• Jeroen Brouwers (1940-2022) – De reden waarom

    Ik waste mijn handen onder de kraan, er reed een auto door de straat, de stem van de nieuwslezer wrong zich in flarden door deze ruis heen, ‘vanmorgen… na een kort ziekbed… schrijver…’. Ik opende mijn laptop, mail van de uitgeverij van de schrijver van wie ik vermoedde dat hij het was die op het nieuws bezongen werd als ‘overleden schrijver’. Ik las, ‘Vanochtend bereikte ons het verdrietige bericht dat Jeroen Brouwers, na een kort ziekbed, is overleden.’ De komma’s negeerde ik. Bij het verscheiden van een bewonderd auteur komt altijd mijn eerste kennismaking met het werk van de schrijver in me op. Midden jaren tachtig had ik mij losgeweekt van gezins- en samenleven, ik betrok een etage boven een groenteboer in de stad, ging schrijven. Wat vooreerst inhield dat er gelezen moest worden, en wel veel. Ik kocht Privédomein boeken, De Beauvoir, Kierkegaard, Philip Roth, Doris Lessing, en Brouwers. Het verzonkene, over zijn moeder. ‘Ik herinner mij haar groene ogen. Dat zij koninklijk was.’ Maar ook, ‘Ik ga haar, als zij eerdaags komt te sterven, niet mee begraven. Haar laatste woorden heeft zij al tegen mij gezegd.’ Over haar verval, ‘Zo wenste ik mij haar niet te herinneren.’ Na haar dood in 1981 schreef hij Bezonken rood, uitgangspunt was het bericht van haar overlijden. Daar doorheen herinneringen aan zijn moeder en grootmoeder in het jappenkamp waar hij als peuter/kleuter met hen verbleef.

    Ed van Thijn, die als kind tijdens de oorlog op achttien onderduikadressen zat, vertelt in een aangrijpende documentaire over zijn getroebleerde kinder- en jeugdjaren, dat zijn moeder hem kort na de oorlog bij een psychiater bracht omdat hij ‘zo druk’ was. Dat hij alles doorstaan had, niemand hem tijdens die verschrikkelijke oorlogsjaren ooit een klap had gegeven, maar dat zij het toeliet dat hem elektroshocks werden toegediend. ‘Nou, toen was het wel over’, zegt Van Thijn in de camera, waarbij uit de blik in zijn ogen de schok van verraden te zijn door zijn moeder nog spreekt. Brouwers wordt na de oorlog, als ze naar Nederland zijn gerepatrieerd, als tienjarige direct op pensionaat gedaan. Het verblijf in het interneringskamp heeft hem volgens zijn ouders verwilderd, heeft geen gevoel voor wat ‘deugt’ en ‘nietdeugt’ ontwikkeld. Zijn moeder brengt hem weg. Zegt dat hij ‘gezeglijk’ moet zijn, dat hij over vijf weken ‘alweer’ een weekend naar huis mag. ‘-mijn haat jegens mijn moeder siert sedertdien mijn “levensbesef”.’ Lees hierin de blauwdruk voor een getormenteerd schrijversleven.

    Er was een levenslange weerstand aan het leven te moeten deelnemen, te converseren met mensen. ‘Puur uit mensenangst was ik weer zo zenuwachtig geweest om van huis te moeten, helemaal naar Tilburg, dat ik mij de dag tevoren tussen 16.00 en 21.00 uur heb lens gezopen.’ Het lijden onder kritieken. In een brief aan Harry Prick schrijft hij over een recensie in De Volkskrant van De laatste deur. ‘Zo’n kritiek als laatst in De Volkskrant, geschreven door een Heumakers of zoiets (wie is dát nou weer?), waarin stond dat mijn zelfmoordboek hoofdstukken vol ‘bric à brac’ zou bevatten, daar ga ik van door de muur door drift en verdriet. Zo’n Heumakers zal wel even in een paar kwartiertjes een stukkie plengen over een 500 pagina’s boekwerk waar ik zo’n jaar of 15 mee aan bezig ben geweest.’ Het literaire bedrijf was een levenstaak. Zijn boek Client E. Buskens noemt hij ‘een boek over niks’. Alles een schrijfoefening, ook als er niets gebeurde, al was de dood nooit ver weg.

    Hij schrijft, ‘Doos nietjes gekocht. Vijfduizend stuks. Nu heb ik wel regelmatig iets te nieten, maar er gaan ook weken voorbij dat er niets te nieten valt. Wanneer kocht ik een vorige doos nietjes? In ieder geval toch wel zoveel jaren geleden dat ik nu licht draaierig word van de gedachte, dat ik over nog eens hetzelfde aantal jaren best dood kan zijn, zonder alle vijfduizend thans aangeschafte nietjes te hebben gebruikt.’

    Aan Cliënt E. Busken werkte Brouwers vier jaar, onderbroken door ziekenhuisopnames. Met de pen schreef hij soms vijf, soms tien regels op een dag. Daar bewonder ik de schrijver om. Na voltooiing, dacht hij dat het niks was (Het is niets). Hij won er de Librisprijs mee. Arjan Peters vroeg hem wat er voor nodig was geweest om zich al die tijd voor Busken te kunnen openstellen. Brouwers zei, ‘Gewoon, pak je pennetje en begin maar.’ Je hoort het hem zeggen. Wie wil weten wat deze schrijver bewoog, kennis wil nemen van zijn vertelkracht, zijn zinnen wil bewonderen, lees Kroniek van een karakter, Het verzonkene, Bezonken rood, De Zondvloed, de rest volgt vanzelf. Brouwers wenste dat zijn boeken hem zouden overleven, ‘dit is de enige reden waarom ik schrijf.’ Schrijven was zijn leven en maakt, zoals hij zelf zei, een biografie overbodig. Ondertussen zoek ik een kamertje om zijn boeken, zijn epistels opnieuw te ondergaan.

     

     

    Bronnen: Het verzonkene / Bezonken rood / Het vliegenboek / Kroniek van een karakter / Het is niets / Interview Volkskrant 


    Inge Meijer is een pseudoniem. 

     

     

     

  • In memoriam Arend Jan Heerma van Voss 1942-2022

    ‘Is er een apart hoekje voor ex-schrijvers, dat zou wel helpen?’ schreef Arend Jan Heerma van Voss me na een uitnodiging voor een schrijversborrel bij Van Oorschot. Arend Jan meende dat je voor een uitnodiging voor een diner of borrel liefst recent of heel veel boeken had moeten schrijven, voor ons was dat ene meer dan voldoende. Want wat een boek! De ‘retro-reportage’ zoals hij het noemde met de titel Dokie. Een familiebericht is een voorbeeldige familiegeschiedenis, memoires ook zoals we graag meer zouden uitgeven. Ook van Arend Jan, we hebben er dikwijls naar gevraagd. ‘De kale feiten werden wel gekend, maar die konden lang onopgetuigd blijven; als de betekenis ervan eindelijk doordringt, is meestal goed te begrijpen waarom dat zo lang moest duren’ analyseert de gewezen hoofdredacteur van het Maandblad voor geestelijke volksgezondheid, de zaak zelf maar even voor ons.

    Dokie vertelt het verhaal van zijn in de oorlog gestorven zusje, ze werd aangereden door een motor. Lang was ze afwezig in zijn leven en dat van de familie, Dokie was iemand over wie nadrukkelijk gezwegen werd. Volgens het procedé van de ‘associatieve logica’ ontsluiert de auteur de schrijnende geschiedenis. Maar in de 100 geserreerde paragrafen die hij daarvoor maar nodig had ontwaren we ook zijn leven, en zijn fascinaties. Het is een boek dat je kunt blijven lezen, in een stijl die is zoals de auteur was: precies, geestig, bescheiden, intelligent en volstrekt origineel.

    Het portret hiernaast door Stefan Heijendael is mooi en typerend. De altijd aanwezige tas, de blik waarin een zekere afzijdige melancholie en ironie om voorrang strijden.

    Dokie staat ook vol muziek, Elmore James bijvoorbeeld, ‘de ideale man om de aversie tegen alles wat “grof, ruw en lawaaierig’ is in de naoorlogse blues aan te wakkeren’, zoals HvV schreef in Jazzwereld 10, 1967. De overeenkomst tussen dit type musicus en HvV is dat in een gestileerd en gentlemen like voorkomen een zekere paniek schuil kan gaan die een uitweg zoekt. Deze muziek ‘moet zeer hard gedraaid worden, en alle buren vluchten.’ Dan ontstaat ‘een zekere ontspanning: eindelijk werd hij de buitenstaander van zijn eigen bestaan.’

    Hieronder James’ prachtige uitvoering van ‘But when things go wrong, go wrong with you, it hurts me too.’

    Wat evengoed een motto van Dokie had kunnen zijn.

     

     

    Foto: Stefan Heijendael

    Dit in memoriam verscheen eerder op Tirade blog.

     

  • In memoriam Jan Fontijn (1936 – 2022)

    Aan wat decennialang een vertrouwd beeld was in de binnenstad van Amsterdam: een zekere man, een vrouw met rokje en een hondje, is een einde gekomen: Jan Fontijn overleed 6 januari jl. en laat Charlotte Mutsaers en het hondje achter. Fontijn was universitair docent geweest, verwierf bekendheid met zijn voorbeeldige schrijversbiografie over Frederik van Eeden in twee delen: Tweespalt: het leven van Frederik van Eeden tot 1901 (1990) en Trots verbrijzeld: het leven van Frederik van Eeden vanaf 1901, (1996). Een prestatie waarmee hij de lat voor nakomende schrijversbiografen bepaald hoog heeft gelegd. Bij uitgeverij Van Oorschot verschenen achtereenvolgens zijn roman Biefstuk en benzine, waar hij fier op was, maar die naar zijn smaak te weinig weerklank vond en een boeiende lezersautobiografie onder de naam Kijk naar de vis. Een heel interessant allegaartje van vrijzinnige en bevlogen literatuurwaarnemingen is dat. Aforistisch bij tijd en wijle, of in korte notities: ‘De ontroering bij het zien van een stoel naast de tafel. Dat willen vastleggen in woorden of in beeld. Zo nauwkeurig mogelijk. Niets meer en niets minder.’ Een dialogue intérieur staat er in, herinneringen en beschouwingen. Het is divers, luchtig, verrassend veelvormig, je blijft er in lezen. Fontijn was naar mijn smaak vooral een bevlogen lezer.

    In februari 2020 vroeg uitgeverij Van Oorschot hem deel te nemen aan een ‘schrijversdiner’ in de Roode Bioscoop in Amsterdam, een lange rij tafels met damast gedekt en gasten die dineerden terwijl een uitgelezen selectie schrijvers boeiende causerieën hielden. Het thema was de leeftijd van uitgeverij van Oorschot: 75 jaar. Jan Fontijn had een hoop te vertellen vanuit zijn geschiedenis met Geert en Hillie van Oorschot, bij wie hij vaak te gast was op Donkervliet in Loenersloot. Het werd een heel mooie avond. Voorafgaand had Jan gemaild: ‘Charlotte wil graag mee, zet stoeltje maar klaar.’ In een bij tijd en wijle ook emotioneel relaas, speciaal over Hillie, voor de inhoud waarvan ik verwijs naar de passage in Arjen Fortuins mooie biografie van Geert van Oorschot (v.a. p. 356) vertelde Jan over zijn geschiedenis en waar die gelijk op liep met de uitgeverij.

    De foto hiernaast toont Jan in de eigenaardige jongensachtige charme die hij altijd had. In het eerste decennium van deze eeuw droeg Fontijn nog een aantal keer heel mooie stukken bij aan Tirade, waarvan dit over Pierre Loti en Couperus voor mij het mooiste is. Het laat zien hoe gul Fontijn kon bewonderen en hoe breed zijn kennis en interesse was.

    Daags na het diner meldde Fontijn nog hoe leuk ze de avond hadden gevonden. ‘Ik wilde je zeggen dat ik geen geld wil. Wel een lekkere fles rode Bourgogne.’ Onze gedachten zijn bij Charlotte en het hondje.

     


    Dit in memoriam is tevens geplaatst op Tiradeblog.

     

  • In memoriam Inez van Dullemen (1925-2021)

    Terwijl ik donderdagmiddag mijn handen vol had aan het behang afkrabben en schilderen van een huis, keek ik tijdens de koffie op social media om te weten of de wereld nog was zoals ik hem graag heb. Er verscheen een foto van Inez van Dullemen met haar immer heldere blik, haar naam en daarachter twee jaartallen tussen haakjes. Een schok, bij elk overlijden verandert de wereld een beetje. Ik dacht, terwijl ik verder krabde aan behangresten, ‘Alle mensen zijn sterfelijk’, schrijvers niet uitgezonderd. Waarmee ik mijn geloof dat al wie ik liefheb en bewonder daar niet toe behoren, onderuit haalde. Inez van Dullemen werd als schrijfster bewonderd om haar stille aanwezigheid, haar boeken en verhalen stonden voorop, zelf was ze weinig in beeld. In 1949 debuteerde ze met Ontmoeting met de andere. Ze publiceerde in bijna zeventig jaar zo’n dertig verhalenbundels, reisboeken, toneelstukken en romans. In haar begintijd was ze vooral een romanticus, en haar boeken werden nogal eens te liefelijk bevonden. Zelf zei ze daarover ‘Ik was een bellettriste, een kind van Van Schendel en Couperus.’ Dat veranderde toen ze halverwege de jaren zestig met haar man twee jaar door Amerika reisde.

    Van daaruit schreef ze reisverslagen voor de Volkskrant die later gebundeld werden in Op zoek naar de Olifant en Logeren op de vulkaan. Terug uit Amerika worden haar verhalen persoonlijker, spelen beslissende momenten uit haar eigen leven er een rol in. In ‘De verrader’, opgenomen in de bundel Een kamer op de Himalaya,  is het de eerste dag van de Tweede Wereldoorlog. Een twaalfjarig meisje ontleent aan de oorlog iets avontuurlijks. Op de tweede dag van de oorlog, wanneer Duitse soldaten door de straten marcheren, gaat ze langs bij een schoolvriendinnetje waar ze nog nooit thuis kwam, er was iets raadselachtigs aan het gezin.

    Haar broer had geopperd dat het landverraders zijn. Ze wil het weten, daarom gaat ze er heen. Maar het zijn vriendelijke mensen, geen verraders. Op het punt van weggaan, het gezin gaat eten, gluurt ze nog even door de kier van de woonkamerdeur en ziet dat de vader zijn hoofd met een zwart doekje bedekt. ‘Het was of er nu toch een vonnis was uitgesproken, hij had zich het hoofd met zwart gedekt. Het verraad maakte plaats voor een ander soort getekend-zijn. “ik wist het niet,” fluisterde ik, “ik wist het niet, ik dacht…” Ik kan niet uitspreken wat ik gedacht had. Wij, joden, had hij gezegd. Een heel volk. En het flitste door me heen: de politie in onze straat, de joodse familie die de gordijnen had gesloten en zich in bed gelegd om niet meer wakker te worden… Het kind dat touwtje had gesprongen. In Polen, zei mijn broer, vermoorden ze alle joden. (…) nu was het hier ook Polen, ikzelf had de voetstappen gehoord door de straten, duizenden, en je wist niet welke gezichten erbij hoorden…’ Die broer was overigens fout in de oorlog, daarover heeft ze later geschreven in Heldendroom.

    Van Dullemen schreef om zelf steeds weer anders, opnieuw naar de dingen te leren kijken. ‘Als je ergens vreemd komt, heb je de neiging om zo botweg te oordelen, vanuit je eigen wereld, je eigen denkpatroon.’ In 1976 brak ze door naar een groter publiek met de novelle, Vroeger is dood, over haar dementerende ouders. De novelle werd bekroond met de Jan Campertprijs. En in 1987 werd het boek verfilmd en won twee gouden kalveren, waarvan een voor Jasperina de Jong in de rol van de dochter. In 1989 ontving ze de Anna Bijns Prijs voor haar hele oeuvre.

    Haar laatste roman, het autobiografische Een schip vol meloenen, verscheen in 2017. In een interview in de Volkskrant liet ze weten zelf ook verbaasd te zijn, dat ze jaren nadat ze dacht haar laatste boek te hebben geschreven, er toch nog een boek kwam. ‘Wat is er in uw boeken echt gebeurd, is mij vaak gevraagd. Mijn antwoord is eenvoudig: ik weet het zelf niet. Veel van wat ik werkelijk heb beleefd, heeft zich in mijn verbeelding getransformeerd tot fictie, maar is daarom nog niet minder waar.’ 

    Een schrijfster waarvan de geschiedenissen die ze deelde, de verhalen die ze vertelde, met je meegingen. Hier en daar wat aan je leven veranderde, iets toevoegden. In een hoekje van mijn geest is de schrijfster Inez van Dullemen altijd aanwezig geweest. Nu er niets meer van haar te verwachten is, blijft ze daar en in haar boeken voortbestaan.

     

    Bron: Bzzlletin. Jaargang 10 (1981-1982) op DBNL (digitale bibliotheek voor de Nederlandse letteren).

    © foto: Keke Keukelaar

     

  • In memoriam Anton Valens (1964-2021)

     

    Schrijver en kunstenaar Anton Valens (1964, Paterswolde) is op 57-jarige leeftijd in zijn woonplaats Amsterdam overleden. In 2016 werd bij Valens kanker geconstateerd. In oktober 2019 verscheen zijn laatste boek Chalet 152, volgens de Volkskrant een van de beste boeken in 2019 verschenen, en werd verder ook ontvangen als een onverwacht levendige roman. Ondanks zijn kleine oeuvre stond Valens bekend als groot en uniek talent.

    Schilder en schrijver

    Anton Valens volgde de opleiding schilderen aan de Rietveld Academie en de Rijksacademie. Na zijn studie werkte hij tien jaar in de thuiszorg. Daarvan maakte hij aantekeningen die aan de basis lagen van zijn debuut Meester in de hygiëne, negen portretten van oude mensen waar Bonne als thuishulp over de vloer komt. Het boek verscheen in 2004 bij uitgeverij Augustus. In 2005 won hij daarvoor de Geertjan Lubberhuizenprijs en in 2006 de Lucy B. & C.W. van der Hoogtprijs. Dagblad Trouw riep het uit tot een van de beste debuten van dat seizoen. Anton Valens was ook docent aan de Rietveld Academie en exposeerde met eigen werk op verschillende locaties. In 2008 verschenen de verhalenbundel Dweiloorlog en Ik wilde naar de rand van Bejing. Een reisverhaal.

    In 2009 verscheen de novelle Vis, over een steuntrekkende kunstenaar die een week meevaart op een boomkotter naar de Duitse Bocht. Arjen Fortuin, toen nog literair criticus van het NRC, schaarde het bij de dertien onvergetelijke boeken uit zijn vijftienjarige praktijk als recensent.

    Bescheiden persoonlijkheid

    Ik herinner me Anton Valens uit interviews en publieke opstelling als een integer en bescheiden persoon. In een interview uit 2012 met Sara Berkeljon, noemde hij Het boek Ont dat in 2012 verscheen, ‘een vrij vreemd geheel’. De roman gaat over een groep mannen met postvrees. Er is een zelfhulpgroep ‘Man&Post’ waar ze elkaar helpen met het openen van enveloppen en rekeningen onder het mom ‘gedeelde post is halve post’. Hij was verbaasd dat het boek door de pers enthousiast ontvangen werd en grappig gevonden werd. Uit datzelfde interview: ‘Ik dacht dat voor Het boek Ont misschien hooguit dertig lezers te vinden waren.’ De roman haalde de longlist van de Libris Literatuur Prijs en werd genomineerd voor de AKO Literatuurprijs 2013, Beste Groninger Boek 2012 en de Halewijn Literatuurprijs 2012. Geen van die prijzen won hij, maar dat vond hij niet erg, de nominaties waren hem al genoeg. Zijn roman Het compostcirculatieplan uit 2016 werd bekroond met de F. Bordewijk-prijs 2016.

     

    Foto: Annaleen Louwes

     

  • In memoriam K. Schippers 1936-2021

    Op 12 augustus is schrijver, dichter, essayist K. Schippers na een korte periode van ziek zijn overleden. Hij werd vierentachtig jaar. Schippers, die ook wel de ‘beeldend kunstenaar onder de schrijvers’ werd genoemd, was in juni van dit jaar een van de gasten in de laatste uitzending van het boekenprogramma van de VPRO Brommer op zee, waar hij vanaf zijn huis in de Concertgebouw buurt, naartoe was gewandeld om daar verslag te doen van wat hem onderweg zo was opgevallen. Wie de uitzending terugkijkt, ziet dat de presentatoren die hem interviewden over zijn laatste boek Nu je het zegt, gretig aan zijn lippen hingen, een verwachtingsvolle lach om de lippen, verlangend naar een typisch schipperiaanse observatie. Die dan niet kwam. 

    K. Schippers werd op 6 november 1936 als Gerard Stigter in Amsterdam geboren en schreef een uitzonderlijk oeuvre van verhalen en beschouwingen, gedichten, romans, essays en readymades. Hij was een creatieve kijker, alledaagse dingen werden door zijn waarneming van hun gewoonheid ontdaan. Samen met J. Bernlef en G. Brants richtte hij het tijdschrift Barbarber (1958-1972) op dat in eigen beheer werd uitgegeven. In 1963 debuteerde Schippers met de dichtbundel De waarheid als De koe. Hij schreef in totaal ruim veertig romans, poëziebundels en bundels verhalen & beschouwingen. Op zijn eigen typische wijze vermengde hij in alle genres fictie, documentaire en autobiografie.

    Zijn romans hebben vaak een gedachte-experiment als uitgangspunt, zoals de gedachte over het toe-eigenen van taal in de roman Zilah (2003). Hij schreef over kunst in het documentaire boek Holland Dada (1974/2000) en voor zijn beschouwende bijdragen voor NRC Handelsblad, kreeg hij in 1996 de P.C. Hooftprijs. Het jaar daarop ontving hij voor zijn kunstkritieken de Pierre Bayle-prijs. Twee van zijn romans werden bekroond, in 1983 de Multatuliprijs voor Beweegredenen en in 2006 de Libris Literatuur Prijs voor Waar was je nou, de roman die uitgroeide tot een bestseller. 

    K. Schippers trad geregeld op tijdens de Nacht van de Poëzie, de laatste keer was in 2015 waar hij door Ester Naomi Perquin werd aangekondigd met een anekdote. Perquin vertelde dat zij eens met een bijna tachtig jaar oude dichter een museum bezocht. Dat zij die dichter onderweg kwijtraakte en na tientallen minuten zoeken, waarbij ze de suppoost inschakelde en bang werd bij elke toiletdeur die zij opentrok de dichter ineengezakt op de vloer zou aantreffen. Tot ze de dichter buiten in de zon zag zitten, een sigaret rokend. Zij vertelde hem hoe ze hem had gezocht, (Waar was je nou) haar groeiende angst hem op de vloer van een toilet te vinden. Hoe de dichter, na aandachtig luisteren, vroeg: ‘En, lag hij daar?’
    Waarna K. Schippers met verende tred het podium betrad en vanaf de katheter voorlas: ‘Iemand elke dag zien/iemand toevallig zien/iemand af en toe zien/ iemand per vergissing zien/(…)/iemand nooit meer zien’ uit zijn bundel Fijn dat u luistert.

    Het is verwonderlijk hoe Schippers zijn verrassende standpunten en visies kwijt kon in de romanvorm.  Zijn romans zijn geen ‘pageturners’, ze behoren langzaam gelezen te worden, als was het poëzie, en dan komt het genieten. In 2014 schreef hij ter ere van de Poëzieweek het Poëziegeschenk. Het thema ‘Verwondering’, kon niet toepasselijker, Schippers keek enkel met verwondering naar de dingen om hem heen. Een van zijn meest geliefde en geciteerde gedichten is ‘De ontdekking’:   

    Als je goed om
    je heen kijkt
    zie je dat alles
    gekleurd is

    Waarna je geïnfecteerd lijkt met zijn woorden en niets zich nog kleurloos aan je voordoet.

    Gerard Stigter was getrouwd met Erica Hoornik, samen hadden ze twee dochters, Diana en Bianca. K. Schippers publiceerde bij Uitgeverij Querido waaraan hij meer dan zestig jaar verbonden is geweest.

     

    Foto: Bianca Sisterman

     

  • In memoriam A.L. Snijders 1937 – 2021

    A.L. Snijders, pseudoniem van Peter Cornelis Müller, werd in 1937 geboren in Amsterdam. In 1971 trok hij met zijn vrouw Yvonne Sweering, waarmee hij 52 jaar samen was, en vijf jonge kinderen naar een boerderij in Klein Dochteren waar hij het boerenleven omarmde. Eenmaal daar begon hij brieven te schrijven naar vrienden en familie in het land. Vanaf de jaren tachtig schreef hij columns voor verschillende kranten, waaronder het Parool, Deventer Dagblad, Dagblad van het Noorden en later de VPRO Gids. Vanaf 2000 begon Snijders korte stukjes te schrijven, de zogeheten zkv’s. Deze verzond hij in eerste instantie per mail naar zijn kinderen en vrienden, aan uitgeven dacht hij niet. Hij ging er ook wel prat op dat hij lange tijd de enige schrijver was die niet werd uitgegeven. Toen ik Peter Müller in 2019 interviewde, vertelde hij een anekdote ‘die waar is’, zo hij zei.

    ‘Ik heb in mijn leven nooit iets opgestuurd naar een uitgever of tijdschrift om mezelf aan te bieden. Alles wat er gebeurde ging via via, het breidde zich vanzelf uit.’ 

    De columns uit kranten en de begeleidende brieven die Snijders aan de redacteur van de krant schreef, werden in de jaren negentig gebundeld door Thomas Rap en uitgegeven in vier boeken. 

    Snijders is altijd een deadlineschrijver geweest, op verzoek van Ineke Swanenveld, sinds 2019 zijn vrouw, kwam daar verandering in. Zo lukte het Snijders om niet op zaterdagavond pas een punt achter zijn radiocolumn voor de zondagochtend te zetten, maar het stukje vaak op vrijdagmiddag al te schrijven. Of deze verandering in werkwijze in de toon en aard van zijn zkv’s te onderscheiden is, zou een onderzoek waard zijn. Ooit was zijn beeld van een ideale zkv, een verzonnen verhaal zo te schrijven, ‘dat niemand er bij stilstaat of het werkelijkheid is of niet’.

     Mijn eerste herinnering aan het bestaan van columnist A.L. Snijders gaat terug naar begin jaren tachtig, tijdens een literaire middag in de schouwburg van Apeldoorn, Orpheus. Ik was er met een oudere vriendin die daar zou voorlezen. Snijders naam klonk in de wandelgangen, daar was iets mee, eigenzinnige onbegrijpelijkheid klonk er. Ik herinner me vooral de lange benen, de uitbundige gezichtsbeharing en toegeknepen ogen, alsof er een vlieg uit geweerd moest worden. We waren te laat om hem te horen voorlezen, er was iets ongekends aan mij voorbij gegaan.
    Er is geen schrijver die zo onbegrijpelijk kon schrijven als A.L. Snijders, maar ook zo aanwezig was in elk zkv dat hij schreef dat hij op den duur een open boek was voor wie er oog voor had. Onbegrijpelijk schrijven was een uitdaging voor Snijders. In een interview vertelde hij dat hij nog verder probeerde te gaan met het zkv, het nog onbegrijpelijker wilde schrijven. Al was het niet de bedoeling helemaal onbegrijpelijk te schrijven: ‘Als er in een stukje maar één dingetje raar is, dan is het een zkv, die afkorting die een eigen leven is gaan leiden.’

    Snijders schreef een kleine drieduizend zkv’s waarvan er in 2006 door AFdH uitgevers de eerste 336 werden gebundeld met de titel, Belangrijk is dat ik niet aan lezers denk. Er zouden er nog elf volgen, waarvan de laatste, Tat Tvam Asi in april van dit jaar verscheen.

    Al had Snijders de frequentie van zijn zkv’s de laatste tijd wat geminderd om meer tijd met zijn vrouw door te kunnen brengen, was stoppen met schrijven geen optie. Zelfs als hij niet meer zou worden uitgegeven zou hij blijven schrijven. En dat deed hij, tot vorige week maandag, 7 juni, toen werd hij door een hartstilstand getroffen. Hij werd gevonden in zijn werkkamer waar hij aan een nieuw zkv werkte, voorover liggend op zijn toetsenbord. Toen het bericht van zijn dood wereldkundig werd gemaakt, ging er een schok door de liefhebbers van zijn zkv’s en de vele abonnees van de zogenaamde Graslijst die elke zondagochtend, na het voorlezen van een nieuw zkv, om 8.45 uur op radio 4, diezelfde zkv in hun mailbox vonden. 

    Zondagmorgen, 13 juni verzond AFdH uitgevers dit zkv in wording naar de abonnees van de Graslijst. Een stukje tekst waarvan zomaar gezegd kan worden dat het een puntgaaf zkv is. Want, zoals Snijders zei, als er maar één dingetje raar in zit, is het een zkv.

    Rotspunt
    ‘In de boekenweek ben ik op bezoek geweest in Zutphen t/m Nijmegen.

    Ik las voor in een boekhandel. Na afloop kwam er een oude man op me af die verklaarde dat ik niet bestond. Ik vroeg hem wie ik dan was. Dat kon hij me niet vertellen, dat was zijn zaak niet. Ik vroeg hem wat zijn zaak dan was, maar daar had hij geen antwoord op. Ik vertelde hem dat er in de Middellandse Zee (de zee van Homerus) een rotspunt naar mij vernoemd is, Cape Snijders.’ 

     

     

    Bron: Meer dan een bibliografie, A.L. Snijders / Marius Zeven
    Foto: Paul van Puffelen (2021)

     

  • In memoriam Lodewijk Brunt 1942 – 2020

    Je hebt mensen die op een afstand kijken naar hoe mooi het is, en je hebt mensen die dichterbij gaan staan omdat ze met de ogen iets toegeknepen willen zien waarom iets mooi is. Tot die laatste categorie zou ik Lodewijk Brunt willen rekenen, die enkele jaren voor Literair Nederland schreef. Brunt overleed op 17 oktober in zijn woonplaats Amsterdam, hij werd 78 jaar.

    Brunt was een man die Hindi leerde omdat hij zo van India hield, en omdat de literatuur in die taal naar zijn smaak te weinig ruimte kreeg in Nederland. Als stadssocioloog / antropoloog was hij gefascineerd door het stedelijke India, hij vertaalde moderne poëzie over de Indiase steden uit het Hindi (Ik zag de stad) en bijvoorbeeld liedjes uit Bollywoodfilms (Mijn lippen vroegen om een lied) en, eind 2013, een serie zeer korte verhalen (De bittere waarheid). Zijn laatste vertaling (samen met Dick Plukker) was pas net gereed: De blauwe sjaal en andere verhalen van Anu Singh Choudhary. Later op deze website meer over dit boek.

    In de periode dat we veel met hem mailden hing er een vast gedicht onder zijn mail:

    Huiskat

    Die kat strek hoog op vier strak bene, buig
    behaaglik om haar luipeerdlies te lek,
    rol om en lê fluwelig oopgevlek
    dat keel en bors en buik die son kan suig.

    Ons noem haar ‘kat’ want sy is sonder siel
    en anoniem. Smal skerwe van agaat
    staar koud uit die driehoekige gelaat.
    Arglistig, vloeibaar, soos ’n blink reptiel

     van los en lenig wees versadig: sy
    sal nooit – die veearts het haar ‘reggemaak’ –
    ekstase en angs van lewe voortbring smaak,
    sal, steeds eenselwig, alle teerheid stuit.
    Ek hol my hand behoedsaam, smalend sluit
    sy haar oë, kronkel by my greep verby.

    Elisabeth Eybers (1915-2007)

    De kat bracht het ook tot zijn rouwkaart:

    Mumbai

    Wanneer ’s nachts Mumbai slaapt op straat
    als een zwarte kat, haar pootjes
    in haar buik gedrukt en haar
    oogleden altijd op een kiertje –
    wasemt zij trage ademvlagen
    over het droge strand.

    Gulzar

    Een schitterend sonnet, dat van Eybers, waarin eveneens nabijheid wordt gezocht van het ongrijpbare. Zolang wij met hem correspondeerden had hij plannen, zag veel, las veel en merkte veel op: meer soms dan waar in krant of websites ruimte voor was: daarom begon hij zijn eigen blog waar de lezer een enorme waaier aan onderwerpen terugvindt die tonen hoe rijk zijn interesse was. Brunt was een uitermate geopinieerd heer, hij kon smakelijk vertellen over de ins en outs van het academisch bestaan, op een rondje over de Kloveniersburgwal of bij een kop koffie in de buurt kon je op verzoek ook horen wie het allemaal helemaal mis hadden. Onder een smakelijke lach steeds, die node gemist zal worden.

     

    Lees hier de bijdragen die Lodewijk Brunt voor Literair Nederland schreef. En hier de link naar zijn persoonlijke blog.

     

  • In memoriam Abraham Louis Schneiders 1925-2020

    Elke keer als ik de naam van ZKV-schrijver A.L. Snijders zie moet ik denken aan een andere auteur: A.L. (Bram) Schneiders. Deze overleed op 2 juli jl op 94 jarige leeftijd en was de schrijver van een klein maar mooi oeuvre van zes bundels korte verhalen. De eerste Langs het schrikdraad (1961) en de laatste Het verbrokkeld paradijs verscheen in 1991 bij uitgeverij Querido. Schneiders was diplomaat, net als zijn bijna-naamgenoot Carel Jan Schneider, die schreef onder de schuilnaam F. Springer. En net als bij Springer vormden de ervaringen die Schneiders had tijdens zijn verblijf op diplomatieke posten vaak de basis voor zijn verhalen die zich merendeels afspelen in tropische landen.

    A.L. Schneiders werkte in Nigeria, Lagos, Indonesië, Kameroen, Equatoriaal-Guinea, Centraal-Afrikaanse Republiek, Gabon, Tsjaad, Zimbabwe en ten slotte in Nieuw Zeeland. Hij schreef in een stijl die ooit door Aad Nuis de term ‘ironisch realisme’ kreeg opgeplakt. Een term die niet helemaal klopte, want bij het ‘ironisch’ beschrijven van mensen en situaties denk je aan een schrijver die van bovenaf met enige ironie neerkijkt op wat mensen zichzelf en anderen aandoen. Marijke Höweler schreef ironisch realistisch. Maar Schneiders niet, eerder het omgekeerde: ‘zelf-ironisch realisme’ zou een betere term zijn geweest voor wat hij schreef. De hoofd- (meestal ik-) persoon in zijn verhalen zag zichzelf voortmodderen in het leven en moeizaam zijn altijd licht belachelijke plicht vervullen in dienst van het Koninkrijk der Nederlanden. Het schrijven moet voor hem een manier geweest zijn om wat hij overdag vermoedelijk met grote ijver en inzet deed achteraf toch wat te relativeren. En dat leverde prachtige, vaak ook zeer humoristische verhalen op.

    Moge zijn werk ooit weer wat aandacht krijgen! Zijn verhalenbundels zijn enkel nog antiquarisch te verkrijgen, maar zijn bijdragen aan het Hollands Weekblad (later Hollands Maandblad) staan op de site van DBNL.
    Hierbij het slot van één van zijn latere stukken (1989), over het piepkleine eiland Tuvalu, waar in 2011 Foppe de Haan nog enkele maanden ontwikkelingswerk deed als trainer van het voetbalelftal. Foppe wist van niets toen hij er heen ging. Had A.L. Schneiders natuurlijk niet gelezen. Maar ook Foppe viel de zangkunst van de Tuvaluanen op. Scneiders schreef erover:

    ‘Te onzer ere was een avond georganiseerd in het paviljoen van de Niue-eilanders. Ieder van de outer islands heeft op Funafuti z’n eigen paviljoen en z’n eigen zangen dansgenootschap. Zelfs binnen dat kluitje van in de oceaan verstrooide atolvlekken bestaan nog grote verschillen in tradities en taal. Met precies in acht nemen van het protocol gingen we naar binnen, het laatste de heer Puapua en ik.
    Het Genootschap stond al klaar, ongeveer vijftig mannen recht in de houding en wat vrouwen op de achtergrond. Dit was niet maar een lolletje maar een ernstig ritueel met mogelijke gevolgen voor alle betrokkenen. De heer Puapua had mij ingefluisterd wat ik moest zeggen, een korte toverformule, die tot mijn opluchting inderdaad werkte: het dreigende blok half ontblote mannen vlak voor mij gromde instemmend en ging als één man door de knieën. Verschillende gezichten herkende ik, maar met hun blote borst, labalaba en bloemen om hals en hoofd waren het andere mensen geworden uit een andere tijd en een andere wereld. Dat gold zeker toen ze zongen, nadat een van hen op een groot gedeukt biscuitblik een ritme had aangegeven. Veelstemmig en van een ongekende kracht was dat zingen, verdrietig en klagend aan het begin maar geleidelijk opzwiepend naar grote hoogten van uitdaging en triomf. Instrumenten hadden ze er niet bij nodig, alleen dat oude biscuitblik en een paar planken waar ze op roffelden met hun vuisten of zelfs onderarmen totdat ze er blauw van moesten zijn geworden. Dicht op elkaar als ze waren gepakt, feilloos op elkaar ingespeeld en met die woest golvende stemmen, leken ze wel met elkander onderweg in een oorlogskano op hoge zee. Hoeveel dieper wortelden deze mensen in de tijd, met hun collectief geheugen aan voorwerelden waar ik nooit en te nimmer het geheim van zou kennen.’

     


    A.L. Schneiders debuteerde in 1951 met het korte verhaal De kanonnen, gepubliceerd in literair magazine Libertinage. Daarna volgden korte verhalen in het latere Hollands Maandblad en De Gids. Hierna schreef hij verschillende bundels voor uitgeverij Querido. Rond 1965 verscheen van zijn hand een wekelijkse column in het NRC-Handelsblad onder de naam Drievoeter, ook schreef hij nog onder het pseudoniem van A. van Anders.

     

     

  • Spaarzaam met woorden – In memoriam Hans Sleutelaar 1935-2020

    ‘De weinige gedichten die ik heb geschreven, zijn zonder uitzondering bij ingeving ontstaan. Blijft de inspiratie weg, dan doe ik er het zwijgen toe.’

    De spaarzame woorden die dichter, schrijver, journalist en redacteur Hans Sleutelaar aan zijn dichtkunst heeft gewijd staan in gelijke verhouding tot de omvang van zijn oeuvre. Het is een bescheiden handvol van zo’n vijftig gedichten uitgesmeerd over drie bundeltjes die de nalatenschap van de toch vooral als dichter bekendstaande Rotterdammer vormen. De poëzie die niet is geschreven nam hij mee in het graf: ‘Talloos zijn de dichters zonder oeuvre – altijd en overal weten mensen de omstandigheden het hoofd te bieden door zich er in stilte, woordeloos, boven te plaatsen.’


    Katalysator van andermans werk

    Hans Sleutelaar heeft zich in zijn 84-jarige leven vooral ingezet als katalysator van andermans werk. Meer nog dan zelf de pen ter hand te nemen, wist hij anderen te inspireren en tot grote hoogte te doen stijgen. Zonder Sleutelaar geen C.B. Vaandrager, zo luidt de algemene veronderstelling als het gaat over de kwaliteiten van die andere Rotterdamse literator. In de Bende van Vier – de zogenoemde ‘Zestigers’ bestaande uit Armando, Hans Verhagen, C.B. Vaandrager en Hans Sleutelaar – was Vaan een potentieel schrijftalent dat aanvankelijk stevig begeleid diende te worden. Sleutelaar zorgde voor kritisch commentaar en voldoende zelfvertrouwen om Vaandrager uit te laten groeien tot het ongeleide poëzieprojectiel dat hij geworden is.

    Het ontluikende schrijftalent van Jan Cremer is mede door Sleutelaars inzet als ‘aanjager en polemist’ tot grote bloei gekomen. Op foto’s zien we ze samen, wereldveroveraars in New York: de jeugdige Cremer met een dan al zelfverzekerde blik, half erachter een wat schuchtere Sleutelaar. Hij oogt als een gedistingeerde reisleider die zorgt dat alles tot in de puntjes is verzorgd. Ook het bijzondere prozawerk van podiumdichter Johnny ‘The Selfkicker’ van Doorn is aan het licht gekomen door de redactionele en ‘doordouwende’ kwaliteiten van Sleutelaar.


    De totale poëzie

    Maar er wordt zelf ook gedicht. In de geest van zijn reguliere werk als copywriter bij een reclamebureau komt Sleutelaar in 1966 met mischien wel het bekendste gedicht uit zijn schrijvende leven. Het inmiddels tot De Nieuwe Stijl omgedoopte lijfblad van de Zestigers opent met de legendarische regel:

    ‘Wollt ihr die totale Poesie?’

    Twintig jaar na de Tweede Wereldoorlog, na Joseph Goebbels’ toespraak waarin hij de menigte opzweepte met: ‘Wolt ihr den totalen Krieg?’, schrijft de dichter geschiedenis met slechts vijf woorden. De bravoure die eruit spreekt roept de meeste verontwaardiging op. Wat is die ‘totale Poesie’ voor Sleutelaar? Hij geeft hiermee een visitekaartje af: de totale poëzie is het leven, de wereld om ons heen. Als je de totale poëzie wil ondergaan, moet je de werkelijkheid leren zien en niet op zoek gaan in dichtbundels. Het lijkt tegelijkertijd een verklaring voor zijn eigen spaarzame poëzieproductie.

    In zijn tweede bundel, Vermiste stad (2004), heeft Sleutelaar een verzameling Rotterdamse kwatrijnen gecomponeerd die precies de ‘hoekige eenvoud’ van zijn poëzie weergeven. Ritmisch, uitgekleed, geen woord te veel:

    Herinnering

    ‘Rotterdam is een godverlaten kade
     Onder koud lamplicht, zwavelgeel,
     En een zwarte, maandoorvlaagde wade
     Omspant het onuitsprekelijk geheel.’

    Rotterdam revisited

    ‘Wolken drijven boven palingkleurig water
     Het licht blinkt net als toen, maar later
     De Hef waakt stil over dit verbeten leven
     Ik keer me, duizelend, om. En huiver even.’


    Journalistieke werk

    In de jaren zestig wordt Sleutelaar redacteur bij het toenmalige weekblad Haagse Post en weet hij zijn schrijfervaring uit de reclamewereld naadloos toe te passen in de journalistiek. Vooral het diepteinterview met aansprekende personages is voor hem een speeltuin waarin hij zijn vragen zoveel mogelijk wegstopt om de geïnterviewde vrijuit aan het woord te laten. En naderhand al het overbodige uit de tekst te schrappen. 

    Die werkwijze wordt door Sleutelaar ook ingezet voor De SS’ers (1967). Samen met Armando worden acht Nederlandse SS’ers bevraagd over hun drijfveren, hun ervaringen en hun herinneringen aan de tijd in Duitse dienst. Een ontluisterend boek is het resultaat: de volop meewerkende ex-soldaten laten in doorlopende fragmenten het achterste van de tong zien. Er is een bescheiden schuldbewustzijn, maar vooral een vaste overtuiging dat het allemaal gerechtvaardigd was. Nationaalsocialisme, antiseminisme, alle gruwelijkheden komen aan bod en worden uitvoerig onder woorden gebracht. Bij verschijning werd De SS’ers aangemerkt als ‘een gevaar voor de geestelijke volksgezondheid’. Sleutelaar en Armando schreven in het voorwoord dat ook ex-SS’ers moesten worden gezien als historische getuigen, evenals de vele verzetsmensen die in publicaties aan het woord werden gelaten.

    Hans Sleutelaar – man van vele literaire kwaliteiten en opvallend weinig woorden – zal de geschiedenis ingaan als schrijvende aanjager. Een echte verbinder die de verdeeldheid tussen mensen te lijf ging met een scherpe pen en een bescheiden levenshouding. Zijn devies: eenvoud, bondigheid en algemene geldigheid: 

    ‘Eén ding heb ik tenminste in de gaten gekregen: dat je door een daad van dichterlijke willekeur kunt ontsnappen aan de alledaagse bekrompenheid van het leven.’ 

     

    (Met dank aan: Sleutelaar worden – herinneringen van en aan een zwijgende dichter. Studio Kers, Rotterdam, 2016)

    Foto: Achterflap Sleutelaar worden

     

  • Ongrijpbare paradijsvogel – In memoriam Hans Verhagen (1939-2020)

    Op mijn netvlies staat die beroemde foto uit 1965 van de vierkoppige redactie van het avant-garde tijdschrift Gard Sivik/De Nieuwe Stijl. Recht in de camera kijkend: Armando, Hans Verhagen, C.B. Vaandrager en Hans Sleutelaar. Met uitdagende blik spieden de kersverse grondleggers van het poëtisch neorealisme in de lens. Armando als de getergde bokser, Sleutelaar als de gewiekste reclamemaker, Vaandrager als ongeleid projectiel, en er ietwat verbaasd tussenin de jonge Hans Verhagen. De heren hebben zojuist hun nieuwe stroming gepresenteerd waarmee ze de poëzie op haar grondvesten zullen doen laten schudden. Alles gericht tegen die vermaledijde Vijftigers die de poëzie met hun lyrische experimenteerkunst voorgoed hebben besmet. De ‘Zestigers’ propageerden een Nieuw Realisme dat voornamelijk moest bestaan uit het ‘intensiveren van de werkelijkheid’ en de ‘authenticiteit van de informatie’.


    Hans Verhagen is het minst
    overtuigende lid van deze club geweest. Vooral geïmponeerd door de reputatie van Armando en zijn Rotterdamse kompanen bleek na enige tijd dat hij niet helemaal in de wereld van de reclameteksten en readymades thuishoorde. Zijn in 1963 gepubliceerde debuutbundel
    Rozen & Motoren toont aanvankelijk nog het tegendeel. Uit de cyclus Genocide bijvoorbeeld dit:

    ‘Geboren 30-7-’61 10 u. 55, zoon van
     Hans Verhagen & Conny Tavenier’

    Een readymade in topvorm. Toch is in deze eerste bundel de wispelturigheid van Verhagen al aanwezig. De lyriek ligt op de loer en uit zich op haast onbewuste wijze in een groot aantal verzen. Alleen al het korte, titelverklarende gedicht is een duidelijke weerklank van de verteller, een persoonlijke uiting die de wenkbrauwen van de overige Zestigers zeker zal hebben doen fronsen:

    ‘Het is niet vrij van rozen
     en ook het gebruik van motoren
     is aan mijn lichaam niet vreemd.’

    De verwoording van de alledaagsheid in snoeiharde oneliners, wervende teksten uit het straatbeeld, het was allemaal razend interessant voor de dichterlijke veelvraat die Verhagen was. Maar het was niet voldoende. Daarbij voelde de aansluiting bij een stroming voor hem als een keurslijf dat er juist om vroeg op gezette tijden doorbroken te worden. 


    Hans Sleutelaar noemde Verhagen in
    die tijd ‘een romanticus tegen wil en dank, die de pathetiek niet schuwt.’ Dat werd in vele gedichten aangetoond, waarin Verhagens romantische lyriek een grote vlucht neemt. Uit de cyclus
    Sterren boven Bombay:

    ‘Je zei dat je zou komen,
     ik heb op je gewacht.
     Je zei dat je bij mij zou blijven,
     ik ben alleen gebleven.
     Ik hoopte dat je me alleen zou laten
     maar je hebt me met een menigte gevuld
     en ik weet niet wat ik doen moet –’

    Ook de uiterlijke vorm speelt al vroeg een rol in Verhagens werk. De bundels Cocon (1967) en Sterren cirkels bellen (1968) vallen op door hun uitbundige vormgeving. Kleurige pagina’s, geometrische vormen, typografische experimenten, de traditie om poëzie op gepaste wijze in zwart-wit aan het papier toe te vertrouwen is aan deze dichter niet besteed. Een directe link met zijn beeldende werk als schilder – in de jaren tachtig heeft hij zijn eerste solo-expostie – wordt goed zichtbaar in deze bundels. 


    Verhagen doet zijn ongrijpbaarheid eer
    aan en verdwijnt met enige regelmaat van de radar als dichter. Hij legt zich toe op de beeldende kunst en steekt veel tijd in zijn werk als televisie- en filmmaker. Als producent van de spraakmakende VPRO-programma’s
    Hoepla en Het Gat van Nederland weet hij de in die tijd geldende grenzen flink op te rekken. In 1983 verschijnt er dan weer een nieuwe dichtbundel, Kouwe voeten. Een diepzwarte bundel met veel regels die verwijzen naar Verhagens ex-vrouw Conny die, sinds hun scheiding, meerdere zelfmoordpogingen heeft gedaan. De verzen zijn sterk emotioneel, overladen met sentiment en handelen over de doorlopende levenscyclus en de betekenis van eeuwigheid:

    ‘In 1 keel meeschreeuwend met al wat niet kan zingen
     jaag ik tevergeefs door het stenen tafereel
     waarin ze plotseling oploste
     toen ik even niet keek.

     O de holte van d’r romp op zolder gevonden,
     met een gat waar d’r hart was en waar
     je doorheenkeek in een wirwar van stegen
     waarin ze verdween, m’n geweten.’


    Na opnieuw een lange pauze,
    en twee door critici slecht ontvangen bundels in de jaren
    negentig, is er vanaf 2000 weer een opleving in de poëzie. Verhagen laat zich in die jaren kennen als flamboyante, maar vooral onvoorspelbare gast op literaire avonden en festivals. Toch heeft de door drank en drugs overeindgehouden paradijsvogel met zijn bundel Triomfantelijke wandelingen weer een groot deel van de recensenten voor zich gewonnen. Met een sterk engagement en een reflecterend oog kijkt de dichter vooral naar zichzelf en zijn eigen beweging:

    ‘zonder punt van aankomst kom je niet tot stilstand,
     schiet je door je punt van nooit meer terugkeer heen –
     aankomen en wegwezen hebben geen betekenis meer
     tot je je zó in het bewegen hebt geïnfiltreerd dat je
     – niet gezegd op een plek waar jij het meest aan hecht –
     opnieuw lijkt stil te zullen staan; je begint weer om je heen
     te kijken en herkent van alles, alsof er in je leven
     niets veranderd is, wat opvallend is,
     omdat je juist is opgevallen
     dat alles anders is.’

     

    Dan volgen nog een aantal succesvolle bundels én een verzamelbundel en wordt in 2009  aan Verhagen de PC Hooftprijs voor Letterkunde toegekend. De jury spreekt van ‘verbluffend goede poëzie, vanwege zijn humor, zijn engagement, zijn poëtische durf en eigenzinnigheid’. De dichter reageert koeltjes op de prijs en vindt het allemaal ‘wel leuk – ik heb dat werk gemaakt, dat is ook wel wat waard’. Met het geldbedrag is hij erg blij. ‘Kan ik allicht een middag van roken. O ja, moet ik er iets nuttigs mee doen? Iets literairs? Een peuk van Kloos kopen of zo?’

    Hans Verhagen, de Zestiger die zich verzette tegen de Vijftigers, terwijl zijn grote liefde voor Lucebert altijd is gebleven. Over hoe hij zelf schrijft heeft hij nooit veel meer kunnen zeggen dan: ‘associatief, de woorden komen gewoon tot me’. De eeuwigheidswaarde van zijn omvangrijke oeuvre? Wil hij niets over horen. De ongrijpbare dichter, altijd in het hier en nu, schrijft de onmacht van zich af in Implosie (2009):

    ‘Met al mijn lyrische geneeskracht
     heb ik nog geen enkel wezen
     van het sterfbed teruggebracht’

     

     

  • Zweedse schrijver Per Olov Enquist overleden (1934 – 2020)

    De grand old man van de Zweedse literatuur, Per Olov Enquist is zaterdag 26 april overleden. Enquist had al langer problemen met zijn gezondheid, hij leed aan hartfalen en werd in 2016 getroffen door een beroerte.

    Enquist en groeide op in de Noord-Zweedse provincie Västerbotten. Als student aan de universiteit toonde hij zich al een getalenteerd schrijver, zijn eerste boek, Het kristallen oog bracht hij in 1961 uit. Met de historische roman De vijfde winter van de magnetiseur (1964), verwierf hij zijn eerste succes. Later volgden onder meer De uittocht der muzikanten (1978) en Kapitein Nemo’s bibliotheek (1991).

    Per Olov Enquist, die tevens journalist en toneelschrijver was, kreeg pas werkelijk grote bekendheid met zijn roman Het bezoek van de lijfarts (1999), over een Duitse arts die in het jaar 1770 de Deense koning bijstaat en een liefderelatie met de koningin aangaat. Langzamerhand trekt hij de macht naar zich toe. Het boek werd vooral geprezen om zijn scherpe schrijfstijl en emotionele diepgang.

    Voordat Enquist in 1999 doorbrak met Het bezoek van de lijfarts, was hij door een diep dal gegaan. In zijn autobiografische boek Een ander leven (2009) vertelt hij daarover, het verhaal van zijn jeugd, het gemis van een vader, zijn alcoholmisbruik en zijn op de klippen gelopen huwelijk. Hij won er in 2008 de Zweedse literatuurprijs nordiska pris mee. In 2013 verscheen zijn laatste boek Het boek der gelijkenissen.

    Zijn boeken zijn vertaald in zevenentwintig landen, in Nederland werd Enquists werk vertaald door Cora Polet en uitgegeven door uitgeverij Ambo|Anthos. Er werden maar liefst ruim 100.000 exemplaren van zijn boeken verkocht.
    Ook werd Enquist meerdere keren als kandidaat voor de Nobelprijs genoemd.