• Via kunst naar de wereld kijken

    Dit voorjaar werd Paul Demets gelauwerd met de Grote Poëzieprijs voor zijn bundel De schaamsoort, Briefgedichten aan Guido Gezelle. Hij had niet verwacht dat deze bundel, omdat het toch wel een echt Vlaamse bundel was geworden, in Nederland zou opvallen. ‘Toen hij de longlist bereikte dacht ik, wauw, ze hebben hem gezien. En dan komt de shortlist, en je denkt, geweldig. Ja, en dan viel ik echt van mijn stoel.’

    Paul Demets (1966) debuteerde in 1999 met de bundel De papegaaienziekte, maar zijn eigenlijke debuut, Het web van omtrek, waar hij aan schreef tussen 1988 en 1993, verscheen in 2021. Uitgangspunt van deze bundel was het werk van kunstenaar  Roger Raveel (1921– 2013). Als ongepubliceerd werk kreeg het in 1993 een eervolle vermelding van de Prijs voor Letterkunde van Oost-Vlaanderen. Dat er wel meer werk in de la blijft liggen leek voor lange tijd een gewoonte van de dichter. Wel publiceerde hij geregeld in literaire bladen zoals Het Liegend Konijn, maar van een bundel samenstellen kwam het vaak niet.

    Op donderdag 2 juli, een van de warmste dagen van deze zomer, bezocht ik dichter Paul Demets in het monumentale pand waarin de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten (KASK) gevestigd is en waar hij lector is.

    Het KASK-café, waar we hadden afgesproken, is vanwege vakantie gesloten. We zullen uitwijken naar zijn werkkamer, maar eerst een ijsje. Kom, zegt Demets, dan trakteer ik op ijs. We gaan naar de achterzijde van de academie waar buiten een ijscowagen staat om kandidaat-studenten die deze dagen toelatingsgesprekken hebben, enige verkoeling te bieden. We passeren collega’s die hij enthousiast kond doet van de uit Nederland gekomen interviewer voor Literair Nederland. Als we door de monumentale gangen naar zijn werkkamer lopen, onze voetstappen ruisend over de oude vloeren, onderbroken door het openduwen van klapdeuren, vertelt Demets, vaderlijk glunderend, dat zijn jongste dochter net aan deze academie haar master grafisch ontwerp-illustratie heeft behaald.

    In zijn werkkamer op de eerste verdieping nemen we plaats aan een tafel. Stapels papieren waar je kijkt, twee computerschermen, posters aan de muur, (waaronder een van filmmaker Chantal Akerman, waarover later meer), volgepakte boekenplanken, waartussen, zo wijst Demets me, het volledige werk van de Vlaamse dichter Guido Gezelle staat.

    We spreken over het ontstaan van De schaamsoort, over de cesuur in zijn leven en over het benaderen van de werkelijkheid via de kunst of via de werkelijkheid zelf. En dan zijn er nog al die bundels die uit een la komen, of er in blijven liggen, het maken van poëziefilms en dat de politiek er tussendoor schemert.


    Hoe was het om deze prijs te winnen?

    Lachend: 
‘Gelukkig had ik die dag daarop al terug les, ik had niet veel tijd om naast mijn schoenen te lopen. Dat zit misschien ook niet zo in mijn aard.’ Dan, ernstiger, ‘Het geeft wel een diep gevoel van geluk en vooral een soort vertrouwen om door te gaan.’

    Op het moment dat Demets de prijs ontving, had hij ongeveer op de dag af tien jaar geleden een hartstilstand gekregen. Die ochtend was Demets benauwd op de borst en had pijn in zijn arm en bij zijn hals. In plaats van naar de KASK te gaan, reed hij naar het ziekenhuis waar hij met spoed geholpen werd. ’Die prijs had voor mij dus ook iets heel symbolisch. ’ Zijn oudste dochter werd geboren met een hartafwijking en onderging open hartoperaties. In bedekte termen schreef hij daarover in zijn bundel De landsheer van de Lethe


    De woorden van Remco Campert, ‘Poëzie is een daad van bevestiging, de bevestiging dat ik leef’ krijgen hier hun eigen betekenis?

    ‘Absoluut, en ook dat ik niet alleen leef. Die twee aspecten zijn heel belangrijk. Dat ik niet alleen leef, was in mijn dagelijkse bezigheden al belangrijk voor mij. Ik heb altijd lesgegeven, dan leef je niet alleen, dan geef je dingen door, probeer je te enthousiasmeren, te ondersteunen. Na mijn hartoperatie is dat nog belangrijker voor me geworden.’


    Is er daarna ook iets veranderd in je poëzie, in hoe je schrijft?

    ‘De poëzie die ik tot dan toe schreef en publiceerde, kwam vooral uit het hoofd. Maar het lichamelijke aspect is voor mij veel belangrijker geworden. En ook de maatschappelijke betrokkenheid.’


    Hoe bedoel je dat precies?

    ‘Voor mij is het heel gewoon om te kijken naar de werkelijkheid via kunst. De kunst als een soort vlies dat tussen mij en de werkelijkheid staat. Ook via film bijvoorbeeld. Dat speelt nog altijd een rol, maar in sommige bundels kijk ik niet meer via kunst, maar rechtstreeks naar de werkelijkheid. En dat is een nieuw aspect.’

    Enkele maanden na zijn operatie, werd Demets door het provinciebestuur van Oost-Vlaanderen gevraagd als plattelandsdichter. Aanvankelijk voelde hij zich er niet klaar voor om in opdracht te gaan schrijven, maar toen bleek dat hij de vrije hand kreeg in de invulling daarvan, stemde hij toe. ‘Dat vond ik eigenlijk wel fijn. Want om terug te keren naar het citaat van Remco Campert, dat ik niet alleen leef, dat was voor mij ook een heel belangrijk aspect om het te accepteren.’

    ‘Ik dacht dat dit nu misschien wel de gelegenheid was om even letterlijk uit te zwermen over het platteland. Om te praten over wat de mensen op het platteland bezighoudt, wat hen drijft en ontgoochelt. Aan verkiezingsresultaten in heel Europa is te zien dat er veel breuklijnen in de samenleving komen bloot te liggen, één van die breuklijnen is tussen stad en platteland. Het klimaat gaat mij al ruim twintig jaar ter harte en ik zat dan ook met die achtergrond aan de keukentafel bij landbouwers. Sommige gezinnen zitten al jaren in de problemen. Dan heeft zo’n veevoederbedrijf gezegd, weet je, we sluiten een deal. Wij bouwen twee stallen voor je. Stop met gemengde landbouw, alleen nog varkens. En in plaats van 30 varkens, 300 of meer. Plots blijken die landbouwers werknemers van het veevoederbedrijf op hun eigen boerderij te zijn. Ze zeiden mij ook wel dat ik anders denk dan zij. En dat is natuurlijk ook zo.’


    Wat kan de betekenis van kunst en poëzie in deze tijd zijn?

    ‘Kunst en poëzie zullen de wereld niet kunnen redden vrees ik, maar bieden wel andere perspectieven vanuit de meerduidigheid. Dat is iets waar ik zelf van hou in literatuur, poëzie en kunst. Dat het mij aan het denken zet en zich niet in zijn onmiddellijkheid aan me meedeelt. Ik heb graag dat ik uitgedaagd word. Dus dat vind ik wel belangrijk voor mijn eigen werk, dat iemand ernaar teruggrijpt en nog eens leest en misschien andere dingen ziet. Die openheid van interpretatie vind ik wel belangrijk.’


    Wat betekent Gezelle voor jou?

    ‘Hij heeft mij gevormd en heeft grote indruk op mij gemaakt. Want zijn stem is zo uniek dat je dat onmogelijk kunt proberen na te bootsen.’

    ‘In 2010 vroeg Gwy Mandelinck ((1937-2024), oprichter poëziefestival Watou Iv/dG ) aan dichters, onder wie aan mij, om een gedicht te schrijven gebaseerd op het leven en werk van Gezelle. Ik vond het een boeiende uitdaging want ik kende het werk van Gezelle, waarmee ik niet durf te beweren dat ik het toen al volledig gelezen had. Zijn poëzie kende ik, maar die andere kant, de bijna krijgshaftige voor het katholicisme strijdende polemist Gezelle kende ik niet. Dat was wel interessant. Maar ook zijn ecologisch bewustzijn, al was dat bij hem ook ideologisch gekleurd. Zijn allereerste gedicht ‘De Mandelbeke’, daar zit iets heel kritisch in over de oprukkende industrialisering. Dat, en zijn bekommernis om de natuur hebben mij opnieuw voor zijn werk gewonnen en zorgde veertien jaar geleden voor het begin van De schaamsoort.’


    Heb je je weleens een voorstelling gemaakt hoe Gezelle zou kunnen reageren?

    ‘Ja, absoluut. Ik heb hem, een man uit de negentiende eeuw, zeker niet willen bekritiseren want dat zou wel heel oneerlijk zijn. Maar ik had hem weleens willen horen over bijvoorbeeld de educatieve context. Die had hij in Roeselare, in zijn school waar hij lesgaf.  Dat blijkt uit de briefwisseling. Hij verzamelde een groepje jongeren rond zich en zette die aan om poëzie te schrijven. Wat ik ook doe, maar bij hem had dat een ideologische reden. Want hij schreef letterlijk in een brief:  gebruik Vlaamse woorden, want dat is belangrijk. We moeten het Vlaams emanciperen. Dat soort emancipatie is mij totaal vreemd. Ik geef geen les om op ideologisch vlak invloed uit te oefenen en al zeker niet om Vlaanderen groter te maken. Dat zou niet werken, want mijn studenten komen uit alle windstreken. En dat vind ik alleen maar fijn.’

    In zijn bundel is er volgens Demets één facet van Gezelle onbelicht gebleven, ook omdat in een bundel nu eenmaal niet alles past, en dat is de openheid van geest die Gezelle ook had. Daarom maakte hij samen met oud-filmstudent Hooman Jeddy de poëziefilm Zie, zie, zie. Het werd een hommage aan Gezelle, aan wie hij was en hoe hij schreef.
    ‘Daarin hebben we een ontmoeting tussen de westerse katholieke cultuur en de oosterse Perzische cultuur filmisch gerealiseerd. Gezelle kende de Perzische poëzie die hij via een bisschop leerde kennen in een Engelse vertaling. Dat wijst op zijn intellectuele nieuwsgierigheid.’


    De bundel bestaat uit zeven afdelingen met elk als titel een van de zeven hoofdzonden. In de afdeling Gula (woede) schrijf je over de fatale ontgroening van Sanda Dia in 2016.

    ‘Ja, dat heeft mij heel erg beziggehouden. En die studentenclub Reuzegom uit Leuven, waar ik zelf gestudeerd heb. In het begin van de cyclus schets ik mijzelf en het studentenleven. Omdat ik mij niet superieur wilde opstellen, zo van: wat hebben die jongens toch gedaan en ik was beter en anders.’

    ‘Het is een verhaal waarin alleen maar verliezers zijn. Op de eerste plaats omdat die jongen er niet meer is. Maar ook die jongens die erbij betrokken zijn in de vorm van ongeremd groepsgedrag. Hoe ze verder en verder zijn gegaan tot het fout moest lopen. Ik heb het proces intens gevolgd en heb ook de verslagen gelezen. Wat heel dubbelzinnig is zoals je het ervaart. Ik bekijk het ook van twee kanten. Het zal je zoon maar zijn die daarbij betrokken was geraakt. En anderzijds de ouders van die jongen en dan het hele advocatengedoe natuurlijk. Hoe ze zoveel mogelijk die jongens die erbij betrokken waren, probeerden te beschermen.’

    ‘Wat mij ook wel raakte, is de juridische taal die gebruikt wordt en die bijna ontmenselijkt. Ik denk dat juristen zullen zeggen, dat is nu eenmaal eigen aan juridische taal, maar dat heb ik toch ook wel een plaats willen geven in die cyclus gedichten. Ik wou laten zien hoe identitair denken tot tribalisme kan leiden.’


    Ben je al met iets nieuws bezig?

    ‘Ja, en dat heeft ook met dat catharsismoment uit 2015 te maken. De jaren daaraan voorafgaand was ik niet zo bezig met publiceren in bundelvorm. Ik publiceerde zo nu en dan in tijdschriften zoals Het Liegend Konijn. Verder recenseerde ik vooral poëzie, theater en beeldende kunst, wat ik nog altijd graag doe. Mathematisch gezien zijn er vanaf het begin in 1989, toen ik echt aan een bundel begon te werken, ruim 23 jaar waarin ik niets gepubliceerd heb, maar wel in stilte verder heb geschreven.’

    ‘Na mijn operaties waren er gesprekken met een psychologe. Ze vroeg wat ik tot nu toe in mijn leven had gedaan en wat ik anders zou willen doen. Er waren oudere patiënten die met werken wilden stoppen of een grote reis wilden maken. Maar ik dacht, ik ga gewoon verder met waar ik mee bezig ben: lesgeven, schrijven en recenseren. Op één kwam nog meer aandacht aan mijn gezin besteden. En als tweede dacht ik dat ik misschien wel iets meer wilde nalaten dan hier en daar wat verspreide gedichten.’

    Sindsdien is Demets  werk uit de lade aan het halen. Er zijn al meerdere bundels verschenen, al is het niet zo dat die afgewerkt klaar lagen.
    ‘Dat zou wel heel erg romantisch zijn, dat ik maar een lade open hoef te trekken en er rolt een bundel uit. Niet alles blijkt bij hernieuwde kennismaking geschikt om mee verder te gaan. Ik moet mij kunnen terugvinden in wat ik eerder geschreven heb, of ik laat het voorgoed in de lade.’

    ‘Mijn nieuwe bundel, Moederkoren die in oktober zal verschijnen, zit wat in de lijn van via kunst naar de wereld kijken. Ik ben er jaren mee bezig geweest. Maar hij is tegelijk ook heel lichamelijk en persoonlijk. Deze bundel is uit het werk van Chantal Akerman ontstaan. Ik gebruik haar werk als een soort canvas waarop ik dan mijn eigen wereld projecteer.’

    Paul Demets is op 31 oktober een van de eregasten tijdens het Nederlands Poëziefilm Festival 2025 te Zutphen. Tijdens het festival zal er een ruime selectie van films, gebaseerd op zijn gedichten, vertoond worden.


    De schaamsoort / Paul Demets / 88 blz. / Poeziecentrum Vzw (2024)

    Foto: Hilde Lauwers

  • Een gesprek over waarheid met Jan Hanlo Essayprijs winnaar Wytske Versteeg

    De Jan Hanlo Essayprijs Groot ging dit jaar naar Waar van Wytske Versteeg. Wel verdiend. Met de zoektocht naar waarheid van een twijfelende schrijver voegt Versteeg echt iets toe aan het literaire landschap. Ik sprak haar op het terras van een café in Delft, waar het luiden van de kerkklokken de geluidsopname af en toe verstoorde.


    Waar
    is begonnen met je proefschrift en de uitspraak dat wetenschap ook maar een mening is. In het boek wordt daarnaast duidelijk dat je het ook vanuit een persoonlijke motivatie hebt geschreven. Kun je wat meer vertellen over wat de waarheid voor jou inhoudt en hoe je je daartoe verhoudt?

    ‘Om maar met een kleine vraag te beginnen! Aan het begin van Waar verwijs ik naar Verdwijnpunt, waarin ik over mijn familie-ervaring schrijf. Ik denk dat ik indringend heb ervaren hoe verschillende verhalen naast elkaar kunnen bestaan. Mensen kunnen een situatie die feitelijk hetzelfde is, toch anders zien. Ik denk dat daar die fascinatie voor waarheid vandaan komt en ook een wantrouwen tegen mensen die zeggen: dit is gewoon zo. Iets waar wetenschappers verbazingwekkend goed in zijn.’

    ‘Ik las laatst een theorie, geen idee of er iets van klopt, dat mensen die veel cognitieve dissonantie ervaren als kind, meer geneigd zijn om schrijver te worden. Omdat je dan een soort oplossing hebt in al die verhalen. Ik kan me voorstellen dat daar iets in zit. Een verhaal is per definitie een benadering van de werkelijkheid. Ik denk dat in al mijn boeken een fascinatie met waarheid zit, zelfs al in Dit is geen dakloze. In dat boek wilde ik voorbij stereotypes kijken, wat denk ik maar deels gelukt is omdat je, zodra je voorbij een stereotype probeert te kijken, dat stereotype toch herhaalt. Ook in De wezenlozen zat de fascinatie met waarheid: verschillende personages hebben in dat boek een ander beeld van dezelfde situatie. Het is belangrijk de beperkingen van onze eigen blik te laten zien.’


    Als het gaat om het vertellen van verhalen: in proza en essay wordt op een andere manier met waarheid omgegaan. Jij schrijft beide. Is er voor jou een verschil in hoe je dat ervaart?

    ‘Dat hangt ervan af welk type essay. Bij Waar heb ik bewust alle bronnen erin gezet, zodat alles wat ik zeg, in elk geval de dingen die over feiten gaan, met bronnen onderbouwd is. Een wat losser essay zit dichter bij proza. Toch is ook proza een waarheid, alleen dan onder denkbeeldige omstandigheden. Je creëert een wereld en daarin kun je fantastische dingen laten gebeuren, maar het moet wel binnen die wereld waar zijn.’


    Je houdt je al jaren bezig met waarheid. Heb je de indruk dat er in die tijd verschuivingen zijn geweest in hoe er met waarheid omgegaan wordt in het publieke debat? Zijn mensen kritischer geworden op leugens, van politici bijvoorbeeld?

    ‘Ik denk dat je meer schaamteloze liegende politici ziet, helaas, en in de tussenliggende jaren is het woord post-truth gemunt, waar je van alles op kunt afdingen. Ik geloof niet per se dat we in een post-truth samenleving leven. Dat zou suggereren dat er een soort gouden tijd was waarin het alleen maar om waarheid ging en, omgekeerd, dat mensen nu helemaal niet meer om waarheid geven. Ik geloof niet dat dat zo is en het onderzoek dat er ligt wijst daar ook niet op.’

    ‘Maar een samenleving wordt wel beïnvloed door wat mensen aan de top doen. Als schaamteloos liegen daar een manier wordt om je waarachtigheid te bewijzen, is dat heel zorgelijk. Waarbij ik wil opmerken dat de voedingsbodem daarvoor eerder is gelegd. Dat zoveel mensen hun toevlucht zoeken bij politici die tegen het systeem schoppen: dat komt doordat het vertrouwen al ondergraven was. Mensen die het zelf makkelijker hebben, zien dat vaak niet.’


    Met het oog op de verkiezingen krijgt waarheid extra gewicht. Denk aan het migratiedebat, bijvoorbeeld, waarin aantoonbare onwaarheden steeds herhaald worden. Het lijkt of we als samenleving, of in ieder geval als individuen, niet weten wat we moeten doen. Wat denk jij dat er moet gebeuren om het tij te keren?

    ‘Een aantal dingen, op verschillende niveaus. Kijk je op politiek niveau, dan is het ingewikkeld dat onze publieke sfeer zich voor een groot deel afspeelt onder de hoede van bedrijven die baat hebben bij emotiekliks. Dat is levensgevaarlijk voor een samenleving.’ 

    ‘Wat je als individu kan doen is lastig, want het voelt alsof het een druppel op een gloeiende plaat. Toch: het contact van mens tot mens. Naar elkaar luisteren, deep canvassing [langs de deuren gaan om ‘moeilijke’ gesprekken te voeren]. Ik denk dat dat belangrijk is. Omdat het ook over eenzaamheid gaat. En angst. Dat is waarmee ik het boek eindig: in je eentje doe je niks en toch maakt het uit wat jij in je eentje doet. Ik geloof in een idee van verandering zoals dat door Rebecca Solnit wordt voorgesteld. We hebben het idee dat verandering radicaal moet zijn en tot stand komt door enkelingen aan de top, maar het is een langzame beweging die ontstaat door kleine handelingen die op zichzelf niks voor elkaar lijken te krijgen. Sinds Waar blijk ik bij panelgesprekken vaak de meest optimistische stem te zijn. Een rare ervaring, want als je de rest van mijn werk leest, is dat voor mij een ongebruikelijke rol. Ik ben niet optimistisch over waar we heen gaan, maar juist omdat die ontwikkeling zo gevaarlijk is, is het des te belangrijker om goed te kijken naar wat er aan de hand is.’


    Een essay over de manier waarop pers omgaat met waarheid en de invloed daarvan op burgers zou interessant zijn geweest. Heb je een dergelijk essay overwogen en waarom wel of juist niet?

    ‘Ik heb het niet bewust overwogen als een apart essay, mede door de manier waarop dit boek tot stand is gekomen. Na mijn proefschrift wilde ik een tijd niets meer doen met het onderwerp waarheid. Mijn hoofd zat ook te vol met academische taal. Een paar jaar later ergerde ik me toch teveel aan wat er in de pers werd gezegd over waarheid, niet in de laatste plaats door wetenschappers. Toen ben ik gaan schrijven. Vanuit twijfel, net zoals wanneer ik een roman zou schrijven, op die manier mijn weg zoekend door het boek. Daarbij heb ik me ver gehouden van actuele onderwerpen, want daarover heeft iedereen al een mening. Als je het over media hebt, haal ik voorbeelden aan over de boekdrukkunst en de radio, die verrassend herkenbaar zijn — in de hoop dat mensen vanuit die historische voorbeelden beter kijken naar wat er nu aan de hand is.’


    Als ik het goed begrijp is de twijfelende schrijver in dit geval het personage wat je door het boek leidt. Kan ik dat zo zien?

    ‘Ja, het is hoe ik het boek geschreven heb. Ik vind dat een interessante manier.’


    Mensen houden er ieder hun eigen waarheid op na en zitten opgesloten in hun gedachten. Is het schrijven van essays een poging om tegen vaste gedachtensporen in te gaan? Of juist om door alle twijfels heen je eigen spoor te vinden?

    ‘Ik denk allebei, maar niet op hetzelfde moment. Alles wat ik schrijf is een onderzoek. Ik schrijf over dingen waar ik niet genoeg van weet. Door te schrijven hoop ik iets uit te vinden. Tegelijkertijd is elk boek ook een manier om naar een stem te zoeken en die heb je als je iets te zeggen hebt. Dus daar zit een soort dubbelheid in.’


    Is het dan zo dat je begint met de eerste zin zonder dat je weet waar je gaat uitkomen?

    ‘Ja, ik begin bij de eerste zin en weet het echt niet. Vroeger gaf mijn agentschap cursussen aan mensen die wilden schrijven. Dan legden ze uit: je moet een idee hebben, een synopsis en een stappenplan. Als ik dan als schrijver werd uitgenodigd om langs te komen, moest ik vertellen dat ik al die dingen niet doe.’ 


    Hoe zorg je dat er structuur in een boek komt?

    ‘Ik schrijf in cirkels. Dat is de enige manier om het te doen en dat kost tijd en moeite. Omdat je er elke keer achter komt dat iets toch anders moet en dan moet je weer terug. Ik zou niet kunnen schrijven vanuit een synopsis en stappenplan, ik vind dat niet interessant en zou niet weten op basis waarvan ik die stappen dan zou zetten.’


    Waar
    is een dapper boek over een groot en ongrijpbaar onderwerp. Je schrijft dat het schrijven lange tijd niet ging zoals je wilde. Je wantrouwde je eigen stem zodra die zelfverzekerd klonk. Hoe ben je daar doorheen gekomen?

    ‘Erdoorheen gekomen is een groot woord.’ 


    Het boek is er!

    ‘Als schrijver blijf ik mijn stem wantrouwen. Soms is dat gevoel zo hevig dat ik niet kan schrijven, soms is het op het niveau dat ik kritisch genoeg ben. Als je je eigen stem niet wantrouwt, is er iets mis. Voor Waar maakte het uit dat ik een hond kreeg, waardoor ik nauwelijks tijd had om te schrijven en mijn gedachten op een ander spoor werden gezet. Het thema waarheid of werkelijkheid werd fysieker toen ik me zo in mijn hond moest inleven dat het was alsof ik in zijn hoofd leefde. Vaak heb je een zetje van buitenaf nodig om in een werkelijkheid te komen die ver van je af ligt. Anders zit je opgesloten in wat je al gelooft.’


    Nu je de Jan Hanlo Essayprijs hebt gewonnen gaan veel meer mensen Waar lezen. Je eindigt met een oproep aan de lezer: het hangt van jou af. Daar zit een tegenstrijdigheid in, want je zegt ook dat je als individu machteloos bent. Wat hoop je dat mensen doen? Ze lezen dit boek, gaan naar buiten en dan?

    ‘Wat ik van mensen hoor is dat het boek ze sterkt in het gevoel dat ze niet alleen zijn met hun twijfel en in het besef dat ze zich niet stil hoeven te houden omdat de mensen die het allemaal zo zeker weten aan het woord zijn. Het maakt mij blij dat Waar mensen die twijfelen helpt om hun twijfel serieus te nemen en het voor hen misschien ook makkelijker maakt die twijfel uit te spreken. Als iedereen die het heeft gelezen iets meer vertraagt en de ruimte neemt om een gesprek aan te knopen met een onbekende: dat is al een effect. Zelfs in deze donkere, extreemrechtse tijd waar we in zitten. Ik denk dat er vaak te gemakkelijk wordt gepraat over mensen die op een rechtse partij stemmen. Dat merk ik bijvoorbeeld op bijeenkomsten met academici, zij praten denigrerend over zulke kiezers. Daarmee verliezen ze een groot deel van de werkelijkheid uit het oog. Ik sprak laatst met een maatschappelijk werker. Die vertelde dat hij eens tegenover iemand zat die continu racistische opmerkingen maakte. Toen keek die man op zijn horloge en zei: nu is het klaar, want ik moet die mevrouw naar het ziekenhuis brengen. In de deuropening stond een mevrouw met een hijab.’


    Dat was natuurlijk de buurvrouw.

    ‘Precies. En als die maatschappelijk werker eerder in het gesprek had gezegd: jij bent een racist en ik praat niet meer met je, dan was dat het einde geweest. Er zijn verschillen in taalgebruik. Binnen de universiteit is iedereen alert op woorden, maar de universiteit is niet inclusief. Terwijl mensen die in taal rechtser klinken vaak een gemengdere groep mensen tegenkomen en met hen samenleven. Het zou goed zijn als ze zich daar in universitaire bubbels bewust van worden, in plaats van mensen af te serveren omdat ze op een andere partij hebben gestemd. Toch is er een spanningsveld. Hoe meer iets wordt herhaald, hoe normaler het wordt. Het is dus goed om streng te zijn op het taalgebruik in de Tweede Kamer.’


    Dus mensen met macht kun je op een andere manier aanpakken dan je buurman die op de pvv gestemd heeft. Dat onderscheid maken mensen niet altijd.

    ‘Omdat het observeren van de ander de makkelijkste manier is om je beter te voelen over jezelf.’


    Een goede laatste zin.

    ‘Bam!’

     

     


     

     

     

     

     

    Foto van de auteur: Eline Spek

     

  • Interview Mohana van den Kroonenberg – Kijken naar waar het schuurt…

    De werkplek van Mohana staat bomvol. Twee boekenwanden jeugdliteratuur, tafels, stoelen, een bank, een groot bureau, een cello en overal planten. Aan de muren hangen boekenposters en ingelijste originelen van illustraties bij haar werk. Verder verpakkingsmateriaal, rollen tape en dozen van Centraal Boekhuis, want deze werkplek is ook het honk van de redactie van Jong Literair Nederland. Hier komen de recensie-exemplaren binnen, en worden ze weer verstuurd.

    […]

    De aanleiding van dit interview is het verschijnen van je nieuwste boek Herrie in huis. Dat is het laatste deel van wat je zelf een persoonlijk drieluik noemt, samen met Dodo en Ik heb mijn zusje kwijtgemaakt.

    Het drieluik waarover we het nu hebben bestaat uit drie persoonlijke boeken. De thema’s komen uit mijn leven maar de boeken zijn allerminst autobiografisch. Om een leesbaar verhaal te maken, met een begin, een midden en een hoopvol eind, wat kinderen naar mijn idee verdienen, zal ik het waargebeurde steeds los moeten laten en het persoonlijke moeten verpakken.

    Lees het hele interview op Jong Literair Nederland.

     

  • Er moet altijd een tweede lijn bij komen

     



    Onlangs verscheen van Vonne van der Meer (1951) de verhalenbundel
    Aan haar lippen, haar vijfde verhalenbundel. Kenmerkend in haar verhalen zijn de alledaagse personages. Ze zouden bij je in de straat kunnen wonen, je komt ze tegen in de supermarkt. Het zijn verhalen die beginnen met een observatie, of iets wat de schrijfster gehoord heeft. Het zit in kleine details, een aanname die het verhaal een verkeerde kant opstuurt, gevolgd door een inzicht, dat alles zich altijd anders ontwikkelt dan gedacht.
    ‘Dat vind ik eigenlijk het interessants. Als ik dat op het spoor kom, schaamte om hoe je je gedragen hebt, oordelen over de ander vanuit een aanname.’, zegt ze daarover.

    Haar  eerste verhaal verscheen in 1985 in Hollands Maandblad. Twee jaar later debuteerde ze met de verhalenbundel Het limonadegevoel en andere verhalen, waarvoor ze de Geertjan Lubberhuizenprijs kreeg. Sinds die tijd publiceerde ze met grote regelmaat meer dan twintig boeken, waaronder romans, verhalen, novellen en essays.  

    Haar verhalen, de wijze waarop ze verteld worden zijn onvergelijkbaar, hoewel ze ergens doen denken aan die van Alice Munro. Qua menselijkheid, het beschrijven van dagelijkse routines, dingen in het gareel houden en die dan onvermijdelijk ontsporen. Al is er bij Van der Meer, meer ruimte voor zachtheid en een zekere vergevingsgezindheid.

    Voor het interview spraken we af bij café De Groote Swaen aan de Prins Hendrikkade in Amsterdam. Een klein en sfeervol café waar Van der Meer regelmatig na de zondagsmis in de St. Nicolaaskathedraal koffie drinkt met medekerkgangers. Een gesprek over de verhalen uit haar laatste bundel. Hoe ze ontstaan, of wanneer er iets begint te ‘ritselen’ zoals de schrijfster het noemt.

     

    In een van de verhalen, ‘Het weekendmeisje’ ontdekt een vrouw dat haar inmiddels overleden man haar twee jaar bedrogen heeft met een andere vrouw. Maar niet op de manier waarop bedrog in een relatie meestal speelt. Waar kwam het idee voor dit verhaal vandaan?

    ‘Midden jaren negentig voerde ik veel gesprekken over het geloof. Mensen vroegen zich met verbazing af hoe ik daartoe kwam (Van der Meer bekeerde zich in 1994 tot het Christendom Iv/dG). Een vriend zei toen tegen me, ‘Ik zou dat ook wel willen onderzoeken. Ik zou ook wel een kerk willen binnengaan en een mis bijwonen, maar daar hoef ik thuis niet mee aan te komen.’ Dat trof me: dat iemand iets belangrijks waar hij oprecht naar nieuwsgierig is niet doet, omdat hij weet dat zijn vrouw het zal afkeuren. Later dacht ik, dat is een mooi personage. Iemand die zijn verlangen naar geloof voor zijn vrouw denkt te moeten verbergen en een andere vrouw tegenkomt met wie hij dan naar de kerk gaat. Met wie hij wél over zijn ervaring kan praten en boeken uitwisselt. Ik stelde me een platonische verhouding voor die heel intens is. Die vrouw, het weekendmeisje, bemiddelt tussen hem en zijn niet uitgekristaliseerde geloof. Dat doet niet onder voor een verliefdheid.’


    De weduwe verbaast zich over de christelijke boeken die haar man ging lezen en waarvan ze beseft dat hij die van een vrouw kreeg. Ze gebruikt die boeken om met haar in contact te komen. 

    ‘Ik moest die twee vrouwen in een ruimte bij elkaar krijgen. En toen kwamen die christelijke boeken erbij. Daar heeft de weduwe niets mee, ze wil er vanaf dus hangt ze in een boekwinkel een briefje op dat de boeken bij haar opgehaald kunnen worden. In de hoop dat die andere vrouw erop ingaat. Nadat het een paar keer misgaat lukt het: de vis bijt. Als schrijver moet je een beetje listig zijn om iets te laten gebeuren.’


    In het verhaal ‘Metamorfose’, komt een jongeman verkleed als vrouw bij een 93-jarige vrouw, die niet door een manlijke thuiszorger geholpen wil worden. Waar begon dit verhaal mee?

    ‘Door iets wat  een oudere vriendin, die er nu niet meer is, me vertelde. Op een dag kwam ik bij haar en zei ze, ‘Nu heb ik een verhaal voor je.’ En dat ging over een nieuwe, als vrouw verklede mannelijke hulp. De vrouw in het verhaal geef ik dan een heel andere achtergrond mee, anders voel ik niet de vrijheid erover te schrijven. Zij kan het nu niet meer lezen dus kan ik met haar verhaal doen wat ik wil. Het was geen groot geheim ofzo, maar het is voor mezelf dat ik er toch een personage van maak. Als ik teveel aan de werkelijkheid blijf plakken gebeurt er niets op papier.’


    Ontstaat een roman ook op deze manier?

    ‘Bij Ik verbind u door, dat gaat over agressie, weet ik het nog goed. Dat ontstond op het moment dat ik in Naarden-Vesting, waar we tweeëndertig jaar gewoond hebben, wilde oversteken toen er een brede en dure auto aankwam. Die auto was al te dicht genaderd om te kunnen oversteken, maar ik deed het toch. Als reactie gaf die man nog wat gas bij. Niet echt gevaarlijk, maar om mij op stang te jagen. Ik was verontwaardigd. Mijn eerste reactie was: ‘die klootzak’ en ‘wat denkt-ie-wel’. Maar toen ik naging waar het begon, lag de agressie toch echt bij mij. Ik accepteerde niet dat die man daar reed. Dat vind ik interessant en daar maak ik dan een aantekening van. Het ging me om dat ene moment: wat gebeurt er nou eigenlijk, hoe kan die agressie zich ontwikkelen. Die kettingreactie hield me zo bezig dat ik drie jaar later een boek begon met een irritatie tussen een man en een vrouw ‘s ochtends in bed. Hij wil vrijen maar zij heeft daar geen zin in en wijst hem af. Hij reageert dat weer af in zijn auto, in het verkeer, en later op een collega en die vernedert op zijn beurt een sollicitant. En het eindigt met een moord.’


    U heeft eens gezegd dat er in elk verhaal iets van uzelf zit.

    ‘Het eerste en laatste verhaal zijn onomwonden autobiografisch, dat zal ik niet ontkennen. Maar ik zit in al die verhalen met dingen die ik ook gedacht heb of had kunnen denken of had willen doen. Ik zie schrijven als toneelspelen, het gaat om je inleven in een scène. Ik moet het me kunnen voorstellen. Als ik dat niet kan, wordt het niet geloofwaardig.’


    Wilt u de lezer ook iets laten zien of ontwikkelt het verhaal zich buiten een plan om. Met de ‘Thuishulp’ gaat het bijvoorbeeld een kant op die je niet verwacht. De oude dame en de thuishulp komen niet tot elkaar.

    ‘Ik had makkelijk kunnen schrijven dat deze vrouw het wel accepteert. Zo van, “Ik laat me wel wassen en aankleden door jou en ik wen er wel aan.” Gelukkig hoeven als vrouw verklede mannen zich niet meer te verbergen. Maar ik denk ook dat je je personages moet laten zien zoals ze zijn. Dat een vrouw die uit zo’n andere tijd komt, alleen maar met vrouwen is opgevoed, op meisjesscholen heeft gezeten, in de oorlog met vrouwen in een kamp zat, dat zij zijn zorg mag afwijzen. Ook als dat misschien naar onze huidige maatstaven kleinzielig is. Een mens kan niet altijd voor iedereen begrip opbrengen. Dat is onwaarachtig.’


    Heeft ieder mens recht heeft op zijn eigen afwijzing?

    ‘Ik begin niet met een statement in mijn achterhoofd te schrijven. Het is, wat ze bij toneel noemen, improviseren. Je zet twee acteurs tegenover elkaar en je bedenkt een spanningsveld. De een wil dit, de ander dat. De een wil graag als vrouw verkleed zijn werk doen. De ander vindt alles best, zolang ze maar niet door een man gewassen wordt. Zo heb je twee krachten tegenover elkaar en waar het uitkomt, dat weet ik nog niet. Het is niet zo, zoals je net aan me vroeg,of ik per se iets wil laten zien. Nee, het gebeurt.’


    En zo’n opmerking van een vriend over het geloof, wordt het verhaal dan meteen opgeschreven?

    ‘Nee, eigenlijk niet. Als er straks op de terugweg naar huis iets zou gebeuren, of jij zegt iets en het begint te ritselen in mijn hoofd, dan zou ik nooit dezelfde week met schrijven beginnen. Het is eigenlijk altijd zo dat er nog een tweede lijn bij moet komen. Arvo Pärt zegt, “Er moeten altijd twee melodielijnen zijn voor een compositie, want met één vleugel kun je niet vliegen.”’


    Er moet een bepaald evenwicht zijn?

    ‘Ja, maar ook een tegenstelling. Als ik die niet heb dan vertel ik na wat er gebeurd is en dat is niet interessant. Het wordt pas interessant als er een tegenstrijdigheid is of sprake is van tegengestelde belangen.


    Het autobiografische verhaal ‘Naar Parijs’, gaat over ouders die een goed huwelijk
    lijken te hebben. Als ze oud en ziek ieder op een andere plek verblijven, dromen ze over de invulling van hun leven als de ander is overleden. De vader wil wel met een academica hertrouwen. De moeder zou een hele sportieve man willen. Of iemand die aan een boek werkt, dat zij hem daarvoor de ruimte geeft omdat ze het zich financieel kan veroorloven. Een dochter reageert daar wat schamper op, meent dat er geen contact gestoorder mens bestaat  dan iemand die aan een boek werkt en dat je ervoor moet waken dat je huisgenoten niet van je vervreemden.

    Heeft u dat zelf zo beleefd als schrijver?

    ‘De dochter in het verhaal overdrijft, maar het is wel zo dat ook ik me afsluit als ik aan een boek werk. Dat je wel reageert op je huisgenoten maar niet echt, omdat je in je hoofd ergens anders zit, ook op momenten dat je niet aan het schrijven bent.’


    In de verantwoording van het boek staat dat u aan bijna alle verhalen die eerder gepubliceerd werden verder gewerkt heeft omdat u nieuwe kanten aan de personages ontdekte.

    ‘Aan een paar verhalen heb ik zeker doorgewerkt. Soms maar twee zinnen. Ik ga niet precies zeggen waar en in welk verhaal (want dan gaan mensen er naar zoeken en zeggen, “Oh, daar heeft ze wat aan veranderd”, maar het is bijna altijd een verdieping of een aanscherping.’ 


    Komen de verhalen na veertig jaar schrijversschap nog steeds even makkelijk?

    ‘Tot nu toe wel. Maar het is niet iets waar je op kunt rekenen. De periode dat ik aan een boek werk, vind ik wel de allerfijnste. De concentratie tijdens het schrijven, hoe de werkelijkheid zich vormt naar het verhaal. Dat je een woord opvangt of leest en het is precies het woord waar je al dagen naar op zoek was. Dat vind ik nog steeds iets magisch.’

     

     

    (Foto auteur: Annaleen Louwes)


     

     

     

     

     

     

     

     

    Aan haar lippen / Vonne van der Meer / AtlasContact

     

     

  • Dat het steeds meer over mezelf zou gaan



    Een gesprek met Obe Alkema naar aanleiding van zijn onlangs verschenen boek
    Bewogen Selfies. Over een verzameling selfies die veel weg hebben van (foto)beelden zoals we de selfie als ‘showing who you are’ kennen, maar dan in tekst. We spreken over een memoir, al kan dat wat pretentieus klinken, en ontbreken de jeugdherinneringen. Waarvan Alkema er volgens eigen zeggen niet veel heeft. Bewogen Selfies vraagt de aandacht en zet alles in beweging. Een reden de schrijver om een interview te vragen.

     

    We spreken af in De Utrechtse Boekenbar aan de Westerkade. Het is een zonnige vrijdagochtend eind februari. Als ik, door treinstoringen te laat, de Boekenbar binnenkom zit  Alkema al rechtsachter aan een tafeltje. Het is er gezellig druk, de zon verlicht de ruimte en door de openstaande deur komen flarden van een gesprek, de roep van een meeuw vanaf de kade naar binnen. We bestellen koffie, en vooruit, nemen er iets lekkers bij.

     

    Schrijver en dichter Obe Alkema (1993) debuteerde in 2018 met de dichtbundel Obelisque, in 2019 genomineerd voor de C. Buddingh’-prijs. Hij studeerde Nederlands in Groningen en begon halverwege zijn studie met het schrijven van poëzie. ‘Best laat eigenlijk.’, zegt hij er zelf over. Over zijn schrijven van toen zegt hij nu: ‘Soms, als ik daaraan terugdenk, vraag ik me af wat ik toen aan het doen was. Het lijkt niet op het werk van nu. Er was toen heel weinig ‘ik’, alles bleef op afstand. Ik schreef heel fragmentarisch en nodeloos ingewikkeld.’ Alkema werkte jarenlang bij uitgeverij Ankh Hermes en sinds vorig jaar werkt hij als informatiespecialist bij de gemeente Utrecht.

     

    Bewogen Selfies is een boek dat niet in een hokje te vangen is. Het bestaat uit verschillende tekstdocumenten, scroll sessies, dagboek delen. Ook te lezen als confrontaties van de schrijver met zichzelf. Maar het boeit mateloos, om het anders zijn en de veelheid informatie die het prijsgeeft. Geen eenduidig verhaal, toch is dit het verhaal van een ontdekkingstocht. 


    Hoe is het ontstaan en hoe lang heb je eraan gewerkt? 

    ‘Vooraf wist ik nog niet wat het moest worden. Het is telkens van vorm veranderd. Eerst dacht ik aan een essaybundel. Ik had veel literatuurstudie gedaan, veel gelezen en geschreven over schrijvers, stukken die ik daarvoor wilde gebruiken. Maar die gedachte liet ik steeds meer los. Niet alles waar ik over wilde schrijven, had een verwijzing of een onderbouwing nodig. Ik heb er uiteindelijk  viereneenhalf jaar aan gewerkt. Ik zag toen wel dat dit boek steeds meer over mezelf zou gaan.’


    Met een selfie geef je jezelf bloot aan anderen. In deze memoir worden de selfies steeds gewaagder, intiemer ook als het over je seksleven gaat. Waarom wilde je deze teksten vrijgeven?

    ‘Bij sommige teksten heb ik me wel afgevraagd of het niet te veel was. Dat is ook waarom het boek zolang geduurd heeft, dat het maar niet afkwam. Omdat ik al vroeg wist dat er ook een stuk over mijn seksleven in moest, maar niet wist hoe. Wat hielp is dat literaire tijdschriften me soms om een bijdrage vroegen. In nY verscheen het stuk over mijn seksleven. Die publicaties waren een soort aanloop naar het boek. Wat me ook hielp, was de input van anderen, zoals van de redacties van literaire tijdschriften. Dat had ik nodig om verder te gaan.’


    Alkema voegt zich onder de ‘New Narrative Writers’, een stroming die eind jaren zeventig ontstond en geïnitieerd werd door de Amerikaanse dichters Robert Glück en Bruce Boone. Alkema memoreert aan de kleine hype die tien jaar geleden ontstond rond de debuutroman
    I love Dick van de Amerikaanse schrijfster Chris Kraus die wel met New Narrative geassocieerd wordt. Een feministische Cultklassieker. Vandaaruit las hij zich verder de ‘New Narrative’ stroming in. 

    ‘In 2016 ontmoette ik Robert Glück toen hij naar Amsterdam kwam. We hebben samen opgetreden in Perdu. Zo ontstond er een persoonlijker contact. Glück publiceerde dat jaar ook een essaybundel Communal Nude waarin veel staat over de ‘New Narrative’ groep en andere vertegenwoordigers van deze stroming. Zo opende zich een soort van bibliotheek van schrijvers voor mij.’


    Hoe heb je al die teksten die je in de afgelopen vierenhalf jaar geschreven hebt, de gegevens die je verzameld hebt, een plek gegeven in het boek?

    ‘Het boek is samengesteld uit een derde van het materiaal dat ik had. Heel veel heeft het niet gehaald. De lijst van headlines bijvoorbeeld was eerst geclusterd. In de eindredactie ontstond het idee om van de compositie van het boek ook een bewogen selfie te maken. Door de scroll sessies niet te clusteren maar juist af te wisselen, verdeeld door het boek. Door stukken een andere plaats te geven in het boek kwam ik er ook achter dat er hier en daar nog meer geschaafd en geschrapt kon worden.’


    Wat heb je met de overgebleven tekst gedaan?

    ‘Misschien komt er nog eens een soort B-side van de dingen die het boek niet gehaald hebben. Ik had bijvoorbeeld ook werkplannen voor subsidie aanvragen, residentieplekken erin opgenomen met het oog op de toezeggingen of afwijzingen. Als een soort van context van de ontstaansgeschiedenis van het boek. Die zijn er wel uitgebleven.’


    Je klinkt als een verzamelaar van teksten, verwijzingen en gevonden gegevens, maar ook als een schrijver die zichzelf steeds weer opnieuw onder ogen wil komen. Waar haalde je die scroll gegevens vandaan?

    ‘Die heb ik ooit verzameld toen ik jaren geleden van Facebook afging. Jarenlang heb ik daar op een knop van ‘Bewaren voor later’ gedrukt. Als ik iets tegenkwam wat ik interessant vond, maar niet direct tijd had om te lezen, bewaarde ik het voor later. Maar uiteindelijk doe je daar niks mee. Toch wilde ik die gegevens niet kwijt toen ik met Facebook stopte. Dus heb ik al die linkjes gekopieerd en in excel opgeslagen. Vervolgens heb ik er jaren niks mee gedaan, tot ik op een gegeven moment dacht, hier ga ik toch iets mee doen.’

    ‘Eerst waren het de links, toen dacht ik aan de headlines die aan die linkjes vasthangen. Zo werden ze allemaal geopend en werd het een tijdsbeeld van 2015/’16/’17. Daar zat een vrij sterk beeld van Metoo in bijvoorbeeld. Ik vond het interessant te zien hoe er in zo’n korte tijd, zoveel veranderd is.’

    ‘Daarom vond ik het belangrijk en passend, ook al was het niet dezelfde periode waarin ik aan dit boek werkte, het toch te gebruiken. Als een soort tijdsprong. Net als met mijn oude gedichten, daar kan ik op een gegeven moment ook iets mee.’


    Alles wat je hebt vastgelegd en is opgenomen in dit boek heeft een bepaalde urgentie van ik moet/wil hier iets mee. Hoe werkt die drang om te noteren in het dagelijkse leven?

    ‘Ik ben constant dingen aan het opschrijven, zeker nu ik in de ambtelijke wereld werk. Die ambtelijke terminologie vind ik heerlijk. Die zal ik zeker in een volgende dichtbundel gebruiken. Er is altijd een tweede spoor dat bij mij open staat. Ik sta altijd aan voor woorden, teksten.’ 


    Er is een memoir over de Amerikaanse auteur Kevin Killian, ‘Mijn Kevin, ons Parijs’, in het boek opgenomen. Een zeer persoonlijk document, waaruit grote bewondering voor deze auteur spreekt en gaat over de verwerking van diens dood, waarin Alkema zichzelf ‘een gênante nabestaande.’ noemt.
    ‘Kevin was als New Narrative writer voor mij een soort mentor. We hebben elkaar een paar keer ontmoet’ 


    Er staat een stuk in het boek waarin je schrijft over je opname op een psychiatrische afdeling. In een recensie voor het NRC van de bundel Is daar iemand van Micha Hamel (over zijn opname), liet je al eens terloops weten dat je zelf ook opgenomen bent geweest. Je bent daar vrij open over.

    ‘Vanaf dag één van mijn opname heb ik alles vastgelegd in een dagboek. Wetend dat ik hier iets mee wilde. Ik wilde begrijpen hoe angst werkt, hoe schaamte werkt, dat wilde ik doorgronden. Toch vond ik het spannend dit openbaar te maken.
    Wat ik ook heb opgenomen is een deel van de rapportage over mijn gedrag. Therapeuten moesten alles rapporteren en als patiënt had je het recht die rapportage in te zien. Dat bewerkstelligde wel dat patiënten zich gingen gedragen zoals gewenst was. Daardoor gingen ze zich bij een sessie zelf censureren. Voor mezelf had ik besloten die rapportage pas achteraf te lezen. Want ik heb ook sterk die neiging, uit angst om wat ze over me zouden kunnen zeggen. Ik kreeg het advies om me als een puber te gaan gedragen, onredelijk, als een etterbak. Dus het was echt muurtjes afbreken, sociale barrières overwinnen.’ 


    Zou je kunnen zeggen dat je je angsten en schaamte in de bek gekeken hebt?

    ‘Jazeker. Na de opname die ik beschrijf, is er nog een vervolgtraject geweest van acht maanden. Elke woensdag de hele dag therapie en dan de andere dagen om te oefenen, het zelf te proberen. Het gaat nu goed, angst en schaamte zijn flink afgenomen. Soms denk ik, ben ik dat? Natuurlijk zijn er mindere dagen, zoals iedereen die wel heeft.’


    Heb je veel gelezen in die periode?

    ‘Tijdens de opname vond ik het fijn om me terug te trekken om te lezen. Ik ontdekte veel vrouwen die over gekte hebben geschreven. Virginia Woolf, Astrid Roemer, Sylvia Plath, The Bell Jar. Lezen was een manier om mezelf te spiegelen. Uit The Bell Jar, over iemand die is opgenomen, is ook een citaat in het boek terechtgekomen.’


    Wat komt er na dit boek?

    ‘Ik heb het plan om elke tien jaar zo’n boek uit te brengen. En dan is er nog mijn dichtwerk, waar ik alweer mee bezig ben.’

     

     

    Auteursfoto: Jared Meijer


     

     

     

     

     

     

     

    Bewogen Selfies / Obe Alkema / 256 blz. / Het Balanseer

     

     

     

  • Literair Nederland duikt met Thomas Heerma van Voss Het archief in

    Op zaterdag 30 november kwamen recensenten en redactieleden van Literair Nederland en Jong Literair Nederland samen in antiquariaat Hinderickx & Winderickx in Utrecht voor de jaarlijkse borrel. Ook Thomas Heerma van Voss was erbij. Hij kwam praten over zijn roman, Het archief. In 2009 debuteerde Heerma van Voss met de roman De allestafel. Sindsdien schreef hij essays, korte verhalen en drie romans, waarvan de laatste, Het archief, deels is gebaseerd op zijn ervaringen bij literair tijdschrift De Revisor. Als nieuwste redactielid van Literair Nederland ging ik met hem in gesprek. Over redactie voeren, het belang van literaire tijdschriften en goed kunnen kijken naar kleine dingen.

     

    Het archief gaat over Pierre, die als ‘veelbelovend jong redactielid’ plaatsneemt in de redactie van literair tijdschrift Arabesk. Wat is hij voor iemand? 

    ‘Pierre is iemand die zich in de luwte wil bekommeren om wat anderen ontgaat. Hij is beschouwend, vaak meer analytisch dan deelnemend en heeft een groot hart voor de literaire zaak, zonder dat hij precies weet wat hij daarmee moet, kan of wil. Als hij gevraagd wordt om bij de redactie te komen zegt hij al snel ja.’


    Wat is Arabesk voor tijdschrift, hoe staat het blad ervoor?

    Arabesk is verwant met literair tijdschrift De Revisor, waar ik vanaf 2015 of was het 2014, zeven jaren in de redactie heb gezeten. Wat daar ingewikkeld was, en dat merkt Pierre ook bij Arabesk, is dat er voortdurend verwezen werd naar het roemruchte verleden, soms expliciet, soms impliciet. En de situatie is in het heden natuurlijk heel anders dan vroeger. Inmiddels heeft Arabesk meer inzendingen dan abonnees.’ 


    En is er een uitgeverij die de gang van zaken bekritiseert.

    ‘De uitgeverij die Arabesk uitgeeft, zegt tegen Pierre en de drie andere redacteuren: probeer te verjongen. Er worden initiatieven geopperd om het blad online zichtbaarder te maken. Met een zogeheten ‘diversiteitssubsidie’wordt er een externe redacteur met een multiculturele achtergrond ingeschakeld om de boel op te schudden. Dat is nodig en belangrijk, het blad is te traditioneel, te stoffig en te wit, maar het is tegelijkertijd ook een potsierlijke vertoning: ze betalen iemand om hardop te zeggen wat ze zelf al weten. Daarnaast leveren de beginnende vertalers en dichters die deze externe Arabesk-redacteur aandraagt matige stukken in. De redactieleden worstelen met de vraag of ze die moeten plaatsen. Aan goede intenties en welwillendheid is er bij Arabesk geen gebrek, alleen wordt de vraag steeds groter hoe de redactie het moet aanpakken, wat zin heeft en of het blad wel per se in stand gehouden moet worden.’


    Misschien is het probleem ook dat veel mensen geen weet hebben van het bestaan van literaire tijdschriften.

    ‘Mijn boek is een paar maanden geleden verschenen. Ervoor had ik met een PR-medewerker van uitgeverij DasMag een overleg. Hij zei: leg in elk interview opnieuw uit wat een literair blad is, want niemand weet dat nog. Dus hoorde ik mezelf in de radiogesprekken die ik had steeds zeggen: een literair tijdschrift bestaat uit literaire verhalen, essays en gedichten, het heeft vaak een kleine oplage maar dient wel als kweekvijver, enzovoorts.’ 


    Het eerste hoofdstuk gaat over Pierre en zijn vader, die een enorm archief bijhoudt. Wat is Pierres vader voor een man?

    ‘Hij is zo iemand die, zonder veel te zeggen, heel aanwezig kan zijn. Hij heeft zich verschanst in zijn kamer met allemaal papieren, allemaal oude tijdschriften. Hij was ooit ook redacteur en journalist en hij hecht eraan dingen te bewaren, te begrijpen waar iets vandaan komt.’


    Hoe is Pierre door hem beïnvloed?

    ‘Ik denk dat verlangens vaak halfbewust tot stand komen. Dus er zitten geen expliciete passages in het boek waarin Pierre denkt: “Ik zit bij dit blad omdat mijn vader dit interessant vindt.” Maar dat idee spreekt wel uit alles wat hij doet. Zijn vader is heel prominent aanwezig. Voor ik aan Het archief begon, was ik al bezig met een tekst over een blad waarvan ik niet wist hoe het verder moest gaan, wat het moest worden. Pas vanaf het moment dat ik dacht: “O wacht, er moet een vader in en ik weet hoe het met die vader moet aflopen”, werd het een roman.’

    Pierres vader wordt erg ziek. Pierre kan daar niets aan veranderen, een parallel met de teloorgang van het tijdschrift. Hij staat erbij en kijkt ernaar. Hoe vond je het om Pierre te schrijven?


    ‘Ik houd van boeken waarin de zwaarte de lichtheid versterkt en andersom. En ik houd van een hoofdpersoon die goed om zich heen kijkt. Ik denk dat Pierre die blik ook deelt met zijn vader: goed kijken naar kleine dingen. Het boek gaat over verschillende manieren om je te verhouden tot iets dat aan het verdwijnen is. Pierre probeert alles te doen wat hij kan, maar ja, wat kan je doen als een naaste heel ziek is? Je kan het niet verbeteren, je kan er wel zijn.’


    Pierres moeder neemt in het boek weinig ruimte in. Toch heeft ze een fascinerende relatie met Pierres vader.

    ‘Pierres ouders zijn al heel lang samen. Hun huwelijk uitpluizen is niet waar zijn blik op was gericht, dus dat zit relatief weinig in het boek. Zijn moeder heeft nooit precies begrepen hoe haar man in elkaar zit. Of ze heeft nooit de goede toon gevonden. Ze hebben allebei een andere manier van leven. Als het einde dan ineens zo concreet opdoemt, is daar geen ontkomen meer aan. De een wil antwoorden, de ander wil niets zeggen.’ 


    En hoe zit het met de relatie tussen Pierre en Lucie, zijn vriendin.

    ‘Lucie is er door het hele boek heen. Een van de moeilijkheden, dat is meer technisch, met het schrijven van Het archief was dat er in de redactietijd een spanningsboog moest zitten. Die periode duurt vier, vijf jaar. Dus ik moest suggereren dat er jarenlang leven is buiten het blad, zonder dat het daar te veel over gaat. Ik wilde daarbij per se een goede relatie, omdat het te voorspelbaar is als Pierres redacteurschap negatieve invloed heeft op zijn relatie met Lucie. Ze is iemand op wie hij kan leunen, een soort baken.’


    Er is een gedrukte editie van Arabesk met bijdragen van een aantal schrijvers die we kennen uit Het archief, waaronder Pierre. De echte schrijvers ervan staan achterin vermeld. Heb jezelf de redactie ervan gedaan? 

    ‘Ja, dat was heel leuk om te doen. In Het archief beschrijf ik allerlei teksten uit Arabesk, maar ik kon natuurlijk amper uit het blad citeren, dan zou je een onevenwichtig boek krijgen. Toen mijn roman af was maar het nog maanden zou duren voor hij verscheen, heb ik de uitgeverij gevraagd of we niet, ter promotie, eenmalig een uitgave van Arabesk konden maken. Ik dacht dat ze zouden zeggen: “Nee, dat wordt te duur, te veel gedoe”, maar ze zeiden dat het prima was als ik het zelf regelde. Dus heb ik een overzicht gemaakt van alle verwijzingen in de roman naar Arabesk en ben ik schrijvers gaan vragen. Wat me in positieve zin verraste, was dat iedereen die ik hiervoor vroeg het leuk vond om onder zo’n Arabesk-pseudoniem te schrijven. De schrijvers konden zich uitleven. Het werd een rollenspel op papier.’


    Hoe reageerden redactieleden van andere literaire tijdschriften. Zijn ze blij met de aandacht?

    ‘Het is  niet zo dat alle redacties hebben gereageerd. Wel heb ik van meerdere mensen gehoord dat ze na het lezen een abonnement gingen nemen op een literair blad. Dat was natuurlijk niet een doel op zich van mijn boek, wel is het een fijne bijvangst.’

     

     

    Op de foto: Thomas Heerma van Voss en Juno Blaauw
    (Foto: Carolien Lohmeijer)


     

     

     

     

     

     

    Het archief / Thomas Heerma van Voss / uitgeverij DasMag / 274 blz.

     

     

     

  • Gesprek met promovenda Young Adultliteratuur Linda Ackermans

     

    Hoe Young Adultliteratuur volwassen wordt en waarom dat belangrijk is

    Er is de laatste decennia een enorm aanbod aan kinder-, jeugd- en adolescentenboeken op de markt gekomen. Sinds 2009 is daar de specifieke categorie ‘Young Adultboeken’ voor oudere tieners bij gekomen. Deze categorie vindt z’n 15+ -lezers onder andere via de sociale media en lijkt steeds meer terrein te winnen bij uitgevers en in boekwinkels en bibliotheken. Neerlandica Linda Ackermans doet onderzoek naar de status en positie van Young Adultliteratuur in Nederland en is pleitbezorger van het inzetten van deze literatuur in de bovenbouw van de havo en het vwo. Jong Literair Nederland sprak met haar in Nijmegen.

    […]

    Lees het interview op Jong Literair Nederland

     

    (foto: © Lieke Vroomen)

     

     

  • Schrijven is iets in de wereld zetten

     



    Met een beurs van het Letterenfonds werkte Julien Ignacio aan een sci fi-roman, toen zich ineens een heel ander boek aandiende. Een boek dat werd aangezwengeld door woede, maar met empathie werd geschreven.


    Julien Ignacio (1969) studeerde Literatuurwetenschappen. Hij publiceerde theaterteksten – waaronder Hotel Atlantis, waarvoor hij in 2008 de El Hizjra Literatuurprijs ontving – en was redacteur van literair tijdschrift Tirade. Zijn romandebuut Kus (2018) werd genomineerd voor De Bronzen Uil, en samen met Raoul de Jong en Michiel van Kempen maakte hij de bloemlezing Caraïbische literatuur, Dat wij samen zongen (2022).

    Vorig jaar verscheen zijn roman in zes verhalen, Goudjakhals bij Van Oorschot. Een indrukwekkende en persoonlijke roman waaruit vele stemmen klinken, alsof je – zoals de schrijver zelf zegt – aan de knop van een radio draait en steeds weer een andere stem, een ander geluid te horen krijgt. Voor dit interview spraken we elkaar in de tweede week van december in Grand Café 1e klas, Amsterdam Centraal.

    Met bewondering voor de verschillende stijlvormen waarin de migrantenverhalen in Goudjakhals verteld worden – de ongedocumenteerde migrant; de vluchteling in asielhechtenis; de zwarte jonge vrouw uit de zeventiende eeuw; de dissocierende migrant; een brief aan Gerard Reve; de grootmoeder op Aruba –  komen tijdens het lezen de woorden ontheemding en ontmenselijking naar boven. ‘Het heeft heel erg met identiteit te maken’, zegt Ignacio. ‘Als vluchteling je identiteit is, kan het gevoel ontstaan dat je een onmenselijk bestaan leidt.’


    Is dat wat je wilde laten zien, het onmenselijke bestaan? 

    ‘Ik wilde juist hun persoonlijke, menselijke kant laten zien. In het verhaal ‘Radio Gaga’, bij Ma Mercedes die een rumshop runt, wilde ik laten zien dat zij, ondanks dat haar leven in dienst staat van anderen en ondanks haar oudere leeftijd, ook een vrije en sensuele kant heeft.’

    Aan het werk van de Portugese kunstenares Paula Rego ontleende Ignacio het beeld dat hij van Ma Mercedes beschrijft bij het graf van haar man. Zich onbespied wanend zit ze wijdbeens op een klapstoeltje, schort haar rok op en laat de passaatwind de rimpels op haar dijen strelen. Wie de schilderijen van Rego kent, ziet het beeld voor zich.


    Het verhaal over Ma Mercedes is het meest autobiografische. Maar ook ‘Nader tot jou’, de brief aan Reve is een sterk autobiografisch document.

    ‘Ma Mercedes gaat over mijn oma. Een aantal jaren terug heb ik een half jaar bij haar op Aruba gewoond. Ik wilde haar beter leren kennen. Mijn vader is als oudste van zestien kinderen naar Nederland gekomen met een studiebeurs van de Arubaanse regering. Hij ontmoette hier mijn moeder en is gebleven. Zijn moeder heeft hem eigenlijk nooit vergeven dat hij 7000 km verderop een gezin stichtte. Dat is mijn persoonlijke familieverhaal, dat zit er ook wel in. Ik weet dat mijn vader, elke keer als hij met zijn moeder belde, voelde dat zij hem daarom veroordeelde. Ze vroeg altijd: “Wanneer kom je terug?”’


    Bij de publicatie van
    Goudjakhals liet Ignacio in een bericht op Facebook weten dat hij drie jaar aan het boek had gewerkt. Dat hij eerst aan een ander boek werkte. Toen kwam de dood van de Afro-Amerikaanse George Floyd in Minneapolis, omgekomen door politiegeweld, in het nieuws. Alsof er een nieuw bewustzijn ontstond, over zijn eigen achtergrond, het slavernijverleden.
    ‘Ik had een plan voor een sci fi- ingediend bij het Letterenfonds en dat was goedgekeurd. Daar was ik mee aan het schrijven toen Floyd werd vermoord. Toen kwam er voor mij opeens een heleboel bij elkaar.’

    Juist toen was hij ook Nader tot U van Reve aan het herlezen. De uitspraak van Reve dat zwarten ‘erfelijk minder begaafd’ zijn dan blanken, schoot hem opeens in het verkeerde keelgat.
    ‘Wat er met Floyd gebeurde raakte mij zo diep, dat wat ik in die brief aan Reve schreef, (waarin het briefschrijvende personage zich met glasscherven verwondt), ook echt gebeurd is.’
    Hij benadrukt dat veel van wat Reve geschreven heeft, ironisch bedoeld is, dat hij als een soort ‘relnicht’ kon losgaan.
    ‘Daar kon ik me altijd wel wat bij voorstellen, maar op dat moment dacht ik: “Wacht eens even. Dit kan niet.” Ik wilde hem daarop aanspreken, maar hoe. Toen ben ik die brief gaan schrijven waarin ik mijn woede een plek heb gegeven.’ 

    Als docent Nederlands als Tweede Taal werkt Ignacio bijna twintig jaar met expats, vluchtelingen en ongedocumenteerde mensen. Dat begon ooit met een berichtje in de krant dat er in Osdorp vluchtelingen zonder papieren werden opgevangen. Zijn reactie daarop was een grote pan soep te maken en daarmee naar Osdorp te gaan.
    ‘Het houdt me al langer bezig hoe het is om buiten de marges van deze maatschappij te leven. Dat je niet meer bestaat voor instanties.’

    In het openingsverhaal ‘GPS’, zoekt een AI (artificial intelligence) contact met een Iraanse vluchteling op een Grieks eiland. In die vluchteling wordt al gauw de Koerdische schrijver Behrouz Boochani herkend. Op een mobieltje schreef hij over de wantoestanden op het eiland Manu, en stuurde dat de wereld in.
    ‘Nog voor zijn boek (Alleen de bergen zijn mijn vrienden Iv/dG) verscheen, volgde ik hem op social media waar hij berichten plaatste over zijn verblijf op het eiland.’
    Zijn verhaal inspireerde om een satelliet-AI als personage te gebruiken. Een stuk techniek met menselijke trekken. Het oordeelt over wat het ziet, zoals de aangespoelde peuter in korte blauwe broek en rood truitje, op een strand in Europa. Ook dit beeld zal de lezer herkennen. De satelliet kan dit beeld niet verwerken, zijn binaire codering raakte erdoor ontregeld. 


    Het zijn indringende verhalen, soms is het hartverscheurend te lezen wat deze personages, ontleend aan de werkelijkheid, meemaken. Hoe was dit voor jou tijdens het schrijven?

    ‘Als ik schrijf neem ik afstand, het is belangrijk om mijn emoties er niet in te leggen. Ik ga graag naar de Meesterpianistenserie in het Concertgebouw. Er zijn pianisten die bij vervoerende stukken hun emoties laten zien door wild achter hun instrument te bewegen. Ik houd van pianisten zoals Krystian Zimerman die uiterlijk rustig blijven, maar de emoties in hun spel stoppen. Het is natuurlijk verschrikkelijk wat deze mensen meemaken. Ik heb daar wel last van, maar niet als ik schrijf.’ 


    Je oordeelt niet in je verhalen, niet over Reve, niet over de bewakers op het asieleiland die een vluchteling onbarmhartig straffen.

    ‘Ik vind niet dat Gerard Reve om zijn teksten afgebrand zou moeten worden. Of dat de bewakers in dat kamp als klootzakken moeten worden neergezet. Ieder heeft zijn rol.’


    In een van de verhalen gijzelt een Palestijnse taxichauffeur een telg uit een machtige politieke familie. Hij vergrendelt de portieren, rijdt met hem rond en vertelt over de situatie van de Palestijnen. Het gaat hem om een handtekening waarmee zijn jongere broer in Nederland zou kunnen studeren.

    ‘Die taxichauffeur staat met zijn rug tegen de muur. Dat maakt deze man gevaarlijk, maar hij is ook heel liefdevol, hij doet het voor een ander. Dat vond ik wel belangrijk om te laten zien, dat gelaagde karakter.’


    Je beoefent verschillende stijlvormen, je hebt er ook een podcast in verwerkt. Waar kwam dat idee vandaan?

    ‘Een paar jaar geleden reed ik met vrienden naar Frankrijk waar zij een B&B hebben. De reis duurde zeven uur en al die tijd luisterden we naar de podcast, ‘S-town’, zes afleveringen lang hebben we doodstil naar die podcast geluisterd. Ongelofelijk goed verteld, echt een literaire podcast, en ik dacht, dit ga ik doen. Een verhaal in podcastvorm.’

    Het verhaal ‘Het silvere koord’ speelt in de zeventiende eeuw en gaat over een jonge, zwarte prostituee, Zwarte Sjaan. Een geweldig mooi karakter, kind van een Hollandse kapitein en een tot slaafgemaakte vrouw. Wanneer Peter de Grote Amsterdam bezoekt, worden er ter vertier twee mensen uit de rosse buurt verhangen. Zwarte Sjaan is een van hen. Vanaf het moment dat ze aan de galg op het galgenveld aan de overkant van het IJ hangt, vertelt ze over haar leven, in plat Amsterdams.

    Heeft Zwarte Sjaan echt bestaan?

    ‘Ha,ha’, lacht Ignacio, ‘Dat is helemaal mijn meissie. Dat Peter de Grote in die tijd in Amsterdam was en dat van die galgenvelden klopt allemaal, maar het verhaal van deze zwarte vrouw in Amsterdam heb ik verzonnen. Met de geschiedenis van Zwarte Sjaan wilde ik laten zien dat Amsterdam altijd al een migrantenstad was. De stad is groot geworden door migranten, ook uit Europa. Ik was me er wel van bewust, dat als ik het in plat Amsterdams schrijf, er het risico bestond dat het moeilijker te lezen zou zijn. Maar dat durfde ik wel aan. En als ik ergens humor in heb gestopt is het wel in dit verhaal.’


    Hoe kwam je bij het beeld van de goudjakhals?

    ‘Goudjakhals is de geuzennaam voor migranten die niet meer kunnen leven op de plek waar ze vandaan komen. Op internet kwam ik een bericht tegen dat goudjakhalzen verdreven van hun leefgebied, op zoek zijn gegaan naar nieuw leefgebied. Daardoor komen ze nu ook in Nederland voor. Net zoals de mens op zoek gaat naar een plek waar hij kan leven. Dat beeld van die goudjakhals was belangrijk om te gebruiken.’


    Dit boek ontstond door de moord op George Floyd. Waarom is hij niet in het boek terechtgekomen?

     ‘Als het erin was gekomen, dan misschien in die brief aan Reve. Maar ik vond het op dat moment zoiets groots, dat paste niet in dit boek. Misschien dat het ooit nog eens in een ander boek zou kunnen. Het was toch Reve die zei: “De realiteit is geen excuus?” En daar ben ik het mee eens.’

    Met het laatste verhaal, over Ma Mercedes, een prachtige vrouw die bewondering oproept, kantelt er iets waardoor het hele boek iets caleidoscopisch krijgt. Alsof we alle hoeken van het migrantenleven hebben gezien. Opvallend is dat ze altijd een klein transistorradiootje bij zich heeft, haar lijntje met de wereld.

    ‘Ja, dat is mooi. Dat je door aan de knop van een radio te draaien steeds weer een andere stem hoort, dat beeld had ik wel bij het schrijven. Dit boek is woord voor woord, verhaal voor verhaal ontstaan. De volgorde van de verhalen kwam pas later, we hebben er veel mee geschoven. Mijn redacteur, Menno Hartman, geeft les aan studenten Nederlands aan de UVA, onderdeel redactie. Hij heeft ze erbij betrokken door dit boek als een soort casus te gebruiken. Twintig studenten hebben tips gegeven voor de volgorde van de verhalen, uiteindelijk is het dit geworden.’ 


    Wat heeft dit boek je gebracht?

    ‘Ik ben politiek bewuster geworden dan ik al was voor ik aan dit boek begon. Deze tijd vraagt om politiek bewustzijn.’

     

     

    Foto: Hanh Nguyen


     

     

     

     

     

     

     

     

    Goudjakhals, Songs of freedom / Julien Ignacio / 288 blz. / Van Oorschot

     

     

  • Liefde voor ingekleurde non-fictie

     

    Marjet Maks, schrijfster en recensent bij Literair Nederland en Jong Literair Nederland, vertrok in 2000 met haar partner vanuit Nederland naar Andalusië. Eerst gingen ze er met vakantie, werden verliefd op een oud dorpshuis met tuin, waarna de keuze snel was gemaakt. Ze gingen wonen in een authentiek bergdorp in de Sierra Nevada en begonnen er een bed & breakfast. Daarmee liet Marjet haar Utrechtse Tuinatelier achter zich en begon ze met een nieuwe creatieve uitdaging: koken en de aanleg van een mediterrane tuin. Tekenen en schilderen waren al geliefde bezigheden en in Andalusië kwam er tijd voor schrijven bij. Haar laatste boek, Kimonomeisje, gaat over de schilder George Hendrik Breitner en zijn muze, Geesje Kwak, het model op de schilderijen ‘Vrouw in kimono’.

    We spreken elkaar via een videoverbinding, want voorlopig is Marjet niet in Nederland. Bij haar is het zonnig, droog en warm. ‘We hadden een zomerse kerst, zoals steeds vaker,’ vertelt ze. ‘We wonen hier nu drieëntwintig jaar, hebben nooit spijt gehad. Het dorp hebben we behoorlijk zien veranderen, van authentiek ruraal Spanje met oude mannetjes en hun ezels met traditionele landbouwmethodes naar Europees hedendaags en modern leven. Door de klimaatverandering wordt het steeds droger en warmer, dat is wel zorgelijk, maar het is interessant om die verandering van oude naar nieuwe tijd mee te maken. Ik heb er columns over geschreven voor het tijdschrift Vruchtbare Aarde, die zijn gebundeld in twee boekjes. Het dorp raakt ontvolkt, de herder met zijn schaapskudde is verdwenen. Er wonen steeds minder mensen, de jongeren trekken weg want er is hier onvoldoende werk. De bar is dicht en de winkel is nu in het nieuwe jaar ook gesloten. Sinds de pandemie staat onze bed & breakfast op een laag pitje, en dat vinden we wel even rustig na twintig jaar veel gasten over de vloer gehad te hebben.’

    Marjet en haar man zijn beiden creatief, daarnaast vragen huis en tuin en hun drie honden ook aandacht. Marjet is actief met schrijven en mixed media – ze maakt collages en kunstzinnige boekjes met zelf bedrukt textiel en papier die ze verfraait met een vorm van vrij borduren.

    Je schrijft behalve blogs en korte verhalen vooral historische romans. Wat trekt je daarin aan?

    ‘Dat is gekomen door mijn eerste boek De zucht van de Moor, een verhaal met een stuk Spaanse geschiedenis dat zich onder andere hier in deze vallei afspeelt. Bij uitgeverij Historische Verhalen verschenen ook drie korte verhalen van mij, ik vind de kapstok van historische feiten ingevuld met fictie leuk en leerzaam.

    Maar mijn liefde voor de historische roman is vooral voortgekomen uit de familiegeschiedenis van mijn voorouders van vaders zijde. In 2014 publiceerde ik Voor onze tijd, kroniek van een Amsterdamse familie. De naam Maks stamt af van een Hollandgänger uit Duitsland die in 1740 in Amsterdam neerstreek als bakker. Zijn zoon werd tapper. Dat kwam vaker voor, bakkers en tappers gebruikten hetzelfde graan voor hun producten, brood en bier. Vervolgens heb ik me verdiept in alle beroepen die voorkwamen in mijn familie, naast bakker, tapper/kroegbaas, ook aannemers en tabakshandelaren. Die beroepen beschreef ik tegen de achtergrond van de geschiedenis van Amsterdam. Machtig interessant. Ik ben er zo’n vijf jaar mee bezig geweest. Mijn overgrootvader was aannemer en heeft onder andere de fundamenten van het Rijksmuseum gebouwd. Dat en de anekdotes die in de familie rond gingen werden de aanleiding voor het verhaal. Het speelt van 1780 tot 1926. De historische achtergrond berust zoveel mogelijk op feiten, maar hoe mijn voor- en grootouders met elkaar leefden en wat ze zeiden vulde ik zelf in. De genealogische en andere research ging vooral via internet. Hoe men bijvoorbeeld omging met cholera, dat is er allemaal te vinden. De verhalen hebben zeker een waarheidsgehalte, ik noem het ingekleurde non-fictie.’

     

    Lees je wel fictie? 

    ‘Zeker, vooral Nederlandse en Engelstalige literatuur, onder meer wat ik voor Literair Nederland lees, inclusief de kinderboeken, om te recenseren. Het is boeiend om zoveel verschillende boeken te lezen, die ik zelf in eerste instantie niet zou kiezen, maar ik heb zo al heel wat juweeltjes mogen leren kennen. Het leuke van recenseren is dat je intensiever leest, je moet woorden geven aan je kritiek. Mild of ferm, het moet onderbouwd zijn. Ik vind het ook belangrijk om auteurs die soms jaren over een boek hebben gedaan, te erkennen, te laten weten dat ze iets hebben losgemaakt. Vroeger stuurde ik schrijvers wel eens een persoonlijk bericht via de uitgever, nu doe ik dat met recenseren.’


    Hoe kwam je aan het plan voor Kimonomeisje?

    ‘Ik kwam op het idee door het boek Schilderslief van Simone van der Vlugt, dat gaat over Geertje Dircx, een geliefde van Rembrandt. Ik vond het een goed idee om de mensen rond een historische figuur uit te lichten en een stem te geven. Bij mij kwam meteen de Amsterdamse kunstschilder Breitner op, ook omdat er een relatie lag met de kunstschilder Kees Maks, een neef van mijn grootvader. Maks was een leerling van Breitner en is ook aardig bekend, er hangt een groot doek van hem in de Stopera en in diverse musea in Nederland, zoals Singer in Laren. De twintig jaar jongere Maks kwam Breitner op straat tegen in Amsterdam. Ze maakten een praatje en Maks wist Breitner over te halen hem les te geven. Daar eindigt Kimonomeisje mee. De vader van Kees Maks was ook aannemer en bouwde in 1902 een atelier op het Prinseneiland voor zijn zoon en Breitner. Het is in Nederland het eerste kunstenaarsatelier dat speciaal voor kunstenaars gebouwd is. Maar het boek gaat primair over Breitner en Geesje Kwak.’


    Kimonomeisje
    is een lief, aardig boek, prettig om te lezen. Eerder gaf je aan dat je vond dat er te weinig conflict in zat. Was je achteraf niet zo tevreden?

    ‘Jawel, toch wel. Ik heb het ook bewust zo gedaan omdat ik de feiten die over Breitner bekend zijn zoveel mogelijk wilde gebruiken. Over Geesje was nauwelijks wat bekend, behalve dat ze een naaister of hoedenmaakster was en dat ze naar Zuid-Afrika emigreerde waar ze vrij snel op haar tweeëntwintigste stierf. Dat ze bleef doorleven in kimono op die schilderijen vond ik een mooi gegeven. Verder zal er niet zoveel gebeurd zijn. Ik dacht, ik kan ze wel samen in bed laten belanden, maar dat vond ik banaal. En het is waarschijnlijk nooit gebeurd, het blijkt nergens uit. Dus ik heb er een vader-dochter idee van gemaakt, een thema dat veel terugkomt in mijn verhalen. Geesje groeide doordat ze keek naar zijn schilderijen en luisterde naar wat hij zei; hij raakte dankzij haar uit een depressie nadat hij hersteld was van een oogziekte. Zij was gewoon zijn muze, tussen 1893 en 1896. Breitner stierf in 1923. In de hoop op wat extra aandacht voor zijn honderdste sterfjaar schreef ik Kimonomeisje dat bij uitgeverij Ellessy verscheen.’

    Ellessy heeft ook Marjets Riviermist uitgegeven dat ook als e-book en luisterboek is verschenen. Haar eerder verschenen boeken gaf Marjet in eigen beheer uit, zoals Naar het land van het lopend licht, een uit vijf delen bestaande familieroman. ‘Veel werk en geen vetpot. Ik ben er niet goed in om mezelf te verkopen. En ik vind het ook niet zo belangrijk meer. Het schrijven is leuk, het onderzoek is interessant en natuurlijk is het een mooie erkenning als je boek gelezen wordt.’ Literaire uitgevers wezen haar boeken af. Marjet noemt zichzelf een ‘semi-literaire schrijver’, toegankelijk voor een breed publiek. ‘Ik wil goede, prettig leesbare en originele romans schrijven en dankzij Ellessy kunnen we nu een paar keer per jaar uit eten,’ lacht Marjet.


    Riviermist
    heeft een aparte insteek, het is losjes gebaseerd op Wagners opera Der Ring der Nibelungen. Hoe zit dat?

    ‘Twee vrienden, die je kunt zien als Wodan en Alberich, vinden een juwelenkistje, dat staat voor het Rijngoud. Ook andere personages uit de Ring staan voor personages uit Riviermist. Na allerlei verwikkelingen wordt “Siegfried” opgevoed door “Brünnhilde”. In mijn verhaal is Siegfried Zyss, een kind van een broer en zus, hij heeft een bochel en is een beetje simpel maar heel muzikaal. Hij speelt accordeon in Amsterdam en is uiteindelijk een goed mens, ondanks dat hij uit het kwaad is voortgekomen. Mijn grootmoeder was operazangeres, zij zong voor haar huwelijk in 1910 de rol van Brünnhilde in de Ring. Met mijn neefjes en nichtjes speelden we met haar toneelkostuums, zoals de maliënkolder van Brünnhilde. Het verhaal intrigeerde me als kind al. Ik heb eerst de hele Ring geanalyseerd en de plotlijn vertaald naar het heden. Het speelt deels ook tijdens en na de Tweede Wereldoorlog. De belangrijkste personages heb ik eruit gepikt en hun psychologie en achtergronden uitgewerkt naar hedendaagse problematiek. Het is pure fictie en een beetje bizar, want enigszins ongeloofwaardig. Maar in literatuur kan dat. Als je Der Ring der Nibelungen kent, kun je dat verhaal wel in mijn boek terugzien.’


    Waar ben je nu mee bezig?

    ‘Ik schrijf niet zoveel nieuws meer. Er liggen nog een paar onaffe manuscripten, ik kan nog wel even voort. De eerste versie schrijf ik met de hand, heb wel dertig kladblokken vol. Daarna typ ik het verhaal uit en dan ga ik herschrijven. Dat vind ik het leukste, de tekst steeds beter maken. Ik probeer wel ieder jaar iets te publiceren, maar het is geen must meer.’

    Momenteel is Marjet vooral bezig met papier en stof bedrukken, borduren, schilderen, collages maken. Op haar website staat: ‘”Met een drukpers print ik met reliëfcollages structuren, met oud roest maak ik gekke vlekken in stof, ik borduur met wilde steken en creëer pagina’s die ik samenbind in een boekje, al dan niet met teksten van mezelf of anderen.” Het is allemaal geëxperimenteer, toch wil ik wel wat laten zien.’

    Op de achtergrond blaft een hond, in beeld komt een kwispelende staart. Alsof hij weet dat we aan het einde van het interview zijn. ‘Dit is Vidal,’ zegt Marjet. ‘Zijn zus heet Lucia, Leven en Licht. Hun vader en moeder waren zwervers die we jaren geleden opnamen, twee fantastische honden, die per ongeluk een nestje kregen. De moeder heet Felisa, wat geluk betekent. Het is tijd om uitgelaten te worden, maar ze kunnen best nog even wachten.’

     

     

     


    Kimonomeisje en Riviermist verschenen bij Uitgeverij Ellessy

     

  • Een kamer voor jezelf en geld om te kunnen schrijven

     

    Fien Veldman (1990) studeerde literatuurwetenschappen en schreef meerdere essays over het thema klassenongelijkheid. In 2021 won ze de Joost Zwagerman Essayprijs met ‘Not really making it’. Een essay over een zedenzaak in een achterstandswijk in Leeuwarden waar zij zelf opgroeide. Deze zomer verscheen van haar het essay, ‘In onze maatschappij word je nooit een kwartje – hooguit een dubbeltje op een andere plek’ in het NRC.

    Als kind las Veldman van alles door elkaar. Vanaf haar twintigste, toen ze Literatuurwetenschappen ging studeren, kwamen de klassiekers aan de beurt. Aan het eind van haar studie begon ze te schrijven voor verhalenwedstrijden om wat geld te verdienen. Ze won verschillende prijzen en ontdekte dat schrijven ook een loopbaan kon zijn. Daarna won ze twee belangrijke essayprijzen, met een behoorlijke geldprijs waardoor ze tijd kon vrijmaken om te schrijven. 

    ‘Virginia Woolf schreef ‘A room of one’s own’, waarmee ze meer bedoelde dan alleen die kamer voor jezelf. Eigenlijk zei ze, je hebt een kamer én geld voor jezelf nodig. En dat besefte ik wel, dat ik geld nodig heb om te kunnen schrijven. De Elise Mathilde-prijs was een enorme gift [10.000 euro] waardoor ik ruimte zag om me met schrijven bezig te houden.’

    Dit jaar debuteerde Fien Veldman met de roman Xerox als prozaschrijver. Een roman over een jonge vrouw die van onderaf de maatschappelijke ladder beklimt. Komend vanuit een achterstandswijk valt dat nog niet mee. Ze werkt als klantenservicemedewerker bij een kantoor in een niet nader genoemde stad. Het motto in haar werk tot nu toe is dat opgroeien in een achterstandswijk je hele verdere leven op achterstand stelt. Een zwaar thema, maar luchtig en met humor verteld.


    Wat wilde je laten zien?

    ‘Ik wilde het kantoorleven laten zien door de ogen van iemand die zich niet naar de gangbare, gewone wereld kan voegen. Voor iemand die deel uitmaakt van de middenklasse, is het niet denkbaar dat een ander bepaalde omgangsvormen en codes niet begrijpt.’ 

    De naamloze jonge vrouw lijkt op het eerste gezicht het type ‘loser’, maar blijkt een scherp observeerder van het menselijk onvermogen en heeft een nogal kritische, soms ronduit botte mening over haar collega’s, maar sluit zonder bedenkingen vriendschap met een vuilnisman. Wat zij belangrijk vindt, zijn niet de behoeften van haar collega’s die tot de ‘havermelkelite’ gerekend kunnen worden. Ze is niet ambitieus en bekritiseert elke ambitie bij anderen. Haar printer is het enige waarmee ze communiceert. Daar is een heel hoofdstuk aan gewijd, aan de gedachten en meningen van de printer. Over haar baan denkt ze, ‘Wat als ik rijk was geweest? Dan had ik deze baan nooit gehad. Dan was het niet eens in me opgekomen dat dit werk bestond.’ Het besef dat de ene klasse niet voor de andere klasse bestaat hakt er dan wel in. 


    Wat is ze voor iemand?

    ‘Ze komt in een wereld terecht die ze niet begrijpt en die veel weg heeft van leeg consumentisme. Mensen die elkaar vertellen hoe belangrijk ze zijn op de werkvloer, maar inhoudelijk weinig te bieden hebben. Klassenmigratie betekent dat je je bewust bent van alles om je heen: dat je let op alle sociale regels die je niet van huis uit hebt meegekregen. Dat je je in het concertgebouw moet aanpassen aan de cultuur die daar heerst. Daar wordt op een stille manier gesproken, er wordt bepaalde kleding gedragen en het drankje is bij de toegangsprijs inbegrepen terwijl jij je consumptie wilt afrekenen. Kleine details waar je niets van weet. Niemand gaat het je leren, dus je wordt je er hyperbewust van hoe de anderen het doen. Dat geldt ook voor mensen uit een andere cultuur, er is een kloof die ze zelf moeten dichten.’ 

    Ze functioneert niet in haar baan, wordt op non-actief gesteld en uiteindelijk ontslagen. Dan gebeurt er iets waardoor het verhaal kantelt. Als ze op kantoor is geweest om haar ontslag te ondertekenen, besluit ze bij het verlaten van het pand haar printer mee te nemen. Ze zoekt hem in een opberghok. Ze sluipt door het gebouw en als ze bij het berghok is aangekomen, denkt ze: ‘Nog twee stappen, dan ben ik de Styx overgestoken.’ 


    Wat gebeurt daar?

    ‘Ze leeft erg in een onder- en bovenwereld, op de grens daarvan. Ze steekt de Styx over om in een ander universum te komen. Na haar ontslag denkt ze: dit is mijn transformatieve moment. Daar zit ook de beweging in dat ze actief moet meedoen en niet alles maar over zich heen moet laten komen.’ 


    In zowel het boek als het essay is er sprake van een verdwenen meisje, van seksueel misbruik. Is het boek ontstaan vanuit het essay ‘Not really making it’?

    ‘Het was eigenlijk andersom. In 2019 begon ik aantekeningen voor het boek te maken en in 2020 begon ik eraan te schrijven. Er zit wel eenzelfde thematiek in: sociale klasse en hoe je omgaat met je sociale achtergrond. Ik wilde het vooral hebben over hoe iemands sociale klasse doorwerkt in haar volwassen leven. 

    Ik wilde me niet verplicht voelen recht te moeten doen aan de waarheid, aan wat er echt gebeurd is in mijn eigen bestaan. Om scherper naar mijn personage te kunnen kijken, moest ik daarvan loskomen. Ik wilde geen autobiografisch verhaal schrijven, maar ik moest wel iets met dat verhaal om het uit mijn systeem te krijgen, dat het uit mijn schrijven zou verdwijnen. Zodat ik daarna helemaal op de fictieve toer kon gaan voor dit boek. Daarom schreef ik eerst het essay.’

    De personages zijn naamloos of worden genoemd naar hun functie, ‘marketing’, ‘sales’, ‘administratie’. Als iemand in het boek haar aanspreekt, staat er: ‘Hé [mijn naam].’ 


    Waarom wilde je het naamloos houden? 

    ‘Ik vond het belangrijk dat ze op een redelijk generieke manier beschreven wordt. Je weet ook niet hoe ze eruitziet, het zou eigenlijk iedereen kunnen zijn. Dat past wel bij de manier waarop zij zichzelf en de wereld ervaart. De wereld is vaag voor haar. Ze kan zich bijvoorbeeld ineens afvragen of het kantoor waar ze werkt wel echt bestaat. Alsof haar leven niet echt is.’ 

    Het boek opent met een citaat van Rilke: ‘Als er tussen de mensen en uzelf geen verbondenheid is, probeer dan de dingen nabij te zijn: zij zullen u niet in de steek laten.’ Het lijkt haar personage op het lijf geschreven.


    Kun je zeggen dat zij slachtoffer van haar eigen keuze is?

    ‘Ze staat wel heel ambivalent ten opzichte van de middenklasse omdat ze naar een wereld toe groeit die ze niet begrijpt. Ze is daardoor ook totaal niet ambitieus, waardoor ze geen aansluiting met haar collega’s vindt die wel willen opklimmen in hun werk. 


    Wat was je ingang tot het boek?

    ‘Het begon met de stem van het personage dat in mijn hoofd opkwam, haar innerlijk leven. Dat was de leidraad voor de rest van het verhaal. De manier waarop zij naar de wereld kijkt – ze is best arrogant, denkt alles beter door te hebben dan de rest – is een hele specifieke manier van kijken en daar had ik veel aan. Dat zorgde er ook voor dat het boek een bepaalde stijl heeft gekregen.’

    Op een dag wordt ze door een gemeentewerker met zijn vuilniswagentje aangereden. Het is een man zonder oordeel. Ze worden goede vrienden, hij is voor haar een soort heilige. ‘Ik had altijd al zo’n scène in mijn hoofd van een personage die langs een gracht loopt en wordt aangereden door een achteruitrijdend vuilniswagentje. Dat zag ik altijd al voor me – dat is een sleutelscène in iets wat ik ooit ga maken.’

    Er lopen verschillende verhaallijnen door het boek. De vriendschap met haar vriendin van vroeger, de buurt waar ze uit voortkomt, een printer als personage, een kwijtgeraakt pakketje, de vuilnisman. 


    Ontstonden die verhaallijnen tijdens het schrijven?

    ‘Gaandeweg ontdekte ik haar probleem door hoe ze tegen de printer praatte, dat was een teken dat ze sociaal niet meekomt. Dan wordt ze gediagnosticeerd met een burn-out en moet ze vrij nemen van haar baas. Ik volgde haar in hoe ze dacht en wat ze deed en daaruit volgden de scènes. Zoals de therapiesessies bij de bedrijfscoach die haar nogal voor de hand liggend advies geeft, maar haar niet echt helpt.’ 


    Is dat de huidige bedrijfsmentaliteit, een coach inhuren?

    ‘Startups met jonge mensen, millennialkantoren, hebben richting nodig en daar huren ze mensen voor in. Sommigen doen echt wel nuttig werk, maar vaak is het gewoon gebakken lucht, zijn het ervaringsdeskundigen die zelf weleens een burn-out hebben gehad. En dat er bij problemen altijd iemand moet worden ingehuurd om het geheel te begeleiden, is eigenlijk een trieste zaak, dat ze het niet intern kunnen oplossen.’


    Welke schrijvers hebben je geïnspireerd?

    ‘Tijdens het schrijven heb ik veel gelezen. Alle Faxen boeken van Mizee, om de manier waarop ze naar haar omgeving kijkt. Ook Het bureau van Voskuil heeft me geholpen bij het schrijven. En in de periode dat ik aantekeningen maakte voor het boek, las ik onder meer Jaag je ploeg over de botten van de doden van Olga Tokarczuk, met een geweldig personage dat zich heel anders tot de planten en dieren verhoudt dan de rest van de wereld.’ 


    Kreeg je uit je vroegere buurt reacties op je essay?

    ‘Er zijn vrienden uit die tijd die ik nog steeds zie. Ik heb het aan iedereen voorgelegd die erin voorkwamen en die ik nog kende, ze vonden het allemaal acceptabel dat ik ze erin schreef. Maar niet iedereen uit de buurt was er blij mee, sommige mensen zien het als een beledigend stuk. Het is natuurlijk ook geen rooskleurig beeld van de buurt, maar wel een realistisch beeld. Anderen vonden het juist heel goed dat ik zoiets aankaartte. Uiteindelijk is het in het belang van de kinderen die in zulke buurten opgroeien, je wilt ze net zoveel kansen geven als de kinderen die in Amsterdam-Zuid opgroeien.’ 

    ‘Ik had het nodig om een zo waar mogelijk verhaal te vertellen, terwijl veel mensen het fijner zouden vinden als ik dit verhaal in een positiever narratief zou gieten, dat ik mensen zou beschrijven als mensen met weinig kansen maar dat ze wél heel lief zijn voor hun kinderen, of de moeder van die en die was verslaafd aan alcohol, maar ze was wél heel leuk. Daar houd ik niet van, ik wil het zo eerlijk mogelijk vertellen.’

    ‘Mijn moeder heeft mijn boek twee keer gelezen. De eerste keer vond ze het grappig, maar bij de tweede lezing vond ze het eigenlijk een heel treurig verhaal.’

     

     

    Foto: Laila Cohen


     

     

     

     

     

     

     

    Xerox / Fien Veldman / 224 blz. / Atlas Contact

     

     

  • We leven bij de gratie van vergaan

     

    Voor Literair Nederland sprak Eric de Rooij met schrijver Sipko Melissen naar aanleiding van de verschijning van zijn zevende roman Arkadia.


    We hebben afgesproken in Café Wildschut  aan het Roelof Hartplein in Amsterdam-Zuid. Sipko Melissen (1941), fit, slank en jongensachtig, mist de uitstraling van een doorsnee tachtigjarige. Hij zit al aan een tafeltje als ik binnenkom. ‘Stipt op tijd zijn, is iets van mijn gereformeerde afkomst,’ zegt hij. We zullen ruim twee uur praten over schrijverschap, sensualiteit en erotiek, redden en gered worden, en natuurlijk over zijn nieuwste boek Arkadia: ‘Ik ben heel gevoelig voor idyllische situaties.’


    Arkadia is je zevende roman. Hoe begin je meestal?

    Ik begin met de hand, dan kan ik mijn tekst het best beoordelen, makkelijker schrappen. Iemand zei eens: wanneer ik schrijf, denkt mijn hand beter dan ik zelf. Zo is het ook. Als ik gelijk ga tikken vind ik het moeilijk om afstand tot de tekst te houden. Ik ga zitten en soms begin ik zonder dat ik weet waar ik met het verhaal naar toe wil. En soms zit ik er zo goed in, zoals in het verhaal waar ik nu mee bezig ben, dan heb ik zelfs op zinsniveau het verhaal van het volgende hoofdstuk in mijn hoofd.


    Hoe ben je met Arkadia begonnen?

    ‘Een begin schreef ik al in 1974. Ik wilde schrijven over een idyllisch buitenverblijf waar twee families de zomer doorbrengen, twee gereformeerde families die net uit de oorlog zijn gekomen, geen geld hebben om royaal te leven en die samen de vakantie doorbrengen. In werkelijkheid zijn het twee of drie vakanties in Putten geweest die ik in Arkadia teruggebracht heb tot een. Ik ben wel gevoelig voor die herinnering, voor idyllische situaties, die sfeer van twee families samen, en dat je als jongen je eigen gang kon gaan. Er was een enorme tuin en daarachter een bos. Ik had alle vrijheid. Die dubbelheid past bij mij: ik wil graag ergens bij horen, maar ik wil ook aan de zijkant staan.
    Arkadia bleef ongeschreven, een ander verhaal drong telkens voor. Tot ik wist dat ik naast die idylle ook iets wilde vertellen over het gevoelsleven van een jongetje van  veertien. Daarin zit het conflict van het verhaal, het is een innerlijk conflict rondom seksualiteit en sensualiteit, met het idyllisch landschap als decor.’


    Er wordt in Arkadia geen chronologisch verhaal verteld.

    ‘Het is een drieluik, waarin sprongen in de tijd worden gemaakt. Je krijgt als lezer niet een hele chronologische ontwikkelingsgang. De eerste sprong is al op bladzijde drie. Het verhaal opent alsof er een jongen uit de hemel is neergedaald. Die derde persoon wordt opeens een ik en dan laat je de fictie achter je.’ 


    ‘Woudsend’ heet het eerste deel van Arkadia, met een wondermooie passage waarin de ik-figuur een gesprek heeft met zijn vader.

    ‘Dat gesprek heeft bijna letterlijk plaatsgevonden. Alleen op een andere plek, in een andere tijd. Ik wilde het verhaal compact houden, door alles in dat ene weekend te laten plaatsvinden.’


    Het is een liefdevol gesprek.

    ‘Mijn vader was een liefdevolle man. Gereformeerd, maar helemaal geen fanaat. Hij kwam steeds verder van de kerk af te staan. Het gereformeerde bleef wel in zijn levenshouding: je neemt het leven serieus, je gaat er niet slordig mee om. Ik kom uit een gezin van acht jongens en drie meisjes. Ik was de middelste. Boven mij had ik vijf broers, pittige knullen in hun puberteit. Zij zagen ook wel dat ik qua gedrag en belangstelling anders was. Ik werd wel een beetje gepest, maar ik ben niet gekneusd uit mijn jeugd gekomen. Mijn vader heeft de verschijning van mijn debuutroman Jongemannen aan Zee niet meer meegemaakt. Dat is jammer. Maar hij wist dat hij voor mij een heel belangrijke man is geweest. Hij was dol op mijn partner, Rob. Mijn zusje Bep zegt altijd: “Hij was verliefd op Rob.”’ 

    ‘Rob en ik zijn verschillende keren met mijn ouders op vakantie geweest. Ik ontfermde me over mijn moeder, zodat mijn vader en Rob samen dingen konden ondernemen, dat vond mijn vader geweldig. Mijn moeder heeft mijn vader een hele tijd overleefd. Mentaal en fysiek een hele sterke vrouw. Toen ze negentig was, kwam ze nog met mijn zusje en haar man mee om in Italië bij ons kerstmis te vieren. Een week in een boerenhuis, met helemaal geen goede verwarming, het maakte haar geen bal uit. Van haar heb ik die sensuele verbinding met de werkelijkheid. Zij kon ook urenlang in de tuin staan en naar de polders kijken, alles in haar opnemend.’  


    Wat is die sensuele verbondenheid met de werkelijkheid?

    ‘Bij mij uit die sensuele verbondenheid zich in mijn vriendschappen. Ik heb in mijn leven een aantal intense vriendschappen gehad met jongens die, om die scheidslijn aan te houden, niet homoseksueel waren. Toch waren er wederzijdse warme gevoelens die verder niet seksueel waren, wel erotisch of sensueel. Je bent samen in een soort tussengebied. Ik was voor hen een heel toegewijde vriend, maar dat er ook iets extra’s speelde liet ik niet blijken. Ik was heel bedreven in het sublimeren. In Jongemannen aan zee komt na lange tijd een jeugdvriend terug, Andreas. In Arkadia heet hij Kees, trouwens. Met Kees had ik echt een mooie vriendschap. Maar zo’n vriendschap wordt verpest of vergiftigd door het feit dat je gaat liegen. Je vertelt je vriend niet het meest essentiële van jezelf. Terwijl de intimiteit om het te vertellen er wel is. Zo ontneem je de ander de kans een echte vriend te zijn.’

    ‘Je komt in een duister gebied als je als jongen gevoelens hebt voor andere jongens. In Arkadia haal ik Roeland Westwout (1937) aan, dat prachtige boek van Diet Kramer. Waarom is Roeland zo kwaad en slaat hij erop los als een klasgenoot hem uitscheldt voor oud wijf? Is het omdat die klasgenoot een kant in hem ziet waar hij zelf nog niet aan toe is? Een kant die wordt afgewezen? Jij deugt niet, je bent een nicht bijvoorbeeld. Roeland is anders dan de anderen. Het is goed om te weten dat de schrijfster getrouwd was, maar ook relaties had met vrouwen. Zij kon in die tijd slechts subtiel en niet expliciet vertellen wat er werkelijk bij Roeland speelde. Bij het lezen van Roeland Westwout weet de jonge Ko, de ik-figuur in Arkadia,  intuïtief: ik heb dit ook. En hij vraagt zich af of je verliefd kunt worden op een jongen, een vraag die hij aan niemand kan stellen.’ 


    Het tweede luik in Arkadia opent met de gedroogde blaadjes van een Gingko-boom en de herinnering aan Koen, een betekenisvolle ontmoeting.

    ‘Hoewel het een kortstondige ontmoeting is, komt Koen wel in aanmerking om verliefd op te worden. Koen lijkt in eerste instantie wat afstandelijk. Toch zet hij wel de eerste stap door Ko fysiek aan te raken. Eigenlijk staat Koen voor La Belle Dame sans Merci, of Reves Meedogenloze jongen. In Arkadia staat Koen voor die volmaakte jongen. Ik bedenk me dat nu pas, dat komt door jou. Ik vind jou wel een heel erg leuke jongen – heb het maar even gezegd tegen dat ding.’

    We kijken beiden naar mijn Iphone die dit gesprek opneemt. ‘Dit is zo’n moment dat ik heel bewust ben van wat ik moet vertellen want straks is die band afgelopen.’


    De band loop eeuwig door.

    ‘Konden ze dat maar over mij zeggen!’


    Zou je dat willen, eeuwig leven?

     

    ‘Ik heb erover nagedacht. Dat schijnt vreselijk te zijn. De Italiaanse schrijver Cesare Pavese, schreef eens een boek waarin de Goden zich beklagen over hun onsterfelijkheid. Ze hunkeren naar sterfelijkheid, maar dat hebben zij niet. Ik hunker ook niet naar onsterfelijkheid. Intuïtief zeg ik: het is mooi zo. Als je eeuwig leeft zonder dat er iets verandert, is er ook niets aan. We leven bij gratie van vergaan. Dat is de deal. Je mag bestaan, maar je gaat wel langzaam richting afgrond.’

     

    Het sluitstuk van Arkadia speelt zich af in Zeeland, de hoofdpersoon wordt van de verdrinkingsdood gered, heb jij dat meegemaakt?

    ‘In het slotdeel van Arkadia komt Eleanor Roosevelt op bezoek in Zeeland. De hoofdpersoon onttrekt zich aan de drukte en gaat samen met zijn vriendje Titus zwemmen. Hij verdrinkt bijna in die stroming en wordt dan door Titus uit het water gered. Het is mij overkomen. Een vriendschap waarbij de een de ander redt, spreekt me erg aan. Gered worden of een vriendje redden. Sowieso met z’n tweeën in een situatie zijn waarin de een de ander redt. Dat zoek ik in vriendschap. Het hoeft niet letterlijk uit het water te zijn. Om een concreet voorbeeld te geven. Naast ons kwam een jongeman wonen, ZZP-er, alleen. Het is een leuke jongen, hij is het redden waard. Bij mij ontstond al snel het gevoel dat ik voor hem iets belangrijks moest doen. Niet dat ik met een pan soep op de stoep sta, maar ik hield een oogje in het zeil, zeker tijdens de covid-periode. Ik weet dat ik mijn rol als redder overschat. Bij dat redden of gered worden is ook een erotische of sensuele kant, dat is het leuke ervan. Die erotische spanning merk ik ook vanuit die buurjongen. Niet dat hij het uit, maar ik voel het wel. Waarschijnlijk zat die jongen totaal niet op mij wachten. Of ik weet het wel zeker. Inmiddels heeft hij een vriendin, dus de urgentie om hem te redden is verdwenen.’ 


    In Arkadia wordt het pastorale in de jeugd gevonden. In andere boeken zoals De Huid van Michelangelo en Oud-Loosdrecht, wordt een Arkadia gevonden in Italië en in Griekenland.

    ‘Italië was mijn tweede thuis. We hebben bijna veertig jaar een boerderijtje gehad, niet ver van San Gimignano, Siena en Florence. Een paar jaar geleden zijn we daar weggegaan. Achteraf een goede beslissing. Rob en ik hebben er een meesterlijke tijd gehad. Ik schreef en hij vertaalde, een ideale combinatie. Vlakbij woonden goede Italiaanse vrienden. Italianen zijn zeer sociaal, makkelijk en gastvrij. Natuurlijk mis ik die tijd. Aan de andere kant, ik wil dat verleden niet cultiveren. “Oh, hadden we het nog maar”. Je moet ook het onvermijdelijke accepteren. Ik ben dankbaar voor de ervaringen die geweest zijn.’ 


    In de film Afterlife mag iemand na zijn overlijden slechts één herinnering meenemen naar de hemel. Alle andere herinneringen raakt hij kwijt. Welke herinnering zou jij willen bewaren?

    ‘In De vierde mei komt een soortgelijke vraag voor. Ik kom dan uit bij het feest dat we in 1996 op onze boerderij in Italië gaven voor zo’n honderd mensen. Dat was zo bijzonder, zo spectaculair. We organiseerden dit met onze vrienden Hans en Piet. Op de eerste avond reden we in optocht met onze auto’s door het Italiaanse landschap, met aan de horizon die prachtige ondergaande zon, naar het restaurant in het dorp. Toen we uitstapten wachtte daar een boerenblaasorkest. Dat orkest begon zo aanstekelijk te spelen, dat iedereen spontaan begon te dansen. Dat was verpletterend, sprookjesachtig. Dat beeld durf ik wel mee te nemen als enige herinnering.’


    En welk boek?

    ‘Als het daar saai is, zou ik een heel dik boek meenemen. Mocht het er toch opwindend zijn een heel dun boekje. Mijn eerste, intuïtieve reactie is om de Bijbel mee te nemen. Het is dik, divers, maar misschien een te gemakkelijke keuze. Ik hou van het werk van Gerard Reve. Op weg naar het Einde was een openbaring, die vrijmoedigheid, het opkomen voor jezelf zonder begrip te vragen of een compromis te sluiten. Baanbrekend. Maar ik kies voor een ander boek van Reve: Het boek Van Violet En Dood. Ik herlees het minstens een keer per jaar. Ik hou van de melancholieke toon, de heldere zinnen, de prachtige herinneringen. En mocht ik iets van mezelf mee mogen nemen, dan wordt het Plaatsbewijs. Het is een van de twee novelles in De Vendelzwaaier. Ik hou van verhalen met een duidelijk begin en een duidelijke afronding. Plaatsbewijs is zo’n verhaal.’

     

     


     

     

     

     

     

     

     

     

    Arkadia
    Sipko Melissen
    224 blz.
    ISBN 9789028231115
    Uitgeverij Van Oorschot

     

     

  • Dit boek is voortgekomen uit een enorme zorg over mensen

     

    Van Minke Douwesz verscheen onlangs de roman Het laatste voorjaar. Liefhebbers van haar vorige boeken, Strikt (2003) en Weg (2009), samen goed voor zo’n vijftienhonderd pagina’s, waren er al haast van overtuigd dat er geen boek meer van haar hand zou verschijnen. Helemaal nadat een hardnekkig rondgaand bericht via google meldde dat Douwesz  in 2010 aan de gevolgen van een ongeluk was overleden. Dat kwam doordat de toenmalige redactie van Tirade het themanummer ‘In memoriam’ maakte. Daarvoor waren schrijvers, waaronder Minke Douwesz, gevraagd hun eigen in memoriam te schrijven. Maar hier is dan, na veertien jaar, Douwesz’ derde boek Het laatste voorjaar.

     

    In 2014 begon Douwesz, pseudoniem van Greet Kuipers (1962) al aan het boek, maar het schrijven stokte omdat ze zich in die jaren beroepsmatig bezighield met onderzoek naar gehechtheid bij eetstoornissen, waarop zij in 2018 promoveerde. In 2019, toen ze zich niet meer met de vele veranderingen binnen haar werk bij de GGZ kon verbinden, verruilde ze haar baan voor een eigen praktijk en had ze redenen en tijd om dit boek te schrijven. Minke Douwesz is een schrijver die alleen schrijft als ze iets te vertellen heeft. 

    De drieënvijftigjarige docent Duits en zelfverklaard eco-communist Ese Jelles, is rechtlijnig in haar antwoord op de klimaatcrisis en vindt dat, ‘Vlees en reizen op rantsoen moeten, online winkelen verboden wordt en er vaste prijzen voor voedsel gelden. Boeren produceren niet meer dan nodig is, overtollige weidegrond kan het best onder water worden gezet.’ Meningen waar je geen vrienden mee maakt. Het was ook niet de bedoeling van Douwesz een vriendelijk boek te schrijven. Alles moest nu maar eens gezegd worden.


    Een doorzetter als protagonist 

    Douwesz’ alter ego, Ese krijgt te maken met een onderwijsconsultant die het onderwijs wil verbeteren. Dat stuit haar tegen de borst. ‘Waarom moest alles toch altijd beter, kon er niets hetzelfde blijven?’ Ze neemt van de een op de andere dag ontslag. Nog geen week later op een maandagmorgen eind februari, steekt Ese de grens met Duitsland over op weg naar Oekraïne, waar ze het huis van Anton Tsjechov in Jalta wil bezoeken. Vanaf de eerste zinnen is duidelijk dat de lezer te maken krijgt met een doorzetter. 

    ‘Alles was grijs en er viel een venijnig koude motregen. Even vroeg ze zich af waar ze mee bezig was. Hoe miezerig ook, de regen zou haar schoenen en broek in de loop van de dag doorweekt hebben. Misschien werd ze wel ziek. In dat geval was er natuurlijk geen sprake van dat ze de trein nam, terug naar huis.’ Ondanks Ese’s opstelling, haar tirades en stellige meningen, is Het laatste voorjaar een empatisch boek geworden.

    Tijdens het fietsen door Duitsland en Polen komen de herinneringen aanvliegen. Herinneringen aan haar partner Martie, die enkele jaren terug is overleden. Er komen herinneringen aan haar studententijd naar boven, hoe ze Martie leerde kennen, aan eerdere reizen. De tocht in Jalta wordt levendig beschreven, alsof Douwesz uit eigen ervaring put. Het klopt dat ze het huis van Tolstoj of Tsjechov had willen bezoeken. Maar het was er nooit van gekomen. Wel heeft ze Het brilletje van Tsjechov gelezen, waarin Michel Krielaars het huis op Jalta uitvoerig beschrijft.


    De troost van Tsjechovs verhalen

    Als Ese uiteindelijk haar doel bereikt heeft en het huis van Tsjechov binnengaat, stort ze in. Ze wordt met spoed naar het ziekenhuis gebracht. Het heeft er veel van weg dat Het laatste voorjaar een treurige afloop kent. En was daar al niet een verwijzing naar, verder terug in het boek? Daar waar Ese en haar zus Dora een gesprek voeren over Jezus, de tempel en het kruis, het conflict van alle tijden? Ese zegt, ‘Word je kwaad en flikker je al die woekeraars de tempel uit, of moet je aanvaarden dat je in je eentje de wereld niet kan veranderen. Verdwijn je van het toneel.’ 

    ‘Een onderlaag in het verhaal is dat Dora en Ese niet geleerd hebben als vrouw van zich af te bijten. Ze hebben, met een vrij passieve moeder, niet geleerd voor zichzelf op te komen. Dora is gelovig, zij heeft zich daar misschien bij neergelegd. Maar Ese is heel erg boos. Om in deze wereld te overleven moet je niet lijdzaam afwachten zoals Jezus. Ik ben ook erg van mening dat opvoeden tot gezonde weerbaarheid van groot belang is.’  

    In een van de scènes lift Ese vanuit Polen met een vrouwelijke vrachtwagenchauffeur mee. Deze gooit bij de grensovergang tussen Oekraïne en de bezette Krim haar vrouwelijkheid in de strijd om de grensbewakers te behagen. Ese kunnen ze niet plaatsen, ze ziet er androgyn uit. Tot er een bh uit haar tas valt, dan beginnen de bewakers met haar te dollen. Ze grijpen haar in haar kruis om te voelen of ze man of vrouw is, een ander neemt haar verhalenbundel van Tsjechov in beslag. Het verlies van die verhalenbundel lijkt Ese meer aan te grijpen dan de brute aanranding. ‘Een schaap dat geschoren wordt, moet stil zitten, is het spreekwoord. Ese heeft het gevoel dat ze er goed vanaf is gekomen. Maar om een boek van een schrijver, een man die wel oké is, kwijt te raken, dat vindt ze vreselijk. Om de troost van Tsjechovs verhalen te moeten missen.’

    Voor Douwesz is Tsjechovs leven en werk een bron van inspiratie. ‘Hij is een dokter, en is ooit naar het werkkamp Sachalin in Siberië gegaan om de vreselijke omstandigheden van de gevangenen te bestuderen. Hij schreef daarover in De reis naar Sachalin. Tsjechov had, net als ik, kennelijk moeite om werk en liefde met elkaar te combineren. Daar identificeer ik me wel mee. En zijn interesse in de binnenwereld van vrouwen is echt ongekend voor die tijd. Zijn verhaal, ‘De naamdag’, is geschreven vanuit het perspectief van een vrouw die zich verschrikkelijk ergert aan het gedrag van haar man. Toen ik dat las, dacht ik, dit is gewoon Virginia Woolf.’


    Schrijven uit noodzaak

    Net zoals haar eerste boek Strikt werd geschreven vanuit de behoefte een leemte te vullen met het schrijven van een lesbische liefdesroman, werd ook dit boek geschreven uit noodzaak.Het ging me om de stem van een vrouw van middelbare leeftijd die er ogenschijnlijk niet zoveel toe doet, te laten klinken. Vroeger was dat anders. Met uitgebreide families waarin iedereen zijn rol had. Oma’s zijn nog steeds belangrijk, maar ik ben geen oma. Ik wilde een stem geven aan een werkende vrouw die geen relatie heeft met een man, geen kinderen heeft en begaan is met een groter geheel. De meeste aandacht in onze cultuur gaat uit naar vechten en seks. En niet naar zorgzaamheid of solidariteit, wat heel veel mensen wel belangrijk vinden, maar dat is kennelijk niet zo opwindend.’

    Toen het boek klaar was, vroeg Douwesz zich af of het boek wel goed zou vallen, omdat het een behoorlijk serieuze roman is over een bezorgde, lesbische vrouw van middelbare leeftijd. ‘Ik wilde de oprecht bezorgde toon niet ondermijnen door grappen of verzachtende excuses. Overigens moet ik zelf juist wel weer lachen om de consequente sombere blik van Ese, ik zie er de humor ook wel van in.’

    Douwesz heeft zich voor het schrijven van dit boek door Andreas Burnier laten inspireren. Hoe zij ongezouten, maar op humoristische wijze het patriarchaat aan de orde stelde. ‘Ik heb het allemaal ook wel wat aangezet, de woede van Ese, de ontwikkelingen in het onderwijs. Maar als ik dan in een recensie lees, ‘het is een karikatuur van het onderwijs’, denk ik, “ammehoela”. Je gaat toch geen boek schrijven over hoe het er echt in het onderwijs aan toe gaat? Het is een belachelijke eis aan een schrijver om de werkelijkheid getrouw weer te geven. Dat zou vreselijk saai worden.’ 


    Over het verlies van Martie

    ‘Ik zie natuurlijk als psychiater dat er stapelingen zijn van stressfactoren die mensen bijna doen breken, en dan is het al heel wat als je kunt bereiken dat ze er de moed inhouden. De illusie dat alles oplosbaar en maakbaar is, vind ik zelf vrij destructief. Accepteren dat sommige dingen lopen zoals ze lopen, en daar dan toch weer mee verder kunnen, dat is eigenlijk al goed. Ese vindt ook dat leerlingen die niet goed kunnen leren, maar wel goed met hun handen zijn zeer waardevol. Waarom moet iedereen hoge cijfers halen? Daar baalt ze erg van.’ 

    Op tweederde van de roman wordt onthuld wat er met Martie, Ese’s geliefde is gebeurd. Die passages over de dood van Martie stonden eerst meer voor in het boek. ‘Maar dat kwam bij mijn redacteur en een vriendin die meelas, toch wel hard binnen. Daarom is het naar achteren geschoven, waardoor het meer perspectief kreeg. Op het moment dat Ese gaat fietsen, is haar geliefde al enkele jaren dood. Ze heeft haar draai in het leven wel weer gevonden, maar omdat ze voor het eerst alleen door Europa fietst, en ze zich met de herinnering aan Martie verbindt, komt er een stuk onverwerkte rouw naar boven.’

    Het emotioneert Douwesz hoorbaar hierover te praten. ‘Als schrijver heb je ook niet alles in de hand, want hoewel ik zelf het decor heb gemaakt, heeft het me ook getroffen dat dit gevoel van rouw zo sterk naar boven is gekomen. Dat was kennelijk een verhaal dat ik ook nog in me had zitten.’ 


    Koppigheid een vorm van verzet

    Ese is aangerand, met haar fiets in een metersdiepe kuil gevallen, beroofd en in elkaar geslagen, en toch gaat ze door naar het huis van Tsjechov. Haar volharding is verbijsterend. Koppigheid is een verkapte vorm van woede, een vorm van verzet. Als je gelooft in andersoortige energie zoals de boeddhisten. Dat op bepaalde plekken waar mensen geleefd hebben, er nog iets van hun energie aanwezig is. Dan zou je kunnen zeggen dat Ese, omdat ze de moed heeft verloren, zich met die energie van Tsjechov wilde verbinden.’  

    Of het dan echt Ese’s laatste voorjaar is? ‘De titel van het boek is het antwoord op deze vraag. Er zijn lezers die denken dat ze even flauwgevallen is, dat ze weer wakker wordt. Mijn bedoeling was toch wel dat ze de klap op haar ribben niet zou overleven.’ 

    De laatste passage van het boek waarin het niet goed gaat met Ese, las ik verschillende keren. Alsof ik, als lezer, haar wakker zou kunnen lezen. Maar Ese komt, hoewel nog niet dood verklaard, niet meer tot leven. Verdwijnt ze werkelijk van het toneel.

    ‘Een weerloos persoon als Ese, heeft in dit ego gedreven bestaan weinig kans van slagen. Daar ben ik wel pessimistisch over. Dit boek is voortgekomen uit een enorme zorg over mensen; waar zijn we mee bezig. Ik merk dat het door veel mensen met instemming wordt gelezen. Dat doet me wel veel genoegen.’

     

     

    Foto: Annaleen Louwes


     

     

     

     

     

     

    Het laatste voorjaar / Minke Douwes/ 333 blz.
    Uitgeverij Van Oorschot