar met zo’n loeilange vertaling is het lastig om dat op te brengen.’


    Waar gaat die roman over?

    ‘Het is een verhaal over de verzonnen stad Tsjevengoer. Een paar enthousiaste bolsjewieken gaan daar het communisme vestigen. Ze spreken in een vreemd jargon, vol communistische termen, een beetje van alles door elkaar. Ze zijn zeer bevlogen maar wat moeten ze bijvoorbeeld met de  bourgeoisie? Ze schrijven hen een brief dat ze op het plein moeten samenkomen. Ze komen daar ook echt naartoe en worden dan afgemaakt. Kijk dat soort dingen worden hoppa gepresenteerd. Het is gruwelijk, maar het wordt gepresenteerd door welwillende bolsjewieken die daar orde op zaken komen stellen. Dat is een heel klein aspect van de roman, een fragment dat ik net heb gedaan.’


    Hoe werkt dit op u door, zulke passages?

    ‘Af en toe grijpt het me wel aan. Het is geschreven in 1928, en dan is die passage waarin de bourgeoisie uit het stadje gesommeerd wordt met een koffertje naar het plein te komen, haast profetisch. De Tweede Wereldoorlog moest nog komen. Zulke passage zijn hard om door te nemen, en ik weet dat er meer van zulke passages komen. Ik heb wel vaker akelige dingen in romans vertaald, daar had ik nooit zo’n last van. Maar opeens zag ik voor me wat daar, en later in het echt gebeurde. Het is natuurlijk een verzonnen stad, maar de gebeurtenissen zijn wel degelijk geënt op de waarheid. Als het ware werpt het zijn schaduw ver vooruit. Het is niet voor niks dat deze roman nooit heeft kunnen verschijnen in de Sovjet Unie.’


    Hoe lang heeft u gewerkt aan het eerste deel?

    ‘Lachend: ‘Dat durf ik niet eens te zeggen, ik heb er in ieder geval een jaar langer over gedaan dan was afgesproken. Ik denk dat ik er toch wel twee, tweeënhalf jaar mee bezig ben geweest. En ik vrees dat ik voor het tweede deel ook meer tijd nodig zal hebben.’ 

    Het is niet alleen de vertaling waar Aai Prins zich mee uiteen zet, bij het eerste deel schreef ze ook het uitvoerige en zeer lezenswaardige nawoord Een man die niet kon liegen, over de mens Platonov en zijn schrijverschap.

    ‘Het manuscript van zijn roman die ik nu aan het vertalen ben, liet hij aan Gorki lezen en die zei, “nou dat krijg je niet gepubliceerd”. Maar Platonov begrijpt niet waarom. Dan gaat hij allemaal brieven schrijven waarin hij zich erover beklaagt dat hij bestempeld wordt als een subversieve schrijver; maar dat komt allemaal in het nawoord van deel twee.’

     

     

     


    Platonov Verhalen / Andrej Platonov / vertaald door Aai Prins / Uitgeverij Van Oorschot (2019)

     

     

     

     

     

     

    Foto: ©Gerard van der Wardt

  • Je kunt verhalen herzien en nieuwe verhalen beginnen

    ‘Zo ziet mijn leven er op dit moment uit,’ zegt Sander Kollaard (1961) ineens. We zitten op een terras in Amsterdam. De schrijver woont in Zweden en is voor tien dagen overgekomen voor de promotie van zijn roman Uit het leven van een hond die eind juni werd bekroond met de Libris Literatuur Prijs. Er is zojuist een enorme hoosbui losgebarsten, maar boven onze tafel hangt een grote parasol. ‘Overal vallen buien en gebeuren vreselijke dingen, maar ik zit lekker droog.’ 

    Sinds enkele jaren leeft Sander Kollaard alleen van het schrijven. Dat brengt onzekerheid over inkomsten met zich mee, ook omdat zijn vrouw op projectbasis werkt. Tot vier jaar geleden werkte hij ook nog als redacteur voor een medische uitgeverij, uit financiële noodzaak. Maar toen ging die zaak failliet, vertelt Sander Kollaard. ‘Op dat moment zat ik al met de vraag of ik er niet mee moest stoppen om me volledig op het schrijven te richten. Gelukkig werd de keuze toen voor mij genomen. Het was een enorme bevrijding en daardoor kon ik veel meer gaan schrijven. Dankzij de Librisprijs kunnen we het leven dat we nu leiden langer volhouden.’ 


    Veel te vieren

    Zijn bekroonde roman Uit het leven van een hond beschrijft een zaterdag uit het leven van de 56-jarige Henk van Doorn. Een doodgewone zaterdag, behalve dat Henks hond ziek is. ‘John Updike werd eens gevraagd waarom hij schreef. Hij antwoordde toen: “To give the mundane its beautiful due”, dat je zou kunnen vertalen met “het alledaagse tooien met de schoonheid die haar toekomt”. Dat heeft mij altijd erg aangesproken. Waar literatuur erg goed in is, is mensen opnieuw te laten kijken naar wat ze al kennen. Maar dan met een frisse blik. Dan zie je veel meer en worden ook de banale dingen op slag interessanter.’

    Geconfronteerd met de ziekte van zijn hond ervaart Henk zijn emoties wat sterker dan normaal. Hij kent de nare en verdrietige kanten van het leven. Hij heeft bijvoorbeeld zijn oudere broer verloren, een dementerende vriendin en hij is gescheiden. Ondanks het besef dat hij zijn hond over niet al te lange tijd zal verliezen, weet hij de wending te maken naar de gelukkige kanten van het leven. ‘Er valt in het leven veel te vieren. Je moet het alleen wel willen zien en dat begint Henk op deze dag te ontdekken.’

    Als je Uit het leven van een hond vergelijkt met de andere boeken van Sander Kollaard, dan lijkt het nog een meest op zijn debuut Onmiddellijke terugkeer van uw geliefde. ‘Het is een soort vervolg qua toon, klank en lichtheid. In het eerste boek is er ook het besef van sterfelijkheid, een memento mori, dat als een onweerswolk boven alles hangt. Het geeft de hoofdpersoon in die verhalenbundel een gevoel van zinloosheid. Maar Henk uit mijn laatste boek maakt de draai dat we aan die sterfelijkheid ook alles te danken hebben wat goed en bijzonder is.’ 


    Buitenspelen

    ‘Elk boek heeft zijn eigen regels. Een onderdeel van het schrijven is het ontdekken van die regels. Het is alsof je een spel krijgt toegeworpen zonder gebruiksaanwijzing,’ vertelt Kollaard over zijn schrijfproces. Elk boek is dan ook totaal anders dan het vorige. Zijn vorige verhalenbundel Levensberichten is wat vertellen betreft het minst conventioneel: ‘Op dat boek ben ik het meest trots. Ik heb met die verhalen de vorm enorm weten op te rekken voor mezelf. Ik ontdekte nieuwe mogelijkheden van vertellen. En daar is Uit het leven van een hond ook een gevolg van.’ 

    Bij het schrijven van Uit het leven van een hond volgde Sander Kollaard wat hemzelf bezighield. Dat het een boek over onder meer levenslust is geworden bijvoorbeeld, is omdat de schrijver die zelf ook in zijn eigen leven meer dan voorheen ervaart. Dat het boek het gevoel van levenslust doorgeeft aan de lezer komt, denkt  Kollaard, door de lol waarmee hij het geschreven heeft. ‘Dat werkt aanstekelijk.’

    ‘Een andere schrijver heeft me wel eens voorgehouden dat het een slecht teken is als je om je eigen grapjes moet lachen. Maar ik denk: als ik er niet om lach, dan lacht er helemaal niemand om. Ik heb veel plezier gehad in het schrijven. Allerlei zinnen en beelden leken als vanzelf te komen. Dat geldt ook voor het vertelperspectief. Het scheelt niet veel of de schrijver komt zelf tevoorschijn in het verhaal. Toen ik dat eenmaal doorhad, zag ik ook de mogelijkheden van wat je daar allemaal mee kunt doen. Daarop heb ik me toen uitgeleefd.’

    Het liefst schrijft Sander Kollaard zonder al te veel plannen en zonder schema. In de handeling van het schrijven gebeuren volgens hem namelijk de interessante dingen. Verhalen lenen zich beter voor die manier van schrijven, want ze zijn op alle niveaus overzichtelijker dan romans. Romans schrijven is daarom meer een gerichte, ambachtelijke inspanning. ‘Het is niet dat ik daar geen lol in heb, maar ik schrijf liever korte verhalen. Dat voelt als buitenspelen, terwijl een roman schrijven meer is als huiswerk maken.’ 


    Fascinatie voor verhalen

    Terugkerend thema in het werk van Sander Kollaard is het vertellen van verhalen. In Uit het leven van een hond noemt Henk verhalen onze meest basale vorm van begrip. In zijn vorige verhalenbundel Levensberichten is het vertellen van verhalen een expliciet thema en ook in de eerdere roman Stadium IV en Onmiddellijke terugkeer van uw geliefde is Kollaards fascinatie voor verhalen aanwezig. 

    ‘We kunnen ons alleen maar verhouden tot onszelf en de ander in de vorm van verhalen. Al onze kennis en al ons begrip neemt de vorm aan van een verhaal. Voor mij als schrijver is dat fascinerend, omdat ik me bemoei met dat web van verhalen dat er in de wereld is. Los daarvan is het een vruchtbaar perspectief op wat er in de wereld gebeurt, de verhalenstrijd die je overal ziet, zoals in de discussies over identiteit. Of dat nou is met populistisch rechts, de Nederlandse cultuur of Black Lives Matter: iedereen doet zijn of haar best anderen te overtuigen van het eigen verhaal. 

    Wat essentieel is om te begrijpen aan de hele discussie over identiteit, is dat het verhalen zijn die we onszelf en anderen vertellen. Je hebt het niet over een noodlot of onwrikbare waarheid. Het wordt natuurlijk pijnlijk als jouw verhaal door anderen wordt verteld, zoals zwarte Amerikanen is overkomen: hun verhaal is te lang en te vaak verteld door witte Amerikanen en doordrenkt van racistische vooroordelen. Maar aan die verhalen kun je ook een nieuw verhaal toevoegen. Dat doen ze nu met veel overtuiging. Ik vind het iets bevrijdends hebben om op die manier naar de wereld te kijken, omdat het je weghoudt bij absolute waarheden. Je kunt verhalen herzien en nieuwe verhalen beginnen.’


    Extra leven

    Een nieuw verhaal beginnen, het is een metafoor die mooi past bij het leven van Sander Kollaard. Hij debuteerde tamelijk laat, pas toen hij vijftig was. In zijn jongere jaren schreef hij wel eens iets, maar hij had nooit de concrete ambitie om schrijver te worden. Pas toen hij naar Zweden verhuisde begon hij het schrijven serieuzer aan te pakken. 

    ‘Ik kreeg een relatie met mijn Zweedse vrouw, Susanna, die ik in Nederland leerde kennen, juist toen zij op het punt stond weer naar Zweden te gaan. Toen ben ik met haar meegegaan. Omdat zij al twee kinderen had, kreeg ik ook een rol als vader. En niet lang daarna kregen we samen ook nog een kind. Het was een opwindende, maar ook een zware periode waarin voor mij vrijwel alles veranderde. Om mijzelf niet te verliezen in die nieuwe rollen, ben ik bewust uren voor mijzelf gaan nemen, en daarin ben ik begonnen met schrijven. En dat leidde al vrij snel tot publicaties in De Gids en in Tirade.’

    Met zijn schrijverscarrière ging het meteen goed. Voor zijn debuut ontving hij de Lucy B. en C.W. Van der Hoogtprijs, Stadium IV werd verkozen tot Boek van de Maand bij De Wereld Draait Door, en nu volgt de Libris Literatuur Prijs. Sinds het verschijnen van Uit het leven van een hond heeft hij alweer een nieuw verhaal geschreven en inmiddels is hij ook weer bezig met een nieuwe roman. Achter de schrijftafel is hij zijn personage Henk allang weer kwijt. ‘Maar ik ben heel blij dat Henk door deze Librisprijs een extra leven heeft gekregen en nog een tijdje mee mag.’

     

     

     

     

     

     

     

     

     

     

    Foto: Susanna Erlandsson

     

     

  • Grote schrijvers en hun onuitputtelijke bron van verhalen en ideeën

    Ianthe Mosselman is initiatiefnemer van ‘Het grote Schrijversinterview’, een serie gesprekken met vrouwelijke Nederlandstalige auteurs die een imposant oeuvre hebben opgebouwd. Schrijvers die haar door hun boeken hebben geïnspireerd. Door de coronacrisis werd het eerste interview, met Astrid H. Roemer, uitgesteld. Nu de regels versoepeld zijn, zal dit volgende week plaatsvinden. 

    Als programmamaker bij De Balie maakte Mosselman verschillende cultuurprogramma’s waaronder het jaarlijkse ‘Gesprek Voor de Dam’, en interviewde ze verschillende internationale schrijvers. Voor de Volkskrant schrijft ze zo nu en dan opiniestukken. Zo schreef ze vorig jaar een stuk naar aanleiding van het boekenweekthema ‘De moeder de vrouw’ waarin ze haar kritiek uitte op de CPNB die ondanks het thema het niet relevant vond een vrouwelijke schrijver het boekenweekgeschenk te laten schrijven. Ze concludeerde dat ook in de letteren gelijkwaardigheid blijkbaar nog ver te zoeken is.

    Dat de aandacht voor literatuur zich steeds meer in de marge van de samenleving bevindt, was voor haar aanleiding een serie interviews te organiseren onder de titel ‘Het Grote Schrijversinterview’. Waarmee ze grote vrouwelijke schrijvers zoals Vonne van der Meer, Saskia de Coster, Astrid H. Roemer, Connie Palmen en Charlotte Mutsaers, de aandacht wil geven die ze verdienen. In interviews van elk anderhalf uur, zal Mosselman ingaan op fragmenten uit het werk van de schrijvers. Over het ontstaan van hun verhalen, hoe hun personages mensen worden en welke schrijvers hen hebben geïnspireerd. 

    Voor Literair Nederland mailde ik met Ianthe Mosselman over het belang van lezen, wat we kunnen leren van literatuur, grote schrijvers en hun waardering en met een mooie leeslijst voor de zomer.


    Waarom een serie interviews met enkel vrouwelijke schrijvers?

    ‘Het is belangrijk dat er over literatuur gepraat wordt, dat daar de tijd voor genomen wordt. In de afgelopen jaren heb ik vaker in De Balie schrijvers geïnterviewd, en dat zijn echt mooie gesprekken, er ontstaan altijd nieuwe inzichten. Ik wilde dus meer interviews doen en met de ophef vorig jaar over het thema van de Boekenweek dacht ik meer na over de mate van aandacht voor vrouwelijke schrijvers in Nederland. Ik vind dat we echt veel goede vrouwelijke schrijvers hebben, en hun werk verdient een groter podium dan ze nu krijgen. En als programmamaker heb ik de mogelijkheid hen dat te geven.’ 


    Wat wil je laten zien met deze interviews? 

    ‘In een bericht las ik dat de laaggeletterdheid toeneemt, dat jongeren lezen tijdsverspilling vinden, terwijl ik denk dat je van literatuur veel kunt leren. Niet dat literatuur je per se een beter mens maakt, maar wel dat het je een soort levenservaring geeft. Literatuur beschrijft de mooie en lelijke kanten van het bestaan en laat zien hoe andere mensen leven en met de moeilijke kanten omgaan. Daarover doorpraten met elkaar leert je iets over jezelf en anderen en de wereld waarin je leeft. Bovendien is het toch ontzettend wonderlijk hoe schrijvers van niets een verhaal maken, een verhaal dat je ontroert of boos maakt of verwart. Ik denk dat het noodzakelijk is om te laten zien hoe bijzonder dat is, zeker in een tijd waarin sommigen met dedain naar kunst en cultuur kijken.’


    Hoe kwam jezelf tot lezen in je jeugdjaren en welke boeken las je? 

    Ik las heel veel kinderboeken, Tonke Dragt, Astrid Lindgren, Abbing en Van Cleeff, Roald Dahl. De bibliotheek was bij ons om de hoek, daar kwam ik vaak en mijn moeder gaf mij ook vaak boeken. Op de middelbare school heb ik veel Engelse boeken gelezen. We volgden daar een methode, die was opgezet door mijn Engelse docent. Geen grammaticales, maar tien boeken per jaar lezen en brieven schrijven. In de eerste klas was dat de serie over Sophie van Dick-King Smith, en later Harry Potter, A Series of Unfortunate Events, the Princess Diaries. 


    Wat zijn voor jou grote schrijvers?

    ‘Schrijvers die invloed op me hebben gehad zijn vindingrijk in hun taalgebruik en lijken over een onuitputtelijke bron van verhalen en ideeën te beschikken. Zulke schrijvers krijgen het voor elkaar om telkens weer iets te schrijven dat je raakt. Judith Herzberg schreef in een gedicht in de bundel Liever brieven: ‘Hoe heerlijk moet het zijn/ je in gedichten te begeven/ zonder dat schrijnende:/ had ik dat maar geschreven.’ Dat is ook iets wat grote schrijvers doen, ze maken je jaloers met hun vondsten.’ 


    Vrouwelijke schrijvers als Joan Didion, Simone de Beauvoir, Margaret Atwood hebben een hooggewaardeerde status bereikt in eigen land en daarbuiten. Kennen we ook in Nederland zo’n vrouwelijke schrijver?

    ‘Ik vind het moeilijk te vergelijken. De schrijvers die ik voor De Balie ga interviewen vind ik erg goed. Of ze even goed zijn als anderen, of beter, vind ik niet zo interessant. Ik vraag me ook niet af of Tommy Wieringa en Ilja Leonard Pfeijffer de nieuwe Hemingway en Salinger zijn. Didion, De Beauvoir en Atwood kent min of meer iedereen met een interesse voor literatuur. Er zijn inderdaad hele goede Nederlandse schrijvers die in diezelfde periode als deze drie geboren werden, zoals Andreas Burnier, Judith Herzberg en Vasalis.  Maar qua waardering lopen ze ook internationaal achter op mannelijke schrijvers.’ 

    ‘Ik ben geen expert op het gebied van receptie, maar hun werk heeft een kwaliteit die wat mij betreft meer gewaardeerd mag worden. Literatuurwetenschapper Corina Koolen promoveerde op ongelijkheid in de literatuur en een van haar bevindingen was dat er ondanks dat ongeveer 40 procent van de literaire romans wordt geschreven door vrouwen; grofweg driekwart van de grote prijzen naar mannelijke auteurs gaat.’ 


    Is er na de ophef over het boekenweekgeschenk van vorig jaar, verandering te bespeuren in de waardering voor vrouwelijke schrijvers?

    ‘Op de long- en shortlist voor de Libris Literatuurprijs stonden dit jaar evenveel mannen als vrouwen, dat lijkt me wel een verandering. Nu vind ik niet dat er altijd een precieze verdeling gemaakt moet worden, maar ik denk wel dat het belangrijk is dat mensen beseffen dat ze werk van een vrouwelijke schrijver wellicht minder waarderen dan dat van een man en dat dat dus niet alleen te maken heeft met wat er op papier staat. Aan de mensen die in de literaire wereld werken de taak om te laten zien dat ook het literaire werk van vrouwen zeer de moeite waard is.’ 


    De eerste schrijver in deze serie gesprekken is Astrid H. Roemer. Wat is de betekenis van haar werk?

     ‘Literatuurwetenschapper Maaike Meijer zei over Astrid H. Roemer dat ze de eerste schrijver is die op een zelfbewuste en volkomen oorspronkelijke literaire manier stem gaf aan het postkolonialisme van Nederland. Maar dat is niet de belangrijkste reden waarom ik haar gevraagd heb om deel te nemen aan deze serie. Ik vind haar een ontzettend goede schrijver. Er is een fragment uit Olga en haar driekwartsmaten dat nu al dagen door mijn hoofd spookt en waar ik telkens aan moet denken. Roemer beschrijft daarin hoe iemand sterft en dat doet ze zo treffend en ontroerend. Heel bijzonder hoe ze dat doet. Het voelt alsof ik het zelf heb gezien, en daar wil ik met haar over praten.’ 


    Als je één boek zou moeten aanraden van elke schrijver die je gaat interviewen, welk boek zou dat zijn?

    Gebroken wit van Astrid H. Roemer, Nachtouders van Saskia de Coster, Eilandgasten van Vonne van der Meer, Jij zegt het van Connie Palmen en Koetsier Herfst van Charlotte Mutsaers. Dat lijkt me best een mooie zomerleeslijst zo. 

     

     


    Kijk hier voor meer informatie over de serie Het Grote Schrijversinterview.

     

  • Ik zou willen dat mijn boeken worden gezien als een Japanse tuin

    Onlangs verscheen van Jannie Regnerus haar vierde roman Het wolkenpaviljoen bij Van Oorschot. Voor Literair Nederland sprak Just Houben onder meer met haar over het ontstaan van een boek en waarom ze geen dikke boeken zal schrijven.

    Tijdens een verblijf van twee jaar in Mongolië begon beeldend kunstenaar Jannie Regnerus (1971) met schrijven om de dingen die haar verwonderden vast te leggen. Het mondde uit in het verslag De volle maan als beste vriend. Over haar jaar in een gastatelier  in Japan schreef ze Het geluid van vallende sneeuw. Daarvoor ontving ze in 2007 de Bob den Uyl Prijs voor het beste reisboek. Vanaf dat moment begon ze ook romans te schrijven en inmiddels is ze meer schrijver dan beeldend kunstenaar. De verhouding is 80-20, schat ze, of misschien zelfs 90-10. Onlangs verscheen haar vierde roman Het wolkenpaviljoen, waarin een architect zijn leven opnieuw moet vormgeven na een scheiding. ‘Ik wil begrijpen waarom de mens zo veerkrachtig is. Dat is het thema van al mijn boeken.’

    Het interview vindt plaats in een park in Haarlem, de woonplaats van Regnerus. Daar, in de buitenlucht, is genoeg ruimte om gepast afstand te kunnen houden tijdens het gesprek. We lopen langs het water op zoek naar een geschikte plek. Het is er rustig en we hebben de keus uit een bank in de zon of een in de schaduw. ‘Ik heb een voorkeur voor de schaduw. Ik houd van indirect licht,’ zegt Jannie Regnerus. ‘Je hebt mijn boeken gelezen, dus dat zal je niet verbazen.’

     

    Ontstaan van Het wolkenpaviljoen 

    Een paar jaar geleden zag Regnerus een foto in de krant. In een verlaten fabriekshal hadden twee ingesloten duiven een nest gemaakt van materiaal dat ze daar konden vinden. Bij gebrek aan mos en takjes hadden ze gaas en ijzerdraad omgebogen om daar zo goed mogelijk een nest van te maken. Tevergeefs bleek: toen het nest werd gevonden, lagen er twee niet-uitgekomen eieren in. Deze foto zette Jannie Regnerus aan het denken over wat er nodig is om van een huis een thuis te maken. Het vormde het begin van Het wolkenpaviljoen.

    De veertigjarige Luut, hoofdpersoon in Regnerus’ nieuwe roman, ontwerpt huizen, hij is architect. Maar hij is er niet in geslaagd een thuis te maken. Het huwelijk met zijn vrouw Kris is stukgelopen. ‘Er is een verhaal over een gesneuvelde theepot,’ schrijft Regnerus in haar roman, ‘en een verhaal over een groot huis waarin een man en een vrouw zich net zolang voor elkaar verstoppen tot geen van beiden de ander nog zoekt.’ Luut overdenkt hoe zijn huwelijk heeft kunnen mislukken maar vooral denkt hij na over hoe hij nu, alleen, een plek voor zijn dochter Tessel kan maken waar zij kan wortelen en groeien.’ 

    Regnerus vergelijkt het geweten van Luuts jeugd met een groene weide. ‘In de eerste twintig jaar van zijn leven heeft Luut geen noemenswaardige schade toegebracht aan de levens van anderen. Maar niemand kan leven zonder ooit brokken te maken of een ander pijn te doen, ook al is dat niet je intentie. Nu Luut veertig is, is zijn geweten bebouwd. Op de groene velden zijn bouwwerken verrezen en er is ook al verval. In die scherp gehoekte panden en schimmige stegen heeft hij zijn falen ondergebracht. Bijvoorbeeld zijn aandeel in de scheiding die zijn dochter, uitgerekend het wezen dat hem het meest dierbaar is, pijn en ongemak berokkent, zoals het pendelen tussen twee huizen. Luut moet daarmee in het reine zien te komen. Tijdens zijn pelgrimage naar Japan ziet hij in dat hij met de brokstukken van zijn verleden iets nieuws kan bouwen, iets wat ook goed en hoopvol is. Daar gaat Het wolkenpaviljoen over.’


    Je vertelde dat Het wolkenpaviljoen begon met dat beeld van het duivennest. Had dat beeld een medium bij zich? Wist je dat dit een verhaal zou worden, of had het ook een beeldend werk kunnen worden?


    ‘Ik had er inderdaad ook iets heel anders mee kunnen doen. Maar ik houd ervan om nadenkend, beschouwend proza te schrijven. Waarin je als het ware met het facetoog van een libelle, steeds vanuit een andere hoek naar je thema kijkt. Daar leent schrijven zich heel goed voor. Het geeft me het idee dat ik wetenschap van het menselijk leven beoefen.’ 

    Wie wetenschap bedrijft moet goed observeren. Een ‘hartstochtelijk observator’ wordt ze in recensies genoemd. Haar romans staan vol mooie waarnemingen die veel zeggen over de personages waarover ze schrijft. Is dat hoe ze zelf ook observeert?
    ‘De dingen om mij heen nemen eenzelfde temperatuur aan als die van mijn gemoed. In de observaties probeer ik de binnenwereld van de personages op te roepen. Ik zal nooit schrijven “Luut is verdrietig”. Dat hij verdriet voelt zal zich uiten in wat hij observeert en hoe dat onder woorden wordt gebracht. Dus heel erg indirect. Ik houd ervan om literair langs de band te biljarten.’


    Je romans zijn vrij kort, zo’n 100 tot 120 pagina’s. Alleen De ent is langer…

    (lacht) ‘Dat is mijn debuutroman. Toen moest ik het nog leren.’


    Waarom kies je voor deze lengte?

    ‘Het past me, ik weeg mijn woorden heel zorgvuldig. Ik kom uit de kunstwereld en verbaas me er altijd over dat in de literaire wereld zoveel belang lijkt te worden gehecht aan omvang. Neem nu Het melkmeisje van Vermeer of De nachtwacht van Rembrandt, dat zijn toch allebei meesterwerken? Alleen bij de één is veel minder verf gebruikt en minder canvas. Maar inhoudelijk is het evenveel waard. Mijn romans bestaan uit 120 pagina’s samengebalde intensiteit. Ik vergeleek het laatst eens met een maggiblokje. Ik dien geen soep op, maar geef de lezer smaak en specerijen waar hij of zij zelf soep van kan maken.
    De eerste versie is altijd twee keer zo lang. Dan begint het snoeien tot de kern. Daar zit het meeste werk in. De compositie is ook heel belangrijk. Meer dan verhalende chronologie      rijmt mijn werk op beeld en gedachten. Er zitten hoofdstukken in die een soort mini-essays zijn. Bijvoorbeeld dat stuk over het planetarium van Eise Eisinga, waarmee hij wilde aantonen dat de aarde niet in botsing zou komen met andere planeten. Dat gaat dan weer echoën met een andere scène in het boek waarin Luut in het bed van zijn dochter ligt en kijkt naar de plastic sterren op het plafond. Dan realiseert hij zich dat hij en de moeder net als planeten rond hun dochter cirkelen, op veilige afstand zodat ze niet zullen botsen.’


    Ben je lang aan het schuiven met hoofdstukken?

    ‘Ja, aan het eind leg ik alles door de kamer heen en raap dan een volgorde. Mijn redacteur zei laatst: “Oh, dat doe ik ook bij een poëziebundel.” Het is een proces dat lijkt te worden gestuurd door associatie en intuïtie.’ 


    Zentuin

    Jannie Regnerus groeide op in Oudebildtzijl, een Fries dorpje aan de Waddenzee. Niet bepaald een plek voor een kunstenaar. ‘Het is een volkomen cultuurarme plek,’ vertelt ze. ‘De enige cultuur waar ik vroeger toegang toe had waren de verhalen in de Bijbel en de orgelmuziek in de kerk. Ik was daar enorm ontvankelijk voor, maar ik dacht dat iedereen dat was. Pas later realiseerde ik me dat ik op een onhandige plek geboren was met mijn honger naar cultuur en kunst.’


    Jouw beeldende werk is vaak ‘Japans’ genoemd. Wanneer kwam je voor het eerst in aanraking met Japanse kunst?

    ‘Vroeger gingen wij in de zomervakantie naar de Veluwe. Dan stonden we drie weken lang op een Christelijke camping met een vouwcaravan. Eén van de jaarlijkse rituelen was dat we op de witte fietsen naar het Kröller-Müller Museum gingen. Daar zag ik als jong meisje Japanse prenten hangen. Dat maakte diepe indruk op me. Die prenten hebben een bepaalde helderheid, sfeer en verfijning. Ik vond dat zoiets moois!’ 


    Zit er ook iets Japans in je schrijven?

    ‘Je kunt naar mijn boeken kijken als naar een zentuin. Op het eerste gezicht heel minimalistisch, maar als je er langer naar kijkt kun je er steeds andere dingen in ontwaren en nieuwe betekenissen aan toedichten. Ik krijg van lezers terug dat ze mijn romans na eerste lezing meteen weer herlezen. Misschien zou ik willen dat mijn boeken zo worden gezien, als een Japanse tuin. En ook houd ik heel erg van Japanse literatuur. Van Tanizaki en Kawabata bijvoorbeeld. Zij schrijven ook ab-so-luut niet frontaal, maar heel indirect. De hele Japanse cultuur is natuurlijk van indirectheid doordrenkt. Deze schrijvers beheersen een  proza waarin tussen de regels heel veel te lezen valt, zonder bombast roepen zij met verfijning een tragiek op. Zoals in de novelle De schone slaapsters van Kawabata, dat hele verhaal voltrekt zich in de zintuigen van de hoofdpersoon. In essentie is dat hoe ik wil schrijven.’

     

     


     

     

     

     

     

     

     

     

     

     

     

    Foto auteur: Tessa Posthuma de Boer

     

  • Uit respect voor het boek zijn onze uitgaven niet in de ramsj te vinden

    De jonge uitgeverij Koppernik, opgericht in 2014 door Bart Kraamer en Chris de Jong, afficheert zich als onafhankelijk en is gericht op eigenzinnige boeken die gedurfd  en uitdagend zijn. Waar zit die uitdaging precies in en wie zijn de mensen achter deze eigenzinnigheid? Adri Altink sprak voor Literair Nederland met Chris de Jong, een van de uitgevers van Koppernik.

    We ontmoeten elkaar in Haarlem. De door Chris de Jong voorgestelde wandeling zit er door de weersomstandigheden niet in. Aanhoudende regens houdt de mensen binnen, het plein voor de Sint-Bavo ligt er net zo verlaten bij als de Piazza del Duomo in Milaan door  het coronavirus. We gaan naar Grand Café Brinkmann aan de Grote Markt, waar al snel een geanimeerd gesprek ontstaat.

    Hoe is de uitgeverij ontstaan?

    ‘Ik had zelf een roman geschreven die ik naar Meulenhoff had gestuurd; Bart Kraamer werd daar mijn redacteur. Een reorganisatie bij Meulenhoff zorgde er echter voor dat hij boventallig werd en mijn debuut niet doorging. We hielden er wel een vriendschap met elkaar aan over. Boeken en literatuur bepaalden onze gesprekken en we zaten vol ideeën over literatuur die bij uitgevers geen kans krijgt. Tot iemand ons het laatste zetje gaf met de vraag: waarom beginnen jullie zelf geen uitgeverij?’

    En dat werd Koppernik. Hoe kwamen jullie aan die naam?

    ‘Die was een idee van Bart. Hij had Doctor Copernicus van John Banville gelezen en was daarvan onder de indruk. Koppernik of ook wel Kopernik was de oorspronkelijke naam van de Poolse astronoom die een wetenschappelijke revolutie veroorzaakte door het geocentrische denken te verlaten tegen de druk van zijn tijd en zijn geloof in. Een radicaal andere manier van kijken, zoals ook wij anders naar de boekenmarkt kijken’.

    Waar zit dat in, die revolutionaire blik van jullie?

    ‘Wij geloven dat de commercie veel te bepalend is in de huidige boekenwereld. Zonder bestsellers kan een uitgeverij niet gedijen en als een uitgever dan al eens overweegt om een vernieuwende en minder bekende, misschien ook wel minder toegankelijke, auteur aan te durven, dan hijgt onmiddellijk de verkoopafdeling in zijn nek. Dat gaat ten koste van veel kwalitatief goede literatuur waarvan wij vinden dat die de lezer wat nieuws te zeggen heeft. Wij willen juist die boeken aantrekkelijk presenteren en verleidelijk maken. We kiezen daarbij vooral voor de stijl. Die moet uitdagend zijn, gedurfd en oorspronkelijk. Dat zegt nog niets over de thematiek. Ze kunnen gaan over zaken die we in de mainstream literatuur ook tegenkomen, zoals onderdrukking, misbruik, klimaat, politiek en dergelijke. Maar voor ons moet de stijl waarin die thema’s worden benaderd een heel persoonlijke zijn’.

    Waarin verschilt jullie aanpak van gevestigde grote uitgeverijen? 

    ‘Wij vormen met zijn tweeën de hele uitgeverij. We doen alles zelf: de selectie, de redactie, de opmaak, de administratie enzovoort. We hebben ook alleen vertegenwoordigers in dienst die ons fonds aan de man brengen. We hebben zelfs geen pand. Vergaderen hoeven we nauwelijks omdat we met zijn tweeën een heel korte lijn hebben en gesprekken met schrijvers of met interviewers, zoals nu met jou, houden we in een café of ergens anders. Onze werkkamer is het huis van Bart. Daar is het een opeenstapeling van paperassen, dummy’s en administratieve verwerking. En boeken natuurlijk’.

    Wat opvalt is de herkenbare vormgeving van jullie uitgaven. Er zit een duidelijke verstilling in gebaseerd op gedempte kleuren met af en toe penachtige tekeningen. Ze zijn een heel eigen signatuur. Komt die ook uit jullie handen?

    ‘Het idee voor de omslagen is meestal wel van ons zelf. Dat kan een beeld zijn dat we in ons hoofd hebben, maar soms baseren we ons, bij vertalingen bijvoorbeeld, op de oorspronkelijke uitgaven. Soms maken we daarna het omslag zelf, maar vaak doen we daarvoor ook een beroep op een bevriende kunstenares, Anouk Martijn. Ik vind het leuk dat je onze uitgaven al aan de omslagen herkent. Dat willen we ook, een kenmerkende illustratieve stijl, maar ook een strakke belettering die we steeds gebruiken. We hebben daar overigens wel een ontwikkeling in doorgemaakt. In het tweede jaar van ons bestaan zijn we wat dat betreft de fout ingegaan. Terugkijkend vind ik dat we toen kozen voor te felle kleuren; we waren iets te schreeuwerig. Ik ben blij dat we daar van afgestapt zijn’.

    Er spreekt ook uit dat jullie het papieren boek als kunstvoorwerp belangrijk vinden. Bijna niets van jullie is als e-book verkrijgbaar.

    ‘Dat klopt, en dat heeft inderdaad een ideële reden. Het produceren van een e-book kost nauwelijks geld, dus daarvoor hoeven we het niet te laten. Maar het gaat wel ten koste van zaken zoals een bladspiegel, het wit in een tekst, de regelval en andere zaken die het boek tot een kunstwerk maken. En er is nog iets: onze boeken hebben een zachte cover. Een enkele keer levert dat problemen op, zoals bij nominaties voor een prijs of bij een bekroning. Toen Wessel Te Gussinklo vorig jaar de Bookspotprijs won, moesten we de omslagen van zijn bekroonde De Hoogstapelaar aanpassen omdat er stickers op moesten kunnen. Uit respect voor het boek zul je onze uitgaven ook niet in de ramsj vinden’.

    Dat zijn mooie idealen, maar er moet natuurlijk wel brood op de plank.

    ‘Natuurlijk nemen we risico’s. Maar door onze grote zelfwerkzaamheid springen we er met een verkoop van tweeduizend exemplaren al goed uit. Alles wat  meer is, geeft weer ruimte voor nieuwe plannen. Van De Hoogstapelaar verkochten we er bijvoorbeeld na het winnen van de Bookspotprijs veel meer en nu het op de shortlist van de Librisprijs staat loopt het misschien nog beter. Het aantal uitgaven is beperkt. We doen er twaalf per jaar met een enkele uitschieter tot vijftien à achttien. Onze eerste uitgave in 2014 was Zeer helder licht van Wessel Te Gussinklo. Bart kende hem goed en toen zijn plan om essays uit te geven bij zijn eerdere uitgever niet aansloeg koos hij voor ons. De roman werd meteen genomineerd voor de AKO Literatuurprijs. Dat was natuurlijk een geweldige binnenkomer voor ons als nieuwe uitgever. We hebben daarna eigenlijk nooit te klagen gehad over aandacht. Uitgaven van ons werden goed gerecenseerd en enkele romans haalden VPRO Boeken en het panel van DWDD. Ons concept slaat dus duidelijk aan. Sinds vorig jaar hebben we zelfs een investeerder, al hebben Bart en ik nog altijd een meerderheidsbelang wat aandelen betreft. Mocht het eens wat slechter gaan’ (hij grinnikt), ‘dan zijn we niet te beroerd om de handen op een andere manier uit de mouwen te steken. Bart vertaalt bijvoorbeeld uit het Zweeds en ik ben handig in kluswerk in de bouw. Maar dat heb ik al een tijd niet meer hoeven doen’.

    Hoe komen jullie aan je titels?

    ‘We lezen veel, niet alleen romans, poëzie en essayistisch werk, maar we volgen ook literaire bladen en bezoeken beurzen. Bij die gelegenheden steken we veel tijd in persoonlijke contacten. We wijzen elkaar voortdurend op belangwekkende boeken die niet de aandacht krijgen die ze verdienen. Het komt ook nogal eens voor dat vertalers ons tippen en een boek bij ons onder willen brengen. We laten ons niet afleiden door bekroningen, maar zoeken eerder naar werk dat volgens ons ten onrechte onder de radar blijft.’

    En de manuscripten?

    ‘Die krijgen we behoorlijk veel, maar ze zijn in onze ogen zelden gedurfd genoeg. Ik schat dat we er in een jaar een paar honderd binnen krijgen, maar in slechts één geval hebben we dat debuut ook daadwerkelijk uitgegeven’.

    Tijdens het gesprek pakt De Jong een paar keer zijn telefoon om te laten zien op welke uitgaven hij het meest trots is: het pas verschenen De Tanners van Robert Walser uit 1907, De wetten van water van Cynan Jones, Onder het water van Daisy Johnson, en werk van Rilke en Huub Beurskens.

    En die roman waarmee het allemaal is begonnen, mogen we die nog verwachten?

    (Weer een glimlach) ‘Ik weet het niet. Maar als hij er komt breng ik hem ergens anders onder. De uitgeverij is er niet om mezelf op het podium te zetten.’

     


     

     

     

     

     

     

     

     

    Klik hier voor een blik op alle uitgaven van Uitgeverij Koppernik.

     

     

  • Belangrijk is zo goed mogelijk te kunnen schrijven

    Wessel te Gussinklo won onlangs de BookSpot Literatuurprijs en werd overstelpt met interviews, tv-optredens en fotografen. De drukte van de voorbije maanden heeft zijn sporen nagelaten. Daarom vindt dit interview via de telefoon plaats. De schrijver heeft behoefte aan rust, om ongestoord te werken aan het vervolg van zijn tetralogie rond Ewout Meyster, het hoofdpersonage van zijn debuut De verboden tuin (1986), gevolgd door De opdracht (1995) en De hoogstapelaar (2019). Voor zijn eersteling, De verboden tuin, kon hij tien jaar lang geen uitgever vinden. Nadat het verscheen, kreeg het onmiddellijk de Anton Wachterprijs. Na het succes van De opdracht bleef het lange tijd stil rond de schrijver, maar dat had zo zijn redenen. Na zijn hele leven in de buurt van Utrecht te hebben gewoond, verhuisde hij in 2007 naar Kamperland in Zeeland en bouwde, ver van alle drukte, een nieuw leven op.

    Voor het grote publiek bleef deze schrijver lange tijd onder de radar. Het winnen van de BookSpot Literatuurprijs bracht daar verandering in. Een gesprek met een literator pur sang, over het winnen van literaire prijzen, De hoogstapelaar en zijn schrijverschap.

     

    De hoogstapelaar was een onverwachte winnaar. Heeft u dat verrast?

    Dat ik gewonnen heb pleit voor de kwaliteit van de jury. Naar relevantie was het boek van Manon Uphoff door de hele MeToo beweging die iedereen bezighoudt, misschien wel de favoriet. En met het hele mediacircus rondom en de populariteit van Buwalda, gaf ik mezelf weinig kans. Zo ging het tenminste in 2014. Ik deed toen mee voor de AKO-literatuurprijs met Zeer helder licht. Er was toen het boek Oorlog en terpentijn van Stefan Hertmans, precies 100 jaar na de Eerste Wereldoorlog, en dat won.’


    Hoe komt het dat uw boeken nooit het grote publiek hebben bereikt.

    ‘Ja, ik heb een ingewikkelde naam en ben Noord-Nederlands, en ik kom nooit op tv. Heb dat ook een aantal keren geweigerd na de dood van mijn eerste vrouw en dan vragen ze je niet meer. Daarna schreef ik enkel essays wat niet zo populair is. Bovendien woon ik niet in de buurt van Amsterdam, heel bewust. Dat betekent dat er weinig gerefereerd wordt aan mij. Ik behoor tot de zogenaamde ‘stervende’ schrijvers, zij die niet op tv komen. Gelukkig heb ik genoeg kwaliteit om te blijven drijven. Belangrijk voor mij is mijn boeken te kunnen schrijven, ze zo goed mogelijk te schrijven. Succes is natuurlijk leuk en aardig, maar tevreden zijn met jezelf, met wat je doet, is het hoogste. Je bent natuurlijk nooit echt tevreden. Maar wel zo tevreden als het kan, ik heb het gevoel dat ik de laatste jaren er wel uithaal wat er in zit.’


    In De hoogstapelaar is Ewout Meyster weer hoofdpersonage. Er zit vierentwintig jaar  tussen De opdracht en deze laatste roman. Waarom duurde het zo lang ?

    Kijk, in 1998 overleed mijn eerste vrouw. Toen was de poëzie uit mijn leven verdwenen. Ik kon alleen nog essays schrijven. Het emotionele bestaan, de blik op het bestaan in de ruimste zin, heeft in veel opzichten toch ook met liefde te maken. Als de binding met het leven, de liefde, de menselijke samenhang weg is, dan ben je een soort van buitenstaander, die essayistisch toekijkt. Ik had geen romans meer in mij. Toen kwam ik Odilia tegen, en zo kwam alles langzaam weer op gang. Een andere vrouw, met een andere blik en een ander temperament, maakte mij toch weer scheppend.”


    Is Odilia uw muze?  
       

    “Absoluut. In 2013 kwam het  schrijven weer wat op gang. Het was niet eenvoudig, het was ook weer een emotioneel heroriënteren. Ik had  daarvoor al een paar keer geprobeerd het vierde deel te schrijven, het vervolg op De hoogstapelaar. Twee keer probeerde ik het, maar kwam niet verder dan één bladzijde. En toen, in 2013, lukte het weer met Zeer helder licht. Mijn vrouw kan mijn boeken beoordelen. Als schrijver zie je de onderkant van het tapijt, zie je de losse knoopjes, de verkeerd gespannen draden, maar de bovenkant, dat wat gezien moet worden, dat zie je als schrijver niet. Mijn vrouw is de eerste lezer of beter, luisteraar. Elke dag als ik wat geschreven heb, lees ik het haar voor om te weten wat ze ervan vindt, maar ook om het zelf te horen.’     


    Waarom deze bijzondere titel ‘De hoogstapelaar’. Een woord dat velen niet kennen. In het woordenboek staat ‘blaaskaak, snoever’, maar het refereert uiteraard aan ‘Bekentnisse des Hochstaplers Felix Krull’ van Thomas Mann. 

    ‘Het past wel bij Ewout Meyster, het is een snoevertje, een opscheppertje. Hij zit nog in een soort van vacuüm voor de volwassenheid. Daarbij kom je in hiërarchieën, dictatoriale en meedogenloze structuren die alles kapot maken. Hoe groot je kwaliteiten ook zijn, je wordt gemeten en beoordeeld. Je moet op alle mogelijke manieren jezelf stroomlijnen om je plaats te kunnen veroveren. Dat gebeurt evenwel nog niet in de puberteit. Dan kijk je nog naar die volwassenheid. Dan denk je hoogstens zoals jihadisten, lieden van de ETA, of IRA, “de wereld moet heel anders en die volwassenen hebben alles verkeerd gedaan. We moeten alles opnieuw doen.” Zo kijk je als puber tegen het leven aan. Daarna kom je in het echte leven terecht en moet je je aanpassen. Binnen de bestaande structuren je plaats zien te vinden. Maar een puber is een buitenstaander.’


    Ewout Meyster zit op die grens, hij is  zeventien, bijna achttien. Hij worstelt met het volwassen worden, maar tegelijkertijd geeft hij ook advies aan zijn ‘vrienden’ over hoe ze het moeten aanpakken. Het is heel dubbel voor Ewout.

    ‘Kijk, hij is zichzelf aan het scheppen als een echt baasje. Hij geniet niet voor niks van die foto’s van bekende en beroemde mensen. “Als volwassene wil ik worden als Churchill, als die of die dirigent. Een machtig persoon wil ik worden als volwassene, ik begin nu alvast te oefenen.” Dat is eigenlijk wat hij aan het doen is. “Ik ga een kereltje van belang worden.” En die zogenaamde vrienden, zijn natuurlijk geen vrienden. Dat zijn pionnen waarmee hij schaakt in het leven. Hij heeft die nodig. Neem nu die Meindert. Die heeft hij nodig om zichzelf te bewijzen dat hij superieur is aan hem. Zo probeert hij alles een beetje uit, en dat laat hij dan weer op anderen. Het zijn geen vrienden, maar allemaal oefenmodellen om het kereltje te worden dat hij graag zou willen zijn.


    Je hebt het over oefenmodellen. Ewout groeit op zonder vader. Is het niet zo dat hij de hele tijd op zoek is naar een rolmodel, een voorbeeld om zich aan te spiegelen?

    Hij heeft de ellende dat hij geen vader heeft en dus ook geen begrenzingen. In zekere zin moet hij zijn eigen vader zijn, een soort Baron van Münchhausen die zichzelf uit het moeras omhoog moet trekken. Een vader is  een voorbeeld waaraan je je optrekt, maar hij heeft niks. Hoogstens een aantal verre vaders als Churchill, Roosevelt en een beetje Hitler en foto’s van dirigenten en andere belangrijke mannen. Dat zijn abstracte vaders. Dat zijn de modellen waarmee hij speelt. Die kant moet het uit. En dat is natuurlijk idioot. Dan denkt hij, “Hoe houden ze het vol, elke dag hetzelfde.” Terwijl hijzelf ook een kunstenaar is, maar dat weet hij nog niet. Zijn eigen kunstwerk is hijzelf. Dan is hij na alle creatieve vondsten aan het eind van de avond hartstikke moe, uitgeput, moet hij snel naar bed. Zoals elke kunstenaar als hij iets gemaakt heeft. Neem die jazzkelder bijvoorbeeld. Hij heeft daar strapatsen gemaakt en volgens hemzelf heel bijzondere dingen gedaan, maar dan is het ineens op. Hij kan zichzelf, net als een kunstenaar, niet herhalen. Dan glijdt hij weg in een halve schemertoestand, een apathische bewustzijnsverlaging.’


    Ewout dweept ook met Sartre. Hoewel hij enkel flarden van zijn werk heeft gelezen, pakt hij daarmee uit tegenover anderen. 

    ‘Hij kan ze overbluffen met Sartre. Dit is ook een vorm van kunst. Hij haalt Sartre aan en iedereen zit sprakeloos naar hem te kijken. Goh, dat-ie dat allemaal weet. Dat is de enige kennis die hij heeft, want verder weet hij helemaal niks.’


    Daarmee is het boek een mooi voorbeeld van het existentialistische principe ‘L’enfer, c’est les autres’ ofwel, Eerst besta je, daarna word je pas iemand.

    ‘Ik ben Sartre pas grondig gaan lezen rond mijn dertigste. In mijn essaybundel Aangeraakt door Goden (2003) heet het eerste deel “Sartre als verlosser”. Sartre was voor mij een verlossing. Alle zaken die hij beschrijft, zag en voelde ik ook. Maar die herkende ik niet bij anderen. Die waren allemaal argeloos en naiëf zichzelf, vrolijke jongetjes en kindertjes, ik niet! Ik zat voortdurend te tobben, allemaal vreemde dingen te denken, dat ik gek was of  ernstig gestoord. Hij sprak dat tegen. Sartre was een verlossing voor mij: ik ben niet gek, ik ben geen melaatse, ik ben niet iemand die niet van andere mensen houdt, die allemaal rare en warrige gevoelens heeft. Ik ben zoals Sartre beschrijft hoe mensen zijn, wat een opluchting was. Daarna kwamen Nietzsche en Freud, Jung, Adler. De hele psychologie. Sartre was nieuw, modieus en schokkend. Ewout is in zijn tijd gewoon iedereen voor. Hij is een van de weinigen aan de spits van het nieuwe. Ewout is niet alleen beïnvloed door hem, hij herkent zichzelf ook in Sartre.’


    Is ‘De hoogstapelaar’ autobiografisch?

    De hoogstapelaar is het meest autobiografisch. Het blijft natuurlijk een roman. Er staan heel veel zaken in die helemaal niet autobiografisch zijn, maar die de dwang van het verhaal zijn. Het type is wel autobiografisch: zo’n verwende zwelbast was ik ook op die leeftijd. Later leert het leven je wel andere dingen, maar op een bepaalde leeftijd leek ik er toch wel sterk op.’


    Hoe gaat het verder met Ewout Meyster. Komt er nog een vierde deel?

    ‘Ik ben zeer druk in de weer met het vierde boek. Daar was ik eigenlijk al eerder mee bezig. Van dit derde boek heb ik heel lang gedacht, dat schrijf ik niet, dat sla ik gewoon over. Maar uiteindelijk heb ik het dan toch geschreven tot voldoening van mezelf. Maar het was eerst niet mijn plan. Dat vierde deel was ik al begonnen ergens rond 2010, maar zoals gezegd, dat lukte toen niet. Tot tweemaal toe. Maar dezelfde insteek die ik toen had, heb ik nu wel opnieuw hernomen.’


    Heeft u een bepaald schrijfpatroon of -ritueel? 

    ‘Ik schrijf in de ochtend. Vroeger niet. Toen schreef ik aan het eind van de dag. Was ik me een hele dag aan het voorbereiden en schreef aan het eind van de dag, als een soort ontlading mijn bladzijden. Sinds ik in 2013 weer begon met romanschrijven, begin ik meteen als ik opsta. Dan ben ik het meest vitaal. Dan zit ik eerst een uurtje te staren, in de materie te kruipen en daarna schrijf ik één à twee, soms drie bladzijden. Daar doe ik  gemiddeld vier uur over, het varieert een beetje. Op die manier, door in de ochtend te schrijven, is mijn dag gered en heb ik daarna vrije tijd.’


    Staat een boek al op voorhand vast of werkt u met een plan?

    ‘Van het verhaal zelf staan alleen de grote lijnen vast, verder  niets. Het ontwikkelt zich geleidelijk aan. Na een episode van De hoogstapelaar bijvoorbeeld, moest ik mezelf gaan corrigeren omdat ik niet meer wist hoe het verder moest. Al corrigerend schoten mij weer dingen te binnen en had ik me weer verdiept in de materie en wist ik weer hoe ik verder moest. Mijn meeste romans zijn een verhaal dat doorloopt, met een begin en een eind. De hoogstapelaar is natuurlijk een episodeboek, wat Peter Buwalda vergeleek met De avonden van Reve. Stukje na stukje, zonder een echt verhaal. De enige constante is de aanwezigheid van Ewout Meyser.’


    Het hele boek is een monologue interieur in het hoofd van Ewout Meyster. Was dat een bewuste keuze?

    ‘Nee, of ja, misschien toch wel. Ik kan er op deze manier ironie en het bizarre in kwijt, maar dat is zo gegroeid. De verwerking van het materiaal, dat wat ik voor ogen heb, is deze stijl, een beetje hyperbolisch met aanstellerij, met versieringen die zowel ironisch zijn als evocatief. En wat natuurlijk nodig is: aanwezigheid scheppen. Wat Mulisch bijvoorbeeld zei: “Naast de ster kijken, dan zie je de ster het scherpst.” Wat ik doe is het raadselachtige, het onzichtbare een beetje omcirkelen, dan ernaast kijken  om iets zichtbaar te maken.’


    In het begin is Ewout aanstellerig en absoluut geen leuk personage. Naarmate het verhaal vordert, word je hem, krijg je medelijden met hem. Dat is een verdienste van de stijl.

    Dat is  ook de bedoeling. Dat je in zijn werkelijkheid kruipt, zijn kijk op de dingen, op het bestaan. Zo leef je, zo moet je leven. Met alle hindernissen, alle problemen, maar ook alle mogelijkheden. Hoe leef je met jezelf en met de wereld. Je gaat mee met zijn blik op het wezenlijke, ook al is het een zeer subjectieve blik van dat ventje.’

     

    Is Ewout een zielig figuur of gewoon een puber die opgroeit?

    ‘Hij is een normale puber die amoreel, meedogenloos kijkt naar de dingen, uitprobeert, en zonder vooroordelen is. Hij heeft een kille blik op de dingen, maar wel met af en toe een verzachtend moment als hij muziek draait. Het paradijs zal komen, maar eerst moet hij ontzettend zijn best doen.’ 


    Hoe zou u willen dat er op uw schrijverschap wordt teruggekeken?

    ‘Ik ben in zekere zin  een schrijver die niet in de grote lijn past. Ik schrijf iets dat afwijkt en in veel opzichten dieper gaat dan wat normaliter geschreven wordt. Mijn werk is intens, het roept veel op. Ik probeer de diepte naar de oppervlakte te brengen. Vandaar dat mijn stijl ook breed uitwaaiert: bizar, spottend, beschrijvend, nadenkend, vrij diepe lagen onmiddellijk beleefbaar makend. Ik hoop dat er over mijn schrijverschap gezegd zal worden: hij was de meest kwaliteitsrijke Nederlandstalige schrijver van de afgelopen decennia. Het is wel een steen in een vijver gooien, maar wat Van het Reve al zei: de dingen altijd voor je houden is ook niet goed, dus nou ja.’

     

    Auteursfoto verkregen via uitgeverij Koppernik.

     


    De hoogstapelaar werd uitgegeven bij uitgeverij Koppernik, net als zijn andere titels.

  • Wat weet je nu werkelijk van elkaar

    Marijke Schermer (1975) begon tijdens haar studie in de jaren negentig aan de Toneelschool Arnhem met het schrijven van toneelstukken. Ze ontdekte al snel dat ze liever schreef dan dat ze op het toneel stond. Na de toneelschool schreef ze voor verschillende theatergroepen, werkte als regisseur en had een aantal jaren haar eigen gezelschap Toneelgroep Alaska. Voor haar toneelwerk kreeg ze in 2009 de Charlotte Köhlerprijs. In de afgelopen zes jaar publiceerde ze drie boeken die elk in zijn vorm over liefde en autonomie gaan. Dit jaar verscheen Liefde, als dat het is, waarin ze, voorbijgaand aan clichés, de waarheidsbevinding in relaties, het gezinsleven en de betrekkelijkheid van de woorden ‘Ik hou van jou’ onder de loep neemt.


    Composities over de liefde

    We ontmoeten elkaar bij Grand Café Eerste klas, Amsterdam Centraal. Marijke Schermer komt net van een bespreking met de regisseur die haar boek Noodweer gaat verfilmen en waarbij ze gaat meeschrijven aan het scenario. Voor de eerste vraag gesteld is, hoppen we van het ene personage naar het andere, van Mensen in de zon, over naar Liefde, als dat het is, en weer terug naar haar tweede boek, Noodweer. Haar laatste boek is het meest transparant, waarin perspectiefwisselingen in één vloeiende beweging geschreven zijn, zonder overgangen. Een vooraanstaand recensent vond dit storend, alsook dat er over de liefde werd geschreven: ‘Opeens schrijft Schermer relatieproza’. De recensent was door Schermers vorige roman Noodweer zo overrompeld geweest, dat deze laatste roman niet bij haar in de smaak viel. Kritiek die leest als de teleurstelling van een fan die liever iets van hetzelfde had gelezen. En dat is wat Schermer nu net niet doet. Elk boek van haar vraagt een nieuwe benadering, een andere aanpak, zowel van schrijver als lezer.

    In 2013 debuteert Marijke Schermer met Mensen in de zon bij Van Oorschot, een roman, verteld vanuit vijf verschillende perspectieven over het wel en wee van vijf leden van een voormalige vriendengroep in de week nadat ze zijn uitgenodigd voor een reünie – die nooit plaatsvindt. Drie jaar later verschijnt de roman Noodweer, een stevig gecomponeerd verhaal over onmacht en liefde, verteld vanuit één perspectief die de lezer van zijn sokken blaast. In Liefde, als dat het is, de titel zegt het al, is het de liefde zelf die gekraakt wordt.


    Waar de een ophoudt en de ander begint

    Na het lezen van Schermers boeken lijkt een liefdesrelatie opeens minder gewoon dan je denkt. Dat de manier waarop je je presenteert aan elkaar, en in welke mate je alles met die ander deelt, van invloed is op hoe een relatie zich ontwikkelt. In Noodweer verzwijgt Emilia voor haar man Bruch, dat ze door een indringer in haar huis urenlang is gegijzeld en verkracht. Het gebeurt als Bruch en zij elkaar net een paar weken kennen, en dan laat ze drie maanden lang, terwijl ze fysiek herstelt, niets van zich horen. Daarna zoekt ze Bruch weer op, en zegt dat ze tijd nodig had om te onderzoeken of ze met hem verder wilde. Ze verzwijgt wat er gebeurd is en dat blijkt uiteindelijk funest voor hun relatie. Waarom wilde ze het hem eigenlijk niet vertellen?

    ‘Omdat ze niet wilde dat deze gebeurtenis haar verdere leven zou gaan bepalen. De bezorgdheid van de ander zou haar leven gaan beperken, ze zou haar autonomie verliezen. Verkrachting is voor degene die het overkomen is, iets wat je het liefst zou willen vergeten door er over te zwijgen  Als je er niet over praat, is het er niet. Maar dan dringt het zich toch weer aan haar op. Emilia krijgt te maken met angsten en weet dat ze het nu, na jaren aan Bruch moest vertellen. En dan lukt het opeens niet meer. Is er nooit een goed moment.’

    In Liefde, als dat het is verzwijgen Terri en David voor elkaar dat ze nog nooit met een ander naar bed zijn geweest, en gaan als maagd het huwelijk in. Dat blijkt de toon te zetten voor hun omgang met elkaar. Hoe belangrijk is het dat je alle registers van je leven van voor je de ander leerde kennen, opentrekt?

    ‘Een eerste indruk bepaalt veel, maar ook een laatste. Bij David merk je, omdat Terri aan het eind van hun relatie niets goed meer aan hem vindt, hem verafschuwt, dat hij de gelukkige momenten in hun leven wantrouwt. Door die laatste negatieve indruk wordt alles wat er voorheen was ook negatief. De indruk dat Terri nu van hem walgt, doen de gelukkige momenten, die er ook waren, voor hem teniet. Hij begrijpt ook niet waarom hij niet meer voldoet.’


    Op tenen staan die in de weg stonden

    Op driekwart van het boek schrijft Schermer een verhandeling over hoe een relatie in zijn werk gaat, ruim een pagina cursief gedrukt die zo begint:

    ‘Als je elkaar leert kennen is er ontzag voor de ander, een heel mens, met een heel leven, een geschiedenis los van jou, een mysterie dat zich voor je opent, een uitzicht dat zich ontvouwt, je bent behoedzaam en verbergt wat minder fraai is van jezelf, je bent niet al te direct, je danst, je zoekt de omweg, je verleidt de ander om te doen wat je verlangt. Je doet je uiterste best om in die dans niet op zijn tenen te gaan staan, want dat zou de lomperik in jou onthullen, en het eind kunnen betekenen. Maar dan is er ergens een omslagpunt, ik zie het overal om me heen ook, dan dans je niet meer maar ga je recht op je doel af, dan ontspan je je en in die ontspanning verberg je die dingen van eerder niet meer, en als je op tenen gaat staan denk je alleen maar dat die ook vreselijk in de weg stond.’

    Het is als een bezinningsmoment voor de lezer, een moment ook waarop de lezer zich bespied kan voelen, want gedragen we ons niet allemaal zo? En wat betekent eerlijk zijn, is het niet beter de waarheid zo nu en dan te verbloemen?

    ‘Ik heb zelf nog nooit zo’n lange relatie gehad als Terri en David. Zij hebben vijfentwintig jaar met elkaar geleefd, kinderen gekregen, een huis gekocht. Dingen waar ze samen voor gekozen hebben. Dan wil Terri opeens weg. Ze snakt naar een eigen leven maar weet niet meer hoe dat is, wie ze is. Dat is ook moeilijk, als een relatie zo jong begint en zolang duurt. Op een gegeven moment weet je niet meer waar de een ophoudt en de ander begint. Het is gewoon niet mogelijk alles van elkaar te weten. Wat jij zegt, wordt door de ander nooit zo uitgelegd zoals jij het bedoelt. Ieder heeft een ander referentiekader, een andere waarheid.’


    Liefde maar dan anders

    Een niet te verwaarlozen gegeven is het bereiden van eten dat in al haar boeken een rol speelt. In haar debuut is het Vik die, vastgelopen in zijn relatie met Stella, zijn ambities niet verwezenlijkt ziet, steeds teruggrijpt naar het bakken van taarten, het bereiden van ingewikkelde maaltijden, het bedenken van gerechten, als troost voor het leven. ‘Gerechten die ik zelf heb gemaakt voor ze in het boek terecht kwamen.’ In Liefde, als dat het is is het voor David een must goed te koken voor zijn twee dochters. Het toppunt van liefde, zorgzaamheid. De beschrijvingen hoe groenten gesneden worden, van de snijplank in de pan verdwijnen, het mengen van ingrediënten, zijn van een stilistische eenvoud die doet denken aan de prachtige openingsscène van Girl with a Pearl Earring, waarin het meisje van het schilderij, gespeeld door Scarlett Johansson, schijnbaar eindeloos kool snijdt. Met enkel het geluid van een mes dat door de kool gaat, het beeld van de loskomende reepjes en het zorgzaam bijeenbrengen in een schaal.

    Verhalen over liefde en relaties zijn al vaker verteld, maar de benadering van Schermer van deze thema’s zet alles in een nieuw licht en is met geen andere schrijver te vergelijken. Al wordt haar proza wel vergeleken met het werk van Ian McEwan, waarin vaak door een verkeerde stap of beslissing het leven onherroepelijk wordt omgegooid. Hoewel er bij Marijke Schermer geen sprake was van een schrijver die haar als voorbeeld diende.

    ‘Ik had geen idool, ik ging gewoon schrijven. Op mijn twintigste had ik een boek klaar, wat ik nooit naar een uitgever bracht omdat het niet echt goed was. Maar ik heb er later wel stukken van gebruikt voor ander werk, vooral voor mijn eerste toneelstukken, zoals sommige personages uit toneelstukken later ook in romans terecht kwamen. Vik en Stella bijvoorbeeld, die waren er tien jaar eerder al en ook de broers van Emilia in Noodweer bestonden in vergelijkbare zin al in het toneelstuk Brodders in arms uit 2003. Wat ik wel doe, is veel andere schrijvers lezen om me te inspireren en om te zien hoe zij het gedaan hebben. Tijdens het schrijven van Noodweer heb ik alles van David Vann gelezen. En voor Liefde, als dat het is heb ik Virginia Woolf gelezen, om te zien hoe zij, in De jaren bijvoorbeeld, dat overlopende van het ene perspectief naar een ander perspectief gedaan heeft. En ik hoorde Hermans, die in een interview gevraagd werd hoe je dat doet, een boeiende roman schrijven, zoiets zei als: “De lezer stevig bij een oor pakken en meedogenloos door de gebeurtenissen sleuren.” En ik dacht, ja, zo wil ik schrijven, de lezer het boek in sleuren en niet meer loslaten.’


    Waar zijn we naar op zoek

    Door de onderwerpen en de dingen die je je afvraagt tijdens het lezen van haar boeken, kan de gedachte je bekruipen dat Schermer schrijft met een missie. Zo werd Liefde, als dat het is, wel gezien als een anti-scheidingsroman.

    ‘Eigenlijk heb ik geen speciale boodschap, wil ik niets overbrengen. Hoewel, in Noodweer wilde ik toch wel laten zien wat het voor Emilia betekende, buiten dat het verschrikkelijk is wat haar is overkomen, dat het ook het verlies van autonomie betekende wanneer anderen weten dat je verkracht bent. Ze heeft het jarenlang voor zich gehouden, wetende dat ze het toch een keer zou moeten vertellen, maar dan weet ze niet meer hoe. Ik heb ook heel lang gedaan over het einde. Ik kon het Emilia op een gegeven moment gewoon laten vertellen, maar dat was het niet. Toen wist ik dat Bruch al die tijd geweten had wat er gebeurd was. Hij had het al die tijd geweten en niets gezegd.’

    Wat een geweldige vondst was, want als Emilia na jaren van zwijgen het opeens wel zou vertellen, dan was de eigenzinnige spanning die in het boek geslopen was, als een lekke luchtballon leeggelopen. Nu komt het boek tot een ontluisterend, maar ook perfect slot. Omdat Emilia uiteindelijk de regie behoudt over haar leven. Als lezer wil je niets liever dan dat. Waarmee het einde van Noodweer al haast een opstap vormt naar Liefde, als dat het is. Want dat vraag  je je dus steeds af in al haar werk: Waar zijn we naar op zoek; wat is liefde, wat doen we ermee?

    Aan elk boek werkte Schermer tweeënhalf tot drie jaar. Ze schrijft steeds aan dezelfde versie. ‘Ik heb geprobeerd met schema’s te werken maar dat werkt voor mij niet. Ik werk gelijk op de computer en schrijf eigenlijk steeds maar door. Het verhaal heb ik in mijn hoofd en op een gegeven moment ken ik het bijna letterlijk uit mijn hoofd. Onder het schrijven kan er nog van alles veranderen. Ik lees terug en schrijf door, lees terug, herschrijf, schrijf door. Ik laat het ook vaak lezen aan mijn vriendin Matin, ook theatermaker en toneelschrijver. Zij leest het nog vaker dan mijn redacteur, en dan praten we erover alsof de personages wederzijdse kennissen zijn. Dat zijn gesprekken waarbij we ze de revue laten passeren, wat ze doen, hoe het met ze gaat. Dan belt ze later en zegt: “Zeg, zou Clara (uit: Mensen in de zon) niet …”?’

     

     


    Marijke Schermer publiceerde de volgende boeken bij Van Oorschot: Mensen in de zon (2013), Noodweer (2017) en Liefde, als dat het is (2019).

     

     

     

     

     

     

     

     

  • Rimbaud had dit prachtig gevonden

    Deze maand verscheen een nieuwe bundel zkv’s van A.L. Snijders. Doelloos kijken bevat een keuze uit de zkv’s die in 2017 en 2018 zijn verschenen in De Standaard, de VPRO Gids en de gesproken zkv’s op zondagochtend bij Radio 4. De bundel is bezorgd door uitgeverij AFdH die sinds 2006 bijna jaarlijks een bundel zkv’s uitgeeft.

    A.L. Snijders (1937) is schrijver, voormalig docent Nederlands, bedenker van het zkv en pseudoniem van Peter Müller. Zijn schrijversnaam koos hij in de jaren tachtig toen hij columns ging schrijven voor Het Parool. De naamskeuze was een willekeurige, zoals veel zonder voorbedachte rade lijkt te gebeuren in het leven van Snijders. Een schrijver die zich erover verwondert dat hij bij optredens nog steeds wordt aangekondigd als de schrijver die een prestigieuze prijs (met nadruk op dat prestigieuze) heeft gewonnen, jaren geleden alweer. Nooit wordt, om als interviewer maar eens wat te noemen, aangehaald dat Snijders bijvoorbeeld in 1992 al in het spraakmakende programma ‘Een uur Ischa’ door Ischa Meijer in café Eik & Linde werd geïnterviewd. Ziehier de verhouding van belangrijkheid en vergankelijkheid binnen de literatuur.

     

    Als ik het erf van de blauw/grijs geverfde woonstee op fiets, staat A.L. Snijders opzij van het huis te overleggen met zijn jongste dochter en, zoals Snijders haar voorstelt, zijn verloofde. Er is iets gaande, er zijn sleutels zoek, er moet een apparaat gevonden worden, zijn jongste zoon, die sinds enkele maanden in het nabijgelegen Zutphen woont, komt langs en dan moet er ook nog een interview plaatsvinden.


    Een standbeeld als vriend

    Binnen wijst Snijders naar de lange keukentafel die voor de helft volgepakt ligt met papierwerk, stapels boeken, kranten, pillendoosjes, enveloppen en nog meer boeken, om plaats te nemen. Er wordt koffie gemaakt. Langs de lange muren van de voorheen varkensstal staan meters boekenkasten, jaloersmakend goed gevuld. We besluiten elkaar te tutoyeren. Op de vraag naar het manshoge houten beeld dat met uitgestoken rechterhand bij de entree staat, vertelt Snijders dat het een eerste kunstproject van zijn jongste zoon is, ‘Uw nieuwe vriend’ getiteld. ‘De bedoeling is’, Snijders gaat voor het beeld staan, ‘dat als je hier binnenkomt het beeld een hand geeft. Nou is mijn ervaring dat handarbeiders, timmerlui enzo die hier komen, die geven het beeld een hand. Maar mensen die aan de universiteit gestudeerd hebben, die doen dat niet.’ Hij gaat zitten. ‘Dit is natuurlijk een zeer persoonlijke constatering die ook best niet waar kan zijn. Begrijp je?’

    Voor we goed en wel zijn begonnen, komt de dochter binnen. ‘Hij zit er niet in Peter.’ Ze zet een bak met sleutels op tafel. ‘Dat meen je niet’, roept Snijders. ‘Verdomme, wacht even.’ Hij staat op en helpt zoeken, ook de verloofde komt erbij. Snijders zegt: ‘Dit is geen manier om een interview te doen.’ Er wordt naarstig gezocht in doosjes en trommeltjes. Tot onder ah- en oh-geroep, de sleutel gevonden is. Dochter en verloofde gaan weer naar buiten. Snijders kijkt hen na.
    ‘Sinds een maand ben ik weer verloofd, jij bent nu getuige van mijn nieuwe leven. Drie jaar geleden is haar man overleden, en een paar maanden geleden hebben wij elkaar gevonden.’

    Het leven van A.L. Snijders speelt zich af rond de landelijk gelegen plek bij Lochem waar hij in 1971 met vrouw en vijf kinderen is neergestreken. De kinderen zijn allang volwassen en zijn vrouw overleed in de lente van 2018. Het is een plek waar het leven onvoorbereid lijkt en alles zich tot een zkv vormt, inclusief de onbegrijpelijke elementen die daarin voorkomen.

    Ik sprak met de schrijver over wat een zkv is, over eenzaamheid, bekend zijn en onbegrijpelijk te willen schrijven. Het gesprek wordt omlijst door bijgeluiden als het verplaatsen van spullen, gerommel in de keuken, piepend opengaande deuren, heen en weer lopende vrouwen en het blinde hondje, Besje. Soms vallen er hiaten in het gesprek, omdat namen zich niet aandienen of wordt de lijn van het te vertellen verhaal zo ver uitgesponnen dat de draad even losraakt. Om dan uit te komen bij de vraag: ‘wat is de betekenis van de zkv’s van A.L. Snijders in de Nederlandse literatuur?’ Niet dat we dat van tevoren bedacht hadden.


    Niet al je stukjes zijn een zkv las ik eens, welke zijn het wel?

    ‘Laatst heb ik er een geschreven over een bezoek aan Deventer, waar het oudste huis van Nederland staat met een 375 jaar oude beuk. Ik zat in tijdnood en dan krijg ik iets onverschilligs, kan het me niet meer schelen of het te begrijpen is of niet. Ik deed er nog een gedicht van een Chinese dichter bij uit een bundel die ik net had ontvangen van een man waar ik al veertig jaar mee correspondeer. Dat bundeltje ligt nu boven want daar lees ik ‘s avonds uit voor aan mijn verloofde. Maar dat stukje is voor mij een echt zkv, omdat ik in het eerste gedeelte een kunstenares noem, maar niet zeg wie het is, wat ze doet. Ik leg niet uit dat zij een Nederlandse kunstenares is die erg onbegrijpelijke beelden maakt. In een langer stuk zou ik uitleggen dat ze de vrouw van de zoon van een broer van mijn overleden echtgenote is. En dat gedicht is uit de elfde eeuw, maar dat zeg ik er ook niet bij. Wat begrijpelijkheid betreft is dat zkv op het nippertje. Het intrigeert mij bovenmate dat in de elfde eeuw Japanners en Chinezen de meest fantastische poëzie schreven, poëzie die wij nu pas maken. Het is mijn grote ideaal om er dingen in te zetten waarvan je denkt ”wat heeft dat te betekenen?” .’
    ‘Je kijkt nooit naar het aantal woorden?’
    ‘Nee, daar heeft het niks mee te maken. Als er op zijn minst maar één dingetje raar is, dan reken ik het tot een zkv. Dus niet als een zeer kort verhaal, maar die afkorting die een eigen leven is gaan leiden.’


    Overbodige voegwoorden

    Er is sprake van een ontstaansgeschiedenis van het zkv. In de jaren vijftig, toen Snijders op het Spinozalyceum in Amsterdam zat lag hij altijd overhoop met zijn leraar Nederlands. Deze wilde hem leren dat in een samengestelde zin de verschillende delen aan elkaar gekleefd moeten worden met een voegwoord. Dat vond Snijders ‘volkomen nonsens’, al wist hij nog niet waarom.
    Snijders: ‘Die leraar gaf als voorbeeld: “Ik pak mijn paraplu, omdat het regent.” Dat ‘omdat’ of ‘want’ moest er per se bij. Dat gaf aan dat het een bij het ander hoorde. Ik vond dat onzin.’ Die leraar werd overigens zijn opmerkingen zat en verbood hem op een gegeven moment nog iets in te brengen tijdens de les. Daar begon iets, werd een kiem gelegd.

    ‘Later met die zkv’s wilde ik het korter maken en ik zag dat je veel van die voegwoorden gewoon weg kunt laten omdat je hersens een volkomen eigen manier van denken hebben. Die maken de verbinding ook zonder dat voegwoord wel. Zo nam ik dus wraak op die leraar Nederlands. In het begin van het zkv werd ik soms kwaad als mensen daaraan vasthielden. Als ik schreef: ‘Ik neem mijn paraplu mee, het regent.’ Dan kon dat niet. Voor sommige mensen schrijf ik nu eenmaal onbegrijpelijk.’


    Lees je de kritieken op wat je schrijft?

    ‘Het is allemaal toeval als ik dat hoor, ik ga er niet naar op zoek. Ik zal je een voorbeeld geven. Ik ken een man uit Zutphen, Hans Heesen, die veel organiseert op literair gebied. Hij is negen jaar geleden begonnen met het lezen van Mei van Gorter in Utrecht, en doet dat nu in Zutphen.’
    Gekrabbel aan de buitendeur. Snijders staat op, hond Besje dribbelt schijnbaar doelbewust naar binnen.
    ‘…Heesen heeft verschillende jaren Mei-lezingen georganiseerd en op één keer na deed ik altijd mee. De laatste keer bij Mei lezen, een paar weken geleden, vertelde Heesen dat er twee mensen zijn die het langst meedoen, dat zijn Wim Noordhoek en ik. Wim was afwezig, want hij is erg ziek. Er waren deze keer honderdnegenentwintig dichters en schrijvers die meededen. Ik werd daar met alle egards behandeld. Na afloop kwam er ook nog een meisje naar me toe dat zei: “U was de beste.” Later sprak ik een jongeman die ook had meegedaan, die vertelde dat er mensen waren die hadden gezegd: “Die Snijders, die kan er echt niets van. Zoals hij het heeft voorgelezen, zo staat het er helemaal niet.” Kijk, en dat vind ik nou interessant. De een zegt, je was de beste en de ander vond hetzelfde helemaal niks.’


    In de supermarkt

    Snijders is een landelijke bekendheid, zelf lijkt hij dit maar amper te beseffen. Zijn verbazing is oprecht wanneer hij vertelt met ‘alle egards’ behandeld te zijn. In 2011 werd er werk van hem vertaald door kortverhaal schrijfster Lydia Davis voor Asymptote, een internationaal online tijdschrift voor vertaalde literatuur.
    ‘Weet je wat nu curieus is? In Lochem zijn vier supermarkten, maar er is er maar één waar ik aangesproken wordt als schrijver, en dat is bij Albert Heijn. Daar komen, denk ik, mensen die Radio 4 luisteren en boeken kopen. Bij die andere supermarkten ben ik nog nooit aangesproken.’


    Is het lezen van zkv’s dan toch een elitaire aangelegenheid?

    Lacht, ‘Ja, elitair als de pest. Ik gebruik teveel moeilijke woorden. Wat heeft dat nou te betekenen wat ik schrijf vragen mensen zich af, ze ergeren zich er wel aan. Ik probeer nu verder te gaan met het zkv, het nog onbegrijpelijker te schrijven. Al wil ik niet volkomen onbegrijpelijk schrijven.’

    Veert op en kijkt me enthousiast aan. ‘Weet je, dat is nu het aller, aller interessantst, de schrijver die door de hele moderne literaire wereld als een van de allergrootsten wordt beschouwd, die deed dat wel. Die schreef absoluut onbegrijpelijke dingen. Arthur Rimbaud wordt beschouwd, en terecht, als de grote vernieuwer van de poëzie. Hij heeft een boekje geschreven, Les illuminations, in moeilijk Frans en er is geen touw aan die stukjes vast te knopen. Ik lees ze bijna elke avond die stukjes waar ik niets van begrijp. Ik vind dat werkelijk fascinerend. Toen Rimbaud vijfentwintig was heeft hij gezegd dat het allemaal flauwekul was wat hij geschreven heeft. Hij vertrok naar Afrika om in wapens te gaan handelen, wilde niets meer met literatuur te maken hebben. Zijn moeder en zuster waren erg bezorgd, bang dat hij ziek zou worden. En dat werd hij ook, hij stierf voor zijn dertigste. Dat leven van die man, onbegrijpelijk.’

    De verloofde komt binnen, vraagt waar ze moeten zoeken naar het apparaat, een Kärcher, dat de dochter mee naar Amsterdam wil nemen. Dochter komt erbij, ‘Op de deel moet je kijken’, zegt Snijders. ‘De hele deel moet je bekijken.’ De vrouwen lopen samen naar achteren. ‘En daartussen ook, en de vaaltstal’, roept hij ze nog na. Dan: ‘Rimbaud had dit prachtig gevonden.’


    Plaats in de literatuur

    Als we het hebben over de betekenis van het zkv in de literatuur, komt de verwachte zoon binnen, enthousiast en even praatgraag als zijn vader. Hij zet koffie voor ons terwijl Snijders een anekdote vertelt, hoe hij een paar dagen terug met zijn verloofde op een bankje voor het huis zat.
    ‘We hadden het over de betekenis van de zkv’s van Snijders in de literatuur. Er kwamen een man en vrouw op de fiets voorbij, ze stopten en ik vroeg: “Wat vindt u nou van A.L. Snijders, hoe schat je Snijders in binnen de literatuur? Toen zei die man: “De beste schrijver ter wereld is Toergenjev, de tweede plaats is ook voor Toergenjev, de derde is ook voor Toergenjev, de vierde is voor Karel van het Reve en de vijfde is voor A.L. Snijders.” Zomaar, een onbekende man die met zijn vrouw op de fiets voorbij komt. Dat kun je niet bedenken. Nou ja, en je weet’, gaat hij nog even verder, ‘wie van Toergenjev houdt, die houdt niet van Dostojevski, dat weet ik weer van Karel van het Reve die daarover heeft geschreven.’

    De vrouwen komen weer terug, ze hebben het apparaat gevonden. Snijders vraagt of alle onderdelen erbij zitten. ‘Er hoort wel een heleboel bij hoor.’ ‘Oh, zegt dochter, dit is toch goed met zo’n spuitding. Dat is het toch?’ ‘Jaha’ zegt Snijders, ‘maar je moet toch nog eens kijken of er nog een andere is. Zou best kunnen dat er meer zijn. Nog zo’n heel ding.’ ‘Oh, zegt dochter, ‘dat dit ‘m niet eens is. Dat er een met een andere kleur is.’ Beide vrouwen verdwijnen weer naar achteren. Snijders roept tegen de dichtvallende deur, ‘Of je moet even proberen of deze het doet.’


    Zelf gelooft Snijders niet dat het zkv van enige literaire betekenis is.

    ‘Wat mij opvalt is dat schrijvers, en dit is natuurlijk een open deur, zo gauw ze dood zijn helemaal weg zijn. Vestdijk wordt niet meer gelezen, terwijl dat een fantastisch schrijver is. Dat lijkt ook alleen maar in Nederland te gebeuren, het onderwijs helpt daar natuurlijk ook niet aan mee. In Frankrijk kun je jong en oud nog een boek van Flaubert in de metro zien lezen.’


    In een interview zei je eens het liefst zonder publiek te willen zijn, is dit een pose of zit hier een kern van waarheid in.

    ‘Dat moet je niet te letterlijk nemen maar ik herken dat nog wel ja, dat ik het liefst een schrijver zonder publiek ben. Als ik word geconfronteerd met dingen die ik eerder heb gezegd, dan ben ik het er bijna altijd nog steeds mee eens. Het heeft ook wel te maken met toen mijn echtgenote gestorven was. Veel mensen zeiden, “Nu ga je hier zeker wel weg, want je wilt hier toch niet in je eentje zitten.” Qua Nederlandse begrippen woon ik erg eenzaam, zeker als de buren op vakantie zijn. Dan komt er helemaal niemand op dit paadje voorbij. Maar de eenzaamheid staat me absoluut niet tegen. In dat kader moet je volgens mij de opmerking dat ik geen publiek wil, begrijpen. Ik ben niet tegen publiek, maar ik doe er niets voor. Tot voor kort woonden al mijn kinderen in Amsterdam, dat is de weg die ik het meeste rijd. Wat cultuur betreft gebeurt het meeste daar. In mijn eentje hier blijven wonen heeft een verband met de opmerking geen publiek te willen. Dan is er ook de variant, “zou ik ook schrijven als ik niet werd uitgegeven?”, dat denk ik eigenlijk wel, ja. Ik denk dat ik zou blijven schrijven.’


    Heb je er wel eens over gedacht geen letter meer op papier te zetten?

    ‘Dat zou ik wel eens gedacht kunnen hebben om een reden. Als ik nu zonder druk stukjes zou moeten schrijven, zou ik wel minder schrijven. Omdat ik ook wel behoorlijk lui ben, dat komt er ook nog bij. En mijn dochter, vlak voordat jij kwam, zei me nog dat ik moest ophouden met dat schrijven. Want ik had gezegd dat er nog iemand kwam voor een interview. Toen zei ze: ‘Hou daar toch eens mee op, ga nou eens een makkelijk leven leiden.’


    De gedachte om te stoppen is er dus niet?

    ‘Die is er net zo min als als de gedachte dat ik hier weg zou gaan. En dat wist ik dus niet dat dat echt zo zou zijn, tot mijn vrouw werkelijk dood ging, begrijp je? Al twintig jaar leed ze aan de gevolgen van longkanker, aan de gevolgen van de medicatie is ze overleden. Dat wisten we, dat dat zou gebeuren. Maar het hoorde ook heel erg bij haar en bij mij dat we het negeerden. Dus toen het gebeurde, bleek dat we ons er mentaal op hadden voorbereid, maar niet door middel van gesprekken met elkaar. Dat moest op een andere manier worden opgelost, namelijk door de praktijk van het leven. Toen ik dus hier in mijn eentje kwam te zitten, merkte ik wat ik op dit punt waard was.’
    ‘Je bedoelt los van je levenspartner?”
    ‘Ja, dat, en in je eentje wonen in een veel te groot huis dat veel aandacht behoeft. Toen is mijn leven wel grijs en traag geworden. Ik kreeg allerlei kwalen die ik daarvoor nooit had gehad en waarvan de dokter zei dat dat te maken had met het verlies. Dan dacht ik, ja, hoe weet je dat nou? Maar toen leerde ik deze dame kennen’, kijkt naar buiten waar ze  met zijn zoon voor het huis zit, ‘en nu is het leven lichter.’


    Duizenden zkv’s schreef Snijders

    Eerst werden ze alleen verstuurd naar zijn kinderen en vrienden, later werden ze gepubliceerd, werd hij gevraagd om te schrijven. Hierover een anekdote die waar is zegt Snijders:
    ‘Ik heb in mijn leven nooit iets opgestuurd naar een uitgever of tijdschrift om mezelf aan te bieden. Nooit, niks. Alles wat er gebeurde ging via via, het breidde zich vanzelf uit. Ik doe wat bij me past. Nog altijd word ik aangekondigd als de schrijver die de Constantijn Huygensprijs heeft gewonnen, maar zelf had ik er geen idee van dat iemand mij een prijs zou geven. Dus toen ik opgebeld werd, nou ja daar heb ik wel over geschreven, toen was ik alleen thuis en ik dacht dat het iemand was die me een telefoon wilde verkopen of zoiets. Toen werd er gezegd dat ik een prijs had gewonnen. Ik kon dat bijna niet geloven. Want iedereen denkt dat bij een literaire prijs er eerst een aantal genomineerd worden en dan een shortlist van drie bekend wordt gemaakt. Bij dit soort prijzen, zoals de Constantijn Huygensprijs weet je helemaal niet dat je genomineerd bent. Dat is een volkomen andere prijs. Dat vind ik dan weer erg leuk, het hoort veel meer bij mij dan die andere, meer commerciële prijzen.


    Had je er wel eens over gedacht hoe het zou zijn om een literaire prijs te winnen?

    ‘Niet echt nee. Maar ik kende wel de uitspraak van, kom, hoe heet ie, de grootste katter van literair Nederland, Gerrit Komrij. Die heeft die uitspraak gedaan dat als je in Nederland schrijft en nog nooit een prijs hebt gewonnen, je volstrekt talentloos bent. Een fantastische uitspraak. En dat gold dus voor mij, want ik had nooit een prijs gewonnen. Toen ik dan die prijs kreeg, heb ik in een stukje daarover geschreven dat die uitdrukking van Komrij altijd als een aap op mijn schouder had gezeten en mij liet voelen dat ik niks waard was. Tot iemand mij belde en zei dat ik een behoorlijk prestigieuze, dat zegt iedereen erbij dat het een prestigieuze prijs is, gewonnen had. En dat toen die aap door mij losgelaten kon worden. Ik zag hem uit het huis verdwijnen, ik geloof zelfs dat het die dag nog sneeuwde ook. Die aap vertrok en daardoor was ik bevrijd van Komrij’s uitspraak. Volgens zijn norm hoorde ik er nu behoorlijk bij. Eigenlijk werkt het zo nog steeds, bij iedereen.’

    ‘Wat die prijs betreft heb ik me ook ongelofelijk vergist. Ik was er echt trots op en ik kreeg ook nog tienduizend euro. Ik dacht, dat ebt weer weg. Maar dat is niet zo, want bij elke voordracht die ik doe, kijken de mensen van de bibliotheek onder mijn naam en dan zien ze ‘Oh! prestigieuze prijs!’ En die wordt elke keer genoemd. Zo werkt dat  dus. Het gaat helemaal niet voorbij, ik ben gewoon een naam daarin. Begrijp je?’

     

     

     

     

     

     

     

     

     

     

     

     

    Foto © Bas Uterwijk