• Interview Tsead Bruinja

    De dichter Tsead Bruinja was vanaf maandag 7 november 2004 een weeklang gast op ons forum. Coen Peppelenbos leidde het gesprek in goede banen.

    Dag Tsead, welkom op ons forum. Ik begin met een wat triviale vraag om er even in te komen. Hoe zit jouw weekschema eruit?

     Hallo Coen, Dank voor de uitnodiging om aan dit forum deel te nemen.

     Mijn week ziet er als volgt uit:

    Maandag, dinsdag en woensdag: Buro opruimen, mailen en aan laatste brief aan dichter Elmar Kuiper werken die ik schrijf voor het Friese literaire tijdschrift De Moanne. Elmar en ik voeren in dat tijdschrift een briefwisseling over zijn debuut Hertbyt / Hartbijt (Bornmeer). Die briefwisseling is weer geïnspireerd op een briefwisseling tussen Jan Lauwerijns en Yves Tsjoeng in het tijdschrift Revolver. Verder ben ik van plan vandaag te beginnen aan de Verzamelde gedichten (Querido) van Leonard Nolens. Ik lees op 2 december samen met Nolens en Peer Wittenbols voor in Bergen en Thomas van de Eerste Bergense Boekwinkel heeft me gevraagd na te denken over wat we met die avond zouden kunnen doen naast gewoonweg voorlezen.

    Donderdag: Rondom de tweetalige  bloemlezing Droom in blauwe regenjas met werk van nieuwe Friese dichters heb ik een kleine tournee georganiseerd. Donderdagavond treden Hein Jaap Hilarides, Elmar Kuiper, Albertina Soepboer, Cornelis van der Wal en ikzelf op in Theater Branoul (Maliestraat 12) in Den Haag. De avond begint om 20.30 uur, maar ik moet er al veel eerder zijn om de beamer te installeren waarmee we de filmpjes en de vertalingen projecteren. Die filmpjes van alle auteurs uit de bloemlezing met de gedichten zijn ook te lezen op: http://www.droominblauweregenjas.info/. Ik raad het de mensen uit Den Haag en omstreken aan om te komen, want zowel de voordrachten als de gedichten van deze dichters zijn geweldig. Van der Wal is komisch en droog, Soepboer muzikaal en soms mystiek en Kuiper filofisch. Misschien komt Anne Feddema ook nog. Voor wie uitleg bij een aantal van de gedichten wil horen plus een vertaling kan terecht op de boekensite van de VPRO (http://boeken.vpro.nl/boeken/index.shtml?3141869+10275873+19540534). Die opnames komen uit het Archief van het radioprogramma De Avonden (AM747 elke werkdag tussen 21.00 uur en 23.00 uur).

    Vrijdag: `s Avonds treed ik op tijdens Crossing Border (http://www.crossingborder.nl/) in Den Haag. Op zo’n dag ben ik vooral met het optreden bezig en kan ik verder niet veel doen. Natuurlijk zit ik dan nerveus door de boekenbijlages te bladeren om te kijken of er al een recensie geschreven is over Batterij (Contact). Ik ben erg blij met dit optreden. Op deze avond treedt geloof ik ook Literair Nederland medewerker Thomas Möhlmann op. Helaas en gelukkig is de avond uitverkocht.

    Zaterdag: Ik heb een jaarlang als vrijwilliger in de boekhandel van Perdu gewerkt. Op deze middag val ik in voor iemand, dus zit ik in Amsterdam aan de Kloveniersburgwal, wellicht met een kater van de avond ervoor, tussen de bundels en tijdschriften. Iedereen is welkom om op de koffie te komen.

    Zondag: Nog geen plannen of optredens. Als het mooi weer is, ga ik misschien met mijn vriendin Saskia wat wandelen aan het strand.

    Op al deze dagen doe ik ongetwijfeld veel triviaals zoals TV kijken, wijn drinken en rustig een pijpje skuff roken voor het slapen gaan. Daarnaast ben ik ook bezig met de voorbereiding van twee interviews die ik tijdens het festival de Wintertuin moet houden, o.a. met Abdelkader Benali, Remco Campert en Arie Storm. Voor meer over de Wintertuin: http://www.wintertuin.nl/. Het festival vindt plaats in Arnhem en Nijmegen van 21 t/m 28 november.

    Ben benieuwd naar je volgende vragen! Hartelijks, Tsead

    Uit verschillende interviews blijkt dat je graag optreedt. Je deed dat altijd in de groep Gewassen (met muziek en lichtbeelden). Vorig jaar is die uit elkaar gevallen. Heb je een nieuwe groep geformeerd? En wat waren je overwegingen om dat wel/niet te doen?

    Sinds het uitelkaar gaan van Gewassen werk ik samen met verschillende mensen. Zo nu en dan treed ik op met Michiel Rasker die toetsen speelde bij Gewassen, maar meestal treed ik op met Jaap van Keulen. Jaap maakt tracks op zijn computer waar hij tijdens optredens gitaar en percussie overheen speelt. Jaap en ik zijn bij elkaar gebracht door de Wintertuin. Regelmatig worden de gelederen aangevuld met Tanja van Susteren (Flamencodans) en/of Raoul R. Thepen (human beatbox/voorheen ook lid van Gewassen). Wie trouwens wil horen wat ik met Jaap doe kan dat via de volgende link doen:  http://www.tseadbruinja.nl/zingoappels.mp3. Ik draag op deze track het gedicht ‘Appels kopen’ voor uit de bundel Dat het zo hoorde (Contact). De track is ook te vinden op de cd Zingo Poetry Slam (Wintertuin & Vassallucci).

    Waarom ik optreed met muziek? Muziek biedt ruimte aan de tekst. Ik kan langer stil zijn tussendoor en zo de tekst meer ruimte geven. Daarnaast kan ik door de muziek voor een heel andere groep optreden. Festivals als Lowlands en middelbare scholen boeken je sneller als je een ‘performance’ met muziek kunt aanbieden. Muziek is voor mij erg belangrijk, ook bij het schrijven, vandaar dat het voor mij niet vreemd aanvoelt om met muzikanten op te treden. Doordat muzikanten niet altijd hetzelfde spelen dwing je jezelf scherp te blijven. Je leest elke keer het gedicht weer anders voor.

    Dit wil niet zeggen dat ik alleen maar met muzikanten optreed. Een gewone voordracht vind ik in de meeste gevallen ook prettig om naar te luisteren of om zelf te brengen. Ik kan me avonden herinneren in kleine theatertjes met muisstil publiek waarbij ik echt het idee kreeg dat ze de tekst goed konden volgen. Dat zijn cadeautjes!

    In de toekomst verwacht ik dus met een combinatie van zowel voordracht met als zonder muziek te blijven werken.

    Er heeft rond de dorpspomp van de Nederlandse letteren lange tijd een discussie gewoed over de vraag of dichters die optreden met muziek wel goede poëzie schrijven. Hun poëzie zou namelijk altijd toegankelijk en/of verstaanbaar moeten zijn. Zonder die hele discussie over te hoeven doen: jouw werk getuigt toch van het tegendeel. Heb je van Pfeijffer persoonlijk al eens gehoord of hij zijn mening heeft herzien in deze kwestie?

    Ilja Pfeijffer heeft na een optreden weleens een compliment gegeven en was enthousiast over Dat het zo hoorde. Volgens mij heeft hij nog nooit een optreden van me gezien met muziek. Ik kan daar dus niks over zeggen. De combinatie poëzie en muziek vereist volgens mij niet dat je toegankelijke poëzie voorleest. Het enige dat nodig is, is een heldere en gedreven voordracht.

    In de NRC heb je je afkeer van komma’s, punten en hoofdletters kenbaar gemaakt (daarin lijk je op Lucebert). Piet Gebrandy heeft over je vorige bundel Dat het zo hoorde gezegd: ‘Doordat Bruinja geen leestekens gebruikt, is de zinsbouw vaak meerduidig, wat bijdraagt aan het vloeiende karakter van zijn poëzie.’ Is die manier van werken kortom bedoeld om een bepaald ritme aan je zinnen mee te geven?

    Het weglaten van leestekens doe ik vooral omdat ik het er lelijk vind uitzien in mijn gedichten. Het vloeiende effect is een belangrijker resultaat dan het ritmische. Ik wil dat de lezer doorleest dat hij langzaam of snel wordt voortgestuwd. Daarnaast breek ik zinnen niet altijd af op de adempauze binnen de zin, maar ook vaak vanuit een intuitief gevoel. In die zin gaat het ook om het plaatje van het gedicht. De prozagedichten uit Dat het zo hoorde zijn een ander verhaal: die lopen van kantlijn tot kantlijn. In de meeste gevallen is de spreker in dit gedicht aan het raaskallen. Daar paste naar mijn mening die oeverloze en schijnbaar ongecontroleerde vorm goed bij.

    De bladspiegels van je gedichten zijn opvallend te noemen. Als ik in de bundel Batterij kijk dan zie ik dat je bij heel veel gedichten gebruik maakt van inspringingen en zo af en toe een woord isoleert in een zin. Is dat niet een vervanging van een komma of een punt? Kortom: haal je door deze vorm de leestekens niet terug via de achterdeur, zonder ze te zetten? (Ik hoop dat dit een heldere vraag is.)

    Helderder kan niet. Ik denk dat je gelijk hebt. Het inspringen en den spaties zijn een soort leestekens. Ik vind ze echter minder storend en soms iets prettiger wispelturig.

    Batterij is al weer je vijfde bundel. Als je kijkt naar je Friestalige bundels (die overigens prachtig zijn uitgegeven, daar kan menig uitgever nog een puntje aan zuigen, maar dit terzijde)dan zie je vooral in de eerste twee bundels dat je nog zoekt naar een vorm. Er zitten ook anekdotische gedichten bij. Later is de vormkant van de gedichten meer gaan overheersen bij jou. Bij Dat het zo hoorde is dat het sterkst, vind ik. In Batterij vind ik meer gedichten waar de inhoud toegankelijker is. Klopt dat? Met andere woorden: kun je zelf al een ontwikkeling in je poëzie herkennen en aangeven?

    Gjkleinrensink: Friestalige bundels. Maakt het wat uit of je gedichten in het Fries of in het Nederlands geschreven worden? Kan je in het Fries iets tot uitdrukking brengen wat (je) in het Nederlands niet kunt/kan? Ik baseer me hier op het gegeven dat dialectsprekers hun emoties zoveel beter in hun dialect kunnen weergeven, in gesproken taal tenminste, dan in het standaard Nederlands. Ik weet het: Fries is officieel en taalkundig gezien geen dialect. Is daar iets over te zeggen.

    Ben het met je eens wat de vormgeving van de bundels betreft! Die gaat binnenkort trouwens weer veranderen. Er komt een nieuwe reeks, weer ontworpen door Gert Jan Slagter. De eerste bundel in die reeks is van Abe de Vries een getalenteerde Friese dichter en journalist.

    Ik denk dat ik altijd wel anekdotisch geschreven heb, maar dat in eerdere bundels de anekdote vaak een groter deel van het gedicht beheerste. Later ontstaan die anekdotes meer vanuit een gekke zin of klank. In Dat het zo hoorde speel ik misschien wel het meeste met de vorm en zijn de regels en ritmes iets minder weerbarstig dan in Batterij, maar dat is niet alleen een kwestie van tijd. Qua onderwerp en vorm zie ik stukken van De man dy’t rinne moat en Gegrommel fan satyn terugkomen in Batterij. Ik doel dan op het ruwe aspect van die bundel. Het is moeilijk om iets over de toegankelijkheid van mijn gedichten te zeggen, aangezien ik ze zelf geschreven heb en ze goed ken.

    De ontwikkeling vind ik ook lastig om te omschrijven. Op dit moment ben ik met iets kalere gedichten bezig dan ik gewend ben. Misschien ben ik me daarvoor steeds muzikaler gaan uitdrukken en beweeg ik nu weer naar iets minder breed en iets minimalistischer werk. Het is te vroeg om er echt iets zinnigs over te zeggen. Ik kan ook niet zeggen dat ik de laatste bundel altijd de beste vind. In alle vijf bundels zitten gedichten die ik goed vind en in alle vijf de bundels zitten gedichten waar ik lang over heb getwijfeld of ik ze op moest nemen.

    Ik hoop dat ik scherper en preciezer wordt, maar waarin en hoe dat hoef ik niet te weten en kan ik ook niet uitleggen.

    Beste GJ, De Friese taal is erg belangrijk voor me en ik kan er heerlijk in schelden of stoer doen, maar dat kan ook in het Nederlands. Als ik Fries spreek heb ik het idee dat de klank dieper gaat, alsof ik beter ademhaal. De Friese gedichten gingen misschien vooral in het begin dieper qua emotie, maar in het Nederlands heb ik een grotere woordenschat, omdat dat de taal is die ik vroeger las en waarin ik heb geleerd. Zo nu en dan groeien de talen, waarbij ook het Engels een grote rol speelt, in mijn hoofd en ook in mijn werk naar elkaar toe. Er is dan minder verschil tussen de gedichten die ik op dat moment schrijf in beide talen. Het schrijven van die gedichten wordt ook bepaald door wat ik lees. In Friesland zijn veel christelijke boerenromans geschreven die erg bevorderlijk werken voor je taalgevoel als je niet elke dag Fries om je heen hebt. Ik kan me voorstellen dat die boeken een invloed op me hebben uitgeoefend. Het Fries zou je kunnen zien als een eerste taal, maar de Nederlandse taal is zo alom aanwezig dat ik niet durf te beweren dat het niet ook mijn moedertaal is.

     

    Op je website staat in een interview ‘kunstenaars moeten zich wel degelijk bemoeien met politiek’. Vind je dat ze dat ook in hun poëzie moeten doen of meer als publieke persoon. Zou je, om specifieker te zijn,  in al het gedoe dat er momenteel heerst in het land een aanleiding zien voor een gedicht? 

    Gjkleinrensink: Dag Tsead, Fries of niet, je voornaam zou ik zonder instructie waarschijnlijk niet foutloos uitspreken. Dank voor je toelichting. Ik vraag me nog af of het aan je manier van voorlezen te horen is “dat de klank dieper gaat, alsof ik beter ademhaal”. Het doet me denken aan Slauerhoff die adem te kort kwam en aan de poëzie van de Vijftigers die ik met het woord ‘adem’ associeer. Ongetwijfeld kan ik je in het Wintertuinfestival horen, maar lees je daar Friese én Nederlandse gedichten?

    Ik denk dat elk mens betrokken moet zijn bij de politiek. In ieder geval moeten we niet bang zijn om onze mening te uiten. Men mag ook besluiten om zich er niet mee te bemoeien en niet te stemmen, maar dan moet je ook niet zeuren als er iets gebeurt dat je niet aanstaat. Ik kan me voorstellen dat er iets doorsijpelt van de huidige gebeurtenissen in mijn werk. Gelegenheidsgedichten en reacties op wat er aan de hand is, ben ik niet voor in. Ik vind dat soort gedichten vaak niet uitstijgen boven de waan van de dag. Al kan ik me ook voorstellen dat het mensen aangrijpt. Er is een grotere kans dat ik juist het talige van voor- en tegenstanders gebruik of een deel van hun psychologie, dan dat ik mijn eigen verdriet of angst zou uiten, in ieder geval zou ik dat nooit rechtstreeks doen, altijd via beelden, metaforen en met een kwinkslag. Liefst denk ik ook nog een poosje na over wat er om me heen gebeurt, voordat ik er iets mee doe in mijn werk.

    Die aarzeling snap ik. Is dat anders bij proza dan poëzie (ik hoorde immers dat je met een roman bezig was)?

    Ik lees daar Friese en Nederlandse gedichten. Tijdens de opening op zondagmiddag (21 november) is er een programma-onderdeel rondom de bloemlezing ‘Droom in blauwe regenjas’. Ik zal dan zeker een aantal Friese gedichten voorlezen met vertaling. Op 27 november tijdens de Maatregel treed ik op met Tanja van Susteren (flamenco-dans), Raoul Thepen (human beatbox) en Jaap van Keulen (gitaar, percussie, samples). We hebben de setlist voor dat optreden nog niet samengesteld, maar aangezien de ondertitel van het festival ‘Alleen maar hits’ is, zal ik waarschijnlijk ook het gedicht ‘De man dy’t rinne moat’ voordragen. Dit gedicht staat ook op de Zingo Slam CD en is te beluisteren via: http://www.tseadbruinja.nl/zingoman.mp3. De vertaling is te lezen via deze link: http://www.tseadbruinja.nl/demannl.htm#COLD TURKEY VAN EEN RODE DROOM

     

    Hoop je daar te spreken! Waar staat GJ voor als ik vragen mag?

    Voorlopig is die roman meer een poging tot een roman. Ik zou in proza me niet eerder poltiek uitdrukken dan in poëzie. Pamfletten en columns zijn daar meer geschikt voor. Wat niet wil zeggen dat ik niet een onderwerp uit de actualiteit als onderwerp voor zo’n roman zou gebruiken. Verder heb ik moeite om bij een onderwerp te blijven als ik proza schrijf. Als ik dit boek ooit af krijg en aan een volgend boek zou beginnen, denk ik dat het meer associatief wordt en dichterbij mijn gedichten komt te staan.

     

    In het tijdschrift Lava werd je de vraag gesteld of je een romantisch of postmodernistisch dichter was. Je geeft een antwoord dat dat enigszins ontwijkend is. Houd je niet van die etikettenplakkerij? Of vind je dat je werk in het verlengde van beide tradities staat?

    Ik kom nog even terug op mijn vraag omdat in Batterij een gedicht staat (sarah & veronica -kollum grachten en afrika) waarin zinssnedes staan als ‘een handvol rijst voor de girokinderen/ en voor de vliegen op hun ogen/uit afrika’ waaruit volgens mij een cynische kijk gegeven wordt op onze westerse blik. Dat is toch een maatschappijkritisch gedicht?

    Ik vind het niet erg als mijn poëzie als postmodern bestempeld wordt, hoewel ik denk dat lang niet alle gedichten die ik geschreven heb daaronder vallen. Ik weet ook niet genoeg van het begrip ‘postmodernisme’ om daar stevige beweringen over te doen. Mijn poëzie heeft af en toe een fragmentarisch karakter, maar het is meestal wel mogelijk om er een verhaaltje van te maken. Dat verhaaltje begin ik echter niet mee. Ik weet niet of dat postmodern is. Ik geloof niet in de grote verhalen, maar ik lees ze wel graag en verder laat ik me als schrijver graag leiden door associaties. Misschien is de manier waarop ik het over taal heb zo nu en dan ook postmodern, in de zin dat ik haar enigszins problematiseer, maar dat kon waarschijnlijk ook in ‘moderne’ gedichten.

     ‘Sarah & Veronica’ is een gedicht dat zich afspeelt in de jaren tachtig. De hongersnood die van de televisie afspatte via acties als Live Aid raakte mij diep. Ik was een idealist en was van plan om iets te gaan doen voor die mensen. Het is er niet van gekomen, maar de beelden raken me nog steeds. Dit gedicht geeft weer hoe dubbel die jaren tachtig waren en hoe gespleten ik me  toen als puber voelde. Daarnaast is het ook heerlijk om met die ‘geile wijven van veronica’ te gooien. Het blijft taalmuziek.

    Wouter: In de voorafgaande reacties lees ik over een roman. Nu heb ik niet veel van je poëzie gelezen maarde opeenvolging van ritmische beeldspraak; nou ja, datgene wat je poëzie typeert is mij bijgebleven. Daarnaast heb ik ook enkele optredens gezien, waar je poëzie bracht in combinatie met beeld en geluid.

    Ga je deze vorm van schrijven ook voortzetten in je roman? Is jouw poëzie kenmerkend voor je algehele schrijfstijl. Misschien is het horen voordragen van jouw gedichten belangrijker dan het zelf  lezen? En zo ja: geldt dat ook voor je potentiële roman?

    Bart: Na veel diepgaande vragen over poëzie en jouw dichtbundels, wil ik twee vrij ‘oppervlakkige’ vragen stellen. Ik geloof dat veel lezers – waaronder ik – graag een antwoord op deze vragen zouden willen hebben.

    Je hebt er al iets over gezegd, maar kun je mij en anderen vertellen waar jij je inspiratie vandaan haalt? Zijn dat herinneringen uit je jeugd, nieuwsbeelden op televisie of dingen die je ziet als je door het centrum van Amsterdam loopt? Daarnaast zou ik graag van je willen weten welke dichters en dichtbundels grote indruk op jouw hebben gemaakt.

     Beste Wouter, Die roman ben ik begonnen toen ik ook aan mijn eerste Friese bundel werkte of die net had afgemaakt. Mijn stijl is inmiddels ontwikkeld, maar die stijl zou ik nog niet gebruiken in het proza van die eerste roman. Waarschijnlijk ga ik er mee werken in een volgend boek, als ik me ooit nog eens aan proza waag.

    Ik denk dat de gedichten zelf lezen en ze horen voordragen twee verschillende dingen zijn. Het liefst wil ik natuurlijk dat de gedichten gelezen worden. Op dat moment haal je pas er uit wat er in zit. Ik raad je wel aan om ze ook hardop aan jezelf voor te lezen, zodat je ook de muziek hoort.

    Een roman voordragen lijkt me wel een uitdaging!

    Beste Bart, Dat zijn zeker geen oppervlakkige vragen! Inspiratie haal ik uit muziek, boeken en gesprekken, die gesprekken kunnen zich ook op tv afspelen. Daarnaast zijn er natuurlijk persoonlijke anekdotes die ik iets verdraai om er iets interessants van te maken. Qua muziek is mijn smaak erg breed, van Bach tot Eminem. De band Marillion (www.marillion.com) en hun voormalige zanger Fish (www.the-company.com) zijn naast Roger Waters (voormalig Pink Floyd) en the Doors de grootste inspiratiebronnen.

    Poëzie die voor mij belangrijk is: In het begin Jack Kerouac, Allen Ginsberg, Walt Whitman, William Carlos Williams en William Blake. Misschien toen ook al wat Rutger Kopland en Herman de Coninck. Later kwamen hierbij: Albertina Soepboer, Dirk van Bastelaere, Arjen Duinker, Anne Vegter, Maria van Daalen, Tonnus Oosterhoff, Tjitske Mussche, Astrid Lampe, Alfred Schaffer, Erik Lindner, Jan Baeke, K.Michel, Ilja Pfeijffer, Nachoem M. Wijnberg en Piet Gerbrandy.

    Qua optredens en ook zeker qua een aantal gedichten ben ik geïnspireerd door Tjitse Hofman, Bart FM Droog en Jan Klug van de Dichters uit Epibreren.

    Op dit moment zijn Martin Reints en F. van Dixhoorn favorieten. Ik vergeet hier natuurlijk een waslijst waaronder Alfred Schaffer, Mustafa Stitou (die ik nog steeds beter moet lezen) en buitenlandse dichters als Pablo Neruda en Lédo Ivo.

    Ik hoop dat ik zo je vraag goed beantwoord heb. Inspiratie komt in ieder geval overal vandaan. Het is moeilijk om dat eenduidig aan te geven. Ik geloof wel dat ik altijd mijn ogen en oren open heb voor goeie regels of bruikbare regels, zowel als ik door de stad loop of als ik terugdenk aan mijn jeugd.

    Alle goeds, Tsead  

    Dag Tsead, vandaag moet je optreden en morgen ook. Kun je iets zeggen over de reacties van ‘gewone’ mensen (itt critici) op die Friestalige bundel. Ik denk dat jullie bloemlezing toegankelijker is dan de oude Friese Spiegel van de poëzie, dat jullie een ander, jonger publiek bereiken. Klopt dat?

     Hallo Coen, Critici hebben nog niet gereageerd op Droom in blauwe regenjas. Gewonen mensen hebben ons voornamelijk gecomplimenteerd op het uiterlijk van de bundel, die er erg goed verzorgd uitziet. De Spiegel van de Friese poëzie was een historische bloemlezing. Daarin waren gedichten opgenomen van de 17e tot en met de 20e eeuw. Door die vroege poëzie is zo’n bundel in totaal misschien minder toegankelijk, maar het meeste is goed te lezen. Verder zat er een goed voorwoord bij en veel informatie over de Friese taal. Doordat men in dat boek zoveel informatie kwijt moest, staan de gedichten niet op aparte pagina’s. Ik vind dat begrijpelijk, maar niet mooi. Een bloemlezing wordt op die manier een encyclopedie. Droom in blauwe regenjas is moderner, maar dat komt doordat wij hebben gekeken naar de poëzie van mensen die de afgelopen 10 jaar zijn gedebuteerd. Ik denk dat de bloemlezing een breed publiek zou moeten aanspreken, daarbij hoort ook een jongere generatie. Wij hebben er in ieder geval rekening mee gehouden dat een deel van het huidige lezerspubliek ook leeft in een beeldcultuur. Vandaar dat op  http://www.droominblauweregenjas.info/ naast gedichten en vertalingen ook filmpjes staan waarop de dichters één van hun gedichten voorlezen. Ik wou zeggen dat er verder weinig modernigheden in de bloemlezing staan, maar vergat daarbij een regel uit Abe de Vries zijn gedicht ‘In waarm wek altyd / In warm wak altijd’:

    …………………………….De slaap kruipt opnieuw

    wreed nader dan mij lief is, dus hier drink ik nou

    mijn laatste glas Pink Grapefruit leeg. Geen sms’je

    op mijn mobiel en dood de telefoon. Niets doet het,

    wil het, zal het, moet het, maar hoe zouden wij twee anderen

    worden dan we waren, toen ik ons witter schreef dan eerste sneeuw.

    wat ik ook bedoel is het volgende: trek je/ trekken jullie een nieuw publiek, merk je dat bij je optredens en voel je je ook een voortrekker om de Friese poëzie een beter smoel te geven?

    De Friese poëzie heeft volgens mij al een goeie smoel! Albertina Soepboer en Tsjêbbe Hettinga hebben daar in het verleden voor gezorgd. Hoogstens kan ik het publiek een breder beeld bieden van de Friese poëzie, zodat het allemaal iets minder gesloten lijkt. Dat zie ik wel als een taak, maar verder is het gewoon mijn poëzie en speelt die taal niet de enige rol. Ik ga zo naar Crossing Border, dus morgen kan ik pas weer nieuwe vragen beantwoorden. Voor nu dank!

    Dag Tsead, (mijn kabel was 24 uur uit de lucht, dsu hierbij pas mijn volgende vraag:) hoe was het op Crossing Border? En daaraan meteen gekoppeld een erg prozaïsche vraag: Kan een dichter rondkomen van optredens en de verkoop van zijn bundels? Kortom hoe hard is het bestaan van een jonge dichter.

    Bart: Bedankt voor je antwoord! Erg leuk om te zien dat we op een aantal punten (Marillion, Pink Floyd, The Doors) dezelfde smaak hebben. Het viel me op dat je weinig dichters noemde die ik ken (De Tachtigers, Forum, De Vijftigers). Ongeveer vijfenzeventig procent van de door jou genoemde dichters ken ik niet, maar dat ligt niet aan jou. Je hebt in ieder geval een brede smaak en je haalt overal je inspiratie vandaan! Nu jouw bezoek aan LiterairNederland er bijna op zit – je moet niet denken dat je niet meer welkom bent! – wilde ik je graag vragen of je jouw bezoek kunt afsluiten met een zelfgeschreven gedicht over hoe je het hier hebt gevonden. Hopelijk is dit niet een te moeilijke vraag en kun je op commando dichten!

    Hallo Coen,

    Ben ook compleet en onnodig internetverslaafd. Crossing Border was geweldig! Ik heb een ingetogen set voorgelezen. Ze verwachten misschien iets meer een podiumbeest, maar ik wil niet elke keer hetzelfde doen. Daarnaast voel ik me ook geraakt door de gebeurtenissen van de afgelopen tijd. Ik geloof dat ik dat wel verwerkt heb in het optreden.

     

    Rondkomen als dichter kan! Zodra je twee bundels uit hebt bij een landelijke uitgever (dit geldt ook voor Friestalig werk) kun je een werkbeurs aanvragen. Ik heb die beurs twee keer gehad (2×7.000 euro) voor een nieuwe Friese bundel en een nieuwe Friese roman. Beide projecten moet ik binnenkort afronden. Mijn probleem is altijd dat ik er te veel projecten naast doe. Gelukkig verdien ik ook met dat soort bezigheden geld. Denk daarbij aan vertaalwerk zoals bij de twee boeken van de Irakese dichter Mowaffk Al-Sawad. Optredens verdienen meestal ook goed en soms heb je de mazzel dat ze je vragen voor een project. Ik schreef bijvoorbeeld een gedicht ter opvrolijking van de cultuurnota van de provincie Groningen. Opdrachten van de overheid betalen goed. Ik kan er dus van leven, maar in mijn geval komen die inkomsten uit meerdere kanalen. Interviews en presentatie-klussen helpen daar ook bij. Verder heb ik het geluk dat ik mijn opa en oma keihard gewerkt en gespaard hebben, zodat ik en mijn zussen nu iets hebben om op terug te vallen. Zonder dat geld zou ik het ook gered hebben, maar het is fijn om een steuntje in de rug te hebben.

     

    Goeie zaterdag,

    Tsead

    Beste Bart,

     

    Ben niet zo’n goeie gelegenheidsdichter, maar dank voor de uitnodiging. Ik heb erg genoten van het Forum en zal zeker op Literair Nederland terugkomen.

     

    Was ik vergeten Kouwenaar, Schierbeek, Lucebert, Perk en Dèr Mouw te noemen? Dat kan gebeuren! Ook zij zijn belangrijk voor me geweest, maar wel in een latere fase van mijn lezersbestaan.

     

    Hartelijks, Tsead  

    Dag Tsead, dat verzoek van Bart zou ik niet hebben durven doen (omdat ik weet dat je nogal slijpt en herschrijft), maar ik vind het wel leuk. Een andere vraag: hoe kijk je aan tegen het algemene poëtische klimaat in Nederland. Ik heb het idee dat poëzie in Nederland erg leeft, van festivals tot de hoeveelheid uitgaven. Toch kan ik me voorstellen dat je nog iets mist. Kortom: stel dat jij Dichter des Vaderlands zou worden, waar zou jij je voor inzetten?

     

    En meteen de tweede vraag (omdat ik zo naar Amsterdam moet). Jij werkte bij de boekhandel Perdu als vrijwilliger. Is dat geen commerciële toko? Leg eens in het kort uit wat Perdu doet voor mensen die deze zaak niet kennen. (Vanmiddag ben jij daar aanwezig als verkoper, dus mensen die een handtekening willen hebben…)
     

    Het literaire klimaat is inderdaad erg pretting. Nog prettiger zou het zijn als:

     

    1) De grote dagbladen elke vrijdag minstens één bundel zouden bespreken, waarbij minstens één gedicht in zijn geheel afgedrukt zou worden en waarbij de recensie op zijn minst 100 woorden langer mag zijn dan nu het geval is. Elke krant zou bovendien over twee recensenten moeten beschikken die bovendien niet over bundels moeten schrijven als ze er niets mee kunnen.

     

    2) Er iets meer structurele festivals gehouden zouden worden in het Noorden en in het Zuiden van Nederland.

     

    3) De uitgeverijen meer zouden doen aan de PR van dichters en hun bundels.

     

    4) Dichters die zelf hun PR doen daarop niet worden aangekeken door collega’s.

     

    Daarnaast zou ik graag een grote tournee opzetten langs de grote theaters met een wisselend literair programma waarin alle genres binnen de literatuur vertegenwoordigd worden.

     

    Verder zouden bundels een stukje goedkoper mogen en zouden recensenten die te veel boeken hebben niet hun boeken moeten dumpen bij de tweede hands boekenzaakjes, maar doneren aan bibliotheken.

     

    Over Perdu zal ik morgen iets schrijven. Misschien dat ik dan ook wat meer punten heb ter verbetering van het literaire klimaat! Ik hoop dat je een leuke tijd hebt gehad in A’dam.

     

    Alle goeds, Tsead 

    Perdu is een prachtige instelling die zich inzet voor de promotie en meer nog voor het gesprek binnen de poëzie. Op de zakelijk leider na, werkt iedereen er voor niks. Elke vrijdagavond wordt er een literaire avond gehouden met voordrachten van bekende en minder bekende dichters. Perdu besteed veel aandacht aan de avant-garde en het postmodernisme. De boekhandel heeft een zeldzaam assortiment poëzie. In Amsterdam kan alleen boekhandel Demodokos in de Reestraat tippen aan ons aanbod. Meer op  http://www.perdu.nl

     

    Dag Tsead, dank voor het antwoord op die vraag waarbij me vooral punt 4 opvalt. Spreek je uit ervaring?

    Och dat valt wel mee, maar het komt voor. Het is meer een ontwikkeling die ik niet graag zie ontaarden in een twist tussen mensen die veel en mensen die minder optreden of tussen mensen met toegankelijk en mensen met minder toegankelijk werk.

    Dag Tsead, hierbij de laatste vraag. Dank voor je aanwezigheid deze week op ons forum en voor de antwoorden die je gegeven hebt (Bart, Gerrit Jan en Wouter ook dank voor het stellen van vragen). De laatste vraag luidt: stel je voor dat 60 jaar bent – wat wil je dan in de afgelopen dertig jaar bereikt hebben?

    Groet en dank, Coen

    De komende dertig jaar hoop ik me te ontwikkelen in poëzie, essays en proza. Daarnaast hoop ik ook dat m’n optredens beter worden en dat ik mijn presentatie en interviewcapaciteiten vergroot. Het zou fijn zijn als er tussen die dertig jaar werk persoonlijke uitschieters zitten. Wie weet komt er nog een magnum opus uit mijn pen, maar rustig doorwerken aan gewoon goeie bundels lijkt me ook goed. Ik wil tegen die tijd graag nog meedraaien zoals ik nu meedraai, met daarbij flink wat jonge dichters die tegen me aanschoppen en een publiek dat m’n werk leest. Als zich in de tussentijd iets voordoet als een klein baantje bij de radio of televisie op het culturele vlak dan zou ik trouwens ook niet klagen. We zullen het zien!

     

    Dank voor de ruimte die je me hebt geboden op dit forum en Bart Gerrit Jan en Wouter natuurlijk ook bedankt voor jullie interesse.

     

    Hartelijke groeten,

     

    Tsead

     

     

     

  • Erik Lindner en Jan Baeke

    Weten waarover je spreekt

    Ik kocht op de Ten Katemarkt een stuk kaas. De kaasboer had een partijtje wijn op de kop getikt. ‘Hoe is die wijn?’ vroeg ik. ‘Dat zou ik niet weten, ik drink gelukkig geen wijn,’ antwoordde de kaasboer. Een eerlijk antwoord voor een marktkoopman. Naast me stond een Surinamer met een pondje Maaslander in handen die in lachen uitbarstte:   ‘Je verkoopt iets waarvan je niet weet wat het is, moet ik wel kaas bij je kopen dan?’  ‘Mijn zoon staat op de Albert Cuyp en verkoopt kaas, en dat lust hij niet, maar hij doet goede zaken,’ aldus de kaasboer. ‘Maar dat is de Albert Cuyp, geen omgeving voor een eerlijk mens!’  Ik wist me in dit twistgesprek de mindere. De haringboer op de brug over de Prinsengracht bij de Utrechtsestraat eet elke dag een haring. Hij weet ook veel over haring en andere vis en heeft me de bereidingswijze van Gravad Laks uitgelegd, het verschil tussel paling en aal, het smaakverschil tussen gekweekte en wilde zalm, de beste wijze om heilbot te roken, het paar- en trekgedrag van de paling, het verschil tussen Haags en Amsterdams fileren van haring, de ware ingredienten van Surimi, wat sprot is en waarbij het het beste smaakt. Hoe koud handen worden van haring fileren.

    Hoe spreekt een dichter over poëzie. Met de kou van het gedicht in de vingers? Hoe spreekt de haringboer met zijn neef ? twee bruggen – verder over vis. Hoe spreken twee dichters over poëzie? Vanaf donderdag 24 maart horen Erik Lindner en Jan Baeke elkaar uit over hun werk. Beide dichters publiceren bij De Bezige Bij. In 2004 verscheen Lindners Tafel en Baeke’s Iedereen is er.

    Denken dat de warmte zwaar maakt
    bleek op het hart gewogen, dus ongeijkt.

    tegenover

    de wind raakt zoek op zee
    geen golf heeft dezelfde afmeting

    Maar wie is wie?

    Ik kan raden waar jij bent. Maar doe het niet.
    Raad eens welke uren trager zijn geworden
    hoeveel kans dat dit elders ook gebeurt?

    en

    Ze weet een jas als jurk te dragen
    terwijl ze zit steunt ze
    op de neuzen van haar schoenen.

    Lindner en Baeke vormen elk afzonderlijk een waardevolle voortzetting van een lijn in het poëziefonds van de Bezige Bij die wel eens minder zichtbaar was maar gelukkig nooit verdween. De onderstroom die toch het hardst trekt.
    De dichters spreken over poëzie. Al lezend heb je nog nooit zo goed geluisterd.

    Vanaf donderdag 24 maart 2005 sprak Lindner met Baeke, en Baeke met Lindner op het oude Literair Nederland-forum.

    Erik Lindner: ‘Jan Baeke en ik wachten ons gesprek te beginnen tot er een vraag gesteld
    wordt waarop we kunnen inhaken. Aangezien deze dialoog al afgelopen donderdag zou starten, wil ik toch maar vast een schot voor de boeg lossen. Jan belooft er morgen op in te haken. 
    Een mogelijk onderwerp, zo schreef Jan me vandaag, is het aspect dat ik in nogal wat  gedichten een beeld ook in taal beeld wil laten zijn, het beschrijven in een vorm die zuiver beschrijven wil zijn en niet al in
    de beschrijving zelf de metaforische lading wil stoppen.
    Kan dat wel, een beeld in taal maken? We zien toch allemaal iets anders? En hoe zit dat met de beelden in de poëzie van Jan Baeke? Net tijdens het afwassen bedacht ik me dat die metaforische lading vaak voor mij reden kan zijn een beeld af te zweren. Zo loopt er bijvoorbeeld iedere avond een zwerver voor mijn huis langs, aan de overkant van de straat, over het trottoir en het fietspad langs het park. Het is een prototype van een zwerver, hij sleept een karretje achter zich aan waarop een aantal gevulde plastic tassen zijn
    gespannen, en hij draagt nog een volle plastic tas in zijn vrije hand. Hij heeft piekerig haar en een jezus-baard. En iedere keer als hij voor mijn ramen passeert en bij de lantarenpaal aankomt, begint hij
    daaromheen rondjes te lopen, soms drie keer, soms vijf keer, soms eenentwintig keer. En daarna loopt hij weer door. Vandaag zat ik met een aantal mensen in de hortus en we spraken over het park, en ik vertelde over de zwerver. Ik vertelde dat ik helemaal niet goed van die zwerver word maar toch, telkens als ik hem zie, voor het raam ga staan om naar zijn rondjes te kijken. Iemand in het gezelschap zei dat ik de zwerver te persoonlijk opvatte. Dat hij die rondjes niet voor mij maakt. Daar dacht ik over na tijdens het afwassen. Wat heb ik tegen die zwerver? Het beeld van de zwerver die rondjes loopt rond de lantarenpaal symboliseert op een mij te directe wijze de tijd. Het is de tijd die daar loopt. Hij verwijst naar de dood. Ik vind het een arm beeld. Ik wil niet dat hij in een gedicht terecht komt, hoe hardnekkig hij ook zijn best doet. Mij interesseren vooral beelden die niet direct een boodschap hebben, woorden die je iets doen zien zonder al te direct op een betekenis af te steven.  Ik schreef het in het nawoord van mijn tweede kleine bundeltje uit 1986.
    Als de metro gejaagdheid wil duiden, een bloemetjesbed geluk, dan word ik helemaal kriegel. Natuurlijk raken we nooit los van associaties. Maar hoe meer een beeld op zich staat, hoe persoonlijker onze
    associaties zouden kunnen worden.’

    Dag Erik en Jan, zal ik er een vraag aan vast haken. Waarom denken
    jullie dat jullie aan elkaar gekoppeld zijn? In hoeverre vinden jullie
    zelf dat er raakvlakken zijn tussen jullie poëzie of met andere
    woorden: als je de poëzie van de ander leest, denk je dan: die is aan
    mij verwant?
    coen

    Erik Lindner: ‘Coen, je vraag is groot. Mogelijk zou een hele dialoog een aantal verschillen en raakvlakken kunnen aangeven, en we staan aan het begin. Waarom wij aan elkaar gekoppeld zijn, is een vraag aan de
    redactie van Literair Nederland die ons hiertoe uitnodigde. Altijd als ik een gedicht van Jan lees denk ik natuurlijk: dit is een gedicht van Jan. Wij zijn wezenlijk andere dichters. En dat we elkaars werk
    geregeld eerder lezen dan de publicatie ervan, is ook iets dat niet ongebruikelijk is. Veel schrijvers doen dat onderling. De meesten lopen er alleen niet mee te koop. Doordat onze laatste bundels op dezelfde
    dag bij dezelfde uitgeverij verschenen, en het ook onze derde bundels betreft (als ik de kleine publikaties niet meetel), worden we nu even geregeld gekoppeld of vergeleken.
    Natuurlijk zijn er raakvlakken. Bepaalde fascinaties, bepaalde niet-Nederlandse auteurs die ons boeien
    en een dialoog over het schrijven die al 12 jaar duurt. En we zijn ook allebij lezers. Maar we hebben een stem die erg van elkaar verschilt.’

    Coen: ‘Dat betekent dat jullie elkaar in ieder geval erg in de gaten houden. Die ‘dialoog die al 12 jaar duurt’ wat houdt dat precies in. Becommentariëren jullie elkaars werk? Of juist helemaal niet?  En komt het ook wel eens voor dat je bij de ander een vondst vindt die jaloezie opwekt?’

    Jan Baeke: ‘Coen, Erik,
    De dialoog is mij al vooruit gesneld en slaat mogelijk meerdere wegen in. Ik wil de vragen van Coen niet uit de weg gaan. Waar de raakvlakken zitten en hoe een dialoog van jaren zich ontvouwt, ik kom er graag op terug. Maar eerst wil ik nog even naar de beginwoorden van Erik.
    Ik denk dat zowel jij, Erik, als ik proberen om onze poëzie te behoeden voor een te nadrukkelijk metaforisch effect. De neiging om beelden dienstbaar te maken aan het verlangen om te begrijpen is bij iedere lezer, geloof ik, toch al sterk. Niet verwonderlijk, hoe vaak proberen we niet aan een ander uit te leggen wat ons is overkomen, hoe mooi het landschap wel niet was waar we tijdens de vakantie op uitkeken en waarom die film zo’n enorme indruk heeft gemaakt. We beschrijven wat we zagen en hopen dat onze beschrijving verklaart wat voor betekenis die indrukken hebben gemaakt. Zo helpen de beschreven beelden ons om te begrijpen. Maar in de poëzie  zijn andere zaken aan de orde. Beelden die door het gedicht worden
    opgeroepen hoeven helemaal niet de bedoeling te hebben om iets uit te drukken wat buiten die beelden bestaat of in vergelijking tot die beelden kan worden begrepen. De beelden willen misschien wel gewoon het
    beeld zijn dat ze zijn.
    Ik geloof dat dit ook in jouw poëzie aan de hand is, Erik. Uit de woorden komt een beeld te voorschijn dat op de eerste plaats aanwezig is, en daar niet staat om iets buiten het beeld zelf te verduidelijken. Wel verduidelijken, maar niet persé buiten het beeld. Daar komt bij dat het beeld uit taal is opgetrokken en de taal, mits goed gebruikt, is nauwelijks te vertrouwen.

    de man die in gebarentaal sprak
    op het brede gedeelte van het gangpad
    klapte plotseling hard in zijn handen
    en ook toen hield ze niet op met lezen.

    Weggehouden
    van de neiging naar een werkelijkheid achter deze regels te zoeken (of
    daar juist een eigen werkelijkheid aan toevoegend) zou ik kunnen zeggen:

    Het klopt, maar niet omdat het waar is.

    Morgen nog eens nalezen en kijken of dit hout snijdt.  Dan ook verder met de vragen van Coen.

    Erik Lindner: ‘ Ik denk dat dit hout snijdt. Hoogstens bestaat het gevaar dat we teveel de indruk geven dat onze beelden en gedichten betekenisloos zijn. En dat zijn ze uiteindelijk niet. Het klopt, maar niet omdat het waar is, schrijf je in het gedicht met als titel ‘Dit hoeft geen stilte te betekenen.’ Op de pagina ernaast lees ik: Aan het strand dat in mij op kwam en vind ik een parallel met de regels: Ze zegt: mijn gedachten zijn een landschap/ Haar vingers trommelen op haar knie uit ‘Terug uit Acedia’.

    Tonnus Oosterhoff schreef in een kort antwoord op Yves T’Sjoen (opgenomen in het boek Stem- en tegenstem. Over poëzie en poëtica. Atlas 2004) over het verwijzen. Het standbeeld van een staatshoofd wordt verplaatst. Pas als het weer op zijn sokkel staat en de vinger naar de lucht wijst, liegt het.

    Ik denk dat we voorspelbare verwijzingen teniet willen doen, en dat doen we in de gedichten zelf. In Tong en trede maakte ik dat even expliciet: ik keer me tegen het dus-denken, tegen ‘het zal wel zo zijn’. En zo kiezen we beelden die laten zien dat de dingen anders kunnen zijn dan ze lijken. Niet om ze symbolisch te
    maken, maar om de deformaties af te leren die iedereen meekrijgt. Iedereen denkt natuurlijk geregeld ‘dus’. Ik ervaar schrijven vaak als de vraag stellen: ‘is dat wel zo?’ Vandaar dat het ook zo langzaam
    gaat. Omdat die vraag ook op de regels die ontstaan slaat. 

    Voor het programma ‘Nieuwe vormen’ tijdens Poetry 2001 bewerkte je een eigen gedicht via een methode van Stefan Themerson: vervang elk woord door de omschrijving in het woordenboek. Die methode moet via jouw aanpak meegespeeld hebben toen ik vorig jaar in Marseille aan ‘Terug uit Acedia’ werkte. Ik had geen zin om in dat vierluik het woord strand te gebruiken. Strand komt al veel voor in de vorige bundel, en ook in het tweeluik ‘Ostende’. Bovendien roept strand voor ons snel het beeld van zand op. Zo verving ik het woord strand door de regel Een zonnebril ligt opengeklapt op een handdoek.

    Nog
    iets over die ‘bedoeling’ van beelden. Kees Ouwens zei, ook in 2001,
    nogal geëmotioneerd: “er staat wel wat er staat”. Ik denk dat zijn
    agitatie sloeg op de moeilijkheid die veel lezers met betrekking tot
    zijn werk suggereren. De gedachte dat iedere dichtregel iets anders
    suggereert dan hij zegt. Wat veel lezers doet denken: ik zal het wel
    niet snappen. Om daarop te variëren: als ik over een boom schrijf dan
    heb ik het over een boom. 

    Tot slot: ‘Zover is het nog’. Ik vind dat een vrolijk gedicht. In de cursieven staan allemaal wonderlijke
    uitspraken over het spel van het voetbalelftal in Buitenveldert. Anton de Goede vroeg je hoe je er op kwam. Maar je hield voet bij stuk. Iedere schrijver die zich laat interviewen kan in de verleiding komen een kluifje te geven. “Ik wandelde door Buitenveldert en zag…” of “ik moest denken aan een voetbalcub” en de luisteraar denkt dan ja zo is het gegaan. Maar dat deed je niet. Je plaatste jezelf als maker buiten wat er in dat gedicht
    gebeurde. Je laatste woorden waren: “Wat dat voetbalelftal doet in die mist van Buitenveldert? Ik weet het niet.”

    Jan Baeke: ‘Erik,
    Je hebt gelijk om te stellen dat we voorspelbare verwijzingen teniet willen doen. Jij zoekt het evenmin als
    ik in vanzelfsprekendheden. Opschrijven wat we allemaal al weten, de gebeurtenissen of gemoedstoestanden zo herkenbaar mogelijk weergeven, ik geloof niet dat de taal mij toestaat dat te doen. Wat niet wil
    zeggen dat ik slechts daar kom waar de taal mij heen stuurt, ik ben geen slaaf van de taal, maar de taal brengt haar eigen nukken, neigingen en wetmatigheden met zich mee en die komen mij doodgemoedereerd wat voor de voeten lopen. Of ze staan er ineens, een paar onopgemerkt binnengekomen woorden, enkele eerder uit het oog verloren zinnen, een frase die in een mobiel telefoongesprek was besteld.

    Jouw gedichten hebben weet van dit effect van taal. De precisie die jij aanwent om een beeld in een gedicht op te richten ? jij doet dat vaak stap voor stap, van detail naar detail zodat ‘oprichten’ hier volgens mij wel op z’n plaats is ? geven ruimte aan de taal om haar eigen werking uit te spelen. Dat doet die taal niet onopgemerkt, je ziet het, je bent erbij, je laat het staan of schrapt het. Maar als je het laat staan, dan laat je ook de bijwerking van de taal staan. En die bijwerking is beweging. Vooral beweging in het hoofd van de lezer.

    Het raam maakt een kier
    en de tafel tot hier
    breekt
    op slag
    en de tafel is niet bij het raam
    maar hier naast me gaan staan
    [..]

    Dat het denkbaar is dat die beweeglijkheid bezit van je neemt en je besluiten een stap voor blijft bracht mij op het spoor van de verbindingskunstenaar. Als hij niet bestaat, dan heeft de taal hem uitgevonden.

    Een mens loopt al vaak kreupel

    Voor het hart daartoe noopt, mooi woord.
    Een verbindingskunstenaar heeft dan
    zijn touw paraat en knoopt, denkt na
    pitriet, ach ja en raffia ? de wereld buigt.

    Is het jou al eens opgevallen hoeveel geluid er in jouw poëzie zit? Daar kunnen we het misschien ook nog over hebben.

    Verder zal niet onbesproken blijven waar Coen op doelde. We hebben dacht ik zowel tijd als woorden voor meer dialoog in het verschiet.’

    Erik Lindner: ‘Dat zijn mooie formuleringen: woorden die onopgemerkt binnenkomen, zinnen eerder uit het oog verloren, een frase die in een mobiel telefoongesprek was besteld. Maar is het niet zo dat anderen die zinnen niet opmerkten of uit het oog verloren, maar jij ze wel opving en hun effect toont, door hoe en waar je ze neerzet? Veel in je poëzie lijkt op het eerste gezicht gewoon, maar al snel zie je: dit is helemaal niet
    gewoon, en bij herlezen groeien de mogelijkheden die je gedichten bieden. M., die jou niets zegt, vertelde me: de poëzie van Jan Baeke lijkt concreter, maar dat is die uiteindelijk niet. Het is fraai dat je het werkwoord bestellen gebruikt: in een telefoon wordt een fase besteld door de andere beller of door de wending van het gesprek, of misschien wel doordat het mobiele gesprek buiten wordt gevoerd en mensen bewust blijven dat onvrijwillige toehoorders langslopen. Jij was er een van.

    In ‘Dorpsgezangen’ uit je laatste bundel expliciteer je dit: ‘En het rechte pad?’ / ‘Dit dorp ligt niet zomaar aan een rivier.’  Het gedicht bestaat uit zeventien uitspraken van mensen die feitelijk helemaal niet door hebben wat ze eigenlijk zeggen. Jij hebt daar een scherp oor voor. In bijna alle gedichten toon je aan: mensen zeggen
    helemaal niet wat ze willen zeggen, wat ze bedoelen. Jouw gedichten duiden wat ze wel feitelijk zeggen, terwijl ze dat helemaal niet willen. Het geknoei van de sprekers komt natuurlijk ook door toehoorders die eerder naar een bedoeling luisteren dan naar de woorden. Intonatie, gesticulatie, blik, dat soort dingen. Ik overdrijf natuurlijk, maar is niet alles wat we stellen over gedichten een overdrijving van die gedichten? Ik herhaal om het duidelijk te maken, om een andere titel van je te parafraseren. Zo wil ik stellen dat jouw
    gedichten een lijn van het poëziefonds van De Bezige Bij in essentie toont. Martin Reints, F. van Dixhoorn, Mustafa Stitou, Alfred Schaffer, en ook de zestigers en natuurlijk Jules Deelder en Johnny van Doorn:
    hun materiaal is de spreektaal, de gewone, duidelijke taal. Geen academische taal, geen poëtische taal, nee, gewoon de spreektaal. Ik zou willen beweren dat jij die lijn, het gebruik van die spreektaal thematiseert, misschien zelfs problematiseert. Maar dat zou de indruk wekken dat je geen aansprekende gedichten maakt en dat is niet zo. Ze zijn aansprekend, en bij herlezing zie je op wat voor rare manier die zinnen eigenlijk spreken.

    We wekken hier mogelijk de indruk dat we altijd zo spreken, en dat is natuurlijk niet zo. Dit is een
    nabootsing. Onze dialoog buiten Literair Nederland bestaat uit mondelinge gesprekken. Gesprekken aan een tafel waarbij teksten op die tafel liggen. Als we reizen zetten die gesprekken zich niet op dezelfde
    manier schriftelijk voort. We spreken mondeling over ongebundelde gedichten, terwijl we hier te gast zijn om over gepubliceerde bundels te praten. Het lijkt nu even de sport om de sport om de kernvragen van
    Coen voor ons uit te stellen. Of we gedichten becommentariëren weet ik niet. We lezen het werk van de ander en zeggen: jij hebt dit en dat geschreven. En daarbij blijkt dat de intentie van de maker en de lezer
    kunnen verschillen. En zo behoeden we elkaar voor bijbetekenissen die we als maker niet willen. Natuurlijk kennen we elkaar en merken wat bij de ander werkt. Maar dat hoeft geen doorslag te geven voor een
    eindversie. Er zijn andere voorlezers en redacteuren van tijdschriften en van de uitgever. Coen spreekt van ‘in de gaten houden’. Mogelijk lieten we die vraag even in de koelkast omdat de terminologie een
    beetje op die van een politie-inspecteur lijkt (“we houden u in de gaten, mijnheer Peppelenbos!”). We houden natuurlijk veel andere dichters in de gaten. Maar misschien doelt Coen op de invloed die vanuit die dialoog ontstaat. Kunnen wij die vraag wel beantwoorden?’

    Jan Baeke: Erik,
    Wat jij over mijn poëzie zegt geldt ook in belangrijke mate voor jouw poëzie. Toch is onze poëzie niet hetzelfde. Er zijn kenmerken aan te wijzen die heel specifiek voor jouw werk gelden en andere die mijn werk meer bepalen. Je zegt dat veel in mijn poëzie op het eerste gezicht gewoon lijkt, maar dat ook al snel
    zichtbaar wordt dat het helemaal niet zo gewoon is. Hier tekent zich een overeenkomst af, maar wel met verschillende resultaten.

    In veel van jouw gedichten wordt heel goed zichtbaar hoe vreemd de wereld is, al laat dat vreemde zich niet direct en op een expliciete manier benoemen. In beide vorige bundels “Tramontane” en  “Tong en trede” zijn
    daar al de nodige voorbeelden van te vinden; in “Tafel” zet zich dat door. Ik heb daar eerder, buiten deze dialoog op Literair Nederland al eens iets over gezegd, maar het is waarschijnlijk niet bezwaarlijk om
    dat nog even naar voren te halen. In “Tijdelijke halte” uit “Tong en trede” wordt de lezer meegenomen op een wandeling door een volksbuurt, ergens in een stad. De beelden die daarbij worden opgeroepen zijn
    herkenbaar en vertrouwd, maar door de manier waarop ze worden geschetst en dankzij de taal waarin ze tot ons komen wordt duidelijk dat wat we zien helemaal niet zo gewoon is. Jij besluit die cyclus met het
    volgende gedicht:

    Het is niet waar
    je staat maar
    stil voor een ruit
    is de plaats haast af
    als kwam het beeld door
    dat je langskwam.
    Je moet koud zijn
    om iets te tonen
    in taal verklaar je
    het glas aan de straat
    de man en zijn papieren
    temperament.

    De werkelijkheid zoals die in de gedichten is opgeroepen verdwijnt ook weer in de woorden. Wat ons wordt getoond is niet alleen een beeld van een even onopvallende als suggestieve werkelijkheid, maar ook de manier waarop we naar dit soort beelden van de werkelijkheid kijken. En, hoe doorslaggevend de taal in deze is. Je laat zien hoe de taal de werkelijkheid ordent en tegelijkertijd ontregelt.

    In “Tafel” doe je dat misschien nog wel subtieler en niet minder indringend. Zoals in het drieluik “Naar Acedia” waar je in het eerste gedicht de volgende zinnen schrijft:

    Hij vraagt: is haar hand hier geweest?
    Hij neemt plaats op de staande koffer.

    Een hand brandt op haar onderbuik
    en een hand brandt boven

    de draaiende autoband in de zon.

    Of in het tweede gedicht van diezelfde cyclus:

    Niets ontgaat haar.
    Niemand ontgaat haar.
    Een theedoek zonder motief.
    Een brood zonder oven
    .

    In aansluiting op jouw constatering over een bepaalde (of juist “de”) poëzielijn van de Bezige Bij, valt vol te houden dat ook de andere dichters die jij noemt het ongewone van die alledaagse werkelijkheid
    tot onderwerp van hun schrijven maken. En dat ongewone openbaart zich onder andere in de schijnbaar gewone spreektaal. En in de details, die soms minuscule verschijnselen die eenmaal benoemd, beschreven en uit een groter geheel losgeweekt als fragmenten van die werkelijkheid voortbestaan. Het probleem van de samenhang (Is die er? Waar en hoe manifesteert die zich? Verzinnen wij dat of bestaat die ook zonder onze
    aanwezigheid, zonder onze gedachten, zonder onze theorieën) versus de gefragmenteerde werkelijkheid. Het vermoeden dat in de details meer essentie zit dan in de grotere gehelen, de dramatische totalen, de
    bovenmaatse samenlopen van omstandigheden.

    Misschien daarom ook dat jouw en mijn werk ook onderdak biedt aan al die efemere en onnadrukkelijke verschijnselen die wij om ons heen waarnemen of ons voor kunnen stellen, zodra we die verschijnselen toestaan zich in onze taal te nestelen. Voor mij raakt het aan de houding waarin Ponge zich een meester heeft getoond en wat door Calvino werd omschreven als: schrijven in een taal die uitgaat van de dingen om vervolgens bij ons terug te keren met al het menselijke dat wij in de dingen hebben gestopt. Daar raakt het aan; zo goed als Ponge is een ideaal dat moeilijk valt te benaderen.

    Heb ik nu ook iets gezegd over de verschillen in de manier waarop we met het ongewone van het alledaagse omgaan. Ik betwijfel het. Ook de overeenkomsten zijn niet afdoende benoemd. Ik sluit me aan bij jouw
    woorden: ik overdrijf natuurlijk, maar is niet alles wat we stellen over gedichten een overdrijving van die gedichten?

    De invloed die vanuit de dialoog ontstaat? Die is er, ongetwijfeld, en vermoedelijk op de manier die jij al benoemt: elkaar behoeden voor bijbetekenissen die we als maker niet willen. Maar bovenal is de
    dialoog er een die het ‘incident’ van het nieuwe gedicht relateert aan de ontwikkeling van een ‘oeuvre’. Waar zijn onze gedichten in onze gedichten, en vragen van gelijke strekking?

    Er valt nog een hoop te schrijven, te weten, te gissen…

    Erik Lindner: ‘Jan,
    Je legt inderdaad een genuanceerd verschil uit, die voortkomt uit een overeenkomst. Ook in jouw poëzie zijn er behalve uitspraken beelden, die herkenbaar zijn en ontsporen. Eerder, in Cambridge in het jaar 2000, toen we elkaar moesten aankondigen omdat we nu eenmaal meer van elkaar wisten dan de Engelse organisator,
    parafraseerde je K. Schippers. ‘Als je goed om je heen kijkt, zie je dat er niets klopt.’ Kloar juist een eigen werkelijkheid aan toevoegend) zou ik kunnen zeggen:

    Het klopt, maar niet omdat het waar is.

    Morgen nog eens nalezen en kijken of dit hout snijdt.  Dan ook verder met de vragen van Coen.

    Erik Lindner: ‘ Ik denk dat dit hout snijdt. Hoogstens bestaat het gevaar dat we teveel de indruk geven dat onze beelden en gedichten betekenisloos zijn. En dat zijn ze uiteindelijk niet. Het klopt, maar niet omdat het waar is, schrijf je in het gedicht met als titel ‘Dit hoeft geen stilte te betekenen.’ Op de pagina ernaast lees ik: Aan het strand dat in mij op kwam en vind ik een parallel met de regels: Ze zegt: mijn gedachten zijn een landschap/ Haar vingers trommelen op haar knie uit ‘Terug uit Acedia’.

    Tonnus Oosterhoff schreef in een kort antwoord op Yves T’Sjoen (opgenomen in het boek Stem- en tegenstem. Over poëzie en poëtica. Atlas 2004) over het verwijzen. Het standbeeld van een staatshoofd wordt verplaatst. Pas als het weer op zijn sokkel staat en de vinger naar de lucht wijst, liegt het.

    Ik denk dat we voorspelbare verwijzingen teniet willen doen, en dat doen we in de gedichten zelf. In Tong en trede maakte ik dat even expliciet: ik keer me tegen het dus-denken, tegen ‘het zal wel zo zijn’. En zo kiezen we beelden die laten zien dat de dingen anders kunnen zijn dan ze lijken. Niet om ze snoemen. Misschien is dat niet mijn vraag. Mij interesseert het begrip cinematografisch met betrekking tot de gedichten zelf. We hebben het over beelden gehad. Men zou (de overeenkomst in) ons werk wel als surrealistisch willen duiden, als bijvoeglijk naamwoord dan en niet  binnen de voorbije stroming. Maar de gedichten zijn niet metaforisch en gaan zelden van de droom uit. En er  duikt telkens het opnieuw het begrip taal op. Toch denk ik niet dat we ‘talige’ dichters in autonome zin zijn. Zoals ik het nu opschrijf, kan ik alleen maar ontkennen. Cinematografie lijkt een ander etiket, een beetje hip misschien. Maar ik moet zeggen dat ik in 1997 op het strand in de baai van San Sebastian iets in tekst wilde dat ik toen, daar ter
    plekke, letterlijk cinematografisch noemde. Ik zag de tong van de zee over een traptrede aan het strand spoelen. Indrukken kunnen zin geven om te schrijven.’

    Niet alleen je kennis van film en je werk bij het filmmuseum staven een wezenlijke band die je legt tussen tekst en cinema. Je gaf twee jaar terug Arjen Duinker, K. Schippers, Mustafa Stitou en mij de opdracht
    teksten bij zwijgende films te schrijven. Dat was een moeilijke maar spannende opdracht. Nieuwe teksten dienden een toevoeging op bestaand beeld te zijn. Het leverde K. Schippers een essay over À propos de Nice
    van Jean Vigo op. Mustafa schreef nieuwe gedichten. Ik hield er ook een paar aan het project over. En toch had het pr’. Ik vind dat een vrolijk gedicht. In de cursieven staan allemaal wonderlijke
    uitspraken over het spel van het voetbalelftal in Buitenveldert. Anton de Goede vroeg je hoe je er op kwam. Maar je hield voet bij stuk. Iedere schrijver die zich laat interviewen kan in de verleiding komen een kluifje te geven. “Ik wandelde door Buitenveldert en zag…” of “ik moest denken aan een voetbalcub” en de luisteraar denkt dan ja zo is het gegaan. Maar dat deed je niet. Je plaatste jezelf als maker buiten wat er in dat gedicht
    gebeurde. Je laatste woorden waren: “Wat dat voetbalelftal doet in die mist van Buitenveldert? Ik weet het niet.”

    Jan Baeke: ‘Erik,
    Je hebt gelijk om te stellen dat we voorspelbare verwijzingen teniet willen doen. Jij zoekt het evenmin als
    ik in vanzelfsprekendheden. Opschrijven wat we allemaal al weten, de gebeurtenissen of gemoedstoestanden zo herkenbaar mogelijk weergeven, ik geloof niet dat de taal mij toestaat dat te doen. Wat niet wil
    zeggen dat ik slechts daar kom waar de taal mij heen stuurt, ik ben geen slaaf van de taal, maar de taal brengt haar eigen nukken, neigingen en wetmatigheden met zich mee en die komen mij doodgemoedereerd wat voor de voeten lopen. Of ze staan er ineens, een paar onopgemerkt binnengekomen woorden, enkele eerder uit het oog verloren zinnen, een frase die in een mobiel telefoongesprek was besteld.

    Jouw gedichten hebben weet van dit effect van taal. De precisie die jij aanwent om een beeld in een gedicht op te richten ? jij doet dat vaak stap voor stap, van detail naar detail zodat ‘oprichten’ hier volgens mij wel op z’n plaats is ? geven ruimte aan de taal om haar eigen werking uit te spelen. Dat doet die taal niet onopgemerkt, je ziet het, je bent erbij, je laat het staan of schrapt het. Maar als je het laat staan, dan laat je ook de bijwerking van de taal staan. En die bijwerking is beweging. Vooral beweging in het hoofd van de lezer.

    Het raam maakt een kier
    en de tafel tot hier
    breekt
    op slag
    en de tafel is niet bij het raam
    maar hier naast me gaan staan
    [..]

    Dat het denkbaar is dat die beweeglijkheid bezit van je neemt en je besluiten een stap voor blijft bracht mij op het spoor van de verbindingskunstenaar. Als hij niet bestaat, dan heeft de taal hem uitgevonden.

    Een mens loopt al vaak kreupel

    Voor het hart daartoe noopt, mooi woord.
    Een verbindingskunstenaar heeft dan
    zijn touw paraat en knoopt, denkt na
    pitriet, ach ja en raffia ? de wereld buigt.

    Is het jou al eens opgevallen hoeveel geluid er in jouw poëzie zit? Daar kunnen we het misschien ook nog over hebben.

    Verder zal niet onbesproken blijven waar Coen op doelde. We hebben dacht ik zowel tijd als woorden voor meer dialoog in het verschiet.’

    Erik Lindner: ‘Dat zijn mooie formuleringen: woorden die onopgemerkt binnenkomen, zinnen eerder uit het oog verloren, een frase die in een mobiel telefoongesprek was besteld. Maar is het niet zo dat anderen die zinnen niet opmerkten of uit het oog verloren, maar jij ze wel opving en hun effect toont, door hoe en waar je ze neerzet? Veel in je poëzie lijkt op het eerste gezicht gewoon, maar al snel zie je: dit is helemaal niet
    gewoon, en bij herlezen groeien de mogelijkheden die je gedichten bieden. M., die jou niets zegt, vertelde me: de poëzie van Jan Baeke lijkt concreter, maar dat is die uiteindelijk niet. Het is fraai dat je het werkwoord bestellen gebruikt: in een telefoon wordt een fase besteld door de andere beller of door de wending van het gesprek, of misschien wel doordat het mobiele gesprek buiten wordt gevoerd en mensen bewust blijven dat onvrijwillige toehoorders langslopen. Jij was er een van.

    In ‘Dorpsgezangen’ uit je laatste bundel expliciteer je dit: ‘En het rechte pad?’ / ‘Dit dorp ligt niet zomaar aan een rivier.’  Het gedicht bestaat uit zeventien uitspraken van mensen die feitelijk helemaal niet door hebben wat ze eigenlijk zeggen. Jij hebt daar een scherp oor voor. In bijna alle gedichtenlanger beschikbare tijdelijke verblijfplaats gaat inrichten en dat ik nogal ondergedompeld was (en nog ben) in de Filmmuseum Biënnale, een festival met stille film en nieuwe muziek, in Amsterdam. Zo eenvoudig kan vertraging ook zijn.

    De concentratie die in het begrip acedia tot uitdrukking wordt gebracht is interessant in het licht van waar we het eerder over hadden: de metaforische (bij)betekenis die beelden kunnen hebben. Het oproepen van beelden die zichzelf uitdrukken en niet iets wat buiten dat beeld bestaat, het uitsluiten van voorspelbare
    verwijzingen, dit vraagt een vorm van haast acedische concentratie. De beelden gaan waarschijnlijk ook over concentratie. Precisie, laten zien wat precisie is, niet alleen in het waarnemen, niet alleen in het
    beschrijven, niet alleen in het gebruik van de taal ? dat natuurlijk wel op de eerste plaats, we zijn immers dichters ? maar ook precisie in wat de beelden en de omschrijvingen zijn. Laten zien met welke precisie
    een steen steen is, een huis een huis, een mond een mond, een handgebaar eeb handgebaar. Het is immers poëzie en er is geen exactere vorm van schrijven dan het schrijven van poëzie.
    [wordt vervolgd]

    Erik Lindner: ‘Beste Jan,
    Jouw bundel opent met deze strofe:
     
    Geen geluid. Geen enkel geluid.
    Er was iets in het mechaniek verschoven
    waardoor de hond niet begon te blaffen.

    Hier gebeurt iets wel en iets niet. Er wiggen. Als we reizen zetten die gesprekken zich niet op dezelfde
    manier schriftelijk voort. We spreken mondeling over ongebundelde gedichten, terwijl we hier te gast zijn om over gepubliceerde bundels te praten. Het lijkt nu even de sport om de sport om de kernvragen van
    Coen voor ons uit te stellen. Of we gedichten becommentariëren weet ik niet. We lezen het werk van de ander en zeggen: jij hebt dit en dat geschreven. En daarbij blijkt dat de intentie van de maker en de lezer
    kunnen verschillen. En zo behoeden we elkaar voor bijbetekenissen die we als maker niet willen. Natuurlijk kennen we elkaar en merken wat bij de ander werkt. Maar dat hoeft geen doorslag te geven voor een
    eindversie. Er zijn andere voorlezers en redacteuren van tijdschriften en van de uitgever. Coen spreekt van ‘in de gaten houden’. Mogelijk lieten we die vraag even in de koelkast omdat de terminologie een
    beetje op die van een politie-inspecteur lijkt (“we houden u in de gaten, mijnheer Peppelenbos!”). We houden natuurlijk veel andere dichters in de gaten. Maar misschien doelt Coen op de invloed die vanuit die dialoog ontstaat. Kunnen wij die vraag wel beantwoorden?’

    Jan Baeke: Erik,
    Wat jij over mijn poëzie zegt geldt ook in belangrijke mate voor jouw poëzie. Toch is onze poëzie niet hetzelfde. Er zijn kenmerken aan te wijzen die heel specifiek voor jouw werk gelden en andere die mijn werk meer bepalen. Je zegt dat veel in mijn poëzie op het eerste gezicht gewoon lijkt, maar dat ook al snel
    zichtbaar wordt dat het helemaal niet zo gewoon is. Hier tekent zich een overeenkomst af, maar wel met verschillende resultaten.

    In veel van jouw gedichten wordt heel goed zichtbaar hoe vreemd de wereld is, al laat dat vreemde zich niet direct en op een expliciete manier benoemen. In beide vorige bundels “Tramontane” en  “Tong en trede” zijn
    daar al de nodige voorbeelden van te vinden; in “Tafel” zet zich dat door. Ik heb daar eerder, buiten deze dialoog op Literair Nederland al eens iets over gezegd, maar het is waarschijnlijk niet bezwaarlijk om
    dat nog even naar voren te halen. In “Tijdelijke halte” uit “Tong en trede” wordt de lezer meegenomen op een wandeling door een volksbuurt, ergens in een stad. De beelden die daarbij worden opgeroepen zijn
    herkenbaar en vertrouwd, maar door de manier waarop ze worden geschetst en dankzij de taal waarin ze tot ons komen wordt duidelijk dat wat we zien helemaal niet zo gewoon is. Jij besluit die cyclus met het
    volgende gedicht:

    Het is niet waar
    je staat maar
    stil voor een ruit
    is de plaats haast af
    als kwam het beeld door
    dat je langskwam.
    Je moet koud zijn
    om iets te tonen
    in taal verklaar je
    het glas aan de straat
    de man en zijn papieren
    temperament.

    De werkelijkheid zoals die in de gedichten is opgeroepen verdwijnt ook weer in de woorden. Wat ons wordt getoond is niet alleen een beeld van een even onopvallende als suggestieve werkelijkheid, maar ook de manier waarop we naar dit soort beelden van de werkelijkheid kijken. En, hoe doorslaggevend de taal in deze is. Je laat zien hoe de taal de werkelijkheid ordent en tegelijkertijd ontregelt.

    In “Tafel” doe je dat misschien nog wel subtieler en niet minder indringend. Zoals in het drieluik “Naar Acedia” waar je in het eerste gedicht de volgende zinnen schrijft:

    Hij vraagt: is haar hand hier geweest?
    Hij neemt plaats op de staande koffer.

    Een hand brandt op haar onderbuik
    en een hand brandt boven

    de draaiende autoband in de zon.

    Of in het tweede gedicht van diezelfde cyclus:

    Niets ontgaat haar.
    Niemand ontgaat haar.
    Een theedoek zonder motief.
    Een brood zonder oven
    .

    In aansluiting op jouw constatering over een bepaalde (of juist “de”) poëzielijn van de Bezige Bij, valt vol te houden dat ook de andere dichters die jij noemt het ongewone van die alledaagse werkelijkheid
    tot onderwerp van hun schrijven maken. En dat ongewone openbaart zich onder andere in de schijnbaar gewone spreektaal. En in de details, die soms minuscule verschijnselen die eenmaal benoemd, beschreven en uit een groter geheel losgeweekt als fragmenten van die werkelijkheid voortbestaan. Het probleem van de samenhang (Is die er? Waar en hoe manifesteert die zich? Verzinnen wij dat of bestaat die ook zonder onze
    aanwezigheid, zonder onze gedachten, zonder onze theorieën) versus de gefragmenteerde werkelijkheid. Het vermoeden dat in de details meer essentie zit dan in de grotere gehelen, de dramatische totalen, de
    bovenmaatse samenlopen van omstandigheden.

    Misschien daarom ook dat jouw en mijn werk ook onderdak biedt aan al die efemere en onnadrukkelijke verschijnselen die wij om ons heen waarnemen of ons voor kunnen stellen, zodra we die verschijnselen toestaan zich in onze taal te nestelen. Voor mij raakt het aan de houding waarin Ponge zich een meester heeft getoond en wat door Calvino werd omschreven als: schrijven in een taal die uitgaat van de dingen om vervolgens bij ons terug te keren met al het menselijke dat wij in de dingen hebben gestopt. Daar raakt het aan; zo goed als Ponge is een ideaal dat moeilijk valt te benaderen.

    Heb ik nu ook iets gezegd over de verschillen in de manier waarop we met het ongewone van het alledaagse omgaan. Ik betwijfel het. Ook de overeenkomsten zijn niet afdoende benoemd. Ik sluit me aan bij jouw
    woorden: ik overdrijf natuurlijk, maar is niet alles wat we stellen over gedichten een overdrijving van die gedichten?

    De invloed die vanuit de dialoog ontstaat? Die is er, ongetwijfeld, en vermoedelijk op de manier die jij al benoemt: elkaar behoeden voor bijbetekenissen die we als maker niet willen. Maar bovenal is de
    dialoog er een die het ‘incidenten willen misschien wel gewoon het
    beeld zijn dat ze zijn.
    Ik geloof dat dit ook in jouw poëzie aan de hand is, Erik. Uit de woorden komt een beeld te voorschijn dat op de eerste plaats aanwezig is, en daar niet staat om iets buiten het beeld zelf te verduidelijken. Wel verduidelijken, maar niet persé buiten het beeld. Daar komt bij dat het beeld uit taal is opgetrokken en de taal, mits goed gebruikt, is nauwelijks te vertrouwen.

    de man die in gebarentaal sprak
    op het brede gedeelte van het gangpad
    klapte plotseling hard in zijn handen
    en ook toen hield ze niet op met lezen.

    Weggehouden
    van de neiging naar een werkelijkheid achter deze regels te zoeken (of
    daar juist een eigen werkelijkheid aan toevoegend) zou ik kunnen zeggen:

    Het klopt, maar niet omdat het waar is.

    Morgen nog eens nalezen en kijken of dit hout snijdt.  Dan ook verder met de vragen van Coen.

    Erik Lindner: ‘ Ik denk dat dit hout snijdt. Hoogstens bestaat het gevaar dat we teveel de indruk geven dat onze beelden en gedichten betekenisloos zijn. En dat zijn ze uiteindelijk niet. Het klopt, maar niet omdat het waar is, schrijf je in het gedicht met als titel ‘Dit hoeft geen stilte te betekenen.’ Op de pagina ernaast lees ik: Aan het strand dat in mij op kwam en vind ik een parallel met de regels: Ze zegt van voormalige medewerkers en anderen die hem
    hadden gekend. Een leuke schijn van eenheid? Het was film, geen poëzie
    ? ik hou de termen graag uit elkaar ? maar de verwantschap in
    werkwijze, in effect, in de structurerende werking van bepaalde
    opeenvolgingen was evident.

    Dit keer geen Oostende, Katendrecht, Nice of Figuig, maar ik meen dit ook gezien te hebben:

    […]
    een roeiboot gewoon een roeiboot drijft rond als wijzer
    honden liggen op hun zij de kop op het wegdek bek open
    de ogen spleetjes de tong om de neus
    […]

    Er zit iets lastigs in het aanwijzen of benoemen van een eventueel
    keerpunt in je eigen werk. Dan zou je ook moeten kunnen aanwijzen
    waarin het constante zich openbaart of tenminste waarom het
    verdedigbaar is om de gedichten voor dat keerpunt als zodanig te
    duiden. Maar ik snap je punt en weet (gewoonlijk slechts achteraf) in
    welke gedichten iets gebeurt dat doorwerkt in andere gedichten, dat een
    verandering lijkt in te luiden. Het is meer dat ik me bij het nadenken
    over het begrip keerpunt eens te meer bewust werd van de onmogelijkheid
    je eigen werk echt goed te duiden.

    Er valt zeker het nodige aan te wijzen. De paardengedichten waren cruciaal om tot
    mijn eerste bundel te kunnen komen. En inderdaad, jij weet dat, je las
    dat met mij mee, Wie treft een steen uit Zo is de zee is ook een belangrijke schakel. Maar misschien nog meer voor het boek  waaraan ik nu zit te werken dan voor Iedereen is er.

    Ik kom er nog op terug. En op het geluid in de poëzie, al gaat dat met die
    beloofde aandacht in stilte steeds oorverdovender willen zijn, vrees ik.

    Het citaat van Anneke kwam uit haar prozaboek Hapschaar(hoofdstuk 15 Algemene beschouwingen).

    Wallace Stevens, een van de groten die afkomstig is van het continent waar jij nu verblijft, wist zich binnen zijn The man with the blue guitar zo over poëzie uit te spreken:

    Poetry is the subject of the poem,
    From this the poem issues and

    To this returns. Between the two,
    Between issue and return, there is

    an absence in reality,
    Things as they are. Or so we say.

    Erik Lindner: Beste Jan,
    Vaak neem ik de penguin-pocket van Wallace Stevens
    mee als ik op reis ga, maar dit keer niet. Dus vergeef me dat ik de
    afbrekingen niet kan plaatsen terwijl ik inhaak op je citaat. Tegen de
    man met de blauwe gitaar wordt gezegd: “You have a blue guitar. You do
    not say things as they are.” Waarop hij antwoordt: “things as they are
    are tuned upon the blue guitar.” Ik weet uit mijn hoofd niet of het
    ‘changed’ of ‘tuned’ is, maar daarmee is genoeg gezegd over de dichter
    die de waarheid zou liegen. Er is een ander gedicht van Stevens, “Less
    and less human, O savage spirit”, dat me sterk bijblijft. Als er een
    geest in het huis is, als het zo is dat er een moet zijn, laat het er
    dan een zijn die ons niet hoort als we spreken. Een koelte, een
    windvlaag, “a nothingness”. Iets dat beweegt zoals het zonlicht uit het
    citaat van Anneke Brassinga. Veel studenten aan het Colofon, aan de
    Rietveld en aan de AKI in Enschede verwarren in het begin poëzie met
    esoterie, met iets dat ze niet kunnen benoemen. Daartegenover kan ik
    als docent alleen techniek stellen, kijken naar hoe iets gemaakt is. Ik
    hou van de agnostiek van Stevens, omdat die een concrete kant heeft en
    beeldend is. En uitdagend. In haar laatste essaybundel Het zere been schrijft Anneke dat poëzie natuurlijk niet te vertalen is, en dat alleen al voldoende motivatie is om het te doen.

    Natuurlijk is Stevens bekend en wordt met recht een van de groten genoemd. En
    tegelijkertijd is iets dat jou typeert, en dat in zekere zin ook onze
    dialoog kenmerkt, het feit dat je altijd op eigen wijze van alles aan
    het verkennen en het ontdekken bent. Het viel me al op toen ik je rond
    1993 in Den Haag leerde kennen. Als jij reist ga je altijd ergens een
    boekhandel in en bent een paar uur bezig voor de poëziekast, je komt
    terug met een paar bundels van auteurs die niemand hier wat zegt. Los
    van alle stromingen, los van tijdschriften of faculteiten, ben je zo
    een eigen weg aan het ontginnen. Dat die weg internationaal is, lijkt
    me een belangrijke invloed. Het voedt je en maakt je werk rijk en soms
    voor Nederlandse critici niet direct plaatsbaar en indeelbaar. Ik
    fantaseer er vaker over dat we een keer een boek zouden samenstellen
    met allemaal rare, pakkende teksten die we overal vandaan plukken. Het
    zou onze enigszins ongrijpbare referenties kunnen tonen en tegelijk een
    malle, levendige verzameling zijn. Natuurlijk is poëzie de taal waarin
    je schrijft, natuurlijk zijn ook wij primair gebonden aan de taal
    waarin wij communiceren, en ook waar het tot publicatie aankomt hebben
    we van doen met een Nederlandse omgeving.

    Op het moment dat ik uit Nederland vertrekt, activeert zich een
    uitwisseling met allemaal mensen die op dat moment elders zijn, maar
    niet noodzakelijk in het gebied waar hun taal wordt gesproken. Andrea
    Raos uit Italië, Nicholaj Stochholm uit Kopenhagen, Peter Gizzi uit de
    Verenigde Staten, Gozo Yoshimasu uit Tokyo, en een aantal Fransen die
    Éric heten. Om met hen te communiceren zijn er vertalingen nodig,
    stappen, maar die komen en gaan vrij vloeiend. Ik ervaar het als een
    verdubbeling, een verrijking. De talige barrières willen niet altijd
    betekenen dat de overeenkomsten en herkenning onmogelijk is. Ik zie de
    verschillende tradities waar ze in hun eigen taal mee van doen hebben.
    En toch is er een element in ieders poëzie die zich ook weer tegen die
    traditie keert, of er van afwijkt. En er is een aftastende bewustheid
    van de tijd, die soms op gespannen voet staat met tradities, maar juist
    in internationale situatie ? van buitenaf bezien ? opvalt. Dat gaat
    niet over wat hip is, wel over wat leeft en speelt en hoe dat in
    gedichten terug kan keren.

    Koen  Vergeer omschreef je op basis van je eerste bundel als lyricus. Daar
    geloof ik wel in. Onder je bewustzijn wat taal doet schuilt nog steeds
    die lyricus. In ‘Het zwart van de weg’ komt de maan terug, die al in je
    tweede bundel opdook. Dat is nogal wat, een dichter die met de maan aan
    de haal gaat. Maar je weet in beide bundels de maan van zijn poëtische
    clichés te ontdoen, het beeld te herscheppen. Of, misschien wel, die
    clichés te incorporeren in gedichten die verre van clichématig zijn.
    Zoals in dit citaat:

    Door het licht gebonden
    het denderen van de vracht
    op weg naar landen die de vracht ontvangen

    die ook
    uit de juiste taal bevrijd
    de maan ontvangen.

    Jan Beake: ‘Zo moeten ook andere dichters het zien: niet hetzelfde beeld, niet in
    een samenhang die om dezelfde woorden, hetzelfde ritme vraagt, maar wel
    met dezelfde onafwendbaarheid, als het raadsel van het moment in het
    raadsel van de taal ondergebracht. Op het duizelingwekkende af, zoals
    Ken Babstock schreef

    …and by now the frost has snapped like
    a trap on his tongue so there’s no saying
    why or even I love you. Nothing left but
    to chew it. Shadows growing long and a glint 

    in the open eye, haemorrhaging light into
    the dusk, quick, dalliance of motion, now ?

    Dit interview dat geen interview wilde worden, maar een publiek te volgen
    briefwisseling werd (een andere rubriek op de site?) die zich ook niet
    als een briefwisseling wil gedragen, of dat wel wil, maar daarvoor niet
    de juiste houding ? of is het de juiste volhardendheid? ? weet te
    vinden. En dan ook nog eens van die redeneringen die zich op weg naar
    een conclusie graag verkleden als heel andere beweringen. Vervreemding
    kan dat onverwachte onafwendbaar heldere toeval zijn, maar het is
    evengoed een daad van bewustzijn en overgave.

    De briefwisseling indachtig is het denkbaar de verschillende onderwerpen
    zo te verbinden dat ze alle naar enkele conclusies leiden. Er tekenen
    zich relaties af tussen het idee van hoe een beeld zich schrijft en
    waar de betekenis zich dan bevindt, hoe de taal met de werkelijkheid
    omgaat, hoe het schrijven cinematografisch uitpakt. Maar het geluid
    dan? Het hiervoor  geciteerde gedicht maakt al wat duidelijk. En dan is
    er ook nog iets voor te zeggen om het te hebben over de subtiele manier
    waarop jouw poëzie het bestaan van een keuze expliciteert.

    Ze is daar waar zij hem heeft gezien.
    (Zijdelings een oogopslag
    in de tegengestelde rijrichting.)

    Erik, Ik kan me voorstellen dat je daar in Canada al heel wat moet hebben gezien en gehoord dat getuigt
    van wat jij noemde ‘een aftastende bewustheid van de tijd’; een (even aftastend) besef van wat er leeft en speelt in de wereld, die van de poëzie en die van de alledaagse gedragingen en gewoonten. Ik ben
    benieuwd of je dichters hebt ontmoet die op een vergelijkbare manier naar de werkelijkheid kijken en dezelfde opvallende mechanismen, causaliteiten en toevalligheden waarnemen als jij doet. Jij suggereerde
    het al, ik trek die gedachte even door: er zijn ongetwijfeld verwantschappen, ook thematische tussen dichters uit diverse landen en culturen. 

    Weten bovenal een vreemde te zijn in de werkelijkheid die je aanwezigheid duldt, zoeken naar geschikte
    formuleringen tussen alle woorden en zinswendingen die bij de bakker, in de supermarkt of in een wetenschappelijk discours vanzelfsprekend zijn, het beeld trachten te vangen dat betekenis uitdrukt al valt
    datgene waarvan het de betekenis uitdrukt niet te parafraseren; deze omstandigheden moeten voor meerdere dichters realiteit zijn. Het is een soort universele vervreemding die altijd actueel en modern is. En die
    treffend verwoord is in het titelloze gedicht uit Tafel dat een even terloopse als reële werkelijkheid in het volle licht plaatst:

    Dan klinkt tik door tot in je rug
    geleund tegen een transformatorkast
    en tussen straatlantaarns gaan de lampen aan

    op het plein
    hangt in de boom een step
    zwaaiend

    voor de vensters van het gasthuis
    is parijs het grijs dat oplicht in de nacht

    je mond het mikpunt van de wind
    stuurt het suizen van aas naar oos

    en terug, de hoeken in.

    Erik Lindner: Beste Jan,  
    Nu ben ik het die onze briefwisseling enigszins zijn gestage volharding ontneemt.
    Jij bent in Frankrijk, of net weer terug in Amsterdam, ik terug uit Ottawa in
    Montréal. Het regent in Quebec. Ik zit in een internetcafé waar de
    radio Abba draait. Ook dit lijkt even geen toeval, Abba in Canada, in
    dit Siberisch-Scandinavisch reservaat, terwijl de mensen met paraplu’s
    die buiten langslopen in een van die luttele maanden dat het hier niet
    vriest of sneeuwt. Iets toe te voegen op een website is bijna een
    onwerkelijkheid: stel jij zit in Nice en ik in Montréal, wat is dit
    dan, dit Literair Nederland, een kluwen glasvezelkabels onder of boven
    een bepaald taalgebied?

    Wat we hier doen is een reconstructie van onze dialoog, een weerslag van
    hoe we met elkaar omgaan. We zijn bewust dat we reconstrueren: we proberen dat
    onheilspellende ‘iets’ telkens anders te duiden. Een toevallige
    bezoeker van deze dialoog zal vooral opvallen hoe ontstellend aardig we
    op elkaar en elkanders werk reageren, een aardigheid die al jaren om
    ons heen hangt. Volgens mij is dat een keuze: we hebben zolang geleden
    besloten dat werk vriendelijk te begeleiden, het te stimuleren en soms
    te bekritiseren. Ik geloof dat zoiets vriendschap heet. Coen vroeg ons
    aan het begin van deze dialoog hoe het dan zat met de jalousie de
    métier. Ik denk dat hij, eveneens andere literatoren die vaak aan
    websites bijdragen, er goed aandoen het gedicht ‘Concurrentie’ uit je
    debuut op te zoeken. Je zou het gedicht kunnen lezen als de monoloog
    van de ene afdelingschef tegen de andere, maar net zo goed, in een wat
    meer irreële en humoristische situatie, als de verhouding tussen twee
    schrijvers. Je gedicht werkt ontwapenend, je benoemt iets dat op de
    achtergrond mee kan spelen. In ieder geval is het ons het laatste
    decennium drie of vier keer voorgekomen dat de een de ander een nieuwe
    tekst liet zien, en de ander zei: daar ben ik jaloers op, op die
    wending, en de lach die daarop van beiden kanten volgde was ruiterlijk.
    Ik kan en wil het allerminst problematisch duiden. Zolang we naar
    teksten kijken is er alleen de reactie op de tekst. Zolang mensen niet
    naar de gedichten kijken maar alles daaromheen (wat opvallend vaak op
    internet gebeurt, enkele gunstige uitzonderingen als de website www.tonnusoosterhoff.nl
    en de essays van Rutger Cornets de Groot daargelaten), voegt poëzie
    zich in iets wat zij niet in essentie is, met alle nummeringen en
    absurde classificaties van dien.

    Aardigheid kan op een uiterlijk niveau iets ijzigs hebben, zoals de
    hypercorrecte Britse beleefdheid vijandig over kan komen. Maar wie
    geduld heeft komt ook middels aardigheid op essentiële zaken die
    polemiek soms te grof en ondoordacht, in ieder geval te snel wil tonen.
    Wat mij betreft raak je in je vorige bijdrage behoorlijk een essentie,
    ook al moet je je behelpen met termen als bevreemding die je eerder,
    toen we het interviewprogramma Discorso samenstelden, afzwoor. Het
    raadsel van het moment is niet alleen het toeval, het is niet alleen
    datgene dat gebeurt op een moment, het is ook het raadsel dat wij er
    getuige van zijn. Gisteren liep ik door een buitenwijk van Montréal, de
    “East end” die iets weg heeft van Enschede, zoals de “West end” me aan
    Manchester herinnert. Buitenwijken zijn vaker uniform. In een auto
    sliep iemand met een telefoon in haar hand op schoot, voorbij
    sportvelden zag ik de achterkant van een kerk. Ik kan niet zeggen dat
    er iets noemenswaardig gebeurde. Toch heeft dit moment te maken met een
    te schrijven gedicht, ik wist het toen ik er liep, ik zet een klik op
    dat moment zodat ik later, als ik schrijf, me dat weer voor de geest
    kan halen: die vrouw in die auto, dat sportveld en die kerk. Voor deze
    discussie is misschien belangrijker of het beeld doorkwam [om]dat ik
    langsliep. Ook een observant is een indringer in zijn observatie. De
    non-existentiële hang om onzichtbaar te noteren is gepasseerde
    romantiek. We kunnen niet om onszelf heen met al onze bagage die daar
    een beetje onze eigen indrukken staat te verstoren. Wat mij betreft is
    het laveren tussen lyriek en registratie. Zo lyrisch als jij het woord
    ‘zover’ tot dichtregel kan verheffen (in ‘Zover de maan’ uit Zo is de zee)
    en dat ene woordje een dramatische lading krijgt. Of, in het citaat uit
    ‘Het lied van de weg’ uit je nieuwe bundel dat ik eerder aanhaalde, de
    woorden ‘zoals ook’. Dat is misschien techniek, maar ik vind dat
    weergaloos, dat twee van die droge woorden muziek worden.

    Hoe een beeld zich schrijft en waar de betekenis zich dan bevindt, dat
    schrijf je. Dat lijkt me essentieel. Sinds het essay van De Roder lijkt
    de betekenis een beetje een stiefkind. En toch is die er in
    verschillende gedaanten, alleen zijn dichters veel te overbewust en
    daarmee voorzichtig om die te duiden. Als de dichter het zelf gaat
    uitleggen zal het wel waar zijn, is de grote angst, en daarmee perkt de
    dichter zijn gedicht in, en dat moeten we natuurlijk niet hebben. Ik
    moet denken aan die regel van Arjen Duinker: “Sinaasappels zijn
    krankzinnig.” Dat vind ik een treffende regel, sinaasappels zijn
    inderdaad idiote dingen, die komen uit de natuur voort en zijn zo
    fluorescerend als het maar kan, knaloranje, rond en met een ganzenhuid
    alsof ze in hoge mate kippenvel hebben. Als je een sinaasappel
    openbreekt wordt het allemaal nog krankzinniger. Maar in hetzelfde
    gedicht van Duinker staat die regel: “De zon schijnt met betekenis.” Ik
    kan me daar wel een bepaalde lichtval bij voorstellen, maar ik vroeg
    Arjen ooit: wat betekent dat woord betekenis? Zijn reactie was logisch:
    heejuh Lindner we gaan niet moeilijk doen hè. De duiding betekenis is
    problematisch, of gevaarlijk.

    Jij verbond gedichten aan wetenschappers, in je tweede bundel. Niet dat
    die gedichten eenduidig zijn, allerminst, maar ze bevatten een
    betekenisvol verband tussen de wet die naar hun vernoemd is en het
    gedicht. Een gedicht begreep ik aanvankelijk niet, en juist dat is me
    zeer dierbaar; als een boek valt kunnen de letters naar boven of naar
    beneden liggen. In ‘Een warme dag in de vuurtoren’, het grote gedicht
    dat je laatste bundel afsluit, vermeng je herinnering met fictie, op
    een verhalende manier verbind je de adolescentie met beelden en
    referenties. Later haal je Tjechov aan, zoals je eerder Kästner
    aanhaalde, alsof we geen gedicht maar een referaat lezen.

    Geen kinderen om iemand in te bewaren.
    Geen schriften om goedkope honger in te schetsen.

     Een snel uitdunnend huis met krimpende ouders
    (…)
     
    Het regent hier nog steeds en Abba is vervangen door allemaal coverversies
    uit de hitparade gezongen door een stem die het midden houdt tussen
    Donald Duck en Calimero. De man die koffie schenkt begint plotseling
    tegen me over Marseille te praten, waar zijn vader woont. Of Marseille
    dichtbij is voor de Québécoise die zo graag tegen Frankrijk aanschurken
    weet ik niet. Ik hou van steden met een berg erin, San Sebastian,
    Llandudno in Wales, Montréal en vroeger van Buda, de tegenhanger van
    Pest, en van Barcelona. Die steden zijn onpraktisch en onlogisch. En
    toch zijn er mensen gewend. Zoals hier de talloze eekhorens in de
    parken als ratten worden gezien, ze verspreiden asfalt en ziektes. Maar
    ik kan niet helpen me met ze te amuseren, als met die zeldzame eekhoorn
    in het Haagse bos. Ik loop in gedachten langs een boom en daar klautert
    er een om de stam heen en kijkt me recht in de ogen. Ik had het zojuist
    over polemiek, die dingen scherp kan stellen. In 1995 maakte ik samen
    met Pieter Boskma een boek over 12 steden, hij in gedichten, ik in
    kleine essays die hij “journalistieke stukjes” noemde. Toen het boek af
    was stonden we tegen elkaar te gillen in zijn keuken: “je moet de lezer
    niet onderschatten, Pieter” en “Maar je moet de lezer zeker niet
    overschatten, Erik”. Daarmee was ons verschil geduid, en dat heeft me
    zeer geholpen, een jaar later zou ik debuteren. (Er vallen op dit
    moment in het koffiehuis 20 asbakken van een schaal en alleen het
    Chinese meisje dat in haar reader zit te strepen kijkt niet op.)  Ik
    schrijf dit mede omdat tijdens de etappe Alphen aan de Rijn een meisje
    met hem meereisde dat tegen ons zei: “Er is al zoveel taal.” Dat is een
    mooie confronterende uitspraak voor twee auteurs die in twaalf dagen
    twaalf steden moeten beschrijven. Aan die uitspraak moet ik denken als
    ik jouw gedicht ‘Dit hoeft geen stilte te betekenen’ opsla, en als ik
    aansluitend je gedicht ‘Bewijzen’ lees:

    Ik heb een schroevendraaier
    die niet wil begrijpen, die gemaakt is
    voor mijn had
    die evenmin begrijpen wil.

    En verderop:
    Het is juli. Ik noem lengte en breedte.
    Dit is een gedicht over het succes
    van sprakeloosheid.

    Jan Baeke: ‘Beste Erik,
    Het is interessant wat jij zegt over het registreren van situaties waarin
    haast niets ofniets noemenswaardig gebeurt, maar die toch beelden bevatten
    die te maken hebben met een te schrijven gedicht. Althans je legt de
    observaties van dat moment vast in je geheugen, om ze later voor de
    geest te kunnen halen. En ik denk inderdaad dat wat jij zegt over de
    beelden die doorkomen omdat je langsliep essentieel is. Het gaat niet
    alleen om de beelden op zichzelf, niet in jouw poëzie tenminste en niet
    in de mijne. De waarnemer zelf is ook een belangrijke factor; de
    observant is een indringer in zijn observatie. Dat bewustzijn spreekt
    duidelijk uit jouw werk. Het laat zich vaak niet eens op zinniveau
    aanwijzen, maar in de manier waarop het beeld wordt opgebouwd lees je
    dat het beeld dat je als lezer te zien krijgt beeld werd omdat de
    vertellende persoon (er is bijna altijd het besef van een ik met wie je
    mee kijkt, het gedicht in) het waarnam. Kijken deed het beeld ontstaan,
    kijken vormde het kader. Ook die “aanpak” is filmisch, een kwalificatie
    waar we het al eerder over hadden.

    Dit effect van de observatie herken ik maar al te goed. Ik merkte het zelf
    ook tijdens mijn week in Nice. De verwarde man in de Gare Routière, het
    telefonerende meisje voor het socca-tentje (socca is een soort
    kikkererwtenpannenkoek, voedzaam en goedkoop en populair onder de
    inwoners van Nice), een oude man met wollen wanten aan, in een
    zonovergoten winkelcentrum. Gezien en in dat zien mijn eigen kijken en
    het beeld dat door dat kijken is gemaakt.

    Deze recente beelden komen nog niet aan bod in de gedichten waaraan ik nu
    werk. Ik moet voor het Liegend Konijn nog voor 1 juni een serie
    gedichten schrijven rond het thema “hiernamaals”. Geen thema waarbij
    zich onmiddellijk gedichten aandienen. Wel weet ik dat de film “After
    Life” van Kore-eda Hirakazu een rol zal spelen. Je kent de film
    misschien; ik zal je er anders bij gelegenheid over vertellen. Zo weet
    ik ook dat ik al te abstracte filosofische of theologische invalshoeken
    kan vermijden. Dat moest sowieso, dat wilde ik ook, maar met dat moeten
    en willen ben je er nog niet altijd.

    Hieraan werken (en ook nog wat onderzoek en schrijfwerk voor het
    Filmmuseum) zit de voortgang van onze briefwisseling, liever gezegd
    mijn bijdrage eraan, nogal in de weg. Dit zegt misschien ook iets over
    mijn werkwijze: geconcentreerd werken aan het schrijven van enkele
    gedichten en tegelijkertijd reflecteren op het schrijfproces gaan
    moeilijk samen. Hier komen ? anders dan bij de registratie van een
    beeld ? de activiteit en het zich bewustzijn van die activiteit niet
    bij elkaar. Een banalere reden is natuurlijk dat ik het gewoon even te
    druk heb. Neem ook sinds Nice weer even de tijd om flink wat films te
    gaan zien: noodzakelijke brandstof en even noodzakelijke omstandigheid
    om het schrijven te intensiveren. Soms is het de extreme fotografie van
    de film (close-up versus totaal shot, scherp versus onscherp, donker
    versus licht) zoals in de vanavond bekeken Othello-verfilming van Orson
    Welles, soms het gekunstelde acteren in combinatie met een cerebrale
    maar geraffineerde opeenvolging van versluierende dialogen, zoals in
    “Triple Agent” van Eric Rohmer, of de menselijke spitsvondigheid en
    theatraliteit zoals in “10e Chambre” van Raymond Depardon.
    Als in de gedichten die ik nu schrijf iets zit waaraan de net genoemde
    adjectieven gekoppeld kunnen worden, dan moge duidelijk zijn hoe dat
    komt.

    Er wachten nog enkele thema’s en invalshoeken op een nadere beschouwing.
    Misschien in een volgende brief. De jacht voortzetten, woorden zoeken, beelden laten
    ontstaan, een gedicht stutten en voeden tot het op zichzelf kan staan.
    Denken:

    Zouden we het beeld willen omhelzen.

    Een beeld staat zolang stil
    tot het alleen in de stad is.

    De stad, de zieke scherven.
    Een hek sluit de gevelrij.

    Erik Lindner: Beste Jan, 
    Ik ben blij dat onze dialoog steeds meer het karakter van een gewone
    briefwisseling krijgt. Goed omhier in Canada te lezen wat je bezig houdt.
    ‘After life’ ken ik niet. Je hebt nu eenmaal heel veel films gezien, niet
    alleen omdat je eenslordige twaalf jaar ouder bent, ook vanuit je werk.
    Ik ben ook blijdat je filmisch als kwaliteit omschrijft. Ik vroeg me juist afgelopen
    week af of het niet een label is waar we ons op een gegeven moment
    tegen willen verzetten, als de aanduiding ons te nauw past. Het zegt
    iets en zoals altijd lang niet alles over een tekst.

    Ik zag afgelopen week een aantal dansvoorstellingen hier in Montréal. Een
    ballet, onder andere van Hans van Manen, en moderne dans van André
    Gingras en Emio Greco. Opmerkelijk publiek komt daar op af. Het stel
    links van me vocht een voorstelling lang om een toneelkijker, en het
    meisje rechts naast me leek bij de opvoering van het tempo van de
    voorstelling zwaarder te zuchten en zelfs te spinnen. Ooit heeft een
    dansvoorstelling me geholpen. Het drieluik ‘Naar Acedia’ schreef ik
    langzaam. Het derde gedicht in 1997 in Den Haag, het tweede in Parijs
    en het eerste gedicht in Amsterdam in 2000. Ik kreeg het geheel niet
    dicht. Het eerste gedicht speelt zich af rond een snelweg, het tweede
    in een theaterzaal en het derde op een boot. Het ging me er om dat de
    hij en zijfiguur er een imaginair bestaan voor elkaar op na houden. Ik
    zag in het Stedelijk een video van een dansvoorstelling van Van Maanen,
    een duet op muziek van Arvo Pärt. Het was de tweede man van mijn eerste
    echtgenote, een mime-speler, die me vertelde dat de muziek van Pärt zo
    scènisch is, dat iedere beweging meteen esthetisch wordt. Op de
    mimeschool hadden ze het dan ook altijd over ‘Arvo Prut’. Welke
    beweging je ook maakt is goed op Pärt, ook als die beweging prut is. De
    video in het stedelijk was prachtig, een klassiek duet die mij vertelde
    hoe de hij en de zij in de serie gedichten om elkaar heen draaien.
    (‘Terug uit Acedia’ lijkt eerder een danssolo van de zijfiguur waar de
    hij in verdwijnt.) En toch zal er in geen enkel gedicht een beweging
    zitten die correspondeert of overeenkomt met een beweging die een van
    de dansers maakte. Dit is een punt. Ik geloof inderdaad niet dat
    dichters een schilderij of film natekenen met woorden. Wat wel kan is
    dat het kijken naar een voorstelling een geometrische bewustheid geeft
    die na de voorstelling blijft (die vaak wordt omschreven als een roes).
    Ik nam je ooit mee naar een voorstelling van het Bewegingstheater van
    de dichter B. Zwaal. Het viel me op toen we daarna op een terras in
    Rotterdam zaten dat je een aantekening maakte. Vanwege die roes of
    bewustheid ben ik naar alle voorstellingen van BEWTH gegaan.
    Voorstellingen in kerken, een ministerie, een raadhuis, een museum, of
    een waterleidingdepot. In Hilversum liep ik uit het Dudok-raadhuis
    waarin het Bewegingstheater de architectuur had benadrukt. Uit een
    zijstraat kwam een fietser, en ik zag vrij exact hoe die fietser reed.
    Niet aan de rechterkant van de straat, er was geen ander verkeer, maar
    bijna in het midden. Ook die fietser deed er niet meer toe. Wat ik zag
    was de lijn die de fietser had gemaakt, als een streep over de straat.

    Die fietser zelf is onschuldig, geen medewerker van een voorstelling.
    Ik gebruik beelden uit de werkelijkheid op straat, en de voorstelling
    was hoogstens medeplichtig aan een techniek die aan die registratie van
    grondslag ligt, maar die ik zelf vervorm. Zo kan ik evenmin Hans van
    Manen van invloed noemen op de serie. In het tweede gedicht staan twee
    regels cursief: Niets ontgaat haar. Niemand gaat haar. Dat is een citaat: een Nederlandse vertaling van de Engelse ondertiteling van Het zevende zegel
    van Ingmar Bergman. Als de dood (die nog gepersifleerd is door Monthy
    Python) het schaakspel van de kruisridder Anthonius Blok wint, zegt
    hij, terwijl het jonge acrobatengezin achter zijn rug ontsnapt: Nothing escapes me. No-one escapes me.
    Die zelfoverschatting dicht ik de zijfiguur toe: het is een staat die
    herkenbaar is vanuit het schrijven. Soms hebben we het idee dat niets
    ons ontgaat, dat alles ons opvalt. Soms maar, zeer zelden. En dan nog
    zal veel ons ontgaan. We focussen, we kadreren. Dat ik Van Manen op
    video zag hielp voor de serie, want de video was een close up. Hier in
    Montréal, hoe vooraan ik ook in de zaal zit dankzij de kaartjes van het
    consulaat, zijn de dansers ver weg. En werkt het niet, al doen vooral
    de dansers van Emilio Greco erg hun best.

    Zo wil ik illustreren dat invloed en inspiratie overdreven woorden zijn. Het is
    eerder een soort leentjebuur uit in principe alles. Mijn eerste vrouw
    was doodsbang voor vogels. Maar bij zo’n boottocht (als op haar tweede
    huwelijksreis) vond ze die toch wel passend. En koop ik de dvd van
    Het zevende zegel en zet ik de ondertiteling op Nederlands, dan klopt
    het citaat van geen kant meer.

     Is het nodig voor het gedicht dat ik dit vertel? Nee, dat hoop ik niet. Maar we wisselen van gedachten over het schrijven. 

    ‘Naar Acedia’ was een samenvoeging van de series ‘In Acedia’ en ‘Een lifter
    en zijn ongeluk’ uit de vorige bundel, samengesteld uit de indertijd
    onvoltooide overblijfsels. De Acedia speelde zich toen nog af in een
    orkestbak. Op jouw advies ging ik acedia met een hoofdletter schrijven.
    Het werd een imaginaire landstreek, het doel van een reis, van een boot
    op weg naar een atlantis of een armageddon, van een lifter die niet
    weet hoe laat hij aankomt. Illustratief is dat het advies onzichtbaar
    werd. Leendert Stofbergen, de vroegere vormgever van De Bezige Bij, gaf
    de titels in kleinkapitalen weer: nergens in Tong en trede is
    Acedia met hoofdletter te lezen. En nu het woord wel dusdanig leesbaar
    is in de nieuwste bundel, ben ik er achter dat ik het niet met je eens
    ben. De Acedia is geen doel. Het is de snelweg zelf, het onderweg zijn.
    De chauffeur uit jouw ‘Lied van de weg’ zit in de acedia, in de cabine,
    of hij nu rijdt of slaapt onder die maan, of in het snelwegrestaurant
    met die kaars op tafel. De acedia volgens de woordenboekverklaring, die
    traagheid des willens, die geestelijke apathie. En evengoed de acedia
    volgens Benjamin of Flaubert. Of zelfs het stof of het roet van de
    snelweg.

    Die twee jongens die staan te liften in ‘Een lifter naar Acedia’ staan
    grappen te maken langs de kant van de weg. De een houdt zijn duim
    omhoog en kijkt naar de auto’s en de ander verheugd zich op de
    bestemming. Misschien zijn we het zelf wel. De redacteur vond het een
    poëticaal gedicht. Mogelijk las hij het slagen van de opnames uit de
    eerste regel als het schrijven of voltooien van een gedicht. En toch
    heb ik het daar over film. De rode aarde uit de film Terra,
    waar de hoofdfiguur een insect op de wijngaarde dient te verdelgen dat
    de wijn juist een aangename bitterzoete smaak geeft. Ook dat doet er
    niet echt toe, natuurlijk. Maar het was reden genoeg het gedicht aan je
    op te dragen.

    De acedia is maar tijdelijk, gelukkig. Ook de chauffeur weet die te ontsnappen. In jouw woorden:

    Uit zijn bewaarplaats weggenomen
    behoort hij niet langer het ogenblik toe.

  • Interview Ronald Giphart

    Vanaf maandag 23 mei 205 was Ronald Giphart een week te gast op ons forum en kon iedereen zijn vragen stellen. Moderator: Coen Peppelenbos.

    Yoyogro: Heb je het gehoord? Afgelopen zaterdag was Van Aartsen op de radio en hij zei; “OPPIJPEN”. De radiopresentatoren (Spijkers met koppen) schrokken ervan. Giphart heeft zomaar een nieuw woord in de politiek geintroduceerd. Gefeliciteerd, Ronald!

    Giphart: Dank voor uw felicitatie, maar u wuift mij teveel eer toe. Het woord ‘oppijpen’ staat gewoon in Van Dale, in maar liefst drie verschillende betekenissen: opdoffen, opspelen en opblazen. Maar het blijft een prettig woord.

    Yoyogro: Oké. Toch heb ik het vermoeden dat u vaker in de Van Dale kijkt dan Jozias van Aartsen.  Zou u graag taalvernieuwer zijn? Nieuwe woorden in de Van Dale willen zien die van u afkomstig zijn?

    Coen: Ja, dat is mooi. Zomaar een beetje beginnen. Daar gaat mijn welkomstwoordje van morgenochtend.

    Giphart: Excuses, Coen, dat was inderdaad wat al te gretig. Ik hou mijn cursor tot jij deze site morgenochtend hebt opgepijpt. Tot dan!

    Coen: Goedemorgen Ronald. Welkom op ons forum. Laat ik maar beginnen met een makkelijke vraag voordat we de diepte induiken: hoe is het om een broer te zijn van de bekende Karin Giphart?

    Dat valt erg mee, ik kan goddank nog over straat. Mijn zus is een bijzonder meisje, dat altijd al multigetalenteerd door verschillende kunstzinnige disciplines is gewapperd. Ze speelde klassiek gitaar en wilde films maken, ze zong en schreef in het Engels science fiction verhalen. Nu heeft ze een roman geschreven en in eerlijkheid: dat heeft nog lang geduurd. Of er ooit een tweede roman komt durf ik echter niet te voorspellen. Als schrijfster heeft ze het nadeel dat ze mijn achternaam heeft, maar aan de andere kant is dat ook haar voordeel. Er verschijnen vijftig debuten per jaar, boeken die alle een evolutionaire strijd voeren om aandacht. Tot slot: ik heb er geen enkele moeite mee een schrijvend familielid te hebben. Joost Zwagerman heeft destijds enigszins gereserveerd gereageerd op het debuut van zijn broer Alexander (een schrijver die thans in de vergetelheid is geraakt, al schijnt hij door het leven te gaan als de huiscrimineel van het CDA), maar ik gun het mijn zus van harte.

    Zij jou blijkbaar ook, want in haar boek verwijst ze naar jouw boeken (Ik ook van jou). Er is dus geen kans dat we over een aantal jaren een broer-zusboek krijgen onder de titel Moord en doodslag?

    Zolang ze geen lid wordt van het CDA natuurlijk.

    Lijkt me weinig kans op. Hoe staat het met je promotietour voor Troost? Is die al helemaal afgerond? En hoe is je die tour bevallen. Het was eens wat anders dan gewoon signeren.

    Vergeleken met mijn andere promotietoeren (die voor het CPNB bijvoorbeeld) hebben we nu een erg rustig riedeltje afgedraaid. In totaal mochten kok Pierre Wind en ik bij zeven boekhandels gerechtjes uit Troost bereiden (een trio van hapjes op een speciaal bordje), en het aantal boekhandels waar ik allenig heb gesigneerd is te tellen op de vingers van een hand met drie vingers. Een promotietoer is een soort geboortekaartje, middels signeren of andere gekkigheid doe je als schrijver kond van je nieuwe kindje. Ik krijg de laatste jaren steeds vaker de meest wilde of vergezochte geboorteaankondigingen, en ook de presentaties van nieuwe romans lijken steeds gekker te worden. Waar boeken in vroeger tijden nog gepresenteerd werden in de afgemeten directiekamer van de uitgever (waarbij de jongste medewerker op zoek ging naar halfvol pak jus d’orange en een vergeten fles wijn uit een kerstpakket), denkt men tegenwoordig gedegen na over de extra publicitaire waarde die een presentatie of een promotie kan opleveren. De ene schrijver trekt met zijn geit het land in, de ander nodigt omkoopbare recensenten uit voor een copieuze maaltijd in een sjiek hotel. Ik vind dit allemaal geoorloofd, want het belangrijkste is dat het potientiele leespubliek – binnen de dagelijkse lawine van informatie – hoort dat er een nieuw boek is verschenen. Dit uiteraard ter discussie.

    De publiciteit die jij genereert als bekend schrijver is toch enorm. Grappig genoeg is de hoofdpersoon van je roman zich ook bewust van dat feit. Ondanks zijn beroemdheid blijft hij gewoon bezig met zijn werk (zijn passie) en dat is koken. De publiciteit lijkt mooi meegenomen. Maar juist omdat hij zijn werk op tv doet, is dat het begin van het einde.
    Veel recensenten hebben jouw boek gelezen als een min of meer poeticale roman (ik ook). Heeft jouw roem en je tv-optreden in de weg gestaan bij de beoordeling van je werk? En verwijt je met dit boek indirect ook de kortzichtigheid van die kritiek?

    In een goede meritocratie zou een schrijver moeten worden afgerekend op de inhoud van zijn boeken, een kok op zijn kookkunst en een voetballer op zijn aanvallend, danwel verdedigend vermogen. Maar onze meritocratie wordt overvleugeld door de wurggreep van de mediacratie. Beeldvorming en imagopolitiek zijn veel belangrijk dan een eerlijke weging van iemands prestaties en capaciteiten. De trainer van de Engelse voetbalclub Chelsea wordt door een groot deel van de media (en daarachteraan dobberend het publiek) veroordeeld om zijn  – vermeende – arrogante voorkomen, in plaats van bejubeld om zijn prestaties. Uiteraard is dit een van de motieven van Troost.
    Overigens verwijt ik niemand iets, ik stel alleen maar vast. Ook ik laat mij in veel gevallen leiden door vooroordelen en gemakzuchtige meningvorming.  

    Hoezo geen verwijt? Als de serieuze Michelin en het ietwat dommiger Proef! (waarom hier niet ook de echte naam gebruikt? Lekker) iemand kunnen maken en breken, dan geef je toch kritiek op de macht van dergelijke instituten? Troost is een figuur die misschien zijn relatie verwaarloost, maar in zijn werk is hij integer. En juist daarop wordt hij vernederd.
    Over het schrijverschap zou je hetzelfde kunnen beweren. Dat lijkt me meer dan een vaststelling.

    Ja, ik denk dat je daar gelijk in hebt. Wanneer maak je iemand of iets een verwijt? Ik denk dat je dat doet omdat je op een bepaalde manier invloed hoopt uit te oefenen of mensen ergens lering uit te laten trekken. Geen schrijver zal het meteologisch systeem het verwijten dat het regent. Het gaat erom: waar ligt je pretentie als schrijver? Maak je iemand een verwijt om jouw (morele) normen op te dringen, of hou je (slechts) een spiegel voor? In Troost beschrijf ik inderdaad de macht van instituten als Michelin en Proef! (waarom ik hier niet ook de echte naam heb gebruikt: onder andere om nog enige distantie van ‘de werkelijkheid’ te behouden), een macht die emblematisch is voor de macht van gevestigde instituten anywhere. Is dit nu een verwijt (‘macht is verkeerd’) of een fait accompli? Het antwoord daarop zal in het midden liggen.

    Overigens moet ik er nu vandoor (vanavond een wildspetterende voorleesbeurt in de bibliotheek van Amstelveen, snel, er schijnen nog een paar kaarten te zijn, een stuk of driehonderd), maar vannacht zit ik weer aan mijn pixels.

    Yoyogro: Misschien kunt u vannacht, als u bent bijgekomen van uw enerverende voorleesbeurt in de grootstedelijke bieb van Amstelveen ten overstaan van vermoedelijk veel dames met veel intelligente en vooral boeiende vragen aan den Schrijver (“hoe komt u op uw ideeen?“), toch nog wat pixels besteden aan beantwoording van de allereerste vraag die u in dit forum gesteld werd voordat onze Coen reglementair ingreep ?
    Dank.

    Coen: Bij mijn weten (maar ik kan me verschrikkelijk vergissen) bestaat er een boekje of scriptie met de neologismen van Giphart.

    Heb het al gevonden:Samenvatting

    Daniëls, Wim
    Giphtaal : de woordvondsten van Ronald Giphart / Wim Daniëls. – Amsterdam : Podium, cop. 2004. – 157 p. ; 19 cm
    ISBN 90-5759-106-5

    ‘Giphtaal’ bestaat uit een lange lijst met door Ronald Giphart bedachte woorden en uitdrukkingen, die in zijn werk voorkomen. Giphart is met zijn taalvondsten weliswaar origineel, maar niet de enige. Het vervaardigen van een eigen woordenschat door een schrijver is eigenlijk niks nieuws. Schrijvers als Jacob Israël de Haan, Ischa Meijer en Kees van Kooten gingen Giphart hierin voor. In dit boekje wordt iedere taalvondst toegelicht, in zijn context geplaatst door een citaat uit Gipharts werk, en voorzien van een bronvermelding. De nieuwvormingen zijn in te delen in verschillende categorieën: faceliftwoorden, nieuwe werkwoorden, nieuwe samenstellingen, variaties op bestaande uitdrukkingen, eponiemen, woordcombinaties met een functiewoord erin en purismen. Na de woordenlijst zijn nog enkele pagina’s met ‘Oneliners en wisecracks’ te vinden. Het geheel wordt voorafgegaan door een korte, maar heldere inleiding van Wim Daniëls. (DM)

    Trefw.: Ronald Giphart; neologismen
    Prijs: euro 10,-
    http://taalunieversum.org/cultuur/bibliografische_attenderingslijst/20/2/3/#samenvattingi__136334640_1290

    Tjeerd: Dag Ronald, kun je mij een omschrijving geven van wat jij nu precies onder ‘literatuur’ verstaat? Wanneer voldoet volgens jou een verhaal aan de maatstaven om officieel voor literatuur door te gaan?

    Ha Tjeerd, het is onmogelijk om precies aan te geven wat ik onder ‘literatuur’ versta. Om de woorden van een Amerikaanse tv-producent te lenen (die het beweerde over ‘schoonheid’, wat mijns inziens een inwisselbaar begrip is): ‘Ik kan het niet omschrijven, maar als het de kamer binnenkomt herken ik het.’
    Het grote probleem met het definiëren van literatuur is, dat één basiselement van de definitie het begrip ‘verrassend’ is, en iets wat verrast laat zich moeilijk in wetten vangen. Over de vraag waarom Grisham geen literatuur is en Kinky Friedman of Leon de Winter wel, heb ik in een vroeger leven in totaal bij elkaar opgeteld vijf jaar en zes maanden lang gediscussieerd tot bijna vechtens toe. Grofweg zou ik bij benadering hapsnappend een gooi kunnen doen door te stellen dat voor mij literatuur taalkundig kwalitatief gezien uitmuntend geschreven moet zijn, dat het qua compositie op alle gebieden moet overtuigen en dat mijn wereldbeeld er al dan niet tijdelijk op welke wijze dan ook door dient te veranderen. Dit is een vage omschrijving, maar concreter kan ik niet worden.
    Overigens houdt – na die jaren van discussie – de vraag wat literatuur ‘precies’ is mij mij heden ten dage een stuk minder bezig. Niet dat het een puberale vraag is, maar met de wijsheid die met de jaren komt zijn er belangrijker vraagstukken en zaken gekomen. En daarbij heb ik het mij de laatste tijd zelfs wel eens toegestaan af en toe ereis een Grisham te lezen, wat welbeschouwd heulemaal niet slecht bevalt. Beantwoordt dit je vraag, Tjeerd? Wat is jouw definitie wat literatuur precies is?

    Wouter: Een mooie omschrijving, beste Ronald Giphart. Jan Siebelink zei onlangs: ‘Literatuur maakt gewone mensen bijzonder.’ Ik zou het willen uitbreiden: ‘Literatuur maakt gewone mensen, dieren en dingen bijzonder.’ Volgens mij is daar zowel een uitmuntende schrijfstijl als een overtuigende compositie voor nodig. Wat vind jij van die uitspraak?

    Yoyogro: Dankjewel voor de titel, Coen. Zeer attent.
    Mijn vraag of Giphart zelf ook beoogt om in de Van Dale opgenomen te worden is daarmee echter niet beantwoord. Then again, zo’n vraag HOORT ook helemaal niet door Giphart beantwoord te worden. Dat begrijp ik ook wel. De geschiedenis zal het immers leren!

    Tjeerd: Eerlijkheidshalve moet ik bekennen dat ik inmiddels al zo’n 5 jaar ben blijven hangen bij de vraag wat literatuur nu werkelijk is. Voor de derde keer bijvoorbeeld lees ik nu Giph, al merk ik wel, met mijn 24 jaren jong, dat ik het niveau van Giph wat aan het ontstijgen ben. Toch heb ik nog steeds moeite om met een goede definitie te komen van het begrip literatuur. En aangezien ik ook één van die tobbers ben die nog steeds de droom heeft ooit een literair meesterwerk neer te zetten blijft die vraag, herstel, het antwoord op die vraag toch belangrijk. Die Amerikaanse tv-producent slaat de spijker op zijn kop, echter ziet deze man/vrouw literatuur wanneer het af is. Ik wil literatuur kunnen omschrijven voordat ik begin. Voorzichtig durf ik te stellen dat literatuur als vanzelfsprekend taalkundig briljant dient te zijn, er een duidelijke lijn in het verhaal hoort te zitten ondanks de chaos die er besproken wordt en dat, maar nu herhaal ik eigenlijk jouw woorden, het verhaal moet ‘blijven hangen’. En liefst langer dan een half uur. Dus, het blijft een niet te vatten begrip. Overigens, zou het ook niet zo zijn dat de vraag wat literatuur is minder belangrijk wordt wanneer je een inmiddels bestseller literair auteur bent?

    Ha Wouter, dat lijkt mij een uitspraak als een klok.

    Niet om het een of ander, maar als men praat of discussieert over een multi-interpretabel onderwerp als ‘literatuur’ voelen velen (ook ik) zich uitgenodigd het begrip te vangen in een hoogst interessant klinkende orakeltaal. ‘Literatuur maakt gewone mensen bijzonder.’ Het klinkt fraai van de oude meester, maar wat staat er en wat betekent het? Is het een doel van literatuur om over ‘gewone mensen’ te schrijven? Wie of wat zijn gewone mensen? Is het een doel om een gewoon mens te zijn? Wat is bijzonder? Willen we bijzonder zijn? In Planeet literatuur heb ik (samen met Bert Natter) een opsomming gegeven van dit soort uitspraken. Lekker orakelen over het begrip literatuur is een heerlijk tijdverdrijf, maar met literatuur heeft het niets te maken (of is dit ook weer een voorbeeld van orakeltaal?).

    Ha Tjeerd, je vertelt dat je het begrip literatuur wilt kunnen omschrijven voordat je begint. Dit is een loffelijk streven, maar lijkt me in alle eerlijkheid ook een vlucht Een begrijpelijke vlucht.  ‘Schrijven’ is niet het vervaardigen van literatuur, schrijven is schrijven, een proces. Het is ondoenlijk (spreek ik uit ervaring) om bestaande literatuur te filteren op universele wetmatigheden om die vervolgens op toekomstig litererair werk van toepassing te laten zijn. Daarmee leg je jezelf aan de ketting van zelfbedachte dogma’s, nog voor je een letter op papier hebt. Kostelijke zonde. Ga lekker schrijven! Allereerst is er primo en alleen maar om het plezier van het formuleren, de zoektocht naar een fraaie omschrijven, de kick van een geslaagde scene. Dan pas rijst er de vraag of het allemaal zo briljant is en of het wel blijft hangen bij de lezer. Zelf heb ik mij als gezegd zes jaar van mijn leven bezig gehouden met de vraag wat literatuur was en hoe ik dat kon toepassen in wat ik zelf schreef. Voor mij heeft het erg louterend gewerkt de beantwoording van die vraag radicaal naast me neer te leggen en uit te gaan van (het plezier in) het schrijven zelf. Een bevrijding!

    Wouter: Dat bedacht ik mij ook: wat zijn gewone mensen? Als je ze omschrijft als ‘gewoon mensen’ in biologische zin, die levende dingen die je mensen noemt, dan vind ik het nog niet eens orakeltaal. De vraag is dan inderdaad of het een doel is om over ‘gewone’ mensen (en dieren of dingen) te schrijven. Is de vraag wat literatuur is niet heel persoonlijk en moet je de uitspraak van Siebelink dan ook op die manier opvatten? Dus los van controleerbare punten als stijl, compositie, want volgens mij werken die uiteindelijk mee aan het ‘bijzondere’. En, los van deze orakeltaal: wat vind jij bijzonder?

    Coen: Even weer een specifieke opmerking over Troost. De kok heeft bijzondere tanden, een soort jongensgebit, maar ik zit me al een hele tijd af te vragen welke betekenis die tanden hebben? (Ik ga maar weer eens van de veronderstelling uit dat alles betekenis moet hebben binnen de literatuur, terwijl ik daar niet onvoorwaardelijk in geloof). Staan die tanden voor zijn naieviteit?
    (Wat een frikkigheid om dat weer te willen weten, maar goed, ik zit nu ook op mijn werk)

    Tjeerd: Hallo Ronald, het schrijven als zodanig geeft inderdaad een geweldige kick, zeker wanneer je niet nadenkt over de “wetten” die er (schijnen te) gelden. Het lukt me ook steeds vaker om De Vraag naast me neer te leggen en gewoon lekker bezig te gaan. Desondanks blijft het me te vaak bezig houden en dat is inderdaad zonde. Van tijd en inspiratie. Maar hoe ga jij zelf tewerk? Denk je op een gegeven moment, goh, ik ga een boek schrijven en heb je dan direct een globaal beeld van een verhaal(-lijn) in den kop? Het lastige van schrijven vind ik namelijk vooral om ook na vier A4-tjes nog een bepaalde lijn te behouden in het verhaal. 

    @ Wouter:
    Als iemand dezelfde vraag over bijvoorbeeld muziek zou stellen (wat vind je bijzonder? wat is je smaak?) dan zou een antwoord kunnen zijn: klassieke muziek. Maar dat is als subgroep veel te groot. Niet alle klassieke muziek is het waard genoemd te worden. Blijft dus over stromingen: bijvoorbeeld barok. Maar niet alle barokke muziek is bijzonder. Blijft over individuele componisten. Maar niet al het werk van een individuele componist is geweldig. Blijft over: specifieke muziekstukken. Vertaald naar literatuur betekent dat: specifieke romans. Bijvoorbeeld Money van Martin Amis, Rayuela van Julio Cortázar of A man in full van Tom Wolfe.
    @ Coen:
    Ja, ga dat even lekker zelf uitzoeken, luilak.Het gaat erom dat een lezer zelf aan de slag gaat met een boek en eruit haalt wat voor hem of haar de moeite waard of opmerkelijk is. Dacht je dat als we W.F. Hermans via een séance gingen vragen of Dorbeck nu wel of niet bestaat, hij antwoord zou geven?
    @ Tjeerd:
    Vanaf mijn zeventiende hou ik een ideeenlijst bij. Iedere dag heb ik een stuk of wat invallen, ideeen, woordgrappen, zinswendingen, observaties e.d., die ik aan het eind trouw opschrijf in een steeds verder uitdijende lijst. Flaubert zei dat schrijvers een roman in een flits voor zich zien, en laten we hem daarin gelijk geven. Een schrijver staat onder de douche of fietst op straat, en plotseling zit er een roman in zijn hoofd. Een mooi moment: er is iets geschapen wat er nog niet is. Natte-vingerend bepaalt de schrijver hoe dik het boek ongeveer zou moeten worden. Hij bedenkt scenes, die hij op kaartjes noteert, en legt deze kaartjes op volgorde. Dit duurt een aantal weken, waarin hij voortdurend schuift en nieuwe scenes bedenkt. Na een hoofdstukverdeling te hebben gemaakt, berekent hij hoeveel pagina’s de individuele scenes zouden moeten duren en telt dit bij elkaar op. In de volgende fase begint het feitelijke schrijven. De schrijver werkt scenes uit, met behulp van zijn ideeenmap en herschrijft de scene tot hij het gevoel heeft dat ze niet beter zouden kunnen. Al doende gaat hij door tot hij zijn laatste punt zet. Klinkt niet heel moeilijk, toch?

    GerdatenC: Beste heer Giphart,
    Een tijd geleden heeft u onder de naam van een Marokkaanse schrijver geschreven, waarom is dat geweest? Engagement?

    Nee hoor. Door de eeuwen heen hebben schrijvers onder pseudoniem geschreven. Door de eeuwen heen zijn er ook schrijvers geweest die onder één naam hebben gepubliceerd. Een schrijver is, wat een collega ooit noemde, niet een personage in het boek, maar een personage van het boek. Wij hebben met een aantal schrijvers een boek geschapen, inclusief het personage van de schrijver van dat boek. En we hebben afgesproken dat wij onze mond erover zouden houden, wat ik na nu zal doen.

    GerdatenC: Sterft dit personage ook, zoals Marek van de Jagt?

    Ik houd mijn labium superius oris en mijn labium inferius oris stijf op elkaar…

    GerdatenC: Een andere vraag dan, er wordt op dit forum over vele mooie boeken geschreven en over vele goede schrijvers. Heeft u ook een hekel aan bepaalde nederlandstalige schrijvers/boeken. bijvoorbeeld Heleen van Royen? Of vindt u Gimmick juist een overschat boek? Opent u uw mond?

    Vroeger, toen ik nog wel eens verplicht boeken uit diende te lezen, sloeg mijn onvrede over de literaire kwaliteit soms om in acute hekel. Dat betrof dan boeken van inmiddels vergeten literaire stromingen als de zestigers, het woordgebagger van de Revisor-groep of de zinsragout van vrijwel de meeste interbellummers (niet te verwarren met interbelnummers). Ook in de jaren dat ik boeken besprak voor Het Parool kwam mijn ergernis geregeld opzetten, maar die heb ik destijds heerlijk van me af kunnen schrijven. Inmiddels lees ik al jaren niet meer tegen mijn zin. Waarom tijd verspillen aan boeken die chagrijn oproepen, zelfs wanneer je ervoor betaald wordt? Als een boek na dertig, zeg veertig, pagina’s niet vermag te boeien of ontroeren, dan leg ik het weg. Heleen van Royen heb ik overigens met graagte uitgelezen, en Gimmick! beschouw ik als een van de weinige echte hoogtepunten van de door mij gelezen Nederlandse literatuur. Ik doe mijn mond weer dicht.

    GerdatenC: Leest u veel Nederlandse schrijvers, of leest u meer voor research?
    Ik lees niet specifiek Nederlandse schrijvers, zoals ik ook niet specifiek Finse of Mongoolse schrijvers niet lees. Grofweg lees ik ongeveer honderd (100) bladzijden per dag, en om eerlijk te zijn: veel boeken door elkaar heen. Als ik zelf fictioneel werk aan het schrijven ben ligt de nadruk meer op non-fictie boeken, maar in tegenstelling tot veel van mijn collega’s kan ik wel romans van anderen lezen als ik zelf midden in een eigen roman zit.

     

    ArturvH: Welk boek lees je nu dan?
    En nog een vraag: Hou je dat echt bij? Hoeveel bladzijden je grofweg per dag leest? En zo ja: hoe doe je dat, als je meerdere boeken door elkaar heen leest? Zit je te turven, of maak je aan het eind van de week een schatting aan de hand van het aantal bladzijden dat de uitgelezen boeken telden, gedeeld door het aantal dagen?
    Of láát je dat doen? (Leuke rekenoefening voor de kinders.)

     

    Bart: Beste Ronald,
    Wat vind je ervan dat prestigieuze literaire onderscheidingen (Libris Literatuur Prijs, AKO Literatuurprijs) voor jouw neus voorbij gaan? Met de roman Troost heb je je imago van schrijver die veel over seks schrijft wat laten vallen. Denk je dat je met deze roman eerder in de prijzen zult vallen dan met de anderen boeken, die door sommige recensenten (Welwelwelwel) erg gekscherend werden besproken? 

     

    Wat waren de reacties van schrijvers en andere bekende Nederlanders die in jouw roman Giph voorkomen? Heb je bij voorbeeld reacties gehad van Hella S. Haasse of Jeroen Brouwers? 

     

     

     

    (meer…)

  • Interview Frank Westerman

    Frank Westerman beantwoordde vanaf maandag 7 februari 2005 vragen van gastredacteur Mike Naafs en van iedereen die een boeiende vraag had.

    Tijdens zijn studententijd bezoekt Frank Westerman per toeval een museum in het Spaanse stadje Banyoles. In de ‘zaal van de mens’ komt hij oog in oog te staan met een opgezette neger. Het blijkt een in de negentiende eeuw opgezette mens uit het huidige Botswana. De conservatoren in het museum smeren hem eens per kwartaal in met schoensmeer, omdat de chemicaliën waarmee hij wordt gepreserveerd ontkleuring van de huid tot gevolg hebben. El Negro, zoals de man uit Botswana wordt genoemd, is een bekende publiekstrekker in het museum. Twintig jaar na zijn confrontatie met de opgezette mens gaat Westerman op zoek naar de achtergronden en geschiedenis van El Negro. Dit leidde hem langs een stoet aan archieven en bibliotheken en vervolgens en confronteerde hem ook met geschiedenis van het Westers kolonialisme. De wetenschappers die in de negentiende eeuw El Negro hadden onderzocht en opgezet waren niet perse monsters, maar wel mensen met een onwrikbaar racistisch superioriteitsgevoel, dat samenging met een nogal amorele wetenschappelijke houding. Dat Westerse superioriteitsgevoel is overigens nog bepaald niet overwonnen. Westerman illustreert dat door de zoektocht naar de identiteit van El Negro te larderen met zijn persoonlijke ervaringen als ontwikkelingssamenwerker. Frank Westerman werd in 1964 geboren in Emmen. Hij groeide op in Assen. Hij studeerde Tropische Cultuurtechniek aan de Landbouwuniversiteit Wageningen. Voor zijn afstudeeronderzoek verbleef hij in 1987 in Peru, waar hij de pre-Columbiaanse irrigatiemethoden van Aymara-indianen in de Andes bestudeerde. In 1992 vestigde Westerman zich als Volkskrant-correspondent in Belgrado. Over deze tijd publiceerde hij eind 1994 De Brug over de Tara – zijn debuut. Westerman bezocht sindsdien als verslaggever van NRC Handelsblad tal van internationale brandhaarden. Over de val van Srebrenica in juli 1995 schreef hij een aantal onthullende artikelen. Het eindresultaat van al zijn naspeuringen was het boek Srebrenica, Het Zwartste Scenario, dat hij samen met collega-journalist Rijs schreef. Vanaf 1997 tot 2002 woonde en werkte Frank Westerman als correspondent voor NRC Handelsblad in Moskou. Daar rondde hij zijn derde non-fictieboek af, De Graanrepubliek, dat in 1999 verscheen. De Graanrepubliek laat zien hoe het Nederlandse landschap in de afgelopen honderd jaar veranderd is, en wat de gevolgen daarvan zijn geweest voor mens en natuur. Westerman volgt vooral de levensgeschiedenis van Sicco Mansholt, nazaat van rijke herenboeren die zijn grootschalige landbouwpolitiek tot diep in Europa zal laten doordringen – tot hij zelf van zijn geloof valt en de ecologische landbouw zal propageren. Na vier jaar correspondentschap in Moskou schrijft hij Ingenieurs van de Ziel, een boek over de megalomane waterbouwprojecten van Josef Stalin en de socialistisch-realistische romans die hierover geschreven werden.

    Coen: ‘Dan begin ik lekker.
    Dag Frank,
    Heb met veel genoegen je boek(en) gelezen. Achterop El negro en ik staat dat dit je meest persoonlijke boek is. Heb je het idee dat je met dit boek verder afdrijft van de journalistiek? Of met andere woorden: de haven van de literatuur binnenvaart? Of is die scheiding onzinnig en kunstmatig?’

    Hallo Coen,
    Een ‘ik-figuur’ ten tonele voeren, en dat al in de titel, staat niet onder de aanbevelingen in het stijlboek van bijvoorbeeld NRC Handelsblad.
    Iets anders is dit: ik lees nu het boek Wie ich die Arche Noah fand; Mit Weib und Kind zum Ararat en kan je verzekeren: tis hoogst persoonlijk maar heeft met literatuur niets uit te staan (behalve dan misschien de titel… die is subliem).
    Zelf ben ik niet bewust bezig aan de grote oversteek van journalistiek naar literatuur (ja, het zijn twee verschillende continenten), al kan ik me voorstellen dat je bij lezing van m’n boeken die indruk kunt krijgen.

    Mike: Welkom, Frank Westerman, op het forum van Literair Nederland. Tijdens het lezen van uw boek kwam ik het volgende beeld chlorinol tegen, een illustratie uit het fotoboek Underexposure, een Britse advertentie uit 1907 voor het bleekmiddel Chorinol. Gaarne uw reactie.

    ‘ Straf, zeg – die bleekmiddelreklame uit 1907. Maar niet ongrappig. Als je Chorinol gebruikt word je kennelijk geen blank jongetje, maar een ‘white nigger’… Is dat Britse zelfspot?
    Ik vind ‘m overigens niet veel straffer dan de springende Masai uit de serie ‘Happen naar Peijnenburg’, gevolgd door die ene gefrustreerde Pygmee die niet kan koekhappen omdat Brabantse paters het Pygmeeenvolk nooit zouden hebben bezocht.’
    Frank

    In je boek wordt op een gegeven ogenblik over de terugkeer van El negro naar Afrika gesproken. Voordat dat gebeurt verwijderen ze de huid weer in Spanje en ontdoen ze hem zo’n beetje van alles. Mijn vraag is: wat hebben ze precies teruggestuurd (alleen botten?), waar is de huid gebleven en hebben mensen zich daar niet kwaad over gemaakt?
    Coen

    Mike: Straf zeker, maar is het ook niet een (platte) uitbeelding van het thema van word-zoals-wij dat in uw boek rondzingt?

    ‘El Negro is in september 2000, kort voor zijn repatriering naar Afrika, weer onttakeld als preparaat, tot op zijn naakte botten. ‘We kunnen toch bezwaarlijk een museumstuk terugsturen’, dachten de Spanjaarden die hem z’n huid afpelden. Zijn speer, schaamlap en schild zijn in het museum van Banyoles achtergebleven, terwijl zijn huid, het lichaamsvulsel van stro en de constructie van hout en metaal die hem stevigheid verleende in Madrid is verwijderd (en misschien wel bij het oud vuil gezet – dat is niet bekend). Uiteindelijk zijn alleen de kale schedel en de arm- plus beenbotten in een lijkkistje naar Botswana overgevlogen… De regering van Botswana had geen behoefte aan schandaal, en heeft niet geprotesteerd.’

    ‘Ik twijfel. Het is een afbeelding uit 1907, precies de tijd dat in een New Yorkse dierentuin een Pygmee – een man genaamd Ota Benga – werd tentoongesteld: samen met de chimpansees in de apenkooi. Dat ‘word-zoals-wij’ motief komt pas veel later opzetten, al ligt het al besloten in de gevleugelde zin ’take up white man’s burden/send forth the best ye breed’ (Rudyard Kipling’s gedicht uit 1899).’

    Mike: Bedoelt u met veel later, de tijd van de ontwikkelingshulp en later samenwerking, die u aan de lijve hebt ondervonden en het en Ik gedeelte van het boek vormen? Zo ja, hoe zou u dan de tijd van El Negro noemen? Of zijn de tijden niet zo duidelijk te scheiden en is ontwikkelingssamenwerking een voortzetting van het kolonialisme met andere middelen?

    Coen: In hoeverre vind je het opmerkelijk dat er de laatste tijd door (blanke) schrijvers meer naar de koloniale geschiedenis gekeken wordt. Arthur Japin met De zwarte met het witte hart, Nelleke Noordervliet met Pelican Bay, in zekere zin ook Annejet van der Zijl met Sonny Boy. En jij met El negro en ik. Is de tijd daar nu rijp voor en zijn wij (itt Amerika en Engeland) niet vrij laat?

    Mike,
    Ik zie geen scheidslijn tussen het en ik-gedeelte van mijn boek en ‘de tijd van El Negro’. Er is ook geen liniaalrechte lijn te trekken van kolonialisme naar het ontwikkelingstijdperk, het is vrees ik ingewikkelder. Ontwikkelingshulp is ook geen post-koloniaal verschijnsel, wel onder die naam natuurlijk, maar ik denk dat je het begin kunt situeren bij de stichting van Freetown, rond 1800 dus, als kolonie van ex-slaven die met hulp van Londense slavernijbestrijders uit de Nieuwe Wereld terug naar Afrika werden verscheept. De scramble for Africa, de onderwerping en opdeling van het continent, volgt pas driekwart eeuw later, waarbij de rechtvaardiging er keurig op maat wordt bijgeleverd – puttend uit het sociaal darwinisme en de daaruit gedistilleerde superioriteitsclaim van het blanke ras. Wat ik het ‘word-zoals-wij’-motief noem, zit volgens mij ingebakken in het type post-koloniale ontwikkelingsprojecten waarin ik als irrigatie-ingenieur-in-opleiding kortstondig heb meegedraaid.

    Mike: Op dit moment lees ik Het paradoxale niets- een geschiedenis van het getal nul, een traditioneel ‘leraar’ non-fictie boek, met een duidelijk tijdsverloop, een begin en een eind en veel verklaringen en conclusies. Is die ingewikkeldheid en vertaktheid van het onderwerp waar je over sprak ook de reden waarom je El Negro en ik zo gestructureerd hebt, dat er veel meer open ligt voor de lezer, dat er geen snelle verklaringen en eenduidige conclusies mogelijk zijn? 

    Mike,
    Ik vind dat het ‘hoe’ boven het ‘wat’ hoort te gaan, ook in wat dan heet non-fictie. Stijl, opbouw, woordkeus – als een prozatekst niet ontzettend goed geschreven is, kunnen de inzichten nooit hun maximale diepte bereiken. Inhoud doet ertoe, maar blijft wat mij betreft ondergeschikt aan de vorm. Het is dus niet zo dat ik de compositie van mijn boek laat dicteren door het onderwerp.
    Frank

    Mike: Hoe lang ben je bezig geweest met het daadwerkelijk schrijven van dit boek?

    Coen,
    Ik kan daar met de beste wil van de wereld geen trend in zien. De auteurs die je noemt hebben allemaal ook boeken geschreven die niets met het koloniale verleden van doen hebben. De overeenkomsten die je signaleert berusten volgens mij op toeval. Of zie jij dat anders?
    Frank

    Mike,
    Je zult het misschien niet geloven, maar ik heb meer dan een jaar over het schrijven van ‘El Negro en ik’ gedaan.
    Frank

    Frank,
    Een jaar? Hoe is dat?
    Ben je dan op een gegeven moment bezig met de vraag of de naam van het internetcafe op de Ramblas, Easy Everything, er wel of niet in moet?

    Coen: Dag Frank, misschien ‘zijn de woorden ‘koloniaal verleden’ fout. Wat er aan de hand is dat al deze schrijvers (en ik vergat bijvoorbeeld nog Joost Zwagerman met De buitenvrouw) een nieuwe kijk hebben op hoe blanken omgaan met niet-blanken. Bij Japin (waarin de hoofdpersonen als onderpand voor slavenhandel werden gebruikt) is dat de onmogelijkheid om volledig te assimileren in de Nederlandse samenleving (en evenmin in Indië). Bij Noordervliet de gevolgen van een mislukte adoptie (en als tweede verhaallijn ook de slavenhandel). In jouw zie je ook de ongemakkelijke houding van de blanke ex-koloniaal, die na de missiepaters en de zendelingen, na de ontwikkelingswerkers eigenlijk met de handen in zijn haar zit. In Peru kom je bij een project zelf tot de conclusie dat er niets veranderd of verbeterd moet worden aan de manier waarop mensen hun eigen irrigatiesysteem hebben opgezet. In Zuid-Afrika waar je in bijzijn Antjie Krog discussieert met studenten op een universiteit, verzucht zij: ‘Blanken hebben geen argumenten meer.’ Zij wil zelfs ‘zwart’leren denken. ‘En dat gaat veel verder. Daarvoor moet je eerst zwart worden.’

    De overeenkomst tussen al die boeken is dat jullie de onmacht beschrijven van de positie van de blanke. We willen geen slaven meer, we willen niet meer bekeren, we krijgen door dat de meeste ontwikkelingsprojecten weinig zoden aan de dijk zetten. En wat moeten we nu?
    Daar gaan die boeken over.

    Goed voorbeeld, Mike!
    Dat internetcafe op de Ramblas staat daar niet voor niets: ik reserveer er de huurauto waarmee ik het stadje Banyoles binnenrijd. Als 19-jarige had ik daar ooit staan liften, foeterend op Spaanse automobilisten als zijnde ‘xenofobe types die zich afgezonderd in hun blikken schulpjes voortbewogen’ (p 11, een opmerking die natuurlijk meteen al raakt aan het onderliggende thema van m’n boek). Om die reden wilde ik per se als automobilist Banyoles opnieuw bezoeken, en dan, uitkijkend naar lifters, merk ik op: ‘Doorrijden of stoppen voor iemand die twee tellen inj je blikveld verscheen; ik was benieuwd naar de onzuivere criteria die ik zou aanleggen, maar werd door niemand op de proef gesteld’ (p 165). Om dus die twee zinnen met daartussen 150 bladzijden tekst naar elkaar te laten verwijzen heb ik dat internetcafe op de Ramblas bezocht, er een auto gehuurd en de setting gebruikt om er ook de losse eindjes van het hoofdstuk Grand Cafe der Noviteiten aaneen te knopen – p 128)
    Frank

    “De daken van Banyoles glommen in het winterlicht- zonder dat er een levende ziel te bekennen was. Dit decor bleef een paar tellen intact, totdat het zich vulde met het gegil en gegiebel van een leeglopend klaslokaal. Meisjes met vlechten vedrongen zich onder een luifel van Chocolates Torras, om vervolgens een voor een met een dampend bekertje in de hand uit te zwermen.” (p.17)
    Frank, hield je tijdens de vele omzwervingen ook dagboeken bij, waaruit je voor dit soort passages kon putten? En heb je er daar nog meer van? Voor toekomstige boeken? Of moet je eerst weer op reis?

    Mike,
    Er is de herinnering, er is het stapeltje vakantiefoto’s, de oude agenda met her en her wat aantekeningen, de vriend die erbij was… Maar dan begint pas de reconstructie. De passage die je aanhaalt is uit 1983, gezien door de ogen van een 19-jarige. Ik had dat bezoek aan Banyoles niet kunnen beschrijven als ik niet – in januari 2003 – naar dat stadje was teruggekeerd, waar ik de platanen langs het meer, de Plaza Mayor en het Pension Comas direct herkende. Aangezien de plaatselijke chocoladefabriek een minieme rol speelt in het boek (vele jaren later zullen er chocolaatjes in de vorm van El Negro worden geproduceerd), heb ik de naam ervan opgezocht, en mij ervan vergewist dat destijds in de zijmuur van het Darder-Museum voor Natuurhistorie een kiosk was gevestigd waar chocolademelk werd verkocht. Dat hadden we gezien, maar we hadden de merknaam ‘Chocolates Torras’ natuurlijk niet onthouden.
    Frank

    Frank,
    Een andere associatie die opborrelde. Wat
    hiervan te denken? Een moderne Jules Verreaux?

    Coen, je uiteenzetting is glashelder. Ik weet alleen niet zo goed wat ik er mee aan moet. Dat lijkt me het domein van literatuurwetenschappers en recensenten.
    Frank

    Dag Frank, Dan ga ik op de valreep proberen om het maar te interpreteren. Ik zou je boek uiteindelijk opvatten als een poging om onder woorden te brengen dat wij de goede antwoorden niet meer hebben. Emma Brunt verweet je in HP/De Tijd dat je juist al die vragen oproept (zonder zelf een antwoord te geven). Volgens mij is dat bewust. Zou je een antwoord hebben gegeven dan was het waarschijnlijk een politiek pamflet geworden, terwijl het nu juist een boek is waar iedereen zijn eigen conclusies uit kan trekken. Ik prefereer jouw methode.
    Coen

    Mike,
    Die lijkenshow van Gunther von Hagen, tja. Hij appelleert aan de griezel-behoefte van het publiek, en speelt tegelijk een vernuftig spel met ethiek en esthetiek… Ik heb hem in mijn vertelling over El Negro buiten beschouwing gelaten, omdat het mij te doen is om de ras- en cultuuropvattingen van de Europeaan over de Afrikaan. Jules Verreaux was destijds, anders dan Gunther von Hagen nu, niet de grenzen van de moraal aan het aftasten, hij was ook geen kunstenaar, eerder een natuurvorser (en een handelaar) met een passie voor de uitheemse soort, de exoot.
    Frank

    Bandiz: ik heb uw laatste boek niet gelezen, wel lees ik op dit moment ook van uw hand het boek “Ingenieurs van de ziel” uit 2002. Kunt u in het kort uitleggen of u meer boeken heeft geschreven over de grootte mislukte Russische drooom? En dan met name dit onderwerp in relatie tot de schrijver Paustovskij ?
    “Ingenieurs van de ziel” uit 2002 is een boek over de keerzijde van de droom van communitisch Rusland, toegespits op grootte mislukte projecten rondom de Kaspische zee daar gaat volgens mij “Ingenieurs van de ziel”  over, ik ben pas halverwege. In  “Ingenieurs van de ziel”  wordt o.a.  de relatie tussen de Paustovskij ‘s
    “De baai van kara-bogaz” en het mislukken van de afsluiting met een dam tussen de Kaspische zee en de baai van Kara- Bogaz. Enerzijds ben ik als lezer van Paustovskij blij dat Paustovskij sprookje wordt doorgeprikt. Niet alle mooie woorden van Pautovskij blijken in werkelijkheid mooi te zijn, veel beelden die Paustovskij geeft blijken niet met de realiteit te kloppen, althans volgens het boek van Frank Westerman.
    Anderzijds is het misschien wel jammer dat de mooie verhalen van Paustovskij worden doorgelicht, of is het doorgeprikt ?   want “De baai van kara-bogaz”  blijkt op waarheid te berusten, het boek verliest aan kracht en een droom gaat verloren. Sprookjes bestaan niet dat is denk ik vooral de conclusie die we moeten trekken, uit journalistieke docu boeken, maar dat wisten we toch al? Geen enkele schrijver kan beweren dat hij de zuivere waarheid in zijn geschriften openbaart. Gelukkig maar, want er bestaat niet zoiets als de waarheid !
    En de waarheid is veranderlijk, verandert met de tijd mee, goeie schrijvers die tijdloze verhalen schrijven nagelaten, die zijn echter niet talrijk aanwezig.
    En daar gaat het denk ik om in de literatuur, de mens weet toch eigenlijk al op z ’n minst 2000 jaar dat het leven shit is en dat er geen sprookjes bestaan.
    De waarheid is een saaie dooie boel, en de taak van de schrijver is door zijn stijl daar swing in te brengen, niet zozeer vergif maar vooral een leesmoment te geven om te kunnen dromen weg van de dagelijkse beslomeringen.
    Als een schrijver dat voor elkaar krijgt is hij wat mij betreft een groot schrijver, want wie is er nu geïntereseerd in de dooie saaie waarheid ? Daarom is mijn vraag aan u “Wat is de bedoeling van uw ontmaskerings journalistiek?”

    Beste Bandiz,
    ‘Ingenieurs van de Ziel’ gaat over schrijven (en over schrijverslevens), maar dan in het bijzonder over schrijven onder een totalitair regime. Een roman op bestelling van Stalin persoonlijk – wat vergt dat van de auteur, van zijn talent en van zijn integriteit? Paustovski is ooit in die positie beland, hij heeft in opdracht van deze ‘vriend van de gehele arbeidende mensheid’ (zijn woorden) de bouw van het Wolga-Don-kanaal bezongen in een boek getiteld De geboorte van de zee. Ik vertel daarover in Ingenieurs van de Ziel, het is slechts een van de vele voorbeelden, maar wel een waar ik van alles over wilde weten. Niet om Pautsovski te veroordelen, maar om beter te begrijpen hoe literatuur eruit gaat zien als achter elke censor een grijnzende kampbewaker staat, en wat dat met een auteur doet. Wat je ziet gebeuren is dit: uit angst wordt alle drama uit de romanpersonages weggelaten, en in plaast daarvan hoopt de dramatiek zich in overstelpende hoeveelheden op in het leven van deze schrijvers. 
    En die laatsten heb ik dan weer tot protagonisten gemaakt van mijn boek.
    Frank

    Mike: Frank,
    Ja ik zie het, von Hagen zou eerder in een toekomstwereld leven waarin kleur er niet meer toe doet, en je de huid zo in je hand kan houden. Na negen kleine vragen heb ik mijn kruit verschoten.
    Ik dank je voor de toegewijde beantwoording de afgelopen week en vooral voor je boek- dat spiegelpaleis van betekenissen.
    Al het beste.
    Mike

  • Interview Saskia de Coster

    Interview door Patrick Bassant en Kurt Snoekx

    Onlangs publiceerde Saskia de Coster (1976) haar derde roman, Eeuwige roem. Volgens haar uitgever: de grote doorbraak. Volgens de feiten: Eeuwige roem is al aan een tweede druk toe. En dat is zeer verdiend. Saskia de Coster debuteerde in 2002 als romanschrijver met Vrije val. Twee jaar later bracht ze Jeuk uit, een al even zinnelijk uitdagend boek met (op het eerste gezicht) buitenmenselijke personages en gebeurtenissen; ware geestesconstructies met onderbouw. Eeuwige roem bezit evenzeer die krachtig beeldende figuren, maar vangt realistischer aan: Katrien Ongena, een succesvolle advocate, wordt zwanger. Zij en haar man, de al even succesvolle Pieter Smit, leiden tot dan toe een mooi en glad bestaan met hun dochter Laura en de hond Prins. De komst van baby Babs maakt geleidelijk aan een einde aan die gelukkige rimpelloosheid. Babs, een pracht van een kind, blijkt een kleine godheid te zijn: ze is alles, ziet alles en weet alles – dacht ze zelf – en is op tweejarige leeftijd al even lucide als de eerste de beste emeritus levenswijsheid. Haar complexe en doorwrochte gedachten brengen haar tot het schrijven van het Boek vol Wijsheid. In de chaos van hoofd, luiers en familie krijgt ze voor dat schrijven de hulp van een wijze en ordelijke tulp op de vensterbank.

    Naast Babs volgt Eeuwige roem – parallel – de lotgevallen van Julie, een meisje dat er plots gewoon is, en in de club Aspro wordt opgevangen door de wondermooie Olivia Vansteen en haar dichter-vriend Jupiter. Julie belandt al snel in een gesticht en later in een jeugdgevangenis, trekt als vijftienjarige naar Japan om daar in een kooi op het erepodium van een nachtclub te verzeilen en in alle stilte het beste van zichzelf te geven. Alle ogen op haar gericht, het soort aandacht dat eenzaamheid verdrijft.

    Geen betere reden voor een afspraak in de Kruidtuin van Brussel en een gesprek over rare mensen, ezels en explosieve holen, graffitikunstenaars, identiteiten, chaos en orde, mannen en natuurlijk Pepsi Max.

    We beginnen graag met een citaat: ‘Julie was eigenlijk een onhandelbaar kreng, maar wij kicken daar nogal op.’ Ook in je ander werk komt bijna geen normaal personage voor. Vanwaar jouw interesse in krengen en vreemde figuren?

    ‘Ik heb nu nochtans geprobeerd om het realistischer te houden…’

    Een voorbeeld dan: Greta, de zevenduizendachttienjarige schoonmaakster van de familie Smit-Ongena?

    Er zijn toch mensen, bijvoorbeeld in je hoofd, van wie je niet weet hoe oud ze zijn? Die lopen voorbij, als een soort achtergronddecor, er komen schimmen voorbij van mensen die bestaan, en eeuwig bestaan lijken te hebben. Ze doorsnijden levens, zijn altijd aanwezig en hebben geen echte leeftijd. Dat kan net zo goed een kantoorklerk van vijfentwintig jaar zijn. Greta wordt gedurende het boek niet ouder, ze is eigenlijk helemaal versteend, verstard tot een klomp die alle ervaringen van de wereldgeschiedenis in zich heeft opgeslorpt. Van daaruit kan ze projecteren naar de toekomst, zoals Cassandra kan ze zien wat er gaat gebeuren. Maar je vroeg iets over abnormale mensen?’

    Zoals de schildpad die een kopje suiker komt halen bij haar zusje, twee straten verderop?

    Zo raar is dat niet. De werkelijkheid is veel meer dan ‘gewoon’ een tafel. Ik neem een realistische situatie en plooi die open. Alsof overal een camera in zit. Als je een camera in een tafel zou plaatsen, krijg je toch een perspectief dat iets tot leven wekt? Dat is eigenlijk een vrij filmische techniek.’

    Zoals de kogel die door de stad vliegt en waarop ook een cameraatje bevestigd is? Die kogel die na een pauze een tweede slachtoffer maakt.

    Kogels moeten soms rusten. Misschien zijn er op de hele wereld maar vijf kogels. Die zijn zeer ijverig en doen hun best in allerlei verschillende tijdslagen die zo gemonteerd zijn dat het wel klopt.’

    Het gekke is dat die kogel eigenlijk realistischer overkomt dan Agent Rik, die achter de kogel aanrent

    Ja, dat is het. Het zogezegd fictionele is veel realistischer dan het dagdagelijkse. Die zogenaamd abnormale mensen zijn eigenlijk redelijk doorsnee. Sommige zijn zelfs clichés: de rocker die zijn vrouw tot moes klopt, of Julie die van het ene ongeluk in het andere valt: de belachelijke tragiek van schoonheid.’

    Je spreekt daar over realiteit en verbeelding. Die tweedeling komt ook ter sprake op het moment dat Babs haar eerste schooldagen beleeft, en ze tot haar afgrijzen vaststelt dat ze haar identiteit als een jas moet afleggen om in een soort niemand te veranderen.

    Als baby dacht ik: oké, ik ben God. Dat is dan een autobiografisch element. (lacht) Alle mogelijkheden in je hebben, alles doorzien, alles weten. Het is gewoon een kwestie van alles even op te schrijven. Dat wordt natuurlijk afgekalfd, maar het komt eropaan om invloeden op te doen en zelf te selecteren. Wat veel gebeurt, is dat karakters helemaal afglijden of uitgehold worden door in een maatschappij terecht te komen en daar alles los te laten. Zo wek je volgens mij heel veel angsten op. Die gewone maatschappij bestaat uit uitgeholde personen die zo sterk op elkaar moeten leunen dat, als er een vreemd element binnendringt, het hele systeem in duigen valt. Dan is er paniek: wat moeten we nu nog geloven? Wat is de echte waarheid?’

    In haar Boek vol Wijsheid promoot Babs eigenlijk de verbeelding, ze voelt zich echt tekortgedaan op die school. Maar op een bepaald moment – en dat vonden we heel frappant – wordt de vraag gesteld: ‘brengt orde gemoedsrust?’. Die vraag staat in een schril contrast met het woord ‘kakafonie’ dat Babs op de rug van haar vriendje, de Koreaanse adoptiejongen Kim, tekent. Is dat symbolisch? Heeft verbeelding kakafonie nodig? Of is orde een even grote vereiste?

    ‘Ja en nee, ik denk dat het allebei nodig is. Vanuit de totale chaos omhoog kruipen is extreem moeilijk. Ik denk dat je sowieso een set persoonlijke regels nodig hebt of één waarheid, dé Waarheid, een eigen soort bijbel. Er is gewoon nood aan een bijbel, dat is wel duidelijk. Waarom? Om die als leidraad te gebruiken, of juist tegen te spreken. In fictie heb je gewoon extremen nodig, en in het echte leven ook, denk ik. (lacht)’

    ‘Het loopt dan niet goed af, maar dat is niet erg, want er moet altijd een motor zijn, een soort transformatie. Je kunt vragen: wat is er autobiografisch en wat niet? Er zijn altijd ervaringen die je ergens opschrijft, en dat is dan helemaal niet gericht op details als ‘daar drink ik een glas water’, of ‘op dat moment had ik dat lief’, maar juist op het moment waarop je ervaringen om kan buigen en om kan vormen, en dat kunst of literatuur verder kunnen gaan. Er is nood aan vernieuwing.’

    ‘Dat autobiografisch geschrijf dat slechts één dimensie weergeeft, dat gewoon de directe gevoelens, de stoelgang of de bedavonturen van weet-ik-veel-wie weergeeft, goed, dat lees ik wel graag op de wc, maar op mij heeft dat geen transformatieve kracht. Dat valt onmiddellijk plat op z’n gezicht, dan is het weg. In dit boek vind ikzelf dat het einde het begin is, omdat het daar van start gaat in een hiernamaals.’

    Er zijn meer bepalende figuren in je boek. Naast de wij, die niet echt ingrijpen, en de tulp die Babs de houvast en orde aanreikt die ze nodig heeft om haar Boek vol Wijsheid te schrijven, heb je de fascinerende S., die tegelijkertijd de graffitikunstenaar is die de boodschap ‘Julie uit u’ achterlaat, die de stichter is van de Sterfelijken, een groepering die zich keert tegen de overouderdom en de groeiende onsterfelijkheid, en in Nepal de natte aars van een ezel op wil blazen als terroristische daad, en ten slotte ook de schutter is die de ene kogel afvuurt die zowel Michael – Julies vriend – als Ruben – Babs vriend – treft.
    Die S. die zo vaak voor keerpunten zorgt, ben jij dat? Is het de S. van Schrijver? De schrijver die effectief in staat is haar personages een bepaalde richting in te duwen?

    Dat vind ik een goede opmerking… Ja, je moet altijd het evenwicht zoeken tussen aan- en afwezigheid. Je kunt als schrijver niet helemaal in het niets verdwijnen, je moet je tegenover je personages nederig en slaafs opstellen om ze helemaal te volgen. Dat vind ik het moeilijke aan het schrijven, als je denkt: ‘dit is nu mijn plan, structuur, stramien’ en dat dat plan omgegooid wordt door de personages die het een andere kant op stuwen. Inderdaad, ergens zit er een hand van de schrijver achter die gaat frutselen en de touwtjes weer naar zich toehaalt en zegt: ‘nu doen we iets anders’. Dat is het ontplofbare van de werkelijkheid. De werkelijkheid vind ik juist zo interessant omdat je haar kan opblazen en injecteren met iets, waardoor er meer komt.’

    Er zijn ook andere referenties aan het schrijverschap. Op pagina’s 136-138 staat telkens maar 1 woord (GEEN/ GEDULD/ HEEFT). Het gaat daar over Babs en haar Boek vol Wijsheid: ze heeft tal van ideeën, maar schrijft ze niet op omdat ze niet het geduld heeft om ze leesbaar te maken. Is dat een soort reflectie van jouw manier van schrijven?

    Nee, dat is de gefrustreerde schrijver, of de slechte schrijver. Eigenlijk iedereen die zich ingesteld heeft op de gedachte ‘ik heb heel interessante ideeën en vroeger op school heb ik echt wel heel goeie dingen geschreven, en nu ik 50 ben en niet meer weet wat ik moet doen, mijn kinderen zijn het huis uit, misschien moet ik maar eens wat gaan schrijven’ en dan tot de vaststelling komen dat vijf seconden concentratie om het ultieme op papier te knallen niet werkt. Ze merken dan dat ze het geduld niet hebben om het te doen. Volgens mij is schrijven ook gewoon de wil om het te doen, om ermee bezig te zijn.’

    In je interview met Joël de Ceulaer in de Knack Boekenspecial van 5 april jl. zeg je dat je echt móet schrijven, dat het een echte noodzaak is.
    Ja, dat is god die mij dwingt. Ik word onbehaaglijk bij het idee dat ik niks zou maken.’

    De moeder van Babs, Katrien Ongena, komt in het eerste hoofdstuk over als de perfecte vrouw, de perfecte moeder, maar haar is niet echt een gelukkig leven beschoren.

    Ja, het begin heeft eigenlijk de sfeer van ‘wat een paradijs’ en ‘wat een verrukking in het bestaan’, zo overdreven dat het gedoemd is te mislukken, dat er een twijfel binnensluipt: kan dit wel volgehouden worden? Kan dit zo verder?’

    ‘Katrien Ongena faalt omdat ze enerzijds niet durft te rouwen, omdat ze niet durft te zeggen: kijk, ik heb dit en dat verloren en nu sta ik eigenlijk nergens. Als dat rouwen tegengehouden wordt, vormt dat een enorme blokkade, dan kan er niets gebeuren, en dan is verzuipen in een badkuip nog wel een goede optie.’

    Het vreemde is dat Babs in het begin nog wordt geportretteerd als een bijna buitenaards perfect kind, maar ze heeft niet de motivatie om haar moeder vooruit te helpen, terwijl je van een perfect kind verwacht dat het respect heeft voor haar ouders, en meer van die geboden?

    ‘Babs promoot eigenlijk een soort hyperindividualisme, ze bouwt zichzelf uit, maakt vertakkingen, vergroot die en houdt ze in stand; ze blikt niet terug in de zin van: ik moet mijn voorvaderen helpen. Dat zit wel sterk in het thema van de terugblik of de vooruitblik: ze weigert verantwoordelijkheid op te nemen voor een verleden dat eigenlijk niet van haar is. Dat is ook het implosieve en incestueuze van families: kinderen die altijd plichten hebben tegenover de ouders; dat is wat Babs veracht.’

    Babs is meer iemand waar anderen in bewondering naar kunnen kijken, maar die eigenlijk geheel op zichzelf staat, ze heeft niemand nodig. Want vanaf het moment dat ze iemand nodig heeft, wordt ze niemand, of zoals iedereen. Hooguit trekt ze veel met haar zusje Laura op, die haar ook na haar dood blijft bezoeken. Dat is ook een bijzonder personage: dood en springlevend.

    ‘Laura had evengoed niet kunnen bestaan. Het is gewoon iemand die je altijd blijft achtervolgen, een soort eeuwige begeleider. En of die nu dood of levend is, dat maakt niet veel uit. Ik vind het ook vreemd dat de dood een breuklijn zou zijn. Dat is zo cynisch gegroeid: dit is nu het grote eindpunt. Ik vind het wel redelijk spannend om te weten dat er nog een dood komt! Geweldig! Ik kijk daar zelf wel naar uit, omdat ik weet dat er dan nog heel veel komt, of: dan komt het echt.’

    En bij jou is de dood niet de situatie die een tien op je universele pijnschaal verdient? ‘Nul is een massage, bij tien worden oogbollen en geslacht simultaan door zwavelzuur traag weggevreten terwijl vijftien heksachtige, harige vrouwen met rietjes door de huid proberen te prikken om de organen uit de zak van het lichaam te zuigen op de maten van luide countrymuziek’?
    Dat kan de dood wel zijn, maar je moet de dood verdienen. Het lijkt me eigenlijk wel kicken… (gniffelt)’

    De Coster neemt een strategische slok thee en zwijgt. Wij nemen de draad weer op bij geld, roem en alwetendheid. Er wordt in Eeuwige roem veel en nadrukkelijk Pepsi Max gedronken (‘Don’t worry, there’s no sugar’). Hoeveel heeft Pepsi je betaald voor deze reclame?

    Die gaan mij levenslang Pepsi Max geven. Ik ga dat intraveneus toegediend krijgen. Het is een godendrank, moderne nectar! De motor van mijn bestaan, eigenlijk. Coca-Cola light is gewoon onnozel. Vooral die met die citroensmaak. Geen goed idee.’

    Het boek lijkt volledig te worden verteld door de ‘wij’. Allerlei mysterieuze personages, misschien geen personen, die overal bij lijken te kunnen zijn, maar dat toch niet doen. In het begin krijg je het idee dat die ‘wij’ absoluut en alwetend zijn, maar dat brokkelt stilaan af, er vallen bewust gaten. De ‘wij’ zeggen op welbepaalde momenten: hier volgen we niet. Waarom?

    Dat heeft te maken met het cliché van de alwetende verteller uit vorige eeuwen, de verteller die alles gaat poneren en beweren, een soort Grieks koor dat commentaar levert. Er zit nu een lichte vorm van ironie in misschien, het zijn een soort camera’s die alles kunnen registreren, maar soms uitgeschakeld worden en die selectief zijn in hun alwetendheid. Alles wordt nu geregistreerd: de CIA weet dat wij nu hier zitten en wat wij over een suikerklontje hebben gezegd. De vraag is: is dat belangrijke informatie? Zijn wij nu een terroristische aanslag aan het voorbereiden of zijn wij gewoon over letteren bezig?’

    Ter bevestiging van dat laatste, en na het spotten van camera’s, microfoons en bizar onopvallende lui met zonnebrillen en gaten in hun krant, besluiten we kortstondig alle aandacht van Staatsveiligheid af te leiden. Het valt ons op dat de meeste mannen in dit boek niet bepaald sympathiek zijn. Ruben, Babs’ geliefde en leider van de Sterfelijken, is net als Michael, Julies geliefde en populair rockmuzikant, iemand met losse handjes. Julies ‘vader’ verlaat haar, een man die ze ontmoet tijdens een van haar vele nachtbraakpartijen zorgt ervoor dat ze in Japan in de prostitutie terechtkomt.

    Nu moet ik zo’n statement maken, als ‘alle mannen zijn slecht’, maar misschien heb je ook opgemerkt dat de vrouwen in dit boek gecensureerd worden, of zichzelf censureren. Ook zij zijn bedriegsters. Julie is eigenlijk een grotere bedriegster dan de rocker Michael, maar ze zegt dat gewoon niet. Ze heeft nogal de neiging alles te projecteren, en de prenten die op welbepaalde plaatsen voorkomen en die sterk mannelijk zijn, gaan dat tegen. Ik heb juist de clichés van vrouwen zo dik aangezet, om te tonen hoe idioot en belachelijk dat zelfbeklag van vrouwen is: ‘oh, ik word mishandeld, help mij, ik ben een weerloze vrouw’. Ik geloof daar helemaal niet in. ‘

    ‘Die clichés van de mannelijke structuur van de maatschappij, vrouwen vinden daar uiteindelijk wel hun weg in, of ze kunnen zich daar heel gemakkelijk in bewegen, omdat ze aan van alles kunnen ontsnappen. Ik geloof ook helemaal niet in de tweedeling van mannen zijn zus en vrouwen zijn zo. Ik ken mijn eigen mannelijkheid of vrouwelijkheid ook niet. Daarom ook de verglijdende seksuele geaardheid in dit boek. Wie is er hetero? Bij vrouwen is het totaal onduidelijk. Alle vrouwen zijn bi, op z’n minst. Dan kan je je wel afvragen wat het mannelijke of het vrouwelijke element is, maar alles loopt door elkaar. ‘

    Maar tegelijkertijd lijkt het alsof je dat bij mannen wel expliciteert, en het bij vrouwen aan de lezer overlaat.

    Op sommige momenten wordt dat, hoop ik, toch wel onderuitgehaald. Als Julie bijvoorbeeld een huurmoordenaar inhuurt, dat zijn van die slinkse smerige technieken die vrouwen eigen zijn. Wat ik dan wel een rol heb laten spelen, is het feit dat het boek zogezegd door een vrouw geschreven is, zo zal het dan ook worden gelezen. Daar ben ik dan van uitgegaan, om die vrouwen zogezegd op te hemelen. Een slimme lezer zal dat doorzien en zeggen: ‘Wacht even, dat klopt niet.”

    De personages die het meest aan zelfbeklag doen, zijn gek genoeg Katrien Ongena en de moeder van Greta, die Greta een hele nacht wakker houdt om zichzelf en haar eenzaamheid te beklagen, en niet Julie en Babs, die eigenlijk veel meer beklagenswaardige dingen meemaken. Zij lijken een soort apathie te bezitten tegenover die gebeurtenissen. Het lijkt of ze te beklagen zijn, maar tegelijkertijd zetten ze zich er heel snel over.

    Ik vind zelfbeklag één van de meest walgelijke dingen, als dat gerekt wordt in de tijd. Een rouwproces is voor mij gewoon: ‘haren afscheren’ en ‘kleren kapotscheuren’. Zo hoort dat. En niet een soort sluimerende rouw die rottigheid met zich meebrengt en mensen totaal aantast in hun hele doen en denken. Dat leidt tot anomalieën, ook op maatschappelijk vlak: een soort uitgestelde rouw, het niet kunnen omgaan met een bepaald verleden. Een wonde moet helemaal worden blootgelegd, opdat die kan ademen en helen.’

    ‘Je moet niet heel voorzichtig dingen aanbrengen Ik geloof daar niet in. Zelfbeklag is ook weer zo’n vorm van implosie, een houvast zoeken en eigenlijk terugkeren naar een toestand van misère, van zinken tot de bodem van de oceaan.’

    Je geeft ergens een soort schets van de samenleving: ‘Voor de eerste keer had Julie het gevoel dat ze iets begreep van het land en zijn bewoners; de bange mensen die als kameleons wegschieten voor haar voeten, de oude mensen met hun harten van gesponnen suiker en hun monden vol valse tanden, de eerbare burgers die rondlopen alsof ze hun hart onder de ene arm, de afscheidsbrief voor hun geliefde onder de andere arm en een explosievengordel op hun buik dragen; zo triestig lijken ze, zo ernstig. Levens slepend als een eeuwige motregen.’Vind je het belangrijk zo’n beeld mee te geven? De doffe wereld? Of is het meer het cliché van iemand die door een verblijf in Nepal zichzelf en de wereld opeens helder ziet?

    Ach, die zelfkennis… Julie gaat wel naar Nepal, maar hangt gewoon in hotels, ze zoekt een goeroe die ook niet veel voorstelt. Nee, zo’n beschrijving van een land vind ik wel belangrijk. Het is meer dan een sfeer. Een algemene mindset van een maatschappij, het slepende, het voortgaan, niet tegen beter weten in, maar heel passief, in een soort amoebetoestand. En als er dan in geprikt of gepord wordt, dan beweegt dat wel, maar verder gebeurt er weinig.’

    Is dat dan een pleidooi voor de verbeelding?
    Verbeelding aan de macht: ik vind dat zo vreselijk klinken, jakkes. Ik denk nooit: ik ga eens even lekker liggen fantaseren en opgaan in mijn droompjes. Dan word je helemaal psychotisch! Je kan niet de hele dag drugs gebruiken en besluiten: oké, nu zit ik in de verbeelding. Ik vind dat literatuur idealiter betekent: een denkbeeldige steen in een echte vijver gooien en er dan voor zorgen dat er iets beweegt in die vijver, dat er iets gebeurt. Dus ja, mijn boek is wel een pleidooi voor de juiste verbeelding.’

     

    7 april 2006 | Botanique, Brussel

     

  • Interview José Bouman, conservator van de Bibliotheca Philosophica Hermetica

    Mike Naafs in gesprek met José Bouman, conservator van de Bibliotheca Philosophica Hermetica. Naafs liet zich rondleiden door de grootste particuliere bibliotheek van Nederland, gespecialiseerd in rozenkruisers, hermetica, alchemie en mystiek.  

    Wanneer is de bibliotheek opgericht?
    Als instituut in 1984, toen ging hij open voor het publiek, daarvoor was het de almaar groeiende huiskamerbibliotheek van de heer J.R. Ritman.

    Is bekend wanneer de heer Ritman zijn eerste fascinatie opdeed? 
    Jazeker, hij was toen 19, en kreeg van zijn moeder een boek van Jakob Böhme uit 1700. Hij realiseerde zich toen voor het eerst dat een bepaald soort oude boeken nog steeds te koop waren. Hij had al met het gedachtegoed kennisgemaakt omdat hij opgroeide in een familie van moderne rozenkruisers. Daar vielen namen als Hermes Trismegistus en Böhme wel vaker. Op zijn negentiende is hij in die belevingswereld gedoken en heeft hij geprobeerd om de echt oude drukken van die auteurs bij elkaar te brengen. Ritman wil ook graag tijdens zijn leven de verzameling min of meer afronden.
    Hier komen de mensen onze bibliotheek binnen en gaan ze rondneuzen, er staan hier bij elkaar een kleine 20.000 moderne boeken. In glazen kasten.

    Dat is de tentoonstellingsafdeling. We hebben altijd een tentoonstelling uit de eigen collectie. Die vertellen waar het over gaat, het zijn de bronnen. En alle boeken die je hier in de kast ziet vormen het studiemateriaal eromheen.

    Secundair?
    Daar kan iedereen in grasduinen. Het staat zodanig in de kast dat je heel gemakkelijk van het ene op het andere komt. Ze zijn bewust zo in de kast gezet, op onderwerp, alles over bijvoorbeeld Jakob Böhme, een van onze geliefde auteurs, een luthers mysticus uit de zeventiende eeuw, bij elkaar. Maar er staan niet alleen werken van en over Böhme, maar ook boeken die de hele context, periode en tijdgenoten behandelen.

    Ook geschiedkundige werken over de periode van Böhme ?
    Dat wat minder. We gaan er vanuit dat het niet nodig is die boeken te verzamelen die je in een gewone bibliotheek ook kan vinden. Ons doel is om alleen maar die speciale dingen, die echt heel erg tot onze collectie behoren en die nergens anders zo specifiek verzameld worden, bij elkaar te brengen. Grofweg behelst dat vier rubrieken: mystiek, alchemie, rozenkruisers en hermetica. De hermetica had ik eigenlijk als eerste moeten noemen, dat is het overkoepelende begrip.

    De ene noemer waar alle 20.000 boeken onder vallen?
    Ja, ja.

    Maar zijn al die bewegingen, tradities en verschuivingen nog wel wetenschappelijk te achterhalen?
    Je weet als historicus nooit hoeveel er verloren is gegaan, hoeveel je niet weet. Je denkt dat je heel veel hebt, maar je weet ook nooit wat er daarvoor bestaan heeft.

    Pardon, u vertelde over de belevingswereld van de rozenkruisers.
    De moderne rozenkruisers zijn een gnostisch kerkgenootschap…

    Ketters?
    Nee hoor, erkend door de Nederlandse staat.

    Maar vroeger?
    Ja, de rozenkruisers uit de zeventiende eeuw werden als ketters beschouwd en door de bestaande kerken bestreden. Een interessante bijkomstigheid is dat de figuur waar de beweging van de rozenkruisers om draaide, Christian Rosenkreuz genaamd, helemaal niet bestaan heeft, net als Hermes Trismegistus overigens…

    Wat bedoelt u met ‘ helemaal niet bestaan heeft’?
    Hermes Trismegistus is geen historisch figuur, hij leefde in de gedachten van de mensen. We kennen alleen legenden over hem. Men dacht dat hij een filosoof was die nog vóór Mozes leefde, en ook dat hij de Egyptische god Thot was.

    Een god?
    Ehm, een halfgod, die ook op aarde heeft rondgelopen en leraar is geweest, en heel veel boeken geschreven heeft waar er maar een paar van bekend zijn. Aan de stijl kun je zien dat er meerdere auteurs achter moeten zitten. Ze stammen niet uit dezelfde pen, ze verschillen heel erg in visie. De één is somber over het aardse leven, de ander veel optimistischer; kortom, ze kunnen nooit allemaal van één hand zijn.

    Net als Hermes heeft ook Christian Rosenkreuz, een andere figuur die centraal staat in onze collectie, niet echt bestaan. De rozenkruisersbeweging uit de zeventiende eeuw was volkomen gebaseerd op het idee dat Christian die beweging gesticht zou hebben. Het zou een broederschap van broeders zijn, die hij in het leven had geroepen, die moesten uitzwermen over de wereld om steeds weer nieuwe broeders te benoemen. Maar Christian heeft nooit bestaan. De hele beweging heeft nooit bestaan. De rozekruisersbeweging was een papieren beweging: er zijn nooit officiële samenkomsten geweest.

    Wat bizar
    Ja, dat kwam omdat het zo ontzettend radicaal was.

    Waarin bijvoorbeeld?
    Honderdjaar na Luther kwamen ze opnieuw met de hervorming. Die eerste was niet goed geweest. Het moest opnieuw. Wetenschap, religie, onderwijs en de geneeskunde moesten hervormd worden. En wel op hermetisch-gnostische basis.

    Een theologische wetenschap?
    Die scheiding was natuurlijk niet strikt. Paracelsus is in onze tijd het meest bekend als arts, de voorloper van de natuurgeneeswijze, maar hij noemde zichzelf theoloog. Als je je bezighield met de natuur, en probeerde te herstellen wat fout was gegaan in de natuur – ziekte – dan greep je in ín de goddelijke orde. En dan moest je wel goed begrijpen hoe God het dan bedoeld had, anders zou je het vervolgens niet kunnen rechtbreien. Voor hem was de kosmos door God gemaakt en dus in principe ideaal. Alles wat fout was, kwam omdat de mens ergens iets verkeerd gedaan had, of iets niet begrepen had.

    Zijn de termen hermetica en gnosis inwisselbaar?
    Niet echt als je ze in het woordenboek opzoekt, maar ze komen wel dicht bij elkaar. Het gaat over de relatie van de mens tot God en dan hebben we het niet over kerkverbanden. Beide bewegingen – gnostiek en hermetica – zijn ontstaan in de eeuwen rond het jaar nul. Beide in hetzelfde gebied – rond Alexandrië – en hebben alletwee dezelfde invloeden ondergaan. Ze waren dezelfde mengeling tussen filosofie en godsdienst, waarbij de mens zich afvroeg wat zijn plaats in het heelal was en hoe de relatie tot het goddelijke was. Beide zagen ze een mogelijkheid om weer op te klimmen naar de goddelijke oorsprong. En dat was precies waarom ze later het onderspit gedolven hebben. Het was precies waar de Kerk van Rome tegenin ging: de mens was geen soort van halfgod, het was helemaal uit den boze om te denken wat de hermetici beweerden – dat je zelf weer als een god kon worden, als je maar de juiste stappen deed.

    Kwamen ze op kerkpleinen, ik bedoel stadspleinen, bijeen?
    Daar weten we eigenlijk niets van. Er wordt nu wel gedacht dat de eerste hermetici van rond het jaar nul wel degelijk bij elkaar kwamen en dat daar een meester-leerling verhouding was. Hierbij poogde de meester de leerling te onderwijzen, er werd gezongen en gebeden, dat kunnen we nog wel opmaken uit overgebleven teksten. Maar of ze tempels hadden of op andere manieren bijeen kwamen, daar weten we dus helemaal niets van.

    Hoe verspreidden ze dan hun ideeën?
    De zeventiende-eeuwse rozenkruisers verspreidden hun ideeën via zogenaamde ‘Manifesten’ die eerst in handschrift circuleerden en pas een paar jaar later gedrukt werden. Iemand die zo’n manifest in handen kreeg, Adam Haslmaier, werd meteen opgepakt en naar de galeien gestuurd. Het geschrevene was letterlijk revolutionair, het was gericht aan alle hoofden en koningen.

    Waren het vaker de lutheranen of de katholieken die ingrepen?
    Allemaal. Niemand was het eens met de rozenkruisers. Ze werden vooral belachelijk gemaakt. Maar wie het idee van de beweging in gang heeft gezet, weten we niet eens zeker. Eén naam kennen we, dat is Johann Valentin Andreae, die later keurig luthers predikant is geworden en die al heel snel – om zijn carrière te redden – heeft gezegd: ‘Nee, nee, nee, dat was een jeugdzonde van mij, ik neem overal afstand van.’ Hij is de man die dat hele mooie verhaal over Christian Rosenkreuz heeft geschreven, het is eigenlijk een roman waarin Christian een soort inwijdingsritueel volgt, en tijdens een bruiloft…

    Heeft u dat boek ook hier?
    Ja. Het is een roman waar onze voormalige Dichter des Vaderlands ook nog een toneelstuk met de titel Het Chemische Huwelijk over heeft geschreven. U begrijpt wel dat dit onooglijke boekje – het is ook een beetje vies en schuin afgesneden – voor meneer Ritman een van de grote schatten van de collectie is. Dit is het origineel, in 1616 in Straatsburg gedrukt. Het komt zelden op de markt.

    Hoeveel exemplaren werden er nu van zo’n boek gedrukt?
    In die tijd was de oplage tussen de 500 en 1.500 stuks. Maar het aantal dat bewaard bleef… tsja, het werd vaak stukgelezen, het zijn geen rijkelijk versierde boeken, eerder gebruiksromannetjes….

    Manifest en roman tegelijk.
    Ja, op die manier droegen de rozenkruisers hun ideeën uit. Valentin Andreae heeft nog veel meer prachtige romans geschreven, in het Latijn helaas. Klassiekers van de literatuur. Onze bibliothecaris is daar helemaal weg van. Andreae schreef die boeken nadat hij afstand had genomen van de ideeën en idealen van de rozenkruisers. U begrijpt nu waarom ze zo heten, vernoemd naar de hoofdpersoon uit dit verhaal. Van de roman zijn heel veel moderne edities. Het is een buitengewoon leesbaar verhaal dat is ingedeeld in een aantal dagen. Iedere dag komt er een nieuwe proef, en de bruiloftsgasten moeten allemaal aan die proeven deelnemen. Christian doorstaat ze allemaal en wordt ingewijd als ridder van de beweging.

    Het is niet zo wonderlijk dat er nog steeds mensen zijn die geloven in de idealen die in die manifesten werden uitgedragen. Maar het is wel verwonderlijk dat er ondanks allerlei historisch onderzoek nog steeds door sommigen wordt beweerd dat het Broederschap toch echt heeft bestaan. Er komen regelmatig mensen hier die menen te weten in welk klooster Christian Rosenkreuz heeft gezeten of die weten waar hij gestudeerd heeft. Volgens de legende heeft hij veel gereisd, door het Nabije Oosten en door Europa om overal kennis op te doen. Hij zou bijvoorbeeld in Fez geweest zijn. Er was hier eens iemand die zeker wist dat boven de deur van de universiteit van Fez staat dat Christian Rosenkreuz hier gestudeerd heeft. Hij had ’t zelf gezien!

    Hoe een romanfiguur kan uitgroeien tot een historisch figuur.

    Hermetische renaissance
    In onze westerse filosofie en cultuur zitten overal verwijzingen naar de hermetica, alleen herkennen wij ze veelal niet meer. Het is verbazingwekkend waar je het allemaal tegenkomt. Het blijkt altijd een beetje genegeerd, in de verkeerde hoek geduwd en – als overblijfsels uit een tijd dat men nog in magie geloofde – bewust belachelijk gemaakt. Dat is pas een beetje goed gekomen in de afgelopen eeuw. Eén van de eersten die zich daarvoor heeft ingezet was Francis Yates. Zij onderzocht de kunstgeschiedenis van de Italiaanse Renaissance. Zij keek naar de kunst en stuitte op dingen die ze niet begreep. Ze kwam terecht bij de hermetica en heeft zich daar vervolgens op geworpen. Zij beweerde dat de renaissancekunst niet goed te begrijpen is als je niet iets weet van de hermetica. En zij verwonderde zich over het feit dat men dat niet eerder opgemerkt had. Iedereen kende Hermes, de ‘driewerf grote’. Overal zijn verwijzingen naar die traditie, dat had een enorme invloed in die tijd.

    Een van de auteurs die je bijvoorbeeld hier helemaal niet zou verwachten is Copernicus, met het boek uit 1543 waarin hij voor het eerst uitlegt dat niet de aarde, maar de zon het middelpunt is van het heelal is. Hier zie je Trismegistus staan. Copernicus is op deze pagina bezig om zich wetenschappelijk te verantwoorden. Men moest tenslotte voorzichtig zijn, helemaal als je zoiets nieuws beweerde, en dus haalt hij Hermes aan als autoriteit. Hij zegt:’ Trismegistus zei het al, dat de zon de zichtbare god is.’ Hermes wordt hier in 1543 dus door de wetenschapper Copernicus gezien als iemand die het weten kon.

    Hermes bestond dus niet, of waren het meerdere mensen?
    Ja, het waren meerdere mensen die in opeenvolgende periodes wat aan de leer toegevoegd hebben.

    Hoe lang is zijn leven?
    Dat kun je zo niet zeggen.

    Wat kun je wel over hem zeggen?
    Over hem niks. Wel over het ideeëngoed, dat in een paar eeuwen gegroeid is, vervolgens een sluimerend bestaan heeft geleid en in de Renaissance weer herontdekt werd door Cosimo de Medici. De eerste keer dat het Corpus Hermeticum werd gedrukt in 1471, is het ook opgedragen aan Cosimo de Medici. Die versie hebben we ook hier. Hij raakte geïnteresseerd door wat er over Hermes door Griekse geleerden en reizende leraren verteld werd. Ze brachten hem ook in contact met Griekse handschriften en één van die handschriften was wat we tegenwoordig het Corpus Hermeticum noemen.

    Mag je het een bijbel noemen?
    Tussen aanhalingstekens dan. Het is meer een verzameling traktaten waarin de hele leer is vervat. De Medici was zodanig geboeid dat hij aan degene die voor hem allerlei teksten uit het Grieks vertaalde – en die op dat moment bezig was met niemand minder dan Plato, die ook niet beschikbaar was in het Latijn – zei: ‘Houd daar maar even mee op, ik wil eerst Hermes!’

    Hermetica en hermetisch, in hoeverre hebben die begrippen met elkaar te maken?
    Hermes is de naamgever van het begrip hermetisch. Hermes werd gezien als de vader van de alchemie. De alchemisten waren de zonen van Hermes. In de alchemie stop je als het ware voortdurend zaken in flessen die je moet afsluiten zodat er niets meer in of uit kan.

    De alchemie gebruikt heel veel illustraties en symbolen. Heel emblematisch. Een hermafrodiet, bijvoorbeeld, kom je in heel veel alchemistische voorstellingen tegen. Die staat voor het principe van de alchemie, een hermafrodiet is zowel mannelijk als vrouwelijk, heeft twee tegengestelde eigenschappen, en dat is wat de alchemie wil: de tegendelen weer verenigen, weer heel maken. De alchemist herschept in zijn kolven eigenlijk de wereld. Hij laat de materie eerst uiteenvallen in chaos en maakt er vervolgens iets beters van.

    Goddelijke scheikunde?
    Inderdaad.

    En die boom bijvoorbeeld?
    Dat is de boom der metalen, die groeit in de aarde en zijn vruchten zijn de metalen. De groene slang en de groene leeuw symboliseren allebei stadia in het proces van herschepping. De mens was het contact met het goddelijke kwijtgeraakt en daardoor waren de tegenstellingen (man-vrouw; donker-licht, enzovoort) ontstaan die aanvankelijk één waren.

    De mens is een microkosmos, een wereld op zichzelf, waarin alle processen die ook in de kosmos plaatsvinden in het klein kunnen worden waargenomen. Tegelijkertijd is hij onderdeel van de makrokosmos en vormt hij daarmee een harmonieus geheel. Kijkend naar de mens begrijp je de kosmos en kijkend naar de kosmos begrijp je de mens.

    ‘Man is a mortal God and God is an immortal man.’

    Dat komt uit Aesclepius, de enige tekst van Hermes Trismegistus die we uitsluitend in het Latijn kennen. De Griekse oertekst is verloren gegaan. En juist vanwege dit soort uitspraken werd het boek verketterd. Het grootste bezwaar van de kerk tegen al deze broederschappen is dat ze impliceren dat ze het allemaal zelf wel kunnen, en geen priester nodig hebben.

    Heel individueel?
    Ja, met soms een kring van volgelingen. Zij bepaalden zelf hoe ze stapsgewijs omhoog konden klimmen. Bemiddelaars waren overbodig.”

    – meer informatie? www.ritmanlibrary.nl

     

  • Romantiek, daar heb ik niets mee

     

    Ramsey Nasr heeft een acteeropleiding, regisseert, maar is toch vooral dichter. De afgelopen maanden stond hij veelvuldig in de spotlights. er was een rel rond zijn stadsdichterschap, een Palestijn als stadsdichter van het joods-gevoelige Antwerpen. Zal hij de jihad niet gaan afroepen? Zijn aanstelling ging gepaard met veel media-aandacht. Nu zijn de gemoederen bedaard en Antwerpen heeft hem als stadsdichter omarmd. Tijd voor Literair Nederland voor een gesprek met de stadsdichter. Onderwerpen als de Nederlandse cultuur, nederigheid, leven tussen extremen, de Romantiek, slecht lezende critici en geloof werden besproken onder het genot van een cappuccino en een omelet.

     

    Ten tijde van ons gesprek is Ramsey Nasr ruim twee maanden stadsdichter van Antwerpen en heeft er zin in. Misschien door de rel rond zijn aanstelling nog wel meer.

     

    ‘Ik weet nu wat het kan inhouden en hoe mensen naar je kunnen kijken. De verdediging die ik moest voeren was een verdediging tegen een beschuldiging die de moeite niet waard was. Dit ging om mensen die mij niet kenden en het was de eerste keer dat ik werd aangevallen op mijn naam, mijn afkomst. Mensen mogen zichzelf als mijn vijand beschouwen, maar dat moet dan wel op basis zijn van wie ik ben. Ik ben er wel meer volwassen door geworden. Van nature ben ik een allemansvriend en juist door mijn opiniestukken ben ik erachter gekomen dat niet iedereen je vriendje kan zijn en dat er inderdaad mensen zijn die je bij voorbaat al haten of niet moeten. Een paar jaar geleden was ik nog de knuffelPalestijn, waarvan mensen dachten dat ze hem konden inhuren voor feestjes en partijen, maar nu weten ze waar ik sta en wat ze aan me hebben. Bas Heijne zei tegen me dat het wel goed is zo, dat ik nu niet meer van iedereen ben en dat niet iedereen meer kan zeggen: Ach ja, wat goed dat een buitenlander zijn mond ook kan roeren.’

     

    Nasr moet wennen aan zijn nieuwe functie, vooral aan het verschijnsel dat hij een bekende Antwerpenaar werd.

     

    ‘Dat is raar, dat mensen je op straat aanhouden of naroepen. Maar bij alles denk ik, als het maar om de inhoud gaat. Als ik na dit jaar bepaalde mensen er toe heb kunnen brengen eens een poëziebundel te lezen, dan ben ik geslaagd. Ik zou willen dat mensen de glans van poëzie weer zagen. Wat nu typisch Nederlands is en wat in Antwerpen ook aan de gang is, is de afkeer van alles wat intellectueel of elitair is. Nu ben ik bij uitstek iemand die pleit voor elitarisme en ik zal nooit beweren dat poëzie niet elitair is, maar ik vind wel dat het aura van elitarisme dat om poëzie heen hangt opgeheven moet worden. Je moet proberen zo veel mogelijk mensen, al is het tijdelijk, naar die elite toe te trekken. Maar de kunstenaar moet nooit op zijn knieën. Je kunt rekening houden met je doelgroep en je kunt uiterlijke toegevingen doen, maar de inhoud van poëzie mag je nooit veranderen.’

     

    De Bulkboekdag van de Literatuur, een literatuurfestival voor middelbare scholieren, achttienhonderd jongeren in de zaal. De kans om een nieuw publiek voor de poëzie winnen.

     

    ‘Als ik daar optreed, weet ik dat ik met iets anders aan moet komen dan wanneer ik voor een speciale poëzieavond word gevraagd waar al jarenlang hardcore poëzieliefhebbers komen. Bij de opening in de Grote Zaal lees je drie gedichten voor aan een publiek dat erdoorheen kan gaan schreeuwen. Nou, die moet je meteen op hun plaats wijzen en zelf je bek nog iets verder opentrekken. Ik lees dan ook niet mijn drie meest intieme gedichten voor, maar ik heb wel een soort regel voor mezelf: met de eerste twee probeer ik het publiek zijn zin te geven, dan lees ik iets voor waarnaar ik vermoed dat ze zullen luisteren. Maar dan lees ik er ook één die daar lijnrecht tegenin gaat, die de verstilling nodig heeft. Dat is geen knieval. Dat is gewoon slim nadenken. Want het gaat mij natuurlijk om dat laatste gedicht en dan zijn ook die schreeuwers stil’.

     

    In 2000 debuteerde Nasr als dichter met de bundel 27 Gedichten & Geen Lied, een jaar later volgde zijn prozadebuut met de novelle Kapitein Zeiksnor en De Twee Culturen.

     

    ‘Ik werd destijds gevraagd door Bunker Hill redacteur Jasper Henderson, een vriend op de middelbare school. Of ik wat verhalen wilde leveren voor een themanummer over theater en literatuur. Verhalen schreef ik niet, maar ik had wel wat poëzie en dat is toen gepubliceerd. Naar aanleiding daarvan ben ik gevraagd of ik een bundel wilde publiceren bij Thomas Rap.

    Wat me frustreerde aan het acteren was dat hoe goed je ook speelt, je houdt altijd je lichaam over. Wat me aantrekt in het schrijven is het feit dat je volledig kunt verdwijnen. De keuze voor de toneelschool getuigt natuurlijk al van een enorme hoogmoed en narcisme, je stelt jezelf centraal en denkt dat er driehonderd mensen naar je kunnen luisteren. Dat is ook de kick, maar als je dat eenmaal hebt gehad, dan is het juist het hoogste als mensen niet meer naar je kijken.’

     

    Kapitein Zeiksnor en De Twee Culturen. Het verhaal van een honderdveertig jaar oude gentleman die, als een soort verjaardagscadeautje aan zichzelf, besluit orde op zaken te gaan stellen in de wereld van verval. ‘Vandaag ga ik eens op kruistocht, is me dat geen goed idee? (…) Vandaag kom ik respect opeisen. Het is gedaan met de lankmoedigheid! Gedaan met alle platheden! Ik zal de wereld deugdzaam maken, omdat ik dat wil!’

     

    ‘Kapitein Zeiksnor was een beetje de Ramsey van toen. Ik hechtte toen erg aan etiquette. Ik was met een soort eenzaam beschavingsoffensief begonnen. Dat was nog voordat het hier in Nederland losbarstte met de normen en waarden. Toen was het nog een soort statement. Ik vond het geweldig om te lezen over de oude etiquette en het oude Nederland van rond 1900. Lodewijk van Deyssel, daar dweepte ik mee.

    Mensen hebben mij wel gewezen op de parallellen tussen Kapitein Zeiksnor en Pim Fortuyn. Iemand die terug wil naar de goede oude tijd, maar daarmee tevens terug wilde naar de tijd waarin hij zelf niet mogelijk zou zijn geweest. Hij wilde terug naar de oude fatsoensnormen en iedereen moest net zijn, maar tegelijkertijd was hij de meest flamboyante nicht, met zijn twee schoothondjes. Hij riep dat de Marokkanen zich moesten gedragen, maar ondertussen wilde hij wel gepijpt worden door diezelfde Marokkanen. Terug naar de jaren vijftig zou hij zelf nooit voor zijn flamboyante homoseksualiteit uit hebben kunnen komen. Het is gewoon een enorme paradox en op een zeer andere, ik hoop op een minder perverse manier, herken ik dat ook wel in mezelf. Regels moeten er zijn, maar dan voor anderen. Dat is Nederland ten voeten uit. Zelf ontsnap je toch graag aan de regels. Als iedereen voor een rood stoplicht staat te wachten, wil de Nederlander er doorheen lopen.’

     

    De extremen komen terug in zijn werk: verheven thema’s worden vaak met humor ten val gebracht.

    ‘Het is een soort nederigheid. Alle grote ideologieën hebben gefaald dus je weet dat alles waar je je voor inzet met de nodige argwaan bekeken moet worden. Je kunt het beter zelf onderuit halen dan dat je critici of lezers het doen. Een manier om jezelf onderuit te halen is cynisme, maar daar probeer ik verre van te blijven. Je moet meer proberen de beperktheid in te zien van wat je wil zeggen.’

     

    Het doorslaan in extremen ziet hij in de Hollandse cultuur.

    ‘Dit volk hangt van paradoxen aan elkaar en het enige waar dit volk één in is, is hysterie. Ik kom in opstand tegen het enorme besef bij de mensen dat ze eeuwenlang van alles hebben gemist en het gevoel dat dat in één mensenleven ingehaald moet worden door het slikken van XTC, bungeejumpen, en LPF stemmen. Gevoelens moeten steeds groter, omdat ze niet meer echt worden beleefd. Leven op externe kicks. XTC is een instantmiddel om iedereen aardig te vinden, bungeejumpen een instantmiddel om nog iets van een religieus gevoel te beleven en LPF is een instantmiddel om alle problemen van de hele samenleving op te lossen. Dat noemen we dan het Oranjegevoel, die hysterie die van de ene modegril in de andere hopt. Dan is het de LPF, dan Geert Wilders en dan weer Ayaan Hirsi Ali. Hysterie, overdrijving, tactloosheid, gebrek aan klasse. Typisch Hollands’.

    In zijn werk snijdt hij regelmatig maatschappelijke onderwerpen aan. President Bush in het gedicht ‘vos’ (stand van de unie), de mkz-crisis ‘bse mkz dioxine varkenspest’. Toch houdt hij zich niet bezig met een bepaalde politieke of maatschappelijke boodschap.

     

    ‘Het gaat meer om een uitgangspunt, niet om een politieke boodschap die ik wil uitdragen. Ik ben niet bezig met het effect dat iets kan hebben, of met een boodschap. Er zit geen boodschap in poëzie. Je kunt wel een drijfveer hebben, zonder dat ik zelf weet welke dat voor mij is. Je moet in ieder geval proberen door de taal in het maatschappelijk leven te staan. De kracht van taal is dat je mensen hun ongelijk kunt geven en dat is wat ik van jongs af aan al wil’.

     

    Onhandig bloesemend (2004, de Bezige Bij), zijn tweede bundel, werd, net als 27 Gedichten & Geen Lied, overwegend zeer positief ontvangen in de pers. De bundel leverde hem echter ook het stempel ‘romantisch dichter’ op. Een stempel dat volgens de dichter getuigt van slecht lezen en dat als persoonlijke kritiek wordt opgevat.

    ‘Ik heb een hekel aan de term ‘romantisch dichter’. De hele gedachtegang achter de Romantiek zint me absoluut niet. De Romantiek is bij uitstek de periode geweest waarin de kunstenaar zichzelf boven de wereldorde heeft geplaatst en zichzelf centraal heeft gesteld als een genie, een plaatsvervanger van God. Ik vind dat onzin. Een kunstenaar is geen profeet en hij is zeker niet de lijdende mens. Hij mag zich hooguit gelukkig prijzen dat hij het lijden nog om kan zetten in iets anders. Anderen springen van een flatgebouw. Onhandig bloesemend is een zoektocht naar welke beelden vanuit de Duitse Romantiek na Auschwitz mogen blijven bestaan. Het cliché luidt dat er na Auschwitz geen plaats meer is voor nachtegalen. Maar er bestaan nog nachtegalen. Moet je dat negeren? Moet je negeren dat mensen elkaar nog steeds liefhebben en afmaken, dat mensen met andere woorden nog steeds door passie worden gedreven? Nee, dat is inherent aan het leven. Auschwitz of niet.’

     

    In 27 gedichten & Geen Lied vertaalde Ramsey Nasr twee psalmen van David, psalm 6 en 38. Voor Onhandig bloesemend vertaalde hij er opnieuw een, psalm 23.

     

    ´Wat me aansprak in deze psalmen was voornamelijk de taal. Het tonen van de eigen onmacht, de schuldbelijdenis die tegelijkertijd een liefdesverklaring is aan God. Ik vind het persoonlijk nogal praktisch om te geloven ? ongeacht waarin en ongeacht of ik dat zelf doe of niet. Het is handig om overeind te blijven. Ik geloof niet in een man op een wolk, ook niet in een geïnstitutionaliseerde God. Ik weet niet of God staat voor iets dat ook zinloosheid kan inhouden, namelijk natuurkrachten, of dat God iets is dat het leven echt zin zou moeten geven. Ik houd vooralsnog de mogelijkheden open. Maar ik denk dat geloof vooral het mechanisme is dat er voor zorgt dat je zelf even buiten het centrum wordt geplaatst. Ik vind het geweldig om te ervaren dat een bacterie succesvoller is dan wij. Wij zijn over een paar miljoen jaar uitgestorven. Als we zo doorgaan, binnen aanzienlijk kortere tijd. Dat vind ik de meest schokkende gedachte die er is. Bach, Mozart, uiteindelijk heeft het helemaal geen zin gehad, totaal nutteloos. Misschien is kunst van een sublieme zinloosheid’.

     

     

    Citaten uit: Ramsey Nasr, Kapitein Zeiksnor en De Twee Culturen

     

  • Didar en Faroek, Sana Valiulina

    Angst en bewondering voor de lachende Kaukasiër

    Wie met plezier en interesse gekeken heeft naar de documentaireserie ‘In Europa’ van Geert Mak, kan zijn of haar hart ophalen bij de zich in Rusland afspelende roman ‘Didar en Faroek’ van de in Nederland wonende Russische schrijfster Sana Valiulina. Met de televisiebeelden uit de serie voor ogen, zien we de verwarring en hoop na de Russische Revolutie, de idealen van Lenin, het Stalinregime, de ellende van de Tweede Wereldoorlog en de communistische wederopbouw in romanvorm voorbij komen. Leidraad is het verhaal van de twee geliefden Didar en Faroek. Dat ze elkaar krijgen lezen we al op de achterflap maar toch rijst de vraag: hoe dan?

    De hoofdpersonages worden geïntroduceerd door middel van foto’s. Faroek als onopvallend jongetje, dat er op de groepsfoto met verweerde buurtbewoners wat verloren bijstaat met zijn pilotenmutsje. Didar daarentegen poseert op een ander prentje, stralend lachend in een kraakhelder witte bloes tussen haar collega-pioniersmeisjes, een onderdeel van de communistische jeugdbeweging. We schrijven de jaren dertig van de vorige eeuw. Josef Stalin is net aan de macht en houdt de Sovjet Unie in een ijzeren greep met zijn planeconomie. Om de tred van het Westen bij te benen probeert hij het land in no time te industrialiseren. Dit tekent de sfeer van het boek. De gezinnen waarin Didar en Faroek opgroeien, zijn vol goede wil, zijn bereid hard te werken en bezien hun dictator met hoop en vrees. Beide moeders zijn vanuit liefde en bezorgdheid dominant en hardvochtig, de vaders zijn nagenoeg afwezig. Zij worden afgebeuld door de staat en later door het leger.

    Op de bruiloft van een wederzijds familielid zit de verlegen dertienjarige Faroek onder de eettafel verscholen als hij de dansende voetjes van Didar voorbij ziet komen. Deze eerste ontmoeting krijgt geen vervolg door het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog. Didar wordt tewerkgesteld in de keuken van een belangrijke Duitse legereenheid en raakt verliefd op een Duitse generaal. Ze vecht tegen haar gevoelens, maar kan ze niet tegen houden. Faroek zwerft als Russische soldaat van legerbasis naar krijgsgevangenkamp en ziet vele vrienden sterven. Na de oorlog starten ze een correspondentie met als hoopvol eindresultaat een tweede ontmoeting in 1955. Beide vrijgezellen zijn dan de dertig reeds gepasseerd. Dit samenzijn wordt een volslagen mislukking. Er is voor allebei nog heel wat psychisch werk te verzetten voordat alle oorlogsverschrikkingen een plek hebben en er ruimte gecreëerd kan worden voor de liefde voor elkaar.

    Sterk in het boek zijn de karakteriseringen van beide hoofdpersonen. Het leven van Faroek begint al direct bizar: hij wordt als baby omgewisseld en komt in Moskou in een groot Tartaars gezin terecht. De liefde van ‘moeder’ Adlifa is uitermate verstikkend, maar zij heeft dan ook doorlopend reden tot zorg. Faroek is een kwetsbaar kind. Hij krijgt difterie en tbc en blijkt een epilepticus te zijn. Hij heeft visioenen en wordt overvallen door periodes van ongrijpbare overgevoeligheid die zulke vormen aannemen, dat hij er voor maanden het zwijgen toedoet. In sociaal opzicht is hij uitermate loyaal en wordt hij snel door anderen geaccepteerd. Zijn naïviteit en onopvallende voorkomen behoeden hem voor veel ellende. Daar komt bij dat hij door zijn epileptische aanvallen vaak op handen gedragen wordt, omdat men denkt dat hij over profetische gaven beschikt.

    Didar is in alles zijn tegenpool. Van jongs af aan is zij enthousiast en avontuurlijk. Ze stort zich vol overgave in het pioniersleven en is een echt communistisch kind. Josef Stalin is voor haar de vader van alle pionierskinderen. Ze is ondernemend, zelfstandig en intelligent en volgt haar gevoel. Hierdoor komt zij vaak in conflict met moeder Tatoe. Ook Didar is van Tartaarse afkomst. Zij brengt haar jeugd door op het platteland van Estland. De Tweede Wereldoorlog en haar liefde voor een Duitser brengen een kentering in haar ‘onbezorgde’ leven. Ook al pakt ze kordaat de draad weer op, de klap die de oorlog in haar gezin teweegbrengt lijkt zij niet te boven te komen.

    Los van het historische perspectief, is ‘Didar en Faroek’ een mooi geschreven roman. Het verhaal wordt niet chronologisch, maar gefragmenteerd en vanuit verschillende perspectieven verteld. Dit wordt echter helder en toegankelijk gedaan, zodat je als lezer nooit het spoor bijster raakt. Sommige stukken, met name die van Faroek in oorlogstijd, zijn langgerekt en gedetailleerd. Waar de ene lezer zich hierin graag verliest, kan een ander dit wellicht langdradig vinden. De hoofdstukken hebben titels en de spanningsopbouw is goed.

    De verhalen van de Westerse geallieerden zijn ons, dankzij bevlogen geschiedenisdocenten en goed gedocumenteerde literatuur, inmiddels nagenoeg bekend. Valiulina’s boek laat zien hoe de Russen (en dan vooral de islamitische Tartaren) voor, tijdens en na de Tweede Wereldoorlog geleden hebben. De periode van vòòr 1939 is er een van verwarring, weemoedigheid en hoop. Daarna blijkt hoe ‘held’ Stalin zijn mensen als pionnen en kanonnenvlees heeft ingezet.

    Waar Didar ‘vader’ Stalin vereert, is puber Faroek doodsbang voor de ‘lachende Kaukasiër’. Hij vindt echter troost en vertrouwen in zijn liefde voor kosmografie. In een visioen ziet de jonge Faroek Stalin als dè grote kosmograaf die over het heelal regeert en met zijn wijsvinger zijn (Russische) werelddeel aanwijst. Faroeks angst verdwijnt. ‘Dus de leider is er ook deel van, dacht hij. (….) En de industrialisatie en de collectivatie (…)’. Deze openbaring wordt in zijn hoofd begeleid door rondrazende afbeeldingen van de dierenriem, waarin Taurus een rol van betekenis speelt. Deze stampende stier geeft hem kracht en komt regelmatig terug in het boek.

    Sana Valiulina (1964) werd geboren in Tallinn (Estland) en groeide op in Moskou waar ze Noors en filosofie studeerde. In 1989 verhuisde ze naar Amsterdam en schreef haar debuutroman, ‘Het Kruis’(2001), in het Nederlands.
    Het verhaal van Didar en Faroek is gebaseerd op de levens van haar ouders. Sana Valiulina heeft niet alleen een mooi liefdesverhaal geschreven dat zich in een turbulente periode afspeelt. ‘Didar en Faroek’ is vooral een eerbetoon aan twee sterke, onverwoestbare persoonlijkheden: haar ouders.

    Pauline van der Lans

    Sana Valiulina – Didar en Faroek
    Uitgeverij Meulenhoff 2006

  • Verder, Marc Legendre

    Een opvallende verschijning op de shortlist voor de Libris prijs is de beeldroman Verder van de Vlaming Marc Legendre. Legendre tekende in het verleden de tamelijk klassieke gagstrip Biebel, over een betweterige peuter met een waterhoofd. Het contrast met Verder kan bijna niet groter. Dit is een doodserieus verhaal over twee geliefden, dat middels een ingenieuze raamvertelling wordt verbeeld als een schokkende you tube-documentaire. De platen zijn veelal bewerkte foto’s, soms vaag, alsof ze zijn gemaakt met de slechte camera van een telefoon, soms pijnlijk scherp en realistisch. Daarnaast zijn er beelden uit andere media, zoals televisie, opgenomen in op een collagemanier gemonteerde pagina’s. En verder veel dialoog tussen de twee gelieven, en fragmenten uit een dagboek.

    De twee zijn gewend om elkaar elk jaar te spelen dat ze elkaar voor het eerst zien, soms in een duur restaurant, en dit jaar op een vakantie-eiland dat in dit seizoen geheel verlaten is. De vrouw wordt door een visser gebracht, en tot haar verbazing blijkt er een man in het dorpje te zijn die kunstwerken maakt van aangespoeld wrakhout. Langzaam leren ze elkaar kennen, en vertellen verhalen over hun jeugd. Gaandeweg blijkt dat ze elkaar al lang kennen, dat de verhalen grotendeels gelogen zijn, en vooral dat de vrouw haar man veracht en haat. Hij is een sensatiebeluste documentairemaker die de kijker wil shockeren en daarin steeds verder wil gaan, alles voor de kijkcijfers. Zijn vrouw helpt hem, maar probeert middels die documentaires het onrecht of het kwaad aan de kaak te stellen. Zij kan de beelden van vrouwenhandel en snuffmovies niet zomaar van haar netvlies wissen, terwijl hij zijn aandacht voor die onderwerpen kwijt is als de film af is.
    Voor de man loopt het romantisch geplande verblijf op het eiland flink uit de hand. Hij wordt gedwongen na te denken over zijn werk, zijn daden en de motivering daarvan. Hij wordt opgesloten en gedwongen te kijken, verder dan de horizon.
    De dialoog is fantastisch geschreven. De woorden worden steeds harder, de haat sijpelt er tussendoor en de wanhoop is voelbaar:
    V: Het is niet zoals andere keren.
    M: Wat bedoel je?
    V. Misschien zijn het de verhalen.
    De leugens.
    De halve waarheden.
    M: We speelden elke keer een spelletje, toch?
    Hebben we altijd zo gedaan.
    V: Ik dacht er nooit bij na.
    Jij wou dat we net deden alsof we elkaar voor het eerst ontmoetten…
    Verliefd werden…
    En ik deed wat jij van mij verwachtte.
    Meer niet.
    M: Het was telkens lachen.
    V: In het begin.
    M: Fijn was het.
    V. Nu niet.

    Verder is een angstaanjagende beeldroman waarin sensatiezucht en integriteit, haat en liefde, oppervlakkigheid en verdieping op een verbluffende manier tegen elkaar worden uitgespeeld, tot de rillingen je over de rug lopen. Beeld en tekst spelen op elkaar in, en worden daardoor even belangrijk. De tekenstijl is uniek en weet het verhaal op een geheimzinnige manier nog meer betekenissen te geven. Dit boek verdient alle aandacht die het krijgt door de Libris-nominatie ten volle. En misschien op 6 mei ook de prijs zelf.

    Marc Legendre, Verder, uitgeverij Atlas 2007

    Patrick Bassant ? Literair Vlaanderen.

  • Dietsche Warande en Belfort, Literair tijdschrift

    Het oeroude Vlaamse literaire tijdschrift DWB (Dietsche Warande en Belfort) begint zijn 153ste jaargang met een nummer over Diclit. Dat is geen seksuele aberratie (hoewel, dat is het wel, maar daar gaat dit nummer niet over (daarvoor mag u op Google zoeken), maar over literatuur geschreven door dictators (en bij uitbreiding andere historisch gezien onfrisse figuren.

    Fielten, ploerten en ander schoftentuig dat zich bedient van de edele literatuur, wat moeten we daarvan denken? En ook andersom: wat moeten we denken van de literaire voortbrengsels van zulk rapalje In een reeks essays over schrijvende schoften proberen samenstellers Jos Joosten en J.H. de Roder en de meewerkende auteurs hier een voorzichtig antwoord op te geven. Het blijkt echter een penibel onderwerp te zijn, omdat je de werken van de desbetreffende dictators bijna niet los kan zien van hun politieke daden. Zo doet Maarten Steenmeijer Franco’s roman Raza af als een sentimenteel teken van Franco’s ideologische aftakeling, maar het lijkt hem wat u-bochten te kosten tot die conclusie te komen. Ik geloof direct dat die roman de moeite van het oprakelen niet waard zou zijn geweest als hij niet door juist Franco geschreven was (en dat is zeker de kracht van dit nummer), maar in het betoog wordt maar weinig ingegaan op de literaire kwaliteiten van het boek. Erwin Jans bekijkt de poëzie van Hirohito, en heeft daarmee een schitterend onderwerp gevonden. Na de Tweede Wereldoorlog werd keizer Hirohito zijn goddelijke status afgenomen, en sowieso werd een Japanse keizer niet geacht zich direct met staatszaken te bemoeien. Toch schreef Hirohito gedichten die politiek te interpreteren zijn. Zoals Jans het zegt, ‘soms echter maken de naam van de auteur en de datum van zijn publicatie alle verschil.’ Jans schetst eerst de benarde situatie waarin de keizer zich bevindt, en gaat dan serieus en interpretatief in op diens gedichten.

    Sommige bijdragen aan het nummer kiezen de kant van het historisch gelijk, zoals Ton Naaijkens die Goebbels’ roman Michael beschrijft als ‘een curieus boek als je het niet reduceert tot het gedachtegoed dat erin neergelegd is en dat mede leidde tot een vernietigende wereldoorlog’ om er een pagina later over te zeggen dat er ‘niet zo veel over geschreven’ is. Ik ben dan geneigd te denken dat het met de invloed van die roman op de oorlog wel meevalt, ook al staat het vol ‘gevaarlijk gedachtegoed.’

    Enkele bijdragen zijn daardoor iets te gemakzuchtig. Jan A.M. De Meyer zegt in zijn stuk over de grote roerganger annex dichter Mao, dat [p]oëzie dient, indien mogelijk, te worden gelezen als een zelfstandig stuk literatuur en niet als het literaire verlengstuk van het leven van de auteur.’ Daar heeft hij voor dit nummer gelijk in, en de voorzichtige koers die de auteurs voeren om tussen de autonome literatuur en de historische werkelijkheid te laveren, is zeer interessant.

    Het mooiste essay is van Lucas Hüsgen, die de Koreaanse koning Yonsangun en zijn poëzie op neutrale en nieuwsgierige wijze bekijkt. Het leven van een mens is als dauw op bloemen:
    Veel tijd om het te ontmoeten is er niet.

    Deze regels hebben wat mij betreft wel zeggingskracht, ook al zijn ze van een Koreaanse klootzak rond 1500.
    Buiten het themagedeelte van deze aflevering vallen vooral het essay van Bas Groes op, die op vrolijke en kritische wijze de debutantenproductie in de Nederlandse literatuur van 2005 en 2006 bekritiseert, en de nieuwe serie over Belgische jonge fotografen, door curator Inge Henneman geselecteerd. De mooie foto’s van Daniel Sannwald, afgedrukt op hoge kwaliteit papier, bestendigen DWB’s imago van cross-over cultureel tijdschrift.

    DWB
    jaargang 153, februari 2008, nummer 1. Diclit. Van Nero tot Mao
    Patrick Bassant, Literair Vlaanderen.

     

  • De pianoman, Bernlef

    Iemand die zwijgt, is verdacht

    Het begin van het Boekenweekgeschenk De pianoman van Bernlef is een beetje clichématig voor wie in het noorden van het land woont. De mensen zijn daar nogal stug en zwijgzaam. Zeker de vader en moeder van Thomas Boender, die pas op zijn vierde zijn eerste woordjes zegt: ‘Honger. Koek.’ Zijn ontwikkeling blijft nogal achter en de uit de Randstad afkomstige juf Jenny Vreeland ontfermt zich over hem. Bij haar leert hij pianospelen en hij leert om niet over zichzelf te praten in de derde persoon. Hij leert ‘ik’ zeggen.

    Licht autistisch dat kind, zou je als nuchtere diagnose kunnen stellen. Maar bij Bernlef leven de personages op als er juist iets met ze is. De meeste mensen kennen wel het boek Hersenschimmen, waarin de hoofdpersoon langzamerhand zijn geheugen kwijtraakt, maar dit geschenk doet vooral denken aan Boy, waarin een doofstomme jongen een hoofdrol speelt en De onzichtbare jongen waarin een van de personages eerst de unieke gave bezit om alles te onthouden (en ook zomaar kan pianospelen nadat hij het één keer gezien heeft) en uiteindelijk gek wordt.

    Thomas weet dat hij als zwijgzame buiten de groep staat, ook later als hij verplicht moet werken van zijn vader, en hij weet ook al vroeg dat hij anders dan anderen is door zijn seksuele geaardheid. Uiteindelijk besluit hij met wat opgespaard geld de wereld in te trekken en via Amsterdam waar hij een meisje ontmoet dat een levend standbeeld speelt, gaan ze samen naar Parijs en nog veel later trekt hij met haar verder naar Engeland waar hij alleen en berooid achterblijft. Vanaf dat moment zwijgt hij.

    En opeens herinner je je weer dat vreemde krantenbericht van een paar jaar geleden: een onbekende, zwijgende man was opgenomen in een Britse inrichting en het enige wat hij deed om te communiceren was pianospelen. Zo gaat het in De pianoman ook verder en dat is licht teleurstellend omdat het verhaal zo dicht bij de werkelijkheid blijft. Of misschien moet dat anders worden geformuleerd: je wordt als lezer uit de fictie getrokken door die oude krantenberichten.

    Bernlef heeft een intrigerend geval genomen dat de publiciteit heeft gehaald en daar zijn eigen verhaal aan gekoppeld. Hij maakt inzichtelijk waarom iemand besluit te zwijgen. Daar heeft hij geen trucs bij nodig: zijn stijl is zoals altijd sober en onopgesmukt. Tussen de regels door ontwikkelen de karakters zich, haast terloops. Dat levert geen literair vuurwerk op, maar de romans en verhalen van Bernlef zitten vaak knapper in elkaar dan men bij eerste lezing denkt.

    Bij deze schrijver zie je meestal meer dan alleen de ontwikkeling van de hoofdpersoon: je ziet ook hoe anderen reageren op iemand die afwijkt van de groep. In die zin is De pianoman ook interessant, want blijkbaar verklaren wij iemand die niet reageert op woorden bij voorbaat voor gek. Iemand die zwijgt, is verdacht. Dat zegt iets over de macht die woorden hebben in maatschappij die bol staat van de communicatie. Een mooi geschenk derhalve.

    Coen Peppelenbos

    Bernlef, De pianoman. CPNB, 92 blz. Bij besteding van €11,50 gratis verkrijgbaar in de boekhandel tijdens de Boekenweek.

  • De liefde dus, Joke J. Hermsen

    De lovegame van Belle van Zuylen tijdens de zomer van 1785: feiten, fictie en feminisme.

    In haar tweede roman, ‘Tweeduister’ (2000) borduurde schrijfster en filosofe Joke J. Hermsen (1961) in prozavorm voort op de levens van de auteurs Virginia Woolf en T.S. Eliot en op dat van hoofdpersoon Billy Pryor uit de ‘Regeneration Trilogy’ van Pat Barker. Ondanks een toelichtende inleiding en een uitgebreide bronverwijzing, werd het vermengen van feiten en fictie door de critici not done gevonden. Vreemd. Als het een ‘what if’ scenario betreft, zoals Philip Roths’ ‘Het Complot tegen Amerika’ , dan wordt het er juist om bejubeld. Dat Joke Hermsen zich niet al te veel heeft aangetrokken van deze kritiek siert haar. In haar nieuwste roman ‘De liefde dus’ kiest ze wederom voor deze vorm en op meeslepende wijze beschrijft ze hoe het de Nederlandse schrijfster Belle van Zuylen (1740 ? 1805) in de zomer van 1785 vergaan zou kunnen zijn. Een duistere periode in het leven van de achttiende-eeuwse schrijfster en feministe waarover in de archieven nauwelijks iets te vinden is.
    In die zomer ontvlucht de dan vierenveertig jarige Belle van Zuylen haar thuishaven het Zwitserse Colombier. Zij woont daar samen met haar sympathieke maar weinig boeiende echtgenoot Charles de Charriere en zijn twee ongetrouwde zusters. De saaiheid vliegt de opstandige Belle naar de keel, maar dat is niet de voornaamste reden van haar vertrek. Sinds ze verlaten is door haar geliefde Charles Jean-Samuel d’Apples voelt ze zich depressief en kampt ze met vage lichamelijke klachten. Dat hun relatie geen stand kon houden is evident: zij is een getrouwde vrouw die ouder is dan hij. Daar komt bij dat hij op het punt staat te trouwen met een voor hem uitgekozen vrouw.
    Belle hoopt dat de verkwikkende baden van kuuroord Payerne haar leed zullen verzachten, maar een gebroken hart laat zich niet gemakkelijk helen. Ze gaat zich alleen maar ellendiger voelen en besluit naar Parijs te reizen om ‘wonderdokter’ Cagliostro te bezoeken. Deze graaf Guiseppe Balsamo (1743 ? 1795), zoals hij ook bekend staat, is vrijmetselaar en houdt zich met occulte zaken bezig. Velen zien in hem een charlatan, maar aan het Franse hof is hij populair. Belle knapt enorm op van hun gesprekken. Hij daagt haar uit en confronteert haar met zaken die ze eigenlijk niet onder ogen wil zien. Ze spreken over de onoverzichtelijke wisselwerking tussen gevoel en verstand, over de verschillen en overeenkomsten tussen hartstocht en liefde en over de sterke invloed van de geest op het lichaam. Onderwerpen die op het breukvlak van de Verlichting en de Romantiek, een periode waar Belle van Zuylen in Nederland de belichaming van was, een grote rol spelen.
    Het verhaal wordt verteld tegen de achtergrond van de strijd tussen de patriotten en orangisten in Nederland en de naderende Franse Revolutie. De turbulentie op politiek en maatschappelijk gebied en de vernieuwingen die de Verlichting met zich meebrengt lijken samen te komen in Belle van Zuylen. Voor een ontwikkelde, intelligente en multi-getalenteerde vrouw is het in die tijd moeilijk haar overactieve verstand in harmonie te brengen met een sterk ontwikkeld gevoelsleven.
    Joke Hermsen heeft voor een gedurfde verteltechniek gekozen waarin een geconstrueerd verhaal, brieven, dagboeken en de totstandkoming van Belle van Zuylens roman ‘Caliste’ elkaar afwisselen. De personages worden geïntroduceerd door een briefwisseling, die op strategische plekken elders in het boek een vervolg krijgen. Hierdoor wordt de lezer een adempauze gegund waarin de verhaallijnen samenvallen en waarin tevens een tijdsbeeld geschetst wordt. Een van de briefwisselingen is die tussen Belle van Zuylen en tijdgenote Betje Wolff.
    Daarnaast kiest Joke Hermsen voor een weergave van Belle’s dagboeken waarvan de inhoud op ingenieuze wijze samenvalt met een verslag van de overtocht van Jean-Samuel d’Apples naar Amerika. Dit is een meesterlijke vondst. Hij heeft haar drie schriften cadeau gedaan: een witte, een blauwe en een rode. Volgens Belle staan die kleuren voor de Amerikaanse vlag, het trotse banier van het beloofde land van toen. De lezer kan er echter ook de Nederlandse en Franse driekleur in zien. De kleuren van de Nederlandse Belle die niet kon aarden in haar eigen land en meer tot haar recht kwam in Frankrijk. Belle beschrijft haar diepste zielenroerselen in deze schriften, die later via een omweg d’Apples onder ogen komen.
    Voor degenen die bekend zijn met het werk en leven van Belle van Zuylen, kan ‘De liefde dus’ alleen maar een welkome aanvulling zijn. Het is verrassend en spannend en de diepe innerlijke beschouwingen van Belle zijn met veel precisie en schoonheid beschreven. Joke Hermsen moet heel dicht bij haar hoofdpersoon staan, dat kan niet anders. Ook is het een feministisch boek. De rol van de vrouw krijgt veel aandacht en het is interessant dat juist een man, Cagliostro, een lans voor vrouwen in het algemeen breekt en daardoor Belle de ruimte geeft voor zelfreflectie. Daarnaast is ‘De Liefde dus’ een goede introductie op het werk van Belle van Zuylen. Wie haar nog niet kende, wil na het lezen van dit gefictioneerde levensverhaal beslist meer van haar weten. Het vermengen van feiten en fictie heeft ook in deze roman van Joke Hermsen goed uitgepakt. In het nawoord schrijft ze een interessante toelichting en op haar website, zie onderaan, staat aanvullende achtergrondinformatie.
    Virginia Woolf hield zich in 1927 al bezig met het thema feiten en fictie. Het verbinden van ‘het graniet van de historische werkelijkheid’ met de ‘ongrijpbare regenboog van de ziel van het historische personage’ kan volgens Woolf alleen maar plaatsvinden als de biograaf over artistieke gaven beschikt. Veertig jaar later, in 1966, bracht de Franse literatuurwetenschapster Julia Kristeva het begrip ‘intertekstualiteit’ onder de aandacht. Kort gezegd houdt dat in dat bestaande (historische) teksten op creatieve wijze verwerkt worden in nieuw materiaal. Elke tekst absorbeert en transformeert een andere tekst, waaraan de lezer door zijn of haar waarneming ook nog eens een persoonlijke betekenis geeft. ‘De wereld is een tekst’, is een bekende uitspraak van Kristeva, die weer naadloos aansluit op wat schrijfster Hella Haasse eens gezegd heeft: ‘Alles wat neergeschreven is, bestaat.’
    Belle van Zuylen is in 1805 overleden en werd begraven op het kerkhof in Colombier. Inmiddels is er op deze plek een tennisbaan aangelegd. Onze eerste grote feministische schrijfster ligt dus onder het gravel en moet stuiterende ballen en stampende sportschoenen verduren. Echter, zij heeft dan wel niet het graf dat zij verdient, dankzij Joke Hermsen is er nu een waardig eerbetoon in de vorm van een liefdevol boek, geheel geschreven in de stijl van Belle van Zuylen zelf. Een lovegame dus.
    Meer informatie over ‘De liefde dus’ staat op de website van de schrijfster. Ook is daar een documentaire te zien over de reis die zij gemaakt heeft naar de plekken in Zwitserland waar Belle van Zuylen gewoond heeft. Zeer de moeite waard: www.jokehermsen.nl

    Pauline van der Lans
    De liefde dus ? Joke J. Hermsen
    De Arbeiderspers 2008
    Al het werk van Joke Hermsen wordt uitgegeven door de Arbeiderspers.