• Boek Pauline van der Lans verschenen

    In de periode 2006-2009 heeft Pauline van der Lans recensies geschreven voor Literair Nederland.

    Op 26 oktober 2015 is Pauline helaas overleden. Wij waren toen geschokt door het nieuws. Pauline en de redactie van Literair Nederland werkten plezierig samen. Dat leidde tot een aantal goede stukken van haar hand. Hier treft u er een aantal aan. Speciaal dit fraaie stuk over Jeanette Winterson viel toen erg in de smaak.

    Pauline was zelf ook schrijfster. In 2005 publiceerde ze in eigen beheer de roman Van de wereld en in 2014 bij uitgeverij Elikser Tommie, een vlinder achter glas, over haar broertje, dat in 1979 op 11-jarige leeftijd stierf.

    Nu is dan uiteindelijk Donkerblonde dochter gepubliceerd bij Elikser.

    De tekst op de achterflap:

    ‘Ik zie het meer zo: er is een familiepatroon waar ik nu eenmaal deel van uitmaak. Maar ik moet ervoor zorgen dat ik eruit kan stappen als ik dat wil en dat ik dan even buitenstaander kan zijn. Ik wil er best onderdeel van zijn, maar ik wil er niet door overweldigd worden. Ik moet mijn eigen beslissingen nemen en ik moet de dingen op mijn manier doen.”

    Heleen en Bijou groeien op in Den Haag en worden vriendinnen in Zutphen tijdens hun studie. Samen en op hun eigen manier proberen ze hun leven vorm en kleur te geven in een wereld waarin persoonlijke en collectieve trauma’s generaties lang doorwerken, maar er altijd ruimte is voor liefde, kunst, schoonheid en humor.

    In haar laatste levensjaar schreef Pauline van der Lans een rijke, sfeervolle roman, waarin ze haar eigen levensverhaal fijnzinnig heeft verweven. Ze brengt twee sterke vrouwen met Indische wortels tot leven en neemt de lezer mee in haar kritische en originele reflecties op thema’s als gender en etniciteit. In haar beeldende stijl schildert ze prachtige sfeerimpressies van de plaatsen en tijden waarin ook haar eigen leven zich afspeelde.’

    Wij kijken met  plezier terug op onze samenwerking met Pauline van der Lans.

    Haar boeken zijn hier te verkrijgen.

     

  • In memoriam Theo Sontrop 1931 – 2017

    Uitgever en dichter Theo Sontrop is zondag 3 september overleden op Vlieland, het eiland waar hij zich in 1991 terugtrok nadat hij jaren in de uitgeverswereld had gewerkt. Hij was een meester met de Nederlandse taal, al kwam zijn dichtwerk zeer traag tot stand. Volgens uitgever Peter Nijssen laat hij ‘een klein, maar zeer fijn dichterlijk oeuvre na.’ Langzaam kromgroeien (1962) en Marmerkijker (1971). In 1996 resulteerde dat in de uitgave van zijn Verzamelde gedichten. Maar voor alles was hij een lezer.

    Sontrop was bijna twintig jaar uitgever bij De Arbeiderspers. Hij werkte in die periode nauw samen met hoofdredacteur Martin Ros, met wie hij de prestigieuze serie Privé-domein initieerde. Deze reeks, met namen als Paul Léautaud, Konstantin Paustovskij, Gustave Flaubert, Fernando Pessoa en Elias Canetti, waardoor de autobiografie als brief of dagboek als belangrijk literair document zijn weg vond en inmiddels meer dan vijftig jaar bestaat. In zijn tijd haalde hij onder meer J.M.A. Biesheuvel, Rudy Kousbroek, Joost Zwagerman, F.B. Hotz en Geerten Meijsing naar de uitgeverij en startte een succesvol poëziefonds met dichters als Ed Leeflang, Jan Eijkelboom, Anna Enquist, Rob Schouten en Eva Gerlach.

    Dat Sontrop niet altijd in zijn eigen dichtkunst geloofde, toont de volgende anekdote, door Reinjan Mulder opgehaald in een nagedachtenis op Das Zahngold. Op een gegeven moment kreeg Sontrop een brief van uitgever Geert van Oorschot, met daarbij een contract voor een dichtbundel. ‘Of ik dat maar even wilde tekenen.’ Sontrop dacht aanvankelijk aan een practical joke. Hij was achterdochtig en maakte de brief zoek in een stapel kranten. Na een paar weken werd hij door Van Oorschot gebeld die hem vroeg: ‘Waarom beantwoordt u nooit brieven?’

    Theo Sontrop figureerde in het boek Jagtlust van Annejet van der Zijl als een van de bewoners. Hij huurde daar begin jaren zestig de voorkant van de benedenverdieping bij Fritzi ten Harmsen van der Beek. Het was de tijd dat hij toetrad tot de literaire wereld, zijn eerste dichtbundel uitkwam en zijn carrière in de Amsterdamse uitgeverswereld een start maakte. In Jagtlust wordt Sontrop omschreven als ‘zo’n typische oorlogspuber, die in de jaren vijftig kringen had trachten te maken in het toen nog zeer stille water Utrecht. “Behept met een ongebreidelde intellectuele vraatzucht” was de middenstanderszoon tijdens zijn studietijd betrokken geraakt bij de oprichting van Tirade en vervolgens bij Propria Cures in de redactie gekomen. Daar ging hij de geschiedenis als ‘de luiste redacteur ooit’ – samen met Joop van Tijn.’

    Wanneer hij in de vroege ochtend bij helder weer op Jagtlust zijn tuindeuren opende, kon hij helemaal uitkijken over de weilanden tot aan de toren van Eemnes. Waarop hij dichtte:

    Gezwinde dame die uw rad bepopelt
    als ik nog droom en iemand mij citeert
    ‘op mijn kop in de grond verwacht ik de mol’
    als onder een deken van hanegeschrei
    de eerste brommer zijn fabrike besluipt
    een peer op het hoofd van de hengst ploft;
    u weet, mevrouw, uw rad, hun galg,
    is feilloos, maar u trilt onzeker als u ziet
    hoe traag de hand uw draden nadert
    waarin de laatste atalanta van het jaar

    (Uit: ‘Spin’)

     

    In de jaren tachtig las Theo Sontrop columns voor in het VPRO radioprogramma Borát.

     

     

    Foto: Beeldbank stadsarchief Amsterdam

    Lees ook: de Volkskrant – Onno Blom; NRC – Kees Freriks en lees interview – Chrétien Breukers (2014).

     

     

  • In memoriam Robert Anker 1946-2017

    Op vrijdag 20 januari, de dag dat zijn nieuwste boek In de wereld uitkwam, overleed Robert Anker na een kort ziekbed in zijn woonplaats Amsterdam. Anker publiceerde met grote regelmaat en werd geroemd om zijn schrijfkunst en zijn lust tot schrijven die – volgens een recensent in Trouw – van de bladzijden afspat. Hij hield ervan zichzelf steeds opnieuw uit te vinden, zijn hele oeuvre kent dan ook een grote verscheidenheid in taal en thematiek. Toch was er een ding dat zijn werk kenmerkte en dat was zijn fascinatie voor de ontreddering van de mens. Hij voelde zich aangetrokken tot de verloedering van de mens, in al zijn vormen. Ook zijn nieuwe (historische) roman gaat over een gegoede burger die uit de samenleving wordt gestoten omdat hij aan lepra lijdt.

    Nadat er enkele gedichten van hem in De Revisor en Tirade verschenen waren, debuteerde hij in 1979 met de bundel Waar ik nog ben, gebaseerd op zijn jeugd in het West-Friese Oostwoud waar hij geboren was.
    Voor zijn tweede bundel Van het balkon (1983) ontving hij de Jan Campertprijs en voor Nieuwe veters (1987) de Herman Gorterprijs. In 1993 kreeg hij de F. Bordewijkprijs voor De thuiskomst van kapitein Rob, (Twee novellen en een brief). Met zijn roman Een soort Engeland (2001) won hij de Libris Literatuur Prijs. Ook werd hij twee keer genomineerd voor de VSB Poëzieprijs en stond hij met De vergever op de longlist van de ECI Literatuurprijs 2016.

    Anker was eind jaren tachtig, begin jaren negentig redacteur van Tirade en tot zijn zestigste combineerde hij zijn schrijverschap met zijn leraarschap Nederlands op een middelbare school. Ook was hij jarenlang poëzierecensent bij Het Parool.

    Anker schreef veelal registrerend waarmee hij diverse werelden kon oproepen en door zijn zelfspot (vooral in zijn poëzie) ontstaat er vaak een stil soort humor die je doet glimlachen.

    Plotseling begon iemand van ons onbedaarlijk
    te vloeken is het godverdomme
    alweer vier jaar geleden
    dat Bert stierf en wanneer Hans
    wanneer is Hans verdomme en Dian?
    We konden hem niet kalmeren
    daarvoor was zijn woede te groot
    terwijl het toch zo eenvoudig is.

    Uit: Nieuwe veters. Verzamelde gedichten 1979-2006

     

    Bibliografie:

    Poëzie
    Waar ik nog ben 1979)
    Van het balkon (1983)
    Nieuwe veters (1987)
    Goede manieren. Een episodisch gedicht (1989)
    In het vertrek (1996)
    De broekbewapperde mens (2002)
    Heimwee naar (2007)
    Nieuwe veters. Verzamelde gedichten 1979-2006 (2008)
    De dichter en de stad (2009)
    gemraad slasser d.d.t (2009)
    Onvergetelijke toegewijde trouweloze tijd (2015)

    Romans en verhalen:
    De thuiskomst van kapitein Rob. Twee novellen en een brief (1992)
    Volledig ontstemde piano (1994)
    Vrouwenzand (1998)
    Een soort Engeland (2001)
    Hajar en Daan (2004)
    Negen levens (2005)
    Alpenrood (2007)
    Nieuw-Lelievelt (2007)
    Fortuyn en Liefde (2009)
    Oorlogshond (2011)
    Schuim (2014)
    De vergever (2016)
    In de wereld (2017)

    Essays:
    Olifant achter blok (1988)
    Vergeten licht (1993)
    Innerlijke vaart. Zomerdagboek (autobiografie, 2005)
    Negen levens. Een dorp als zelfportret (autobiografie, 2005)

     

    Zijn laatste boek In de wereld wordt woensdag 25 januari gepresenteerd in het Cultureel Studentencentrum CREA van de Universiteit van Amsterdam.

     

     

  • In memoriam John Berger (1926-2017)

    Een bijzonder mens en controversieel schrijver en kunstcriticus is overleden. John Berger overleed maandag 2 januari op 90 jarige leeftijd. Sinds de jaren zeventig woonde hij teruggetrokken in de Haute-Savoie, aan de voet van de Franse Alpen. Hij hield van het platteland, niet om het uitzicht, maar om er deel vanuit te maken. Berger voelde zich aangetrokken tot het aardse leven en werkte met de boeren mee. Hij was er van overtuigd dat: ‘Als je de boeren kwijt raakt, raak je de kunst tot overleven kwijt.’ De laatste jaren van zijn leven woonde hij in Parijs.

    Berger werd in 1926 geboren in Hackney Noord-Londen en studeerde kunstwetenschappen, onder andere aan Saint Martins College of Art and Design. Hij werd leraar tekenen en schilderen maar begon zich vanaf de jaren vijftig te onderscheiden als criticus en essayist, niet alleen op het gebied van kunst, maar ook maatschappij-kritisch. Zijn debuut, A Painter of Our Time (1958), verhaalt over een verdwenen kunstenaar die tijdens de Hongaarse revolutie terugkeert naar Boedapest. Dient gelezen te worden als een gepassioneerde verkenning van het artistieke proces maar werd vooral beoordeeld op het politieke karakter erin. Het boek werd toentertijd zelfs uit de handel gehaald.

    In Nederland kreeg hij in de jaren negentig bekendheid met de trilogie De vrucht van hun arbeid (Varken aarde, Ver weg in Europa en Sering en vlag), nadat hij in het literaire tv-programma van Adriaan van Dis te gast was geweest. De trilogie werd vorig jaar door uitgeverij Schokland in de reeks Kritische Klassieken opnieuw uitgegeven. Het derde deel Sering en Vlag, kwam juist in november 2016 uit. Op de vijfde van die maand werd hij negentig jaar. Vrienden hadden hem gevraagd wat hij met zijn verjaardag wilde doen, hij stelde voor helemaal niets. ‘Wees maar stil’, had hij gezegd. ‘Het moet een dag zijn als alle andere.’

    Volgens zijn Britse redacteur Tom Overton, die ook aan zijn biografie schrijft, leerde Berger ons dat kunst je leven verrijkt. In zijn  tv-programma Ways of Seeing voor de BBC in de jaren zeventig, onderzoekt Berger de impact van fotografie op de waardering van kunst uit het verleden. Hij verkreeg hiermee in Groot-Brittannië grote bekendheid.

    Schrijven is een kwestie van luisteren, vond Berger: ‘Als ik een verhalenverteller ben, dan is dat omdat ik luister. Voor mij is een schrijver een smokkelaar die waar over een grens weet te krijgen.’ Een mooi beeld: Luisteren naar de anderen, het in je opnemen, je eigen maken en het uitschrijven. En dat is de poging het de grens over te krijgen, zien wat ervan geworden is,  het een verhaal laten worden, als je het tenminste de grens over krijgt. ‘Een verhaal is altijd een reddingsoperatie’, zei hij ooit tegen Susan Sontag.

    Wie John Bergers werk wil leren kennen: lees  zijn trilogie De vrucht van hun arbeid en kijk naar Ways of Seeing, de rest komt vanzelf. Het is een ervaring, een ervaring die je anders dan voorheen naar de dingen laat kijken. En laat er vooral nog meer werk van hem vertaald worden. Bijvoorbeeld zijn debuutroman, om met de ogen van nu te kunnen oordelen (en geheel in stijl van Berger) over de discutabele stellingname van de schrijver in deze roman.

    John Berger won in 1972 de Booker Prize voor zijn roman G. De helft van het prijzengeld doneerde hij aan de radicale Afrika-Amerika beweging, the Black Panthers. Hij laat drie kinderen na uit twee huwelijken, twee zoons en een dochter.

     

    Bron: The Guardian

  • In memoriam Peter van Straaten (1935-2016)

    De man die zei, ‘Zonder tekenen niets te zijn’, is donderdag 8 december jongstleden overleden. Tekenaar Peter van Straaten was al geruime tijd ziek en werd 81 jaar.

    Van Straaten begon zijn carrière in 1958 bij Het Parool als reportagetekenaar. Zijn eerste tekening verscheen op 26 juli 1958. Later begon hij politieke tekeningen te maken. Hij startte in 1968 met de strip ‘Vader & Zoon‘ in Het Parool. Deze politiek getinte strip over een dikke en conservatieve vader in krijtstreep pak en zijn slordige, linksgeoriënteerde zoon was een groot succes en bleef tot in 1987 verschijnen. Een groot deel van zijn leven tekende Peter van Straaten voor Het Parool (1958 -2012) later ook wekelijks voor de Volkskrant en had een geïllustreerde column in het NRC.

    Hij genoot grote bekendheid om zijn politieke prenten die door de humoristische toonzetting, een verfrissende en relativerende werking hadden. Hij had een goed oog voor de kleine ongemakken van alledag. Vooral het klein leed tussen echtelieden wist hij feilloos en treffend uit te beelden in zijn cartoons, steevast voorzien van een beknopt en immer trefzeker onderschrift. Als schrijver publiceerde Van Straaten vanaf 1968 het feuilleton Agnes in Vrij Nederland over het slordige, met witte wijn overgoten en door handtastelijke mannen bevolkte leven van een alleenstaande moeder en haar opgroeiende zoon (gebundeld in twaalf boeken). Van Straaten noemde het zelf ‘een soort edelkitsch’, maar waren evengoed zeer populair. Er was de briefwisseling met Eelke de Jong en Rijk de Gooyer en drie bundels verhalen die hij voor Het Parool schreef. Het kinderboek Een jongen en zijn boom (1998) en een aantal toneelstukken waaronder Een lichte lunch (1987). Alles bij elkaar laat hij een oeuvre van tientallen publicaties en duizenden tekeningen na en is ruim dertig jaar verbonden geweest met uitgeverij De Harmonie, waar hij meer dan 70 titels heeft uitgebracht.

    In 2006 ontving hij de Gouden Ganzenveer en in 2010 werd hem de Jacobus van Looy-prijs toegekend, een prijs voor dubbeltalenten. In 2011 ontving Van Straaten een eredoctoraat aan de Rijksuniversiteit Leiden vanwege de wijze waarop zijn cartoons het menselijk gedrag inzichtelijk maken. Zijn erepromotor, hoogleraar klinische psychologie, Willem van der Does gebruikt al jaren de cartoons van Peter in colleges en in zijn boeken “Zo ben ik nu eenmaal!” en “Dat moet mij weer gebeuren”.

    Van Straatens laatste tekening verscheen dinsdag 2 augustus 2016 in de Volkskrant (Daar lag Engeland). In september van dit jaar ontving hij voor de vijfde maal de Inktspotprijs, prijs voor de beste politieke tekening van het jaar.

    Peter van Straaten was getrouwd met kunstenaar Els Timmerman en heeft een dochter uit een eerder huwelijk.

     

     

    Foto Els Timmerman

     

     

  • In memoriam Helga Ruebsamen 1934 – 2016

    In de nacht van maandag op dinsdag 8 november is op 82-jarige leeftijd schrijfster en columnist Helga Ruebsamen in Den Haag overleden. Ruebsamen werd geboren in Batavia als dochter van een Nederlandse moeder en een Joods-Duitse vader. Op haar zevende verhuisde ze met haar ouders naar Den Haag. Ze begon in die tijd, in het begin van de oorlog en als kind dat het zonnige en avontuurlijke Batavia miste, te schrijven. ‘(…) om mezelf terug te toveren naar Indië. (…) ik wilde nieuwe avonturen. Dat werden dus verhalen.’

    In vijftig jaar tijd publiceerde Ruebsamen drie romans en vijf verhalenbundels en schreef ze jarenlang columns voor de Volkskrant. Ze zag het schrijven als een moeizaam handwerk, net als het maken van een meubelstuk of een sieraad, ‘dat ontstaat ook niet in een vloek en een zucht’. Ze schaafde en beitelde aan haar verhalen net zo lang  tot er uitkwam wat ze erin verborgen wist. Om te kunnen schrijven zonderde ze zich af in de kelder van haar huis, de kloosterkamer – zoals ze de ruimte zelf noemde – om zonder afleiding te kunnen schrijven. Ruebsamen liet meermalen weten dat publiceren niet het doel van haar schrijven was. We hadden misschien zelfs nooit van haar gehoord als haar eerste man, Serein Pfeiffer, eind jaren vijftig niet enkele verhalen van haar had ingestuurd voor de Reina Prinsen Geerligsprijs die vervolgens bekroond werden met de aanmoedigingsprijs.

    Kenmerkend voor haar werk zijn de wonderlijke personages die ze ten tonele voerde. Een verlopen actrice, dronkaards en andere onderzoekende figuren. Ze gaan eropuit, op avontuur zonder zich iets aan te trekken van de burgerlijke moraal.

    Ruebsamen herschreef een onder handen zijnde stuk eindeloos. Aan het verhaal De meisjes uit Marlot (opgenomen in Op Scheveningen), een portret van twee oude drankzuchtige dames in Den Haag dat zo’n 20 pagina’s telt, werkte ze twaalf jaar en schreef er minstens twintig verschillende versies van. Ook haar twee eerste romans, De heksenvriend en Wonderolie, had ze graag nog eens willen herschrijven. Ze beschikte over stapels uitgeschreven werk in haar kelder. Zo nu en dan maakte ze daar een selectie uit en gaf dit aan haar de uitgever. Korte verhalen hadden haar voorkeur boven romans schrijven. Het beloofde vervolgdeel op haar Indië roman, De bevrijding kwam er dan ook niet meer van.

    In een interview in dagblad Trouw (2004) vertelde ze dat ze elke dag opnieuw moest besluiten te gaan werken of van het leven te genieten:  ‘Ik heb echt levenslang geprobeerd om het schrijven in mijn leven te integreren, maar dat is niet gelukt. Het kost me zo verdomd veel moeite, ik kan er weinig naast doen. Als ik schrijf, dan ben ik totaal afwezig. Het leven schiet erbij in.’ Maar van plezierig leven werd ze niet gelukkig, het schrijven drong zich steeds aan haar op.

    Haar debuut De kameleon en andere verhalen verscheen in 1963. Gevolgd door de roman De heksenvriend (1966), de schelmenroman Wonderolie (1970) en de verhalenbundel De ondergang van Makarov (1971). Daarna werd het lange tijd stil rond de schrijfster. Een stilte van vijftien jaar, waarin ze wel schreef maar niet publiceerde. In 1988 verscheen Op Scheveningen dat succesvol werd ontvangen. In 1997 brak ze door naar een groter publiek met haar autobiografische roman Het lied en de waarheid, dat deels gebaseerd is op haar jeugd in het koloniale Indië en waarvoor ze in 1998 de F. Bordewijk Prijs ontving. Haar hele oeuvre werd drie jaar later bekroond met de Annie Romein-prijs en twee jaar later met de Anna Bijns Prijs.

     

     

    Bronnen: Vrij Nederland, interview met Martje Breedt Bruyn (2003)
    Trouw (De verdieping 2004)

    Foto Koos Breukel (Atlas Contact)

     

     

  • Mooie zintuigen

    Op 30 maart 2014 overleed onverwacht dichter, essayist en romancier Erik Menkveld op 54-jarige leeftijd. Hij publi- ceerde drie dichtbundels, De karpersimulator (1997), Schapen nu! (2001) en Prime Time (2005), waarin hij een duidelijke ontwikkeling liet zien.


    Vanaf een binnenplaats gestaard te hebben
    naar de oude sterren
    op een donkere bank gestaard te hebben
    naar de uitgestrooide lichten,
    die mijn onwetendheid niet kon benoemen
    of ordenen tot sterrenbeelden,
    verwijld te hebben bij de watercirkel
    in de geheime regenput,
    het geuren van jasmijn en kamperfoelie,
    de stilte van de vogel in zijn slaap,
    de boog van het portaal, de vochtigheid
    – die dingen zijn misschien wel het gedicht.

    J.L. Borges, vertaling Barber van de Pol en  Maarten Steenmeijer.


    Bij de dood van een dichter kantelt zijn oeuvre. De drie bundels die Erik Menkveld (1959-2014) publiceerde zijn nu de enige drie bundels geworden. En bij het herlezen van die poëzie kantelt de lezer mee, want veel gedichten krijgen een geheel andere portée wanneer de dichter dood is. En dan niet alleen de meer voor de handliggende gevallen van ‘pijnlijke’ gedichten die refereren aan het midden-in-het-leven staan (gedichten voor kinderen bijvoorbeeld) en die dus altijd wel bitter zijn geworden, maar ook gedichten die in het licht komen te staan van een zekere manier van kijken die nu typisch is geworden voor deze dichter.

    Menkveld ontwikkelde zich in zijn oeuvre ruwweg van een lichte ‘inlevende’ dichter à la  Szymborska in De karpersimulator, tot een waarnemende en verzamelende à la Borges in Prime Time. Menkveld heeft een opmerkelijke hoeveelheid perspectieven beproefd –  misschien wel de meeste in het Nederlands taalgebied –  hij schreef niet slechts over een ‘popelend boontje’,  of  was ‘geeuwend uit eeuwige leeuwheid’, of bezag de wereld vanachter de net neergeslagen ogen van een stenen meisje van de beeldhouwer Hildo Krop:

    Mij en heel de roekeloos
    veranderlijk bestaande stad die mij omgeeft

    brengt zij tot stand vanuit dat veel te hoge hoofd;
    hier fiets ik, onverklaarbaar volledig aanwezig

    op een brug in Amsterdam-Zuid – vreemde inval
    van een stenen meisje, dat even haar ogen sluit.

    Tot zelfs het perspectief van het raamkozijn:

    Nu we de kozijnen zijn
    in deze keuken, kijken
    ze wel naar de leuke
    overbuurvrouw op haar
    balkon of een bescheiden
    lijnvlucht die overkomt,
    maar niet naar ons
    die alles omlijsten.

    Menkveld wel. Zowel dit mild schertsend geportretteerde misnoegde kozijn als de stenen gedachten van een meisje in welke hij zelf figureert tekenen Menkvelds buitengemene behoefte zijn eigen bewustzijn te verbreden.

    Iemand schreef naar Menkvelds uitgever een ‘asymmetrische vriendschap’ te zijn gaan voelen na het lezen van zijn boeken, asymmetrisch omdat de vriendschap van een lezer voor een schrijver van éen kant komt, vriendschap omdat het lezen van sommige schrijvers juist dat met je doet: dat je vrienden met de schrijver zou willen worden. Diezelfde asymmetrie heeft Menkveld in zijn ‘incorporaties’ – want dat zijn het, hij verdwijnt in het lichaam van andere dieren, objecten, kunstwerken, bezielt ze. Hij vergroot zijn eigen wereld door zowel kozijn als gebeeldhouwd meisje te kunnen zijn. En daar zit dan misschien toch wat melancholie, een diepe spijt op te moeten houden waar je ophoudt.

    Of zoals het energiek luidt in het motto van de tweede bundel Schapen nu!: ‘Groots is de Schepper! Wat gaat hij nu van je maken? Waar gaat hij je nu heensturen? Zal hij je misschien tot de lever van een muis maken? Of tot de poot van een insect?’ Het is een citaat uit een taoïstisch geschrift, en inderdaad zal de schepper van Menkvelds bundel je als adem door de longen van een schaap doen gaan. Menkveld is soms redelijk Tao.

    Dat heeft me altijd dwarsgezeten: elk dier
    dat men ziet is een fractie van mij.

    Van deze kunstige dier- en ding bezieling dus, beweegt het werk van Menkveld zich naar het verzamelen van sensaties met een steeds grotere precisie. Een poging zelf middelpunt van alles te worden, een aleph, in Borgesiaanse termen, de plek waar alles samenkomt. Menkveld ontwikkelde zich van een goedgeluimd ‘ bezieler van alles’ naar een dichter die wat hij ziet, leest, proeft, hoort, denkt,  binnenhaalt, is, en welgeformuleerd doorgeeft.

    In het zelfportret ‘Mooie zintuigen’  kijkt de dichter in de ruit van een trein en ziet sardonisch

    Doppen niet al te benepen,
    gok niet te gek, geen fietsenrek

    maar verderop, directer

    mooie zintuigen moet ik zeggen,
    al heb ik ze liever ongemerkt
    van binnenuit in gebruik

    We zien de dichter even naar zichzelf kijken. Menkveld is vaak evenwichtig en monter – een uitgesproken melancholiek gedicht steekt er als opvallend uit – en in dit prachtig gecomponeerd en muzikale gedicht wervelt de dichter naar een scherpe apotheose. Hij ziet een medereiziger in de spiegeling en

    Moet je mij onverstoorbaar
    zien blijven: ongerept bedachtzaam
    medereiziger, zich duidelijk
    niet bewust hoe smeulende
    overbuurvrouw terloops
    zijn weerspiegeling beschouwt
    vanuit het dansfeest op haar hoofd.
    Niet éen keer lijk ik uit mijn
    ogenschijnlijk kijken naar het
    dwars door haar lawaaiig staren
    en mijzelf heen razend grazen
    varen bouwen op te kijken.

    Een schitterende zin die Menkveld ten voeten uit is: relativerend, precies, verrassend, tot denken aanzettend, je verplaatsend. Erik Menkveld was een culturele veelvraat, wereldpoëzie, film, beeldende kunst, klassieke muziek, in alle gedaanten, de klassieken, culinaria,  jazz, religie, filosofie verpakt hij in dit oeuvre op een laconieke wijze en op zo’n manier dat het glanst. Ook wel dat het swingt, of statig danst. Of uitschiet, maar fraai, omdat het langste Menkvelddichtwoord appelrodewingerdrankomrande er in moest. Of een oplawaaiverzekerend komaaropkind. Menkveld kon goed schapen bezielen en zich inleven in zijdehandelaren, maar het mooiste aan Menkveld bleken zijn zintuigen. Veel van wat zij onbekommerd waarnamen is er nog.

     

    Dit stuk is eerder verschenen in Poëzietijdschrift Awater (2014).

    Erik Menkveld publiceerde de bundels, De karpersimulator (1997), Schapen nu! (2001) en Prime Time (2005). In januari 2016 verscheen Verzamelde gedichten bij uitgeverij Van Oorschot.

     

     

  • In memoriam Wim Brands 1959 – 2016

    Brands


    “Dit is mooi, dit boek moet je lezen”

    De man die als enige en nooit aflatende taak in zijn leven het verspreiden van literatuur leek te hebben, is gistermorgen op 57-jarige leeftijd door zelfdoding overleden. Een groot verlies voor de Nederlandse literaire wereld. Daar waar de Nederlandse literatuur zich manifesteerde, was Wim Brands aanwezig. Als interviewer kon hij wat stijfjes overkomen maar zijn vraagstelling was dermate goed dat de geïnterviewde schrijver op zo’n wijze aan het woord kwam dat ze voor dat moment schitterden en het besproken boek de urgentie verleende gelezen te moeten worden. Deze boeken hadden geen DWDD stickers nodig om het publiek te bereiken. Mensen aan het lezen te krijgen, ze te laten bewegen in de stilte, of bewegingen stil te leggen door de literatuur, dat was zijn missie.

    Wim Brands, geboren in Brummen een kleine gemeente bij Zutphen, vertrok op negentienjarige leeftijd naar Amsterdam en bezocht de school voor de Journalistiek. In de jaren tachtig werd Brands vooral bekend met zijn vele radio uitzendingen bij de VPRO op het gebied van filosofie en literatuur en waar hij samen met Wim Noordhoek de bedenker werd van het programma De Avonden. Later maakte hij wekelijks op Radio 1, op de vrijdagavond het interviewprogramma Brands met Boeken. In 2005 verscheen hij met dit programma op tv. In 2013 maakte hij het programma Boeken op reis met Wim Brands waarin hij op reis ging naar zes internationaal bekende schrijvers als, David Grossman, Annie Proulx, Lionel Shriver en Karl Ove Knausgard, wat prachtige en inspirerende schrijversportretten opleverde. Tussendoor interviewde hij schrijvers op literaire festivals als Winternachten, Crossing Border en Nacht van de Poëzie en verzorgde hij interviews voor de humanistische beweging Human, waarvoor hij in de zomer van 2014 twee gesprekken voerde met de filosoof René Gude (1957-2015). Diepgaande gesprekken over, ‘Wat wil je nalaten aan je nabestaanden?’ en Waar gaat het om in het leven?’

    Vorig jaar verscheen van hem de samenstelling De Nederlandse Literatuur van de 21ste eeuw, zestig schrijvers waarvan Brands zegt, ‘Dit moet je lezen’, in samenwerking met zijn dochter Nikki. Het was niet zijn idee een bloemlezing van de debuut romans van Nederlandstalige schrijvers samen te stellen. Hij was er eigenlijk wars van, het risico iemand te vergeten was groot. Dat had hij al eens ervaren toen de Volkskrant hem vroeg jaarlijks een lijstje samen te stellen van de beste jonge schrijvers van dat moment. Schrijvers die er toe doen. Hij heeft het één keer gedaan en toen nooit meer. Die ene keer was hij vergeten Gustaaf Peek te vermelden terwijl hij wist dat dit een van de belangrijkste nieuwe schrijvers was. Hij probeerde hem er nadien nog bij te krijgen, op die lijst. Maar het bleek dat Peek niet meetelde, hij was alweer te oud. En daar hield het voor Brands ook op, voor hem was goede en belangwekkende literatuur leeftijdloos. Het kan niet onvermeld blijven dat hij met deze bloemlezing een aanzet heeft gegeven tot de vorming van een canon van de Nederlandstalige literatuur van de 21ste eeuw.

    Als dichter debuteerde Wim Brands in 1978 in Hollands Maandblad, toen nog onder redactie van K.L. Poll. De volgend anekdote vertelde Brands tijdens een interview, waarbij hij voor de verandering geïnterviewd werd door Kees ’t Hart, hoe hij dichter werd.

    Toen hij zijn eerste gedicht geschreven had fietste hij met dat gedicht in zijn zak van Brummen naar Zutphen alwaar een vriend van hem, die de eigenlijke dichter was, in een toren woonde. Hij klopte aan en vroeg aan de vriend die in de deuropening verscheen, wat hij ermee kon doen. De dichter sprak: ‘Je stuurt het op naar een literair tijdschrift en dan krijg je het terug.’ Hij stuurde het gedicht op en het werd geplaatst. Zo werd zijn leven bepaald en werd hij dichter.

    Hij publiceerde de volgend bundels: Inslag (1985) / Koningen de gehavenden (1990) / Zwemmen in de nacht (1995) / In de metro (1997) / De schoenen van de buurman (1999) / Ruimtevaart (2005) / Neem me mee zij de hond (2010) / ’s Middags zwem ik in de Noordzee (2014)
    Bij dit alles was hij poëzie docent aan de Schrijversvakschool en Rietveld Academie in Amsterdam, publiceerde hij geregeld poëzie in literaire tijdschriften en was voorzitter van literair tijdschrift Terras.

    In de literaire wereld heeft zijn overlijden een grote schok teweeg gebracht.

     

     

  • In memoriam Frans Pointl 1933 – 2015

    De man die op droogkomische wijze over hospita’s, verblijf in een  kindertehuis en de Volksgaarkeuken kon vertellen

    Door Ingrid van der Graaf

    Uitgeverij Nijgh & Van Ditmar liet weten dat op donderdag 2 oktober, de 82-jarige schrijver Frans Pointl in Amsterdam is overleden. Een schrijver van een klein oeuvre die een groot relativeringsvermogen bezat dat aan het cynische grensde.

    Velen zullen zich Pointl’s verhalenbundel De kip die over de soep vloog (1989), over een jongen die opgroeit met een getraumatiseerde joodse moeder, herinneren. Zijn verschijning daarna in het tv-programma  Hier is … Adriaan van Dis, waar hij op droogkomische wijze over hospita’s, het kindertehuis en de Volksgaarkeuken vertelde, was onvergetelijk. Hoewel Pointl in 1959 al debuteerde met de dichtbundel Afscheid van laatste lente, genoot hij pas werkelijke bekendheid na dit optreden. Die prachtige bundel maakte hem beroemd en er werden ruim 100 duizend exemplaren van verkocht. De jaren daarna volgden nog diverse bundels met autobiografische verhalen.

    Frans Pointl was het enige kind van de joodse pianiste Rebecca van Dam (1889-1953) en de Oostenrijkse kunstschilder, cineast en muzikant Christian Pointl (1889-1966). Hij kwam in 1933, het jaar dat Hitler aan de macht kwam, ter wereld. Dat noemde hij pech hebben.

    In 1938 werd hij, als gevolg van de scheiding van zijn ouders,  ondergebracht in een kindertehuis. In 1942, toen hij inmiddels weer bij zijn moeder woonde in Heemstede, werden ze door de Duitse bezetter gedwongen naar Amsterdam te verhuizen. Ze overleefden de oorlog door onder te duiken. Na de oorlog woonden ze samen op een kamer aan de Stalinlaan, de huidige Vrijheidslaan in Amsterdam. Zijn moeder was door de oorlog zwaar getraumatiseerd geraakt en de nog zeer jonge Pointl moest voor haar zorgen. In 1953 stierf zijn moeder waarna hij talrijke kantoorbaantjes had en tenslotte stopte met werken.

    Pointl bleef alleen in Amsterdam wonen in het gezelschap van twee zwerfkatten. In augustus 2008 publiceerde hij bij zijn 75e verjaardag Poelie de verschrikkelijke, een bundel met kattenverhalen en -gedichten. Op zijn tachtigste verjaardag in 2013 verscheen zijn allerlaatste boek, De laatste kamer. Geplaagd door een zenuwaandoening woonde hij inmiddels in het Dr. Sarphatihuis en gaf te kennen geen zin meer in het leven te hebben.

    ‘Op donkere momenten bloeit er wel eens een giftige bloem op in mijn hoofd: de bloem van suïcide. Maar ja, zelfmoord is makkelijker gedacht dan gedaan. Dat gaat niet met een paracetamolletje. Mij rest niets anders dan te wachten. Uitstel van executie, meer is het niet.’

    Dit zei de schijnbaar immer levensmoede schrijver Frans Pointl in een van zijn interviews die hij gaf rond het verschijnen van zijn laatste boek.

    Nijgh & Van Ditmar herdenken Frans Pointl als een auteur ‘van een klein maar bijzonder oeuvre’.
    Deze ‘kleine’ schrijver liet zo’n zestien levenswerkjes na.


    Afscheid van een laatste lent
    e (1959)
    God in de porseleinkast (1975)
    Vandaag op de vlooienmarkt (1981)
    Ik raak je aan (1983)
    De kip die over de soep vloog (1989)
    De aanraking (1990)
    Het Albanese wonderkind (1991)
    Ik droomde dat ik Jan Arends was (1991)
    Uit een gescheurd dagboek (1991)
    Rijke mensen hebben moeilijke maten (1993)
    Ongeluk is ook een soort geluk (1995)
    De hospita’s (1996)
    Vijf laatste verhalen (1999)
    De heer slaapt met watjes in zijn oren (2004)
    Ga nu maar slapen … (2004)
    Poelie de verschrikkelijke (2008)
    Jarig ben je d’r mee! (2009)
    De laatste kamer (2013)

     

     

  • In memoriam Joost Zwagerman 1963 – 2015

    Gisteravond werd bekend dat schrijver, columnist, essayist en kunstcriticus Joost Zwagerman een einde aan zijn leven heeft gemaakt. Hij zou in november 52 jaar zijn geworden.

    Het bericht werd bekend nadat hij dinsdagavond niet verscheen in het radioprogramma Opium op 4 waar hij zou praten over zijn nieuwe essaybundel over kunst, Stilte voor het licht. Volgens Carel Peeters in Vrij Nederland van vorige week staat in dit boek ‘alles in het teken van niets of weinig: Het gaat over stilte, over het niets, over het wit, over de leegte, het ontbrekende en het verdwijnen.’ Voor het radioprogramma had hij zijn muziekkeuze al bekend gemaakt. Deze muziek werd gedraaid nadat het bericht binnen kwam dat Zwagerman niet meer zou komen. In de media werd geschokt gereageerd op zijn dood.

    Hoewel Zwagermans last had van depressies, kwam zijn dood voor iedereen als een donderslag bij heldere hemel. Hij had nog veel plannen en ideeën voor nieuw werk. Dit voorjaar was hij van de Arbeiderspers overgestapt naar Hollands Diep, de nieuwe uitgeverij van Robbert Ammerlaan. In 2017 zou daar zijn nieuwe roman verschijnen. Samen met Connie Palmen en Arnon Grunberg behoorde Joost Zwagerman tot de meest gelezen schrijvers van zijn tijd. Zijn werk werd in twaalf landen vertaald waaronder Duitsland, Frankrijk, Hongarije, Tsjechië en Japan. In 2008 ontving hij de Gouden Ganzenveer voor zijn gehele oeuvre.

    Zwagerman heeft ruim 46 titels op zijn naam staan. Nadat hij in 1986 debuteerde met De houdgreep verscheen in 1989 Gimmick! waarmee hij een breder publiek bereikte. Het boek geeft een beeld van de uitgaanscultuur en kunstenaarswereld van Amsterdam. Vals licht, (1991) werd genomineerd voor de AKO Literatuurprijs en in 1993 verfilmd door Theo van Gogh. Ook De buitenvrouw (1994) bereikte de longlist van de AKO Prijs. Verder verschenen nog:  Tomaatsj, novelle (1996), Chaos en rumoer, roman (1997 ), Het jongensmeisje, verhalen (1998 ),  Zes sterren, roman (2002 ) en in 2010 schreef hij het Boekenweekgeschenk, Duel. Ook schreef hij een zevental poëziebundels waarvan de laatste Voor alles in 2014 verscheen. Voor de NRC en de Volkskrant schreef hij columns  en kunstkritieken.

    Negen toonaangevende, oudere auteurs, onder wie Gerrit Komrij, Harry Mulisch, Adriaan van Dis en Marga Minco, publiceerden in 2000 een schrijversestafette getiteld De schrijver. De negen schrijvers kozen Zwagerman als schrijver van de jongere generatie om het feuilleton af te ronden. Dit resulteerde in het boek De Schrijver (Bezige Bij).

    Begin dit jaar maakte hij zijn privé-archief, van bijna tien strekkende meter, openbaar. Hij schonk foto’s, dagboekfragmenten, contracten, persoonlijke correspondentie en handgeschreven versies van romans als Gimmick! en Vals licht aan het Letterkundig Museum in Den Haag.

     

     

  • In memoriam Pam Emmerik (1964 -2015)

    Schrijver en beeldend kunstenaar Pam Emmerik is op 5 juli j.l. op 51 jarige leeftijd plotseling overleden. Zij schreef romans, verhalen, toneelstukken en graphic novels en stond nog volop in het leven. Zo had zij bijvoorbeeld plannen voor onder meer het schrijven van een nieuwe roman en het maken van een graphic kunstcatalogus.

    In 2013 maakte ze samen met haar leermeester in de kunsten, René Daniëls de muurschildering Ook Duende in de espressobar van Museum Boijmans Van Beuningen. Waarover Emmerik zei: ‘Voor mij beelden de schilderingen vooral uit dat het leven vaak niet gemakkelijk is, maar wel kleurrijk, en tevens vreemde bochten kan maken, zodat je heel goed moet sturen, anders knal je tegen de muur op!’

    Emmerik had dan ook geen makkelijk leven gehad. Toen ze in 2006 aan haar laatste boek, Wie het paradijs verdragen kan werkte en het voor driekwart af had, werd ze getroffen door een zware hersenbloeding. Ze kwam daardoor lelijk ten val en liep een schedelbasisfractuur op. Als gevolg hiervan lag ze een maand in coma, waarbij voor haar leven werd gevreesd.

    Voor haar val in 2006 was Emmerik meer schrijver dan beeldend kunstenaar. Voor NRC Handelsblad en De Groene schreef ze jarenlang essays over kunst. Een keuze uit deze stukken werden gebundeld in Het wonder werkt, waarmee ze in 2004 op de shortlist van de AKO literatuurprijs stond en in 2006 de J. Greshoff-prijs won. Na haar val moest ze haar leven, van spraak tot schrijven en tekenen, weer opnieuw ontdekken en leren toepassen. Het revalideren kostte haar anderhalf jaar. Ze keerde zich af van de literatuur omdat ze niet geloofde nog iets te kunnen schrijven dat het publiceren waard zou zijn, en wierp zich op haar kunstenaarschap. In 2012, na het overlijden van haar man, de omgevingskunstenaar en beeldhouwer Pjotr van Oorschot, keerde ze weer terug naar haar onvoltooide roman, Wie het paradijs verdragen kan. Door te werken aan dit boek, wapende zij zich tegen haar verdriet om het overlijden van haar man, zei ze in een interview bij radio kunststof in maart 2014.

    Werk van Pam Emmerik:
    Soms feest (1997) (verhalenbundel)
    Het bottenpaleis (2000) (roman)
    Het wonder werkt (2004) (Essays)
    Jummie (2010) (graphic novel)
    Voor wie het paradijs verdragen kan (2014) (roman)

    Toneelstukken:
    Het voorvocht van een beschermengel, dialoog (2003)
    I love you in de bosjes, monoloog (2003)
    Blij als een gebakken ei, monoloog (2010)

    Van Emmerik kan gezegd worden dat ze gezegend was met een ongetemde wilskracht het leven te nemen zoals het kwam, maar niet zonder het te vormen naar haar beeldend vermogen.

     

    Foto: Sander Marsman

     

     

  • In memoriam H.H. ter Balkt 1938 – 2015

    In de nacht van 8 op 9 maart is schrijver en dichter H.H. ter Balkt in zijn slaap te Nijmegen overleden. Ter Balkt is 76 jaar geworden.

    Dat hij een teruggetrokken en sober leven leidde was van hem bekend. In 2013 was H.H. ter Balkt uitgenodigd voor een optreden tijdens de Nacht van de Poëzie. De reis van Nijmegen naar Utrecht was hem echter teveel. Bij hem thuis werd een opname gemaakt waarmee Ter Balkt, na het online optreden van Leo Vroman, die 31ste Nacht afsloot. Zijn laatste woorden waren toen: ‘Droom niet lelijk over de poëzie.’

    Zijn verzameld werk werd vorig jaar uitgegeven door De Bezige Bij. Een dundrukeditie van 1800 pagina’s onder de titel, Hee hoor mij Ho simultaan op de brandtorens. Ter Balkt was bekend geworden als dichter van het boerenland. Zijn eerste versje schreef hij op zijn negende; zijn eerste gedicht op zijn vijftiende. In de tijd dat hij onderwijzer was in Drenthe, debuteerde hij in 1969 met Boerengedichten. Hij publiceerde meerdere bundels onder het pseudoniem Habakuk II de Balker. Hij koos voor een pseudoniem omdat hij vond dat een onderwijzer geen dichter kon zijn. Het was of het een of het ander.

    Karakteristiek aan zijn verschijning was zijn sonore stemgeluid waarmee hij zijn gedichten als broeiend brallende stromingen voortbracht en zijn haardracht, dat als een toupetje over zijn schedel leek te zijn gelegd. De haren naar voren, altijd half voor zijn ogen alsof hij daarachter beschutting zocht.
    Over zijn woordkeus is gezegd dat de woorden “stampen, knoerpen, toeteren, wringen en walsen”. Hij gebruikte eigenzinnige woorden als ‘hemelzweep’ en’aardappelmeelschuim’ en lardeerde zijn gedichten met uitroepen: (‘O’) en uitroeptekens. Uit zijn gedichten sprak een sterke kracht als gevolg van woorden en soms hele regels te herhalen. Hij allitereerde naar hartenlust en rijmde zo het hem uitkwam.
    ‘Ik bezing het vertrapte’, schreef hij eens en hij publiceerde als een van de weinige Nederlandse dichters protestverzen: tegen de vervuiling van de zee en tegen kerncentrales. Op de vraag of hij Dichter des Vaderlands zou willen worden, antwoordde Ter Balkt in een interview: ‘Ik heb een moederland, geen vaderland’.

    Van Ter Balkt verschenen meer dan dertig boeken. Eén van de hoogtepunten uit zijn werk zijn de Laaglandse hymnen, bestaande uit meer dan 200 veelstemmige sonnetten waarin Ter Balkt de Nederlandse geschiedenis vanaf de steentijd tot aan het heden bezingt. Van de klokbekervolken tot Rembrandt, van Erasmus tot veldslagen, zeereizen en aardappeleters, van de Bloedraad tot de Vrede van Nijmegen. Met een rauwe maar ook tedere blik op de geschiedenis toonde Ter Balkt zich een meester van de taal en de verbeeldingskracht. Ter Balkt won sinds 1973 verschillend literaire prijzen voor zijn werk, waaronder de Jan Campertprijs, Karel de Grote prijs, Constantijn Huygensprijs en de P.C. Hooftprijs. In 2014 ontving hij de erepenning van de gemeente Nijmegen.

    Hierbij een gedicht van Maarten van der Graaff dat zowel in stijl als onderwerp een eerbetoon aan de dichter Ter Balkt is. Het werd geschreven ter ere van het verschijnen van Ter Balkts verzameld werk vorig jaar.

    Voor H.H. ter Balkt

    Een tor.
    Het weerstandsbeleid
    van de tor.
    Zijn onzichtbare woede.

    Ik wacht op de stoptrein
    die verschijnt en aan alles voldoet.
    De tor is de waarheid trouw
    en mijn vader was maagd.

    De veranda.
    Zieltogende lampen.
    Ik hoor geroezemoes uit het slachthuis
    klimmen.

    De tor zweert de waarheid
    te spreken en duikt op bij de deur.
    Over gorzen en slikken
    is hij tot ons gekomen.
    De tor deelt een broodje ei
    met een zwerver.

    Het zwembad. Een tombe.
    De showroom. Een auto.
    De kooi is groter
    dan de belemmeringen
    die wij betreuren.

    Ik wil geen ruïneuze gedichten schrijven,
    maar ingesloten door ontspannen verschijningen
    op een terras zitten.

    Een tor. De tor van zojuist.
    Onze meesters aan zet.

    Ineengedoken op een terras
    aan de wilde dieren denken.
    De wilde dieren der woestijnen.
    De wilde dieren der eilanden.

    Ik wil niet meer,
    maar het leven heeft zijn vormen.
    Recreatieve vormen. Parasietvormen
    en de afmattende vormen
    waarin wij vertroeteld worden.

    Er is geen stem in de wind
    die voor zich uit praat.

    Geen ruïneuze gedichten nu.
    Belangrijk is dat de tor
    blijft staan.
    Dat de tor op zijn pootjes blijft
    in het licht van een fruitautomaat.
    Er is een tor in de wind.
    Hij nadert.

    Dit gedicht werd eerder op de website van De Gids gepubliceerd.

     

    Bron: Wikipedia, De Bezige Bij en de Koninklijke Bibliotheek