• Kinderboekenschrijfster Veronica Hazelhoff overleden

    Veronica Hazelhoff is op 1 juli overleden in het ziekenhuis. Ze werd 62 jaar. Hazelhoff leed aan een ernstige vorm van reuma. ‘Ze was heel goed in het zich verplaatsen in de hoofden van kinderen’, roemt Bärbel Dorweiler, uitgever Querido Kind.

    Bärbel Dorweiler noemt het overlijden van Veronica Hazelhoff heel droevig. ‘Ze was de meester van de korte baan, ze kon verhalen terugbrengen tot de essentie.’ De laatste jaren verschenen er weinig boeken van haar, doordat de reuma haar het schrijven moeilijk maakte.

    Hazelhoff ontving verschillende prijzen voor haar boeken, waaronder de Gouden Griffel, vier Zilveren Griffels en de Nienke van Hichtum-prijs. ‘Haar eerste boeken waren al van uitzonderlijke toon en kwaliteit.

    In Bezoek van Mister P, haar laatste boek uit 2006, ging Hazelhoff in op het onderwerp reuma. ‘Dat is haar niet makkelijk gevallen’, zegt Bärbel Dorweiler. ‘Jacques Dohmen heeft haar daar zeer bij gesteund. Ze is enorm geprezen voor dit boek.’ Ze kreeg er een Zilveren Griffel voor in 2007. ‘Bezoek van Mister P is een uniek en belangrijk boek dat het verdient door een groot publiek gelezen te worden’, roemde het Juryrapport het boek.

    Dorweiler noemt de presentatie van Bezoek van Mister P haar indringendste ervaring met Hazelfhoff. ‘Het was heel bijzonder. Het boek werd gepresenteerd in het Wilhemina Kinderziekenhuis in Utrecht in het bijzijn van de reumaspecialist en kinderen en hun ouders. Hazelhoff vond het belangrijk dat de kinderen wisten dat zij nooit dezelfde klachten zouden krijgen als zij had, omdat er nu betere behandelmethoden zijn. Maar de specialist realiseerde zich na het lezen van het boek dat hij veel minder goed wist wat er speelde bij de kinderen dan hij dacht. Door het boek zag hij dat kinderen hun gezondheid veel rooskleuriger voorstelden, omdat ze niet ingeperkt willen worden. Als auteur kun je geen groter compliment krijgen.’

    Veronica Hazelhoff debuteerde in 1981 bij uitgeverij Sjaloom met Nou moe!. Vanaf 1988 was Querido haar uitgever. Ze schreef zo’n 25 kinderboeken. Daarvan zijn momenteel alleen nog Auww! en Bezoek van Mister P leverbaar. (VE)

    (c) Boekblad

     

  • In memoriam Tip Marugg (1923 – 2006)

    Door Coen Peppelenbos

    Het eerst hoorde ik van Tip Marugg toen hij in 1988 op de shortlist stond voor de AKO-prijs met De morgen loeit weer aan. Een fascinerend boek waarin doods- en levensdrift strijden om de voorrang. De mooiste scène in het boek komt op het einde, waarin hij voor dag en dauw bij een berg gaat kijken naar grote zwermen vogels. ‘Maar drie of vier van de vogels remmen hun pijlsnelle glijvlucht niet af en schieten niet omhoog: zij blijven regelrecht aansuizen op de rotswand en slaan te pletter. Een schitterend boek met een verteller die af en toe een lege whiskyfles in de tuin gooit en zijn domein bewaakt met grote honden.
    In mijn herinnering is altijd blijven hangen dat Brigitte Raskin (Wie? Wie?) destijds de AKO-prijs won, maar het was Geerten Meijsing. Wie op www.literaireprijzen.nl kijkt, kan constateren dat Tip Marugg nooit een grote prijs heeft gewonnen.
    Hoewel hij in de schamele interviews die hij gaf altijd ontkende dat hij zich gedroeg als een kluizenaar, heeft zijn isolement er mede voor gezorgd dat hij een buitenbeentje in de letteren bleef. Anders dan Antilliaanse schrijvers als Boeli van Leeuwen en Frank Martinus Arion, die wel de publiciteit zochten, wachtte de cameraschuwe Marugg tot een journalist weer zijn huis in het gehucht Pannekoek kwam bezoeken.
    Tip Marugg (eigenlijk Silvio Alberto, maar thuis werd hij Tip genoemd) is niet bepaald een veelschrijver geweest. Hij publiceerde een dichtbundel en drie romans. Tussen die drie romans Weekendpelgrimage (1958), De straten van Tepalka (1967) en De morgen loeit weer aan (1988) zat zoveel tijd dat hij telkens weer vergeten was door zijn lezerspubliek. Toch werd hij door critici en medeschrijvers gezien als een van de belangrijkste Antilliaanse schrijvers. Dus trok er zo af en toe een journalist naar zijn huis. In NRC Handelsblad van 28 april 2006 schrijft Aart G. Broek over zo’n bezoek. Hij neemt een overlevingspakket mee voor de schrijver, maar geen drank. ‘Alcoholische drank heb ik nog nooit aangesleept; die is in elke toko op het eiland te krijgen, dus daar kan hij zelf wel aan komen.’ H.M. van den Brink stipt het al aan als hij in 1985 samen met Boeli van Leeuwen probeert om Marugg nieuw werk te ontfutselen. De schrijver heeft net een doorgebeten pees opgelopen door een beet van een hond. ‘Hij maakte duidelijk dat hij er niet veel voor voelde een operatie te riskeren. Daarna schonk hij bier voor mij in en frisdrank voor zijn andere bezoeker (…). Zelf nam hij het drankje ter hand dat hij al voor onze komst had ingeschonken. “Tip wat zit er toch in dat glas man” vroeg Boeli van Leeuwen een paar keer plagerig. De aangesprokene glimlachte slechts.’

    Cees Zoon weet in 1988 ook tot de schrijver door te dringen. ‘Dank zij de bemiddeling van zijn neef is hij bereid mij te ontvangen. “Je drinkt toch wel, hè?”, had mijn intermediair vooraf bezorgd geïnformeerd. En pas tijdens een derde drinkgelag praat de schrijver voluit met de Volkskrantjournalist. Nog later nemen de bezoekers al zelf de drank mee. Rudi Wester spreekt de auteur voor Vrij Nederland in 2001 en krijgt van Arion een goede tip mee: ‘Je moet wel een goede fles whisky meenemen.’ En Alle Lansu schrijft in hetzelfde jaar voor Het Parool een stuk waarin hij terugkijkt op een bezoek dat hij in 1989 aan de schrijver bracht ‘gewapend met een fles ‘whisky’. In 2001 is Marugg al bijna blind, wordt er voor hem gezorgd en zijn de honden de deur uit.

    Het probleem met al die verhalen is dat er een mythevorming rond de schrijver ontstaat (de drinkende kluizenaar) en dat niemand meer kijkt naar zijn boeken. Dat zou jammer zijn, want Marugg is een van de grootste stilisten van ons taalgebied. Zijn boeken moeten het niet hebben van een ingewikkeld plot of een boeiende verhaallijn of zoals Rudi Wester zijn oeuvre bondig samenvat: ‘In Weekendpelgrimage is de ik-figuur dronken met zijn auto in de berm geraakt en overpeinst in één grote monologue intérieur zijn leven. De ik-verteller in De straten van Tepalka ligt te sterven in een ziekenhuis en herleeft in fantasieën en nachtmerries zijn ervaringen, waarvan het de lezer niet duidelijk is of deze nu echt gebeurd zijn of niet. En in De morgen loeit weer aan zit de verteller, een wat oudere man, op de stoep van zijn huis te drinken en beschouwt zijn leven en de natuur om hem heen.’ Met zulke verhalen moet je wel een goed stilist zijn.
    Daarmee overtuigt Marugg niet elke criticus. K.F. (Kees Fens waarschijnlijk) schrijft (in 1967 waarschijnlijk) ‘Het speelt ver weg en het blijft ver weg.’ Er zijn ook critici met een iets wijdere blik, zoals Cyrille Offermans in 1988 in De Groene Amsterdammer: ‘Het slothoofdstuk bevat wat dat betreft een zeldzame klimax; de hallucinatoire, apocalytische beelden waarin Marugg hier het aanloeien van de morgen beschrijft is adembenemend – het is een van de aangrijpendste hoofdstukken uit de Nederlandse literatuur te noemen.’ De schrijver ervan is vorige week overleden. Zorg dat je zijn bescheiden oeuvre leest.

     

     

  • Gerard Reve overleden (1923 – 2006)

    Reve is al vanaf het begin van zijn schrijversloopbaan bewonderd en verguisd. Zijn eerste roman De avonden, verschenen vlak na de oorlog, bleek voor velen een stem van zijn generatie te vertolken. Jarenlang stond het boek op de leeslijst van middelbare scholieren. In zijn latere werk en dan voornamelijk zijn brievenboeken Op weg naar het einde en Nader tot U is de stijl van de schrijver het meest in het oog springend. Ironie vermengd met ernst.

    Gerard Kornelis van het Reve (Amsterdam 14.12.1923) erfde naar eigen zeggen de verbale begaafdheid van zijn vader (Gerard J.M., communistisch journalist) en het romantische levensgevoel van zijn moeder (Janetta Doornbusch). Gerard bezocht na vier jaar gymnasium (1936-1940) de Grafische School, beide te Amsterdam; na het behalen van het patroonsdiploma (1943) raakte hij verbonden aan Het Parool, waar hij kennis maakte met Simon Carmiggelt; hij bleef er tot 1947. Hij was van 1948-1959 gehuwd met de dichteres Hanny Michaelis. Na uiteenlopende betrekkingen in Nederland en Engeland (waar hij in 1954 en 1955 aan de British Drama League een producerscursus volgde) wijdde hij zich sinds ca 1958 uitsluitend aan de literatuur. Reve trad in 1966 toe tot de rooms-katholieke kerk; werd in 1974 benoemd tot Ridder in de Orde van Oranje-Nassau; vestigde zich omstreeks 1975 definitief in Zuid-Frankrijk. Hij publiceerde (onder de namen Simon van het Reve, Gerard Kornelis van het Reve, Gerard Reve) romans, verhalen, brieven, gedichten, essays en een enkel toneelstuk; vertaalde veel modern Engels/Amerikaans toneel, o.a. van Edward Albee, Brendan Behan en Harold Pinter; was redacteur van Tirade (1958-1967) en van Dialoog (1965-1966); ontving de P.C. Hooftprijs (1968, uitgereikt in 1969).

    In Reve’s werk kunnen vier perioden worden onderscheiden. In de eerste (1946-1956) schrijft hij uitsluitend proza dat een realistisch-symbolisch karakter heeft. Na een korte overgangsperiode (1957-1962), waarin hij alle denkbare genres beoefent, begint hij omstreeks 1963 ‘over zijn gehele zelf’ te schrijven, wat resulteert in onmiskenbaar romantisch proza- en dichtwerk. Aanvankelijk wordt dit werk gekenmerkt door een uitbundige en sterk romantisch ironische stijl; aangezien deze stijl voortkomt uit een dualistische visie (de mens handelt als subject, maar kan zichzelf ook relativerend als object bezien) kan worden gesproken van een dualistisch romantische periode (1963-1970). Later versobert de stijl en treden een zeer persoonlijke mystiek en aandacht voor het slechte en afwijkende op de voorgrond, waardoor deze periode (na 1970) disharmonisch romantisch genoemd kan worden.

    Ondanks de filosofisch-religieuze en stilistische ontwikkeling die schrijver en werk in deze perioden vertonen, is het oeuvre homogeen en verandert het thema in de loop der jaren niet wezenlijk: door – op literair niveau – het scheppen van artificiële structuren en – op metafysisch niveau – een zeer persoonlijke religiositeit tracht de auteur zich staande te houden in het door hem als rampzalig ervaren menselijk bestaan, vervuld als het is van schuld, dood, ontoereikende liefde, angst en bovenal chaos – met voor ogen een begeerde staat van liefde, verlossing en bovenal orde.

    Na vroege jeugdgedichten (Terugkeer, 1940) en journalistiek werk (1945-1946) verscheen (dec. 1946) in Criterium Reve’s literaire debuut: De ondergang van de familie Boslowits, waarin hij op sobere en impliciete wijze de tragische lotgevallen van een joodse familie in WO II; het woord ‘jood’ wordt zelfs niet gebruikt, en niet ten onrechte wordt deze novelle wel gezien als een Elckerlijc-verhaal.

    De avonden (1947, Reina Prinsen Geerligsprijs), Reve’s romandebuut, veroorzaakte grote ophef. Veel critici betitelden het als een verwerpelijk nihilistisch produkt, maar anderen herkenden het als een debuut van uitzonderlijke betekenis: de naam (Van het) Reve als omstreden auteur was hiermee voorgoed gevestigd. Frits van Egters, ‘de held van deze geschiedenis’, vult de verveling van zijn bestaan met scherpe zelfanalyse en ontluisterende observatie van zijn omgeving, i.e. zijn ouders. Deze waarnemingen worden op zeer realistische – maar ook humoristische – wijze verwoord. Terdege is hij zich er echter van bewust dat hij niets beter is dan zij, en in het ontroerende slot bidt hij God zich over hen te ontfermen. Nog tamelijk impliciet blijft het verlangen dat de werkelijkheid, waargenomen als een zinloze reeks losse details, in wezen samenhang en zijn vertoont.

    Dit werk, lange tijd beschouwd als typisch naoorlogs en tijdgebonden, behelst in wezen het tijdeloze lot van de intellectualistische adolescent in een kleinburgerlijk milieu, en wordt thans gezien als een van de belangrijkste na 1945 verschenen Nederlandse romans.

    Werther Nieland (1949), de bij verschijning vrijwel genegeerde maar later als meesterlijk erkende (en vaak geanalyseerde) novelle, belichaamt sterker dan De avonden behalve het realistische ook het symbolistische aspect van deze periode. In dit vrijwel cyclische, zeer geserreerd geschreven verhaal ervaart een elfjarige jongen schuld en chaos, resulterend in angst, en bestrijdt deze vergeefs met o.a. magische middelen. De intuïtieve overtuiging of behoefte dat alles (op geheime wijze) met elkaar samenhangt is hier expliciet aanwezig.

    Nadat een voor de novelle Melancholia (Podium, 1951) toegekende regeringsreisbeurs uit zedelijkheidsoverwegingen weer werd ingetrokken schreef Reve enige tijd in het Engels. Resultaat hiervan is de bundel The Acrobat and Other Stories (1956), thans beter bekend in de Nederlandse vertaling van Hanny Michaelis (Vier wintervertellingen, 1963).

    In de overgangsperiode begint Reve’s homoseksualiteit zich te openbaren en ontwikkelt het symbolisme zich tot een meer omvattende religiositeit, waarvan de eerste vage sporen te vinden zijn in zowel de kwalitatief wisselvallige bundel Tien vrolijke verhalen (1961, Novelleprijs 1963 gemeente Amsterdam) als het toneelstuk Commissaris Fennedy (1962), dat als drama niet is geslaagd, maar belangrijk is als schakel in zijn ontwikkeling naar de volgende fase.

    Op weg naar het einde (1963, Romanprijs 1964-1965 gemeente Amsterdam) en Nader tot u (1966), de bundels ‘reisbrieven’ ofwel ‘bekentenisliteratuur’, bewijzen dat Reve inderdaad psychische en creatieve barrières heeft doorbroken: hij schrijft ongeremd en vrijmoedig over wie hij is en wat hem beweegt. Gevolgen daarvan zijn o.a. parlementaire discussies en, n.a.v. Nader tot u, een langdurig proces wegens (vermeende) godslastering. In de `Geestelijke Liederen’ uit Nader tot u manifesteert Reve zich als belangrijk dichter. Het proza, gekenmerkt door heftige registerwisselingen (van bijbels tot gemeenzaam), en de losse structuur, die plaats biedt aan verrassende uitweidingen en bizarre anekdoten, geven deze brievenbundels een baldadig karakter; in wezen echter getuigen ze op aangrijpende wijze van uitzichtloos lijden. Deze dubbelheid is te danken aan het feit dat dit werk stilistisch geheel, maar in filosofische zin slechts gedeeltelijk romantisch ironisch is. Wel romantisch ironisch is Reve in die zin dat de zelfreflexie en -relativering zijn terug te voeren tot het dualisme van Fichte (vgl. diens ‘intellektuelle Anschauung’) en (de door hem zeer bewonderde) Schopenhauer, en ook ziet hij, als alle romantische ironici, de kosmos als een mysterieuze chaos, die niet rationeel kan worden doorgrond; essentieel verschil is echter dat Reve die chaos verlangt te doorgronden – door elk gebeuren te zien als een symbool van iets groters (vgl. met name Werther Nieland) – omdat hij (anders dan bijv. Coleridge, Byron, Keats, Carlyle) het bij uitstek romantisch ironische oxymoron ‘permanently unstable’ niet positief waardeert: chaos is voor Reve in filosofische of artistieke zin nooit bevruchtend maar altijd bedreigend. Cruciale paradox hierin is uiteraard dat juist (voor Reve misschien
    zelfs: uitsluitend) bestrijding van chaos noopt tot creativiteit.

    Verrassend is het dan niet dat Reve de chaos tracht te bestrijden door middel van een zeer persoonlijke mystiek (waarin versmelting van seks en religie, en verering van Maria, Isis, Kybele en de Meedogenloze Jongen centraal staan), en zich eerder verwant voelt aan romantici als Blake, Poe, Hoffmann en Swinburne dan aan de eerdergenoemde Engelsen: disharmonie – het besef slecht te zijn, en eenling – krijgt steeds meer nadruk. Reeds in het veelgeprezen De taal der liefde (1972) is de romantische ironie minder dominant; in volgende romans – Lieve jongens (1973), Een circusjongen (1975), Oud en eenzaam (1978), Moeder en zoon (1980) – wordt het mystieke element belangrijker, terwijl het taalgebruik, vergeleken met de uitbundigheid van de reisbrieven, allengs soberder maar soms ook overdreven archaïserend of clichématig wordt.

    Naast nieuw proza in De vierde man (1981) en Wolf (1983), dat een toenemend gebrek aan inspiratie en diepgang vertoont, publiceerde Reve na 1980 diverse bundels correspondentie, waarvan de beste (met name Brieven aan Josine M. 1959-1975, 1981) zowel literair als documentair van groot belang zijn, en enkele verzamelingen voorheen verspreid of in portefeuille gebleven werk, die het beeld van zijn ontwikkeling vervolledigen.

    Reve verklaart graag aartsreactionair te zijn en ‘voorstander van Kerk & Staat & Orde & Gezag’, terwijl geen Nederlands kunstenaar zo frequent en heftig in conflict kwam met de gevestigde orde als juist hij; ten dele vloeiden deze conflicten voort uit zijn werk, ten dele echter ook uit omstreden persoonlijk optreden in televisieprogramma’s, interviews enz. In theorie adopteerde hij Oscar Wilde’s adagium ‘All art is quite useless’, terwijl het in de praktijk overtuigend werd weerlegd: door zijn werk heeft hij niet alleen onmiskenbaar een voortrekkersrol vervuld in de emancipatie van homoseksuelen, maar ook in veel algemenere zin is zijn uitstraling groot. In literair opzicht heeft de zeer herkenbare stijl van zowel zijn vroege werk als van de latere reisbrieven veel navolging gevonden, en vooral in de jaren zestig heeft hij – in een klimaat van wederzijdse beïnvloeding – een liberaliserende en vernieuwende invloed gehad op samenleving, kerk en cultuur, die zeldzaam is in de Nederlandse letterkunde.