• Ted van Lieshout nog lang niet uitverteld over kunst

    Onlangs ging Adri Altink voor Jong Literair Nederland in gesprek met  Ted van Lieshout. In dit gesprek vertelt Van Lieshout o.a. wat hem ertoe bracht, en nog steeds drijft om voor kinderen over kunst te schrijven. En hij geeft aan dat hij dit zal blijven doen, ook na het verschijnen van zijn nieuwe boek Rozen voor de zwijnen begin april 2023.
    Rozen voor de zwijnen is een combinatie van kunst en taal. Het gaat over de meer dan honderd spreekwoorden die Pieter Bruegel de oudere heeft verbeeld op zijn De dwaasheid van de wereld.

     

    Zaterdag 22 april is Ted van Lieshout te gast bij Frits Spits in De Taalstaat om over zijn nieuwe boek te vertellen (Radio 1, tussen 11.00 en 13.00 uur).

    Lees hier het interview op Jong Literair Nederland.

     


    Foto Ted van Lieshout: ©BenKleyn2014

  • Schrijven vanuit het oog van de storm

     


    Deborah Levy begon in 1981 als toneelschijver, in 1985 debuteerde ze met de verhalenbundel Ophelis and the Great Idea, gevolgd door haar eerste roman Beautiful Mutants in 1987. Daarna verschenen er nog zeven romans, twee verhalenbundels en een dichtbundel. De romans Swimming Home (2011) , Hot Milk (2016) en The man Who Saw Everything (2019) werden genomineerd voor the Man Booker Prize, en verschenen in Nederland als Terug naar huis (2013), bij Signatuur, Warme melk (2017) en De man die alles zag (2019), bij De Geus.

    Tussendoor schreef ze aan haar, ‘Living’ autobiografie waarvan het eerste deel, Things I Don’t Want to Know in 2013 werd gepubliceerd. In 2020 verscheen Dingen die ik niet wil weten, in vertaling van Astrid Huisman en Roos van de Wardt bij uitgeverij De Geus. Het tweede deel, The Cost of Living (2018), vertaald als De prijs van het bestaan verscheen eveneens in 2020 in Nederland. Het laatste deel, Real Estate verscheen in 2021, tegelijkertijd met de vertaling, Onroerend goed bij De Geus. De boeken zijn, net als de originele uitgave, ook in Nederland in drie primaire kleuren blauw, geel en rood uitgegeven. 

    Deborah Levy (1959) werd geboren in Johannesburg, Zuid-Afrika. Haar vader was een anti apartheid aanhanger en werd van 1964 tot 1968 gevangen gezet. Nadat haar vader vrijkwam, kreeg hij huisarrest opgelegd. Ze was negen jaar oud toen haar ouders besloten naar Londen te verhuizen waar ze in exil leefden.

     In het weekend van 25 februari is Levy voor een kort bezoek in Rotterdam. Op uitnodiging van Guiding Voices is ze die avond te gast in het Bibliotheektheater waar Ernest van der Kwast haar zal interviewen. Ze overnacht in het Marriott Hotel en zal de volgende ochtend weer vertrekken naar haar schrijversappartement in Parijs. ‘Het is een drukke tijd. Mijn nieuwe roman August Blue verschijnt in mei in Engeland, en een verhalenbundel verschijnt er in Frankrijk. Ik moet dus morgen weer terug in Parijs zijn.’ Als we elkaar die middag spreken in de lounge van het Marriott Hotel, komt ze net terug van een fietstocht met Ernest van der Kwast naar de rivier de Maas en een broodje bal in een café aldaar. Het is haar eerste keer in Rotterdam, en de stad bevalt haar.  

    We spreken over de gedachten van de vrouw die volgens Levy nog te weinig uitgesproken worden. Over het waarom van een ‘levende’ autobiografie. Hoe schrijven haar als kind hielp zich te uiten, dat daar misschien wel haar schrijverschap begonnen is. Welke plaats de vrouw in de literaire wereld inneemt en reizen als voorwaarde om te schrijven.  

    Als vijfjarig kind, nadat haar vader door de politie uit huis was opgehaald, werd Deborah Levy steeds stiller. ‘Het was heel vreemd. Ik was niet echt een stil kind, ik ging alleen steeds zachter praten. Zachter en zachter, tot ze me niet meer konden horen.’ In het eerste deel van de trilogie, Dingen die ik niet wil weten, schrijft ze daarover. Later, op school was er een lerares die haar aanmoedigde om haar gedachten dan maar op te schrijven. ‘Ik schreef in korte zinnen en ontdekte dat mijn gedachten erg luid waren. Schrijven hielp me om te zeggen wat ik dacht, wat er allemaal in mijn hoofd zat.’


    U heeft een ‘levende autobiografie’ geschreven. Wat bedoelt u met ‘levende’?

    ‘Het was een uitdaging om een autobiografie te schrijven in de tegenwoordige tijd. Gewoonlijk wordt deze aan het eind van een leven geschreven, waarin er achterom gekeken wordt. Ik vroeg me af hoe het zou zijn er een te schrijven terwijl je er nog midden in zit, in de storm van het leven. Schrijven vanuit het oog van die storm. Ik was niet geïnteresseerd in een chronologisch verloop van een leven. Ik wilde een autobiografie waarin de verteller zich dingen herinnert terwijl zij bezig is met leven en deze met elkaar verweven. Om deze levende autobiografie te schrijven moest ik wel ergens doorheen. Ik moest er wel in geloven dat mijn gedachten en herinneringen interessant genoeg zijn om over te schrijven.’

    ‘Het is vrij radicaal om te schrijven over hoe de verteller, die veel op mij lijkt, zich voelt en denkt, over hoe zij het leven ervaart. Het was een nieuw project. Ik moest een stem vinden voor dit vrouwelijke personage die niet te direct maar ook niet te formeel mocht zijn. Een denkende stem die haar emoties de wereld instuurt.’


    Was dit idee er al voor u aan het eerste deel ging schrijven?

    ‘Het eerste deel schreef ik in een reactie op George Orwells’ essay Why I Write. Ik gebruikte de vier punten die hij in zijn essay gebruikte: Politieke doeleinden; Historische drijfveren; Puur egoïsme en Esthetisch enthousiasme. Als eerste zin schreef ik ‘Politieke doeleinden’ op mijn scherm. En ik dacht: het is erg persoonlijk, is dat oké? En ik vond van wel. De stem die ik voor deze drie boeken vond was van groot belang voor mij en ik moest er in geloven dat het op de een of andere manier ook interessant zou zijn voor anderen. Ik moest gaan schrijven om dat uit te vinden.’


    De eerste zin in het eerste boek luidt, ‘Dat voorjaar, toen het leven me zwaar viel en ik in oorlog was met mijn lot en gewoon niet zag welke kant ik op moest, leek ik nog het meest te huilen op roltrappen in treinstations.’ Wat gebeurt daar? 

    ‘Ik zocht naar een structuur om herinneringen een plaats te kunnen geven. De verteller ontdekt dat, wanneer ze op de roltrap omhoog gaat, ze moet huilen. Ze weet niet waarom ze huilt. Later ontdekt ze dat het verleden met haar meereist op de roltrap, haar kindertijd in Zuid-Afrika. Het gaat over dingen die we niet willen weten, maar die we toch wel weten. Ze zijn weggedrukt en komen op onverwachte momenten naar boven; daar zijn ze, klaar om ons iets te vertellen.’

    In het gele boek schrijft Levy, ‘Het grote avontuur van het schrijvende leven is dat je door alle dimensies van de tijd heen een eindeloos aantal ideeën kunt uitwerken.’ Haar levende autobiografie begint in de tegenwoordige tijd waarin Levy gefragmenteerde tijdsbeelden uit het verleden aan toevoegt. Zoals de waarschuwingsborden uit haar kindertijd in Zuid-Afrika, om zwarte mensen de toegang tot de openbare ruimte te verbieden.


    U herinnert zich die waarschuwingsborden uit uw kindertijd? 

    Op dat moment was ik in Brazilië. En daar was opeens het kind van zes jaar dat de verteller was, en net heeft leren lezen. Ze leest alles wat ze ziet. Als ze naar het strand van Durban gaan leest ze: “Dit strand is uitsluitend toegankelijk voor leden van het blanke ras”. Ik wist het niet, maar die waarschuwingen zijn me dus bijgebleven, de wreedheid van die woorden. Op die manier stop je een paar echt slechte dingen in de taal die voor de hele mensheid bedoeld is.’

    Vandaaruit gaat de verteller terug naar Zuid-Afrika. Het verhaal wordt vanuit het kind gepresenteerd , dat eerst naar de nonnenschool in Durban gaat, en later naar Engeland.


    Op u negende vluchtte uw familie naar Engeland. Hoe was dat?

    ‘Het was nogal een overgang. Opeens waren de ochtenden donker en koud en werd er erg veel thee gedronkem. In Zuid-Afrika leerde mijn moeder mij zwemmen in de Indische Oceaan. In Engeland kregen we schoolzwemmen in van die oude Victoriaanse gebouwen. Het was er ijzig koud, met kille stenen vloeren. De Engelsen zwommen met hun hoofd ver boven het water uit. Ik maakte daar grappen over. Dat als het zwembad vol thee zou zijn, elke zwemmer zijn hoofd er wel in zou onderdompelen.’


    In een interview citeerde u de dichter Allen Ginsberg. ‘Notice what you notice’. Wat betekent dit voor u?

    ‘Ik vind het een hele slimme zin. Er is nogal een behoorlijke druk op ons om niet te noteren wat we zien. Het moet mooier of anders gemaakt. Ik vind dat je jezelf de vrijheid moet geven om dat wat je ziet, te noteren. Dat is de taak taak van de schrijver.’


    U noemde de jaren waarin u uw twee dochters opvoedde, de meest vormende jaren voor uw schrijversschap. Hoe dat zo?

    ‘Het was niet zo dat ik in die tijd alleen maar thuis aan het koken en opruimen was. Ik gaf les op de kunstacademie en deed journalistiek werk. Maar ik kon niet schrijven aan een roman in die tijd. Wel schreef ik korte verhalen maar een roman lukte me niet. Toen begon ik ‘s nacht te schrijven aan Swimming Home. Als iedereen in bed lag, schreef ik tot vier uur in de ochtend. Ik deed er twee jaar over. Nog steeds als ik op een literair festival moet voorlezen uit dit boek, voel ik op bepaalde bladzijden de nachtelijke stilte, het alleen zijn met mezelf en het schrijven aan dit boek. Het heeft me geleerd om door te schrijven, al was het in de nachtelijke uren.’


    In uw boeken vraagt u zich af wie bepaalt hoe vrouwen moeten leven. Wie bepaalt dit?

    ‘Vanuit de samenleving  is er een bepaald beeld van hoe de vrouw zich zou moeten gedragen, hoe we eruit moeten zien, wat we mogen zeggen. In die zin is er zeker al veel veranderd, maar we zijn er nog lang niet. Vrouwen krijgen nog steeds niet dezelfde waardering voor hun werk als mannen. Het beeld van hoe een vrouw zich zou moeten gedragen zit nog sterk verankerd in de samenleving, en dat wilde ik onderzoeken. Tegelijkertijd heb ik groot respect voor vrouwen die overal een ‘thuis’ kunnen creëren. De vrouw is de architect van de huiselijke ruimte. Dat vind ik groots, dat een vrouw dit doet voor anderen, ook al zijn het haar kinderen en haar man. Dat interesseert mij, hoe de vrouw denkt en hoe zij zich in de wereld begeeft.’


    U werd op een literair feestje eens onbeschoft bejegend door een bekend schrijver. Hij ondermijnde uw schrijversschap. U schrijft: ‘De waarheid was dat hij alle vrouwelijke schrijvers beschouwde als pachters van zijn land.’ Is dit nog steeds zo?

    ‘Ook hier is er wel wat veranderd. Er publiceren nu zoveel vrouwen. Toen ik op mijn vijftiende dacht dat ik misschien wel schrijver wilde worden, had ik geen voorbeeld. In ons huis stond een rij boeken met schrijversinterviews met de namen op het omslag. Daar stond geen vrouw bij. Dat was de boodschap aan mij, geen vrouwen in de literatuur. Gekleurde mensen zullen dezelfde ervaring hebben gehad, mensen van kleur stonden er ook niet bij.’


    U reist veel, is dat voor u belangrijk om te kunnen schrijven? 

    ‘Het een kan niet zonder het ander voor mij. Ik kan niet vanuit een plek werken, om te kunnen schrijven moet ik de wereld in. Deze levende autobiografie is daarvan het resultaat. Ik draag mijn vertalers, die mijn boeken aan de wereld bezorgen, dan ook een warm hart toe.’

     

     


     

     

     

     

     

     

    Levende autobiografie door Deborah Levy:
    Dingen die ik niet wil weten 
    De prijs van het bestaan
    Onroerend goed
    Verschenen bij uitgeverij De Geus

     

  • Verhalen zijn representaties van de wereld waarin we leven

     

    De in Buenos Aires geboren schrijver Hernan Diaz (1973) groeide op in Zweden en woont al geruime tijd in de Verenigde Staten waar hij werkt aan de Universiteit van Columbia. Op zijn twaalfde ontdekte hij de Argentijnse schrijver Julio Cortázar. ‘Ik vond het zo geweldig wat hij schreef, dat ik dacht: dat wil ik ook. Nadat ik zijn verhalen las, wilde ik jazz luisteren, roken.’ Later werd hij een groot liefhebber van de Amerikaanse literatuur uit de negentiende eeuw. In 2017 verscheen zijn debuut In de verte, een historische roman over een jongen, gevlucht uit Zweden en op zoek naar zijn broer ten tijde van de ‘goldrush’ in Amerika. 

    Zijn tweede boek, Vermogen, is eveneens een historische roman, geschreven door vier verschillende (fictieve) auteurs en speelt in de ‘roaring twenties’ van de vorige eeuw. Het eerste deel is de roman ‘Effecten’, zogenaamd geschreven door Harold Vanner. Het is gebaseerd op het leven van de legendarische Wall Street magnaat Benjamin Rask en zijn vrouw Helen Brevoort. Het tweede deel is het onaffe manuscript ‘Mijn leven’ van Andrew Bevel, die in ‘Effecten’ model stond voor Benjamin Rask. Bevel schrijft een autobiografie waarin hij zichzelf nogal op de borst klopt. Het derde deel, van deze vierdelige roman is ‘Een gedenkschrift, herinnerd’ van Ida Partenza, dochter van Italiaanse immigranten en secretaresse van Andrew Bevel. Daar begint de roman te kantelen; het blijkt dat Partenza de memoires van Andrew Bevel schreef. De roman die vooral over mannen ging, wordt vanaf hier een boek over vrouwen. Het laatste deel ‘Opties’, bevat dagboekaantekeningen van Mildred, de vrouw van Bevel, die in zijn gedicteerde autobiografie nauwelijks voorkomt. Wie dit boek tot de laatste bladzijde leest, blijft in verbijstering achter, niets blijkt wat het leek te zijn. Dat Diaz in Amerika wordt gezien als een van de origineelste en ambitieuze schrijvers van zijn tijd, is dan ook niet moeilijk te geloven.

    Op uitnodiging van het literair festival Crossing Border, was Diaz in november vorig jaar enkele dagen in Nederland. In de Cobra Lounge van het Ambassade hotel in Amsterdam vertelt Diaz, met een twinkeling in zijn ogen, hoe deze roman over de financiële wereld in Amerika zijn vorm vond. Hoe hij als schrijver in de voetsporen treedt van de traditionele roman, maar er tegelijkertijd een loopje mee neemt, er steekjes uit lostrekt, andere patronen maakt. 

    Nog voor we hebben plaatsgenomen, noemt Diaz de naam van Nabokov, daarbij kijkend naar de systeemkaarten met aantekeningen die ik uit mijn tas haalde. Diaz heeft een voorliefde voor ‘index cards’. En of ik weet dat Nabokov hele romans op deze ‘index cards’ schreef? Bij toeval weet ik dat, een jaar geleden vond ik in de opruiming het postuum uitgegeven Het origineel van Laura van Nabokov. Met op elke pagina een foto van de originele systeemkaarten waarop Nabokovs handgeschreven versie van het verhaal staat, daaronder de gedrukte tekst.


    Over moneymakers

    Vermogen gaat over geldstromen en over mannen die van geld altijd meer geld weten te maken. Tijdens de voorbereidingen voor zijn roman vond Diaz weinig boeken over moneymakers. ‘Dat is opmerkelijk want geld is waar het in de Amerikaanse samenleving om draait.’ En in wat hij daarover las, kwamen geen vrouwen voor. ‘In het begin zag ik een lineaire roman voor me, maar toen ik ontdekte dat vrouwen geen stem hadden in het narratief rondom kapitaal, bedacht ik hoe het zou zijn als de autobiografie van Bevel, geschreven bleek door een vrouw. Het zou oneerlijk zijn als we niets te weten zouden komen over hun rol in het leven van rijke en machtige mannen. In de literatuur hebben deze vrouwen geen substantie, ze zeggen niets, ze doen niets. Het laatste deel van het boek heb ik gebruikt om Mildred neer te zetten als een belangrijke vrouw met originele ideeën.’


    Authentieke vrouwenstemmen 

    De vrouwelijke vertellers, zoals Ida en Mildred klinken zeer authentiek, zeer vrouwelijk. Diaz las hiervoor alle dagboeken en manuscripten van vrouwelijke schrijvers die hij kon vinden. ‘Omdat ik als man een vrouwenstem wilde laten klinken, voelde het als een plicht dit goed te doen. Als hun stemmen niet vrouwelijk hadden geklonken, zoals jij zegt, dan zou het hele boek niet gewerkt hebben.’

    Diaz speelt met de lezer die de te verwachte loop van het verhaal steeds moet bijstellen. Bevel zegt aan het begin van zijn memoires: ‘Ik ben geen historicus, en het was niet mijn bedoeling om een geleerd overzicht te bieden van de ontwikkeling van de financiële sector van Amerika.’ Waarmee Diaz de lezer attendeert op wat het boek niet is. ‘Ik kom uit een humane wereld. Ik studeerde literatuur en wist niets van de financiële wereld. Ik realiseerde me dat het ook niet de bedoeling is dat wij, gewone mensen, begrijpen hoe de financiële wereld in elkaar zit. Het is zo complex. Daardoor kunnen deze mannen verkeerde dingen doen zonder zich zorgen te hoeven maken over wat er gezegd wordt.’


    Maakbaarheid van de wereld

    Van alle memoires die Diaz gelezen heeft, is hij overtuigd dat er in een paar de waarheid geweld wordt aangedaan. ‘Ik ben er vrij zeker van dat deze mannen publieke aangelegenheden hebben verbogen naar een versie die hen beter past. Niet allemaal, maar van een paar van hen ben ik zeker dat ze dat gedaan hebben. Het is interessant hoe iemand met macht de realiteit naar zijn hand kan zetten. Dat is ook de kern van het boek. Hoe het mogelijk is om waarheid zo te verbuigen en daarmee fictie te creëren die een stempel drukt op de werkelijkheid zelf.’

    Het verbuigen van de werkelijkheid gaat in het boek behoorlijk ver. De roman ‘Effecten’, waarover Bevel niet te spreken was, werden door hem allemaal opgekocht en vernietigd. Ook liet hij alle exemplaren uit de bibliotheken verwijderen. ‘De initialen van Howard Vanner zijn enkel te vinden in het dagboek van Mildred. Ik weet niet hoe dit vertaald is in de Nederlandse versie, maar er is een zin die Vanner gebruikt in de roman, die ook in het dagboek staat. Die zin heeft hij gestolen uit een brief van Mildred aan hem.’

    Als Ida tijdens het dicteren Bevel op een leugen betrapt en die wil corrigeren, zegt Bevel dat het zijn taak is altijd gelijk te hebben, altijd. ‘Hij zegt dat hij alles in het werk zal stellen om de fouten die hij maakt te verdoezelen. Dat hij het er zo uit zal laten zien dat het geen fout was. Maar verhalen zijn representaties van de wereld waarin we leven. Ze verdienen het naar waarheid verteld te worden want ze vormen de manier hoe we de realiteit accepteren.’


    Arbeidersklasse en middenklasse

    De financiële wereld was een echte mannenwereld, voor vrouwen was er geen plaats, er werd in die tijd sowieso niet gedacht dat vrouwen zakelijk konden zijn. ‘Het was voor het eerst dat vrouwen van die wereld deel uit gingen maken als secretaresses, wat een heel nieuwe functie was. Daarvoor waren er geen secretaressen in die zin van het woord. Interessant daarbij is, dat secretaresses een soort geheimhouder van hun baas werden. Dat vond ik fascinerend. Deze vrouwen kwamen uit de arbeidersklasse, werden opgeleid tot typiste en stenograaf en werden tegelijk de geheimhouders van hun welgestelde bazen.’ 

    Ida, die met haar vader in een klein appartement woont, is een verbindende factor tussen de arbeidersklasse en de middenklasse. ‘Wat deze twee werelden met elkaar gemeen hebben is het machismo want ook de arbeidersklasse onderdrukte hun vrouwen en dat trok mijn aandacht. Ik laat Ida vertrekken uit het huis van haar vader, dat was heel ongewoon in die tijd. Ze huurt een kamertje voor zichzelf, gaat schrijven.’ Zonder dat het benoemd wordt, komt hier A Room of One’s Own van Virginia Woolf bovendrijven. In het vierde deel leest Mildred Flush, van Woolf. Er komen meer vrouwelijke schrijvers in de roman voor, al zijn er enkele fictief. ‘De meeste schrijvers waarnaar ik verwijs, hebben echt bestaan, sommige heb ik verzonnen. Zo schreef ik zelf de gedichten die in het boek staan en verzon de auteursnamen.’


    De mannelijke weergave van intellect bij vrouwen

    In ‘Effecten’ is Helen Brevoort, een intelligente vrouw die zich, onder toezicht van haar man, bezighoudt met liefdadigheidswerk voor de literatuur en muziek. Zij zakt uiteindelijk weg in een stille vorm van gekte. Een klassieke weg voor vrouwen wiens talenten in die tijd miskent werden. Het was normaal dat vrouwen hysterisch werden. ‘Er werd niet gekeken naar de talenten van vrouwen, naar de waarde daarvan. Als Mildred in een andere tijd was geboren, was ze kunstenaar geworden. In haar tijd was het niet de bedoeling dat vrouwen iets werden, zeker geen kunstenaar. Het leven als bohemien werd bij vrouwen afgekeurd als iets minderwaardigs. Ik vond het schokkend in Edith Wharton’s memoires te lezen dat het haar als meisje verboden werd te schrijven, het werd haar niet toegestaan. Maar het is niet zo dat alle slimme vrouwen gek worden. Het is de mannelijke weergave van intellect bij vrouwen waardoor ze als gek gezien worden.’

    Toen het boek in Engeland werd uitgegeven, ontving Diaz een brief van zijn Engelse uitgever en allerlei mensen daaromheen die het boek hadden gelezen. Iedereen schreef wat ze van het boek vonden. ‘Er was een vrouw die toen ze las dat Helen werd opgesloten in een kliniek en daar sterft, zo kwaad werd dat ze het boek in een hoek wilde gooien. Ze was kwaad op mij omdat ik dat had laten gebeuren. Dus eerlijk gezegd, ben ik altijd een beetje bang als vrouwelijke lezers bij die passage van het boek komen.’

    Min of meer vermoordt hij haar

    Het is inderdaad schrikken dat Helen op deze wijze eindigt. Mildred, die model stond voor Helen wordt niet gek, maar wordt met kanker opgenomen in een kliniek in Zwitserland. Hier zegt Diaz, met die twinkeling in zijn ogen: Het is goed te onderschrijven dat ze niet gek is, het is een verhaal. Het is de mannelijke romanschrijver Vanner, die dit verzonnen heeft in zijn roman over Bevel.’ Daarmee negerend dat het hele boek ontsproten is aan de fantasie van Diaz zelf. 

    In ‘Effecten’ financiert Rask het onderzoek naar elektroshocks dat in die tijd in de kinderschoenen staat. Er wordt mee geëxperimenteerd op zijn vrouw Helen, waardoor ze sterft. In het laatste deel wordt Mildred met kanker opgenomen. Bevel trekt zijn aandelen terug uit een farmaceutisch bedrijf dat de medicijnen voor zijn vrouw produceert. Daardoor ontbeert Mildred de juiste behandeling en overlijdt ze. Bevel is daar schuldig aan. ‘Ja, knikt Diaz stellig, ‘Min of meer vermoordt hij haar.’

    Diaz speelt met de verwachtingen van de lezer, hij tornt aan aannames waarmee we allemaal behept zijn. Wie dit boek leest, kan rekenen op een geweldige leeservaring. ‘Ik heb wel geprobeerd de lezer steeds een hint te geven. Ik wilde niet dat het aan het eind tot een grote ontknoping zou komen.’ Waarvan gezegd kan worden dat Diaz in die opzet meer dan geslaagd is.

     

     

    Foto: Pascal Perich


     

     

     

     

     

     

     

    Vermogen / Hernan Diaz / vertaling Harm Damsma en Niek Miedema / 436 p. / Uitgeverij Atlas Contact

     

  • Kan Icarus zijn val voorkomen?

     

    De laatste klanken van Icarus, verschenen bij Uitgeverij kleine Uil, is de tweede roman van Arjen van Meijgaard. Het is de nostalgische weerslag van de tijd waarin hij na zijn eindexamen in Parijs woonde, een tijd die hij inmiddels koestert. Hij is van Parijs gaan houden en komt er nog vaak. ‘Parijs is echt mijn tweede stad geworden. Het is heerlijk om een andere, buitenlandse stad als je eigen te ervaren. Daarom was het schrijven van deze roman zo leuk, want dan zat ik daar weer.’


    Waar gaat het boek over?

    ‘Het is een herinnering van een Nederlandse man die na zijn eindexamen een jaar in Parijs woont en daar op straat viool speelt. Hij denkt met weemoed terug aan die periode en maakt zijn herinneringen groter en mooier, en buit ze uit. Iedereen gaat daarin mee. Hijzelf uiteindelijk ook. Tot er een kaart uit Parijs in de bus valt. Die kaart komt van Julie, zijn Parijse geliefde uit die tijd. Zij kondigt haar bezoek aan. Hij schrikt ervan, zijn herinneringen beginnen te wankelen en hij vraagt zich af: Klopt het eigenlijk wel wat ik verteld heb? Wat klopt er van mijn verhalen?

    Fantaseren kan lang goed gaan, tot er iets gebeurt en iemand je wijst op inconsistenties. Hij besluit halsoverkop om terug te gaan naar Parijs. Achter zijn herinneringen aan en op zoek naar Julie.’


    Het boek heeft een bijzondere constructie. Daar kan je eigenlijk nauwelijks iets over vertellen omdat dat te veel zou weggeven, maar zeker is dat de lezer vaak op het verkeerde been wordt gezet. Waarom heb je dat gedaan?

    ‘Op basis van mijn eigen herinneringen was het boek oorspronkelijk een rechttoe-rechtaan verhaal, maar ik vind het zelf leuk als je als lezer op het verkeerde been wordt gezet. En was het niet Hermans die beweerde dat alleen een interessant leven niet genoeg is als basis voor een goede roman; dat daar altijd nog iets bij moet?
    Wat er in De laatste klanken van Icarus bijkomt is de vraag waarin de herinnering verschilt van de verbeelding? Wat is er nog waar van de verhalen die je vertelt over je ervaringen? Waarin verschillen jouw herinneringen met die van anderen die hetzelfde hebben meegemaakt? Het fijne van schrijven is dat je alles kunt vertellen zoals jij dat wilt.’

    Van Meijgaard weet zelf ook niet meer precies wat hij wel en niet beleefd heeft. ‘Ik weet niet meer hoe ik daar gekomen ben. Die villa van het au pair-gezin bijvoorbeeld, waar ik in het begin au pair was en woonde klopt wel, tenminste dat denk ik, maar hoe ik daar gekomen ben…? Ik weet het niet meer.
    Het geheugen, dat vind ik interessant. Waarom je sommige dingen nog wel en andere niet meer weet. Zelf vertel ik het verhaal ook al dertig jaar. Kloppen mijn herinneringen nog?
    De plaatsen waar ik viool gespeeld heb weet ik nog wel zeker, maar dat is dankzij een plattegrondje waarop ik die heb aangekruist.’


    Denk je dat mensen vaak de neiging hebben om de dingen mooier voor te stellen dan ze zijn?

    ‘Ja, als je dingen hebt meegemaakt die niet zo leuk waren, bijvoorbeeld zo’n au pair-ervaring waarover je klasgenoten zeggen: “Wow, die zit lekker in Parijs.” Terwijl het in werkelijkheid enorm tegenviel, dan maak je dat soms mooier. Je wilt je eigen leven betekenis geven en wel zodanig dat je er zelf in gaat geloven. Uiteindelijk gaat zoiets een eigen leven leiden. Hoe langer geleden, hoe meer je vasthoudt aan de hoogtepunten. En dan kunnen details hoogtepunten worden. Op den duur weet je niet meer wat waarheid, herinnering of inbeelding is.’


    Viel het tegen?

    ‘Ja. Het begon al anders dan ik had gewild. Ik wilde na mijn eindexamen naar Bordeaux maar daar wilde niemand een jongen als au pair. Het werd daarom Parijs. Ik nam mijn viool mee, maar niet met de opzet om ermee op straat te gaan spelen.
    Het was vreselijk in het begin, daar in mijn eentje. Ik ging wel op Franse les, leerde daar mensen kennen, maar uiteindelijk ben ik van pure ellende op straat gaan spelen. Ik raakte uiteindelijk min of meer verslaafd aan het zoeken naar goede plekken om te spelen. Het boek Le solitaire van Ionesco dat de hoofdpersoon van zijn Franse docent krijgt met de mededeling “Lees dit maar, het kan altijd eenzamer, houd je daar maar aan vast” was heel toepasselijk.’


    Kon je zo goed viool spelen?

    ‘Ik was daar in ieder geval goed genoeg voor, ik had jarenlang in een jeugdorkest gespeeld en speelde mee tijdens concerten. Voor die optredens was ik altijd heel zenuwachtig, maar daar in Parijs op straat niet. Daar verwacht niemand iets van je en valt het altijd mee. Al snel kreeg ik complimenten en verdiende ik goed.’


    Op straat ontmoet de hoofdpersoon Milan, een fagottist, hij is de koning van de straatmuzikanten. Hij speelt een belangrijke rol in het boek.

    ‘Milan is de man met de regie over vrijwel alle straatmuzikanten. Hij bepaalt wie wanneer waar mag optreden. Hij heeft contacten bij de parkwachters die hij inzet als hij dat nodig vindt, bijvoorbeeld als de bedelaars de inkomsten van de artiesten inpikken door te doen alsof ze bij elkaar horen. Dat is gebaseerd op iets wat ik zelf heb meegemaakt. Ik had mijn plekje drie uur voor de openingstijd bij het Grand Palais ingenomen, er stond een lange rij en ik had mijn plekje tactisch gekozen. Die profiteurs posteerden zich ruimschoots later ook bij die rij en wel zodanig dat het leek alsof ze bij mij hoorden. Daardoor ontvingen zij soms mijn verdiensten. Toeristen zijn gul, maar ze geven maar één keer.’

    Milan – in werkelijkheid heette hij anders en speelde hij klarinet – had door dat ik goed kon spelen en gaf me een kans. Ik heb veel van hem geleerd. Hij eiste wel van me dat ik nooit zou praten over alle trucjes – de tien gouden regels van Milan – die hij met me deelde. Met de publicatie van De klanken van Icarus klap ik dus eigenlijk uit de school.
    Zelf kon hij leven van het spelen op straat. Zijn vrouw had een ‘baantje’ zodat ze verzekerd waren. Tegelijkertijd waren ze ook bezig met de bouw van hun tweede huis.
    Hij adviseerde me overigens om niet in zijn voetsporen te treden: “Ga studeren, anders sta je op je 40e nog op straat.”’

    Dat advies heeft Van Meijgaard ter harte genomen. Hij is Nederlands gaan studeren en geeft nu onder andere les op het conservatorium in Den Haag.
    ‘Dat ene jaar in Parijs, waarin alles anders liep dan verwacht heeft me zoveel gebracht. Zo’n jaar, de dingen die je rond die leeftijd meemaakt, de mensen die je ontmoet, maken veel indruk. Wat ik toen gedaan heb had ik nooit van mezelf verwacht, maar iets wat je niet plant brengt vaak meer dan een uitgestippeld pad. Maar ik ben een nostalgisch mens. Misschien is mijn boek wel een uitnodiging aan de jongeren van die leeftijd om te gaan reizen en bijzondere dingen mee te maken.’

    Icarus komt in het boek niet voor. Hij was hoogmoedig en kwam ten val. De muzikant uitDe laatste klanken van Icarusis misschien bij tijd en wijle wel ijdel, maar is vooral op zijn hoede voor wat de komst van Julie, vijfentwintig jaar na dato, teweeg zal brengen. Maar waarom eigenlijk? Waarom wil hij Julie kost wat kost terugvinden voordat zij naar Nederland komt? Dat is waar het in dit boek om draait en wat niet vooraf onthuld moet worden.

     


     

     

  • Schrijven is een manier van denken, een manier van leven

     

    De Italiaanse schrijver en journalist Andrea Bajani (1975) is in eigen land een gelauwerd schrijver. Over zijn debuutroman, Cordiali saluti, (2005), schreef de schrijver Antonio Tabucchi (1943-2012) dat hij dit boek gelezen had ‘met een opwinding die ik in tijden niet meer heb gevoeld in de Italiaanse literatuur’. Het boek won vier prijzen. Zijn tweede boek, Ogni promess, verscheen in Nederland als De belofte. In 2014 verscheen een bundel ultra korte verhalen in de trant van Italo Svevo, Het leven is niet alfabetisch. Beide boeken vielen in de prijzen. Zijn roman Un bene al mondo (2016) Het hoogste goed (deze romans werden vertaald door Yond Boeke en Patty Krone) werd onlangs verfilmd. Vanaf 2017 publiceerde Bajani verschillende poëziebundels, ook schrijft hij essays voor de krant La Repubblica.

    Het boek van de huizen is een fascinerende vertelling over de ontwikkeling van een kind tot jongeman, student, echtgenoot, schrijver en de verschillende huizen waar het personage Ik, heeft gewoond. Het is geen chronologisch vertelling, de schrijver springt door de tijd. Er zijn plattegronden van de verschillende huizen in afgedrukt en zonder een toekomstroman te willen zijn, is er een hoofdstuk gesitueerd in 2048, waarmee het idee een traditionele roman in handen te hebben, geheel verworpen wordt. 

    Sinds enkele jaren woont Andrea Bajani in Houston, Amerika waar hij Creative Writing geeft aan de universiteit. Een groot deel van Het boek van de huizen schreef Bajani in Rome, de uiteindelijke vorm van het boek kwam in Houston tot stand. Rond de verschijning van de Nederlandse vertaling verbleef Bajani enkele dagen in Amsterdam. Voor het interview ontmoetten we elkaar in de Cobra Lounge van het Ambassade Hotel aan de Herengracht.


    Wat betekent een huis voor u?

    ‘In Italië is ieder huis een herinnering die behouden blijft voor de familie. Daar is het normaal dat mensen in oude, beschadigde huizen wonen. In Texas, waar ik op dit moment woon, kopen ze alleen het stuk land, vernietigen het huis dat erop staat en bouwen iets nieuws omdat het voordeliger is. Dat is in Italië ondenkbaar.

    Ik ben een nomade, maar in mijn manier van rondtrekken zit altijd de behoefte het perfecte huis te vinden. Als ik het zou vinden betekent dat het einde van mijn zoektocht. Ik pleit er dan ook voor dat geluk een streven blijft, niet een bestemming die je bereiken moet. Mijn culturele achtergrond zegt me dat een huis een plaats voor altijd betekent, meer algemeen denk ik dat een huis een goed narratief is voor een betekenisvol leven. Huizen zijn een soort van fictie. Als schrijver is dat interessant voor mij.’

    Naast dat het een boek over huizen is, gaat het ook, in haast onopvallende noteringen ook over klassenverschillen, zoals, ‘Bij de uitgang van de supermarkt valt het muntje dat ze als wisselgeld bij het bonnetje hebben gekregen vaak in de hand van de derde wereld die tegen de muur zit.’  


    Wat wilt u hiermee aantonen?

    ‘Tegenwoordig hebben we enkel een middenklasse, met daarbinnen de hogere- en lagere middenklasse. De arbeidersklasse wordt niet meer genoemd, alsof men zich daarvoor schaamt. Iedereen kan nu bereiken wat hij wil. En als je dan zelf iets bereikt hebt, wil je wel een aalmoes aan daklozen geven. Ik wil laten zien hoe we onszelf voor de gek houden, zo snel vergeten waar we vandaan komen.’ 

    Het boek van de huizen is fragmentarisch en zonder uitgesproken emoties geschreven. Toch spreekt er een verlangen van Ik naar geborgenheid, naar liefde uit. Er is sprake van geweld en verwaarlozing in de jeugd van Ik, iets dat gaandeweg duidelijk wordt.


    Waar vond dit boek zijn oorsprong?

    ‘In 2015 werkte ik voor een fellowship op de Amerikaanse Academie in Rome. Een paar blokken van de de academie was het huis waar  ik ben geboren. In het boek is dat het ‘Huis onder de Grond’. Toen ik drie was verhuisden mijn ouders met mij en mijn zus naar een ander huis. Mijn oma bleef daar achter. Tot 2001 kwamen we met kerst en pasen nog bij haar op bezoek. Daarna ben ik er niet meer geweest. Het was beangstigend dat dit  huis zo dicht bij de academie lag, beangstigend omdat mijn familieverhaal een verhaal vol pijn is.
    Eerst observeerde ik het huis een paar dagen van een afstand. Toen heb ik aangebeld. Het was een klein huis, ik heb op het buitenplaatsje gestaan waar ik als kind speelde. Toen ik daarna terugliep naar de academie, had ik de structuur van dit boek en de eerste zin: “Ik gaat wandelen.” Ik had de visie van het hoofdkarakter en alle huizen waar Ik gewoond heeft voor ogen. Ik wist dat dit een puzzel van huizen zou worden. Terug in mijn appartement ging ik strijken, dat is voor mij de enige manier om me te kunnen focussen op een idee. En ik wist, dit boek moet ik schrijven. Ik heb er vijf jaar over gedaan.’


    Waarom moest het hoofdpersonage ‘Ik’ genoemd worden?

    ‘Die eerste zin “Ik gaat wandelen.”, had een bedoeling. Die zin kwam niet voor niets bij me op. Ik vertrouw de woorden die in me opkomen, en ik weet dat ik ze moet volgen. Het hele punt van schrijven is dat je begint te schrijven en gaandeweg pas ontdekt wat de bedoeling is. Toen ik bij mijn geboortehuis aanbelde, wilde ik op dat moment terug naar het kind dat ik toen was. Toen ik binnenkwam wist ik dat dat niet kon. Hoe moet ik het zeggen, ik was toen een kind, nu ben ik een ander persoon.
    Daarom geloof ik niet in memoires. Alles wat je hebt gedaan in je leven, wordt in een memoir verklaard. Het boek van de huizen is voor mij precies het tegenovergestelde. Wat ik met dit boek wilde, was ervoor te zorgen dat elke ik die ik geweest ben, de driejarige, de zestien- en vierentwintigjarige gerespecteerd werden om wie ze toen waren, hun handelen wilde ik niet verklaren.’


    Zijn huizen herinnering bewaarders? 

    ‘De enige manier om te herinneren is het verleden te bezoeken. In de huizen van vroeger vind je jezelf uit het verleden weer terug. In een andere gedaante, maar jij was het wel. Herinneringen zijn een verzameling momenten in de tegenwoordige tijd. 


    De hoofdstukken ‘Huis van de Dode Dichter’ en ‘Huis van Gevangene’, gaan over schrijver en filmmaker Pier Paolo Pasolini die in 1975 werd vermoord en de ontvoering en moord op politicus Aldo Moro in 1978. Waarom noemt u ze niet bij hun naam?

    ‘Ik besloot hun namen niet te noemen, te weten wie het zijn is een extra laag aanbrengen die ik niet wilde. Je hoeft ook niet per se te weten dat Ik, Bajani is.  Ik ben geboren in augustus 1975, de Ik uit het boek is wat later geboren.
    Bij  Aldo Moro was ik drie jaar, de tv beelden waren gewelddadig. In het huis waar ik als driejarige woonde stond de tv altijd aan. Ik herinner me de beelden niet, maar ze zijn toch ergens opgeborgen in mijn geheugen. Een belangrijk gereedschap voor een schrijver is zijn geheugen. Tijdens het schrijven kwamen deze twee personen naar boven. Ik had niet gepland over hen te schrijven. Het kwam mee met de beschrijving van het huis waar ik geboren ben.
    Het schrijven aan dit boek was het willen vinden van een huis waar geen pijn bestaat, een huis waar liefde kan bestaan. Daar slaagt de Ik niet in. Uiteindelijk voelt de Ik zich thuis als hij schrijft op zijn laptop. Woorden geven hem het gevoel van veiligheid. Hij voelt het belang van woorden, hoe ze gebruikt worden.’ 

    De eenzaamheid van Ik doet denken aan het jongetje in Bajani’s boek Het hoogste goed, dat geen ander gezelschap heeft dan zijn verdriet. Als een trouwe hond blijft het bij hem, ligt aan zijn voeten als hij aan tafel zit.


    Gaat het in beide boeken over dezelfde jongen, over hetzelfde verdriet?

    ‘Zonder het te willen hebben over een trilogie is Het hoogste goed het eerste deel. Dit boek is het tweede deel en in mijn computer zit het derde boek, net zo’n kleine roman als de eerste. Alle drie zijn ze compleet verschillend maar komen uit dezelfde bron. In het Het hoogste goed gaat het over verdriet. Daarin werd de pijn uitgewerkt, ik huilde elke regel die ik schreef. Dit boek, het tweede, kon ik met meer afstand schrijven en gaat over vergiffenis. Het derde boek, dat ik schreef tussen 2020 – 2022, is confronterender.’ 


    Er is een zus die Ik probeert  te bereiken, maar het zijn vruchteloze pogingen. Het maakt verdrietig over deze pogingen te lezen. Wat is er met de zus?

    ‘Je bent de eerste die me hier naar vraagt. Soms blijven mensen achter, komen ze niet mee in het leven dat je gekozen hebt. Ik verstoot zijn ouders, hij ziet ze nooit meer, wat begrijpelijk is. Maar hij laat ook zijn zus achter. Zij is eigenlijk het echte slachtoffer, de geofferde. Zij kon haar ouders niet verlaten, Ik liet haar daar achter. Meer dan alle andere dingen in het boek laat dit de eenzaamheid van Ik zien. Zijn zus was de enige die hij kon vertrouwen, waarmee hij zich wilde verbinden, en dat is niet gelukt.’ 


    Voorin het boek is een citaat van Milan Kundera opgenomen. Wat betekent deze schrijver voor u?

    ‘Ik ben schatplichtig aan Milan Kundera. Hij is de schrijver die me initieerde tot een vorm van fragmentarisch schrijven. Het heeft jaren geduurd voor ik zo kon schrijven. Kundera stopt politiek, engelen (er komen twee engelen in Bajani’s boek voor I v/d G) en seks in zijn boeken. Zo te schrijven als hij schreef, was een manier om hem te eren, mijn dankbaarheid aan hem te tonen.
    Ik was zeventien toen ik hem voor het eerst las. Zijn boeken waren metafysisch, in eerst instantie begreep ik niet alles. Ik kon hem in zijn schrijven niet opvolgen. Ik vind ook dat je als beginnend schrijver eerst op de traditionele manier moet leren schrijven. Pas na vijftien jaar werd Kundera’s manier van schrijven een keerpunt in mijn leven. Je moet eerst sterk in schrijven worden om een puzzel te kunnen schrijven. Kundera is nu vergeten. Toen hij in het Frans ging schrijven, verloor hij iets.’


    Heeft u er wel eens over gedacht uw boeken in het Engels te schrijven?

    ‘Ik geef les in het Engels, mijn leven is in het Engels, tachtig procent van de boeken die ik lees zijn in het Engels. Deze taal heeft een grote invloed  op mijn Italiaans. Taal is ook een houding, door het Engels ben ik veel directer geworden. Maar ik zou niet in het Engels kunnen schrijven. Ik ben verweven met mijn taal, mijn herinneringen zijn in het Italiaans. Ik zou iets verliezen als ik in het Engels zou schrijven.’ 


    Wordt met het verschijnen van het derde boek dat nu nog in uw computer zit, een periode afgesloten?

    ‘Elk boek dat ik schrijf voelt als het laatste, maar het is belachelijk als schrijver te denken dat je je laatste boek hebt geschreven. Met Het boek van de huizen dacht ik alles gezegd te hebben. Maar schrijven is een manier van denken, een manier van leven. Een schrijver zoekt naar de zin van het leven en als je die gevonden denkt te hebben, dan is dat je laatste boek. Maar gelukkig komt er steeds opnieuw iets dat onderzocht moet worden, en dat wordt dan weer een idee voor een boek dat geschreven moet worden.’

     

     

    Foto: Emiliano Ponzi


     

     

     

     

     

     

     

    Het boek van de huizen / Andrea Bajani / vertaald door Manon Smits / Uitgeverij Van Oorschot

     

     

  • Woorden doen ertoe

     

    Hilversum, augustus ’88. Binnen één week staat het leven van hoofdpersoon Erik Poelman volledig op zijn kop. Hij heeft voor het eerst seks met een vriend van de middelbare school, Maurits, en zijn jeugdvriend Johannes wordt vermoord. Beide gebeurtenissen hebben een enorme impact op hem. In Augustus vertelt hij in een terugblik over deze twee, zo totaal verschillende vriendschappen tijdens zijn middelbareschooltijd, een tijd waarin hij, als menig jongvolwassene, worstelt met van alles en nog wat – niet in het minst met zijn seksuele geaardheid. Hij is onzeker, een denker en een twijfelaar, wordt moe van zijn dialogue intérieur over vriendschap, geloof en seksualiteit, en verloochent zichzelf met enige regelmaat.

    Eric de Rooij (1965) is schrijver, dichter en humanistisch geestelijk begeleider. Hij debuteerde in 2020 met De wensvader. We spreken elkaar in Leiden naar aanleiding van het verschijnen van Augustus. Zowel Augustus als De wensvader verschenen bij uitgeverij kleine Uil.

    Augustus ademt de sfeer van de jaren tachtig, er zijn telefooncellen waar je met kwartjes moet betalen, mensen zitten op zaterdagavond thuis voor de buis voor een spelshow, aids maakt homo’s bang en zet anderen aan tot de meest walgelijke uitspraken. Holly Hobby is ‘hot’ bij de meisjes, voor lp’s ga je naar de Free Record Shop en op straat kun je sannyasins tegenkomen, de in oranje geklede volgelingen van Bhagwan.


    Johannes en Maurits

    Erik wordt op de middelbare school door zijn jeugdvriend en kerkganger Johannes bij diens vrienden geïntroduceerd: ‘wees goed voor Erik, hij is een kerkeloze gelovige’. Het groepje blijkt te bestaan uit ‘bleke pubers die er ’s nachts nooit op uitgingen, alle avonden thuisbleven en ’s zondags naar het Woord luisterden’. Erik voelt zich voor het eerst thuis bij een groep: ‘Ik hoorde bij hen omdat ze niemand op voorhand uitsloten.’

    Met de komst van Maurits in zijn klas verandert er veel voor Erik. Maurits gaat gekleed in giletjes, strakke, witte of lichtroze overhemden, draagt lakschoenen, gebruikt eyeliner en bleekt zijn haar. Hij is veel spannender dan Johannes en neemt Erik mee naar de gaycafé’s en -disco’s in Amsterdam. Ze maken er een spel van om af te geven op bijna alle mannen daar: ‘Jongens waren we, maar geen aardige jongens.’

    Als kind wil Erik een tijdje ook gelovig zijn, net zoals Johannes, want dat lijkt zekerheid te bieden, maar dat gaat over. Als ze wat ouder zijn bidt Johannes voor zijn zielenheil, niet omdat Erik homo zou zijn, maar omdat hij niet gedoopt is en verbonden aan een kerk. Johannes was ‘zonder dat hij het wist mijn geitenpaadje naar God.’
    Johannes is daarnaast ook schijnheilig, doet van alles wat God verboden heeft en zit vervolgens ’s zondags met een kater in de kerk. Als zijn vriendin zwanger blijkt komt de dominee op de proppen. In niet mis te verstane woorden krijgt het stel te horen wat ze moeten doen. Trouwen en geen seks meer tot het huwelijk. Erik snapt niet waarom Johannes de kerk trouw blijft.


    Augustus
    gaat over twee levensbepalende vriendschappen. Je noemt het autofictie, net als De wensvader. Maar er is een groot verschil. Augustus is veel woester, het lijkt erop dat je dit moest schrijven, klopt dat?

    ‘Die moord op een vriend is iets wat ik van nabij heb meegemaakt en dat hakte erin. Een paar jaar daarna, begin jaren negentig heb ik al eens 20 à 30 pagina’s geschreven, over de tragiek van het gebeurde en de woede die ik toen voelde. Ik heb ze nooit herlezen.
    In het boek dat er nu ligt, zit meer afstand en minder woede en de personages zijn minder eendimensionaal. Ik begrijp Johannes nu ook beter. Ik vroeg mij toen steeds af waarom hij bij die kerk bleef waar iedereen hem veroordeelde. Maar die kerk was de enige plek waar hij, ondanks alles, veiligheid voelde, hij wist niet beter.’

    Maurits zet op een gegeven moment een contactadvertentie in De Telegraaf. De advertentie is niet ondubbelzinnig alleen op mannen gericht, maar het zijn wel uitsluitend mannen die reageren. Maurits is op zoek naar spanning, niet zozeer naar contact met een man, maar wil vooral ‘geen saai leven’. Hij wil gewoon eens kijken wat er gebeurt. Erik laat zich meeslepen.
    De jongens maken een selectie en dat brengt hen bij Freddy in Scheveningen, een veertigjarige homoseksuele man tegen wie ze stug volhouden dat ze geen homo zijn. Freddy haalt Indisch eten in huis voor de jongens en zoekt toenadering, maar Maurits en Erik komen niet met eerlijke bedoelingen en maken hem achteraf vooral belachelijk. Freddy voelt zich terecht gebruikt door de jongens. Zijn vraag ‘waarom?’ snijdt door merg en been.

    ‘Freddy staat voor de ouder wordende homoseksueel. Iemand die net als ieder ander behoefte heeft aan vriendschap, liefde en seks. Voor jongens als Maurits en Erik waren mensen boven de dertig oud. Zij konden hen niet zien als mensen met verlangens en een eigen leven. Ze hadden een kille blik op ouderdom. Je kan je afvragen wat moet een veertigjarige met jongeren van begin twintig, maar dan kijk je ook met een gekleurde bril. Freddy hunkert naar iets, maar het is de tijd van aids en iedereen is bang.’
    Bij hun overhaaste vertrek valt het Erik op dat Freddy alleen hem de woorden van Frederik van Eeden influistert: ‘De enige manier om een vriend te hebben, is er een te zijn.’ ‘Eigenlijk zegt Freddy daarmee: Homo’s delen de schrammen die het leven hen heeft gegeven, zij weten hoe uitsluiting werkt, wees daarom zo solidair mogelijk met elkaar.’


    Een ontroerend personage in
    Augustus is neef Kaj. Hij is al dood. Hij had aids en werd verstoten door zijn familie. 

    ‘Neef Kaj neemt een belangrijke plek in. De angst voor aids was enorm in die tijd. Hij hoorde bij de generatie jongens die net op de drempel van hun seksuele leven stonden. Hoe moesten ze met aids omgaan? Hoe konden ze een relatie aangaan, hoe konden ze experimenteren? Die angst is wel veranderd, maar in die tijd stond aids voor doodgaan op een verschrikkelijke manier.’


    Alleen bij zijn grootmoeder bleef hij welkom. Dat is mooi. 

    De taal die zijn eigen familie voor hem gebruikt is veroordelend en uitsluitend. Maar uitsluiten gebeurt nooit voor de volle honderd procent, er is ook instinct, de bijna dierlijke kant van familieliefde die de verstotene weer terughaalt, in de hoop op herstel, een terugkeer in de kudde, in de familie of in de (kerk)gemeenschap. Die dubbelheid past bij het leven.’


    Erik is gevoelig voor taal

    ‘Inderdaad. Voor de afwijzing in taal. Die doet hem zich onveilig voelen. Niet alleen zijn familie, maar ook binnen zijn vriendengroep en op televisie wordt op botte en denigrerende wijze gesproken over homoseksualiteit. Door te benoemen wat taal met anderen doet hoop ik dat de lezer zich afvraagt “gebruik ik inclusieve taal of sluit ik mensen uit door mijn taalgebruik?”. Daarom ben ik misschien wel geestelijk begeleider geworden, een vak waar goed gekozen woorden ertoe doen.’


    Een van de helden van Erik is Hans Warren. Hij gaat zelfs onaangekondigd naar Zeeland om hem op te zoeken. Waarom is hij zo belangrijk? 

    ‘Omdat Hans Warren voor mij persoonlijk heel belangrijk was, zeker in de jaren tachtig. Als dichter, maar ook als openlijk homoseksueel en samenwonend met een man.’ Eric de Rooij is een keer bij Warren op bezoek geweest. Erik, de hoofdpersoon uit Augustus loopt de grote dichter echter net mis.

    ‘Die scène heeft een functie, want daarin krijgt Erik het gevoel dat hij alles net niet meemaakt.’
    Het net missen van iets komt vaker voor in de roman. De Rooij kent dat gevoel, hij was in de buurt toen zijn vriend werd vermoord, hij had op dat moment ook kunnen besluiten om bij hem langs te gaan, maar deed dat dus niet. Niet alleen de moord, maar ook het net ‘missen’ daarvan heeft hem nog lang beziggehouden.
    De Rooij noemt in dit kader ook het werk van Kavafis, de Griekse dichter van het ‘net niet, van het verlangen dat net niet tot bloei komt’ over wie Hans Warren en Mario Molegraaf de essaybundel Ik ging naar de geheime kamers schreven. Erik in Augustus, kan zich het boek niet veroorloven, maar gaat veelvuldig naar de boekhandel om erin te kunnen lezen.

    In de week dat dit gesprek plaatsvond stond er in de krant dat onder invloed van een conservatieve, christelijk rechtse wind in Amerikaanse staten in korte tijd ruim 2.500 boeken in de ban zijn gedaan. Van The Catcher in the Rye tot Harry Potter. Het zijn boeken over seks, gender, racisme, geestesziekte, abortus en magie. Augustus zou die lijst zeker halen. Dat zou zonde zijn geweest want het is een zeer lezenswaardig boek.
    De Rooij schetst prachtige scènes en is in staat met weinig woorden veel te zeggen en direct de juiste sfeer en emoties op te roepen. Bijvoorbeeld, in de kerk tijdens de begrafenis van Johannes: ‘Ik vroeg me af waarom ik hier was. Voor Johannes. Johannes in de kist zonder bloemstuk.’ Deze kerkdienst weet De Rooij huiveringwekkend te beschrijven, om over de woedende reactie daarop van Eriks moeder nog maar te zwijgen.

     

    Fotograaf: Alfred Oosterman


     

     

     

     

     

     

    Augustus, Uitgeverij kleine Uil (2022)

  • Ik neem humor best wel serieus

     

    De Anton Wachterprijs wordt elke twee jaar uitgereikt aan het beste prozadebuut. Zoals bekend, is de naam van deze prijs geïnspireerd op Simon Vestdijks bekendste romanpersonage. Nog altijd geldt Vestdijk als één van de productiefste schrijvers van Nederland. Gelukkig gaat kwaliteit ook in 2022 boven kwantiteit, en daarom wint Vestdijks naamgenoot Simone Atangana Bekono de Anton Wachterprijs met Confrontaties. Naar aanleiding hiervan interviewt Literair Nederland haar.

     

    Confrontaties is het verhaal van Salomé Atabong. Jarenlang wordt ze op school gepest door Paul en Salvatore, maar dan slaat ze van zich af. Te hard. Daarom zit ze in de jeugdgevangenis. In dit jeugddetentiecentrum krijgt ze therapie van Frits van Gestel, die ooit meedeed aan een programma waarin Nederlanders grappend en grollend Afrikaanse stammen bezochten. Bij hem is zij haar frustratie maar nauwelijks de baas. Wel slaagt haar tante Céleste erin Salomés boosheid te begrijpen. Schrijfster Simone Atangana Bekono maakt van Salomé, ondanks de pesterijen, zo veel meer dan een slachtoffer of een dader. ‘Via Salomé wilde ik onderzoeken hoe slachtofferschap beëindigd kan worden. Daarom vind ik mijn boek meer dan een aanklacht tegen een racistisch systeem. Hoe groot de jou aangedane pijn ook is, daar stopt je menszijn niet.’

     

    Je noemt dit boek expliciet níét autobiografisch. Waarom heeft de hoofdpersoon, Salomé Atabong, dan wel dezelfde initialen als jij?

    ‘Dat is een manier voor mij geweest om toch het personage dicht bij mezelf te houden. Het is een fictieve coming-of-age, en haar levensloop tot haar zeventiende is enigszins vergelijkbaar met de mijne. Maar de samenstelling van haar familie, de verbintenissen die zij aangaat, het heftige incident, zijn allemaal verzonnen en significant anders. Ik voorkom liefst, dat mijn boek één-op-één naast mijn leven wordt gelegd. Zelfs voor een uitgeverij is zoiets marketingtechnisch namelijk verleidelijk.’


    Want het is ‘waargebeurd’?

    ‘Precies, dan willen lezers weten wat er met die persoon is gebeurd. Interessant, maar door heel stellig het autobiografische karakter te ontkennen, druk ik die verwachting van ‘waargebeurd’ meteen de kop in. Hoewel ik weet dat mensen vrijelijk interpreteren en het desondanks zo kunnen opvatten. Alles wat je schrijft, komt deels uit jou en je belevenissen. Ik geloof dus niet in de Dood van de Auteur. Alleen vervolgens wordt het een kunstwerk, en bepaalde lezingen daarvan staan wél los van je.’


    Humor is wat mij betreft een prominente kunstvorm in Confrontaties. Een docent Nederlands weidt op zeker moment uit over intelligente humor, de grenzen ervan, ironie. Wat vind jíj goede humor?

    ‘Dat varieert. Een goede grap vind ik net zo bijzonder als een goed gedicht. Ik neem humor best wel serieus. Zoiets als Atlanta van Donald Glover vind ik goeie satire, hoewel ik er niet om moet lachen. Mijn familie houdt van leedvermaak. Best pijnlijk om toe te geven. Ik kom uit de internetgeneratie, dus ik lach ook om de domste online-filmpjes. Het laatste boek waar ik om heb gelachen, is Houthakken van Thomas Bernard. Een enorm grappig en zwartgallig verhaal.’


    Wat het publieke debat de laatste tijd domineert, is de opvatting dat ironie alles gladstrijkt. Hoe denk jij hierover?

    ‘Er is een kantelpunt gekomen, waarin de publieke tolerantie voor bepaalde uitingsvormen is veranderd. Als je bijvoorbeeld kijkt naar cabaretiers en stand-up comedians die het idee hebben dat ze ‘niks meer kunnen zeggen’, dan vraag ik me weleens af: wie houdt je dan actief tegen? Is het echt zo dat je niks meer mag of kan zeggen of is het meer dat je minder wordt geroemd in de mainstream media om wat je zegt en dat je daar niet tegen kunt? Wat mij opvalt: hoe meer men zich vastbijt in de overtuiging álles te moeten kunnen zeggen, hoe minder grappig hun werk wordt. Bitter. Dat bewijst voor mij dat hun ego belangrijker is dan hun werk, humor. Dan verliest het zijn humoristische waarde. Dus ik vind die opmerking een makkelijk argument om jezelf toe te blijven staan alles te zeggen zónder dat je daarbij kritiek wenst te incasseren.’


    Tegengas is een soort muilkorf, volgens hen?

    ‘Ja, terwijl: die macht hebben veel mensen helemaal niet. Bovendien worden veel zaken ironisch genoemd, die potentieel gevaarlijk zijn. Denk aan hoe extreemrechts en andersoortig radicalisme hiermee speelt. Ik kan loyaal zijn aan makers die ik goed vind, dus ik blijf lang nieuwsgierig naar nieuw werk. Maar naar sommigen zit ik niet meer met plezier te kijken, omdat ik een innerlijke verandering bij hen bespeur. Want Ricky Gervais is in The Office geweldig, maar zijn recente stand-up…’


    Wie eveneens een flinke verandering doormaakt, is Salomés tante Céleste. Zij zegt op zeker moment tegen Salomé: ‘De structuren zijn tegen je gekeerd.’ Wat wil dat zeggen?

    ‘Céleste neemt een interessante positie in die familie in. Ze is de jongere vrouw en daarna ex-vrouw van Salomés oom. Zij probeert contact te zoeken met haar nichtjes, Salomé en haar zus. Die zijn daar aanvankelijk overigens niet zo happig op. Céleste is een jonge vrouw, gaat scheiden, verdiept zich in koloniale geschiedenis, genderstudies, intersectionaliteit… probeert haar nichtjes iets te vertellen over concrete zaken die zij in hun leven mee zullen maken: jongens die continu aan hen denken te mogen zitten, geweldsproblematiek. Céleste probeert handvatten mee te geven aan Salomé en haar zus om zich hiertegen te weren. De opmerking ‘De structuren zijn tegen je gekeerd’ vertolkt Céleste die net een awakening heeft gehad. Ze wil meegeven dat de meiden niet opgroeien in een gelijkwaardige wereld, hoewel ze dat nog niet heel direct zien. Zij wil dat Salomé en haar zus begrijpen waarom hun bepaalde dingen overkomen, die ogenschijnlijk losstaande incidenten lijken maar onderdeel zijn van een groter proces, een groter maatschappelijk systeem.’


    Onze cultuur draagt wel uit dat we met zijn allen gelijk en verlicht zijn.

    ‘Nederland is een multiculturele samenleving. Het boek speelt zich af in 2008. Dat is even na de dood van Pim Fortuyn. Het is een interessante periode, nog voor de eerste landelijke aandacht voor de Zwarte-Pieten-kwestie. De Nederlandse maatschappij zei over racisme: ‘Ja, maar dat is opgelost.’ En rond 2008 waren moslims een groot doelwit in het nieuws en de politiek. Salomé en haar zus groeien op in die periode, maar kennen bijvoorbeeld in hun vader ook niet de meest spraakzame persoon die deelt wat hij heeft meegemaakt. Hij zegt gewoon: ‘Als ze slaan, sla je maar terug.’ Dat gaat uit van een bepaalde gelijkwaardigheid, die voor zijn dochters niet geldt. Daar is hij blind voor maar tante Céleste ziet het wel. Door die ongelijkheid te benoemen hoopt zij de boosheid in Salomé te temperen, haar woorden te geven voor wat ze voelt, want de methode van haar vader werkt overduidelijk niet.’


    Vind je Salomé een slachtoffer?

    ‘Ja, in sommige gevallen. Maar niet alléén. Als het gaat om het pestgedrag, is zij slachtoffer van Paul en Salvatore. Als je iemand echter tot niks dan slachtoffer reduceert ontneem je die persoon zijn agency* en menselijkheid. Net zo goed als wanneer je stereotypeert en demoniseert. Salomé slechts een slachtoffer te noemen, maakt haar eendimensionaal. En daarmee worstelen gemarginaliseerde personen nu juist altijd, dat ze oppervlakkig worden neergezet. Het eerste boek van Toni Morrison, The Bluest Eye, gaat over een meisje dat in elk opzicht slachtoffer is van haar omgeving. Morrison gaf aan dat ze probeerde in dit boek alle personages, en dus alle personages die de hoofdpersoon Pecola teleurstellen of afwijzen, zo menselijk mogelijk te houden. Dan kan de lezer namelijk niet zomaar wegkomen met gevoelens van medelijden of veroordeling, maar juist de eigen medeplichtigheid in die systemen voelen. Als auteur moet je altijd zoeken naar volledigheid, wil je over dit soort thema’s schrijven. Dat probeer ik te doen. Daarom wilde ik van Salomé een zo realistisch mogelijk personage maken.’


    Hoe deed je dat?

    ‘Ik ben in de huid van iemand in die leeftijd gekropen, onder andere door diepte-interviews af te nemen bij twee jongeren die in jeugddetentie hebben gezeten. Tijdens mijn onderzoek en kijkend naar documentaires over jeugddetentie viel me op hoe apart zestienjarigen zijn. Volwassen genoeg om bepaalde zaken in het leven te begrijpen, en in sommige opzichten echt een kind. In ontwikkeling. Ik zelf was op die leeftijd heel stellig, wat ik herkende in de jongeren. Bij coming-of-age-verhalen vind ik sommige personages ongeloofwaardig vroeg wijs. Salomé is zeker intelligent, maar ook een beetje lomp. Heeft acties waarvan je denkt: ‘Dit had je nou juist níét moeten doen!’ Maar dat is lógisch, ze is zéstien. Dat wilde ik zo geloofwaardig mogelijk maken. Misschien had ik als zestienjarige dezelfde gevoelens als nu, maar destijds had ik er het vocabulaire niet voor die te uiten. Dus ik moest een stap terug doen en Salomés taal eigen en echt maken.’


    Aan het begin van Confrontaties gebruik je het motto ‘I am against all the major plots’ van Deborah Levy. Vanwaar dit motto?

    ‘Mij hielp dat motto om tijdens het schrijven het verhaal bij het kleine te blijven. Het is mijn eerste grote werk. Confrontaties wordt weliswaar voortgedreven door de plot, maar de plot zélf is niet groots. Er gebeurt veel in het hoofd van Salomé, maar weinig daarbuiten. Het draait om de gedachten van een complexe, interessante tiener. Grote delen van de vertelling bestaan uit flashbacks en mijmeringen. Daarom was dat motto voor mij verwachtingsmanagement naar de lezer toe. Hoewel het boek wel dynamisch is.’


    In elk geval roept Confrontaties veel vragen op. Waarom ontbreken in het boek expliciete hoofdstukaanduidingen, nummeringen en titels?

    ‘Er zit geen statement achter. Voor mij voelt een afbakening onnatuurlijk. Confrontaties bevat zeer korte hoofdstukken, flashes uit Salomés leven. Aanvankelijk nummerde ik de hoofdstukken, maar daardoor werd de onderbreking tussen de scènes te hard. Dus ik wilde de lezer meer meenemen met Salomés vertelritme, zodat hij er snel doorheen raast. Daarom wilde ik geen scherp onderscheid maken tussen hoofdstukken, beelden of fragmenten. Ik wilde dat het een soort brij werd, zoals Salomé dat meemaakt.’


    Welke opvatting over, of lezing van Confrontaties verraste of bevreemdde je?

    ‘Op twee manieren ben ik verrast geweest door de receptie ervan. Ten eerste typeerden nogal wat recensenten het werk als een heel ernstig boek, een ‘aanklacht tegenover een racistisch systeem’. Dat begrijp ik ook, maar dat is een best serieuze en eenzijdige interpretatie. Voor mij bevat het boek veel luchtigheid en humor. Van veel lezers kreeg ik dat ook geregeld terug, maar geen enkele recensie die ik erover las, noemde het.

    Ten tweede haalde Rasit Elibol mij aan in De Groene Amsterdammer, in een essay over ‘imposter syndrome’**. Dat schijnt onder mensen van kleur die op hoge posities terechtkomen of veel positieve aandacht voor hun werk ontvangen, vaak voor te komen. Dat deed mij veel, omdat hij mijn werk eervol vermeldde. Ik hou van zijn stukken, dus dat voelde als erkenning.’


    Ik kan me voorstellen dat bepaalde vragen ook een zekere focus leggen op datgene wat je ‘imposter syndrome’ in de hand werkt. Zo ben je weliswaar half-Kameroens, maar ook half-Zeeuws. Naar dat laatste wordt waarschijnlijk niet vaak gevraagd.

    ‘Terwijl dat gedeelte prominent aanwezig is in Confrontaties, mag ik wel zeggen.’


    Hoe?

    ‘Aan mijn oma, de moeder van mijn moeder dan, moet ik vaak denken omdat ik haar gedrag onbewust nastreef in het schrijven. Onverbloemd kunnen spreken, zij was erg direct. Niet altijd vriendelijk, maar daarin wel liefhebbend. Ze geloofde in wederzijds respect en beet regelmatig op haar tong, doorzag mensen scherp, voelde zich niet altijd geroepen om brandjes te blussen, maar kon daarin heel grappig zijn. Consistent eerlijk. Soms vervelend, maar het kan mooi zijn. Ik probeer dat in mijn werk ook.’


    Komt jouw oma dan bijvoorbeeld terug in tante Céleste, een vrouw die de confrontatie niet schuwt?

    ‘Nee, dan koppel ik mijn oma nog eerder aan Salomés zus, vanwege haar eerlijkheid, of eigenlijk botheid. Het zit wel in haar familie, heel spaarzaam zijn met uitingen van liefde. Toch voel je dat er een absolute genegenheid is.’


    Wie zijn inspiratiebronnen geweest bij Confrontaties?

    ‘Altijd als ik die vraag beantwoord, heb ik het gevoel dat ik lieg. Dat ik het aanpas aan wat het beste oogt. Deborah Levy uiteraard. Zowel haar motto als het motto van OutKast zegt veel over waardoor ik me heb laten inspireren. Ik heb ook veel Marguerite Duras gelezen. Haar stijl is scherp, kort, krachtig en poëtisch. Mijn boek is ritmisch geschreven en dat kun je koppelen aan mijn voorliefde voor hiphop. De cadans die in het boek zit, voedt de stem van Salomé, die heel erg ‘Fuck it’ kan zijn, alsof ze aan het freestylen is.’


    Hoe heb je die muzikaliteit erin gekregen?

    ‘Ik had nog nooit een roman geschreven. Wel worstelde ik ermee dat ik niet wist waar het verhaal naartoe zou gaan, als ik de juiste toon niet had. Het leek alsof de plot eerder voortkwam uit de toon, dan andersom. Het eerste element waaruit het verhaal is ontsproten, was Salomés stem. Maar de gebeurtenissen in het boek werden mij pas duidelijk, als ik eerst de juiste cadans te pakken had, haar energie. Schrijvenderwijs ontdekte ik wie zij is, waardoor ik haar ontwikkeling steeds moest bijsturen en herzien. In de plot heb ik dan ook ontzettend zitten rommelen. Mijn vriendin Lotte, die altijd met mij meeleest, zei: ‘De laatste versie is zó anders dan drie, vier versies eerder.’ Ik heb tot het laatste moment voor mijn toenmalige redacteur, Jasper Henderson, dingen veranderd. Tot op het laatst was ik zoekende naar wat er met haar zou gebeuren en hoe haar stem zou reageren.’


    De muzikaliteit loopt synchroon met Salomés gevoelsleven?

    ‘Ja, dat moest één-op-één kloppen. Het ritme en de muziek bepaalden de plot, en haar ontwikkeling.’


    Welke vraag over dit boek heb je nooit gehad, maar zou je wel graag wíllen krijgen?

    ‘Niet per se een vraag, maar iets anders. Ik vind het interessant dat het personage Frits meteen door iedereen keihard wordt veroordeeld, terwijl ik denk: het is nu juist zo’n personage bij wie je moet nagaan: heb ik ook ooit op deze manier in het leven gestaan of ben ik zo weleens met iemand omgegaan? Ik vind het veelzeggend als mensen zo keihard doen van: ‘Vreselijke vent, alles wat er mis is met de maatschappij.’’


    Dan reken je je zelf automatisch tot de groep die alles doorheeft.

    ‘Ja, dat je gelooft: ik ben in elk geval niet zó slecht. Ik denk juist dat vervelend genoeg iedereen zich wel eens als ‘een Frits’ heeft gedragen. Dat is het confronterende. Dat je totaal blinde vlekken hebt voor je eigen privileges of voor die van een ander. Dat vind ik wel grappig.’


    Toch maak je hem ook sympathiek. Hij probeert toenadering te zoeken.

    ‘Salomé is duidelijk niet gecharmeerd van hem. Als lezer kun je dan snel met haar meevoelen, in de trant van: ‘Lekker voor je.’ Terwijl ze soms ook superonredelijk tegen hem is, wat wel te begrijpen valt. Frits heeft wel een bepaalde soort macht, maar ook weer niet zo veel. Zijn blinde vlek is natuurlijk dat hij zich niet bewust is van de consequenties van zijn tv-programma, waar hij een beetje jolig is ingestapt. Dat kan hij wel goedpraten door te zeggen dat het ongelukkig is ge-edit, maar zo onschuldig is het reisprogramma natuurlijk niet en hijzelf ook niet. Dat is de tragiek van Frits, omdat hij zich dit maar niet realiseert.’

    Bekono besluit met de opmerking dat Frits, net als Céleste, een mozaïek van indrukken is. Hij bevat allerlei ‘bits and pieces’ van wat wij zelf zijn, gezien hebben, kennen, waar we om lachen en wat we veroordelen. Want ook dat leert Confrontaties ons: hoe confronterend is het wel niet dat we ons ergeren aan wie wij ten diepste zelf zijn?

     

     

     

     

     

     

     

     


    * Agency: term uit de sociologie. Betekenis: de handelingsmogelijkheid van een individu.

    ** Imposter syndrome: diepgewortelde overtuiging niet te voldoen aan de verwachtingen van anderen en jezelf, waarbij bovendien de angst bestaat te worden ontmaskerd als een bedrieger. Dit negatieve zelfbeeld wordt gekenmerkt door zelftwijfel, een gevoel van ontoereikendheid, ondanks een hoge opleiding, relevante ervaring en tastbare successen.

     

    Foto: © Bianca Sistermans

  • De band tussen vader en zoon als rode draad in tweede boek

     


    ‘Suriname is mijn basis,’ zegt schrijver en dierenarts Chris Polanen. ‘Ik ben hier geboren en heb hier van mijn tiende tot mijn twintigste gewoond. Ik ben weliswaar naar Nederland vertrokken waar ik inmiddels veertig jaar woon, maar ik voel me nog heel erg verbonden met Suriname. Mijn moeder woont er nog, familie, vrienden en kennissen. Suriname betekent nog steeds veel voor mij. De basis van mijn schrijven is altijd het verlangen naar Suriname geweest. Als ik schrijf, schrijf ik vanuit deze plek. De hoofdpersonen, de gebeurtenissen, die zijn altijd gesitueerd rond mijn ouderlijk huis of in deze buurt, Paramaribo Noord.


    Niemand zo blij als Chris Polanen om voor de tweede keer in Suriname zijn boek 
    Centaur te presenteren. De eerste keer was eerder dit jaar voor een kleine groep vanwege de toen geldende Covid-19 maatregelen. De schrijversavonden zijn weer hervat na de pandemie. Deze keer wordt het boek voor een grotere groep gepresenteerd tijdens de tweede thema-avond van de Schrijversgroep ‘77 in Tori Oso.

    Niets te verwachten

    Centaur gaat over de student Gili die droomt van een grote liefde en van studeren in Nederland. Van zijn vader, een populaire politicus en playboy die niet naar zijn kinderen omkijkt, hoeft hij niets te verwachten. Zijn enige kans: als springruiter met de oude hengst Norbert meedoen aan een wedstrijd om met het prijzengeld zijn studie te kunnen betalen. In de aanloop naar de wedstrijd ontmoet hij niet één, maar twee vrouwen die zijn leven volledig op zijn kop zetten en kan hij niet langer geheim houden dat hij Norbert beter aanvoelt dan gewoon is voor een ruiter en zijn paard. Als zijn vader wordt opgepakt na een bomaanslag op het regime blijkt dat Gili en hij elkaar meer nodig hebben dan ze durven toegeven.

    Ik ben in 1983 vertrokken naar Nederland,’ zegt Polanen. ‘De universiteit ging hier dicht. Alles stortte zo’n beetje in, veel studenten gingen weg. Ik heb dit boek gesitueerd in het Suriname van 1990, maar de hoofdpersoon die een student is, in dezelfde positie van de jaren tachtig gezet. Hij zit op de universiteit, er gebeurt niks, hij weet dat hij voor een goede toekomst naar Nederland moet om te studeren. En daarna hoopt hij terug te komen. Ik heb geprobeerd dat gevoel van die tijd te beschrijven. Van “hoe voelden mensen zich en wat zagen ze als mogelijkheden”. Ik heb ook dingen uit andere tijden toegevoegd. Mijn eerste boek Waterjager was een experiment. Ik ben eraan begonnen, maar ik wist niet precies wat ik kon en wat het zou worden. En ik wilde een heftig boek schrijven over waar veel conflict was, een harde maatschappij, een fictieve maatschappij, en dat is gelukt. Dit boek geeft een realistischere maatschappij weer, maar ik heb mezelf ook als schrijver ontwikkeld. Ik weet wat ik kan als schrijver, wat een beetje de stijl is waar ik naartoe wil. Dit boek bevat veel meer humor, veel meer romantiek en ik zie het ook als onderdeel van mijn ontwikkeling als schrijver.’

    De band van vader en zoon

    In ontspannen sfeer lunchen we bij de Gadri naast Fort Zeelandia, langs de Surinamerivier waar het lekker waait, de zon zijn tanden piert en wij veilig onder een parasol zitten met om ons heen toeristen die genieten van Switi Sranan (lekkere Surinaamse hapjes). Polanen vertelt dat Centaur een deels autobiografische roman is. De hoofdpersoon Gili, een afspiegeling van hem, probeert ondermeer een relatie met zijn vader op te bouwen, de vader van Polanen. 

    ‘Als je een roman schrijft moet je heel diep gaan en je nergens voor schamen. Zolang je probeert stoer te doen of probeert dingen te verbergen word je nooit een goede romanschrijver. Je moet alles blootgeven. Dat is een van de geheimen van een goede roman en dat heb ik hier ook gedaan. Mijn gevoelens over mijn vader zijn ambivalent. Ik ben wel trots op hem, hij was een bijzondere man, hij was een goede dichter en een heel charismatische en intelligente man. Maar ik voelde ook een bepaalde boosheid tegenover hem omdat hij eigenlijk nooit naar mijn moeder en mij heeft omgekeken. Dus beide dingen heb ik gebruikt, zonder iets achter te houden.’

    Controle over zijn vader

    Polanen kent zijn vader Pieter Polanen alleen van verhalen, hij heeft hem nooit bewust gezien. ‘Hij was bekend en ook wel berucht zou je kunnen zeggen. Het was logisch dat ik hem ooit in een roman naar voren zou brengen. Alleen, de vraag was hoe? Uiteindelijk besloot ik hem zo goed mogelijk te beschrijven, niet te veel fantasie op hem los te laten, maar alle verhalen die ik van hem ken te bundelen. Verhalen van mijn moeder, van vrienden en familie en dan zo goed mogelijk beschrijven wat voor persoon hij was. Daarmee gaf ik mezelf de kans om gesprekken met hem te voeren en te kijken wat voor relatie ik met hem zou hebben gehad als hij nog geleefd had. Hij is overleden toen ik zeven was en ik heb hem alleen als klein kind ontmoet. Ik heb dan ook geen herinneringen aan hem. Het was een logisch thema dat in het boek aan de orde zou komen. Ik heb het ook zo onderzocht dat het in een breder verband gezien kan worden; hoe is de relatie van Surinaamse vaders met hun zonen. Dat heb ik in mijn boek proberen uit te werken.”

    Het opbouwen van een relatie lijkt in eerste instantie niet gemakkelijk voor Gili aangezien zijn vader wordt gearresteerd voor een bomaanslag, net als de vader van Polanen. Echter, pas op het moment dat zijn vader in de gevangenis komt, is er een mogelijkheid om een relatie op te bouwen, omdat de vader nergens meer naartoe kan en niemand anders hem opzoekt. ‘Het moment dat ik mijn vader tijdens het schrijven in de gevangenis zette werd het schrijven ook makkelijker. Je zou kunnen zeggen dat ik toen eindelijk controle over hem had gekregen.’

    Heimwee

    ‘Ik ben puur gaan schrijven vanuit heimwee,’ antwoordt Polanen op de vraag vanwaar de passie om te schrijven komt. ‘Mijn remigratie was mislukt en op een gegeven moment ben ik gaan schrijven over Suriname. Ik had nooit gedacht dat ik schrijver zou worden. Ik begon met columns, over de mislukte remigratie, wat ik beleefde toen ik weer naar Suriname kwam, want ik kwam nog wel op vakantie. Ik schreef daarna een hele serie columns. Mensen waren enthousiast daarover. Dus ik ging ook meer columns schrijven voor de Waterkantde Parbode en de Ware Tijd. Uit die columns zijn de korte verhalen voortgekomen, verhalen die zich in Suriname afspeelden. Ik deed mee met schrijfwedstrijden en won meestal wel iets. Op een gegeven moment won ik de eerste prijs hier in Suriname bij de Ware Tijd Literair voor het kortverhaal ‘Carnaval’ dat zich afspeelt in Paramaribo Noord, bij de Brazilianen. En toen had ik zoiets van “Ik kan die roman ook wel schrijven”.’

    ‘Het schrijven van die eerste roman Waterjager kostte mij zes jaar. Dat was een struggle, want ik moest zoeken naar een eigen stijl, hoe bouw je die roman op, de personages en de sfeer. Het was een leerproces. De tweede roman ging al sneller en veel makkelijker.’

    In Nederland wint Polanen steeds meer terrein als schrijver van kleur. ‘De literaire wereld van Nederland is een witte wereld. Er zijn weinig schrijvers van kleur. Maar in deze tijdgeest is het een voordeel, men is op zoek naar verhalen van schrijvers met andere culturele achtergronden. Er wordt nu wel gedacht dat een Surinaamse schrijver interessant is.’

     

    Centaur / Chris Polanen / Lebowski Publishers / 352 pagina’s

     


    Centaur is één van de tien boeken die genomineerd zijn voor de prijs Beste Boek voor Jongeren in de categorie Oorspronkelijk Nederlandstalig. De shortlist is samengesteld door een jury van volwassenen: ‘De diversiteit in personages is groot en dat geldt ook voor de auteurs. Die voldoen natuurlijk al langer niet meer aan het achterhaalde beeld van uitsluitend witte elitaire mannen van (voorbij de) middelbare leeftijd. De auteur van nu (x/v/m) is jong, oud, zwart, van kleur, wit, queer, hetero, cis en trans. Dit maakt de verhalen divers en zorgt ervoor dat steeds meer jongeren zich gerepresenteerd kunnen zien in de literatuur. Ontzettend fijn, ontzettend belangrijk en bovenal ontzettend terecht.’ Een jury van zes jongeren zal de twee winnende boeken bepalen en in september bekendmaken.

    Lees hier de recensie op Literair Nederland van Centaur.

    Foto: collectie Chris Polanen

  • De manier om je te verbinden met de geschiedenis

     


    Schrijfster en documentairemaakster Tessa Leuwsha (Amsterdam, 1967) debuteerde in 2005 met de roman De Parbo Blues, gebaseerd op haar vader die in de jaren zestig, ruim voor de onafhankelijkheid van Suriname, naar Nederland emigreerde. Hij trouwde met een Nederlandse vrouw, die later haar moeder werd. Sinds 1997 woont ze in Suriname en werkt als cultureel attaché voor de Nederlandse ambassade in Paramaribo. Naast romans, theater en non-fictiewerken, schrijft zij artikelen, columns en recenseerde voor De Ware Tijd Literair.


    Nadat ze haar eerste artikelen en verhalen had geschreven kreeg ze op haar vijfentwintigste de mogelijkheid een reisgids over Suriname te schrijven.
    Het Reishandboek Suriname verscheen in 1997 bij uitgeverij Elmar en beleefde sindsdien vele herziene herdrukken. Na haar debuutroman schreef Leuwsha nog twee romans en twee non-fictieboeken. Dit voorjaar verscheen De wilde vaart, over een tijd van plannen maken, financiële tegenslagen, over de doorwerking van het koloniale verleden in het dagelijks leven van Surinamers en de weg terug naar jezelf.


    Van haar eerste roman,
    De Parbo Blues, verscheen onlangs een vierde druk. Ook Fansi’s stilte over haar Surinaamse grootmoeder, beleefde vier drukken. Momenteel werkt Leuwsha als regisseur en scenarioschrijver aan een documentaire gebaseerd op dit boek. Met haar man, reisgids en kunstenaar Sirano Zalman werd ze net voor de pandemie de wereld stil legde, eigenaar van plantage Frederiksdorp in het Commewijne district in Suriname. Het beheer van deze plantage gaf indirect aanleiding tot het schrijven van De wilde vaart.


    Voor de presentatie van haar laatste boek
    was Tessa Leuwsha in Nederland en spraken wij elkaar bij de Ysbreeker aan de Weesperzijde. Onder meer over een onafhankelijk Suriname dat zijn kracht nog niet heeft gevonden, over bijgeloof, de boeken die ze schreef, de veerkracht van de mens en dekolonisatie.


    Schrijven vanuit Suriname

    Het was net na de binnenlandse oorlog dat Leuwsha in 1996 voor het eerst naar Suriname ging. Omdat het niet veilig was alleen te reizen, sloot ze zich aan bij een reisgroepje. Daarvoor had ze in Nederland een reportage gezien over Suriname waarin een Surinaamse bootsman, die als gids in deze reportage voorkwam, haar sympathie had. Dezelfde gids, Sirano Zalman was ook reisleider van het gezelschap waar zij zich bij had aangesloten. Tijdens die reis was er een klik tussen hen beiden. Terug in Nederland gingen er brieven over en weer en een half jaar later reisde ze voorgoed naar Suriname. ‘Die reisgids heb ik in Nederland afgemaakt, maar verder is ieder boek van mij vanuit Suriname ontstaan.’

    Eenmaal in Suriname werd ze geconfronteerd met een stuk geschiedenis waar ze niets van afwist. ‘De meeste van mijn tantes en ooms woonden allemaal in Nederland, maar hadden het nooit over Suriname. Het onderwerp slavernij was non-existent. Pas toen ik er woonde, begon ik mij dingen te herinneren van mijn Surinaamse grootmoeder uit de tijd dat ze bij ons in Amsterdam logeerde. En ik vroeg me af: “Wie was zij eigenlijk?” Ik wist niks van het land van mijn voorouders.’


    Het verhaal van de grootmoeder

    In de jaren zeventig, als Leuwsha een tiener is, komt de moeder van haar vader over uit Suriname om in Nederland aan haar ogen geholpen te worden. Het is een echte Surinaamse tropenvrouw, met een angisa, een doek, om haar hoofd, streng sprekend.
    ‘Ik had op die leeftijd wel wat vrienden die in het Surinaamse circuit zaten, maar ik was nooit in Suriname geweest. En daar kwam opeens een oma binnenlopen die de hele tropen met zich meebracht. Dat was toen vooral ongemakkelijk en raar, alles veranderde in huis. Mijn vader reageerde op een manier op zijn moeder die ik niet van hem kende. Toen ik later  in Suriname woonde, kwam die herinnering daaraan weer terug. Ik had haar weggezet als een merkwaardige oma die later bij een van haar andere kinderen in Nederland ging wonen tot ze in een bejaardentehuis terecht kwam.’

    Voor Leuwsha betekende haar oma haar enige directe band met Suriname. Ze werd nieuwsgierig naar haar leven en begon alles te lezen over de geschiedenis van Suriname. ‘Er ging een wereld voor me open. Als kind had ik me wel eens afgevraagd waarom Surinamers er allemaal zo verschillend uitzagen, alleen al de verschillende tinten aan huidskleur. Suriname is geschapen door meerdere etnische bevolkingsgroepen.’


    Schrijven vanuit Suriname

    In het begin schreef Leuwsha columns voor de weekkrant van Suriname (ook in de grote steden in Nederland te verkrijgen), onder de titel ‘Groetjes uit Suriname’, en artikelen voor tijdschrift  De Ware Tijd. Dan overlijdt haar vader vrij onverwachts.
    ‘Ik besefte dat met hem ook het verhaal van Surinamers die als economische vluchtelingen in de jaren zestig naar Nederland kwamen, wat ook een deel van mijn voorgeschiedenis is, zou verdwijnen. Toen ben ik De Parbo Blues gaan schrijven. Ik had al een klein kind en ik herinner me dat ik hem toen in de box heb gezet en begon te typen op een oude computer, zo’n grote kast. Ik was eigenlijk aldoor moe, door het werk dat ik deed en de zorg voor die kleine. Toen moest ik aan mijn oma denken, zij had negen kinderen en ik dacht, ‘Kom op zeg!’ En de eerste zin die ik typte was, ‘Oma is altijd moe.’ Die is er later wel uitgegaan, maar zo begon ik.Toen ik op driekwart was, dacht ik, “Wat wil ik hier eigenlijk mee?” Toen ontmoette ik de Surinaamse schrijfster Ellen Ombre, die stuurde een deel van mijn verhaal naar haar literair agent, Alice Toledo. Daarna werd ik uitgenodigd om over het manuscript te komen praten. Tilly Hermans, van uitgeverij Augustus wilde het uitgeven. In tweeëneenhalf jaar had ik een boek gepubliceerd. Fantastisch was dat.’

    In haar boeken speelt de geschiedenis van Suriname, de huidige stand van zaken in het land en familiebanden, een grote rol. Om de koloniale geschiedenis van Suriname in beeld te brengen maakt zij gebruik van haar eigen persoonlijke geschiedenis.
    ‘De combinatie fictie – non fictie vind ik een spannende combinatie, maar ook vrij logisch want in Suriname is er veel orale geschiedenis die wordt doorverteld. Of het verhaal geheel waar is of niet, is dan niet interessant meer. Het feit dat het van generatie op generatie is doorverteld, dat maakt dat het waar is. Ik vind geschiedenis pas interessant wanneer die persoonlijk is, dan komt het binnen. Het gebeurt nu wel meer dat geschiedenis vanuit personen verteld wordt, kijk maar naar musea. Het is de manier om je werkelijk te verbinden met de geschiedenis.’ 


    Op zoek naar de veerkracht van Suriname

    Vanaf het begin dat Leuwsha en haar man plantage Frederiksdorp willen uitbaten, worden ze gehinderd door pech. Een vriend (een van hun belangrijkste mede-aandeelhouders) overleed, de dochter van een werknemer werd ernstig ziek, het regenseizoen begon veel eerder en daar kwam ook nog de lockdown vanwege corona bij. Alsof de duvel ermee speelde.
    ‘Ik ben behoorlijk bijgelovig en was erg onder de indruk toen mijn oma, toen ze bij ons in Nederland was, ons huis zegende. Tegen Sirano had ik al gezegd dat we nooit een moment hebben genomen om stil te staan bij wat er hier allemaal gebeurd is. Het is binnen de Surinaamse cultuur gewoon dat je een pand of plek eerst inwijdt. Maar wij zijn eigenlijk gelijk begonnen met plannen maken en inrichten. Als ik er al aan dacht, dacht ik ook: “Ja maar, hoe doe je dat dan?” Moet het met een pater, een priester, dominee, Imam, Hindoestaan? 

    Ja, en toen werd ik op een nacht wakker en had over mijn oma gedroomd. Opeens dacht ik, wij moeten nu, op dit moment gaan inwijden. We hebben met een kalebas water uit de rivier geschept en zijn langs al die oude gebouwen uit de 18e eeuw gegaan en de gebouwen ingezegend en prevelden er in het Sranantongo teksten bij. Het voelde als een enorme bevrijding, dat stilstaan bij alles. Ondanks wat daar allemaal gebeurd is, is het ook een heel aangename plek. Dat was juist het verwarrende.’

    In De wilde vaart schrijft Leuwsha dat ze van het woord ‘slaaf’ onpasselijk wordt, maar ook het woord ‘tot slaafgemaakten’ niet correct vindt. ‘Slaafgemaakten is technisch een on-woord. Ik heb wel begrip voor wat ermee beoogd wordt te zeggen, dat je niet als zodanig geboren bent. Maar ook dat het niet je enige aspect van je identiteit is. Misschien kon je ook mooi zingen, of goed jagen, dansen. Dat ene woordje ‘slaaf’ beperkt je gelijk in je persoonlijkheid tot iemand die alleen maar opdrachten van anderen uitvoert, onder dwang. Maar ik vind wel dat ‘slaaf’ heel goed weergeeft wat er gebeurd is, je bent de slaaf van iemand. Tot slaafgemaakten klinkt daarvoor weer te afstandelijk. Als we tijdens een tocht op een plantage komen en we zien daar een suikerpers, dan denk je niet, “Oh, tot ‘slaafgemaakten’ hebben deze pers bediend.” Hier in de brandende zon was het gewoon slavenarbeid.’


    Op zoek naar de veerkracht

    Toen er geen inkomsten meer binnenkwamen en de rekeningen zich opstapelden, was het erop of eronder. ‘We konden bij de pakken neer gaan zitten of iets gaan ondernemen. Dat deden we door per boot de rivieren af te gaan en langs plantages te gaan. Ook voor onszelf, we wilden weer in verbinding komen met de natuur, mensen opzoeken om te weten hoe ze overeind zijn gebleven, waaruit hun veerkracht bestaat. ‘Op zoek naar de veerkracht van Suriname’ is ook de ondertitel van het boek geworden. Die veerkracht zit voor Leuwsha  in de creativiteit van de Surinamers, hun humor en hun grote zelfrelativeringsvermogen.
    ‘Waar het koloniale debat in Nederland hevige vormen aanneemt, is die in Suriname relatief klein. De mensen gaan door, en doorgaan vereist zoveel creativiteit dat er geen tijd is voor debat. Er moet vis gevangen worden, letterlijk en figuurlijk. Een intellectueel debat is ook een luxe, je moet er de tijd voor hebben. Onderwerpen als onderwijs, gezondheid heeft hier meer prioriteit dan het verleden te analyseren.’  

    In De wilde vaart schrijft ze, ‘Nederland mocht gedurende zijn overheersing een explosie van geweld hebben veroorzaakt, na de onafhankelijkheid van Suriname was een implosie gevolgd: een vernietiging van binnenuit. En net zoals het volk ooit met rood-wit-blauwe vlaggetjes leden van het Huis van oranje had onthaald, was het daarna van zijn gijzelnemer Desi Bouterse gaan houden. Surinamers leken massaal aan het Stockholmsyndroom te lijden: ze voelden sympathie voor hun geweldenaar (…).


    Jong en onervaren land

    Nadat Suriname in 1975 onafhankelijk werd verklaard, financierde Nederland dat met een afkoopsom, de zogenoemde verdragsmiddelen. De steun vanuit Nederland was dus zeer beperkt.
    ‘Het is een land met een turbulente geschiedenis, deels ook zelf veroorzaakt, in die zin dat het niet gelukt is kort na die tijd op eigen benen een hechte democratie te vormen. De ene helft van de bevolking wilde niet onafhankelijk worden, de andere helft wel. Het is er toen gewoon doorgedrukt in het parlement, met rampzalige gevolgen. Zo’n jong land kan zich niet bedruipen, er is geen infrastructuur en daarbij het feit dat het een volledig leeg geplukt land was. Zo’n dekolonisatie zou veel geleidelijker moeten gaan. Daar zou je tientallen jaren voor uit moeten trekken om af te bouwen en over te dragen. Het is een verplichting om na ruim driehonderd jaar kolonisatie een land te helpen opzetten.’

    Aandacht voor de trauma’s en de gevolgen van de dekolonisatie, is pas heel recent. “De Volkskrant heeft een serie van mensen die over die gevolgen praten, daar heb ik ook aan bijgedragen.’

    Vijfentwintig jaar woont Leuwsha nu in Suriname, ze is er groot gegroeid, haar kinderen zijn er geboren. Of je je er dan thuis voelt. ‘Ik was in Nederland niet een van de groep, en dat ben ik in Suriname ook niet. Ik ben een schrijver, ik observeer.’

     

    Foto: Sirano Zalman


     

     

     

     

     

    De wilde vaart / Tessa Leuwsha / 224 blz. / Uitgeverij Atlas Contact

     

     

  • Ik begon met schrijven om mijn eigen verhalen te vertellen

     


    Onder grote publieke belangstelling heeft toneelschrijfster en actrice Bodil de la Parra (1963), op woensdag 15 juni 2022, haar boek Het verbrande huis over de gelijknamige theatervoorstelling officieel gepresenteerd in Suriname. Het was de eerste thema-avond van de Schrijversgroep ’77 – de actiefste, grootste en oudste schrijversorganisatie in Suriname – na de Covid-19-pandemie. Het verbrande huis gaat over de familie van Bodil de la Parra van vaderszijde, de bekende filmmaker Pim de la Parra. Tijdens haar presentatie las De la Parra eerst een hoofdstuk uit het boek voor waarna ze vertelde waarom ze het belangrijk vond het boek te schrijven. 

    ‘Het huis was in tien minuten afgebrand. Toen ik in 2014 op de lege plek stond met mijn vader waar het huis en de apotheek eens was besloot ik dat het tijd was eindelijk de familieverhalen op te schrijven. Ik wist dat ik mijn eigen herinneringen moest opschrijven maar ook die van de andere familieleden. Ook waar onze familie vandaan kwam was belangrijk om op te schrijven. Er zit ook een laag in het boek dat niet in het voorstelling zit zoals dat mijn zoon Jim zijn eerste stappen heeft gezet in het huis toen hij veertien maanden was. Ik vond het belangrijk dat ik de herinneringen niet zou vergeten met het afbranden van het huis.’

     

     

    Het toneelstuk en het boek zijn een ode aan haar familie

    ‘Ik kon mijn oude tantes, tante Gus en tante Pop en tante Jet, op deze manier eren die ook de zorg van mijn vader op zich hadden genomen nadat hij zijn moeder verloor op jonge leeftijd. Mijn vader heeft het boek gewaardeerd. Ik kreeg ook een compliment van journalist Biemla Gajadien, ze heeft het boek in twee dagen uitgelezen.’

    In Nederland heeft ze ook positieve recensies ontvangen. Dit hoewel de promotie van het boek niet optimaal kon geschieden aangezien het net voor de Covid-19-pandemie uitkwam. Ze was benieuwd hoe het boek in Suriname zou worden ontvangen. De terugkomst in het land is voor haar ook best emotioneel. Ze ziet namelijk haar vader en familie eindelijk na drie jaar weer terug. Bij aankomst op Zanderij moest zij al een traantje wegpinken. Voor de pandemie was De la Parra regelmatig in Suriname. Ze had er ook de stukken Het verbrande huis en Woiski vs Woiski opgevoerd. Ze ging ervan uit dat ze na haar laatste bezoek er weer snel zou zijn, maar toen kwam de pandemie. Dus nu is niets meer vanzelfsprekend voor haar geeft ze aan.

    ‘Als ik straks vertrek, weet ik niet wanneer ik er weer ben. Ik krijg allemaal berichten dat er weer een corona uitbraak in Amsterdam  is. Alles mag namelijk weer. Mensen worden niet ernstig ziek, maar de situatie is nog niet bedwongen. En mijn vader wordt ook steeds ouder.’ De la Parra merkt bij de aanblik van Paramaribo op dat er veel achteruit is gegaan. Ook in gesprekken met anderen kwam naar voren dat de situatie sinds de laatste keer dat ze hier was, verslechterd is.
    ‘Aan de andere kant zijn er wel andere positieve zaken bijgekomen. Ik voel de veerkracht van de mensen altijd weer hier. Ondanks de moeilijke omstandigheden. De mensen zijn sterk en optimistisch.’ 


    Schrijven over alles

    In een uitgebreid gesprek geeft De la Parra aan dat ze eerst jeugdstukken heeft geschreven en later over van alles schreef, niet alleen over Suriname. ‘Ik wilde ook vertellen over vrouwen, over oudere mannen, over grootmoeders. Pas later, vanaf 2010 ben ik weer stukken gaan schrijven over- en gaan spelen met mijn oorsprong.’

    De la Parra groeide naar haar zeggen op met een vader die films maakte die niet bedoeld waren voor kleine meisjes. ‘In de buurt werden we gezien als het vrijgevochten gezin. Mijn moeder is Chinees-Indonesisch en mijn vader komt dus uit Suriname. Wij waren niet Nederlands en dan was mijn vader ook nog een artistieke filmmaker. Daar werd vreemd naar gekeken. Ik vond zingen en toneelspelen leuk vanaf de middelbare school. Ik heb mezelf nooit herkend in een Nederlandse film, omdat ik er voor Hollandse begrippen heel anders uitzag. Mensen vroegen of ik uit Indonesië kwam of Spaans was.’

    Na de middelbare school had ze geen idee wat voor studie ze wilde doen. Toevallig was ze bij haar vader in Aruba toen daar ook een theatermaker was. Hij vertelde over de kleinkunstacademie, een onderdeel van de theaterschool, waar je ook kunt zingen en dansen. Ze deed auditie en werd aangenomen als een van de acht uit de honderden aanmeldingen. Het vuur voor het theater was aangewakkerd. De la Parra rondde de theaterschool af en deed nog een jaar de toneelschool. Daarna was ze naar haar zeggen ‘gewoon actrice’. Langzaam merkte dat ze dat ze in het theaterlandschap van Nederland als actrice niet overal terecht kon vanwege haar exotische uiterlijk. Ze besloot zelf te schrijven en het eerste stuk werd Orgeade Overzee.

     

    Scènes over oudere tantes

    ‘Ik dacht, volgens mij heb ik een Surinaams verhaal te vertellen, en toen heb ik scènes geschreven over mijn oudere tantes. Mijn oudere tantes waren nooit getrouwd, ze hadden onvervulde verlangens, ze waren altijd bij elkaar blijven wonen. Ik was in 1992 in Suriname geweest. Voor het eerst weer sinds dat ik er als kind was geweest en ik zag dat het land het moeilijk had gehad. Dus besloot ik daar een stuk daarover te schrijven. Toen we het stuk opvoerden kwam iedereen van Surinaamse afkomst in Nederland ernaar kijken. We zouden het twintig keer opvoeren, het werd honderdtwintig keer. We hebben het stuk ook in Suriname opgevoerd. Toen kreeg ik koudwatervrees want tante Gus leefde nog. Mijn vader was ook pas geëmigreerd. Maar iedereen  van de familie vond het stuk mooi en zat te janken.’

    Ze besloot door te gaan met schrijven en werkte veel met theatermaker wijlen Matthijs Rümke. Over de Chinees-Indische familie van moederskant maakte De la Parra de voorstellingen Ouwe Pinda’s opgevoerd in 2014 en Gouwe Pinda’s opgevoerd in 2017. In de Indië Monologen vertelt ze over haar jeugdjaren in Amsterdam-Osdorp waar ze met haar Indonesische opa, oma en oom in dezelfde flat woonde.


    Opvoeringen in Suriname

    Het is niet de eerste keer dat De la Parra het verhaal van haar tantes heeft verwerkt in een productie. Het theaterstuk Orgeade Overzee ging ook over haar twee oudtantes, tante Gus en tante Pop. In Nederland was het stuk een grote hit, in 1996 werd het naar Suriname gehaald. Het was het eerste stuk dat zij in Suriname opvoerde, een hele andere ervaring voor het gezelschap en de Surinaamse samenleving aangezien men in Suriname gewend was aan het volkstheater van A Sa Go.

    ‘Ik schreef en speelde het stuk samen met de actrice Carolina Mout. Het werd opgevoerd met een klein decor, het was een reisversie, om het in het vliegtuig te krijgen. Er waren geen kostuumwisselingen. Wij tweeën speelden verschillende personages. We transformeerden van jonge meisjes naar oudere tantes. Dus het was fysieke transformatie en door de tekstbehandeling. Mensen hadden toen zoiets van ‘waar kijken we eigenlijk naar’. De voorstelling duurde een uur, er was geen pauze. Langzaam begon het publiek te wennen aan onze manier van toneelspelen en kregen we (later) volle zalen.’

    De la Parra schreef later de toneelstukken Onder vrouwen over mannen en Onder mannen over vrouwen die respectievelijk in 2011 in 2014 zijn opgevoerd onder regie van Helen Kamperveen. Kamperveen had de Nederlandse versie van de voorstelling gezien en vroeg aan De la Parra of die niet in Suriname kon worden opgevoerd.

    ‘Ik vond het niet geschikt om in Suriname op te voeren omdat het zo op Nederland gericht was. Ik zei dat ik wel heel graag een Surinaamse versie zou willen maken met Surinaamse acteurs. Ik heb toen eerst vrouwen geïnterviewd,  en later hebben we het stuk met Hilkia Lobman, Cher Spalburg en Marianne Cornet en Helianthe Redan  opgevoerd. Met een band onder leiding van Jimmy Westfa. Het was een enorme hit. Een stuk over vrijgevochten vrouwen uit Paramaribo, sommige hoogopgeleid en ze pikten bepaalde dingen van de mannen niet meer. Ze willen het er met elkaar over hebben.

     

    Een stuk over hoe mannen naar vrouwen kijken

    Toen werd besloten ook een stuk te schrijven over hoe mannen naar vrouwen kijken. Daarvoor heb ik openhartige gesprekken gevoerd met twintig mannen. Dit stuk werd opgevoerd met Ruben Silvin, Dave van Aerde en Geoffrey Bel. Het ging over drie mannen die bij elkaar te rade gaan. Een man wordt op dat moment door zijn vrouw het huis uitgezet en dan gaat hij naar zijn vrienden om het daarover te hebben. Eigenlijk gebeurt dat helemaal in Suriname niet. Als een man door een vrouw het huis uit wordt gezet, gaat hij naar zijn moeder of zijn zus of naar zijn nicht. Hij gaat niet openhartig met zijn vrienden de situatie bespreken. En dat is zo leuk aan theater, dat het daar wel kan. Toen ik het Verbrande huis af had, was het vanzelfsprekend dat ik het hier ook zou opvoeren. ‘

    Tijdens de boekpresentatie werd haar gevraagd of zij Het verbrande huis nogmaals in Suriname zou willen opvoeren? Ze wil dat graag, maar weet niet of dat kan. Waar ze wel naar uitkijkt is de opvoering van De Gliphoeve, de opvolger van Woiski vs Woiski bovendien het tweede deel uit de ‘Suriname-trilogie’ van producenten Orkater en Bijlmerparktheater. Een voorstelling waar zij als schrijfster ook een bijdrage aan heeft geleverd.

     

    Kevin Headley (1983) is een Surinaamse documentairemaker en schrijft artikelen voor OneWorld.


  • Ode aan een verguisde dochter

     


    Met haar breed georiënteerde oeuvre bezet Rosita Steenbeek een eigen plaats in het Nederlandse literaire landschap. Haar rode draad is vergankelijkheid versus vitaliteit en bewust zijn van je oorsprong. Haar debuut De laatste vrouw, Schimmenrijk en haar non-fictieboeken over Rome spelen in Italië. Ze schreef in 2020 en 2021 columns in Trouw en ze schrijft over vluchtelingen. Ander licht speelt in Amersfoort en in Italië, het is het verhaal van Alida Withoos, de dochter van de beroemde schilder Matthias Withoos. Intensive Care is een heel persoonlijk verhaal en in Rose, haar voorlaatste roman, die in Duitsland en Nederland speelt, beschreef ze het leven van haar Joodse grootmoeder, mede dankzij het geweldige geheugen van haar moeder. Na er met vele onderbrekingen aan gewerkt te hebben heeft ze nu Julia aan haar oeuvre toegevoegd.  

    In deze historische roman brengt Rosita Steenbeek een belangrijk stuk Romeinse geschiedenis tot leven. Julia was de dochter van keizer Augustus en leefde tijdens de glorieperiode van het Romeinse rijk tweeduizend jaar geleden. Ik sprak met haar over Julia, haar boeken en over schrijven in het algemeen.


    Julia was het enige kind van keizer Augustus en leefde van 39 voor Chr. tot 14 na Chr. Haar moeder Scribonia werd meteen na haar geboorte weggestuurd. Augustus huwde daarna Livia, een koele, mooie vrouw, die politiek gezien effectiever voor Augustus’ macht zou zijn, zij was echter de klassieke onaardige stiefmoeder. Julia snakte naar aandacht van haar vader, maar behoorde te gehoorzamen en moest trouwen met de mannen die hij voor haar koos, mannen die hij als zijn opvolger wenste. Het werden er uiteindelijk drie. De eerste, Marcello, stierf al snel, met de middelste, de 25 jaar oudere Agrippa, kreeg ze vijf kinderen. Oorspronkelijk was hij een jeugdvriend van Augustus, later werd hij zijn rechterhand. Agrippa staat te boek als groot generaal en vechtersbaas.

    Julia verzette zich hevig tegen haar vaders dictatuur, maar ze had uiteindelijk geen keuze en schikte zich in haar lot, waarbij ze binnen de grenzen van haar mogelijkheden haar vrijheid zocht. Ze was ontwikkeld en nieuwsgierig, erudiet, ze las de Ilias van Homerus en had culturele vrienden, zoals Vergilius, Horatius, Ovidius en kunstbeschermer Maecenas.


    ‘Tijdens mijn onderzoek besefte ik dat Julia zoveel mensen die wij uit boeken kennen persoonlijk heeft ontmoet en meegemaakt. Ze groeide op met de kinderen van Cleopatra en logeerde aan het hof van koning Herodes in Jeruzalem en was bevriend met grote schrijvers.’


    Zaten daar ook haar geliefden bij?

    ‘Vast, maar haar grote liefde was toch Iullus, hij was de zoon van Marcus Antonius, die door haar vader werd verslagen waarna hij zelfmoord pleegde. Iullus was een bekende dichter en politicus destijds.’


    Julia deelde weinig met haar drie echtgenoten, maar met Agrippa, de vader van haar kinderen, maakte ze een indrukwekkende reis naar Griekenland, Anatolië, Syrië en Egypte. Het was een van de hoogtepunten in haar leven. Wat vond je voor aanwijzingen in je research materiaal over deze reis?

    ‘De historieschrijver Nicolaas van Damascus vertelt dat Julia in haar eentje naar Troje gaat, ongetwijfeld omdat ze de Ilias van Homerus had gelezen. Hij schrijft ook dat ze bij een nachtelijke oversteek bijna verdronk in de door Homerus genoemde rivier de Scamander.’


    Hoewel er nauwelijks iets over haar karaktertrekken bekend is, wordt Julia als onbevreesd afgeschilderd, met hang naar avontuur. Heb je haar ook karaktertrekken van jezelf meegegeven?

    ‘Er wordt wel gesproken over Julia’s gevatheid, en die nachtelijke oversteek naar Troje wijst op avontuurlijkheid, maar er zit ook wel wat van mezelf in haar. Het avontuurlijke en onafhankelijke erfde ik van mijn vader, met hem voelde ik me erg verbonden. Ik bewonderde hem. Hij kon kleurrijk vertellen en schrijven. Hij doceerde renaissanceletterkunde aan de universiteit van Utrecht. We waren zielsverwanten, met onze liefde voor literatuur en het besef van vergankelijkheid. Ik heb ook veel met hem gevochten maar na de botsingen kwam het meteen weer goed. Misschien heb ik die aanvaringen gebruikt voor Julia in relatie tot haar vader.      De band met Scribonia, haar moeder, moet heel goed zijn geweest. Daarvoor heb ik me wel laten inspireren door de innige en harmonieuze verstandhouding met mijn eigen moeder.’


    En de andere personages hoe heb je die gereconstrueerd?  

    ‘Julia’s beeltenissen zijn allemaal vernietigd, de munten met haar afbeelding omgesmolten. Er is nog een beschadigd kopje van haar over. Maar van de meeste andere personages zijn wel beelden bewaard gebleven, die staan in Rome. Ik ken ze allemaal en hoefde alleen maar het beeld te beschrijven voor hun uiterlijke kenmerken.’

    Je hebt het verhaal heel breed getrokken, Julia in relatie tot haar ouders, haar echtgenoten, haar kinderen, haar geliefden en vrienden. Tegelijkertijd krijgen we ook een duidelijk beeld van het Romeinse hof, met de omgangsvormen, huwelijk, rouw, hypocrisie en wetten. Is die achtergrond ook deels fictie?

     ‘Die achtergrond berust op historische feiten.’ 


    Waarom is Julia zo verguisd tot op de dag van vandaag?

    ‘Ze zou overspelig zijn geweest. Dat dat de reden van haar verbanning was, kon ik moeilijk geloven. Haar vader had veel affaires al bestond er natuurlijk een dubbele moraal. Bij mijn onderzoek stuitte ik op andere aanwijzingen. Ze zou hebben meegewerkt aan, of in ieder geval op de hoogte zijn geweest van plannen voor een staatsgreep, een aanslag op haar vader. Dat is een plausibeler reden voor haar verbanning naar Pandataria, het huidige Ventotene, een eilandje westelijk van Napels.’


    Ik kan me voorstellen dat die staatsgreep in de doofpot was gestopt, kon je er wel iets over vinden? Het verraad, is dat ook letterlijk zo opgetekend destijds?          

    ‘Bij antieke schrijvers zijn er een paar korte verwijzingen naar betrokkenheid van Iullus en Julia bij plannen voor een staatsgreep.’ 


    Het enige lichtpuntje in haar leven was dat ze samen met haar moeder in ballingschap op het eiland zat. De onvoorwaardelijke liefde van Scribonia voor haar dochter beschrijf je heel mooi. Dat is fictie, of zijn er nog dagboeken of brieven van Julia bewaard gebleven?          

    ‘Scribonia was al eerder in haar leven teruggekomen en hun zielsverwantschap wilde ik voelbaar laten zijn in het boek. Er staat geschreven dat Scribonia meeging met haar dochter naar het eiland.  Dat zegt iets over hun band. Scribonia hield net als haar dochter veel van literatuur en bewoog ze zich in dezelfde literaire kringen. Ze beschermden elkaar, en dat Julia zich ook schuldig voelde dat haar moeder zich een volwaardig leven had ontzegd wegens haar, heb ik moeten invullen met hulp van mijn verbeelding.’ 

    Wat bracht je op het idee om over Julia te schrijven?

    ‘Tijdens een bezoekje aan Ventotene tien jaar geleden zag ik concreet de ballingsplek van Julia, het huis, de zee waarin ze zwom, toen kreeg ik een beeld van haar en ging ik meer over haar lezen.’


    Hoe kwam je tot deze vorm in het boek, jij bezoekt de plaatsen waar Julia is geweest en glijdt dan steeds terug in haar tijd.     

    ‘Door in het heden over de plaatsen te schrijven waar Julia is geboren, waar ze woonde en liep, kon ik me nog beter in haar inleven. Het trof me dat er zoveel plekken uit haar leven tweeduizend jaar later nog te bezoeken zijn. Die locaties hielpen bij het reconstrueren van haar leven.’


    Heb je alle plaatsen bezocht waar zij is geweest?

    ‘De plaatsen in Rome en Italië die verbonden zijn met haar leven heb ik allemaal bezocht. Toen ik haar geboortehuis bezocht, raakte ik ontroerd. Buiten Italië wilde ik haar niet voor de voeten lopen. Daar is het  Julia die geraakt wordt door de historische locaties (in haar tijd), zoals Troje of de Acropolis in Athene. Daar wilde ik niet tussenkomen.’ 


    Je hebt veel boeken geschreven die in Italië spelen. Voel je je Italiaanse of toch vooral Nederlandse?

    ‘Ik ben en blijf natuurlijk Nederlandse, maar voel me heel thuis in Italië en ben ook wel veritalianiseerd. Ik hou ervan vreemdeling te zijn. Dat houdt de blik scherp.’


    Verzamel je eerst materiaal voor je aan een boek begint, of ga je meteen schrijven?

    ‘Onderzoek, lezen en schrijven gaan bij mij altijd samen op. Ik maak wel een concept maar daar wijk ik al schrijvend vanaf. Dat maakt het schrijfproces avontuurlijker. Het is als het maken van een reis. Ook daarbij wil ik van tevoren niet precies weten wat de tussenstops zijn, wat ik precies ga zien. Ik heb heel veel boeken gekocht en gelezen, digitaal is er het nodige te vinden en aan de hand van oude teksten en gedichten heb ik me een beeld gevormd. Soms kwam ik snippers over Julia tegen en zo kwam haar verhaal tot leven.’ 


    Julia is een historische roman en een familiegeschiedenis, maar ook een verhaal van alle tijden. Er zijn veel parallellen met het heden te trekken.  

    ‘Ja. Augustus veranderde de republiek in een dictatuur waarbij hij zich onder meer bediende van ‘fake news’ en propaganda. Daarnaast was Julia (wat mij betreft) een feministe avant la lettre. Ik wilde recht doen aan de verguisde dochter van de machtigste keizer van de geschiedenis rond het begin van onze jaartelling, die genoemd wordt in de Bijbel en zijn naam gaf aan een van onze maanden.’

     

     

    Foto: Vincent Mentzel


  • Wat als mijn vader gewoon was weggegaan

     


    Een schrijver die met een ontzagwekkend tempo gemiddeld eens per jaar een boek afrondt. Die (bijna) dagelijks een blog schrijft (in 2010 door HP/De Tijd tot beste literaire weblog van Nederland uitgeroepen), tien jaar redacteur was bij literair tijdschrift Revisor, waarvoor hij elke vrijdag een leesverslag schreef. Altijd net een boek af, of alweer aan een nieuw boek begonnen. Het schrijven houdt nooit op. Waarin hij dan toch op zijn vader lijkt, die, toen Van Mersbergen een jongen was, een stuk land van vier hectare kocht waar hij al zijn tijd en energie in stak, waar het werken ook nooit ophoudt.


    Jan van Mersbergen
    (Gorinchem, 1971) debuteerde op zijn dertigste met de roman De grasbijter bij Cossee. Daarna volgden in het hierboven geschreven tempo negen romans, drie thrillers (pseudoniem Frederik Baas), een novelle, een kinderboek in de serie Gouden boekjes, twee non-fictieboeken en in april 2022 verscheen zijn eerste auto-fictie boek, Mijn pa is nooit alleen. En zie, tijdens het uitwerken van dit interview leverde Van Mersbergen Carnaval, een levensverhaal – de persoonlijke biografie van ons volksfeest als manuscript in bij uitgeverij Nijgh & Van Ditmar.


    We ontmoeten elkaar in café Hesp aan de Amstel. Ik vertrek extra vroeg van huis, wil de schrijver, die zeer stipt schijnt te zijn, niet verontrusten. Vanachter mijn eerste kop koffie zie ik door de openstaande café deur Jan van Mersbergen zijn fiets wegzetten. Als hij binnenkomt vraagt hij, ‘Ik ben toch op tijd hè?’ In tegenstelling tot de zwijgzame mannelijke personages in zijn boeken, is Van Mersbergen een makkelijke prater. We hebben het over zijn twee laatste boeken, over auteurs van belangrijke boeken, over zijn vader en Jozef van den Berg, de poppenspeler die wegfietste van zijn vrouw en kinderen en door een lekke band strandde bij een fietsenstalling waar hij zijn kluizenaars bestemming vond. We hebben het over daklozen, eenzame uitvaart en meer.


    Schrijver worden door te lezen

    Op zijn negentiende verliet Van Mersbergen Brabant voor de opleiding kunstmanagement in Amsterdam. Na zijn studie werkte hij tien jaar in de theaterwereld als productieleider, decorbouwer en fondsenwerver. Van huis uit geen lezer, begon hij die eerste jaren in Amsterdam alles te lezen wat hij kon vinden.

    ‘Ik las Honderd jaar eenzaamheid en dacht, ja, dat wil ik ook maken en ging over mijn dorp in Brabant schrijven. Ik wilde net als Márquez magisch realistisch schrijven, maar dat paste niet bij mijn achtergrond. Ik moest eerst mijn eigen stem zien te vinden. Las ik Misdaad en Straf, vond ik ook geweldig. Dan dacht ik, (lacht), ik huur hier een kamer, ga ook zo schrijven. Pas bij Steinbeck en Hemingway dacht ik, zo kan ik het ook, zo’n simpel verhaal, daar zag ik mijn familie wel in. Mijn opa heeft ook als seizoenarbeider gewerkt. Hij snoeide de griend en de wilgen. En dan droomde hij van iets simpels, een boerderijtje, konijntjes. Dat zintuigelijke is belangrijk, en altijd in de derde persoon schrijven. Dat Amerikaans afstandelijke ligt me wel.’

    Voor het autobiografische boek, Mijn pa is nooit alleen, dat begin dit jaar verscheen, was er de autobiografische roman Een goede moeder. Over zijn ex-vrouw en de zorg voor hun kinderen. De moeder is niet in staat op de dagen dat de kinderen bij haar zijn, voor hen te zorgen. Hulpverlening om haar daarin te ondersteunen, schiet tekort. Uiteindelijk stopt Van Mersbergen de hulpverlening en neemt de zorg voor zijn kinderen helemaal op zich.


    Een indringend verhaal, over een moeder die wel wil maar niet kan, een hulpverlening die faalt.

    ‘De dag dat ik in 2020 gestopt ben met hulp zoeken om mijn ex te helpen haar kinderen te kunnen zien, ben ik gaan schrijven. Een goede moeder is een roman, maar wel een die beschrijft zoals het was. Ik kreeg veel reacties van vrouwen die iets soortgelijks hebben meegemaakt, of zich erin herkenden. Een vrouw schreef dat zij ook zo’n moeder was. Dat ze haar kinderen nog wel wilde zien, maar als er een afspraak was gemaakt, belde ze toch weer af. Een andere vrouw schreef me dat ze nu een keer per week met haar dochter afspreekt om naar het park te gaan. Dat komt door het boek schreef ze. Deze roman werkt als een spiegel. Gek genoeg waren er geen vaders die zich erin herkenden.’ 

    Er waren ook lezers die moeite hadden met de manier waarop de ex-vrouw beschreven werd, die in haar een slachtoffer zagen. ‘In Trouw vond een recensent het moeilijk mijn boek te beoordelen omdat één partij, de moeder, zich niet kon verweren. Maar mijn ex houdt zelf alles af. Alle hulp voor omgaan met haar financiën, regelmatig medicatie innemen e.d., houdt ze af. Afspraken zijn zo stressig voor haar, dat ze zich er niet aan kan houden. Ik moest daar weg, nu tien jaar geleden, omdat het gewoon niet meer ging. En ja, in zekere zin heb ik mijn ex gebruikt voor deze roman. Maar ik heb haar wel de verteller gemaakt van het verhaal, dat was nodig. Anders was het een afrekening geworden. Zo van, “Ze zou de kinderen naar school brengen maar deed het niet.” Dat begrip voor haar situatie moest ik ook leren. De eerste versie was naar haar toe veel heftiger. En al was het niet mijn bedoeling, het is toch een soort liefdesverhaal geworden.’


    Achtergronden en personages die in elkaar schuiven.

    Mijn pa is nooit alleen, is een zoeken naar de beweegredenen van zijn vader waarom hij zich zo vastbeet in dat stuk land. De beschrijvingen over het land van zijn vader doen denken aan De grasbijter, zijn eersteling. Deze roman kan qua sfeer zo in het autobiografische Mijn pa is nooit alleen geschoven worden. Er leeft een jonge man, de zoon, alleen in een huisje op het land met een paar schapen, zijn ouders zijn geëmigreerd. Hij werkt bij een fruitteler, drinkt een biertje met vrienden, haalt een schaap uit de greppel. Er speelt een verlangen naar liefde, muziek van Mendelssohn. Er gebeurt niet veel maar de sfeer is verslavend. Ook het boek De onverwachte rijkdom van Altena, kent een zelfde sfeer.

    Het boek over zijn vader gaat ook over hoe men zich verhoudt tot de ander, je verantwoording voor het leven, je kinderen. Ook over zelfmoord schrijft Van Mersbergen in Mijn pa. Dat hij dat nooit zou kunnen, op die manier afstand nemen van dingen die je niet kunt handelen. Schrijvers die hij kende, Joost Zwagerman, Wim Brands, zijn uit het leven gestapt. ‘Wim was hypochondrisch, zat altijd bij de dokter. Hij zit ook in dit boek over carnaval. Dan zeg ik tegen hem, “Wim, hoeveel dagen ga je ook alweer mee carnaval vieren?” Dan zegt Wim, “Nou, ik weet het niet.” Ik mocht hem graag, en Zwagerman… Ik wordt er vooral een beetje boos van.’ Zoals Jozef van den Berg zijn gezin in de steek liet, hij heeft er bewondering voor, maar vindt het vooral nogal theatraal.
    Alsof hij zijn laatste voorstelling had. Heel anders dan die Britse komiek, Tommy Cooper, die dood op het podium neerviel. Dat is een mooie dood. Zo gaat mijn vader ook dood, die sterft op dat land. Dat begrijp ik wel.’

    ‘Van mijn vader wilde ik weten waarom hij de dingen doet zoals hij ze doet. Waarom alles gerelateerd is aan dat stuk land van hem. We komen uit een boeren- en arbeidersfamilie. We hebben beiden eenzelfde soort arbeidsethos, daarin lijken we op elkaar. Ik begrijp heel goed waarom hij alles zelf wil maken, maar waarom hij dat in zijn eentje doet, dat snap ik dan weer niet. En nu mijn ouders ouder worden, mijn vader is tachtig, maak ik me wel eens zorgen dat ze alles alleen doen.’

    Voor het boek kreeg hij inzage in de aantekeningen die zijn vader al die jaren maakte. Over wat hij dag in dag uit op het land uitvoerde, over het weer, de opbrengst van het land (Laatste mais in emmers en in zak en de stellage opruimen; veel vraat aan bovenste mais en de muizen, ze lopen rond en ook rattekeutels.) het aantal eieren dat de kippen legden. 


    Een vader die niet aanwezig is, het is zoals het is.

    Dat een vader geen openlijke belangstelling voor zijn kinderen en kleinkinderen toont. ‘Mijn vader merkte eens op dat in mijn eerste vier, vijf boeken geen vader zit. Ik zei “Ja, jij was altijd met dat land bezig.” Waarop hij mompelde, “Ja, ja.” Maar goed, ik heb er nooit last van gehad. Iedereen in die streek is afstandelijk. Ze leven voor hun boerderij maar sociaal zijn ze geïsoleerd. Toen ik eens met een vriend langskwam omdat we toevallig in de buurt waren, gaf mijn vader gelijk een soort rondleiding om te laten zien wat hij en mijn moeder allemaal gemaakt hebben. Die vriend zei, “We kwamen eigenlijk voor de koffie.” Later lees ik dat terug in zijn aantekeningen, dan ben ik wel blij dat ik daar in voorkom.’

    Hij had gespeeld met de gedachte Jozef van den Berg op te zoeken, had al uitgezocht hoe er te komen. Eerst met de trein, dan een fiets huren, hij kon er zo naartoe. ‘Maar praktisch wilde ik het toch niet uitvoeren. Die man is gewoon helemaal uit geïnterviewd… Floortje Dessing was er voor haar programma Floortje blijft thuis. Zij zegt alleen maar “Wat bijzonder om hier te zijn”, en “wat is het hier leuk”. Alsof hij nog steeds optreedt.’
    Ook de gedachte zoals in het boek staat: ‘Ik kan mijn pa niet vinden in een schuurtje waar een man woont die, en dat weet ik ook, als je zijn baard af zou scheren, opeens mijn vader blijkt te zijn’, hield hem er vanaf.


    Wat als zijn vader naar Frankrijk was gefietst 

    ‘Ik had wel een kapstok nodig om over mijn vader te kunnen schrijven. Mijn eerste theorie was, dat als mijn vader net als hij gewoon was weggegaan, niet dat stuk land had gekocht dat uitkijkt op zijn geboortehuis, maar gewoon naar Frankrijk was gefietst, dan hadden mijn moeder, mijn broer en ik een heel ander leven gehad. Maar dat was te hard. Mijn vader is helemaal niet weggereden in die zin. Maar aanwezig was hij ook niet. Hij heeft veel ruimte ingenomen voor zichzelf. Op afstand was hij toch aanwezig. Hij spaarde bijvoorbeeld voor mijn studie. Toen ik ging studeren, ging ik vijf keer in de week uit, dus mijn vader dacht,  hij brengt al dat geld naar de horeca. Toen ik klaar was met mijn studie, heeft hij de helft van mijn studieschuld afbetaald. Hij was er dus wel mee bezig. Anders dan vaders die elke week bij het voetballen staan te kijken, maar die doen dat dan misschien weer niet.’

    In Mijn pa, staat dat de schrijver bang is om alleen te zijn. Anders dan zijn vader wil hij beweging om zich heen, mensen ontmoeten. ‘Arjen Fortuin schreef eens in het NRC dat mijn boeken over stugge mannen gaan die weggaan voor iets. Toen ik hem daar over sprak, zei ik, die mannen gaan niet weg, die zoeken juist op elke pagina contact. Dat alleen zijn dat in mijn boeken gelezen wordt, ik weet niet wat dat is.’ 


    Overlevingsdrang en het volgen van patronen

    Marcus, een dakloze in het boek over zijn vader, bivakkeerde in het plantsoen waar de schrijver geregeld langs fietste. Met enige reserve benaderde hij hem, bracht hem een jas die hij over had. ‘Ik vind het bijzonder hoe iemand op deze manier in leven blijft. Ik weet niet hoe hij dat doet. Maar ik zie wel dat hij niet opgeeft. Hij is een soort eigentijdse Robinson Crusoe, heel praktisch. Er is een overlevingsdrang, maar dan totaal niet in beeld.
    Kijk, Jozef van den Berg heeft zijn publiek, nog steeds. Indirect vraagt hij ook best veel van de mensen om hem heen. Toen hij niet langer in die fietsenstalling kon blijven, zeiden die mensen bij wie hij nu zit, “je kunt wel bij ons in het schuurtje”. Hij heeft daar niet zelf voor gezorgd. Dit is ook zomaar een gedachte hoor, maar Jozef heeft wel een soort vertrouwen dat het goed komt. Daarentegen moet een dakloze iedere dag zijn eten organiseren. Er moet een soort patroon in zitten om te weten waar hij zijn eten kan halen. Het is moeilijk daarover met hem te praten. Ik wilde hem niet analyseren waar hij bij zit, dat hij zijn eigen gespreksonderwerp wordt, dat wilde ik niet.’

    ‘Joris van Casteren schrijft heel mooi over zulke levens in het kader van De eenzame uitvaart in de Volkskrant. Daar is een poule van dichters voor, waarvan er steeds één bij elke eenzame uitvaart een gedicht schrijft. Dat zou ik ook wel eens willen doen. Ik schrijf wel geen poëzie, maar een stukje proza zou toch ook kunnen.’

    Er is een thriller en een roman waar op dit moment aan gewerkt wordt. ‘Alles door elkaar’, lacht hij haast verontschuldigend. Over de roman spreekt hij als betreft het een bouwwerk waarvan de steigers al kunnen worden weggehaald, er enkel nog gevoegd hoeft te worden. ‘Een roman die voor tweederde staat. De verteller moet nog wat worden opgepoetst. Ik wil altijd iets onderzoeken in een boek. Mijn redacteur bij Cossee, Christoph Buchwald, vraagt altijd, hij is Duits, “Wat is in deze boek die onderzoek frage?” Ik schrijf nu over een jongen die weigert te praten. Zoals in De blechtrommel van Günter Grass een jongen weigert te groeien omdat de nazi’s aan de macht komen. Ik kijk naar mijn zoontje van vijf, hoe hij praat. Voor een roman is hij als verteller te jong. Ik zoek nog naar een vorm waarin dat wel kan. Als begin heb ik altijd wel een basis idee, weet ik waar het heen moet gaan.’ 

     

     


     

     

     

     

     

     

     

     

    Foto © Jan Willem Kaldenbach