• In memoriam Erik Menkveld (1959-2014)

    Dichter, prozaïst, essayist en leraar.

    Erik Menkveld werd geboren in Eindhoven en bracht zijn lagere schooltijd in Tanzania en Ghana door. Later verhuisde hij naar Driebergen-Rijsenburg vanwaar hij het lyceum bezocht in Doorn. Hij studeerde af  aan de Vrije Universiteit Amsterdam op het annoteren van een aantal brieven uit de briefwisseling tussen A. Roland Holst en zijn oom en tante, Richard en Henriëtte. Na zijn studie Nederlands vond hij direct werk als redacteur bij De Bezige Bij, waar hij na verloop van tijd het poëziefonds onder zijn beheer kreeg. Van 1998 tot 2002 was hij organisator en programmamaker bij Poetry International. Van 2000 tot 2007 was hij redacteur van Tirade en voor de Volkskrant schreef hij vanaf 2009 poëzierecensies en dichtersnecrologieën. De laatste jaren combineerde hij zijn schrijverschap met het geven van literatuurlessen op een lyceum.

    In 1997 debuteerde Menkveld als dichter bij De Bezige Bij met de bundel De karpersimulator, waarvoor hij de Lucy B. en Van der Hoogtprijs en de C. Buddingh’prijs ontving. Daarna publiceerde hij nog twee dichtbundels, Schapen nu! (Bezige Bij 2001) en Prime time (Van Oorschot 2005). Zijn dichtwerken gaven de indruk van een luchtige opgeruimdheid. In een interview met Elisabeth Lockhorn, naar aanleiding van het verschijnen van zijn derde bundel Prime time, vertelde Menkveld dat hij, door het samenwerken met Hugo Claus aan diens verzamelbundel Gedichten 1948-1993, van Claus leerde dat gedichten niet in je hoofd ontstaan maar onder je handen. ‘Dichten is geen bevlogen aangelegenheid, maar puur vakwerk’.

    In 2006 verscheen Met de meest hoogachting, een essaybundel in de vorm van brieven aan bewonderde kunstenaars waaronder John Coltrane, Boeddha, Martinus Nijhoff, Herman Teirlinck en F. Harmsen van Beek. Menkveld liet zich inspireren door de brieven die de Italiaanse dichter Petrarca onder andere schreef aan klassieke auteurs als Cicero en Seneca. In 2008 was Menkveld, samen met Tsead Bruinja, Marjoleine de Vos, Hagar Peeters en Ramsey Nasr in de race voor de verkiezing van Dichter des Vaderlands, waarbij uiteindelijk de keus op Nasr viel.

    In 2011 verscheen zijn prozadebuut Het grote zwijgen, een historische roman over de vriendschap tussen de jonge muziekrecensent Matthijs Vermeulen en de veel oudere componist Alphons Diepenbrock. Het grote zwijgen werd bekroond met de Academia Literatuurprijs 2012. Volgens zijn uitgever, Wouter van Oorschot, vormde dit boek een belangrijke stap in zijn schrijverscarrière. Het boek werd alom als succesvol gewaardeerd en toonde Menkveld ‘in optima forma: studieus en warmbloedig’, aldus Van Oorschot.

    Het Liegend konijn publiceerde in de tweede editie van 2012  nog enkele gedichten van Erik Menkveld. In het gedicht Ademloos schreef hij het volgende: (…) ‘En ik zag zijn ademloze mond / en hoe hij meteen verdwenen was / waar hij nog lag, een afgevallen  / kamerjas, en ik keek maar, keek / naar zijn wagenwijd verlaten / hoofd en nooit eerder had ik zo / de neiging hem geluk te wensen.’
    Alsof het plots overvallen worden door de dood, gepaard gaat met ‘geluk’ hebben.

    Erik Menkveld overleed zondag 30 maart aan een hartstilstand. Hij laat een vrouw en drie kinderen achter. Vrijdag 4 april wordt Menkveld in Amsterdam begraven.

    Op Tirade.nu schreef Menno Hartman, redacteur van Erik Menkveld, een persoonlijk ‘In memoriam’.    


    Foto: Chris van Houts

     

     

  • In memoriam Doris Lessing (1919-2013)

    Op 17 november overleed Doris Lessing op 94-jarige leeftijd. Lessing was één van de belangrijkste naoorlogse Britse schrijvers, geboren in het koloniale deel van Perzië (Iran) en opgegroeid in Zuid-Rhodesie (Zimbabwe). Een vrouw die, volgens haar uitgever Nicholas Pearson van Harper Collins, zelfs op hoge leeftijd ‘nieuwsgierig en geïnspireerd bleef en intellectueel onrustig’ was. Haar laatste roman Alfred en Emily, over haar ouders, verscheen in 2008.

    ‘Mensen die geen literatuur lezen blijven onwetenden’, is een uitspraak van Lessing. Zij heeft als geen ander deze stelling gestalte gegeven. Op dertienjarige leeftijd liep ze weg van de meisjesschool waarna haar moeder haar thuis hield. Het was sowieso voor meisjes in de Brits koloniale tijd in Afrika geen gewoonte ze te laten doorleren. In haar jeugd onderwees zij dan ook zichzelf door de boeken te lezen die haar moeder uit Londen liet komen. Haar ‘pararell education’ haalde ze uit boeken van, Dickens, Scott, Stevenson, Kipling en later Stendhal, Tolstoj en Dostojevski. Toen ze op vijftienjarige leeftijd onder het gezag van haar moeder uit wilde, ging ze werken als kindermeisje. Haar werkgever gaf haar politieke en sociologische werken te lezen. Ze schreef toen al verhalen waarvan er twee werden gepubliceerd in Zuid-Afrikaans tijdschriften.

    Naast haar succesvolle debuut The Grass is Singing (1950), over de vrouw van een blanke boer die een relatie krijgt met een Afrikaanse bediende is The Golden Notebook (1962), haar bekendste boek. Waarin ze schreef over de positie en passies van de vrouw, een onderwerp dat haar zeer aan het hart lag, evenals rassenkwesties en gelijke rechten. Haar meest autobiografische werk is het vijfluik Children of Violence (1952-69), waarin haar alterego Martha Quest,  jong trouwt maar het huwelijksleven al gauw afwijst waarna ze zich engageert als marxiste. Ze schreef over dat wat haar in het leven bezighield. Haar beste werk vond ze zelf de science fictie-serie Canopus in Argus (1979-1983). In deze vijf boeken beschrijft ze de verschillende stadia van ontwikkeling van een aantal samenlevingen. Deze boeken, vaak omschreven als science fictionromans, behandelen een paar urgente levensproblemen als het doel van het leven, oorlog, vijandbeeld, man-vrouwrelaties, bewustzijn en God. In totaal schreef zij meer dan vijftig romans, verhalen, essays en dichtbundels.

    In 1937 ging ze naar Salisbury waar ze op haar negentiende trouwde en twee kinderen kreeg. Maar het huwelijkse leven benauwde haar en op 24 jarige leeftijd verliet ze haar man  en kinderen. Haar tweede man, Gottfried Lessing, ontmoette ze bij een communistische boekenclub. Ook dat huwelijk, waaruit een zoon voortkwam, werd na vier jaar ontbonden. Met haar jongste kind en het manuscript van The Gras is Singing vertrekt ze in 1949 naar Londen. Datzelfde jaar wordt haar debuutroman gepubliceerd. Vanaf dat moment kan Lessing leven van haar pen.
    Politiek gezien was ze zoekende. Ze was een tijdje lid van de Britse Communistische Partij maar keerde die weer de rug toe na de inval van het Sovjetleger in Hongarije in 1956. Na het lezen van The Sufis, en een ontmoeting met de schrijver, Idries Shan laat ze zich haar verdere leven leiden door het Soefisme.

    Lessing’s werk werd vele malen bekroond en in 2007 ontving ze de meest begeerde onder alle literaire prijzen, de Nobelprijs voor de Literatuur. Ze had dit zelf allerminst verwacht omdat in haar vroege schrijversbestaan (1960) de jury van de Nobelprijs had laten weten dat ze niet goed genoeg schreef om in aanmerking te komen. Ondertussen was er bijna vijftig jaar gepasseerd en besloot de jury dat Lessing een ‘heldendichteres van de vrouwelijke ervaring’ was, ‘die met scepsis, vuur en visionaire kracht een verdeelde beschaving heeft bestudeerd’. Haar verbazing was er niet minder om:  ‘So now they’ve decided they’re going to give it to me. So why? I mean, why do they like me any better now than they did then?’. In de periode daarna noemde ze het winnen van de Nobelprijs een ramp omdat ze niet meer aan schrijven toekwam door de hausse aan publiciteit die over haar heen kwam. Ze is gestorven in haar huis in Londen, drie weken na het overlijden van haar jongste zoon Peter, die ze jarenlang verzorgd heeft.

     

    Lessing thought she would never win a Nobel prize after being told in the 1960s that the committee did not like her. When it was awarded, she said: “So now they’ve decided they’re going to give it to me. So why? I mean, why do they like me any better now than they did then?” – See more at: http://www.theaustralian.com.au/news/world/nobel-laureate-doris-lessing-dead-at-94/story-fnb64oi6-1226762780475#sthash.JqhpNAqR.dpuf
    Lessing thought she would never win a Nobel prize after being told in the 1960s that the committee did not like her. When it was awarded, she said: “So now they’ve decided they’re going to give it to me. So why? I mean, why do they like me any better now than they did then?” – See more at: http://www.theaustralian.com.au/news/world/nobel-laureate-doris-lessing-dead-at-94/story-fnb64oi6-1226762780475#sthash.JqhpNAqR.dpuf
    Lessing thought she would never win a Nobel prize after being told in the 1960s that the committee did not like her. When it was awarded, she said: “So now they’ve decided they’re going to give it to me. So why? I mean, why do they like me any better now than they did then?” – See more at: http://www.theaustralian.com.au/news/world/nobel-laureate-doris-lessing-dead-at-94/story-fnb64oi6-1226762780475#sthash.JqhpNAqR.dpuf
  • J.H. Donner (1927-1988)

    Op de kop af vijf en twintig jaar geleden, op 27 november 1988, overleed de Nederlandse schaker en schrijver J.H. (Hein) Donner. Hij leidde een onaangepast leven, was slechts zeer kort werkzaam in loondienst en was ook in zijn kwaliteit als schaker grillig, met even opmerkelijke hoogte- als dieptepunten. Donner excelleerde in ruziezoeken, dodelijke beledigingen uitkramen en afwijkende standpunten innemen. Dit merkwaardige gedrag werd waarschijnlijk bepaald door een fundamentele tegendraadsheid die zijn leven (en dat van zijn naasten) soms gecompliceerd maakte.

    Voor zover hij ‘bekend’ werd gebeurde dat aanvankelijk door zijn verbluffende successen als schaker en – in mindere mate – doordat hij de ‘aartsvriend’ was van Harry Mulisch. Aan deze laatste wijdde hij ook enkele publicaties. Mulisch modelleerde Onno Quist (uit De ontdekking van de hemel) naar Donner. Voorts publiceerde Donner maatschappelijk geëngageerde stukken in diverse dag- en weekbladen, en nam daarbij graag een afwijkend standpunt in. Befaamd was zijn stelling, op het hoogtepunt van de tweede feministische golf, dat vrouwen niet kunnen schaken. En waarom zouden vrouwen niet kunnen schaken? Donner noemde ze sterker en slimmer dan mannen. Maar mannen beschikken over meer intuïtie en daarom kunnen ze beter schaken. Donners belangrijkste opstellen over het schaken zijn in 1987 gebundeld in De koning. Schaakstukken.  

    Omstreeks zijn 56ste werd Donner getroffen door een hersenbloeding. Als gevolg daarvan verbleef hij de laatste jaren van zijn leven in een verpleeghuis en had hij grote moeite met spreken en schrijven. Niettemin slaagde Donner er juist onder die uitzichtloze omstandigheden in zijn meest navrante werk te publiceren. Hij schreef in de weinige jaren die hem restten enige honderden ‘stukjes’ die op zaterdag verschenen in NRC Handelsblad. Vaak betroffen ze het dagelijkse wel en wee van een gehandicapte in een verzorgingstehuis. Ze werden gebundeld in Na mijn dood geschreven (1986), Slecht nieuws voor iedereen (1987), Geen patiënten (1988) en Als schrijver moet je veel lijden (1988).

    In februari 1985 schreef hij: ‘Schrijven kan niet meer, maar typen gelukkig wel. Op 23 augustus 1983 werd ik overvallen. […] Mijn voeten willen niet lopen, mijn handen kunnen bijvoorbeeld niet schrijven, zoals gezegd. Mijn ogen zijn scheel, mijn rechteroor is doof en mijn slik- en spraakvermogen zijn aangetast. Maar ik heb geen pijn en ik leef nog. Ik woon hier op de 5de verdieping.’

    Aldus laat Donner weinig te raden over omtrent zijn toestand. Juist omdat het schrijven – ook op de machine – hem zo moeilijk afging moest hij uiterste beknoptheid betrachten. En dan nog was hij dagen met een stukje bezig. Dit geeft aan het proza van Donner een grote intensiteit en een sterke lading. Gecombineerd met soms zeer stellige meningen levert dit uniek proza op.

    Het stukje ‘Medelijden’ bijvoorbeeld, van 23 juli 1985, begint als volgt: ‘Nee, ik heb geen pijn, maar ik heb een buurman die brult. Ton. Tons woordenschat bestaat uit twee woorden: ‘zuster’ en ‘godverdomme’ zodat hij meestal gelijk heeft […]’. Of: ‘De aantrekkingskracht van koffie op de verpleegkundige stand is verbijsterend.’ Donner zet zich ook met genoegen af tegen de ‘gezonde tweebener’ die het in zijn hulpvaardigheid graag zo goed bedoelt, maar vaak de zieken slechts helpt zoals hij – de ‘g.t.’ – graag wil, en niet zoals goed zou zijn voor de zieke.

    Juist in dit opzicht is Donners proza uniek en zou hernieuwde belangstelling voor deze bescheiden maar pregnante stukjes op zijn plaats zijn. Het kijkje in ’t binnenste van het verzorgingshuis is confronterend en even ontluisterend als leerzaam. We bewijzen Donner de grootste eer door – juist nu wij allen steeds ouder worden – daarop nog eens terug te grijpen.

     

    Zie ook de bijdrage van collega-schaker en journalist Alexander Münninghoff in het Biografisch Woordenboek van Nederland.

    Foto: Wikipedia; J.H. Donner (links)

     

  • In memoriam D. Hooijer (1939-2013)

    Er zijn schrijvers waarvan je je voorneemt hun werk te lezen maar waar het, om onduidelijke redenen, steeds niet van komt. D. Hooijer was zo’n schrijver. Maar het kwam er dus niet van. Tot ergens in het voorjaar van dit jaar, er in een achteraf winkeltje, op een schap met tweedehands boeken een nieuw exemplaar van Catwalk (2009) van D. Hooijer stond te stralen. En je herkent haar, want je wilde haar lezen. Toch duurde het nog tot eind deze zomer voor het gelezen werd. En daar begon een zoektocht, naar de tijd en over wie het nu eigenlijk gaat in dat boek. Dan de ontdekking dat het een boek is om in te verdwalen en weer terug te keren. Een boek met vreemde personages en veel mooie zinnen. Zinnen die je opnieuw moet lezen, en nog eens om de essentie te kunnen pakken en die aan het denken zetten en je dingen laten ontdekken. Een boek dat doet verlangen naar meer van dezelfde auteur. Je wilt kennismaken met de schrijver en al haar werk voorafgaande aan Catwalk en alles wat daarna verscheen en nog zal verschijnen. Maar daar zit dus opeens een limiet aan.

    D. Hooijer, pseudoniem van Kitty Ruys, is vorige week woensdag 25 september op 74 jarige leeftijd overleden. Van Oorschot, haar uitgever liet weten dat ze op de hoogte waren van haar problemen met haar gezondheid maar  daar deed ze zelf zo ‘onsentimenteel’ over dat er niet uit op te maken viel dat haar einde al zo dichtbij was.

    Ruys debuteerde pas op 62-jarige leeftijd met de verhalenbundel Kruik en Kling. Daarvoor had ze enkele verhalen gepubliceerd in het literaire tijdschrijft Tirade. Na drie verhalenbundels Kruik en kling, Zuidwester meningen en Sleur is een roofdier, maakte ze dan in 2009 haar romandebuut met Catwalk. In 2011 kwam haar tweede roman De wanden van Overhorst uit. De schrijfster werkte ook als boek illustrator en schreef poëzie. In de jaren tachtig publiceerde ze bundels onder het pseudoniem Milly Wiers maar met haar poëzie trok ze weinig lezers. Ze omschreef zichzelf als een parvenu in de literaire wereld. Dit jaar voltooide ze nog de roman Berichten van een zakenman. Het boek zal begin 2014 verschijnen.

    ‘Verdriet komt boven bij ledigheid en een cruise is erom vragen.’ (Catwalk, p. 159)

     

     

  • In memoriam Elis Juliana (1927-2013)

     Laatste van de ‘Grote drie’ van de Antilliaanse dichtkunst

    De  Curaçaose dichter, schrijver en beeldend kunstenaar Elis Juliana overleed 23 juni jongstleden op 85 jarige leeftijd. Hij behoorde met Luis Daal en Pierre Lauffer tot de ‘Grote Drie’ van de Antilliaanse dichtkunst in het Papiaments en was de langst levende. Juliana onderscheidde zich van de andere twee door zijn ritmische dichtkunst die zich in eerste instantie moeilijk liet vertalen. Fred de Haas, muzikant en vertaler, slaagde erin het  werk van Juliana op een goede manier te vertalen. Een week voor zijn overlijden werd Elis Juliana nog benoemd tot eredoctor aan de Universiteit van Curaçao vanwege zijn bijzondere verdiensten voor de Curaçaose gemeenschap. Waarover hij zelf zei: ‘Mijn hele leven heb ik geprobeerd om het Curaçaose volk te verheffen. Of het mij is gelukt, is niet aan mij om te zeggen.’

    In 1981 kwam Juliana voor het eerst naar Nederland op verzoek van Poetry International.  In het najaar van 2007 maakte uitgever Franc Knipscheer (Uitgeverij In de Knipscheer) tijdens een bezoek aan Curaçao voor het eerst kennis met Juliana. Vanaf dat moment nam hij zich heilig voor iets van hem uit te gaan geven. Dat resulteerde in 2011 in de dichtbundel Hé Patu/Waggeleend, in vertaling van Fred de Haas. Een ritmische klankgedicht dat uitgroeide tot een echte eilandklassieker.

    Het literaire werk van Elis Juliana beslaat meer dan een halve eeuw. Thematiek in zijn poëzie is de maatschappij, de geestelijkheid en de mentaliteit van het volk waarop hij kernachtig commentaar gaf. In De Avonden van de VPRO vertelt Fred de Haas dat deze schrijver en kunstenaar een rolmodel was voor veel mensen van Curaçao: ‘Elis heeft zijn werk altijd in dienst gesteld van de bewustwording van zijn volk. En uit al zijn gedichten blijkt dat hij graag wilde dat mensen zich bewust zijn van hun plek in de geschiedenis’.

     

     

  • In Memoriam J. Bernlef (1937 – 2012)

    Schrijver en dichter J. Bernlef  is op 29 oktober jl. na een kort ziekbed op 75 jarige leeftijd overleden. Bernlefs oeuvre omvat zo’n vijfentachtig titels die getuigen van een onvermoeibare schrijversdrang. Bernlef schreef in een no-nonsensstijl, sober en wars van gepsychologiseer. Hoewel hij vooral bekendheid verwierf met zijn romans schreef hij alles bij elkaar meer dan duizend gedichten. Bernlef is het pseudoniem voor Hendrik Jan Marsman, een Friese bard uit de achtste eeuw.

    In 1958 richtte Bernlef samen met G. Brands en K. Schippers het tijdschrift Barbarber op. Hij schreef daarvoor realistische en neo-realistische gedichten. Het tijdschrift onderscheidde zich van andere literaire tijdschriften door geen onderscheid te maken tussen het gewone en het literaire. De in Sint Pancras geboren schrijver debuteerde in 1959  toen hij de Reina Prinsen Geerligsprijs , (een literaire prijs voor auteurs onder de 25 jaar) won voor zijn inzending van niet eerder gepubliceerde verhalen en gedichten . De gedichten verschenen een jaar later in Kokkels en de verhalen in Stenen Spoelen.

    Bernlef was ook een belangrijk vertaler. Hij heeft onder andere vele werken uit het Zweeds naar het Nederlands vertaald, zoals het werk van Nobelprijs winnaar voor de literatuur 2011 Tomas Tranströmer. Als journalist interviewde hij samen met K. Schippers verschillende auteurs voor het tijdschrift De Gids. Hij schreef ook recensies voor o.a. de Haagse Post, was na Barbarber redacteur van Raster en publiceerde met eigen werk in meerdere tijdschriften, waaronder Kroniek van Kunst en Kultuur, Podium, Maatstaf, Waddenbulletin en Bzzlletin.

    In 1984 brak Bernlef door bij het grote publiek met Hersenschimmen. Een roman over een relatie die eindigt door dementie. Het thema dementie was een geheel nieuw onderwerp in de literatuur. Van dit boek zijn in Nederland en Vlaanderen meer dan een miljoen exemplaren verkocht en het werd in tien talen vertaald. In 1988 werd de roman verfilmd. In 2008 schreef hij het boekenweekgeschenk De Pianoman. Over zijn schrijven zei Bernlef zelf dat de meeste ideeën die hij had eerst als gedicht ontstonden en daarna verder werden uitgewerkt tot verhalen, essays of een roman.

    Bernlef was meer dan vijftig jaar aan uitgeverij Querido verbonden. Uitgever Annette Portegies op de site van de uitgeverij: ‘We verliezen niet alleen een geweldige schrijver maar vooral ook een lieve vriend. Iemand bovendien die, vanuit de traditie van ons huis, meedacht over de toekomst van de uitgeverij, en die jonge schrijvers hielp en adviseerde. We zullen hem verschrikkelijk missen.’ Ter ere van vijftig jaar schrijven publiceerde Querido dit jaar de nieuwe bundel verhalen, Help me herinneren.

    Zijn werk werd vele malen bekroond, onder andere met de P.C. Hooftprijs, de Constantijn Huygensprijs en de AKO Literatuurprijs.

    In de Boekenbijlage van NRC Handelsblad stond in mei van dit jaar een groot interview van Marjoleine de Vos met Bernlef ter ere van 50 jaar schrijverschap. In dat interview wordt benadrukt hoe enorm productief Bernlef in zijn leven is geweest.

     

     

  • In memoriam Doeschka Meijsing (1947-2012)

    ‘En plotseling was alles anders dan vroeger.’

    Maandag 30 januari overleed de schrijfster Doeschka Meijsing op 64 jarige leeftijd. Mijn boekenkast als stille getuige dat ik haar kende; De hanen en andere verhalen, Robinson, Tijger, tijger!, De beproeving, Vuur en zijde, 100 % chemie en Over de liefde, stonden met hun ruggen, opeens lichtelijk verschrokken naar me toe. Alsof ze te lang vergeten stonden. Doeschka Meijsing, haar naam alleen al steeg uit boven andere schrijvers, die eind jaren zeventig, begin jaren tachtig debuteerden. Robinson was het eerste boek dat ik van haar las en het was prachtig, terughoudend en bedacht maar tegelijkertijd vrij rebellerend.

    Doeschka Meijsing werd geboren onder de naam Maria Johanna Meijsing in Eindhoven op 21 oktober 1947 als tweede kind in een gezin van vier kinderen. Begin jaren vijftig verhuisde het gezin naar Haarlem. Ze vertrok naar Amsterdam toen ze Nederlands en literatuurwetenschap ging studeren aan de Universiteit van Amsterdam. In die tijd schreef ze verhalen en gedichten en op 22 jarige leeftijd debuteerde ze in het literaire tijdschrift Podium. Na haar studie gaf ze van 1971 tot 1976 les aan het St. Ignatiusgymnasium en tot 1978 was ze wetenschappelijk medewerker aan het Instituut voor Neerlandistiek van de Universiteit van Amsterdam. In 1978, ze had toen al drie boeken gepubliceerd, trad ze toe tot de redactie van de boekenbijlage van Vrij Nederland en in 1989 werd ze literatuurredacteur van opinieblad Elsevier.

    Ze schreef zo’n 20 boeken waaronder verhalen, romans, gedichten en essays. Met  haar jongere broer, Geerten Meijsing schreef ze in 2005 Moord & doodslag. Voor haar werk  ontving ze verschillende prijzen waaronder de Annie Romeinprijs in 1997 voor haar gehele oeuvre en in 2008 werd Over de liefde met meerdere prijzen bekroond: AKO Literatuurprijs, F. Bordewijkprijs en Opzij Literatuurprijs.
    Doeschka Meijsing schreef een aanzienlijk en respectabel oeuvre bij elkaar. Deze maand zou haar nieuwe verhalenbundel Het kauwgomkind uitkomen maar volgens uitgeverij Querido heeft ze het boek niet kunnen voltooien.

    In haar laatste boek, Over de liefde (2008), waarmee ze volgens sommigen pas echt doorbrak, (wee degene, die haar daarvoor niet kende), roept Meijsing dezelfde onherroepelijkheid op als in haar eerste roman Robinson. In Over de liefde begint Meijsing de derde alinea met: ‘Iemand had, buiten mijn weten, mijn leven overhoop geschopt en mijn toekomst aan diggelen.’ In die sfeer opende ze ook haar eerste roman (Robinson): ‘En plotseling was alles anders dan vroeger.’ De onomkeerbaarheid van het lot, al doe je nog zo je best, het neemt je altijd onverwacht te grazen. Haar personages zijn immer zoekende en worstelen met de werkelijkheid maar gingen er nooit aan onderdoor. Op 30 januari bepaalde het lot anders en overleed Doeschka Meijsing na een zware operatie. Een belangrijk schrijfster is heengegaan. Haar boeken blijven, fier rechtop in de boekenkast en hopelijk zullen veel van haar titels een herdruk beleven.

     

     

  • In memoriam F. Springer (1932-2011)

    ‘Hij hoopte dat ik een beetje zou kunnen slapen en hem dan wou laten weten wanneer ik wenste te vertrekken, opdat de ambassade kon helpen met het bemachtigen van een plaats in een vliegtuig naar Europa – altijd een gecompliceerd werkje in Luanda. Ik zwaaide hem weg, gehaast, want mijn werk wachtte. Er was nog veel te schrijven. De hele nacht zou ik doorwerken als dat moest. (…) Ik voelde hoe João in de deur mijn handelingen observeerde. Ik zei dat hij naar bed kon gaan. Hij wenste mij goedenacht.
    Het nieuwe, blanke blad van mijn orderboek zag er bijna verleidelijk uit. (…) Ik schreef. Steeds sneller schreef ik, want alles moest worden vastgelegd voordat er iemand binnenkwam om te beweren dat Pauline, King Veldermand en ikzelf nooit hadden bestaan.’

    Met bovenstaande fragment eindigt de roman Quissama. Een relaas uit 1985 en is veelzeggend over hoe de verhoudingen lagen tussen die van de schrijver F. Springer en zijn bestaan als de diplomaat Carel Jan Schneider. En zoals hij ook in een interview met  in de Volkskrant uit 2010 zei: ‘Het moet altijd met mijn eigen ervaringen te maken hebben’.

    Schneider was in 1979  diplomaat in Teheran toen de Sjah van Perzië het veld moest ruimen voor ayatollah Khomeini. Over deze omwenteling schreef Springer de roman Teheran, een zwanezang. Daarin beschrijft hij  hoe het kon gebeuren dat de islamitische revolutie het moderne Perzië zo snel kon veroveren. Het boek werd een van zijn bekendste werken. Voor Bougainville ontving hij in 1982 de F. Borderwijkprijs waarna de belangstelling voor al zijn werk gestaag toenam. Het grote publiek veroverde hij in 1990 met het Boekenweekgeschenk Sterremeer. Het boek Bandoeng-Bandung is een neerslag van zijn jeugdherinneringen in Nederlands- Indië in de lijn van Jeroen Brouwers, Hella Haasse en Rudy Kousbroek.

    F. Springer overleed op 79 jarige leeftijd op 7 november jongstleden. Een belangrijk schrijver die in de kantlijn van de literatuur sterk aanwezig was maar nooit helemaal tot de voorgrond doordrong. Daar was hij de man ook niet naar. Hij hield het liefst een prettige afstand tussen de gebeurtenissen waarover hij verhaalde en zichzelf. Springer, van beroep diplomaat, was geboren in Batavia (1932) onder de naam Carel Jan Schneider (broer van de acteur Erik Schneider). Als diplomaat kom je in aanraking met gebeurtenissen die geschiedenis maken en dat heeft Springer altijd goed weten te benutten. Diplomaat is overigens een mooi beroep om schrijver te kunnen zijn. Zijn sporen als diplomaat verdiende hij onder andere in Bangladesh, Iran, Angola, New York en de voormalige DDR. Springer debuteerde in 1962 met de verhalenbundel Bericht uit Hollandia.  Na zijn pensionering in 1989, werd hij fulltime schrijver. Zijn werk werd gekenmerkt door zijn heldere, nuchtere stijl waar de onderhuidse humor altijd voelbaar was.

    Andere belangrijke boeken van F. Springer zijn: Schimmen rond de Parula (1966), De gladde paal van de macht (1969), Tabee, New York (1974), Zaken overzee (1977), Bougainville. Een gedenkschrift (1981), Quissama. Een relaas (1985), Teheran, een zwanenzang (1992) en Kandy. Een terugtocht (1998). In 1995 werd zijn oeuvre bekroond met de Constantijn Huygensprijs.

    In januari 2012 brengt biograaf Liesbeth Dolk Vindplaatsen – De Indische jaren van F. Springer (een panorama van de laatste jaren van Nederland in ‘Indië’ in foto’s, brieven en gesprekken) uit bij Querido. Dolk werkt ondertussen aan een biografie van de schrijver waarvan nog niet bekend is wanneer deze uitkomt.

    Het Letterkundig Museum in Den Haag wijdt op dit moment een tentoonstelling aan F. Springer. Tijdens de tentoonstelling zijn er foto’s, handschriften, boeken en krantenknipsels ook brieven te bezichtigen. Waaronder een prentbriefkaart aan Hella S. Haasse en de correspondentie die Springer voerde met Em. Querido’s Uitgeverij over het manuscript van de nooit gepubliceerde korte roman Kleine Arabieren. Ook Springers brief aan uitgeverij Stols/Barth over de roman Met stille trom, die, nadat hij al gezet was, door de schrijver werd ingetrokken. Dit boek zal uiteindelijk in januari 2012 alsnog verschijnen.

    In1990  keerden F. Springer en zijn vrouw voor het VPRO-radioprogramma Passages, Passanten  terug naar de Baliemvallei in Nieuw Guinea, waar de auteur in 1958 met zijn vrouw woonde en werkte als aspirant controleur in dienst van het Nederlands Bestuur.
    De vierdelige serie werd in 1990 uitgezonden. Deze serie en andere VPRO-radioprogramma’s met F. Springer zijn hier terug te beluisteren via het vpro radio archief.

     

    Foto: Hans Kleijn

     

  • In memoriam Hella Haasse (1918-2011)

    Mijn jongste dochter kwam de woonkamer binnen en riep verontwaardigd: ‘Hella Haasse is dood.’ Niet dat zij haar zo goed kende, ze had Oeroeg en Transit (beiden boekenweekgeschenk 1948 en 1994))  voor haar leeslijst gelezen en daar hield haar kennismaking met de schrijfster op. Maar ze kent mijn voorkeur voor deze grote schrijfster.

    Mijn kennismaking met Hella Haasse was door Zelfportret als legkaart (1954), dat ik in 1975 in de boekenkast van mijn ouderlijk huis vond. Een egodocument waarin ik voor het eerst kennismaakte met een werk waarin een auteur zijn eigen gedachten tot onderwerp van het verhaal maakte. Haasse was te volgen in haar onderzoek naar haar eigen persoonlijke aandeel in het schrijven, in het ontstaan van haar werk. Het eerste autobiografische werk van Haasse nodigde uit om op afstand mee te kijken naar wat ze deed: Kijk, zo doe ik dat. Ik zuig de mat, kook het eten, verzorg de kinderen en onderwijl verwordt alles tot literatuur.

    Hella S. Haasse overleed donderdagavond 29 september na een kort ziekbed te Amsterdam. De stad waar zij in 1938 vanuit Indië aankwam en nu gestorven is. De laatste jaren van haar leven schreef ze niet meer omdat haar dit fysiek onmogelijk was. Mocht ze dan niets meer op papier krijgen, in haar hoofd – zo bekende ze in een interview in De Groene Amsterdammer – bleef ze verhalen maken omdat ze gewoonweg niet anders kon na een leven waarin ze jaar in jaar uit de ene titel na de andere schreef; romans, essays, toneel- en liedteksten. In 2009 stond Hella Haasse voor de laatste keer in het middelpunt van de belangstelling toen haar boek Oeroeg werd verkozen  tot cadeau exemplaar in het kader van de CPNB campagne: Nederland Leest. De herdruk verscheen in de overweldigende oplage van 923 duizend exemplaren. In datzelfde jaar verscheen Oeroeg in het Bahasa Indonesia. Het boek werd in Jakarta feestelijk – maar zonder de aanwezigheid van de schrijfster zelf – gepresenteerd.

    Haasse werd tijdens haar leven bekroond met de Constantijn Huygensprijs, de Annie Romeinprijs, de P.C. Hooftprijs, de Dirk Martensprijs en tweemaal de Publieksprijs. Voor ‘de artistieke en menselijke waarde van haar veelzijdige oeuvre’ ontving zij in 2004 uit handen van koningin Beatrix de prestigieuze Prijs der Nederlandse Letteren.

    Toch liep Hella Haasse in 2009 nog rond met een idee voor een laatste boek, De ontbladering was de titel. Waarover ze losliet dat het over haarzelf zou gaan en de verhouding tot haar man, Jan van Lelyveld (1918-2008). Haar man ontmoette ze in 1940 wanneer ze toetreedt tot de redactie van het studentenblad Propria Cures en waarvan Van Lelyveld mederedacteur was. In 1944 trouwen ze en samen krijgen ze drie dochters waarvan het eerste kind, Chrisje (1944- 1947) aan difterie overlijdt. Dat laatste boek zou er nooit komen. Hella Haasse liet zich door praktische bezwaren van het schrijven van haar laatste boek afhouden, zelf kon ze het niet meer en dicteren was absoluut geen optie.

    Misschien stemde het haar gerust dat ze niet meer ‘hoefde’, want er was al dat gedenkwaardige oeuvre en het was tijd om orde op zaken te stellen. Haar laatste interview, waarvan ze zei dat het haar zwanenzang was, werd door Daan Heerma van Voss en Daniel van der Meer afgenomen. Het interviewduo, dat eerder dit jaar het laatste interview met Hans Keilsons had opgetekend. Hoewel ze dit beiden van tevoren niet konden bevroeden, mag het opmerkelijk en benijdenswaardig genoemd worden, dat deze jonge schrijvers zo’n ongewild scherpe timing hadden om het laatste wat deze beide auteurs nog met de wereld wilden delen, mochten optekenen.

    Voor Hella Haasse moeten haar boeken het publiek genoeg zijn. Zij wenst zich geen biograaf, iemand die zich in haar leven ingraaft en daar zijn eigen betekenis aangeeft. Ze was geen dwarse vrouw maar wist wel goed wat ze wilde. Maar verder heeft ze alle informatie die voor een biograaf enige aantrekkelijkheid kan bevatten, zoals de relaties tot haar dierbaren, vertrouwd aan de papierversnipperaar. ‘ (…) wat is er over mij te vertellen? (..) Wat ik ben of ben geweest, het staat in mijn boeken…. Mijn relatie met mijn man wil ik met niemand echt delen. Dat is van ons.’

    Laten we haar respecteren in haar wens  en haar beschermen voor het voyeurisme dat zij zelf niet bezigde, zelfs niet in haar autobiografische geschriften. Lees haar werk met aandacht, dat maakt een biografie overbodig: ‘Ik besta in wat ik schrijf’.

    Leven en werk in kort bestek:

    Hella S. Haasse werd in 1918 geboren in Batavia.  In 1939 debuteert ze met een gedicht in de Amsterdamse Studentenalmanak waarna ze na een korte toneelcarrière tijdens de Tweede Wereldoorlog begint met schrijven. Ze schrijft Oeroeg in drie maanden (1948). Dit prozadebuut, betekende haar grote doorbraak. Daarna volgden haar grote historische roman; Het woud der verwachtingen, De verborgen bron, De scharlaken stad en in 1954 de autobiografie Zelfportret als legkaart.

    Haar indrukwekkend en monumentaal oeuvre bouwde zij verder uit met, Mevrouw Bentinck, Heren van de thee, Sleuteloog, De wegen der verbeelding en Fenrir.  Het woud der verwachting (1949), over het leven van Charles van Orléans, bracht haar in 1989 internationale roem met het verschijnen van de Amerikaanse vertaling.
    De literaire kern van haar oeuvre, zoals opnieuw uitgegeven in het Verzameld werk, beslaat meer dan twintig romans, een verhalenbundel, vijf autobiografische boeken en enkele essaybundels. Daarnaast schreef zij talloze toneelstukken en liedteksten. Haar werk wordt in negentien landen in vertaling uitgegeven.

     

    Een overzicht van dat werk en de buitenlandse vertalingen is hier te vinden. Zie ook:
    www.hellahaasse.nl
    www.hellahaassemuseum.nl

     

     

  • In memoriam Willem Barnard 1920 – 2010

    Op zondag 21 november is schrijver en dichter Willem Barnard overleden. Barnard was een belangrijk dichter die ten tijde van de Vijftigers debuteerde maar lange tijd door de pers veronachtzaamt werd. Pas in 1998 – tijdens de Nacht van de Poëzie in Utrecht – werd hij op 88 jarige leeftijd als dichter herontdekt. Hij is onder meer van grote betekenis geweest bij de vernieuwing van het kerklied in de protestantse kerken.

    Barnard publiceerde onder het pseudoniem Guillaume van der Graft een twintigtal dichtbundels en was als Willem Barnard een veelzijdig schrijver van essays, dagboeken, Bijbeluitleg en psalmliederen. Een pseudoniem koos hij om de dichter van de dominee te scheidden. Waar hij uiteindelijk niet in geslaagd is. Hij gold als een van de belangrijkste dichters op het gebied van psalmvertalingen en nieuwe gezangen. Wellicht stond zijn christelijke identiteit hem in de weg om een doorbraak naar het grote publiek mogelijk te maken. Van der Graft publiceerde zijn eerste gedicht in 1944 in het illegale tijdschrift, Parade der Profeten, waarin ook W.F. Hermans debuteerde.

    In 1946 debuteerde hij met de bundel In exilio. Als dichter werd hij sterk beïnvloed door  Martinus Nijhoff, vooral door de grote gedichten als Awater,( 270 regels ). Ook was hij op zoek naar open uitdrukkingsvormen en taalvernieuwing. Toen hij doorbrak als dichter in 1953 met de bundel Vogels en vissen, werd hij wel vergeleken met Gerrit Kouwenaar en Simon Vinkenoog. Ondanks de verwantschap die er wel degelijk was tussen Van der Graft en de Vijftigers, bleef hij door de religieuze inbedding van zijn werk een buitenstaander. Zelf sprak Barnard van het zelfverkozen lot van de eenling. Hij wilde niet bij een groep horen. Dichten noemde hij: ‘Een dialoog met de stilte’, daar had hij geen statement voor nodig. Van der Graft  wilde meer dan experimentele vorm en taal in de poëzie en zocht steeds naar de diepere betekenis van taal.

    Barnard wenste zijn werk als theoloog te scheiden van zijn dichterlijke activiteiten. Dat lukte niet altijd, er was zeker sprake van, zowel in zijn theosofische werken als in zijn gedichten, een Barnard-Van der Graft overlapping. Zelf had Willem Barnard “onnoemelijk spijt” van zijn pseudoniem. Op het moment dat hij zijn pseudoniem wilde afschaffen begon zijn zoon –  schrijver en dichter Benno Barnard  (1954) – naam te maken in de literatuur.

    Dat Barnard ooit koos voor een studie theologie boven een studie in de Letteren, heeft hem een dubbele identiteit opgeleverd waar hij zelf niet altijd gelukkig mee was. Met name de benaming dominee-dichter verafschuwde hij. Van 1947 tot 1975 was Willem Barnard predikant. In die periode werkte hij in opdracht van de kerk als dichter en vertaler nauw samen met Martinus Nijhoff, Ad den Besten, J.W. Schulte Nordholt en Jan Wit. Het leidde tot een nieuwe psalmberijming die in 1973 gepubliceerd werd als Liedboek van de Kerken.

    In 1997 maakte Van der Graft een comeback als dichter. Na de verschijning van het aan zijn overleden vrouw opgedragen Onbereikbaar nabij, dat tegelijkertijd ook het hoogtepunt in zijn werk genoemd wordt, gaf hij een indrukwekkend optreden tijdens de Nacht van de Poëzie(1998) te Utrecht. Het is daar dat  Van der Graft kennismaakte met jonge dichters als Ruben van Gogh en Ingmar Heytze, die hem op hun beurt ontdekten. Het leidde tot nieuw werk dat, meer en meer gericht op de liefde, de dood en de poëzie, steeds soberder en kernachtiger werd.

    Willem Barnard was eredoctor aan de Universiteit Utrecht en Ridder in de Orde van de Nederlandse Leeuw. Daarnaast ontving hij tal van literaire onderscheidingen als de Van der Hoogtprijs, de Poëzieprijs van de gemeente Amsterdam, en de Dr. C. Rijnsdorpprijs.

     

     

    Foto: Rufus de Vries

    Zie ook de bespreking van: Er loopt een gedicht voor mij uit – Bloemlezing Guillaume van der Graft, door Ingmar Heytze.

     

  • Michaël Zeeman overleden (1958 – 2009)

    Maandagavond 27 juli is in zijn huis in Rotterdam literair criticus, dichter en schrijver Michaël Zeeman op 50-jarige leeftijd overleden aan een hersentumor. ‘Zijn belezenheid was ongeëvenaard in de Nederlandse journalistiek’, zegt Pieter Broertjes, hoofdredacteur van de Volkskrant.

    Volgens Broertjes in een reactie in de Volkskrant was Zeeman ‘de man van de Renaissance en de Verlichting. De wereld was zijn werkterrein.’ Robbert Ammerlaan, Zeemans uitgever bij De Bezige Bij, moeten auteurs, literatuur en debat ‘nu een formidabele pleitbezorger missen.’

    De literair criticus werd vijftig jaar geleden geboren op Marken als domineeszoon en groeide op in Friesland, waar hij in Dokkum naar het athenaeum ging. Vanaf 1980 werkte hij voor verschillende dag- en weekbladen als Vrij Nederland, Leeuwarder Courant en NRC Handelsblad. In 1991 stapte hij over naar de Volkskrant waar hij sindsdien aan verbonden bleef. Zo nu en dan schreef hij een artikel De Groene Amsterdammer.

    Bij de Volkskrant was Zeeman twee jaar chef kunst en negen jaar boekenredacteur. In 2002 ging hij als freelance correspondent voor de Volkskrant naar Rome. Zeeman werd landelijk ook bekend met het boekenprogramma Zeeman met boeken dat hij van 1996 tot 2002 presenteerde voor de VPRO.

    Vanaf 1974 werkte Zeeman bij boekhandel De Tille in Leeuwarden (tegenwoordig Selexyz De Tille). In 1986 werd hij door de boekhandel aangeklaagd wegens diefstal van boeken ter waarde van 200.000 gulden. In 1993 werd de zaak geschikt. Volgens Zeeman was er een afspraak dat hij de boeken mocht houden, maar volgens de eigenaar van De Tille was er geen probleem met het meenemen van boeken ter recensie, maar moesten ze wel worden teruggebracht.

    Bij De Bezige Bij publiceerde Zeeman een aantal boeken: de dichtbundels Beeldenstorm en Verhoudingen, de verhalenbundel De Verduistering, het essay God zij met ons en zijn briefwisseling met Abdelkader Benali Wie kan het paradijs weerstaan: Romeinse brieven. In 1991 kreeg hij de Buddingh’-prijs voor Beeldendstorm, in 2002 ontving hij de Gouden Ganzenveer voor zijn oeuvre.

    Zijn dichtbundels en de briefwisseling zijn momenteel nog leverbaar bij Centraal Boekhuis. Voor het najaar staan in CB Online nog twee werken van zijn hand aangekondigd: Het fluwelen gordijn, een reisboek, en het pamflet Gedoemd tot ironie. Over de verwoestende kruistochten tegen de cultuur.

    Michaël Zeeman was begin jaren negentig getrouwd met Eva Cossée, uitgever van Cossee. Het huwelijk hield slechts een paar jaar stand. Zeeman werd half mei in Wenen in een ziekenhuis opgenomen, nadat hij onwel was geworden. Thuis in Rotterdam werd een inoperabele hersentumor geconstateerd.

    Bron: Boekblad (VE)

     

     

  • Simon Vinkenoog overleden (1928-2009)

    Schrijver Simon Vinkenoog is zondagochtend op 80-jarige leeftijd in zijn woonplaats Amsterdam overleden. Dat heeft zijn echtgenote, Edith Ringnalda, gemeld. Vinkenoog overleed om 01.40 uur in het het VU Ziekenhuis in Amsterdam, waar hij vrijdagavond was opgenomen na een hersenbloeding. Hierna raakte hij in coma. Bij het afscheid waren familie en vrienden aanwezig. ”Simon heeft een goed uiteinde beleefd”, aldus Ringnalda.

    De begrafenis van Vinkenoog heeft komende zaterdag plaats op begraafplaats St. Barbara in Amsterdam. Het publiek krijgt zaterdagmorgen de kans om afscheid te nemen.

    Onbekende
    De keus voor St. Barbara was volgens de echtgenote van Vinkenoog vanzelfsprekend. ”Omdat Simon daar vijf keer dichter van dienst was bij de begrafenis van een onbekende”, aldus Ringnalda enkele uren voordat haar man stierf. ”Dat gebeurde daar zo mooi, zo liefdevol.”

    Vinkenoog werd geboren op 18 juli 1928 in Amsterdam. ”Hij zou volgende week 81 worden, hij was nog zo lief en levenslustig, maar het is ons niet gegeven”, aldus Ringnalda. Bij Vinkenoog werd onlangs een been geamputeerd.

    Dichter
    Vinkenoog is het meest bekend als dichter en prozaschrijver. Zijn eerste dichtbundel Wondkoorts verscheen in 1950. Sindsdien schreef hij meer dan dertig boeken.
    In 2004 werd hij benoemd tot dichter des Vaderlands. In 2008 schreef Vinkenoog nog een eerbetoon aan de stad Amsterdam: Amdam/madmaster.
    Ook stond Vinkenoog bekend ‘wietambassadeur’. In televisieprogramma’s en op foto’s was hij vaak te zien met een joint in zijn handen.

    Nieuwsgierig
    Vinkenoog zei ooit dat hij ”ontzettend nieuwsgierig was naar de dood”. ”Daarin worden alle sprookjes waar en na de dood zul je alles weten. Maar ik denk dat ik na de dood in de buurt van de aarde blijf hangen, want ik vind het enorm interessant hier”, aldus de auteur in een interview in 1975.

    Bron: (c) ANP