• In memoriam Het Liegend Konijn

     


    Je wist dat het eraan zat te komen en nu het zover is, is het toch even slikken. Het Liegend Konijn zal het volgend jaar niet meer verschijnen, Jozef Deleu stopt ermee. Op 30 oktober zal de laatste editie verschijnen. In 2003 richtte Jozef Deleu (1937)  het Nederlandstalig poëzietijdschrift Het Liegend Konijn op en voerde 23 jaar lang  als een man de redactie ervan. Het opzetten van een poëzie tijdschrift was ooit een lang gekoesterde droom van Deleu. ‘Ik heb me altijd voorgesteld dat ik na mijn pensionering me heel intens met poëzie zou bezig houden.’ Een tijdschrift te maken met uitsluitend nieuw werk van debuterende en bekende dichters zonder een alles overheersende, eenduidige poëtica. Dat is wat Deleu voor ogen stond. ‘Het blad moest op die manier een permanente bloemlezing worden van de meest hedendaagse poëzie, open voor wat beweegt en gebeurt.’ En dat is hem meer dan gelukt.

    Voor wie het blad bij zijn tweejaarlijkse verschijning met een verwachtingsvol verheugen altijd uit de brievenbus haalde, zal het een teleurstelling zijn. Zesenveertig nummers verschenen er sinds april 2003. Aan het eerste nummer werkten tien dichters mee, aan het laatste nummer meer dan dertig. En zo was het steeds, een vijfentwintig tot dertig dichters, waaronder overtuigende debutanten en in hun toon bevestigende dichters. Die mix van oud en jong, van tastende tot ingeklonken poëzie, elke nieuwe editie van Het Liegend Konijn betekende een dagenlang genieten van gedichten die Deleu uit het nest had geroofd bij vele dichters. Dat ‘roven’ en ‘nest’, spraken steeds zeer tot de verbeelding.

    Dat bij binnenkomst van elke nieuwe editie eerst gekeken werd welke dichters er aan dit nummer hadden bijgedragen. Dan dacht je, hè Femke Vindevogel. Of leuk, Marijke Hanegraaf, lang niets van gelezen. En de debutanten, altijd was je benieuwd naar de debutant van het nieuwste nummer en hoever ze zouden komen na hun eerste lancering in Het Liegend Konijn. Dat dat vaak best ver was, daar vaak een bundel uitrolde, en meer.

    In werkelijkheid ging de samenstelling van Het Liegend Konijn zo. Deleu benaderde een aantal dichters waarvan al belangrijk recent werk verschenen was. Dan zocht hij via een netwerk van contacten dichters die nog niet hadden gepubliceerd. Daarbovenop kwamen op de redactie wekelijks zo’n 20 à 25 ongevraagde inzendingen van bekende als geheel onbekende dichters binnen. Dan begon het grote werk, een keuze maken uit een paar duizend gedichten voor een volgend nummer. Het lezen en selecteren kostte Deleu evenveel tijd als een halftijdse baan, zo liet hij eens weten. Alles met liefde, Deleu is doordesemd van literatuur, van poëzie. Zelf dichter, is hij voortdurend met literatuur bezig en leest dagelijks poëzie (pas verschenen als zowel de oude dichters). Hij hing de gedachte aan dat dichters (rusteloos) op zoek moesten gaan naar poëzie die hen aanspreekt.

    Mijn eerste Liegend Konijn ontving ik als recensent voor Literair Nederland in 2011. Het nummer waarin Wesley Albstmeyr, wat later het pseudoniem van Jeroen van Kan bleek, debuteerde. Het Liegend Konijn liet me kennismaken met werk van Anne Louise van den Dool, Lieke Marsman, Lucas Hirsch, Arnon Van Vlierberghe en veel, veel meer.

    En wat als u ermee moet stoppen?, vroeg ik Deleu toen ik hem in 2020 interviewde. ‘Moet een tijdschrift eeuwig blijven bestaan?, was zijn reactie. ‘Mag het niet verdwijnen als het een rol heeft gespeeld? […] Ik leef alsof er geen einde aan komt, al weet ik dat alles eindigt.’ Zoals dan nu de verschijning van Het Liegend Konijn geëindigd is. En wie, al zijn het maar enkele edities, Het Liegend Konijn in de kast heeft staan, koester ze voor het leven. Het konijn zal zeker gemist worden door vele dichters voor wie het een eer was gedrukt te staan in dit zo bijzondere en rijk gevulde poëzieblad. ‘De deur achter je sluiten, is het huis groeten.’, schrijft Jozef Deleu in het voorwoord van wat het laatste nummer van Het Liegend Konijn zal zijn.
    Het ga je goed Jozef Deleu, een groet vanachter het toetsenbord. 

     

     

  • In memoriam Harrie Geelen (1939–2025)

    Harrie Geelen (10 januari 1939 – 30 augustus 2025) was illustrator, schrijver, tekstdichter, scenarist, tekenfilmmaker, bewerker en vertaler. Zijn werk, verspreid over verschillende media, bereikte talloze lezers, luisteraars en kijkers. Generaties groeiden op met de muzikale kinderseries Oebele en Kunt u mij de weg naar Hamelen vertellen, meneer?, die hij in de jaren zeventig schreef. Zijn jaren bij de Toonder Studio’s leverden korte tekenfilms op die nog altijd een eigen plaats innemen in de Nederlandse animatiegeschiedenis. Hij vertaalde talloze animatiefilms en regisseerde de nasynchronisatie van bekende Disneyfilms. Als illustrator was hij betrokken bij tientallen boeken, vaak in samenwerking met zijn levenspartner Imme Dros.

    Voor het blad Vooys, mocht ik samen met een mederedacteur een aantal jaar geleden het illustere duo interviewen. Ik was als kind helemaal verzot op de Griekse Mythen vertaald door Imme Dros en voorzien van Harrie Geelens bijzondere illustraties. Al vanaf het moment dat we binnenstapten in hun huis in Hilversum, kreeg ik het idee dat dit een ander interview dan anders zou zijn. Het witte herenhuis in Hilversum was binnen een kleurige boel, met vrolijke meubels en overal boeken en illustraties. Het was er donker en daardoor geheimzinnig. Ook toen het donker werd mochten de lampen niet allemaal aan, voor Imme die last van haar ogen heeft. We wilden Dros en Geelen eigenlijk spreken over het onzegbare en hoe je dat op papier brengt, maar in plaats daarvan spraken we vijf uur lang over hun rijke carrière en hun jeugd. Tussendoor werden we regelmatig voorzien van thee, wraps en koekjes van Texel (waar Imme Dros geboren is).

     

    Vanaf de bank was Harrie Geelen vrijwel onafgebroken aan het woord, af en toe ruw onderbroken door Imme Dros die ook graag wat wilde zeggen. Het was een vrolijke en enthousiaste man, die ons hals over kop meesleurde naar zijn werkkamer om zijn laatste projecten en zijn werkwijze te laten zien. Tussen zijn verhalen door buitelde het van de boektitels en projecten. Zijn werk werd ook veelvuldig bekroond, hij ontving onder meer de Zilveren Penseel voor Juffrouw Kachel (1992), de Zilveren Griffel voor Herman het Kind en de Dingen (1994), de Gouden Penseel voor Het beertje Pippeloentje (1995), de Woutertje Pieterse Prijs samen met Imme Dros voor Bijna Jarig (2006) en in 2014 werd hij benoemd tot Ridder in de Orde van de Nederlandse Leeuw.

    Over het op papier stellen van het onzegbare kwamen we bij ons interview niet echt meer te spreken, want zodra we eenmaal waren gaan zitten gaven we de regie van het gesprek uit handen. Harrie vertelde wel dat hij in zijn tekeningen niet de letterlijke handeling vatte, maar de dreiging, de weidsheid, de eenzaamheid of juist de tederheid van het geschrevene. Hij maakte beelden die er net zo goed niet hadden kunnen zijn, echt als ondersteuning van de tekst, maar die het boek wel onvergetelijk maakten.

     

    Harrie Geelen liep ook vaak tegen de beperkingen van zijn werk aan. Zijn verfilming van Annetje Lie in het holst van de nacht (2004), naar het gelijknamige boek van Imme Dros was een technisch hoogstandje in de begindagen van de digitale wereld. Hij maakte het voor de VPRO, maar echt succesvol werd het niet. Ook financieel waren er soms beperkingen, maar daarover zei hij: ‘Taal kost gelukkig verder niks; dat zit in je hoofd, en dat kun je opschrijven.’

    Hij laat een immens en veelzijdig oeuvre na, maar bovenal de herinnering aan een kunstenaar die nooit koos voor de makkelijke weg. Hij vond schoonheid in beperkingen en wist met schijnbaar ongeschikte middelen werelden op te roepen die velen inspireerden.

    Aan het eind van het interview vroeg ik Imme Dros en Harrie Geelen om mijn exemplaar van De macht van de liefde te signeren. Imme zette een snelle krabbel, maar Harrie tekende een prachtig Trojaans Paard voorin. Een echte Harrie Geelen, grove lijnen, waarin niet de vorm maar de essentie het belangrijkste is. Het wordt hoog tijd om die maar eens in te lijsten.

     

     

    Deels gebaseerd op Vooys 40.3: ‘In taal heb je andere dingen nodig dan woorden’ Interview met Imme Dros & Harrie Geelen door Jan Douwe Westhoeve & Bram Scharpach

     

     

  • In memoriam Esther Jansma (1958-2025)

    Op donderdag 23 januari overleed dichter en schrijver Esther Jansma aan de gevolgen van kanker in een hospice in Utrecht. Ze was al lange tijd ernstig ziek. In 2022 zou Jansma met haar bundel De spronglaag, de eerste Meander Live in het Luxor Theater in Zutphen – waar dichters hun laatstverschenen bundel integraal voorlezen – openen. Ze was toen al zo ziek dat haar man Wiljan van den Akker het van haar overnam en haar bundel in een sessie voorlas. Over hoe het met haar ging plaatste ze de laatste twee jaar ook geregeld korte stukken op facebook. Daarin voerde ze, zoals ook in haar gedichten, verzonnen personages op die over een moeilijk te verteren werkelijkheid spraken. In deze was er een klein Esthertje die commentaar gaf op het verdwijnen van energie, van levensmoed van de grote Esther. Een kleine Esther die gevoelens van wanhoop en verdriet relativeerde.

    Jansma debuteerde in 1988 met Stem onder mijn bed. Waarna er nog tien dichtbundels en een essaybundel verschenen.

    In november 2024 werd ze, vanwege haar wetenschappelijk en literair werk, benoemd tot ridder in de Orde van de Nederlandse Leeuw  voor haar waardevolle bijdrage aan de poëzie en dendrochronologie. In diezelfde maand verscheen ook haar elfde en laatste bundel, We moeten ‘misschien’ blijven denken.

    Jansma’s poëzie is zeer persoonlijk en voelt als het delen van intimiteiten. Ze verwerkte in haar gedichten het verlies van twee van haar vier kinderen. Tijdens haar eerste huwelijk verloor ze in 1988 een meisje tijdens de geboorte en in 1993 stierf haar negen maanden oude zoontje aan een chromosoomafwijking. Dit tekende, evenals haar armoedige en liefdeloze kinderjaren, haar leven en werk. Ze bracht haar kinderen tot leven in regels als: ‘Ik hul haar in weefsels van woorden’, en, ‘ik wil dat ze ademt van taal.’
    In haar bespreking van Rennen naar het einde van honger, schreef Hettie Marzak: ‘ Jansma heeft vaak aan een versregel genoeg om een hele wereld op te roepen en de lezer daar midden in te trekken.’

    Over haar moeder, die haar als kind mishandelde, schreef ze voor Het Liegend Konijn (2021/2) een serie gedichten onder de titel ‘Het verhaal van de zeeroversdochter’. Daarin is Jansma de zeeroversdochter en haar moeder ‘brulkapitein Bloody Lilly’. ‘Ik groeide op op een piratenschip.’ Om de agressie van Bloody Lilly uit de weg te gaan, begon ze op een dag ‘achter een tonnetje rottend scheepsbeschuit gedichten [te] schrijven (…). Daar kwam ik mooi mee weg, want Bloody Lilly snapte niks van poëzie’. De lichtvoetigheid die uit dat ‘mooi mee wegkomen’ spreekt, is kenmerkend. Het heeft iets verdrietigs, maar tegelijkertijd iets onvermijdelijks dat het verleden steeds opnieuw en in verschillende variaties bestreden moest.

    Voor haar poëzie ontving Jansma onder andere de VSB Poëzieprijs, de Jan Campert-prijs, de Adriaan Roland Holstprijs en de C.C.C.Crone-prijs.

    Naast dichter was Esther Jansma dendrochronoloog. Ze werkte voor de Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed en onderzocht onder meer de Romeinse schepen De Meern 1 en 4. In 1993 richtte ze het Centrum voor Dendrochronologie op. In 1996 promoveerde ze cum laude met haar proefschrift RemembeRINGs. In 2007 werd Jansma benoemd tot bijzonder hoogleraar dendrochronologie aan de faculteit geowetenschappen van de Universiteit Utrecht.

     

    Foto: © Julia Le Fevre

  • Anderhalve kamer – In memoriam Kees Verheul (1940–2024)

    Kort nadat ik bij Van Oorschot was komen werken, vond ik in de krochten van de uitgeverij een exemplaar van Kontakt met de vijand. Het was een nieuw-oud boek, het had er sinds verschijnen in 1975 in een doos gelegen. Ik begon erin en stopte niet meer. De toon, het avontuur. Kees Verheul was de levende brug met het oude Rusland, en ik ben nooit gewend geraakt aan het gegeven dat hij Joseph Brodsky zo goed had gekend, en Nadezjda Mandelstam. Verheul leerde ik al snel kennen als een uiterst aimabele man die op al onze borrels en etentjes kwam: hij hield intens van gezelschap, was een vrolijk causeur en een uiterst aangename gesprekspartner. Overigens kon hij gelukkig ook goed laten merken als hem iets níet beviel.

    Een van de opmerkelijkste boeken die we met hem maakten was het boek Niets heb ik van mijzelf, dat bestaat uit een drieluik terug de tijd in: een meesterlijk abecedarium van Willem Jan Otten over zijn ‘gids’ Kees Verheul, een portret van Verheul over zijn leermeester Clay Hunt, en een schitterend stuk van Clay Hunt over John Donne. Verheul kon uitmuntend bewonderen en was zeer gul in zijn waardering. Des te mooier dat er zo’n ode aan hem geschreven is, respectvoller kan het niet.

    Zijn meesterwerk was wat mij betreft de Tutcheffs trilogie Villa Bermond (1992) Stormsonate (2006). We hebben aardig wat afgemaild en gecorrespondeerd over het derde deel. Stukken ervan – heel mooie stukken – verschenen in Tirade. Toen ik doorgaf dat een boekhandelaar ernaar vroeg moest ik haar van Kees dit antwoorden:

    ‘Kort na het verschijnen van het tweede deel van De Tutcheffs kreeg ik kanker. Terwijl ik hiervoor werd behandeld en genas kreeg mijn levensgezel twee  progressieve ouderdomsziekten. Eind 2018 overleed hij daaraan. Hoewel ik inmiddels bijna tachtig ben geworden (d.w.z. tien jaar ouder dan de dichter Tutcheff) en een stuk van mijn vitaliteit kwijtgeraakt, heb ik allerminst de moed opgegeven om na de noodgedwongen lange werkpauze verder te gaan met de cyclus.’

    Dit was waar: de moed gaf hij nooit op. Hij werkte eraan, drie weken geleden ontvingen we weer een stuk van hem. Het begint zo:

    ‘Een filosofisch middagmaal. Deelnemenden: de gastheer en voorzitter Apollonius von Maltitz; diens vrouw Clotilde, die aan een uiteinde van de tafel zat, het zachte haar golvend in de tocht die de hitte in het vertrek niet vermocht te verdrijven; de overige gasten links en rechts van haar aan de dis. Plaats, het Bertuch Haus in Weimar, begin augustus 1843.

    “Pech, Tutschew, dat je hier bent met deze hittegolf, het lijkt verdorie Brazilië wel.” Hij wist lachend zijn blonde gezicht af. Met een zucht: “Daar heb je ’s zomers tenminste de bergen.”’

    De lezer is in een paar zinnen al weg. Daar. Ik ben een paar keer in Scheveningen met Kees wezen eten. Daags voor de eerste maal schreef hij: ‘Beste Menno, Dank voor je handgeschreven brief in ouderwetse envelop, die je mij liet bezorgen op instigatie van een droom. Erg aan mij besteed, deze opzet, evenals je verrassende en eervolle plan om mij een “auteursbezoek” te komen brengen, de eerste keer in mijn carrière dat mij, geloof ik, zoiets overkomt.’ Kees Verheul ten voeten uit, een ironiserende toon ten aanzien van zijn eigen schrijverschap, een op vriendschap gerichte reactie. We spraken toen en later vaker ook over de Russische Bibliotheek, waarmee hij zich gelukkig altijd – gevraagd vaak en ongevraagd soms – bleef bemoeien. (Volgend jaar zal nog een onbekende Rus op zijn instigatie bij ons verschijnen. Hij bleef voor ons een gids.) En over zijn laatste Tutcheff-boek, waaraan hij bleef werken.

    Maar Verheul werkte aan heel veel, en hij was er voor veel mensen. Zoals hij en zijn man Cees hun leven leidden, naar een voorbeeld van Brodsky, in ‘anderhalve kamer’: een halve in Rome, een halve in Scheveningen en een halve in Amsterdam, verdeelde Kees zijn krachten over schrijven, doceren, vriendschap, sociaal vertier, correspondentie, vertaling, kritiek en wat al niet. Een vol bestaan. Zo is er ook teveel over hem te melden. We laten de prachtige roman Een jongen met vier benen en de zeer veelzijdige essaybundel Een volmaakt overwoekerde tuin maar node verder onvermeld.
    Van Oorschot neemt afscheid van de veelzijdigste en vriendelijkste leidsman die we hadden.

     

    Dit memoriam verscheen ook op Tirade.nu.

  • In memoriam Paul Beers 1935-2024

     

    Op 25 januari werd bekend dat schrijver en vertaler Paul Beers is overleden, hij werd achtentachtig jaar. Beers vertaalde meer dan veertig literaire werken, zowel uit het Duits als het Frans,  waaronder Jean-Paul Sartre, Marguerite Yourcenar, Marian Pankowski en Thomas, Golo en Erika Mann. Ook vertaalde hij literatuur voor de Volkskrant en Vrij Nederland en was mederedacteur bij de publicatie van het complete werk van Sigmund Freud en Friedrich Nietzsche.

    Het was de Duitse literatuur van waaruit hij uiteindelijk het meest vertaalde en hij stond bekend als oeuvre-vertaler van Ingeborg Bachmann, Witold Gombrowicz en Robert Menasse. Drie auteurs die hem met hun werk overrompelden en waar hij zich als literair vertaler voor hun hele oeuvre mee verbond. Hij noemde ze ‘mijn grote drie’. 


    Na zijn studie politieke en sociale wetenschappen en filosofie werd zijn literaire vertalersloopbaan in 1964 aangewakkerd door de vertaling van
    Mythe van Sisyphus van Camus door C.N. Lijsen. Hij vond deze vertaling ‘volkomen ongrijpbaar’ en na een vergelijking met de Franse tekst, bleek deze wel degelijk ondermaats te zijn. Hij schreef er een uitgebreid en kritisch stuk over dat werd gepubliceerd in literair tijdschrift Podium.
    In 1965 ontdekte hij het werk van de Poolse schrijver Witold Gombrowicz. Gombrowitcz’ stijl, ‘zijn luciditeit en moed tot waarheid’ had hem zo gegrepen dat hij vanaf dat moment kost wat kost zijn vertaler wilde worden. Beers was de Poolse taal niet machtig, daarom zocht hij de schrijver op en kreeg toestemming zijn werk vanuit de Duitse en Franse edities te vertalen. Elk jaar, van 1967 tot 1972 verscheen er een Gombrowicz-vertaling. In 1967 bezocht hij Gombrowicz in Vence, Zuid-Frankrijk voor een interview voor Vrij Nederland. Dit interview bood hij in 2016 – nadat bij uitgeverij IJzer een dundrukeditie van bijna duizend pagina’s verschenen was in herziene vertaling door hem zelf – integraal aan.


    In zijn eind vorig jaar verschenen essaybundel
    Nerveuze gejaagdheid, Ingeborg Bachmann door de jaren heen bij uitgeverij Koppernik, schreef hij dat in 1983 de redactie van literair tijdschrift De Revisor hem vroeg drie teksten van haar te vertalen. ‘Deze drie zo verschillende teksten spraken me dermate aan dat ik volledig voor deze schrijfster gewonnen werd. Hier was elke zin raak, gedragen door grote zeggingskracht met een heel eigen toon.’ Waarna hij zich grondig in haar werk verdiepte.

    In 1995 kreeg hij toevallig Selige Zeiten van Robert Menasse in handen, en ook hier overrompelde het werk hem zodanig dat hij dit wilde vertalen. Vanaf die tijd vertaalde hij ook van Menasse al zijn werk. 


    Beers zette zich ook in voor de positie van de literair vertaler. Zo hechtte hij grote waarde aan de naamsvermelding van vertalers. Het was hem een doorn in het oog dat op paginagrote advertenties in de opinieweekbladen de naam van de vertaler niet werd vermeld. Om uitgevers de waarde van de vertaler te doen inzien was zijn devies:
    ‘Vertaalde literatuur is een geestelijk product dat in volkomen gelijkwaardigheid tussen uitgever en vertaler tot stand dient te komen.’  

    In een gesprek met Huub Beurskens ter gelegenheid van zijn bekroning met de Letterenfonds Vertaalprijs in 2014, zei hij: ‘Terugkijkend heb ik geweldig geluk gehad dat ik het oeuvre van “mijn” grote drie heb kunnen vertalen.’



    Foto: rechtenvrij via uitgeverij Koppernik verkregen.

  • In memoriam Wessel te Gussinklo (1941-2023)


     

    Met Wessel te Gussinklo verliest de Nederlandse literatuur een volstrekt unieke stem. Het duurde lang voor de in Utrecht geboren auteur erkenning kreeg. Het stigma ‘miskend genie’ kon zeker op hem gekleefd worden. Toen hij in 2019 de BookSpot Literatuurprijs ontving voor De Hoogstapelaar, leerde ik de schrijver en zijn werk beter kennen. In de eerste week van het nieuwe jaar maakte ik een afspraak met hem voor een interview voor Literair Nederland. Hij nodigde me uit naar zijn woonplaats Kamperland in Noord-Beveland, Zeeland te komen. Het was bar koud, zijn vrouw Odilia zou erwtensoep maken waaraan we ons konden warmen, zo zei hij. 

    De avond voor ons interview belde Te Gussinklo of we het interview niet per telefoon konden doen. De heisa van de voorbije maanden rond de BookSpot had zijn tol geëist. Hij was moe en had zijn rust nodig. Het werd een telefonisch interview dat enkele uren duurde. Zowel de schrijver als ikzelf genoten enorm van dit onderhoudende gesprek.


    Van miskend naar laureaat

    Het werk van Te Gussinklo was tot dan toe onder de radar gebleven, de BookSpot had daar verandering in gebracht. Nochtans was te Gussinklo geen onbekende in het literaire wereldje. Na zijn studies psychologie in Utrecht en Zürich besloot hij zich al gauw te wijden aan de literatuur. Hij schreef essays die gekenmerkt werden door hun maatschappijkritiek en zijn eigenzinnige filosofische denkbeelden. Zelf hield hij meer van zijn romans. Het was een lange weg om daar gehoor voor te vinden. Pas na tien jaar vond hij een uitgever voor De verboden tuin (1986), waarvoor hij prompt de Anton Wachterprijs kreeg. In dat boek voert hij voor het eerst Ewout Meyster op, een tienjarige eigenzinnige jongen die leeft in zijn eigen paradijselijke wereld. 

    Ewout Meyster kan gerust het alter ego van Wessel te Gussinklo genoemd worden en zal daarna nog in nog drie andere boeken verschijnen. De tetralogie rond dit hoofdpersonage wordt ook wel het magnum opus van Te Gussinklo genoemd. In De opdracht (1995) gaat de veertienjarige Ewout naar een zomerkamp voor kinderen van oorlogsslachtoffers. Ewout Meyster probeert door de jaren (en de boeken heen) te ontsnappen aan zijn dominante moeder en afwezige vader. Ook hier zien we de parallellen met de schrijver. Te Gussinklo’s vader werd in 1944 door de Duitsers geëxecuteerd. De opdracht kende meerdere herdrukken, werd genomineerd voor De Gouden Uil en de Libris literatuurprijs en kreeg drie andere literaire prijzen. 


    Periode van stilte

    Daarna wordt het wat stil rond de schrijver. Er worden nog een aantal essays gepubliceerd en als in 2008 zijn toenmalige vrouw sterft door een ongeval, is het gedaan met schrijven. Hij is zijn inspiratie en zijn pen kwijt. Tot hij zijn tweede vrouw Odilia ontmoet. Zij wordt zijn muze en moedigt hem aan opnieuw te gaan schrijven. Wessel te Gussinklo probeert verder te werken aan zijn Ewout Meyster-cyclus, maar het lijkt hem niet te lukken. 

    Dan verschijnt in 2014 Zeer helder licht. Hijzelf vond dit ongetwijfeld zijn beste roman, maar voelde zich gepasseerd. Hij had, naar eigen zeggen, zonder enig voorbehoud de AKO-literatuurprijs hiervoor moeten krijgen, maar die ging naar Oorlog en terpentijn van Hertmans. Ik kende Zeer helder licht niet, maar na het interview stuurde Wessel te Gussinklo me het boek met een mooie opdracht. Het blijft een van de mooiste herinneringen aan een empathische, en in eerste instantie miskend schrijver.

    Het boek is inderdaad een parel, een eigenzinnige, maar luchthartige liefdeshistorie. In 2015 verscheen zijn controversiële, maar zeer gewaardeerde essay We zullen aan God gelijk zijn. Ondertussen werkte de schrijver ijverig verder aan zijn Ewout Meyster-boeken. In 2019 publiceerde hij, bijna vijfentwintig jaar na het eerste deel, De hoogstapelaar, een hoogtepunt in de Nederlandse literatuur. Ewout is ondertussen zeventien en een snoever. Een buitenstaander die zijn weg probeert te vinden, die iets wil bereiken en zich vergelijkt met Churchill, Roosevelt en zelfs Hitler. 

    Dichter bij zijn alter ego komt Wessel te Gussinklo niet. Net als Ewout dweept hij met Sartre: ‘Sartre was voor mij een verlossing. Alle zaken die hij beschrijft, zag en voelde ik ook. Maar die herkende ik niet bij anderen. Die waren allemaal argeloos en naiëf zichzelf, vrolijke jongetjes en kindertjes, ik niet! Ik zat voortdurend te tobben, allemaal vreemde dingen te denken, dat ik gek was of  ernstig gestoord. Sartre was helemaal nieuw, modieus, schokkend, verrassend. Ewout  is gewoon iedereen voor, hij is een van de weinigen aan de spits van het nieuwe. Ewout herkent zichzelf in de ideeën van Sartre. Hij is niet alleen beïnvloed door hem, hij herkent zichzelf in Sartre. Hij heeft een soort van schok van herkenning in Sartre, wat ikzelf ook heb gehad. Zo zit het dus in elkaar!’


    Tetralogie voltooid

    En nog was het niet gedaan met Ewout. In Op weg naar De Hartz (2021) maakt hij de laatste keer zijn opwachting. De nu 23-jarige Ewout leert de liefde en de filosofie kennen, maar wordt geteisterd door verraad en bedrog. Te Gussinklo kon de Boekenbon literatuurprijs zelf niet meer ophalen. Hij was toen al te ziek: een leveroperatie en hartproblemen teisterden zijn toen al tanende gezondheid. Hij bleef echter verder schrijven tot het eind. 

    Het werk van Wessel te Gussinklo neemt  in de Nederlandse literatuur een unieke plaats in. Dat het grote publiek niet volgde, deerde hem niet. Hij vond zichzelf wel de betere literator in ons taalgebied en liet zich wel eens laatdunkend uit over de stijl van Pfeiffer, Uphoff of andere populaire schrijvers. Hij zocht het mediacircus niet op en bleef altijd zijn eigengereide zelve. Hij was evenwel de ideale gesprekspartner, hij nam zijn tijd, bleef geïnteresseerd en schuwde de discussie niet. Zijn dwepen met Sartre en Mulisch en zijn eigendunk maakten hem misschien minder geliefd bij zijn collega’s. 

    En wat te zeggen over zijn boeken? Zijn moeilijk toegankelijke en ietwat archaïsche stijl hebben een inlooptijd nodig. Eens gewend aan de stijl, word je als lezer omvergeblazen door zijn virtuositeit. Hij ontdoet zijn onderwerp van alle franjes en graaft naar het ongrijpbare en onnoembare. Hij gebruikt daarvoor een taal die volstrekt uniek is, alleen al het woord ‘hoogstapelaar’ getuigt daarvan. 

    Toen ik hem aan het eind van ons interview vroeg hoe hij wilde dat zijn schrijverschap herinnerd zou worden, antwoordde hij, ‘Ik hoop dat er over mijn schrijverschap gezegd zal worden: hij was de meest kwaliteitsrijke Nederlandstalige schrijver van de afgelopen decennia. Het is wel  een steen in een vijver gooien, maar wat Van het Reve al zei: de dingen altijd voor je houden is ook niet goed, dus, nou ja.’

    Wessel te Gussinklo overleed woensdag thuis in Kamperland, waar hij sinds 2007 woonde. Hij werd 82 jaar.

     

     


    Lees hier het interview uit 2019.
    Auteursfoto via uitgeverij Koppernik.



  • In memoriam Milan Kundera 1929 – 2023

    Sommige teksten hoopt een mens nooit te hoeven schrijven. Verliezen we een dierbare en willen we daar iets over kwijt, dan doet elk woord, elke letter afbreuk aan wat we werkelijk willen zeggen. Desondanks schreven mijn broer, zus en ik een afscheidsrede aan onze vader, vorig jaar oktober. Precies op zijn zestigste verjaardag, na een wekenlang ziekbed, overleed hij aan kanker. 

    Een paar dagen geleden, 11 juli, stierf hij opnieuw: zijn favoriete schrijver, Milan Kundera, overleed namelijk in Parijs. Veel van mijn vaders romans heb ik overgenomen, bijna de helft daarvan door de Tsjech geschreven. Bovendien bespraken we vaak zijn werk, mits het over literatuur ging. Zulke gesprekken… dat zat er de laatste maanden van zijn leven niet meer in. Nee, ik bespeurde bij mijn vader een fenomeen dat Milan Kundera over de Tsjechische landsgrenzen heen de wereld in slingerde: litost

    Iedere taal kent zijn eigen onvertaalbare begrip en draagt dit met trots uit. Het Nederlands kent ‘gezellig’, het Deens ‘hygge’, het Portugees ‘saudade’. Het Boheemse ‘litost’ betekent volgens Kundera: een vlaag van verstandsverlichting (over dat ‘licht’ straks meer, zoals u wel zult hebben geraden), die ons onze diepe verlatenheid doet beseffen en gevoelen. Pijn lijden, omdat we weten dat we verloren zijn. Hierover schreef Kundera in Het boek van de lach en de vergetelheid. Diezelfde radeloosheid zag ik in de ogen van mijn dappere, lieve vader. De herinnering daaraan maakt langzaam plaats voor een karaktertrek die hij deelde met de romancier: lichtvoetigheid. 

    Luidruchtig lezen

    Absurdisme en humor, daar zat Kundera’s werk vol mee. Denk aan Het leven is elders, waarin hoofdpersoon Jaromil alleen door te gelóven dat hij een groot dichter hoort te zijn, zichzelf de dood in jaagt. Ook Lachwekkende liefdes, De grap en Het feest der onbeduidendheid nopen de lezer er regelmatig toe het boek weg te leggen van de lachstuipen. Luidruchtig een boek lezen, het kan met Kundera. Een ander kenmerk van Kundera’s oeuvre is zijn voorliefde voor de paradox. Nu wordt deze term wel vaker lukraak van stal gehaald, als er slechts sprake is van een duffe tegenstelling. Bij Kundera versterken de binaire opposities elkaar. Wie kent niet zijn wereldberoemd geworden De ondraaglijke lichtheid van het bestaan, waarvan de titel alleen al een vuistdikke analyse verdient?

    Maar ook zijn essaybundel Het doek bevat er genoeg. Zo blikt hij terug op de zoveelste politieke crisis in communistisch Tsjechië: ‘We lachten onbedaarlijk. Wat onze lachlust opwekte was de smakeloosheid van de geschiedenis.’ In de verhandeling richt Kundera onder meer zijn pijlen op ‘agelasten’: mensen die nergens meer om kunnen lachen. Wie nergens meer om kan lachen, ziet immers evenmin ergens de ernst nog van in, behoudens zijn eigen gelijk natuurlijk. Tegelijk bedankt hij hen: ‘Hun bestaan geeft het komische zijn volle betekenis, laat zien hoezeer het een gok is, een risico, en onthult de dramatische essentie ervan.’ Die essentie was banaal, vluchtig, maar het kostbaarste wat een mens heeft. Waarom streeft hij anders naar onsterfelijkheid?

    Komisch sterven

    In 1990 schrijft Kundera warempel Onsterfelijkheid. Hierin streven meerdere personages ernaar onsterfelijk te worden. Begrijpen zij dan niet dat hun vereeuwiging pas écht begint bij hun heengaan? Eén manier om te sterven lijkt de Tsjech fantastisch: op een komische manier. Schlemielig. Dan zou zijn dood voor altijd lachwekkend zijn, en misschien zijn leven ook. ‘Geen romanschrijver is mij dierbaarder dan Robert Musil. Hij stierf op een ochtend toen hij halteroefeningen deed.’ Kundera fitnesst zich een ongeluk, want ‘doodgaan met halters in de hand, net als mijn geliefde auteur, zou me tot een epigoon maken, zo ongelooflijk, zo waanzinnig, zo fanatiek, dat ik ogenblikkelijk verzekerd was van de lachwekkende onsterfelijkheid.’

    Over die lachwekkende, ondraaglijke lichtheid gesproken… Matthijs van Nieuwkerk had het lef Kundera’s magnum opus bij DWDD te ontheiligen. Wat hem betreft ging het toiletboek Antiglamour van Halina Reijn en Carice van Houten over grote vragen des Levens: ‘Er is namelijk ook de ondraaglijke lichtheid van ons bestaan. Namelijk, wie vind je leuk? Wie vind je minder leuk? Dat verschilt misschien per dag.’ Kundera zou er vast hard om hebben gelachen. Omineuzer klinkt zijn aankondiging in Onsterfelijkheid hoe het ons allen vergaat, als we het hoekje omgaan: ‘Op een dag toont de camera ons een mond, vertrokken in een trieste parabool, als het enige dat ons van hem zal bijblijven, dat hij achterlaat als een parabel van zijn hele leven.’ In het licht van zijn indrukwekkende oeuvre is de doodsgrimas wel het laatste waarmee we Kundera zullen associëren. Ik dank mijn onsterfelijke vader dat hij mij nog altijd laat genieten van deze onsterfelijke auteur.

     

     

  • In memoriam Marga Minco (1920-2023)

     


    Een belangrijk schrijfster en groot stilist is overleden

    Marga Minco, die met haar verhalen over de oorlog grote indruk maakte, is op maandag 10 juli gestorven. Haar overlijden werd vrijdag 14 juli bekend gemaakt met een overlijdensadvertentie in het NRC. De vier dagen vanaf haar overlijden tot het wereldkundig maken, waren dagen van respijt, een niet weten dat een schrijfster niet meer onder ons was. Misschien dat daardoor haar overlijden geen ‘breaking news’ was. Ook het radioprogramma Met het oog op morgen opende er vrijdagavond niet mee, maar werd het overlijden van de schrijfster als programma onderdeel genoemd. 

    Marga Minco werd in 1920 geboren als Sara Menco in een orthodox Joods gezin in Brabant. Haar ouders, broer en zus en verdere familie overleefden de vernietigingskampen niet. Door onder te duiken en ‘geluk’ te hebben, kwam Minco als enige overlevende uit de oorlog. Dat geluk bestond eruit dat ze tijdens de oorlog meerdere razzia’s – waar joodse gezinnen op ruwe wijze uit hun huizen werden gehaald – meemaakte en waarbij ze door het oog van de naald gekropen is.

    Door het oog van de naald

    In het hoofdstuk ‘De Lepelstraat’ (Het bittere kruid), beschrijft ze hoe ze op weg vanuit de Sarphatistraat voor een boodschap voor haar moeder, de Lepelstraat inliep. Van de andere kant kwam een overvalwagen met mannen in uniform de straat inrijden. ‘Ze sprongen er gelijktijdig aan weerskanten uit, liepen naar de huizen en duwden de deuren open.’ Een van de mannen kwam op haar toe, sommeerde haar in te stappen, wat ze weigerde. De man drong aan.

    ‘Nee’, zei ik nog eens duidelijk, ‘ik woon niet in de Lepelstraat. Vraag aan uw commandant of u mensen die in een andere straat wonen ook mee moet nemen.’ Toen mocht ze gaan. In een volgend hoofdstuk dringen twee mannen het huis van haar ouders binnen om hen op te pakken. Zij zal hun jassen pakken, maar vlucht via achterdeur en tuinpoortje de straat op. Later overkomt het haar als ze met haar broer en schoonzus wil onderduiken. Met koffers stappen ze in Utrecht Centraal op de trein. Dan wordt de schoonzus opgepakt, haar broer stapt uit, zij blijft zitten, de trein rijdt weg.

    Minco vond zichzelf geen slachtoffer van de oorlog, ze had geluk gehad, dat wel. ‘Als ik me realiseer dat ik opeens oud ben. Waarom ik? Mijn zusje was een veel liever kind.’ Dat je pas na de oorlog ten volle beseft wat er gebeurd was, wat je geliefden hebben meegemaakt. Minco leefde met die beelden en door haar boeken wilde ze haar familie laten doorleven, ‘daardoor zouden ze langer leven dan de tragische werkelijkheid’.

    Ze wilde niet gezien worden als een schrijver die de oorlog meemaakte, dat de oorlog haar tot schrijver heeft gemaakt. Ze schreef voor de oorlog al en soms vroeg ze zich af wat voor verhalen ze zou hebben geschreven als die er niet geweest was. Ze vermoedde dat ze dan veel vrolijker maar ook absurdistischer verhalen zou hebben geschreven.

    Ze observeerde graag mensen in hun doen en laten (dat observerende spreekt uit al haar verhalen), en schreef verhalen voor (haar) kinderen zoals Kijk ‘ns in de la, over een mannetje dat gaat fietsen en zijn tafel meeneemt. Een eerste versie van ‘De Lepelstraat’ schreef ze al in de oorlog, in 1942 kort nadat het gebeurde, maar raakte die kwijt.

    Bitterzoet liefdesverhaal

    Er is een verhaal van Marga Minco dat ik me herinner als een bitterzoet liefdesverhaal. Soms wilde ik het nog eens lezen, maar vond het nooit meer terug, begon er zelfs aan te twijfelen of het wel van haar was. Zij schreef immers geen liefdesverhalen. Het ging over een jonge vrouw die na de oorlog voor weken naar een vissersdorpje in Zuid-Frankrijk vertrekt. Er is een echtgenoot en een minnares, er komt een Franse geliefde bij. Ik herinnerde me een paperback, maar bezat die schijnbaar niet meer.

    Nu ze er niet meer is, en ik al haar boeken weer opensloeg, er in begon te lezen, vond ik dat verhaal terug. Het is opgenomen in de kleine roman Een leeg huis, dat volgde op Het bittere kruid. Het is een intens verhaal over de jaren na de oorlog, zoekend naar verbinding, liefde, maar daarentegen was er eenzaamheid, doelloosheid en het verlangen een ander leven te vinden.

    Dat is wat Sepha (alter ego van Minco)) in Zuid-Frankrijk vond, een ander leven. ‘Ik stond op het strandje tussen de vissersvrouwen de boten na te wuiven, ging mee op de sardinevangst. Na het binnenlopen hielp ik met het dragen van de manden. In de winkel stond ik mee te praten over de schaarste van de levensmiddelen, de schade aan de oogst, en dat alles zo duur was geworden. (…) en leefde als de anderen op nouilles en geroosterde vis, brood en wijn en vruchten. Ik was van hier.’ Nu ik het opnieuw lees, is eens temeer de verlorenheid van generaties, de leegte van een leven zonder voorland voelbaar.

    Het is de zakelijke vertelstem, de summiere tekst die ze gebruikte om haar verhaal te doen, die de ernst en ontsteltenis over het gebeurde des te heftiger maakt. Juist nu, nu Minco er niet meer is, lijken haar verhalen, waar het gaat over menselijke verhoudingen, aan impact gewonnen te hebben. Door de tijd heen geven haar boeken steeds meer de gevolgen prijs van oorlogsgeweld. Ze schreef een klein maar kostbaar oeuvre bij elkaar.


    Marga Minco werd tijdens haar leven meermaals gelauwerd en kreeg 
    op 98-jarige leeftijd voor haar hele oeuvre de P.C. Hooftprijs (2019). Eerder ontving ze onder meer de Constantijn Huygensprijs (2005) en de Annie Romeinprijs (1999). Het bittere kruid werd in 1957 bekroond met de Multatuliprijs. Er wordt door Yra van Dijk en Judit Gera gewerkt aan de biografie van Marga Minco die zal verschijnen bij Prometheus.

     

     


    Bronnen: Interview Elsbeth Etty, Ons Amsterdam (2020)
    2Doc, ‘De schaduw van de herinnering’ (2011)

    Afb. Foto uit de documentaire

     

  • In memoriam Martin Amis (1949-2023) – Het begin van de literatuur

     

    We schrijven 1984. Mijn lezen ontwaakt en neemt in korte tijd een supersonische vlucht. De eerdere middelbare school-leesverplichting heeft geen post gevat en is te verwaarlozen als tijdverdoen en tegendraads plichtverzuim. Maar bij aanvang van de studie verandert er iets en breken nieuwe tijden aan. Ik begin te lezen en verzamel wild om me heen de klassiekers waarvan ik onbewust weet dat ze van waarde zijn voor de basis van een ontluikende leeshonger. Couperus, Mann, Reve, Salinger, Hermans, Tolstoi, alles lijkt aan bod te kunnen komen en verhuist van de tweedehandsboekwinkel naar mijn langzaam groeiende boekenkast. 

    Een vriend leent mij de pas uitgekomen editie van Money van de jonge Engelse auteur Martin Amis met de niet mis te verstane aanbeveling: ‘Dit móét je lezen’. De ondertitel A Suicide Note stuurt de onwetende lezer al in een bepaalde richting, maar na de eerste tien overrompelende bladzijden is het hek van de dam. Dit is totaal anders dan ik tot nu toe heb gelezen. Dit is dynamisch, het is snel, hard, confronterend, absurdistisch, cynisch, maar vooral uiterst meeslepend. 

    Schrijversnest

    Martin Amis komt uit een schrijversnest waar zijn vader, gelauwerd schrijver Kingsley Amis, een overheersende rol speelde. Geen ideale omstandigheden voor een jonge schrijver die, op zoek naar erkenning, vooral afwijzing op zijn pad vindt. Kingsley oordeelt over Money met de scherpe woorden: ‘Breaking the rules, buggering about with the reader, drawing attention to himself.’ Daar kan je ’t dan mee doen. Toch is Amis op latere leeftijd mild gestemd over zijn vader en ziet hij veel overeenkomsten: ‘We schrijven allebei in de komische, satirische traditie, waarbij je in een verheven stijl schrijft over relatief triviale zaken.’

    Money leest als een wervelwind. Zelfs in de geweldige Nederlandse vertaling van Guido Golüke (Geld, 1986) blijft Amis’ gedreven stijl en bijzondere woordkeus glashelder overeind. En inderdaad, hij laat zijn hoofdpersoon John Self als het zelfdestructieve ik-personage direct praten tegen de lezer (‘Hoe denk je dat ik me voel? O man, soms voel ik me een aangereden kater als ik wakker wordt’…). Het is een gemeenschappelijke reis, waarbij wij soms als voyeur en dan weer als actieve medestander het boek in worden getrokken. John Self is reclameman en vliegt naar New York om een film te maken, gefinancieerd door obscure geldschieters. Self is een opportunist van de eerste orde, geld maken is zijn grootste passie en geld uitgeven aan alcohol en porno zijn favoriete bezigheid. Hij is vrijwel altijd dronken en – zo goed als het gaat – druk bezig om het volgende schip met geld binnen te halen met deze blockbuster speelfilm. In New York wordt hij belaagd door verlopen acteurs en andere duistere types die van alles van hem willen. Hij wacht op de grote doorbraak maar gaat langzaam ten onder in een zelfgecreëerde wereld vol geweld, bedrog, overspel en bedreigingen. 

    Opportunistische hoofdpersonen

    Amis houdt van opportunistische hoofdpersonen in zijn romans. Die kan hij laten doen wat hij wil én wat ze zelf willen. In zijn debuutroman The Rachel Papers (1973) hoopt de aandoenlijke opportunist Charles Highway vóór zijn twintigste verjaardag met het meisje van zijn dromen in bed te belanden. Hij voert zijn verleidingskunsten systematisch uit, compleet met draaiboeken en uitvoerige computercharts. Een frisse eerste roman waarin Amis zijn pen slijpt om tot zijn kenmerkende, sublieme dialogen te komen. 

    Na Money volgen meer romans waarin de hoofdpersonen een buitensporig eigenbelang niet uit de weg gaan. Het is vooral de klungelige en onbehouwen manier waarop dat wordt omgezet in daden. In London Fields (1989) is het kleincrimineel Keith Talent, in The Information (1995) zijn het de getormenteerde schrijvers Gwyn Barry en Richard Tull en in Yellow Dog (2003) de acterende gangsterzoon Xan Meo. Tussen al deze karakteristieke antihelden verschijnt in 1991 de roman Time’s Arrow. Hierin slaat Amis een compleet andere weg in. Hij schrijft het verhaal van nazi-dokter Odilio Unverdorben (Amis is een meester in het bedenken van namen) in vernietigingskamp Auschwitz. Niet in de gebruikelijke chronologische volgorde maar in volledig omgekeerde vorm.

    Het boek begint met de ouderdom en dood van de hoofdpersoon en loopt vervolgens door naar diens geboorte. Alle gebeurtenissen en zelfs de dialogen worden achterstevoren verteld door een fictieve verteller die ook als geweten kan worden gezien. Gevangenschap gaat over in vrijheid, de dood evolueert in nieuw leven, het absolute kwaad leidt tot de onschuld waaruit het is voortgekomen. De verschrikkingen van de concentratiekampen worden nog gruwelijker in deze wonderlijke vorm. Het geheel heeft een huiveringwekkend effect op de lezer.

    Drie pijlers van hedendaagse Britse literatuur

    Naast vijftien romans publiceert Martin Amis ook een reeks essays en non-fictieboeken. Boeiende uitgaven over Amerika, de Holocaust, het Stalin-regime, de 9/11 aanslagen, islam vs. islamisme, enzovoort. Amis heeft altijd een vinger aan de pols gehouden, zowel van de geschiedenis als van de actualiteit. In kranten en andere media is hij regelmatig aanwezig met een uitgesproken mening die vaak tot hevige polemiek leidde.

    Eén van de drie pijlers in de hedendaagse Britse literatuur is omgevallen. De twee overgebleven generatiegenoten Ian McEwan en Julian Barnes zetten hun werk nog even voort. Martin Amis nam afscheid op 73-jarige leeftijd. Hij verruilde het tijdelijke voor het eeuwige als schrijver met ‘een verheven stijl over triviale zaken’ en laat een oeuvre na dat op volstrekt eigenzinnige en onnavolgbare wijze tot stand is gekomen.

     

     

  • In memoriam Dubravka Ugrešić 1949 – 2023

     

    Op vrijdag 17 maart j.l. overleed essayiste en literatuurwetenschapper Dubravka Ugrešić, ze werd 73 jaar.

    Ugrešić werd geboren in Kroatië, maar woonde als genaturaliseerd Nederlander sinds de jaren negentig in Amsterdam. Ze had er echter een hekel aan om de Kroatische schrijfster uit Nederland te worden genoemd: ‘Ik woon in Nederland, maar schrijf in het Engels en Kroatisch. Waarom dwingen ze me dan toch altijd ergens bij te horen?’, verzuchtte ze in 2019 in een interview met de NRC.

    Ze publiceerde sinds 1993 zo’n twintig boeken, en schreef o.a. voor NRC HandelsbladDe Groene Amsterdammer en Die Zeit. Naast de Verzetsprijs ontving ze onder meer de Charles Veillonprijs voor beste Europese essaybundel, de Oostenrijkse staatsprijs voor Europese literatuur, de Heinrich Mannprijs en de Neustadt International Prize for Literature. Haar werk bevond zich op de grens tussen literatuurwetenschap, fictie en non-fictie, tussen de Joegoslavische en Angelsaksische en de Russische culturele wereld.

    Met de burgeroorlog in haar thuisland Joegoslavië in 1991 – de reden voor haar vlucht in 1993 naar aanvankelijk Amerika en later naar Nederland – veranderde de toon van haar werk. Ze keerde zich tegen de oorlog en tegen het nationalisme, wat tot gevolg had dat ze werd uitgemaakt voor vijand van het volk, hoer en meer hatelijke kwalificaties. Het kostte haar vriendschappen met mensen die al twintig jaar haar collega’s waren.

    In Nederland verschenen van haar onder andere De cultuur van leugens (1995) waarvoor ze de Verzetsprijs ontving, Europa in Sepia (2015), De vos (2017) en Museum van onvoorwaardelijke overgave (1997, herdrukt in 2022). Deze titels werden alle drie besproken op Literair Nederland. ‘Mopperen is een vorm van mentale fitness’, schreef ze in De vos. In Europa in sepia gaat het niet alleen over politiek, maar ook over (onder andere de Nederlandse) cultuur: ‘We leven in een “cultuur van het narcisme” en van voldoen aan wat scoort. Daarom verschijnen er zoveel boeken met op het omslag kreten die verwijzen naar bestsellers van anderen’, concludeerde ik in mijn bespreking . Elisa Veini schreef in haar bespreking van Museum van onvoorwaardelijke overgave: ‘Meestal schetst ze rake portretten van mensen die vaak gedwongen en soms vrijwillig niet binnen de nauwgezette grenzen van één identiteit of herkomst passen.’
    Dubravka Ugrešić is niet meer, maar haar scherpzinnige analyses klinken hopelijk nog lang na.

     

    Foto © Judith Jockel

     

  • In memoriam Hannemieke Stamperius, alias Hannes Meinkema 1944 – 2022

    Zonder dat er veel ruchtbaarheid aan werd gegeven is Hannemieke Stamperius, vooral bekend onder haar pseudoniem Hannes Meinkema, op 22 november in haar slaap overleden in haar woning te Amsterdam. Ze werd 79 jaar.

    In de zeventiger jaren was dat wel anders. Stamperius debuteerde in 1974 met De maaneter, een roman over de ondergang van een vrouw die zich bovenmatig betrokken voelt bij alles wat er om haar heen gebeurt. Ze koos ervoor te publiceren onder de mannennaam Hannes Meinkema om zogezegd de te verwachten achterstand die vrouwelijke schrijvers in die tijd hadden, hiermee te slechten. Onder dit pseudoniem  verschenen acht verhalenbundels, elf romans en een gedichtenbundel. Met En dan is er koffie (1976)door sommige critici als ’triviaal’ gekarakteriseerd, verwierf ze grote bekendheid onder jonge vrouwen die zich in haar boeken (soms op hilarische wijze) herkenden.

    In 1977 promoveerde Stamperius cum laude met het proefschrift Marsmans Verzen. Toetsing van een ergocentrisch interpretatiemodel aan de Universiteit in Utrecht. In 1978 richtte zij samen met Ethel Portnoy het op vrouwen gerichte tijdschrijft Chrysalis op, waarin publicaties van vrouwen voorrang hadden en dat een korte duur van bestaan had. In 1980 verscheen haar eerste poeziebundel, Het persoonlijke is poëzie. Ook publiceerde ze artikelen en verhalen in onder andere Opzij. In 1989 ontving ze de Annie Romeinprijs voor haar hele oeuvre.

    Stamperius publiceerde meer dan dertig boeken. Onder haar eigen naam schreef ze kinderboeken, over literatuurtheorie, religie, adoptie en was samensteller van prozabundels van vrouwelijke schrijvers. Later schreef ze onder het pseudoniem Justa Abbing nog een viertal detectives.

    Een leven in autarkie

    Stamperius schreef in haar romans en verhalen over de worsteling van de vrouw zichzelf te mogen zijn. Haar vrouwen zijn slachtoffer van de heersende moraal in de jaren zestig en zeventig, en van een meisjesopvoeding die zich richtte op dienstbaarheid. Haar vrouwelijke personages onttrekken zich daaraan en willen macht over hun eigen leven. Stamperius wilde ‘autarkie’ voor de vrouw, zoals in haar laatst verschenen roman De heiligwording van Berthe Ploos (2007). Waarin Berthe als reactie op haar onvervulde verlangens naar liefde, veiligheid en erkenning, kiest voor een leven in het ‘kale land van de autarkie’. In deze roman is een kaasschaaf burgerlijk. En burgerlijkheid was de vijand van de vrouw. 

    In 1987 adopteerde Stamperius een Braziliaans meisje. Als alleenstaand ouder begon ze in 1995 – omdat adoptie in Nederland niet mogelijk was voor alleenstaanden – een proefproces om haar dochter, die ze vernoemde naar Vita Sackville West, legaal te kunnen adopteren. Sindsdien is adoptie voor alleenstaanden mogelijk volgens de Nederlandse wet. Over de adoptieproblematiek schreef ze Moeders kindje. Het moederschap inspireerde haar om het uitzinnige geluk alsook de alledaagse frustraties in haar boeken te verwerken. Stamperius verdiepte zich de laatste jaren steeds meer in religie, getuige ook haar laatste hierboven genoemde roman. In 2011 verschijnt nog het non-fictie boek God en de verlichting, over religiefilosofie.

    Sinds 1997 leed Stamperius aan een botziekte die een voortdurende pijn veroorzaakte. Ze schreef nog steeds maar er was geen uitgever die in haar werk geïnteresseerd was. Te hopen is dat haar boeken een nieuw leven beschoren krijgen, een schrijfster van haar kaliber verdient het niet in de vergetelheid te verdwijnen.

     

     

    Foto: achterflap Meinkema’s laatste roman 

  • In memoriam Remco Campert 1929 – 2022


    Terwijl de kranten openen met paginalange artikelen over het leven en werk van Remco Campert – stukken die al jaren klaarliggen – bekijk ik opnieuw de documentaire Verloop van jaren uit 2016. De dan 86-jarige dichter vertoont zich in alle openbaarheid, de broosheid van zijn gestel is aandoenlijk en soms haast dramatisch om te zien. Het meest opvallend is de vanzelfsprekendheid waarmee hij, ook in deze hoedanigheid, zijn levenslust uitdraagt en daarmee ook de overtuiging van zijn schrijverschap. De film begint met beelden van een ochtendritueel en de wat aarzelende stem van de dichter daaroverheen.
    ‘Ik kan in bed blijven liggen en denken ik sta nóóit meer op. Maar dat heeft natuurlijk geen zin dus stap ik er moedig uit. Sleep me met enorme tegenzin naar de schrijfmachine en typ een paar woorden. En dan ben ik overeind.’

    Campert was een kunstenaar die zich verstopte in zijn werk. Die eigenlijk niets te melden had. ‘Hij zegt heel weinig, hij heeft nooit een verhaal’, zegt zijn levenspartner Deborah in de film, ‘alles zit in zijn schrijven’. Tegen zijn puberende dochter schijnt hij ooit gezegd te hebben: ‘Als je me wil leren kennen, lees je mijn gedichten maar’. Een man gevangen in woorden, maar dan vooral in zijn eigen geschreven woorden. Erover praten vond hij lastig, interviews deed hij het liefst niet. Hij noemde zichzelf ‘egocentrisch’, volledig gefocust op het schrijfwerk. De onstuitbare drang om letters op papier te krijgen is zowel zijn levensadem als ‘gewoon’ zijn dagelijks werk.

    ‘Wie bouwt aan zijn kunst
     vernietigt zijn huis
     vindt geen slaapplaats meer
     geen veiligheid geen wekker
     geen lamp om bij te lezen.’

    De Vijftigers

    Als 20-jarige wist Remco Wouter Campert aansluiting te vinden bij de dichters van het moment. Met Vijftigers als Bert Schierbeek, Gerrit Kouwenaar en Lucebert voelde hij zich verwant en hij stortte zich in het bruisende culturele leven rondom het Leidseplein in Amsterdam. Als jongste lid was hij de minst experimentele van de groep, hij keek op tegen de grote mannen, maar in zijn poëzie is hij helderder en meer uitgesproken dan de anderen van de groep. Begin jaren zestig publiceerde Campert zijn eerste romans, zoals Het leven is vurrukkulluk en verhalenbundels als Alle dagen feest. Het zijn deze pennevruchten waarmee hij een groot publiek bereikte, net zoals met zijn latere columns, maar de dichter in hem heeft altijd de bovenhand gevoerd.

    Net zoals bij zijn schrijvende tijdgenoten is de jazzmuziek van grote invloed op Camperts dichterschap geweest. Hij zwolg in de opzwepende klanken van Charlie Parker en de fluisterzoete stem van Chet Baker. Het is onmogelijk om zijn poëzie los te zien van die invloeden. De impulsieve ritmes, de onnavolgbare melodieën, alles staat in het teken van een unieke uitdrukkingskracht.

    ‘Deze vreemde ontroering
     die poëzie is
     wantrouw ik niet meer
     dat hebben mij geleerd
     de jazzmusici
     de wereld swingt als de pest
     de rest
     is gemompel van bedelaars.’

    En dan is er de vader-kwestie. Dichter en journalist Jan Campert verlaat zijn vrouw en kind als Remco drie jaar is. In 1943 verdwijnt hij voor de tweede keer, voorgoed. Hij sterft in concentratiekamp Neuengamme, zijn zoon heeft hem amper gekend. Die schaduw lijkt de dichter zijn hele leven te achtervolgen, het vormt zijn persoonlijkheid en vooral zijn schrijverschap. Weggaan, afscheid nemen, op zoek zijn, de overgebleven eenling die geen andere mogelijkheid ziet dan zijn leven in woorden te vatten.

    ‘Altijd verdween ik
     dat stak ik van mijn vader op
     volgde harteloos mijn hart
     verliet vrouw kinderen huizen steden
     onbesuisd op zoek naar een onbegaand pad’

    Vergankelijkheid en eindigheid

    Bijna als vanzelf is ook de dood een terugkerende verschijning in zijn gedichten. Vergankelijkheid en de eindigheid van het leven zijn onderwerpen die telkens opduiken in of tussen de regels. Nergens dramatisch, meestal ironisch en een enkele keer met een vlijmscherp cynisme. 

    ‘ha die dood
     die me mijn hele leven vergezelde
     trouwe vriend
     van wie ik nu afscheid neem’

    Terug naar de documentaire Verloop van jaren. De oude dichter scharrelt rond in zijn werkkamer, grijpt naar beschreven vellen papier en drukt onvast met een enkele vinger op de toetsen van zijn schrijfmachine. Sigaret in de mondhoek. Weer een dag. Eerst een uurtje schrijven en vanmiddag aan de scrabble met Deborah. Met een glaasje rood. Tegen de camera verzucht hij: ’Schrijven is leven, als ik daarmee ophou ben ik er niet meer.’