• Jules Deelder (1944- 2019) – Kleurrijk in stemmig zwart

    ‘Volgens het boekje had ik allang op het houten jassenpark moeten liggen, verklaarde een montere Jules Deelder in een interview ter gelegenheid van zijn 75ste verjaardag op 24 november 2019. Deze mijlpaal werd groots gevierd met een poëtische en muzikale happening in de Rotterdamse Doelen. Drie weken later, in de nacht van 18 op 19 december is de dichter, schrijver, performer, jazzmusicus, Sparta-supporter, stadsicoon én de eerste nachtburgemeester van Rotterdam dood – de stad in shock achterlatend.

    Dat Jules Deelder verschillende keren mijn pad heeft gekruist, kan ik, met enige verbazing, maar naar volle tevredenheid constateren. We schrijven allereerst 1984. In een kleine galerie aan de Vughterstraat in Den Bosch vindt op een druilerige zondagmiddag de opening van een kunsttentoonstelling plaats. Als pauzenummer, tussen de bubbels en oesters door, wordt een donkere, vampierachtige verschijning aangekondigd die het Brabantse geroezemoes al snel doet verstommen. Ene Jules Deelder uit Rotterdam, strak en zwart in het pak met een donkere vlinderbril op zijn neus. Hij neemt direct het woord en vuurt lichtelijk nerveus een mitrailleursalvo af op de stomverbaasde aanwezigen. Volledig uit het hoofd declameert hij het nog maar net uitgegeven gedicht ‘Portret van Olivia de Havilland’. Hij trakteert de toehoorders in razend tempo op zijn bekrompen jeugdherinneringen en de donkere jaren vijftig in het algemeen in ‘een wereld die van kwesties aan mekaar hing’:

    ‘We trapten bussie
    in verlaten straten
    en zochten spoor
    in van geheim door-
    drongen zomeravonden
    en kochten klapkauwgom
    met indianenplaatjes
    en het portret van
    Olivia de Havilland
    in een wereld die
    van kwesties aan me-
    kaar hing …’

    Eén ding wordt meteen duidelijk: kijken en luisteren naar Jules Deelder is een geweldige ervaring, maar maakt het wel moeilijk te volgen wat hij zegt. Net zoals alleen het lezen van Deelders werk ook niet de volledige impact daarvan aan de oppervlakte brengt. De dichter/performer, of zoals hij zelf placht te zeggen: aucteur, leeft als de ultieme vertolker van zijn eigen woordkunst. Het een kan niet bestaan zonder het ander. Het wonderlijke gevolg daarvan is, dat als ik nu een vers van Deelder onder ogen krijg, dat steeds sneller ga lezen en in mijn hoofd de dichter hardop met me meeleest.

    In de jaren ‘90 is Deelder regelmatig te zien in jazzcafé Dizzy aan de Rotterdamse ’s-Gravendijkwal. Dizzy is het enige café met een nachtvergunning waar onvermoeibare stappers zich verzamelen voor een laatste glas. In een hoekje achter de bar staat een draaitafelset met een uitgebreide verzameling grammofoonplaten. Jules draait jazz, onverstoorbaar en met zijn rug naar het cafépubliek gekeerd. Uit een meegebracht plastic tasje pakt hij het ene na het andere album, inspecteert de hoes – bril op het voorhoofd en neus op de tekst – alsof hij de plaat voor het eerst onder ogen krijgt. Zacht mompelend wisselt hij het ene nummer af met het andere. Niemand besteedt aandacht aan hem, zo heeft hij het het liefst.

    Jazzverleden

    ‘De jazz stamt van de negers
    De negers in Amerika

    De negers in Amerika
    stammen van huisuit uit Afrika

    Ze werden door ons Hollanders
    met schepen naar de States gebracht

    En bepaalde niet eerste klas
    maar als beesten vastgeketend in

    stinkende ruimen opeengepakt
    om aan de overkant – zo

    ze nog leefden – als slaven
    te worden verpatst

    Een zwarte smet op ons verleden
    maar hadden we ze niet gebracht

    hadden we nou geen jazz gehad
    en dat zou nog erger geweest wezen’

    Fietsend door de regio Rijnmond ontkom ik niet aan een ontmoeting met Deelder. In de fietsbuis van de Beneluxtunnel, tussen Pernis en Vlaardingen, is het ontroerende gedicht ‘Voor Ari’ (1985) in grote letters op de tegelwand aangebracht. In normaal tempo is het vers woord voor woord te volgen, ga je iets sneller lijkt het alsof de dichter de woorden in zijn welbekende staccato over je uitstrooit. In dit gedicht over zijn toen pasgeboren dochter is Deelder op zijn best, in grote contrasten: nuchter en gevoelig, eenvoudig en diepgaand, schreeuwend en intiem.  

    ‘Lieve Ari
    Wees niet bang

    De wereld is rond
    en dat istie al lang

    De mensen zijn goed
    De mensen zijn slecht

    Maar ze gaan allen
    dezelfde weg

    Hoe langer je leeft
    hoe korter het duurt

    Je komt uit het water
    en gaat door het vuur

    Daarom lieve Ari
    Wees niet bang

    De wereld draait rond
    en dat doettie nog lang’

    In 2015 is Jules Deelder een van de optredende dichters tijdens de 33ste Nacht van de Poëzie in Utrecht. Het publiek, inmiddels opgewarmd door dichters als Pieter Boskma en K. Schippers, krijgt een razende voordracht van de serie ‘Rotterdamse kost’ over de culinaire eigenaardigheden van de doorsnee Rotterdammer voorgeschoteld. Daarna volgt een snoeiharde vertolking van ‘De hardnekkige Samaritaan’, een cynische verhandeling over hoe de dakloze de helpende hand verontwaardigd afwijst. Het gedicht is een vergaarbak van grofheden in Rotterdams dialect, vol met pleurt-op, tiefstralen, ruggetuffer en zak-in-de-stront. Onder een daverend applaus van het opgefriste publiek is Deelder zeven minuten later alweer in de nacht verdwenen.

    De hardnekkige Samaritaan

    ‘Wat mij laats gebeur…
    Leggik erges langs de weg
    erges me roes uit te slape
    worrik wakker gemaakt door
    ’n halleve zool op een paard
    die vraag ovvikket koud hep?
    Ik zeg: vent krijg de dood-
    straf met je koud mafkees
    rot naar je familiegraf
    doet mijn een lol maar die
    gozer verstame verkeerd
    want die scheur in ene ze
    jas doormidde en wil de
    helleft an mij geve…!’

    Aan de Rotterdamse Binnenweg, naast het naar dochter Ari vernoemde café, staat sinds 2014 een standbeeld van Jules Deelder. Op het eerste gezicht een wat armzalig aandoend silhouet in donker metaal uitgevoerd. Toch is de ongrijpbaarheid en het onvoorspelbare van de dichter hier goed uitgebeeld, opnieuw als tegenstelling: volop aanwezig maar altijd op de achtergrond. Het beeld correspondeert wonderwel met de iets verderop aan de muur bevestigde Deelder-spreuk in neon: De omgeving van de mens is de medemens. Een prachtige ode aan een dichter die, maar al te vaak weggezet als oppervlakkige woordgoochelaar zijn geheel eigen register bespeelde en ons een indrukwekkend oeuvre heeft nagelaten. Rotterdam komt er wel weer bovenop, maar de poëzie zal zonder deze kleurrijke zwartkijker voor altijd anders klinken.

    Blues on tuesday

    ‘Geen geld.
    Geen vuur.
    Geen speed.

    Geen krant.
    Geen wonder.
    Geen weed.

    Geen brood.
    Geen tijd.
    Geen weet.

    Geen klote.
    Geen donder.
    Geen reet.’

     


    Jules Deelder was auteur bij uitgeverij De Bezige Bij waar hij meer dan vijfentwintig dichtbundels, zo’n vijftig prozawerken, meest verhalenbundels, alsook enkele toneelstukken en twee stripboeken in samenwerking met Rob Peters, publiceerde.

     

  • In memoriam Rob Molin (1947 – 2019)

    Geheel onverwacht is schrijver, essayist en recensent Rob Molin deze week overleden, zo meldde het Limburgs Dagblad. De in Maastricht wonende schrijver overleed in de Senegalese kustplaats Saly, waar hij een paar maanden per jaar woonde en werkte.

    Rob Molin studeerde Nederlandse taal- en letterkunde aan de Universiteit van Amsterdam. In 1995 promoveerde hij op een proefschrift over de poëtica van Andriaan Morriën. Hij was een verwoed lezer van biografieën, essays en poëzie. Minder bekende of vergeten Nederlandse auteurs hadden zijn speciale aandacht. Dichters als Frans Budé en de essayist Huug Kaleis.

    Naast zijn werk als criticus en prozaschrijver, schreef Molin essays en kritieken voor de Poëziekrant, De Parelduiker – waarvoor hij over Adriaan Morriën, Fred Batten en Bertus Aafjes schreef – en De Gids. Van Morriën en Aafjes publiceerde hij eveneens biografieën. Ook recenseerde hij een tijd voor het Limburger Dagblad.
    Een selectie van zijn beschouwend werk werd in 2012 gebundeld in Terzijde van de vulkaan. Molin schreef twee romans en een verhalenbundel, In zijn tweede roman Najaarshof (2016) figureerden dichters, schrijvers en hun biograaf.
    Hij werkte nog aan een biografie van schrijver en dichter Roel Houwink, van wie hij vorig jaar een essaybundel samenstelde.

    Sinds 2016 recenseerde Molin non-fictie voor Literair Nederland. Hij vond het prettig dat deze recensies het woordenaantal dat gold voor recensies in dagbladen, mochten overschrijden. Elk jaar als hij naar Senegal vertrok, liet hij ons dat weten, dan stond het recenseren even op een laag pitje. Wanneer hij weer in het land was, liet hij ons dat weten. Nadat hij in januari van dit jaar zich had afgemeld, ontvingen we niet, zoals gebruikelijk, een mail dat hij weer in het land was en een boek wilde ontvangen ter bespreking. In oktober stuurden we hem nog een mail om te horen hoe het hem ging. Het bleef stil, tot gister bekend werd dat hij is overleden. Dat spijt ons zeer, we zullen een goed criticus en schrijver moeten missen.

    Rob Molin is 72 jaar geworden en zal in Senegal worden begraven. Dichteres Emma Crebolder, die veel met hem heeft samengewerkt, zal binnenkort een herdenkingsbijeenkomst houden voor hem, zo meldde het Limburger Dagblad.

    Recensies en andere bijdragen die Rob Molin de afgelopen drie jaar voor Literair Nederland schreef, zijn hier te lezen.

     

    Bibliografie

    Aardbeien in september. Verhalen (1988)
    Een dichte liguster. Roman (1992)
    Het heelal in de huiskamer. De poëticale opvattingen van Adriaan Morriën (1995)
    Lieve rebel. Biografie van Adriaan Morriën (2005)
    Over de brug (2005)
    Dat niets meer voorbijgaat. Over het werk van Frans Budé (2009)
    Terzijde van de vulkaan (2012)
    In de schaduw van de hemel. Biografie van Bertus Aafjes (2014)
    Najaarshof. Roman (2016)

    Bloemlezingensamengesteld, ingeleid en geannoteerd door Rob Molin

    Adriaan Morriën, Brood op de plank. Verzameld kritisch proza. 2 dln. Rob Molin (1999)
    Huug Kaleis, Gedreven door verwantschap. Essays over Willem Frederik Hermans. (2006)
    Roel Houwink, Mijn metgezellen. Over H. Marsman, J. Slauerhoff en Gerrit Achterberg. (2018)

  • In memoriam Ilse Starkenburg 1963 – 2019

    Op 11 november is onverwacht dichteres en schrijfster Ilse Starkenburg overleden. De in Dieren geboren schrijfster overleed in haar woonplaats Amsterdam. Sinds haar debuut, Verdwaald ontwaken in 1990 was De Arbeiderspers haar uitgever. Haar laatste bundel, De boom valt op mij uit 2017, waarin ze inging op dingen die zomaar kunnen gebeuren, is geïnspireerd op het voorval hoe een boom ook werkelijk op haar viel toen zij zich op straat begaf. Deze bundel werd door critici zeer goed ontvangen.
    Starkenburg was geen dichteres van het complexe en moeilijk te doorgronden metaforen. Ze stond bekend om haar eenvoudige en vaak spaarzame taalgebruik waarmee ze hele werelden kon oproepen.

    In 1996 ontving Ilse Starkenburg voor haar debuut en haar tweede bundel het Charlotte Köhler Stipendium, een stimuleringstoelage voor beginnende auteurs. Ook maakte ze deel uit van de  Poule des Doods, een dichtersgroep in Amsterdam die met een speciaal voor de overledene een gedicht schrijft en daarmee de laatste eer bewijst aan eenzaam afgestorvenen. Vertalingen van haar werk verschenen in Duitsland en Spanje. De Duitse vertaling leidde in 2000 tot een nominatie voor de Nordrhein-Westfalen Literaturpreis.
    Ook heeft ze werk gepubliceerd in de literaire tijdschriften Maatstaf, Rottend Staal, Tirade en komen haar gedichten veelvuldig voor in samengestelde bloemlezingen.

    ‘dat wat ik draag laten vallen
    de kakkerlak vertrappen
    soms is het of niemand
    iemand anders kan verdragen

    toch zullen de stenen een lichte
    aanraking toe moeten laten
    stof verdwijnt niet zomaar.’

    Ilse Starkenburg publiceerde de volgende bundels en een essay over Louis Lehmann:

    Verdwaald ontwaken (1990, gedichten)
    Afspraak met een eiland (1995, gedichten)
    De blinde vlek op de kaart (1998, verhalen)
    Thuisreis (1999, bibliofiele uitgave)
    In plaats van alleen (2003, gedichten)
    Gekraakt klooster (2007, gedichten)
    Louis Lehmann als Homo Universalis (essay over dichter en scheepsarcheoloog Louis Lehmann, 2007)
    De boom valt op mij (2017, gedichten)

     

    (fragment uit de bundel: afspraak met een eiland)

     

  • In memoriam György Konrád 1933 – 2019

    De Hongaars-Joods schrijver György Konrad is vrijdag 13 september op 86-jarige leeftijd in Boedapest overleden. Konrád werd gezien als een van de belangrijkste schrijvers van de twintigste eeuw en was een groot voorstander van individuele vrijheid, wat in het communistisch Hongarije van de vorige eeuw een onmogelijkheid was. Veel van Konráds boeken, waarin hij op enige wijze kritiek uitte op de staat waren tot 1988 verboden. Waarna hij ze ondergronds liet drukken en verspreiden.

    Joodse bourgeoisie

    De eerst elf jaren van zijn leven verbleef György Konrád in het stadje Berettyóújfalu in Oost-Hongarije. Zijn vader handelde in ijzer en zijn Roemeense moeder stamde af van Joodse bourgeoisie. Als kind ging hij naar de lokale Joodse school en voor een jaar naar de middelbare school, tot de Duitsers in 1944 ook Hongarije bezetten. Later studeerde hij literatuurwetenschappen, sociologie en psychologie aan de universiteit in Boedapest.

    Als jongen spijbelde Konrád van school, liet hij in een interview met Piet de Moor voor Knack weten, hij ging liever naar de bibliotheek. Een leraar die hem daar zag, vroeg waarom hij niet op school kwam. Hij keek naar het boek dat Konrád terugbracht en zei: ‘Dat prul is geen goede reden om te spijbelen.’ Konrád vroeg: ‘Welk boek is dan wel een goede reden om van school weg te blijven?’ Waarop de leraar de bibliotheek in ging en terugkwam met boeken van Dostojevski, Gogol, Tolstoj en Stendhal.

    De dood naderbij

    Over de dood was Konrád duidelijk, het leven was een langzame mars naar de dood. In datzelfde interview vertelde Konrád dat hoe ouder hij werd, de dood hem naderbij kwam. ‘Soms heb ik echt de indruk dat het volstaat. De belangrijkste ervaringen heb ik meegemaakt. Alles wordt herhaling. En toch, wat me achteraf nog het meest verbaast, is dat het leven zo kort is geweest.’

    In zijn boeken gebruikte Konrád belangrijke elementen uit zijn leven. In Nederland werd hij voor een breed publiek bekend door de interviewserie Nauwgezet en wanhopig uit 1989 onder regie van Wim Kayzer. Hij werd een van de meest vertaalde hedendaagse Hongaarse auteurs. Van de eenentwintig titels die er van hem in Hongarije verschenen, werden er zestien in het Nederlands vertaald, waaronder zijn debuut De bezoeker, (vertaling Hans Hom, 1974) Tuinfeest, (vertaling Henry Kammen, 1989), De Stedebouwer, Nalatenschap, vertaling Mari Alföldy (1999) en zijn laatste boek uit 2008 Slingerbeweging, (vertaling Mari Alföldy ,2011). Zijn werk werd uitgegeven door Van Gennep en later bij De Bezige Bij.
    De bezoeker en Tuinfeest werden in dertien talen vertaald.

    Anekdote

    In 1988 was interviewer Peter Olsthoorn voor Trouw in Hongarije voor een vraaggesprek met György Konrád. Eerst was hij naar Konráds geboortedorp geweest waar hij foto’s van zijn ouderlijke huis en de Joodse begraafplaats, het decor van Tuinfeest, had gemaakt. Toen hij Konrád in Boedapest thuis bezocht, kwam deze in pyama aan de deur, het kon niet doorgaan, zijn vrouw was jarig, dat was hij vergeten.
    Achtentwintig jaar later in 2016, was Konrád in Amsterdam en kreeg de interviewer opnieuw de kans hem te bevragen. Dat gesprek is hier terug te lezen.

     

    Bron: Knack

    Lees ook: Hongaarse auteur György Konrad overleden

     

  • In memoriam Tom van Deel (1945-2019)

    Deze week maakte uitgeverij Querido bekend dat literair criticus, essayist en dichter Tom van Deel, publicerend onder T. van Deel, op 12 augustus is overleden. Van Deel trad al vroeg toe tot het literaire leven. Geboren in Apeldoorn verhuisde hij voor zijn studie naar Amsterdam. Hij debuteerde op tweeëntwintig jarige leeftijd onder de pseudoniemen G. en Gerrit Vogel in het studentenblad Pharetra van de Vrije Universiteit. Twee jaar later verscheen zijn debuutbundel Strafwerk (1969) bij uitgeverij Querido, waar ook zijn laatste bundel Herfststijlloos (2016) verscheen. in 1974 was hij mede-oprichter van De Revisor, waarvan hij tot 1984 deel uitmaakte van de redactie.

    Van Deel schreef honderden kritieken als dagbladrecensent bij Trouw. Hij schreef graag en veel over schrijvers die hij liefhad en volgde, zoals Willem Brakman en Gerrit Krol. Waardoor hij wel eens het verwijt kreeg dat hij vriendjespolitiek bedreef, weer anderen waren van mening dat Van Deel over hen schreef uit kritische bewondering.
    Ook schreef hij voor de Protestantse Stichting tot Bevordering van het Bibliotheekwezen en de Lectuurvoorlichting in Nederland duizenden korte maar krachtige recensies. Voor deze leesbevorderende stichting maakte hij een boekje Over recenseren waarin hij onder meer stelde dat recensenten mensen zijn die beweren gekwalificeerd te zijn om te oordelen over de boekproduktie op speciale terreinen. ‘Ze overzien dat terrein, ze weten wat er is geschreven en kunnen het nieuwe zonder veel moeite bezien in het licht van wat hun al vertrouwd is.’

    In 1987 won hij met zijn bundel Achter de waterval de Jan Campert-prijs. Over zijn laatste bundel Herfsttijloos schreef  poëzierecensent Hettie Marzak onder meer, ‘ het zijn verstilde gedichten, niet over grote onderwerpen, maar die aan de hand van kleine dingen tot bezinning leiden.’  In 1988 verscheen een verzameling van zijn gedichten tot dan toe; Gedichten, 1969-1986.

    Daarnaast was Van Deel meer dan dertig jaar docent moderne Nederlandse letterkunde aan het Instituut voor Neerlandistiek van de Universiteit van Amsterdam. Tot 2006 gaf hij colleges en was onder zijn studenten een zeer gewaardeerd docent. Hij wist studenten voor de literatuur en de literaire kritiek te winnen en maakte school onder een aantal critici als Guus Middag, Marjoleine de Vos, Peter de Boer, Robert Anker, Thomas Möhlmann, Jeroen Vullings, en Rob Schouten behoorden daartoe. Als criticus was hij al jaren niet meer te horen, in zijn gedichten klinkt hij nog, zoals in onderstaand gedicht, waarin iets gevonden wordt en in opperste nood aan zichzelf wordt teruggegeven: het leven.

    Gebeurtenis

    Op zoek naar een gebeurtenis
    genoeg voor dit gedicht
    kwam ik een koolmees tegen
    Ik bukte en bekeek hem
    van dichtbij wat nader
    en zag dat hij ging sterven
    Zijn oog liet mij dat weten
    Hij beefde in zijn veertjes
    en kon niet meer bewegen
    Iets in hem was fel bezig
    de overhand te nemen
    Ik heb hem daar gelaten
    boven de koude steen

    Uit, Boven de koude steen, 2007.

     

    Beeld via uitgeverij Querido / Ary Langbroek

     

  • In memoriam schrijver R.A. Basart (1946-2019)

    Dinsdag 25 juni jongstleden is R.A. Basart overleden. Basart was schrijver van een intrigerend maar bescheiden oeuvre dat met grote tussenpozen tot stand kwam. Zijn werk werd wel gekwalificeerd als literair hoogstandje.
    Op achtentwintig jarige leeftijd debuteerde Basart  als ironisch dichter met Oranjebal waarvoor hij uit handen van de juryleden Gerrit Komrij, Mensje van Keulen en Guus Luijters, de Fontijn-aanmoedigingsprijs ontving. Op dat moment beschouwd als beloftevol schrijver, koos Basart er niet voor zijn docentschap op te geven voor de literatuur.

    Twee bundels

    In 1977 verscheen een tweede bundel, De gezonde apotheek. Daarna trad er een stilte in die zo lang duurde, dat zijn naam haast uit het literaire geheugen verdwenen was. Pas twintig jaar later, in 1997 verscheen er dan een roman van zijn hand, De laatste lach, over een verliteratuurde leraar die in een identiteitscrisis belandt, ontslagen wordt en worstelt met de dood van zijn op jonge leeftijd overleden Joodse vader. Een roman waarin dagelijkse besognes en de zwaarte van het familieleven stijlvol en met aangrijpende humor beschreven wordt.

    Jaren van stilte

    Waarna er weer bijna twintig jaar voorbij gingen, met onderbreking van een enkele prozapublicatie in het tijdschrift Dietsche Warande & Belfort in 2010, wat een voorpublicatie bleek te zijn van De verzoening, die in 2016 bij Lebowski verschijnt. Een roman over de drieënzestig jarige gewezen leraar en zelfbenoemde natuurgeneeskundige arts, Inni Pardijs. Over De verzoening schreef recensent Hans Vervoort:

    ‘Het dadaisme heeft in Nederland nooit veel aanhang gehad. Met Paul van Ostaaijen en later het tijdschrift Babarber (van Bernlef en K. Schippers) hebben we het zo ongeveer wel gehad. Maar met R.A. Basart krijg het een nieuwe representant. Zijn roman is één en al chaos maar op elke pagina trakteert hij de lezer op woord vernuftigheden die geregeld de lachspieren kittelen…’

    Gestage schrijver

    In 2016, het jaar van de verschijning van zijn tweede roman, werd Basart getroffen door een hersenbloeding. Toch bleef hij, zoals het hem gewoon was, langzaam en gestaag doorschrijven aan een nieuwe roman die de titel Bork zou krijgen maar niet tot een afronding is gekomen.

    In 2017 gaf zijn uitgever Lebowski een bloemlezing uit van Basarts eerste twee bundels, aangevuld met enkele nieuwe gedichten, Zingend naar huis. Binnenkort zal Lebowski de debuutroman van Basart, De laatste lach in een nieuwe editie uitbrengen. Daarmee is dan al zijn werk weer beschikbaar. Alleen de schrijver, die wordt node gemist.

     

    Lees hier over zijn laatste boek, De verzoening.

    Foto: via uitgever

     

  • In memoriam Wilbert Cornelissen (1958-2018)

    Vrijdag 19 oktober overleed dichter Wilbert Cornelissen. Wilbert Cornelissen was naast dichter en schrijver van klein proza, filosoof en werkte als poëziedocent aan de Schrijversvakschool in Amsterdam. In 1998 debuteerde hij met de poëziebundel Ontfermingen (Arbeiderspers), gevolgd door  Kinderlandschappen (2002, Meulenhoff).

    Hoewel Cornelissen veel schreef – van 1 januari 2007 tot 31 december 2016 schreef hij zelfs dagelijks een gedicht – publiceerde hij over een periode van twintig jaar slechts drie dichtbundels. Tien jaar dagelijks een gedicht schrijven, leverde een reeks van 3714 gedichten op die beschouwd kunnen worden als een soort officieuze stadsgedichten van Amsterdam. De dagelijkse gedichten, waarmee hij de geest van de beginnende poëzie probeerde te vangen, schreef Cornelissen onder het heteroniem ‘Mottenfokker’ (nachtvlinderkweker) waaruit dit voorjaar een compilatie verscheen onder de titel Elke dag/Proefsleuven (Arbeiderspers).

    Wilbert Cornelissen was ook danser en had een grote voorliefde voor dansfeestjes in de open lucht. Sinds 2009 organiseerde hij ‘straatdansfeestjes’ om de dans in het dagelijkse leven te laten opgaan. In de afgelopen zomer schreef hij enkele blogs voor Tirade.nu over zijn ziekte onder de titel ‘Klein landschap’ waaruit hieronder een fragment:

    ‘Van al die feestjes is er één overgebleven, en wel het straatdansfeestje dat ik samen met een goede vriend organiseer. Ik wilde dans op straat brengen. Waarom? Ik maakte deel uit van de Amsterdamse danscultuur. Dat had zich zo in de jaren opgebouwd. Ik voelde me bevoorrecht deel van deze wereld te zijn. Waarom dansfeestjes alleen tussen vier muren en in de avonduren houden? Ik begon me steeds meer een zonderling te voelen. Ik hou sowieso van het daglicht. Het hele horeca-idee van een danceparty begon me tegen te staan. Altijd die donkere en vaak bedompte ruimtes. En het kan zo gemakkelijk zijn. Naar buiten, koptelefoontjes op en dansen maar. We begonnen in 2009 ergens in het Amsterdamse Bos. Daarna veranderde het concept naar een maandelijks feestje ergens in de stad. We wilden de dans onder de mensen brengen.’

    Wilbert Cornelissen heeft in de loop der jaren klein proza gepubliceerd in verschillende tijdschriften waaronder Tirade, Revisor, Yang, Dietsche Warande & Belfort (DWB) en Bunker Hill.

    Op Tirade.nu beschrijft Anja Sicking hoe Wilbert Cornellisen door zijn geliefde met een bakfiets naar het Crematorion op Zorgvlied werd vervoerd.

     

    Foto: Merlijn Doomernik

     

  • In memoriam Dirk Ayelt Kooiman (1946 – 2018)

    Dirk Ayelt Kooiman, een interessant schrijver die ondanks enkele successen en een boeiend oeuvre geen blijvende grote bekendheid genoot, overleed op 2 oktober op 72 jarige leeftijd. Kooiman schreef romans, verhalen, essays en filmscenario’s. In 1974 richtte Kooiman samen met dichter, vertaler en schrijver Thomas Graftdijk (1949-1992) het literaire tijdschrift De Revisor op, waarmee zij beoogden het beste podium voor proza, poëzie en het persoonlijk literaire essay te zijn. De literaire aspiraties van beiden waren groot, in 1969 al, richtten zij het tijdschrift Soma op, dat slechts vier jaar bestond waarna zij, een jaar later De Revisor begonnen.

    Kooiman schreef zeventien romans en verhalenbundels. Hij debuteerde in 1971 met de verhalenbundel Manipulaties waarna in 1973 zijn romandebuut, Een romance verscheen . Over een vriendengroep – twee mannen, twee vrouwen – die elkaar na jaren van geen enkel contact weer terugzien. In het verleden speelt een uit de hand gelopen déjeuner sur l’herbe dat ontspoorde in ongewenste vrijages, een traumatische ervaring voor alle vier de betrokkenen. De roman werd een klassieker. Met zijn roman De grote stilte (1975) won hij in 1977 de C.W. van der Hoogtprijs. Zijn bekendste boek is de biografie Montyn (1982), die nog steeds op de leeslijst voor scholieren voorkomt. Zijn laatste verhalenbundel Het geheim van Carmen verscheen vijf jaar geleden, in 2013.

    Kooiman begon met publiceren in een tijd dat literatuur veelvuldig bekritiseerd werd door collega-schrijvers. Jeroen Brouwers had geen goed woord over voor Een romance, terwijl Gerrit Komrij het de hemel in prees. Als schrijver trad Kooiman nooit op de voorgrond. Hij werd gezien als een zogenaamde academist, een term bedacht door criticus Aad Nuis in 1977. Met name de schrijvers rond De Revisor – de zogenaamde Revisor-groep – waaronder Frans Kellendonk, Doeschka Meijsing en Nicolaas Matsier behoorden daartoe. Zij zetten zich af tegen realistische, anekdotische literatuur zoals dat door schrijvers als Maarten ’t Hart, J.M.A. Biesheuvel en Bob den Uyl bedreven werd. Vorm, verbeelding en reflectie waren voor Kooiman van belang.

    Veel van Kooimans hoofdpersonages zijn mannen die faalangstig zijn en een onzekere kijk op zichzelf en de werkelijkheid hebben. In zijn boeken spelen verbeelding, vervreemding en identiteitsproblemen een grote rol. Ook speelt hij met heden en verleden dat haast onmerkbaar wisselt in het beleven van het personage.

    De titels van Kooimans boeken zijn veelzeggend en volgen soms de lijn van zijn eigen biografie. Na zijn doorbraak in  1982 met Montyn – het levensverhaal van de schilder, tekenaar, graficus en dichter Jan Montyn, die in de Tweede Wereldoorlog de kant van de Duitsers koos – belandde Kooiman  in een schrijverscrisis. In 1990 verschijnt dan de roman De afwezige en dan pas weer in 1996 komt hij met de roman De terugkeer waarin hij getuigt van deze crisis. In 1998 verschijnt de novelle, De verdwenen weg en in 2001 de roman Victorie, waarover Marja Pruis in een bespreking in De Groene (9 februari 2002) schrijft dat Kooiman het academische heeft ingeruild voor ‘een wrang soort’ Hollands naturalisme. In 2007 verschijnt de verhalenbundel Oefenen in ontsnappen.

    Kooiman schreef een aantal filmscenario’s, onder andere voor Prettig weekend, meneer Meijer van Orlow Seunke en De Dream van Pieter Verhoeff.

    Zijn laatste verhalenbundel Het geheim van Carmen verscheen in 2013, en was naar alle waarschijnlijkheid niet bedoeld als zijn laatste: ‘Is er nog tijd om mijn boek te voltooien?’, stond er maandag 8 oktober boven de overlijdensadvertentie van Dirk Ayelt Kooiman.

     

    foto: © Roeland Fossen

     

  • In memoriam Armando 1929 – 2018

    Dichter, prozaïst, muzikant, theatermaker, schilder en beeldhouwer Armando  is op zondag 1 juli overleden in Potsdam, hij was 88 jaar. Armando (18 september 1929) kreeg bij geboorte de naam, Herman Dirk van Dodeweerd mee maar heeft die nooit willen gebruiken. Zijn Italiaanse grootmoeder en zijn moeder noemden hem van kleins af Armando. En zo is het gebleven.

    Geboren in Amsterdam verhuisde Armando in 1939 met zijn ouders naar Amersfoort. Daar, waar eerst alleen heide en bos was waar hij als jongen speelde, werd in de oorlog door de Duitsers een concentratiekamp gebouwd. Het geweld dat in het concentratiekamp gebruikt werd en tot ver buiten het kamp werd waargenomen, waren van grote invloed op Armando’s werk. Hij deed daarvan verslag in het boek De straat en het struikgewas, waarvoor hij de Multatuli-prijs (1988) kreeg. In 1979 breekt hij internationaal door als kunstenaar en in datzelfde jaar verhuist hij naar Berlijn waar hij tot 2004 zal blijven wonen. In 2008 verhuist hij opnieuw naar Duitsland, nu naar Potsdam.

    Armando beoefende meerdere kunstdisciplines maar werd bij het grote publiek vooral bekend door de tragikomische serie Herenleed (1971-1994), die hij samen met Cherry Duyns en Johnny van Doorn maakte voor de VPRO. En wellicht door de brand in 2007 in de Ellenboogkerk in Amersfoort, waar het Armando Museum gevestigd was. Door die brand is veel van zijn werk verloren gegaan. Er werd wel gezegd dat Armando te goed was om de lieveling van het publiek te worden.

    Maar zijn thema’s over goed en kwaad, dader en slachtoffer reikten verder dan de oorlog. De tragiek van de mens en het weten dat elk mens, als deze van hogerhand de permissie krijgt een ander te onderdrukken, dat ook zal doen, daar was Armando van doordrongen. ‘Je moet niet veel van de mensen verwachten.’ zei hij in een interview met Trouw (2014): ‘Wreedheden zitten óók in de mens.’ En in landschappen, hoe idyllisch ook. Schuld en onschuld was ook en belangrijk onderwerp in zijn werk en waar het gedicht ‘Getuigen’ uit zijn laatste bundel Liever niet (2017) en verschenen bij Atlas Contact uitdrukking aan geeft.

    ‘er zijn geen getuigen meer
    getuigen van de dingen die ze zagen
    die ze moesten zien maar niet meer willen zien
    getuigen die steeds blijven zwijgen
    getuigen die vertellen over dingen die ze graag gezien hadden
    getuigen die niets zagen die nooit iets gemerkt hebben
    getuigen van zon en schemer van dampige gestalten
    getuigen die geen getuigen zijn omdat ze te laat naar voren drongen.’

    Als dichter debuteerde hij in 1953 in ‘Podium’, pas in 1964 debuteerde hij met een bundel, die hij de titel meegaf ‘Verzamelde gedichten’. In de jaren zestig sluit hij zich aan bij de Nul-beweging en ontwikkelt zich in die jaren ook als fanatiek bokser. Daarover publiceert hij een drietal cycli gedichten ‘Boksers’, de Engelstalige reeks ‘Fighters’ en ‘September in de trein’. Als kunstenaar en schrijver stond hij bekend als tegendraads. In Berlijn werkte hij jarenlang in het oude atelier van nazi-beeldhouwer Arno Breker. In zijn schilderwerken domineert het zwart, maar ook het rood, in plakkaten aangebracht gebruikte hij graag. Hij schilderde verkoolde bomen, zwarte vlaggen en landschappen in monumentale afmetingen. Over zijn ervaringen in Berlijn schreef hij columns voor NRC Handelsblad, die later werden gebundeld.

    Hij muntte de term ‘schuldig landschap’, als ook, ‘schuldige bomen en bossen’ die de thematiek van zijn werk behelsde. De natuur zag hij als getuige van gruwelijke oorlogshandelingen en andere misdaden. In elke idylle hield zich een kern van het kwaad verborgen, volgens Armando. ‘Het bos heeft alles gezien en toegelaten, zonder een woord te zeggen. En het staat er nog: onbewogen als altijd.’ (uit: Aantekeningen over de vijand, 1981).

    Er stond een overzichtstentoonstelling in de steigers voor het jaar 2019, waarin hij negentig zou worden. De onderhandelingen met directeur Suzanne Swarts van Museum Voorlinden waren in volle gang. Aan dood gaan dacht Armando niet. Hij had nog veel ideeën, om te schilderen te schrijven. De laatste jaren liet zijn gezondheid te wensen over, zijn rechterarm kon hij niet meer gebruiken en hij werd afhankelijk van een rolstoel.

    Armando was een veelzijdig man en behoorde tot een van de belangrijkste naoorlogse Nederlandse kunstenaars. Nationaal en internationaal werd hij gewaardeerd als beeldend kunstenaar, schrijver, documentairemaker en violist. In 2010 portretteerde Cherry Duyns Armando in de documentaire  Armando, portret van een vriend, over de tragiek van de mens en het gevecht met de eeuwigheid. ‘Kunst maken is niet leuk,’ aldus Armando in de film.

    Zijn werk werd met verschillende prijzen bekroond. Voor zijn gebundelde column Machthebbers (1983) ontving hij de F. Bordewijkprijs en Multatuliprijs. Voor zijn hele oeuvre ontving hij in 1985 de Jacobus van Looyprijs voor dubbeltalenten.

    In Komrij’s Nederlandse Poëzie (15/16e druk) is Armando opgenomen met twee gedichten, waaronder: ‘Waarom zouden we wat we gedaan hebben om vergeving vragen’.

    om vergeving vragen waarom
    hebben we gedaan wat we moesten doen

    we deden wat we konden om niet
    te weten dat we leefden

     

    Foto: Conny Meslier

     

  • In memoriam Renate Dorrestein (1954-2018)

    Hoewel Renate Dorrestein in haar werk de indruk wekt speels en spontaan te opereren, wist ze bijna altijd precies waar ze mee bezig was en ging ze weloverwogen te werk. Renate Dorrestein was een vrouw met een missie en een schrijfster met een visie op literatuur.

    Renate Dorrestein stierf op de dag dat de doden herdacht worden. Twee dagen later was haar dood breaking news en de opening van het NOS Journaal. Vandaag – Hemelvaartsdag – wordt zij begraven.

    Missionaris
    Toen het nog harder nodig was dan nu roerde Renate Dorrestein consequent de feministische trom. Dat zij als missionaris wel eens wat drammerig was, gaf ze toen de strijd eenmaal voor een groot deel gestreden was ruiterlijk toe. Maar ondertussen deed ze wat nodig was. En dat deed ze doorgaans geestig en eloquent, én uitermate doeltreffend. Het venijn zat vooral in haar schrijven. Als ze sprak, kon ze heel bedeesd klinken. Maar ook dan gehoorzaamde ze aan haar eigen wetten. De wetten van Dorrestein:

    1. Een aantal kwinkslagen
    2. Een aantal stoten onder de gordel
    3. Minimaal een zin waarin ik iets verstandigs zeg
    4. Een einde waarin ik het voorgaande geheel op zijn kop zet.

    Wetten die klappen hard doen aankomen. Renate Dorrestein kon heel goed de indruk wekken dat ze alleen iets in overweging gaf, maar wat ze wilde was de wereld radicaal veranderen. Dan heeft zoete broodjes bakken geen zin.

    Schrijver
    In haar literaire werk negeerde Renate Dorrestein de boze buitenwereld aanvankelijk. Ze schiep voor haar personages omstandigheden waarin ze konden gedijen. Waar ze naar eigen vermogen aan deel konden nemen en hun idealen konden verwezenlijken. Kwetsbaar en afhankelijk oogden zij. In de ogen van sommigen daardoor onschuldig.

    Op dat vroege werk kun je je verkijken. Vrijblijvend is het nergens en onschuldig ook niet. Zelfs Voorleesboek voor planten – ver voor Buitenstaanders, de roman die voor haar debuut doorgaat, verschenen – is niet zo onschuldig als het lijkt. Het bevat behalve miskende personages – een asparagus vanwege het iele voorkomen; een moederplant vanwege het maar aanjongen; vrouwentongen vanwege de vrouwentongen en papyrus vanwege vermeende dronkenschap – een behoorlijke dosis maatschappijkritiek en veroordeelt vooroordelen.

    Dat er over dat vroege werk ook in literaire zin iets te zeggen valt, drong pas door toen er serieuze studies aan gewijd werden. Voordien zag bijna iedereen over het hoofd dat haar werk perfect in de Angelsaksische traditie van de gothic novel past. Dom eigenlijk, want Renate Dorrestein maakte geen geheim van haar literaire oriëntatie. Nu staat zij te boek als eerste Nederlandse schrijver die met succes dat genre bedreef.

    Na Buitenstaanders, Vreemde streken, Noorderzon, Een nacht om te vliegeren en Het perpetuum mobile van de liefde kwam de kentering. De romans werden werkelijker. De structuur ‘eenvoudiger’. Alsof het schrijven over haar zus en de ziekte die haar uitputte nieuwe inzichten opleverde over hoe zij de literatuur voor haar karretje kon spannen. Alsof ze meer dan daarvoor besefte dat ze de lezer als bondgenoot nodig heeft, wilde ze via de literatuur iets teweegbrengen.
    Wat precies een echte Dorrestein is, laat zich nog niet zo heel eenvoudig omschrijven, maar het valt op dat sinds die kentering een enorme verscheidenheid aan niet-biologisch eigen kinderen in haar romans rondwandelt. Zij hebben langzaam maar zeker de plaats ingenomen van vrouwen die het tegen mannen opnemen. Het ‘zelfgekleide knutselgezin’ bleek een uitermate geschikt biotoop om de strubbelingen en de sores die het failliet van het fatsoen symboliseren te situeren.

    Renate Dorrestein verzon verhalen om de werkelijkheid zo dicht mogelijk te naderen. Keer op keer kroop ze in het hoofd van haar gemankeerde personages en vroeg ze van haar lezers hetzelfde te doen. Dat streven is de kern van haar poëtica.
    Dit is haar credo:

    ‘Fictie laat ons zien wat het betekent om mens te zijn en hoe moeilijk het is een fatsoenlijk mens te blijven als de omstandigheden onfatsoenlijk worden. Literatuur brengt ons iets dat de psychologie niet vermag, de sociologie niet vermag, de journalistiek niet vermag: het vermogen om in het hoofd van de personages te kijken, deelgenoot te worden van hun dilemma’s en al doende in hun schoenen te gaan staan. Literatuur helpt ons, ons met anderen te identificeren en ook onszelf te begrijpen.’

    Mensch
    Renate Dorrestein was uitermate goed in staat om schrijvend op haar leven en werk te reflecteren. Dat liet ze al zien in Heden ik en De blokkade. Ze wilde geen slachtoffer zijn, bleef strijdbaar en werkte zo goed en zo kwaad als dat ging door.
    Toen ze Heden ik en De blokkade schreef, had ze geen haast. Dat was anders toen ze aan Dagelijks werk: een schrijversleven begon. De dood zat haar op de hielen. Die zou ze niet voor blijven, dat wist ze. Wat wel kon, was degene die ooit woorden aan haar leven en werk zou willen wijden – een biograaf dus – de pas afsnijden.

    Dat deed ze dus. Scherper dan wie dan ook dat zou kunnen, voorzag ze wat ze in de loop der jaren schreef – als journalist, als pleitbezorger van de vrouwenzaak en als romancier – aan de hand van verspreid verschenen stukken van context en commentaar. Ze is openhartig waar het om persoonlijke zaken gaat en neemt geen blad voor de mond waar het zakelijke aangelegenheden betreft.

    Met deze staalkaart van haar werk voltooide Renate Dorrestein haar oeuvre. Dagelijks werk: een schrijversleven hoefde niet postuum te verschijnen: Renate Dorrestein haalde haar deadline en maakte de ontvangst mee.

    Ze wist wat haar te wachten stond, en toch schreef ze – het zijn de laatste woorden die ze voor haar lezers in petto had:

    ‘Ook ik hoop natuurlijk gezónd oud te worden. Maar ik hoop vooral dat niemand me de levensfase door de neus boort waarop ik me nu al zo lang verheug: een oud vrouwtje te zijn, en ongestraft excentrieke kleren en rare mutsjes te kunnen dragen, nooit meer naar de sportschool te hoeven, alles te mogen eten wat ik maar wil, te drinken en te roken omdat dat toch niet meer uitmaakt, aan iedereen lak te hebben en de meest boude dingen te kunnen zeggen zonder dat iemand het nog waagt me tegen te spreken.’

    Wie dat durft te schrijven op de laatste bladzijden van wat haar laatste boek werd, is niet alleen ‘a truly courageous writer’, maar vooral een dapper mens(ch).

     

    Foto: still uit promotiefilmpje van de CPNB voor Week van het Luisterboek 2014

     

     

  • In memoriam F. Starik 1958 – 2018

    Op vrijdag 16 maart is schrijver, dichter en zanger F. Starik op 59-jarige leeftijd overleden aan een hartstilstand. Starik werd als Frank von der Möhlen geboren in Apeldoorn. Hij studeerde fotografie en mixed media aan de Rietveld academie in Amsterdam. Op zestienjarige leeftijd publiceerde hij zijn eerste dichtbundel in eigen beheer. Als ‘nachtpredikant’ leverde hij geregeld een bijdrage aan het VPRO radioprogramma Nooit meer slapen – waar hij vaak en gedurende een week een geschreven terugblik gaf ‘op de dag die was’.

    Van 1992 tot 2002 was Starik zanger van de Willem Kloos Groep, die werk van dode dichters ten gehore bracht. Met deze band waarvan Menno Wigman drummer was, trad hij geregeld op.
    Starik was een markant figuur die erop stond met F, (en niet met het logischerwijs vermoedde Frank) te worden aangesproken. Hij viel op door altijd in pak te zijn gekleed. Als performer in kleurige overhemden met lange punten aan de kraag en de scherpe snede van zijn even kleurrijke puntschoenen waarmee hij groots, doch bedachtzaam voortstapte.

    Zo kon je Starik tijdens de 34e Nacht van de Poëzie (2016) in ogenschijnlijk rustige tred, handen op de rug zijn rondjes om de zaal in het Tivoli zien nemen. Hier en daar een pauzerende bezoeker minzaam groetend. Zoals het een dichter betaamt. Waarna hij in grasgroen kostuum het podium besprong om het dichterschap te vieren. Met een gretigheid die het publiek lichtelijk achteruit deed deinzen, bracht hij een dichterlijke tirade over ‘gras’,(dat zich overal en onophoudelijk vertoont), ten gehore. Waarmee hij de zaal voor de rest van de Nacht goed wakker schudde, en succes oogstte.
    Starik trad graag op tijdens festivals. Op 11 maart trad hij nog op in Schotland, tijdens het internationale dichtersfestival StAnza.

    Hij publiceerde tien dichtbundels en de roman De gastspeler. In 2012 had hij in Trouw een wekelijkse rubriek Moeder doen dat het jaar daarop onder dezelfde titel als bundel verscheen. Stukjes over hoe het leven uitpakte voor zijn dementerende moeder. Uit veel van zijn werk spreekt een grote empathie voor de dingen. Hij dichtte veel over de donkere kant van het leven, de dood. Die hij  als performer – die hij ook was – op rauwe toon ten tonele bracht. Woorden spuwend en dan weer terughoudend met vaak een trilling, alsof zijn stem kon breken, en een kracht die de aderen op zijn schedel deden opzwellen. Dat was F. Starik. Een pose, maar oprecht.

    Sinds 2002 was Starik coördinator van de Amsterdamse ‘Poule des Doods’, een groep dichters die op afroep beschikbaar zijn om een gedicht te schijven voor een eenzaam gestorvene en dit voor te dragen aan de groeve. Zelf was Starik bij alle eenzame uitvaarten aanwezig waarvan hij na afloop uitgebreid verslag schreef die te vinden zijn op de website Eenzame uitvaart Amsterdam. Hierover publiceerde Starik De eenzame uitvaart (2005) en Een steek diep. Schetsen van verloren levens (2011). Van 2010 tot 2012 was Starik stadsdichter van Amsterdam. Zijn recentste poëziebundel, Staat, verscheen in 2015.

    Voor zijn werk ontving hij de Amsterdamprijs voor de Kunst (2009), en in 2012 ontving hij het stedelijk ‘Ereteken van Verdienste’.

    Dat laatste gedicht, Ad fundum dat hij tijdens de 34e Nacht voordroeg, maakte indruk. Briesend uitgesproken strofen: ‘al die mensen’ die dood zijn, eindigend met: ‘mag die beker mij nu eens passeren (…) leven godverdomme / en heel lang nog / weg met de dood’.

     

    Eind februari werd F. Starik geïnterviewd over zijn stichting De Eenzame Uitvaart. Het bleek onvermoed zijn laatste interview te zijn. Trouw publiceerde het vandaag: F. Starik, het laatste familielid

    Verslag van zijn uitvaart in een column van Inge Meijer: Wiegend naar het einde

     

  • In memoriam Menno Wigman 1966-2018

    Een leven in dienst van de poëzie

    Een groot Nederlands dichter is gestorven. Het werd donderdag 1 februari op elk heel uur door de ‘Radio Nieuwsdienst van het ANP’ omgeroepen. Men stond stil en was geschokt bij het verscheiden van een dichter die niet veel publiceerde maar wat er van hem werd uitgegeven, was van grote klasse. Er ontbreekt in de Nederlandse poëzie plots een schakel, een tegenwicht, een klankbord. Aan de vooravond van Wigmans overlijden werd bekend gemaakt dat zijn laatste bundel Slordig met geluk, genomineerd is voor de Ida Gerhardt Poëzieprijs.

    Menno Wigman, klassiek dichter met een onnavolgbare manier van formuleren, overleed donderdagochtend op 51-jarige leeftijd in het VU ziekenhuis te Amsterdam. Hij werd in slaap gehouden, zo vertelde zijn vriend de dichter F. Starik op Radio 1. Sinds 2014 rommelde het met zijn gezondheid, waarvan zijn laatste bundel, Slordig met geluk een weerslag is.

    Het leven van Wigman stond in het teken van de poëzie, zozeer dat hij geen tijd leek te hebben zich om iets anders te bekommeren. Hij trad op jonge leeftijd in de voetsporen van klassieke dichters als Rilke en Baudelaire – in tegenstelling tot zijn generatiegenoten die nieuwe dichtvormen ontwikkelden. Zijn gedichten waren metrisch, bevatten een sterk ritme en veel rijm. De thematiek in zijn werk was altijd: jeugd, dood, liefde, aftakeling en verval.

    Wigman was een goed voordrachtkunstenaar. Hij stond verschillende malen bij De Nacht van de Poëzie en werd voor Het Tuinfeest in Deventer de laatste vijf jaar, jaarlijks uitgenodigd. Een eer die voorheen alleen Gerrit Komrij ten deel viel.

    Hij debuteerde in 1997 met ’s Zomers stinken alle steden. In ruim twintig jaar publiceerde hij zes bundels waarvoor hij twintig jaar lang ’s nachts schreef. Naast zijn eigen bundels, waaruit een bloemlezing verscheen onder de modern-klassieke titel De droefenis van copyrettes (2009), publiceerde Wigman vertalingen van Baudelaire, Else Lasker-Schüler, Rilke, De Nerval en Leopold Andrian.
    Tweemaal werd zijn dichtkunst bekroond. Voor Zwart als kaviaar (2001) kreeg hij de Jan Campertprijs, en in 2015 werd hem de A. Roland Holst-penning toegekend.

    Van 2012 tot 2014 was Wigman stadsdichter van Amsterdam en moest als ambassadeur overal opdraven. Zelf zei hij daarover, (in een interview met John Schoorl V.K. 2016) dat het een te zware periode was, hij belandde met een hartkwaal op de intensive care, waarover hij zou berichten in Slordig met geluk.

    In 2014 was er het besef dat hij iets met zijn leven – anders dan het ten dienste stellen van de poëzie – moest doen. In 2011 publiceerde Jozef Deleu van Het Liegend Konijn het gedicht ‘Laatste taxi’ van Wigmans:

    Ik leefde snel en telde af, dat was toen mode.
    Ik telde doden, steeds meer doden, en ik dacht
    aan drank, aan drugs, aan de millenniumnacht
    en rook. En deze eeuw? Muziek en inzicht, veel
    verheffing. Google, woede, oorlog, mist.

    Er heerst een rookverbod maar niemand kijkt nog fris.
    Letterlijk niks houdt onze weerzin in bedwang.
    In chatrooms straalt een teder licht. Er is het recht
    op geld, op seks, op zwachtels voor de hersenstam,
    noem het ontdaan van een Betekenis – en dan.

    Ik heb een jeugd gehad. Het is de laatste nacht
    van weer een jaar, ik leefde stil en kwam tot niets
    en zit nu in een taxi, buiten hoor ik schreeuwen,
    mensen die vuurpijlen afsteken, elkaar
    beroemde kussen geven. Ik kijk. Ik zie. Zal leven.

     

    Menno Wigman publiceerde:
    s Zomers stinken alle steden Prometheus, Amsterdam, 1997
    Zwart als kaviaar, Prometheus, Amsterdam, 2001
    Dit is mijn dag, Prometheus, Amsterdam, 2004
    De droefenis van de copyrettes, (bloemlezing) Prometheus, Amsterdam, 2009
    Mijn naam is legioen, Prometheus, Amsterdam, 2012
    Slordig met geluk, Prometheus, Amsterdam, 2016.

    Zijn werk werd vertaald in het Duits, Engels en Frans.

    Nagekomen bericht:
    Zaterdag 17 maart ontving Menno Wigman postuum de Ida Gerhardt Poëzieprijs 2018 voor zijn dichtbundel Slordig met geluk, waarvoor hij tijdens zijn leven genomineerd was.

    De jury van de Ida Gerhardt Poëzieprijs bestond dit jaar uit Kunststof-presentator en journalist Petra Possel en Volkskrant-recensent Arjan Peters. Zij beschreven Slordig met geluk als de culminatie van Wigmans oeuvre, een oeuvre waarin hij altijd de ‘gure schoonheid’ heeft bezongen, ‘een dichtersleven lang, consequent, mooi en melancholisch en altijd flirtend met de dood’. In de bundel, zo stelde de jury, ‘is guur meer dan guur en is schoon meer dan schoon’. Zodoende noemen zij het Wigmans ‘beste bundel ooit, zijn zwanenzang’.

    Het bijbehorende prijzengeld zal gebruikt worden voor een gedichtenbundel die hij maakte voor Stichting De Eenzame Uitvaart. Hij droeg deze gedichten voor tijdens de uitvaarten van mensen die zonder nabestaanden ten grave werden gedragen.