• Moord op een cliniclown

    Sinds enige weken ligt het boek in de winkel en ik heb het boek al aan veel mensen aangeraden: Visser van Rob van Essen. De roman is jaloersmakend goed geschreven; het verhaal is humoristisch en ontroerend tegelijk.
    De hoofdpersoon Jacob Visser is een geschiedenisleraar in een op Zwolle lijkende plaats. Hij maakt op school een ongelukkige opmerking over het leven in de kampen tijdens de oorlog die erop neerkomt dat je, als je dan toch in een kamp zit, beter kampbewaarder kunt zijn dan slachtoffer. Dat gegeven zet een maalstroom aan gebeurtenissen in gang. Hij wordt vrijwel direct geschorst. Enkele jongeren zien Visser opeens als het ideale rechtse boegbeeld. Er komt zelfs een Visserjeugd.
    Daarnaast speelt het normale gezinsleven van Visser die in een wat deprimerend huwelijk zit. Een dochter van hem staat op het punt te trouwen. Een andere dochter is jaren geleden op jonge leeftijd overleden. Visser staat er alleen voor in dit boek. De vrienden die hij had, is hij in de loop der jaren kwijtgeraakt. De nieuwe ‘vrienden’ die hij krijgt dankzij zijn domme opmerkingen die in de regionale krant zijn gekomen, zijn niet helemaal de juiste types.
    Het knappe van dit boek is dat de hoofdpersoon in feite erg weinig doet en erg weinig zegt. De dingen overkomen hem. Eigenschappen, drijfveren en opvattingen worden hem door anderen opgedrongen: zelf neemt hij nauwelijks initiatief. Hij raakt het hele boek door verzeild in situaties waardoor het van kwaad tot erger wordt, maar de sympathie van de lezer (althans deze lezer) blijft bij de hoofdpersoon omdat de ander continu botter en dommer is.
    Het knappe van dit boek is dat het Van Essen lukt om je binnen een hoofdstuk te ontroeren door de beschrijving van een doodziek jongetje dat Visser tegenkomt in het ziekenhuis en bij wie hij aan bed gaat zitten én je daarna te laten lachen in een slapstickachtige scène waarin cliniclown in elkaar wordt geslagen en je daarna weer weet te ontroeren. Het gebeurt in nog geen tien bladzijden en het zijn tot nu toe de mooiste bladzijden die ik dit jaar heb gelezen. En zo zijn er veel scènes te noemen die door de rare mengeling van ironie en treurigheid een volstrekt unieke leeservaring creëren. Visser is een prachtige roman.

    Coen Peppelenbos

    Rob van Essen ? Visser. Nieuw Amsterdam, Amsterdam, 189 blz. €15,50

  • Spek

    Mike Naafs, schrijver over film en eten, schrijft elders over film en op Literair Nederland over eten, daarbij raadt hij steeds een goed kookboek aan. Deze week: Spek:

    Made in China

    Buikspek.

    Spek. Lap. Lap spek. Buik. Spekbuik. Buikspek. Oftewel: Ongesneden speklapjes. Rond de 500 gram. Werp het in een pan met kokend water. Laat weer aan de kook komen. Schuim af. En sudder 25 min. Haal het spek uit het water en laat volledig afkoelen, liefst in de koelkast. Snij in dunne plakken en zie waarom ze het in China vijfbloemen vlees noemen. Vijf lagen varken. Het lijkt wel een flat. Netjes boven elkaar. Maakt niet uit. Zolang hij nog maar kort ervoor geleefd heeft. Dat is het enige dat telt. Versheid. De smaak van vers vlees. Maak er dunne reepjes van en wok ze op half hoog vuur totdat ze hun bovenste vetlaag afgeven en kromtrekken – van de hitte welteverstaan. Het heet niet voor niets dubbel gekookt varkensvlees. Schuif ze aan de kant, voeg de chilipasta toe, zie het vet bloedrood kleuren en roer vervolgens de gelebonen saus en gefermenteerde zwarte bonen erdoor. Breng op smaak met sojasaus en suiker. Voeg tenslotte een groente na keuze toe: paprika, lente-ui, radijs, bloemkool. Of, wat ze in de provincie Sichuan gek genoeg vaak doen: gefrituurde pita broodjes. Pita-broodjes? Via de Zijderoute binnengewandeld? Niemand kan er met zekerheid over praten, de ontstaansgeschiedenis van recepten in China bestaat slechts uit mythes en legenden. Zoals de man die eens bij een theehuis kwam aangelopen met een mand verse tofu, maar daar zo in beslag werd genomen door een schaakpartij dat hij zijn tofu geheel vergat. En verrot terugvond. Niks aan de hand, want de twee schaakspelers bleken Onsterfelijken en zij fluisterden hem een paar instructies in zijn oor. Hij marineerde de beschimmelde tofu in zout en kruiden en zie: rode gefermenteerde tofupasta, doufu nai, was geboren! Inmiddels te koop bij elke toko en heerlijk met sperzieboontjes. Of met varkenskarbonade. Over deze laatste, meer een bungalow dan en flat, volgende keer meer.

    Het Kookboek deze keer waarin veel van dit soort verschrikkelijk lekkere recepten:: Fuchsia Dunlop: Revolutionary chinese cookbook. Recipes from Hunan Province.

    ISBN-13: 978-0091904838

  • Raster 121 Kluge & Koepen

    Raster 121 is de moeite waard, met wat een moed gaat dit tijdschrift toch gestaag door. Heeft met al eens overwogen Jacq Vogelaar daar eens een lintje voor te geven?

    Alexander Kluge & Wolfgang Koeppen – Twee dwarse geesten Alexander Kluge (1932): advocaat, filmregisseur, producent van culturele televisieprogramma’s, schrijver van filosofisch-sociologische werken (samen met Oskar Negt) en vooral schrijver van fictief-documentaire verhalen. In dit nummer een keuze uit zijn verhalen. Ingeleid en vertaald door Cyrille Offermans. Wolfgang Koeppen (1906-1996): bekend als schrijver van drie politieke romans en drie reisboeken in de jaren vijftig, als essayist en draaiboekschrijver, maar vooral bekend om de grote roman die dertig jaar werd aangekonigd en nooit verscheen. Ondertussen schreef hij onverdroten door, zoals de keuze in dit nummer van vooral later werk laat zien. In dit nummer een keuze uit zijn verhalen, een aantal romanfragmenten en een briefwisseling van Koeppen met zijn uitgever. Ingeleid en vertaald door Jacq Vogelaar.

  • Slapeloze nachten

    Het is een beetje een treurig huis waar August Brill is ingetrokken na een zwaar verkeersongeluk. Zijn dochter heeft hem dan wel naar haar toe gehaald, maar meer om haar eigen eenzaamheid te verdrijven. August vrouw is overleden, de man van zijn dochter Miriam is al vijf jaar weg en de voormalige vriend Titus van zijn kleindochter Katya is dood. Geen wonder dat August niet in slaap kan komen. In plaats daarvan bedenkt de oud-criticus, hoofdpersoon van Man in het duister verhalen.
    En de liefhebber van Paul Auster, waartoe ik mezelf reken, zal het niet verbazen dat er daarna een verhaal in een verhaal begint, waarin een het personage Owen Brick in een parallel Amerika is terechtgekomen waar geen 9/11 heeft plaatsgevonden, maar waar wel een burgeroorlog woedt en om een eind aan de verschrikkingen te maken moet Owen de bedenker van die fictieve wereld doden. August Brill dus.
    Dat heeft Auster wel vaker gedaan: personages die de macht overnemen van de schrijver. Zijn laatste roman Op reis in het scriptorium is er een voorbeeld van. Het lijkt dus een beetje op een herhalingsoefening waarin Auster voor de zoveelste keer met fictie en werkelijkheid aan het spelen is.
    Maar dan weet Auster je toch weer te verrassen. Geen postmoderne spelletjes deze keer. De werkelijkheid komt hard binnen als August Brill in de nacht met zijn even slapeloze kleindochter praat over zijn overleden geliefde. En je krijgt echt een vuistslag als je weet hoe Titus, gedumpt door Katya, is omgekomen in Irak. En dan krijg je het als lezer wat kouder omdat je weet dat al die verhalen, al die fictie in films en romans, niet bestand zijn tegen de werkelijkheid waarin mensen doodgaan op de meest gruwelijke wijze. Man in het duister is opgedragen aan de schrijver David Grossman, die zijn zoon, die soldaat was, verloor. Daar zou geen loflied op de fictie achter passen. Een prachtige roman.

    Coen Peppelenbos

    PAUL AUSTER: Man in het duister. Vertaling Ton Heuvelmans. Arbeiderspers, Amsterdam, 196 blz, €19,95

  • Katten in de herhaling

    Vorig jaar augustus verscheen Dagboek van een poes van Remco Campert. Een leuk klein hardcover boekje dat het leven van de auteur bekeek door de ogen van de kat. Voorop een huiselijke foto van de kat. Een jaar later verschijnt er een hardcover boekje dat exact even groot is: Poelie de verschrikkelijke van Frans Pointl. Ook bij Pointl een amateurfoto voorop. Het boekje van Pointl telt zo’n veertig pagina’s meer en heeft veel foto’s.
    In tegenstelling tot het boekje van Campert is Pointls kattenboekje een gemakzuchtig in elkaar gedraaid ding met voornamelijk materiaal dat al eerder is verschenen in verhalenbundels. Vier van de zes om precies te zijn. De helft van het boekje staat dus al in mijn boekenkast. Blijven twee redelijk sentimentele verhalen over die beide de strekking hebben dat je beter een kat kunt hebben dan een vrouw. Daarna komt nog een afdeling gedichten. Volgens de aantekeningen eronder komt het merendeel daarvan uit de dagboeken van Pointl. De meesten konden beter in het dagboek blijven. Maar de gedichten die los van het dagboek zijn geschreven, blijven ook wat prozaïsch. Zo luidt de laatste strofe van het gedicht ‘Klotewijf’:

    ik stond op
    pakte mijn jas
    en zei:
    ‘ik zorg liever voor tien katten
    Dan voor één lastig en dom oud wijf.’

    Er is vast een markt voor dit soort restantpartijen tweederangs literatuur en kattenliefhebbers zullen veel plezier beleven aan de foto’s van de katten, maar als Pointl een paar nieuwe verhalen geschreven had die dezelfde kwaliteit zouden hebben als het nu herdrukte verhaal waarin de oorlog een rol speelt (‘Het goudgroene oog’), dan zou ik pas echt blij zijn geweest.

    Coen Peppelenbos

    Frans Pointl: Poelie de verschrikkelijke. Nijgh & Van Ditmar, Amsterdam, 108 blz. €9,90.

  • Seks verkoopt, altijd

    Eindelijk volstrekt alleen zou je het derde deel kunnen noemen van een romantrilogie waarin de voorgangers Nestor en De verering van Quirina T. waren. Maar eigenlijk is het complete oeuvre van L.H. Wiener één groot literair werk dat voortdurend naar zichzelf verwijst, terwijl alle delen ook afzonderlijk te lezen zijn.
    Als je Wiener leest, weet je dat je een goedgeschreven werk in handen hebt, vol hartstocht, passie en woede: over het onderwijs, over de letterkunde en over de liefde. In Eindelijk volstrekt alleen richt die woede zich onder meer op Jeroen Vullings die als hoofd van de Republiek der Letteren stelselmatig het werk van Wiener links liet liggen. Ook A.F.Th. van der Heijden komt er niet ongeschonden vanaf. Wiener maakt zelfs erg foute grappen over de omvang van de schrijver. Maar dat hoort bij deze schrijver die niet alleen zijn misstappen laat staan, hij laat zelfs niet na om die uit te vergroten.
    Het enige bezwaar tegen deze roman is dat er wat storende herhalingen voorkomen omdat de schrijver enkele stukken uit krant of tijdschrift heeft gerecycled. Maar daar lees je met gemak overheen. Waar vind je tegenwoordig nog een boek waar je op de ene pagina met een krop in de keel zit en waar je een paar pagina’s verder hardop moet lachen om weer zo’n woede-aanval als het weer over zijn werk gaat?
    ‘Het is autobiografies als de kolére, maar tegelijkertijd honderd procent fictie, wat zeg je daarvan? Fictionele autobiografie mag ook. Ik vind het best, als het maar geen roman heet. Iedere geile teef die tegenwoordig een boek met veel overspel in elkaar flanst heeft een roman geschreven. Seks verkoopt, altijd. Een mooie kont op het omslag, of zo’n rooie ronde pijpmond en de kassa rinkelt. Dat gaat nooit over. Mijn nieuwe boek heet Eindelijk volstrekt alleen, een dodelijke titel natuurlijk, commercieel gesproken. De meisjes van 6 gym alfa is veel beter. Of wat dacht je van Diana’s lillende lippen, of Babettes bolle billen. Ik zou rijk kunnen zijn, als ik een kut had en niet kon schrijven.’
    Coen Peppelenbos
    L.H. Wiener ? Eindelijk volstrekt alleen. Contact, Amsterdam, 268 blz. €22,50
  • Dat gaat mis

    Over een paar maanden verschijnt bij uitgeverij Meulenhoff Luitenant-kolonel de Maumort van Roger Martin du Gard, een pil van meer dan duizend bladzijden. Om de lezers alvast lekker te maken heeft de uitgeverij een stukje uit dat boek als zelfstandige uitgave op de markt gebracht: De verdrinking. Dat kan heel goed, want in het hoofdwerk zitten kleinere werken opgeborgen, zoals ook de novelle ‘Saïdjah en Adinda’ uit de Max Havelaar is te plukken.
    Toch had ik moeite om De verdrinking uit te lezen en dat komt omdat je voorvoelt wat er gaat gebeuren. Een verhaal met deze titel kan niet goed aflopen. De homoseksuele sergeant De Balcourt wordt gelegerd in een kleine Frans plaatsje en valt direct voor de mooie, met meel bestoven, bakkersjongen. Als hij het zo weet aan te leggen dat hij in de bakkerij zijn logement heeft, is het gehunker niet meer van de lucht en ligt niets een mooie initiatie meer in de weg. Dat kan natuurlijk niet goed gaan. En eigenlijk wil ik niet lezen wanneer het mis gaat.
    De truc van de uitgeverij werkt: ben wel benieuwd geworden naar het grote werk.

    Coen Peppelenbos

    Roger Martin du Gard, De verdrinking. Vertaald door Anneke Alderlieste. Meulenhoff, Amsterdam, 126 blz. €12,90

  • Raar boek

    Na haar succesvolle debuutbundel Er hangt een hoge lucht boven ons, besloot de Vlaamse dichteres Els Moors een roman te schrijven. Het resultaat is Het verlangen naar een eiland, een ronduit raar boek ? en dat is positief bedoeld. Moors heeft met hoofdpersoon Alice een vreemd figuur geschapen dat op een eigenwijze manier door het leven beweegt. Alice onderneemt in haar jonge leventje een aantal dingen die romantisch lijken, maar door haar nuchtere kijk op de wereld en een flinke portie pech, loopt het meestal slecht af. Ze trouwt een wiskundig genie dat graag bereid is haar uit te lenen aan een collega om zelf verder te komen in zijn carrière; ze komt met hem terecht op een zo goed als onbewoond eiland, maar haar hypochondrische man overlijdt door een vallende kokosnoot (of is het moord?); ze gaat na zijn begrafenis op weg naar een huisje in het Zuiden met een bekende zanger, maar komt daar nooit aan, heeft een kort avontuurtje met een man met magische vingertjes, maar die begint haar te stalken.
    Zeker in de eerste helft van het boek werkt dat erg goed: de vervreemdende manier van denken van Alice past prima bij de vreemde gebeurtenissen en al snel komt de lezer in het ritme en neemt alle grappige gebeurtenissen aan als kloppend binnen het universum van het boek. In het tweede deel echter derailleert Moors, en nemen de gebeurtenissen en de manier waarop die verteld worden, wel erg slapstickachtige proporties aan. Opeens bestaat de hele wereld nog maar uit huilende mannen die “hem” niet meer omhoog krijgen of graag door Alice gepijpt willen worden. En dat terwijl Alice niet kan pijpen als er anderen bij zijn. Haar moeder had datzelfde probleem met neuken: alleen had ze het al 600 keer succesvol gedaan, maar met een ander erbij, wil het maar niet lukken. Het slot is een klassieke heen-en-weer-ren-klucht waarin hitsige mannen en jaloerse vrouwen door een hotel heen stuiven.
    Hoewel het boek tot het eind toe grappig blijft en is goed geschreven, kan Moors in dit boek nog niet goed maat houden en vliegt ze soms uit de bocht.

    Els Moors ? Het verlangen naar een eiland
    Uitgeverij Nieuw Amsterdam 2008

    Patrick Bassant, literair vlaanderen
    Bekijk hier een video van Els Moors

  • Kort, maar enorm krachtig

    Goede literatuur bevat geen woord te veel. Amy Bloom neemt dit wel heel letterlijk en schrapt, schrapt en schrapt nog eens tot haar boodschap in enkele woorden overkomt. De kracht van de Engelse auteur is dat ze in één zin meer emotie kan leggen dan sommige schrijvers in een heel boek. Het maakt dat ieder woord als een mokerslag bij de lezer aankomt. Met Op zoek schreef ze een korte, zeer krachtige roman een jonge vrouw die probeert te overleven in het New York van de jaren twintig. Bloom roept de meest heftige menselijke emoties in een minimum aan woorden op. Zonder ook maar één moment sentimenteel te worden. Haar intense meesterwerk over verlies en de drang om te overleven is het waard om heel langzaam gelezen te worden. En om dan nog eens herlezen te worden.


    Amy Bloom, Op zoek, Nieuw Amsterdam, vertaling Paul Syrier, 2008. 

  • Interview David Colmer

    ‘Eigenlijk is de wereld één groot gebied en dat gebied heet fictie.’
    Een gesprek met de schrijver David Colmer over zijn debuutroman Lew

    Door gebeurtenissen thuis en op school, besluit de vijftienjarige Lew op een dag weg te lopen van huis. Hij reist per bus naar de stad waar zijn zus Sha woont met haar zoontje Skip. Lew voelt een grote lotsverbondenheid met zijn zus die in zijn ogen net als hij het huis is uitgedreven door hun vreselijke ouders. Het enige contact dat hij de afgelopen jaren met Sha had verliep via een leraar bij hem op school, Gerry Case, die brieven over en weer bezorgde. Maar Gerry ligt in het ziekenhuis en Lew wordt gek van het idee dat hij nu geen contact meer kan hebben met Sha.
    Wanneer hij bij de troosteloze flat van zijn zus aankomt, treft hij een leeg huis. Sha en Skip lijken van de aardbodem verdwenen. Lew neemt zijn intrek in de flat en gaat op onderzoek uit. Hij komt in contact met mensen uit Sha’s omgeving, die hem betrekken bij hun eigen illustere activiteiten. Voor hij het weet is Lew alle grip op zijn bestaan kwijt en zijn zoektocht naar houvast brengt hem in steeds grotere problemen, waarbij één vraag hem meer en meer gaat kwellen: wat weet hij in hemelsnaam van zijn zus? En van zichzelf?

    Vorige week verscheen de debuutroman Lew van de Australische schrijver David Colmer. Colmer woont en werkt sinds 1991 in Nederland en hoewel hij zijn roman in zijn moedertaal ? Engels ? schreef, is Lew vooralsnog alleen in Nederland uitgegeven. Peter Bergsma vertaalde het boek voor Uitgeverij Contact.
    Literair Nederland sprak met David Colmer over zijn omzwervingen over de wereld, de totstandkoming van zijn roman, en het verwarrende van jong zijn.

    Hoe komt een Australiër in Nederland terecht?

    Vroeger heb ik veel gereisd, al moet ik eerlijk zeggen dat ik eigenlijk een hekel heb aan reizen. Ik brak mijn studie medicijnen in Australië af en trok via Nieuw-Zeeland naar Azië waar ik een tijd in Taiwan en Japan, in Taipei en Tokio, gewerkt heb als leraar Engels. Daarna ben ik in Londen gaan wonen, waar ik serieus met schrijven ben begonnen, en waar ik ook het eerste verhaal schreef dat gepubliceerd zou worden in een bekend tijdschrift: Panurge. Maar een echte schrijfcarrière kreeg ik op dat moment nog niet van de grond.Vervolgens kwam ik terecht in Berlijn, en ontmoette mijn huidige vrouw, een Nederlandse. Er zat dus geen groot plan achter mijn emigratie naar Nederland. Al die tijd was ik eigenlijk alleen maar geïnteresseerd in schrijven en heb dus nooit echt geprobeerd carrière te maken. In Nederland ben ik begonnen met mijn literaire vertaalwerk, ik heb onder andere het werk van Annie M.G. Schmidt, Bart Moeyaert en Anna Enquist in het Engels vertaald.

    Vóór in het boek staat dat Lew gebaseerd is op het korte verhaal in Panurge waarvan je daarnet al sprak, getiteld ‘Lew to Big City’. Dat was in 1988. Waarom wilde je dat verhaal nog verder uitwerken?

    Het was op een aantal manieren nog niet af. De eerste versie van het verhaal was een behoorlijk pretentieus verhaal in de trant van Italo Calvino. Ik experimenteerde volop met stijl en vond het toen nog nodig Lew de hele wereld over te slepen. Daarna ben ik het gaan herschrijven, ik ging veel ‘droger’ schrijven en perkte de plaats van handeling in. Ik denk dat ik daar goed aan heb gedaan, want deze tweede versie werd geplaatst in Panurge. Daarna ben ik doorgegaan met onder meer het schrijven van verhalen die verder gingen met de figuren en situaties uit ‘Lew to Big City’. Vervolgens ben ik met het verhaal over Lew en die andere verhalen aan de slag gegaan en heb er een boek uit gegoten ? dit boek, om precies te zijn. Dat was tien jaar geleden. Goed, ik heb er sindsdien nog wel wat aan bijgeschaafd en wat dingen geschrapt, maar eigenlijk was Lew in 1992 al af. Tussen toen en nu heb ik trouwens een aantal verhalen in Engelse, Duitse en Australische tijdschriften gepubliceerd. En in België is in 1999 in Het Nieuwe Wereldtijdschrift een verhaal van me verschenen, ‘De Dijk’.

    Er bestaat dus een soort oerversie van Lew, heb je dat verhaal recentelijk nog eens herlezen?

    Nee, het is jaren geleden dat ik dat verhaal heb gelezen. Het hele ontstaansproces boeit me eigenlijk niet zo. Het is meer dat ik dat werk graag aan mijn onderbewustzijn overlaat. Ze zijn hier wel, de verschillende versies, maar ik kijk er niet naar en sommige zijn nogal verbleekt. Een ander zou dat misschien zonde vinden, maar ik zit er niet mee.

    Het boek maakt op een bepaalde manier een universele indruk, het had wat mij betreft in elk decennium vanaf de jaren vijftig van de vorige eeuw kunnen spelen, in elke grote stad. Vind jij dat het verhaal typisch Australische kenmerken heeft?

    Ja, eigenlijk wel, maar dan stilistische. Ik voel mij stilistisch verwant met schrijvers als Helen Garner, Frank Moorhouse en Tim Winton, om een paar te noemen. Al is het moeilijk om uit te leggen hoe dat precies in z’n werk gaat. Daar tegenover hebben de beschrijvingen van de stedenbouw in het boek, het type flat waar Sha in woont, de omgeving, veel meer een Londense sfeer. Maar eigenlijk is de wereld één groot gebied en dat gebied heet fictie. Ik heb wel bewust geprobeerd op een bepaalde manier abstract te blijven, zo noem ik geen plaatsnamen en geen valutasoort, dat was soms moeilijk, maar het hoorde bij de concept van het boek.

    Waarom wilde je je verhaal vanuit het perspectief van een jonge jongen, een puber vertellen?

    Ik wilde een verhaal vertellen over illusies en desillusies. Daarvoor heb je een personage nodig dat nog niet alles weet, dat op een bepaalde nog heel naïef is. Ik heb een beetje een hekel aan het soort ‘esprit d’escalier’ waarmee schrijvers de figuren waarmee ze zich identificeren trachten op te poetsen. Lew is geen geconstrueerd personage, hij is alledaags, je herkent jezelf in hem en die herkenning is pijnlijk. Aan het begin van het boek is de verhouding met zijn zus zijn grote houvast, maar gaandeweg het verhaal verandert dat. Er zijn nog heel veel dingen die hij niet goed snapt en daardoor schat hij ze verkeerd in.

    Het knappe aan je roman vond ik dat je aan het eind eigenlijk nog niks weet. Je hebt geen flauw idee wat er nou werkelijk gebeurd is. De dingen die beschreven worden gebeuren wel, maar je ziet ze alleen door de ogen van Lew. Wie weet heeft hij juist wel hele lieve ouders, wie weet deugt zijn zus juist wel niet. Wilde je een bepaald spel spelen met de lezer?

    Nee, dat niet, Lew geeft gewoon mijn visie weer op het leven zoals het is. De ultieme subjectiviteit van elke waarneming, van elke belevingswereld. Het is zeker geen intellectuele puzzel of zo. Natuurlijk had ik wel plezier in het spelen met Lews onwetendheid, als schrijver weet je natuurlijk meer dan de hoofdpersoon, maar het was juist mijn opzet om een bepaalde herkenning bij de lezer op te roepen, niet om hem te misleiden.

    En dat is je wonderwel gelukt. Wat zijn je plannen voor de toekomst?

    Ik ben bezig met een nieuwe roman, iets totaal anders dan Lew, ik gebruik een heel andere stem. Zo begaan als ik ben met de figuur van Lew, bracht zijn perspectief heel wat beperkingen met zich mee. Toen het verhaal af was, was het een hele opluchting om in de korte verhalen die ik daarna schreef met meer intellectuele of verbale figuren te kunnen werken. Dat zet ik nu voort in mijn nieuwe roman. Ik moet dan ook bij de les blijven, maar ik heb meer speelruimte. Het schrijven van Lew vergde erg veel discipline, juist door zijn beperkte kijk op de dingen. Maar eerst maar eens kijken of er besprekingen van Lew verschijnen, het schrijft toch prettiger als je weet dat je werk gelezen wordt.

    Lew, David Colmer, Uitgeverij Contact, 2003.

    Daphne de Heer

  • Interview Arthur Japin

    Vanaf Tweede Pinksterdag 2004 was de Libris-literatuurprijswinnaar 2004 Arthur Japin een week te gast in onze interviewrubriek. Arthur Japin is wereldwijd bekend geworden met zijn roman De zwarte met het witte hart. Ietwat ondergewaardeerd zijn zijn verhalenbundels, vooral De vierde wand. Japin schrijft niet alleen proza: hij schrijft poëzie, liedteksten (voor Astrid Seriese bijvoorbeeld), scenario’s (o.a. Magonia voor de regisseur Ineke Smits), libretto’s en maakt verre reizen. Kortom van Een schitterend gebrek tot de Magonische verhalen: vraag wat je wilt.


    Coen Peppelenbos

    Dag Arthur,

    Allereerst welkom op ons forum en nog van harte gefeliciteerd met de Libris-prijs. Ik heb misschien een wat rare vraag. Vorig jaar heb je met een aantal schrijvers (waaronder Michel Faber) opgesloten gezeten om The Global Novel te schrijven. Is dat al in het Nederlands vertaald?


    Bart Temme:

    Beste Arthur,

    Hoewel je pas vanaf morgen elke dag inlogt, wil ik toch alvast mijn vraag voor jou op dit forum plaatsen. Maar eerst wil ik je feliciteren met de Libris literatuurprijs 2004. Ik heb ontzettend genoten van Een schitterend gebrek.

    Mijn vraag zal dan ook over dit boek gaan. Ik zou namelijk graag willen weten hoelang je met dit boek bezig ben geweest (research en schrijven). Heb je veel research moeten verrichten voor dit boek of had je de kennis al? Heb je bij voorbeeld de complete memoires van Casanova gelezen voordat je bent gaan schrijven?


    Arthur Japin:

    Beste Bart,

    Lang, misschien wel 20 jaar geleden, vielen me de passages over Lucia op in Casanova’s memoires. Ik schreef toen niet of nauwelijks, maar het gegeven bleef rondzingen. Ken je dat fenomeen dat je ineens ergens een woord leest dat je nog nooit gelezen hebt en kort daarop hoor je het ineens door allerlei mensen gebruikt worden? Daar moet je het mee vergelijken: je bent op iets gestuit en ineens lijken allerlei zaken in je omgeving daar mee te maken te hebben. Zo verzamel je in de loop van de jaren als vanzelf de meest uiteenlopende gegevens die van doen hebben met het onderwerp dat je fascineert. Daarna, ik denk begin jaren ’90, heb ik eens een hoorspel geschreven waaraan hetzelfde verhaal ten grondslag lag. Dat zou je dus al een vingeroefening voor het boek kunnen noemen. Tenslotte, als het menens wordt en je zeker weet dat je er meer mee wilt, ga je serieus onderzoeken of er meer te vinden is. Dat was in Lucia’s geval aanzienlijk minder dan bij Kwasi en Kwame, de hoofdpersonen van De Zwarte met het Witte Hart. Zij waren hier op uitnodiging van de overheid die alles goed bijhield, maar Lucia is natuurlijk maar een voetnoot bij de geschiedenis. Er was het een en ander, maar niet genoeg voor een heel boek. Wat je dan doet (of in elk geval wat ik doe) is zorgen dat alle voorwaarden kloppen, d.w.z. dat alles in Lucia’s omgeving zoveel mogelijk klopt. Daarna is het een kwestie van verregaande inleving. Bij mijn eerste roman is me gebleken dat het zodoende ook heel goed mogelijk is om de waarheid te verzinnen. Er zijn talloze voorbeelden van dingen die ik toen, door me met Kwasi te identificeren, verzonnen heb, maar die later waren bleken te zijn geweest. Bij dat scheppen van de omgeving stuit je dan vaak weer op geweldige zaken waar je geen weet van had, maar die perfect in je verhaal passen: zoals die groep femmes savantes in Bologna, de lessen in anatomie in de oude Waag of de strenge vervolging van Joodse hoerenlopers. Kortom: twintig jaar alles in je opslaan dat met je verhaal te maken heeft, twee jaar gericht zoeken en een jaar of anderhalf alleen maar schrijven. Gelukkig weet je op het moment dat een verhaal je grijpt niet dat het zoveel jaar gaat duren. Zo’n moment had ik vorige week in Texas: je hoort iets over een historische figuur en je staat als aan de grond genageld. Je leest wat over hem en je kunt niet geloven dat niemand er eerder iets mee gedaan heeft. Nu stop ik, want anders wil je weten wat het is en dat vertel ik niet! Dat zie je over 20 jaar wel.

    Groet, Arthur


    Arthur Japin:

    Beste Coen,

    Het is in Griekenland verschenen bij Kastaniotis, mijn vaste Griekse uitgever, in een grieks dagblad en ik meen dat het nu tot de opening van de Spelen in Athene per hoofdstuk op een literaire site verschijnt, maar van de vertalingen heb ik niets gehoord. Die vertalingen bestaan wel, want die zijn, vrijwel simultaan gemaakt, in elf talen. Ik zeg er wel bij dat -waarschijnlijk door de haast – die vertalingen niet altijd even goed zijn. Ik denk dat ze nog wel te lezen zijn op www.globalnovel.com. Het is de bedoeling (in elk geval van Kastaniotis) dat het boek uiteindelijk in alle elf talen verschijnt, liefst in alle twaalf landen bij de uitgevers van alle 14 auteurs, maar mij lijkt dat wat optimistisch. In ieder geval was het voor mij de enige mogelijkheid eens in mijn leven officieel deel uit te maken van de Olympische Spelen.

    Groet, Arthur


    Bart Temme:

    Arthur,

    Bedankt voor je antwoord! Wel jammer dat je niet meer kunt vertellen over dat nieuwe verhaal. Op dit forum heb ik de volgende vraag aan de leden gesteld: Wie is volgens jou de grootste schrijver (binnenland – buitenland)? Deze vraag zou ik jou ook graag willen voorleggen.


    Coen Peppelenbos:
    Beste Arthur,

    Dank voor je antwoord. De link doet het niet meer (ook niet meer op je eigen site maar via Google vond ik deze site waar ook jouw bijdragen op staan. Als geen enkele uitgever het wil uitgeven, weet ik nog wel een klein uitgevertje in het Noorden van het land.


    Arthur Japin:

    Ik ben zelf 1 meter 92, maar Joost Zwagerman en Adriaan van Dis zijn niet kleiner.


    Coen:
    Dag Arthur,

    Even een vraag over het nominatiesysteem.  Al eerder (met De zwarte met het witte hart) was jij genomineerd voor een prijs. Ervaar je zo’n nominatieronde als iets stimulerends of als iets kwellends. Je ziet de laatste jaren steeds meer schrijvers die zich niet willen ‘lenen’ voor deze grote commerciële prijzen. Denk je dat die nominaties effect hebben op lezers, kopers, ook als de genomineerde niet wint?


    Bernadet:

    Dag Arthur,

    De laatste tijd worden er weer pogingen gedaan om boekenprogramma’s te maken. Als jij zo’n programma zou mogen maken wat zou er dan absoluut niet in mogen ontbreken en wat zou je echt NIET willen bespreken?


    Arthur Japin:
    Beste Bart,
    Nog even over dat nieuwe gegeven it Texas. Het heeft met de Indianen te maken enhet oude Westen, iets dat me nooit eerder aangetrokken heeft. Ik heb nog nooti een western uit kunnen kijken, maar als bij donderslag begon het voor me te leven. Overigens zijn de ware feiten hier zo enorm melodramatisch dat het mijns inziens alleen maar een opera kan worden. In een roman zou niemand de waarheid willen geloven. Maar ja, van De Zwarte met het Wite Hart dacht ik eerst ook dat het een opera moest worden. Dat gebeurt trouwens nu alsnog. Het libretto heb ik net af en de componist is bezig. Nu maar hopen dat ik nog eens een componist zo gek zal krijgen.

    Groet, Arthur


    ArthurJapin:

    Beste Bernadet,

    Ik heb het er vaak met vrienden (Oscar van den Boogaard, Mieke van der Weij) over gehad: hoe zou je zo’n programma nou pakkend kunnen maken? Vanouds heb ik nogal wat televisie- en camera ervaring (als acteur), ongetwijfeld meer dan andere Nederlandse schrijvers en ik kan vast zo’n programma leuk aan elkaar praten, maar inderdaad wat behandel je dan wel en wat niet? Wat niet is simpel: in elk geval GEEN recensies. Schrijvers die boeken van andere schrijvers bespreken belanden in een neerwaatrste spiraal waar ze zelden nog uitkomen. Dat dus niet; wat wel? Misschien wil ik in elk programma wel een portret van de partner van een schrijver laten zien. Zou dat niet aardig zijn? Het heeft niets met het werk van de schrijver te maken, maar hij gaat er wel door leven voor de lezers, zodat ze zijn boeken kopen. En dan kunnen de lezers die vervolgens zelf wel beoordelen, dat hoeven wij niet voor ze te doen. Ja, de partner van de schrijver: hoe hebben ze lief, hoe lijden zij onder die enorme ego’s en hoe houden zij vol? Hebben ze zelf ooit tot inspiratie gediend en hoe vinden ze het dat hun partner aan de haal gaat met de ideeen die zij onder het boodschappen doen hebben geopperd? Zijn ze jaloers op de personages in het hoofd van hun schrijvende vriend(in)? ach, ik bedenk maar wat terplekke. Misschien moet het ook wel intiemer: hoe zijn ze in bed, vastgeroest of inventief? In welke mate we de schrijver in actie tonen kunnen we af laten hangen van de zendgemachtigde die nu geinteresseerd raakt.


    Arthur Japin:

    Beste Coen,

    Er bestaat geen enkel bezwaar tegen je te lenen voor grote commerciele prijzen, zolang je ze maar wint. Wie verliest en toch al die moeite heeft moeten doen en jaloezie heeft moeten verdragen is enigszins de pineut, dat is waar. Toch heeft zijn genomineerde boek ondertussen heel veel extra aandacht gekregen, dus zo erg is het nu ook weer niet.

    Waar ik niet van houd, is dat spel met de geheimhouding. Dat is voor iedereen misschien leuk, maar voor de schrijvers absoluut niet. Er is werkelijk niets aan om naar zo’n uitreiking te gaan zonder zekerheid. Tot nog toe heb ik die bijna altijd vantevoren weten te krijgen. Ik vind het niet erg om voor het oog van de camera’s (een keer) te verliezen, maar dan wil ik het wel vantevoren weten. Ook zo’n uitreiking is toch gewoon werk en in die zin ben ik misschien nog erg een acteur die vantevoren wil weten welke reactie de regisseur van hem verwacht. Ik zit daar ook altijd nuchter, net als vroeger voor een optreden, en pas na afloop, als de camera’s weg zijn en het publiek tevreden naar huis, sta ik mezelf een glaasje toe. Mijn suggestie: vertel de uitslag aan alle genomineerden en dwing ze tot geheimhouding t.o.v. derden. Klaar, geen valse spanningen meer. en voor de kijker die daar plezier in schept (maar waarom zou hij?) blijft de uitslag tot op het laatste moment een verrassing.

    Kortom: elke bekroning, ook een nominatie, is een eer en genomineerd zijn helpt soms meer dan winnen, zoals ik heb ervaren in ’97 bij de Generale Bank Prijs. Ik kreeg hem voor De Zwarte met het Witte Hart niet, maar de verkoop kwam opgang en is tot op de dag van vandaag niet gestopt.


    Bernadet:

    Beste Arthur,

    Ja hoe houden die partners het vol! (grapje)

    Dat zou wel een idee zijn. Zelf lees ik ook altijd graag over de schrijver zelf, heb er hele discussies over gehad in hoeverre je dat beinvloedt bij het lezen van zijn/haar boeken.

    Mij beinvloedt het zowel positief als negatief.

    Nog een vraag: Vorig jaar was The Big Read in Engeland. De Engelsen konden bepalen wat zij het beste boek ooit vonden. Hoe sta jij tegenover zo’n verkiezing? Positief omdat het lezen promoot of vind je dat het eigenlijk een verkapte commerciële actie is?


    Coen:
    Beste Arthur,

    Zou jouw partner meewerken aan zo’n programma? Kan hij alvast niet deze vragen hier beantwoorden? :-)


    Marjo:
    Beste Arthur,

    De boeken die je schrijft zijn gebaseerd op een feit uit de geschiedenis. Een waar feit uitgesponnen tot een roman. Het lijkt een populair genre te zijn geworden. Hoewel ik ze graag lees heb ik er toch ook een probleem mee. Als lezer weet je niet waar de grens tussen fictie en non-fictie ligt.

    En ik zou dat graag willen weten. En waar de schrijver twijfelt. Een nawoord moet toch mogelijk zijn?

    Hoe denk je daarover?


    Arthur Japin:

    Beste Coen,

    Ik denk het wel. Hoe langer ik erover nadenk, hoe aantrekkelijker deze ingang tot de literatuur mij lijkt. Lezen zou plots heel populair kunnen worden op scholen.


    Arthur Japin
    :
    Beste Marjo,

    Er zijn twee antwoorden mogelijk en daarmee ook twee houdingen waarmee je zo’n historische roman zou kunnen benaderen:

    A: Alles is waar. Dat is zo. Voor mij zeker. Als ik niet zou geloven dat wat ik opshcrijf de volledige waarheid is zou ik het niet kunnen. Dat geldt ook voor alles wat ik uit mijn duim zuig. Op het moment dat ik dat doe, is het waar, want mijn karakter bedenkt het voor me. Als daar die uitgebreide voorbereiding en inleving aan vooraf is gegaan, die ik vandaag elders op dit forum heb beschreven, dan hoeft er geen twijfel te bestaan, bij de lezer, noch bij mij.

    B: Alles is verzonnen. Dat mag je van mij ook geloven, zelfs bij alles wat waar gebeurd is. Dan lees je het verhaal puur als een roman en net als bij andere romans schort je dan je ongeloof over bepaalde zaken eventjes op. Als het een goed boek is, blijft het overeind en blijft het je boeien. Vaak geldt overigens juist voor de meest waanzinnige details dat ze waar zijn. Het leven biedt je feiten die je niet zou durven gebruiken in een verhaal dat fantasie is.

    Dit alles heb ik ook moeten ontdekken. De Zwarte met het witte hart ben ik tweemaal begonnen. Eerst in een overmoedige bui na wat onderzoek. Binnen enkele weken begon ik me echter te schamen. Ik dacht: dit zijn echte mensen en wie ben ik om te zeggen wat ze dachten of waar ze zich bevonden als ik daar niet helemaal zeker van ben. Toen ben ik meer onderzoek gaan doen met het idee het verhaal dan maar te vertellen door me enkel aan de feiten te houden. Daar gingen jaren overheen. Toen ik eindelijk weer ging zitten (met al die kennis in mijn kop over Kwasi en Kwame) gebeurde er iets wonderlijks. Wanneer ik bij een hiaat in hun geschiedenis aankwam en ik me afvroeg wat daar nu toch gebeurd kon zijn, gaf een stem eenvoudigweg antwoord. Ik weet heel goed dat dat mijn eigen stem was, samengesteld uit mijn begrip van zaken en mijn kennis van KWasi en KWame’s karakters en levensloop, maar toch was het bijna iets buiten mezelf. Iets waarop ik kon vertrouwen, een onnavolgbaar mechanisme, dat me toch in de loop der jaren merkwaardig heeft geholpen de waarheid te voorspellen. Dat gaf me de moed hun verhaal toch als roman te vertellen, vooral omdat ik IN hun hoofden wilde kunnen kijken om werkelijk te kunnen begrijpen wat ze doorstaan moesten hebben.

    Tenslotte nog een derde antwoord, misschien het enig juiste, antwoord C: Ik wil eigenlijk niet dat je iets over de geschiedenis te weten komt, maar ik wil dat de lezer iets over mij ontdekt naar aanleiding van de geschiedenis die ik vertel. En dat gebeurt. Onherroepelijk. Zonder dat je het ooit zult merken of zult kunnen aanwijzen.

    Groet,

    Arthur


    Arthur Japin:

    Beste Bernadet,

    Ik heb niets tegen commerciele acties, verkapt of niet, want ik moet ook eten. Maar zulke verkiezingen, zoals we nu de Grootste Nederlander aller tijden krijgen met daarbij DJ Tiesto en Fanny Blankers Coen als concurrenten van Erasmus, daar word ik toch niet gelukkiger van. Als je van de kandidaten stelt dat ze tenminste 100 jaar dood moeten zijn, dan zou de uitkomst in elk geval iets vertellen over de huidige stand van zaken: wie worden er nog gelezen (Niemand) en wie niet (alle dode schrijvers). Maar als iedereen die vandaag de dag de pen ter hand neemt in aanmerking mag komen krijg je, gezien de -zeer tijdelijke – invloed van de media een totaal vertekend beeld. Om te zien welke hedendaagse schrijver populair is bij lezers hebben we in november de NS Publieksprijs (STEM OP MIJ!) Ook daar is het gezelschap heel uiteenlopend, maar in elk geval een weerslag van wat er dit jaar het meest gelezen is. Dus: The big read: als spelletje aardig, maar meer niet.

    Groet, Arthur


    Bernadet:

    Beste Arthur,

    Wat ik me vaak afvraag is hoe het komt dat bepaalde boeken enorm gepushed worden terwijl andere, soms betere, boeken totaal die aandacht niet krijgen. Af en toe vind je ineens juweeltjes die totaal geen publiciteit hebben gekregen.

    Moet je als schrijver zelf je boek promoten en overal je gezicht laten zien om naamsbekendheid te krijgen en/of je boeken te verkopen of is dat afhankelijk van de uitgever?

    Bernadet


    Arthur Japin:
    Beste Bernadet,

    Daarbij spelen heel veel factoren een rol. Ten eerste heeft een grote uitgeverij veel meer geld voor promotie dan een kleine. Vervolgens kan er in een schrijver die beter verkoopt meer worden geinvesteerd (omdat zich dat terug verdient) Dan zijn er bepaalde schrijvers die direct zullen worden besproken in een krant en andere die minder nieuwswaarde hebben komen dan later of zelfs helemaal niet aan de beurt. Het aanbod is ook zo groot. Zelf hoef je als schrijver niet veel te doen, al is het verstandiger interviews te geven dan je te verschuilen. Een wasmiddel dat onderop de schap staat wordt minder goed verkocht, maar daarom kan het nog wel schoon wassen.

    Blijf dus vooral juweeltjes zelf ontdekken, want ook de mooiste boeken kunnen onontdekt en ondergewaardeerd blijven of na korte tijd alweer zijn vergeten.

    Groet, Arthur


    Bart Temme:

    Beste Arthur,

    Voor welk boekenweekthema zou jij graag het geschenk willen schrijven en waarom?


    Bernadet:

    Ik snap wel dat in schrijvers die beter verkopen meer wordt geinvesteerd en ook dat de ene schrijver een grotere nieuwswaarde heeft dan de andere maar mij gaat het er meer om hoe dat gaat voordat je nieuwswaarde hebt. Sommige debutanten worden gepromoot als DE ontdekking. (Wat bij mij af en toe overkomt als iets door je strot geduwd krijgen.)

    Hoe doe je dat als schrijver om onder de aandacht te komen. Het begint natuurlijk al bij de uitgever, maar je moet toch erg overtuigt zijn van je eigen werk wil je het al naar een uitgever sturen. En hoe krijg je het dan voor elkaar dat ze het inderdaad willen pushen. (ik snap ook wel dat heel slecht werk niet gepushed wordt) het zal toch ook aan de schrijver zelf liggen, die zal toch niet achterover gaan hangen en hopen dat de uitgever er wat in ziet. Kortom, hoe breng je je eigen werk onder de aandacht? Je zal zelf toch ook moeten lobbyen?


    Arthur Japin:
    Liefde zou een hele mooie zijn, maar dat is vast al eens een thema geweest. En inderdaad hoef je je niet aan het thema te houden. Overigens heb ik een perfect project in de kast, mocht het verzoek ooit tot me komen. Je weet het tenslotte nooit. Het is iets dat heel veel mensen aan zal spreken, precies 90 pagina’s hoeft te beslaan en mijn vingers jeuken om er aan te beginnen, maar ik ben geduldig. Zoals je begrijpt zwijg ik ook hierover.

    Groet, Arthur

    Beste Bernadet,

    Hoe je je als schrijver die net begint moet opstellen, daar kan ik je niets zinnigs over zeggen. Ik heb zelf nooit werk hoeven promoten om aan de bak te komen. Wel moet je geloof hebben in wat he doet, maar dat moet je ook elke ochtend opnieuw opbrengen als je gaat zitten, in het begin en later ook tot de laoude Westen, iets dat me nooit eerder aangetrokken heeft. Ik heb nog nooti een western uit kunnen kijken, maar als bij donderslag begon het voor me te leven. Overigens zijn de ware feiten hier zo enorm melodramatisch dat het mijns inziens alleen maar een opera kan worden. In een roman zou niemand de waarheid willen geloven. Maar ja, van De Zwarte met het Wite Hart dacht ik eerst ook dat het een opera moest worden. Dat gebeurt trouwens nu alsnog. Het libretto heb ik net af en de componist is bezig. Nu maar hopen dat ik nog eens een componist zo gek zal krijgen.

    Groet, Arthur

    Arthur Japin:
    Goedemorgen Coen,

    Magonia, het fictieve land in de wolken, staat voor mij symbool voor het scheppen van een eigen, nieuwe werkelijkheid. Iedereen die het dagelijks leven niet goed verdraagt en niet bij de pakken neerzit, maar iets onderneemt (fysiek of spiritueel) om errs bespreken belanden in een neerwaatrste spiraal waar ze zelden nog uitkomen. Dat dus niet; wat wel? Misschien wil ik in elk programma wel een portret van de partner van een schrijver laten zien. Zou dat niet aardig zijn? Het heeft niets met het werk van de schrijver te maken, maar hij gaat er wel door leven voor de lezers, zodat ze zijn boeken kopen. En dan kunnen de lezers die vervolgens zelf wel beoordelen, dat hoeven wij niet voor ze te doen. Ja, de partner van de schrijver: hoe hebben ze lief, hoe lijden zij onder die enorme ego’s en hoe houden zij vol? Hebben ze zelf ooit tot inspiratie gediend en hoe vinden ze het dat hun partner aan de haal gaat met de ideeen die zij onder het boodschappen doen hebben geopperd? Zijn ze jaloers op de personages in het hoofd van hun schrijvende vriend(in)? ach, ik bedenk maar wat terplekke. Misschien moet het ook wel intiemer: hoe zijn ze zoals ze is en niet zoals ze zichzelf ‘leest’ uit de -geschokte- blikken van anderen.)

    Groet, Arthur

    Jeroen van Kan:
    Beste Arthur,

    Welke functie heeft het schrijven voor jou? Aan welke persoonlijke behoefte komt het schrijven tegemoet? Wat is de verborgen persoonlijke agenda van het schrijven? Of moet je daar niet over nadenken?


    Arthur Japin:
    Beste Jeroen,

    Nee daar moet je nooit bij nadenken. Zeker niet wanneer je aan het schrijven bent. Zolang je schrijft moet je nergens over nadenken. Maar als iemand je er op een onbewaakt moment naar vraagt kan het wel even: Ik ben geisoleerd opgegroeid en mis in gesprekken en in gezelschappen iedere impuls om mensen mee te delen wat ik heb meegemaakt of wat er in mij omgaat. Ik kan heel goed luisteren, maar zelf eens een duit in het zakje doen komt in een normaal gesprek (dus anders dan een interview of optreden) niet bij me op. Daar moet ik me dan echt toe zetten. Wanneer ik schrijf vertel ik natuurlijk voortdurend over mezelf en mijn drijfveren (meestal vermomd als die van een ander, maar toch). Kennelijk is dat mijn manier om me kenbaar te maken. Maar het is nooit het doel.

    Groet, Arthur


    Coen:

    Dag Arthur,

    Goed dat je me op een denkfout betrapt, maar ik ga er toch nog even op door. Aan het einde van het boek vertrekt Lucia naar Amerika, met de man bij wie ze zijn kan wie ze is. Dat betekent toch dat ze daarvoor haar sluier wel degelijk als schild heeft gedragen. Of houdt ze op dat moment op Magoniër te zijn?n vandaag niet gestopt.


    Bernadet:

    Beste Arthur,

    Ja hoe houden die partners het vol! (grapje)

    Dat zou wel een idee zijn. Zelf lees ik ook altijd graag over de schrijver zelf, heb er hele discussies over gehad in hoeverre je dat beinvloedt bij het lezen van zijn/haar boeken.

    Mij beinvloedt het zowel positief als negatief.

    Nog een vraag: Vorig jaar was The Big Read in Engeland. De Engelsen konden bepalen wat zij het beste boek ooit vonden. Hoe sta jij tegenover zo’n verkiezing? Positief omdat het lezen promoot of vind je dat het eigenlijk een verkapte commerciële actie is?


    Coen:
    Beste Arthur,

    Zou jouw partner meewerken aan zo’n programma? Kan hij alvast niet deze vragen hier beantwoorden? :-)


    Marjo:
    Beste Arthur,

    De boeken die je schrijft zijn gebaseerd op een feit uit de geschiedenis. Een waar feit uitgesponnen tot een roman. Het lijkt een populair genre te zijn geworden. Hoewel ik ze graag lees heb ik er toch ook een probleem mee. Als lezer weet je niet waar de grens tussen fictie en non-fictie ligt.

    En ik zou dat graag willen weten. En waar de schrijver twijfelt. Een nawoord moet toch mogelijk zijn?

    Hoe denk je daarover?


    Arthur Japin:

    Beste Coen,

    Ik denk het wel. Hoe langer ik erover nadenk, hoe aantrekkelijker deze ingang tot de literatuur mij lijkt. Lezen zou plots heel populair kunnen worden op scholen.

    Arthur Japin:
    Daarbij spelen een aantal factoren, maar ik denk dat de belangrijkste is dat er van de lezer wordt gevraagd een hele rare sprong te maken, namelijk IN het hoofd van een op zich al uitzonderlijke geest: die van de beroemde Italiaanse filmregisseur. Als je zijn werk kent is dat nog wel te doen, maar veel mensen kennen de films van de regisseur die voor Snaporaz model heeft getaan natuurlijk niet of niet meer. Binnen dat hoofd gebeuren, zoals in die films, groteske dingen. Gelukkig heeft het heel erg veel mensen niet weerhouden er van te genieten. Er zijn dus genoeg mensen die een beetje moeite willen doen. Voor de anderen moet Een Schitterend Gebrek, dat veel toegankelijker is, een verademing zijn.

    Dag Marjo!

    Emma:
    Beste Arthur,Wat ik me eigenlijk altijd afvraag is hoe een schrijver met een boek begint. Dat is voor iedereen anders natuurlijk, maar hoe is dat bij u? Leest u eerst iets anders en komt u dan op het idee of begint u gewoon te schrijven en ziet u wel waar het eindigt? En zoekt u ook dingen op in historische boeken of andere dingen?
    Groetjes Emma

    Arthur Japin:
    Over films gesproken: mag ik deze plek gebruiken om hier als primeur bekend te maken dat Frans Weisz en ik, samen met de producent Sherman de Jesus zojuist voor onze speelfilm BOY ECURY de ‘Columbine Award 2004 for best feature film’ hebben gewonnen op het Moondance Festival in Colorado?

    Emma: Namens mijn vader Emmanuel Naaijkens en namens mij gefeliciteerd :)

    Coen: Gefeliciteerd! Dit wordt een echt prijzenjaar voor je. Voor mensen die meer willen weten: http://www.moondancefilmfestival.com/04-Winners.html


    ArthurJapin:

    Beste Emma,

    Voor mij begint alles met een bliksemschicht. Je hoort, ziet of bedenkt iets en er is geen twijfel aan mogelijk: dit is zo intrigerend, gek, anders, ongehoord dat je er iets mee moet; Je staat als aan de grond genageld. Het gebeurt niet vaak, misschien maar een paar keer in je leven, maar twee weken terug had ik toevallig het geluk dat het me weer overkwam: je wilt meer weten; meer begrijpen. En als het dan iets is waar niemand ooit eerder aan gedacht heeft of iets mee gedaan heeft, dan moet je wel: zelf na gaan denken; vorm geven; ordenen; onderzoeken. Het lijkt een opgave, maar omdat je zo geintrigeerd bent is het alleen maar een groot plezier.

    Ik zoek wel veel op en lees veel over het onderwerp, maar de nadruk moet liggen bij je eigen beleven en begrip van een karakter of een situatie. Ik maak zelf nooit een schema en zie dus wel waar ik uitkom, waarbij ik wel moet zeggen dat een historisch gegeven je natuurlijk toch altijd in een bepaalde richting dwint, namelijk in die waarin alles is voorgevallen.

    Groet, Arthur


    Eke:

    Beste Arthur,

    Dit is wel een heel flauwe vraag misschien, maar hij speelt wel binnen een wereldje van lezers. Die vraag is namelijk: hoe spreek je nou toch Japin uit: op de manier van Jamin of op z’n Frans? Ik ken mensen die van jou persoonlijk gehoord hadden dat het het eerste was en andere die dat zelfde zeggen over het tweede. Is het soms een ver doorgevoerde mystificatie? Noem je je bijvoorbeeld als privepersoon anders dan als schrijver? Licht voor mij alsjeblieft de sluier op.


    Rati:

    “een mening wil ik wel geven, maar een oordeel nooit”. Een uitspraak die alleen maar bewondering kan wekken. Wordt wel vaak andersom toegepast, en is soms wel moeilijk, moet ik toegeven. Ik hoop dat het jou over het algemeen lukt.

    Groetjes. Rati.


    Wouter:

    Bernadet


    Arthur Japin:
    Beste Bernadet,

    Daarbij spelen heel veel factoren een rol. Ten eerste heeft een grote uitgeverij veel meer geld voor promotie dan een kleine. Vervolgens kan er in een schrijver die beter verkoopt meer worden geinvesteerd (omdat zich dat terug verdient) Dan zijn er bepaalde schrijvers die direct zullen worden besproken in een krant en andere die minder nieuwswaarde hebben komen dan later of zelfs helemaal niet aan de beurt. Het aanbod is ook zo groot. Zelf hoef je als schrijver niet veel te doen, al is het verstandiger interviews te geven dan je te verschuilen. Een wasmiddel dat onderop de schap staat wordt minder goed verkocht, maar daarom kan het nog wel verga wordt het ook vaak weer iets heel nieuws: Gapien, Dzjeepen, je kunt het zo gek niet bedenken. Maar van oorsprong is het een oude franse naam en thuis zeiden wij het altijd op zijn frans, dus zo ben ik het gewend. Het is een oude Hugenoten naam en er hoorde altijd een schitterend, 3 Musketier achtig verhaal bij …. totdat De Zwarte met het Witte Hart een paar jaar geleden uitkwam in Frankrijk en ik een brief kreeg van een ver en onbekend familielid die me zei dat de Japins afstammen van een troep rondtrekkende toneelspelers. ‘O’, riep iedereen in mijn omgeving, ‘maar dat zou een hoop verklaren!’ en dat doet het ook; naast mijn hang naar het toneel en het dramatische ook een aantal oude toneel teksten van 18e en 19e eeuwse Japins, waarvan ik er 1 heb gebruikt in Een Schitterend Gebrek.

    Groet, Arthur


    Arthur Japin

    Beste Rati,

    Dank je wel. Ja, het is een constant monitoren van je gevoelens. Herken je dat?

    Groet, Arthur


    Arthur Japin:

    Beste Wouter,

    Het beeld dat je schetst van een seksbeluste en onstuimige man is vooral een beeld dat later is ontstaan, al geven de memoires er aanleiding toe. Hij was in de 70 als hij zijn memoires schrijft en vaak zijn die aantoonbaar verzonnen of fout. Ik geef hem daarin groot gelijk: wat heeft een mens in hemelsnaam aan de waarheid?  Maar goed, hij vertelt dan dat hij in dat lange leven 121 vrouwen heeft gehad. Nu komt het misschien doordat ik uit de vrije jaren zeventig kom, maar dat lijkt mij -voor een heel leven – eerder getuigen van bovenmenselijke beheersing dan van onstuimigheid. Waar het hem bij die contacten soms meer nog d een hele mooie zijn, maar dat is vast al eens een thema geweest. En inderdaad hoef je je niet aan het thema te houden. Overigens heb ik een perfect project in de kast, mocht het verzoek ooit tot me komen. Je weet het tenslotte nooit. Het is iets dat heel veel mensen aan zal spreken, precies 90 pagina’s hoeft te beslaan en mijn vingers jeuken om er aan te beginnen, maar ik ben geduldig. Zoals je begrijpt zwijg ik ook hierover.

    Groet, Arthur


    ArthurJapin:

    Beste Bernadet,

    Ik heb het er vaak met vrienden (Oscar van den Boogaard, Mieke van der Weij) over gehad: hoe zou je zo’n programma nou pakkend kunnen maken? Vanouds heb ik nogal wat televisie- en camera ervaring (als acteur), ongetwijfeld meer dan andere Nederlandse schrijvers en ik kan vast zo’n programma leuk aan elkaar praten, maar inderdaad wat behandel je dan wel en wat niet? Wat niet is simpel: in elk geval GEEN recensies. Schrijvers die boeken van andere schrijvers bespreken belanden in een neerwaatrste spiraal waar ze zelden nog uitkomen. Dat dus niet; wat wel? Misschien wil ik in elk prograk, maar wat op realiteit berust. Of is dat het geheim van de schrijver? Leuk trouwens, dit virtuele contact.

    groet, Eke

    Emma:
    Beste Arthur,Heeft u als schrijver ook veel boeken of geeft u niet zoveel om de boeken van de ‘concurrentie’? Groetjes Emma


    Arthur Japin:

    Beste Eke,

    Die vraag wordt me veel gesteld. Op deze site ook al eens, dus voor het uitgebreide antwoord verwijs ik je naar wat ik hier schreef aan Marjo op 31 -5-2004. Daarnaast kan ik je vertellen dat de brieven van Kwame inderdaad van mij zijn. Veel mensen denken dat ze echt zijn en dus geen fictie en daarom mocht de roman in 1998 niet meedingen naar de LIBRIS prijs. Hoe dan ook, er bestaat een logboek van Fort Elmina waarin alles van dag tot dag keurig is bijgehouden. Ook Kwame’s zelfmoord staat daar in vermeld, zoals in de roman opgenomen. Ik wist dus wel ongeveer wat wanneer plaatsvond. Maar de stem is (een van) de mijne.

    Groet, Arthur

    Arthur Japin:
    Beste Emma,

    Ik kom om in de boeken! Heel veel jaren heb ik boeken verzameld. Als ik er een zag kon ik het bijna niet laten liggen. Maar op een gegeven moment was er een omslag – waarschijnlijk toen ik zelf met het boekenvak te maken kreeg. Mijn huis was vol en de boeken bleven maar komen. (ik koop nooit meer iets, maar krijg alles) Als ik nu een boek zie is het eerste wat ik denk: waar moet ik dat laten! Bovendien woon ik samen met twee mensen die ook in de uitgeverij werken. Als we geen strict beleid toepassen zouden er zeker honderd boeken per week binnen komen. Dat hebben we weten terug te brengen tot drie of vier. Maar dan nog. Ik ben verhuisd en woon heel groot, maar hiervoor nooit groot genoeg. Dit moet aangepakt worden, want mijn schrikbeeld is zo’n huis waar de boeken je al tegemoet komen als je de voordeur opendoet en dan vervolgens manshoog en twee rijen dik in de gang en op alle kamers dozen. Het lijkt leuk, maar in zo’n huis wordt alleen nog maar gedacht (en geniesd) en niet meer geleefd. Nee, nee, nee, dat mag niet gebeuren!

    Groet, Arthur

    Emma:
    Hm, ik zou anders ook wel in zo’n huis vol met boeken willen wonen:) Is trouwens hier ook wel, alleen staat bij ons alles grotendeels in kasten. En er schijnt een soort van systeem in de boeken te zitten volgens mijn vader, maar ik ben altijd nog lang bezig met zoeken naar een boek. Ik heb trouwens een keer iemand zo ver gekregen om de boeken in de voorkamer te tellen. Is hij nog best lang mee bezig geweest…
    Groetjes Emma


    BartTemme:

    Beste Arthur,

    Ben je nooit bang dat je uitgeschreven raakt of dat je maar niet op een nieuw onderwerp voor je boek komt?

    Groet, Bart

    Rati:
    Beste Arthur

    “constant monitoren van je gevoelens”, ik zou het zo niet kunnen formuleren, maar herken het zeker. Oordelen is vaak veroordelen!

    Anderzijds kan het categoriek uitspreken van een oordeel (binnenskamers dan) soms heel lollig zijn. Ik heb zo eens (zeg maar) uren doorgedramd over een bepaald (goed aangeschreven) boek waarvan ik de eerste bladzijde aan het lezen was. Ik bleef maar beweren hoe slecht die was en telkens die pagina voorlezen. Was wel hilarisch (ja ik weet zelf wel dat je een boek daarop niet kunt beoordelen).

    Groetjes. Rati

    Arthur Japin:
    Beste Bart,

    Vroeger zeiden mensen altijd tegen me: jij moet gaan schrijven! echt heel vaak. Dan antwoordde ik: nee, dat kan niet, want ik heb geen fantasie; ik zou niet weten waar ik het vandaan zou moeten halen.

    Toen kwamen de prinsjes van ashanti op mijn weg en moest ik wel met schrijven beginnen (omdat ik een brandende noodzaak voelde hun verhaal te vertellen) Door het gewoon te doen is de motor, die fantasie voor mij is, op gang gekomen. Nu heb ik TEVEEL verhalen om te vertellen. Ik kom tijd tekort. Nee, ik denk niet dat het ooit stopt en gebeurt dat wel: so what? Ik heb al zoveel gedaan in mijn leven, er is vast nog meer wat ik leuk vind. We moeten niet bang zijn voor verandering.

    Groet, Arthur

     

    Coen:
    Dag Arthur,

    Aansluitend op de vraag van Bart: vroeger schreef je meer korte verhalen (en zoals ik hier al vaker op de site heb geschreven: ik vind De vierde wand nog steeds 1 van je beste boeken), maar nu meer romans. Is dat een bewuste omslag of zoek je, vind je, meer onderwerpen die de langere adem van een roman nodig hebben?

    Coen


    Arthur Japin:
    Beste Coen,

    er is 1 groot probleem met korte verhalen: niemand wil ze lezen. Nu ja, laten ik zo zeggen: de groep liefhebbers is select. Dat stimuleert niet. Daarnaast is het zo dat, wanneer een idee zich aandient, je ongeveer weet welke vorm en welk formaat nodig zal zijn om het te vertellen. De laatste jaren dienen zich vooral grote projekten aan en geen stof voor korte verhalen. Ik weet niet of dat komt omdat ik in mijn hoofd vantevoren de selectie maak of dat het toeval is. Ik heb nog een aantal verhalen liggen, maar te weinig voor een bundel. Misschien groeit dat nog aan en komt er over een paar jaar weer een uit.

    Groet, Arthur


    Bernadet:

    Beste Arthur,

    De personages in Een schitterend gebrek en De zwarte met het witte hart zijn figuren die vroeger leefden. Heb je nooit de neiging om in te haken op iets wat nu gebeurd of te schrijven over een persoon die nu leeft?

    Groet, Bernadet


    Arthur Japin:

    Beste Bernadet,

    In feite gaan al die boeken natuurlijk over mij en ik leef nu. De Droom van de Leeuw gaat over iets dat 20 jaar geleden gebeurde en mijn volgende roman speelt in het heden. Maar ik wil niet iets schrijven over nieuwsfeiten en conflicten die nu spelen. Dat is de dood in de pot. Het gebeurt wel eens en de voorbeelden daarvan zijn gruwelijk saai en leiden eerder af van wat van belang is omdat alles wordt gekleurd door de kant die de schrijver kiest. Er is afstand nodig om de geschiedenis te kunnen begrijpen. En als je begrijpt wat er 100 jaar geleden gebeurt is en wat voor effect dat op onze tijd heeft, dan leer je daar meer van dan door nog eens olie op de golven van de actualiteit te gooien. Altijd geldt dat alleen de menselijke zaken van belang zijn, en niet de politieke. De politiek is van voorbijgaande aard, het humane is bljvend en daarin weinig veranderlijk. Zo is het mogelijk iets van groot belang te zeggen voor de dag en de mensen van vandaag binnen een verhaal dat in het verleden speelt.

    Groet, Arthur


    Annette:
    Dat lijkt mij in elk geval een erg leuk idee. Kan je dat niet aan de VPRO voorleggen, ik kijk alvast naar je. Onlangs was er een dergelijk programma waar zowel de schrijver als de partner aanwezig waren, ik zag een deel van Van der Heijden. Die opzet vond ik minder geslaagd omdat de schrijver toch iets te veel aanwezig was. Een partner die zijn/haar hart kan luchten lijkt me interessanter. Vooral omdat de meeste schrijvers die enigszins bekend zijn hun levens al tientallen keren uit de doeken hebben gedaan. Je zou ook kunnen denken aan een themaprogramma waarbij een aantal schrijvers met verschillende ideeen met elkaar kunnen brainstormen. Ik denk maar fijn met je mee hoor. Want ook ik mis een goed boekenprogramma op tv. Alhoewel RAM niet onderschat moet worden. Op het moment het enige programma met echt interesse in cultuur lijkt het.

    Vriendelijke groet, Annette van den Bosch.


    Annette:

    Beste Arthur,

    Bij mijn vorige reactie deed ik iets fout in het reactieknopje, die hoorde onder het tv programma waar je aan wilde werken.

    Ik heb drie vragen.

    1. Heb je er wel eens over gedacht om gedichten te schrijven. Vooral in de drZwarte … schrijf je behoorlijk poëtisch.

    2. Wat doe je het liefst als je niet schrijft? (behalve vrijen met je partner)

    3. Wat zijn jouw favoriete schrijvers? en wat trekt je in die schrijvers vooral aan?

    Hartelijk bedankt alvast voor het antwoorden, leuk dat je aan dit forum meewerkt.

    Vriendelijke groet, Annette van den Bosch.


    Bernadet:
    Beste Arthur,

    Ben ik vol enthousaisme aan het vertellen dat je vragen aan jou kan stellen en wat krijg ik als antwoord?

    ” van wie was die uitspraak….dat een schrijver gelézen moet worden, níet gehoord.”

    Wat vind jij van die uitspraak? Ben je het daar mee eens? Of vind je dat een schrijver ook gehoord moet worden? Misschien een beetje rare vraag zo op dit forum bedenk ik me nu

    Bernadet: “Het gebeurt wel eens en de voorbeelden daarvan zijn gruwelijk saai en leiden eerder af van wat van belang is omdat alles wordt gekleurd door de kant die de schrijver kiest.”

    Ik vind dit nogal een behoorlijk pittige uitspraak. Renate Dorrestein heeft boeken geschreven naar aanleiding van actuele gebeurtenissen. Nu ben  ik niet gek op haar boeken maar saai kan je ze niet noemen. Ook het boek naar aanleiding van de moord op Fortuin is evenmin saai te noemen.

    Ik denk dat in deze boeken wel degelijk aangegeven wordt wat van belang is, ook al zal de schrijver zeker een eigen mening hebben. Maar jij schrijft ook dat de jouw boeken in feite over jou gaan. Jij kiest dan toch ook? Dus wat is er mis mee als een schrijver een kant kiest?

    Waarom vind je het saai? Welke voobeelden bedoel je?

    Een hoop vragen dus.


    Arthur Japin:
    Ja, dat ben ik met je eens, over RAM, maar ik begreep dat dat ook gaat stoppen, klopt dat?


    Arthur Japin:
    Beste Anette,

    1. JA, ik schrijf er wel eens een, maar ik ben teveel een verteller, ik WIL altijd een verhaal kwijt en dat maakt het soms wat expliciet (vind ik zelf). Gelukkig zijn er mensen die me er af en toe aanzetten, zodat ik langzaam maar zeker een kleine verzameling opbouw.

    2. Ik heb het liefste lief (in welke zin dan ook) daarna schrijf ik graag en verder…. ach er is zoveel: reizen misschien?

    3. Ik heb een brede smaak in alles, dus ook in literatuur en ik ben niet eenkennig, dus het is onmogelijk mijn favorieten te noemen. Dat kan de ene dag de een zijn en de volgende dag een ander.

    Groet, Arthur


    Arthur Japin:

    Beste Bernadet,

    Nu ja, ten eerste LEES je me op dit moment. Maar ik hoop ook dat je aan mij als mens de vragen stelt en niet als schrijver, want schrijverschap is maar een klein deel van wie ik ben. Verder zijn er schrijvers die je beter niet kunt horen, zoals dat ook voor sommige mensen geldt, en schrijvers naar wie het goed luisteren is. Ik denk dat iedereen zelf uit kan maken wie in welke categorie valt. Maar ik ga er van uit dat iedereen die me iets vraagt graag een antwoord zou hebben, dus maak ik me verder geen zorgen.

    Groet, Arthur


    Arthur Japin:

    Beste Bernadet,

    Gelukkig is er voor ieder wat wils. Het gaat mij er om dat een boek geen oordeel velt of richting geeft. Mij verveelt het wanneer een schrijver me iets laat zien en er dan nog eens naar wijst om mij te laten voelen hoe erg het allemaal is. Ik weet het de eerste keer al, en hoef geen uitleg. Die uitleg verveelt me en heeft een averechts uitwerking.  Dat gevaar -weet ik uit eigen ervaring – is het grootst bij actuele zaken. Je kunt geen afstand nemen. En afstand is noodzakelijk om een kunstwerk te maken. Dat is alles.

    Groet, Arthur


    Annette:
    Dat heb ik ook begrepen van een van de makers. Hijzelf vond dat bijzonder jammer. Ik zou het ook betreuren, vandaar dat ik overal waar mogelijk Ram aanhaal ;-)

    Vriendelijks

    1. Leuk om mijn vermoeden bevestigd te zien dat je gedichten schrijft. Daar ben ik erg benieuwd naar, tegen de tijd dat ze uitkomen wil ik daar graag eens met je over praten. Vooral over het verschil van schrijven van gedichten en verhalen/romans. Zoals je al zegt je wil graag een verhaal kwijt, maar dat kan je natuurlijk ook in een gedicht. Zij het beperkter. Ik geloof dat jij een goede dichter zou zijn omdat het verhaal er zit en omdat je een breed woordenspectrum beheerst. Het hoeft alleen samengebald te worden en dat kan dus een soort explosieve bal worden. Dat lijkt me machtig om te zien/lezen/horen. Nou ja, ik draaf door. Ik merk het wel tegen die tijd.

    2. Ja, tuurlijk is de liefde het hoogste en relaties het interessants, vandaar dat ik dat trachtte uit te sluiten. Reizen waarheen trekken je voornamelijk en waarom? Wat trekt je in Afrika bijvoorbeeld?

    3. Wat lees je op dit moment en wat is het laatste dat je las waarvan je dacht Wauww dat is krachtig, vreselijk, overweldigend? (waarbij ik dus graag een intensieve ervaring hoor) Het mag zowel proza, poëzie, muziek of film zijn als het dat gemakkelijker maakt.

    Terwijl ik dit schrijf denk ik, god wat matig ik me eigenlijk aan om je al die vragen te stellen terwijl we elkaar niet eens kennen. Dus als je niet wil antwoorden is dat natuurlijk ook prima.


    Bernadet:
    Ik ben eigenlijk heel benieuwd of je Lelieblank, Scharlakenrood hebt gelezen van Michel Faber.

    Toen ik dat las moest ik namelijk aan Een schitterend gebrek denken. Er waren wel enige overeenkomsten ondanks dat het op een ander geven gebaseerd is.

    Als je het gelezen hebt, wat vond je ervan?

    Groet Bernadet

    en…. alvast bedankt voor al je antwoorden die je gegeven hebt.


    Bernadet:
    beste Anette,

    Kunnen we niet een of andere actie opstarten dat RAM moet blijven?

    Eerst wordt het programma van Hanneke Groenteman weggegooid en nu zou RAM weer weggaan.

    Kunnen we nu eens duidelijk maken dat wij WEL graag zulk soort programma’s willen?

    Bernadet

    Bernadet: Beste Arthur

    Op een vraag van Marjo geef je het volgende antwoord:

    antwoord C: Ik wil eigenlijk niet dat je iets over de geschiedenis te weten komt, maar ik wil dat de lezer iets over mij ontdekt naar aanleiding van de geschiedenis die ik vertel. En dat gebeurt. Onherroepelijk. Zonder dat je het ooit zult merken of zult kunnen aanwijzen.

    Ik snap dit antwoord niet goed. Zoals ik het lees schrijf je dat de lezers iets over jou ontdekken maar dat ze dit niet zullen merken of aan kunnen wijzen.

    Dan ontdekken ze toch niets?

    Je merkt, ik snap het dus niet. Zou je kunnen uitleggen wat je hiermee bedoelt?

    Arthur Japin: Beste Coen,

    nog even ter aanvulling op je vraag over The Global Novel. Ik hoor net dat die behalve in Griekenland in elk geval ook is verschenen bij Einaudi in Italie en bij Can Yanyinlari in Turkije.

    Groet, Arthur


    Arthur Japin:
    Het aantrekkelijkste van reizen is natuurlijk dat je niet in Nederland hoeft te zijn. Alles waar men zich hier zo enorm over op kan winden bestaat anderhalf uur verderop al niet meer. Veel kan me aantrekken, maar ik de tijd dat ik het niet erg vond om ontberingen te doorstaan is voorbij. Een land moet een rijke en goed toegankelijke, alom aanwezige cultuur hebben, lekker eten en een aangename temperatuur (waarom ik dan nog wel eens in Afrika kom is als je het zo beschouwd een raadsel; maar goed: de relatie met mijn eerste roman maakt dat weer anders en aantrekkelijk) Ik ben dus gek op Italie en voor de Verenigde Staten mag je me midden in de nacht waker maken. Ik houd nu eenmaal van mensen die dromen tegen beter weten in. Ook alle andere landen komen in aanmerking, mits ik er eerste klas heen mag vliegen.

    Ik heb niet zo vaak dat ik denk: waaauw! maar laatst gebeurde me dat, geheel onverwacht. k houd niet van thrillers en wil er toch een schrijven (omdat ik een – waar gebeurd – gegeven heb dat me intrigeert en zich hiervoor leent) . Toen zei iemand met The Woman in White van Wilkie Collins te lezen. Het is een 19e eeuwse thriller van een vriend van Dickens. Verbijsterend! Ik KON het niet neerleggen. Ik kan me niet herinneren dat eerder zo sterk te hebben gehad. Heel knap.

    En verder raad ik iederen altijd The Giving Tree van Shel Silverstein aan, een kinderboek van nog geen 50 zinnen, waarin alles staat wat ik ooit wil zeggen.

    Groet, Arthur

    Arthur Japin: beste Bernadet,

    Helaas, niet gelezen. Wel Michel uitgebreid meegemaakt in Athene voor ons Global Novel project (zie elders op deze site) Het klikte, maar ik heb alleen ooit een kort kerstverhaal van hem gelezen. Dat vond ik aardig, mar voor meer ontbrak me de tijd.

    Groet, Arthur


    Annette:
    Ah, dan neem ik aan dat je in Italië vooral voor Toscane en Umbrië kiest? Qua klimaat, eten en cultuur bijeen?

    De VS ken ik helaas nog niet. Eens (vanwege een tussenstop in Miami) een middag langs die prachtige kusthuizen gelopen, dat was een fantastische ervaring. Ben wel benieuwd naar New Yorkse musea en sfeer. Hou je dan ook van de NY trilogie van Auster vraag ik me af? (ben fan van al Austers werk, vooral de laatste is schitterend, evenals de NY trilogie, mocht je die niet kennen dan zijn het aanraders).

    De boeken die je noemt ken ik van titel, maar niet van inhoud. Ik ga ze zeker opzoeken en lezen, alleen al om te weten waarom jij ze aanbeveelt.

    Heb je toevallig de Meteoren van Michel Fournier wel eens gelezen? Op de een of andere manier doet de Zwarte…me daar heel erg aan denken. Terwijl het totaal verschillende boeken zijn in heel andere stijl geschreven. Misschien door de persoonlijke zoektocht die er in zit en de bezieling waarmee ze geschreven zijn allebei. Mocht je het gelezen hebben dan ben ik benieuwd naar jouw oordeel daarover.

    Vriendelijks,

    Annette.

    rati: Dag Arthur,

    Ik lees hier over reizen en het woord Griekenland is al enkele keren gevallen. Vandaar mijn vraag: heb je een band met Griekenland? Zo ja, welke? Zo niet, jammer.

    Groetjes. Rati.

    Bernadet: The woman in white! Dat is inderdaad een van de mooiste boeken die ik gelezen heb.

    Echt schitterend! Ik heb het toevallig deze week ook aan mensen van de leeskring aangeraden.

    Ik denk dat je dan Lelieblank ook erg mooi zult vinden. Het heeft niet zo’n mooie verstilde inhoud maar de sfeer is ook Victoriaans. (hoewel het woordgebruik soms bepaald niet Victoriaans is).

    Groet

    Bernadet

    Nog een vraag, heb je voor “Een schitterend gebrek” AL de memoires gelezen van Casanova?

    Dat is namelijk nogal wat.

    Groet bernadet


    Bernadet:
    Het aantrekkelijkste van reizen is natuurlijk dat je niet in Nederland hoeft te zijn.

    Vind je Nederland dan geen prettig land? Het verbaast mij vaak dat schrijvers wegtrekken uit Nederland zoals Gerard Reve, W.F. Hermans, Hella Haasse, Harry Mullisch, Arnon Grunberg. Wat is dat toch dat schrijvers zich niet kunnen vinden in Nederland? Het kan niet zijn omdat je hier niet gewaardeerd wordt dat je deze opmerking maakt.

    (en nu stop ik met vragen hoor)

    Bernadet

    ArthurJapin: Beste Rati,

    Ik houd van Athene, als een van de weinigen. Ik vind het een prettige stad. Op de eilanden (tenminste de paar die ik bezocht heb) heb ik me minder vermaakt. Ik houd van 1 dag strand maar dan weer een tijdje niet. Natuurlijk geniet ik van de cultuur. Vroeger heb ik Grieks gehad op school, maar ik ben het meeste weer vergeten. Op een dag, ja, op een dag pak ik het weer op en ga een tijd naar Griekenland.

    Groeten, Arthur

    ArthurJapin: Beste Anette,

    Dat heb je helemaal goed en vlak ook de Veneto en de Marchen niet uit! Lazio ook trouwens, en wat dacht je van Sorrento en…. als er maar niet die door en door rotte regering zat, dan zou ik er graag wonen.

    Auster was net hier en mijn partner heeft een tijd met hem opgetrokken, helaas was ik in Texas, dus heb ik hem gemist. Ik ken Brooklyn een beetje, dus alles wat daar speelt, zoals zijn boeken, doen het goed bij mij.

    Nu moet je er ook heen, hoor!

    De Meteoren van Tournier vind ik een geweldig boek. Zijn andere boeken trouwens ook. Ik was dan ook zeer vereerd toen een Franse krant mij -net als jij  met hem (en een andere literaire heldin van me: Marguerite Yourcenar) vergeleek.

    Groeten, Arthur

    Arthur Japin: Ja, wie mijn boeken heeft gelezen weet alles van me, alleen zal iemand die mij niet kent niet weten hoe of waar hij/zij het zal moeten plaatsen. Dat is niet van belang. Het gaat om het boek.

    Ja, alle delen, maar niet allemaal achter elkaar, dan wordt het teveel van het goede. Als je met zo iemand bezig bent is dat helemaal geen opgave, want je wilt zo graag meer te weten komen.

    Ik heb niets tegen Nederland, maar ik voel me er niet bijzonder mee verbonden. Ik woon er omdat mijn geliefde hier werkt, maar denk niet dat ik blijf zodra daar verandering in komt. Het land heeft vele voordelen, maar is eenvoudig te klein om je geest in vrij te kunnen houden. Overigens bedoelde ik de opmerking niet TEGEN Nederland, het is gewoon gezond om je te verplaatsen omdat het de lokale belangen in het juiste perspectief plaatst en je bewust maakt van de grote lijnen in de wereld en de zaken die werkelijk van belang zijn. Dat zijn de zaken waar het om gaat als je schrijft en niet om Balkenende, geweld in de trein of Patty’s Posse. Nogmaals honderd kilometer verderop (van waar ik zit) bestaat dit alles niet. Dat is gewoon goed om te weten.

    Groet, Arthur

    Annette: Beste A,

    Tjee, dat je partner met Auster heeft opgetrokken, ik ben jaloers. Mijn doelstelling is om hem voor mijn vijftigste verjaardag te interviewen, liefst in Amerika …Maar voor die tijd wil ik zijn boeken beter gelezen hebben en moet mijn Engels op peil zijn (mijn partner wil voor zijn 50e de marathon van NY lopen, dus dan willen we dat combineren). Het lijkt ver weg maar het is over iets meer dan een jaar.

    En wat een idioot toeval dat een Franse krant dezelfde associatie bleek te hebben als ik zeg. Ik zit met open mond te typen nu. Ik ben wel blij dat jij zelf dat ook onderschrijft, want ik vroeg me eigenlijk af hoe ik bij dat idee kwam. Het leek me een beetje raar van mijzelf.

    Misschien kom ik je nog wel eens om steun voor een kontaktmogelijkheid met Auster vragen dan als dat mag. Ik zet hier meteen mijn website en emailadres onder, je weet nooit.

    Vriendelijke groeten,

    Annette van den Bosch

    Zeist

    annettevandenbosch@tiscali.nl

    www.annettevandenbosch.nl

    Annette: Bernadette, ga je dat ook rondkringen ? Ik bedoel dan hou ik me weer aanbevolen.

    Vriendelijks,

    A.

    PS ik moet nog verder schrijven voor Meander, heb al twee stukjes af

    Annette7: Heb je toevallig ook iets met Vlaanderen? Daar ben ik ook dol op, vooral op de taal, de mensen, het Bourgondische en gemakkelijke. Hoewel dat lastiger schijnt te zijn als je er echt woont omdat je niet zo gemakkelijk snel iets voor elkaar krijgt. We zouden graag eens een tijdje in Vlaanderen wonen, gewoon om te merken hoe het echte leven daar is. O ja, dat is dus eigenlijk mijn vraag. Doe je ook een beetje aan ‘hoppen’ van het ene land naar het andere om daar eens een poosje te werken en dan weer elders? Of zit je partner redelijk ‘vast’ in Nederland?

    Annette7: Heb je ook met een schuin oog naar Don Giovanni van Mozart gekeken bij het schrijven? Die maakt er zo’n prettige man van vind ik. Daar moet ik altijd vreselijk om lachen, maar dat komt ook door de opname die we er van hebben en die ik eens op tv zag. Werkelijk schitterend.

    Annette7: Lijkt me prima om Ram te promoten, ik zette het al onder aan interview met Remco Ekkers (in Meander) dat dat het enige programma is waarin het de moeite waard is om te verschijnen en ik noem het her en der, waar tv-programma’s over literatuur ter sprake komen. Ik zag juist een stukje van die vreselijke sportprogrammaman die nu een boekenprogramma doet. Vergeet zijn naam altijd. Daarin gaat het dan over een geurtest en laten ze Wolkers een stuk uit Turks Fruit voorlezen. Zinloos. Fijn om Wolkers te zien, maar die man hoeft niet zijn hele leven in TF te verblijven, hij heeft zoveel ander moois te bieden.


    Bernadet:
    Hoi Anette,

    Ik had het boek van de bibliotheek dus er valt niet veel te kringen.

    Ik ben wel van plan het aan te schaffen want het is opnieuw uitgegeven.

    Groetjes

    Bernadet.

    Emma: Hoi Arthur,Ik las gisteren in de Wereld van Sofie (van Jostein Gaarder) en daarin stond dat je inzicht krijgt in de schrijver als je zijn boek leest. U heeft al ergens geschreven dat je alles over u leest als je een van uw boeken leest. Maar merkt u dat ook bij boeken van andere schrijvers die u kent? Groetjes Emma

    Arthur Japin: Beste Anette,

    Nee, ik kom tussendoor altijd weer een tijd thuis, ook omdat ik op mijn vaste plek toch het beste werk. en Vlaanderen heeft veel aangenaams. Ik oktober doe ik een weeklang een toernee in Gent en omstreken.

    Groet, Arthur

    Beste Emma,

    Ik denk eigenlijk dat het er niet omgaat dat je een exact beeld hebt van hoe de schrijver werkelijk is, maar van hoe hij zou kunnen zijn volgens jou. Dat is voor iedereen anders. En dat is genoeg. Onze indruk van iemand met wie we een gesprek hebben hoeft tenslotte ook niet te kloppen met de werkelijkheid zoals die persoon hem zelf beleeft, maar alleen met onze eigen werkelijkheid. Een boek geeft je een aantal ‘clues’ over de persoon van de auteur. De uitdaging voor de lezer is (of kan zijn) daaruit een mens van vlees en bloed te scheppen.

    Groet, Arthur

    Arthur Japin: Even een mededeling aan iedereen die tot nog toe zo goed is geweest mij vragen te stellen. De afspraak was dat ik deze ‘rubriek’ een weeklang zou doen. Dat betekent dat ik vanavond mijn laatste vragen ga beantwoorden. Wie nog iets van me wil weten -en dat mag vanalles zijn- moet dus voor die tijd zijn vraag stellen. Of anders later zijn/haar geluk proberen op mijn website: http://www.arthurjapin.nl/ Tot aan vandaag heb ik daarop nog nooit een vraag beantwoord, maar debateren anderen met elkaar, maar door jullie enthosuiasme van de afgelopen week heb ik de smaak te pakken en zal ik me eens meer met mijn eigen site gaan bemoeien.

    Iedereen in elk geval alvast hartelijk bedankt!

    Arthur

    Coen: Dag Arthur,

    Lijkt me een goed plan. Ik zou ook de mogelijkheid geven om in het Engels vragen te stellen. Ik raad je alleen aan om een FAQ-lijstje te maken. De vraag over de uitspraak van je naam hoor ik zo’n beetje bij elk interview.

    Coen

    Coen: Dag Arthur,

    Een week lang hebben de leden van literair Nederland vragen aan je kunnen stellen via dit forum. We sluiten nu de vragenreeks af. Kun je vertellen hoe je het ervaren hebt en of deze vragen veel verschillen van de vragen die je bij een gewoon interview krijgt van toehoorders?

    Arthur Japin: Ik heb het ervaren als een vrij intiem gebeuren. Ik hoop dat dat terecht was. Sommige vragen komen ook in een zaal wel aan de orde, andere -vooral wanneer er twee of drie keer heen en weer gemaild wordt- zijn meer zoals die in een gesprek. Dat is dus zeker anders. Ik ben blij dat ik het heb mogen doen. Groeten aan iedereen!

    Arthur

    Gjkleinrensink: Ik heb te weinig van Japin gelezen om vragen te kunnen stellen, maar ik heb deze vraag en antwoord-week met genoegen gevolgd. Alle lof voor de initiatiefnemer en waardering voor de manier waarop de vragen beantwoord werden.

    Gerrit jan Kleinrensink

    Coen: Dag Arthur,

    Namens de redactie en de lezers van Literair Nederland dank voor je tijd en de bereidwilligheid om op alle vragen in te gaan. De antwoorden waren verrassend, intiem en uitdagend. We zullen je site http://www.arthurjapin.nl in de gaten houden.

    Groet,

    Coen

  • Interview Philip Hoorne

    Vanaf vanavond, woensdag 23 juni 2004, was Philip Hoorne (Kortrijk, 1964) een week te gast in onze interviewrubriek. Hoorne is een tamelijk actief en productief dichter: in november 2002 debuteerde hij met de bundel Niets met jou als eerste debutant in de Sandwichreeks van Uitgeverij 521 en toenmalig Dichter des Vaderlands Gerrit Komrij (zie www.uitgeverij521.nl/boek.asp?id=61) en sindsdien was hij op talloze poëziepodia en in meerdere literaire tijdschriften en bloemlezingen te vinden. In 2003 werd hij genomineerd voor de Vlaamse Debuutprijs en stelde hij de bloemlezing Antwerpen, de stad in gedichten samen (een stuk daarover vindt u in het archief van onze afdeling ‘Boek van de Week’). En nu, in 2004, is zijn tweede bundel verschenen: Inbreng Nihil.

    Moderator:Thomas Mohlmann.

     

    Wel, Philip, welkom.

    Om een beetje in te komen maar vast een paar simpele vragen:

    1) Ontbreekt er naar jouw smaak iets aan mijn opsomminkje van hierboven?

    2) Je debuteerde relatief laat: heb je lang naar een eigen vorm en toon moeten zoeken, ontbrak het eerder aan belangstelling van uitgevers, had je simpelweg te veel anders te doen of is er nog een andere reden?

    3) Vanaf je debuutbundel heb je redelijk wat reacties van recensenten gehad. Welke opmerking over je werk heeft je vooralsnog het meest (ten positieve of negatieve) getroffen?

    Dag Thomas en alle bezoekers van Literair Nederland. Ik zal proberen kort te antwoorden op deze eerste vragen.

    1) De opsomming is tamelijk volledig. Wat misschien ontbreekt in jouw beschrijving, is dat er drie gedichten van mij in de dikke Komrij staan, dat beschouw ik toch wel als een erkenning van mijn dichterschap. Verder hoop ik na de goede kritieken op mijn tweede bundel nog meer gevraagd te worden voor poëziepodia in Nederland en Vlaanderen, want mijn gedichten lenen zich uitstekend om voorgelezen te worden.

    2) Ik ben een laatbloeier. Plots gulpte de poëzie uit mij als water uit een fontein. Mijn gedichten werden snel opgenomen in bepaalde literaire tijdschriften en zo kwam ik via het inmiddels ter ziele gegane Nymph bij Uitgeverij 521 terecht. Niettegenstaande ik een laatbloeier ben, heb ik in enkele jaren bereikt waar andere dichters tien of twintig jaar over doen. Dat het me nogal voor de wind gaat, is allicht een beloning voor mijn passionele gedrevenheid. Ik wil hierbij de kanttekening maken dat ik mezelf nog altijd als een prille debutant zie. Er zijn nog een massa tijdschriften en podia die ik moet veroveren. Ik ben niet snel tevreden, het moet altijd meer en beter, de lat moet steeds hoger. Ik ben een perfectionist en heel ernstig met dit vak bezig.

    3) De aanhef van de recensie van Peter de Boer in Trouw onlangs vond ik bijzonder treffend. Hij noemt mij een atypisch Vlaams dichter en dat is ook zo. Nog in die recensie schrijft hij dat ik traditioneel dichter ben die poëzie schrijft vanuit een moderne invalshoek. Ook dat klopt.

    Het is waar dat mijn gedichten door recensenten en publiek bejubeld worden. Ik vind het enig.

    Bezoeker: Deze dichter houdt wel erg van zichzelf.

     

    Mocht ik niet van mijn eigen gedichten houden, dan zou ik andere schrijven. Ik zal nooit een gedicht in een bundel opnemen waar ik niet 100% achter sta.

    Ik koop liever een brood bij een bakker die schreeuwt dat hij het beste brood van de hele stad verkoopt dan een die zegt dat zijn baksels niet goed, niet slecht, maar middelmatig zijn. Tegen zo’n laatste zou ik dan zeggen: man, doe er dan iets aan.

    Meteen wil ik ook alles wat ik zeg en schrijf onderuit halen door te stellen dat een boek een druppel water is in de oceaan. Zonder die druppel blijft de oceaan de oceaan, niemand die een druppel mist, maar neem alle druppels weg en weg is onze planeet of toch het leven op onze planeet, zo is het toch? 

     

    Coen: Dag Philip, Je begon met gedichten die nogal licht van toon waren. Volgens mij schrijf je nu wat ernstiger gedichten. Kortom: is er al een ontwikkeling in die korte carrière van jou te bespeuren – inhoudelijk en qua vorm.  

     

    Dag Coen,

     

    Het nummer van Tzum waarin ooit mijn eerste publicatie verscheen, koester ik heel erg, dat is waar. Dat het sindsdien niet meer lukte om in Tzum te komen, was – ik geloof twee keer – mijn eigen schuld, omdat jullie redactie een gedicht koos dat ongeveer op hetzelfde tijdstip ergens anders verscheen. Stom stom stom en spijtig, maar ik heb geleerd geen gedichten meer aan te bieden aan Nederlandse tijdschriften die ik ook elders aanbood. In Vlaanderen doet men daar niet moeilijk over.

     

    ‘Niets met jou’ was een nogal ernstige bundel, terwijl ik in die tijd toch ook vaak grappig werk liet verschijnen in Tzum bijvoorbeeld en meer nog in De Brakke Hond. ‘Inbreng nihil’ is lichter van toon. Het gedicht ‘Banalen’ dat in het voorjaar van 2001 in Tzum verscheen, staat nu in mijn tweede bundel. Ik bedoel dat je ‘Niets met jou’ en ‘Inbreng nihil’ niet mag zien als twee afzonderlijke periodes. Natuurlijk bevat de laatste bundel recenter werk, maar ook gedichten die al bestonden toen mijn eersteling uitkwam. Het loopt een beetje door elkaar. Wat je zegt klopt dus niet helemaal. Ik schrijf heel uiteenlopende dingen en stop in mijn werk tegenstrijdige elementen: ernst en luim, liefde en haat, ingetogenheid en gekte.

     

    Ik ben van mening dat een mens een amalgaam is van allerlei gevoelens en karaktereigenschappen, die vaak aan elkaar tegenstrijdig zijn, iemand kan een lieve knuffelbeer maar ook een cynische klootzak zijn. Met ‘kan’ bedoel ik dat het zo is, bij de ene weegt het ene element wat zwaarder door dan het andere. Daarover gaat mijn gedicht ‘Mij, mezelf en ik’ in ‘Niets met jou’. Ik haat etiketten: die is zus, die is zo, zo werkt het niet. Alles en iedereen is grijs, hoezeer mensen het ook verafschuwen om een grijze muis genoemd te worden.

     

    ‘Inbreng nihil’ bestaat uit twee cycli: de eerste gaat over mijn mens- en wereldbeeld, de tweede bevat liefdes- en relatiegedichten, als ik het even simplistisch mag uitdrukken. De bundel vormt een eenheid en bevat toch 36 verschillende gedichten, elk gedicht is anders. Er zijn dichters die hun hele leven een variant op hetzelfde gedicht schrijven. Dat zal men mij alvast nooit kunnen verwijten.

     

    Ik hoop ooit een echte light verse bundel te publiceren, à la Weemoedt of Marc van Biezen.

     

    Wat de vorm betreft, blijf ik een klassiek dichter. Een gedicht moet op één paginaatje kunnen. Omdat ik enkele langere gedichten had, heb ik gewoon aan mijn uitgever gevraagd om een iets groter formaat voor ‘Inbreng nihil’, haha. Neen, serieus, het formaat – ik wil daar eerlijk in zijn – is afgekeken van ‘Het ging over rozen’ van de door mij bewonderde Ingmar Heytze. Leg de boekjes op elkaar, ze zijn even groot, de ideale grootte voor een bundel.

     

    Ik hou niet zo van gedichten die alsmaar doorgaan en doorgaan. Liever een doos vol heerlijke pralines dan één grote chocoladeklomp waar ik mijn tanden niet in kan zetten.

     

    Coen: Dag Philip,

    Je noemt Nederlandse dichters als voorbeeld. Je publiceert bij een Nederlandse uitgever. Je krijgt ook hier voornamelijk kritiek. Of vergis ik mij. Kortom: hoe was de ontvangst van je bundel in Vlaanderen en bestaat er eigenlijk een verschil tussen Vlaamse dichters die bij Nederlandse en Vlaamse dichters die bij Vlaamse uitgevers publiceren. Van die laatste categorie horen wij weinig, maar is dat andersom ook zo?

    Beste Coen,

    Nu moet ik even opletten dat ik geen dingen zeg die ik wel wil zeggen maar beter niet zeg, of … ach, wat dondert het, laat ons een koe niet zoogdier met vier magen noemen, maar gewoon een koe. Vlaanderen is op het vlak van poëzieuitgaven de woestijn. Ik heb het dan vooral over distributie. Het is voor mij heel belangrijk dat mijn bundel in Kortrijk in de boekhandel ligt, maar ook in Venlo en Groningen. 521 distribueert zijn boeken prima. De meest befaamde poëzieuitgever momenteel in Vlaanderen is Uitgeverij P. De dichter moet zijn boekjes zelf grotendeels aan de man brengen. Ik heb heel veel respect voor iedereen die dé poëzie dient, maar helaas blijven Vlamingen nogal eens hangen in hun typisch Vlaamse kneuterigheid, tante en nonkel kopen een boekje en een mens moet dan maar hopen dat hij een grote familie heeft. Tja, zo haal je de dikke Komrij niet natuurlijk. Als ik dat vergelijk met het ondernemerschap en de branie van mijn uitgevers Harold en Arjan, dan mag ik mij gelukkig prijzen met 521, dat nota bene nog een enorme groeimarge heeft volgens mij.

     

    Wat is het verschil tussen Vlaamse dichters bij een Nederlandse en bij een Vlaamse uitgeverij. Simpel, de eerste ken je, de tweede kan je niet kennen. Marc Tritsmans is één van de beste Vlaamse dichters. Hij heeft 6 of 7 bundels bij Lannoo, een grote en degelijke uitgeverij, waarvoor poëzie helaas maar een randactiviteit is. Stel dat Tritsmans bij een grote Nederlandse uitgever zat, dan had hij nu de uitstraling van bijvoorbeeld een Nolens. Nu zijn er nog altijd poëzieliefhebbers die de man niet kennen. Na zoveel bundels, kun je je dat voorstellen?

     

    De kritiek in Vlaanderen is natuurlijk geringer dan in Nederland, maar ik mag niet klagen. Er stond een gedicht met korte biografie in De Standaard der Letteren en Jozef Deleu schreef iets in het veelgelezen gezinsblad De Bond. Binnenkort word ik geïnterviewd voor Poëziekrant. Ik hoop dat kwaliteitskranten of -bladen als De Morgen, Knack en Humo, om maar die te noemen, ook nog iets doen.

     

    Andersom zijn er nog altijd een pak literatuurliefhebbers in Vlaanderen die niet weten wie Menno Wigman of Ingmar Heytze is. Ik heb de openbare bibliotheken waar ik lid ben aangespoord bundels aan te schaffen van de ‘nieuwe’ Nederlandse dichters. Ik ben een beetje een poëziemissionaris, ha, ambassadeur van de Nederlandse kwaliteitsdichters in Zuid-West-Vlaanderen, als dat geen mooie titel is.

     

    Thomas: Ha ambassadeur, wat versta je eigenlijk onder de ‘nieuwe’ Nederlandse dichters? Dus niet alleen: wie zijn dat dan naar jou idee, maar ook: wat meen jij dat er behalve in naam en publiceerdata verschilt aan de meest moderne / nieuwe dichters? Zijn er volgens jou op dat gebied algemeenheden te formuleren dus, en zo ja, hoe verhoudt jouw eigen werk zich daartoe? (Los van, of ten minste uitbreidend op, wat je al eerder citeerde m.b.t. het traditionele en moderne in je gedichten.)

    Coen: Philip,

    Misschien wat veelgevraagd, maar zou je misschien 1 gedicht hier kunnen opnemen, opdat de lezers weten met wie ze te maken hebben?

    http://www.epibreren.com/rs/hoorne.html

     

    Ik begrijp de vraag niet zo goed. Ik probeer zoveel mogelijk recente bundels te lezen (en te recenseren), zowel van Nederlandse als van Vlaamse dichters, maar dat lukt me niet altijd natuurlijk. Daarbij gaat mijn interesse vooral uit naar nieuwelingen. Waarom gaat Meulenhoff scheep met Joep Kuiper? Waarom wint Maria Barnas de Buddingh’-prijs? Ik weet hoe moeilijk je als debutant (Barnas had wel al twee romans) een respectabele uitgever vindt. Als ik het een sterke bundel vind, begrijp ik sowieso waarom iemand bij deze of gene uitgeverij terechtkomt. Als ik het maar niks vind, dan intrigeert het mij waarom ik niet van die gedichten hou en waarom die bundel dan toch verschijnt bij een grote uitgeverij. Wat scheelt er toch met mij dat ik niet van die hermetische braakpoëzie van Joep Kuiper hou, denk ik dan. Een alternatieve vraag zou kunnen zijn: welke onnozelaar bij Meulenhoff heeft hiervoor groen licht gegeven?

     

    (Overigens werkt Meulenhoff met een schitterende vormgever, nl. Office of CC uit Amsterdam. In het voorplat van ‘Monarchieën’, maar ook van ‘Boze wolven’ van Erik Spinoy zit er telkens een leuk aardigheidje verwerkt. De beste vormgever van de Lage Landen blijft evenwel Arjan Weenink, of wat had je gedacht?)

     

    Shit, ben ik niet te openhartig? Ik kan een transfer naar Meulenhoff nu wel op mijn buik schrijven zeker? Grapje, jongens!

     

    Ik heb maar half op de vraag geantwoord, merk ik. Mijn plaats? Wel, neem een portie Wigman, twee scheutjes Heytze, een snuifje Rawie, een handvol Kopland, enkele korreltjes Gruwez en Van hee, een weinig van Gogh en een gemarineerde de Coninck. Overgiet het geheel met een sausje gemaakt van alle andere dichters waar ik van hou (vele vele tientallen!!), voeg daar nog iets onbestemds aan toe (geheim van de kok) en je hebt een Hoorne-gedicht. 

     

    Ik ga slapen. Zopas heeft Portugal Engeland uitgeschakeld na strafschoppen. Na met de hakken over de sloot te zijn geraakt, is Nederland nu mijn favoriet om Europees kampioen te worden.

     

    Sinds enkele maanden heb ik een weblog http://philiphoorne.skynetblogs.be. Af en toe plaats ik er een leuk stukje.

     

    Publiekelijk aan literatuur doen, is een beetje een spel. Je hebt het papieren leven en het echte leven. Als iemand mijn poëzie niet lust en daar een nare bespreking over schrijft, dan kan ik perfect met die kerel ooit eens een pint pakken als het zo uitkomt.

     

    Als ik prozastukjes schrijf, voor mijn weblog of recensies, betrap ik mezelf erop dat ik nogal graag de hautaine en arrogante zak speel, terwijl ik in werkelijkheid helemaal zo niet ben, integendeel, dat lees je in bepaalde van mijn gedichten. Raar is dat. Blijkbaar heeft het jarenlang verslinden van Brusselmans-boeken zijn sporen nagelaten. Weinig Nederlandstalige schrijvers hebben in mooiere bewoordingen over de liefde geschreven dan Herman Brusselmans als hij het heeft over zijn moeder, zijn vrouw, zijn hond. Toch vinden velen hem een platvloerse viezerik. Wie met verstarde blik kijkt, zal nooit echt goed zien. Wie de zwijnenstal niet durft binnen te gaan, zal de parels die de ene of andere onverlaat daar gegooid heeft niet vinden.

     

    Hiermee reageer ik even op de opmerkingen van ene Vebe. Bedankt Coen en Thomas voor de vragen. Ik hoop dat er in de loop van de komende dagen nog wat andere bezoekers langskomen. Ik vind dit eigenlijk best leuk. Als ik op mijn klavier kan tokkelen voel ik me in mijn sas. Soms komen er dan wel eens dingen uit waarvan ik zeg: “Hoorne, slow down, af!” maar die laat ik dan gewoon staan. Dit is de Europese Grondwet niet die we aan het schrijven zijn, gewoon een ordinair interview, toch. 

     

    Vanuit het verre Wevelgem, slaapwel aan Literair Nederland.

     

    Thomas: Philip, (met excuses voor het haastige ‘jou idee’ i.p.v. ‘jouw idee’) wat ik hoopte met mijn vraag van je te horen, was dus juist niet alleen een paar dichtersnamen waarmee je al dan niet wat hebt, maar of je behalve ‘onlangs verschenen’ of ‘net gedebuteerd’ nog iets anders verstaat onder de nieuwe Nederlandse dichters waar je van rept. (Bijvoorbeeld met betrekking tot de poëzie die zeg in de laatste 10-15 jaar in Nederland en Vlaanderen verschijnt, of je daar verschuivingen in stijl/ thematische focus/ ingenomen perspectief o.i.d. in signaleert die in de evidente veelzijdigheid en diversiteit van het huidige poëzielandschap toch lijken te wijzen op een zekere algemene (nieuwe) ontwikkeling of tendens.) En vervolgens, zo ja, of je enige idee hebt hoe jouw eigen werk zich daartoe verhoudt.

     

    Een nieuwe vraag: als zoals je zegt het verschijnen van een debuut als dat van Joep Kuiper (waar ik zelf overigens een stuk enthousiaster over ben dan jij blijkbaar) je werkelijk interesseert of verbaast, ben je dan niet geneigd er méér gedachten aan te wijden dan het soort van ‘ben ik nou zo slim of zijn jullie nou zo dom’ (welke voetbalcoach citeer ik hier nou ook al weer?) dat je beschrijft?

     

    Philip, ook jij welterusten, ben benieuwd naar je antwoorden van morgen op mijn zo net hergeformuleerde en nieuwe vragen.

     

    Philip: Ik verneem graag van jou waarom je enthousiast bent over de bundel van Kuiper, maar liefst in een e-mail, die kerel heeft hier al genoeg publiciteit meegepikt. Ik ben altijd bereid bij te leren. De criteria die ik hanteer om van poëzie te houden zijn ‘is het mooi?’, dat vooral, ‘wil ik het gedicht opnieuw en opnieuw lezen?’, ‘raakt het mij?’

     

    In die optiek interesseren stromingen en tendensen mij niet. Stel die eerste vraag maar aan de een of andere professor van de UvA, die kan daar beter op antwoorden. Wel wil ik dit zeggen. Schrijven is schrappen, wordt er vaak beweerd, zeker voor wat poëzie betreft. Glanzende kiemcel, weetjewel. Maar wat doe ik dan met de laatste, nota bene prima bundel van Wouter Godijn? Heel brede poëzie die volledig indruist tegen het ‘minimale’ wat poëzie zou moeten zijn. Opvallend rijm is out, maar ik meen dat er in de eerste van Ruben van Gogh nogal wat afgerijmd wordt, en ook dat vind ik mooie poëzie.

     

    Wie zijn die kerels die zeggen hoe poëzie hoort te zijn, die jury’s en Fondsen bevolken? Weten ze het zelf wel? Soms heb ik de indruk dat als twee poëzie-watchers roepen dat ze iets goed vinden ze opeens door een koor van naäpers worden … euh … nageaapt. Heb je ooit al iemand horen beweren dat hij niet houdt van Claus of Lucebert of Faverey? Neen, dat mag niet van de poëziepolitie. 

     

    Poëzie schrijven is zo ontzettend moeilijk omdat er heel wat regels zijn, maar de meeste daarvan ongeschreven. Als dichter moet je gewoon de kunde hebben om zelf aan te voelen of iets goed is of niet. Veel poëzie lezen en over poëzie lezen helpt wel, net zoals een ruime woordenschat en fingerspitzengefühl, dat onbestemde dat je hebt of niet hebt.

     

    Het is moeilijk om mijn plaats aan te duiden in het huidige poëziebestel. Ik kan dat niet en het interesseert mij ook niet. Geen etiketten, antwoordde ik op een andere vraag, remember. Etiketten zijn uitvindingen van academici die het allemaal wat moeten ordenen voor in hun handboeken. Ik wil helemaal niet tot een stroming behoren. Peter de Boer noemt mij een postmodernist, nou goed, dan ben ik een postmodernist, klinkt lekker.

     

    Grafschrift:

     

    Hier ligt Philip Hoorne,

    dierenliefhebber en postmodernist.

    Speciaal voor zijn vrienden, de wormen,

    rust hij in een bijzonder smakelijke kist.

     

    Ronald:  Hoe belangrijk is imago voor je, en zou je als persoon beroemd willen zijn of is je werk belangrijker?

    Thomas: Waarom ik Kuipers debuutbundel weldegelijk interessant en sterk vind, hoor je inderdaad nog wel eens buiten dit interview van me, herinner me daar desnoods nog maar eens aan. Over de ‘nieuwe’ dichters zal ik nu even niet doorvragen, maar in plaats daarvan:

     

    Ik hou niet zo van gedichten die alsmaar doorgaan en doorgaan. Liever een doos vol heerlijke pralines dan één grote chocoladeklomp waar ik mijn tanden niet in kan zetten.

     

    Coen: Dag Philip,

    Je noemt Nederlandse dichters als voorbeeld. Je publiceert bij een Nederlandse uitgever. Je krijgt ook hier voornamelijk kritiek. Of vergis ik mij. Kortom: hoe was de ontvangst van je bundel in Vlaanderen en bestaat er eigenlijk een verschil tussen Vlaamse dichters die bij Nederlandse en Vlaamse dichters die bij Vlaamse uitgevers publiceren. Van die laatste categorie horen wij weinig, maar is dat andersom ook zo?

    Beste Coen,

    Nu moet ik even opletten dat ik geen dingen zeg die ik wel wil zeggen maar beter niet zeg, of … ach, wat dondert het, laat ons een koe niet zoogdier met vier magen noemen, maar gewoon een koe. Vlaanderen is op het vlak van poëzieuitgaven de woestijn. Ik heb het dan vooral over distributie. Het is voor mij heel belangrijk dat mijn bundel in Kortrijk in de boekhandel ligt, maar ook in Venlo en Groningen. 521 distribueert zijn boeken prima. De meest befaamde poëzieuitgever momenteel in Vlaanderen is Uitgeverij P. De dichter moet zijn boekjes zelf grotendeels aan de man brengen. Ik heb heel veel respect voor iedereen die dé poëzie dient, maar helaas blijven Vlamingen nogal eens hangen in hun typisch Vlaamse kneuterigheid, tante en nonkel kopen een boek heb precies een bloedhekel aan mensen die zichzelf te au sérieux nemen of die menen dat ze een hele pief zijn. Dan denk ik wel eens: ja, als je straks de straat oversteekt en de naderende vrachtwagen niet ziet, dan ben je geen hele pief maar een gesmeerde pief. Het kan zo over zijn, voor elk van ons, hou maar je bek. Maar zelf doe ik het dus niet, dat is weer zo een van die tegenstellingen waar ik zo dol op ben. Ik verafschuw dingen die ik zelf doe.

     

    Imago is voor mij niet belangrijk, ik heb er ook geen, daar ben ik nog te onbekend voor. Doordat ik heel ernstig met het schrijven bezig ben, wil ik wel opgemerkt en besproken worden en daarvoor kies ik soms onbewust een Pfeijfferiaanse methode: shockeren. Ik meen van mezelf dat ik best leuk kan schrijven, naast poëzie ook (voorlopig kort) proza. Ik zou best een column willen hebben in een kwaliteitskrant of belangrijk tijdschrift, maar ja, wie niet? Mijn weblog dient een beetje als openbaar oefenschrift. Stilletjes hoop ik dat de een of andere hoofdredacteur het fantastisch vindt wat ik daar schrijf, en dan heb ik het meer over stijl dan over inhoud, en mij opbelt: hé, Philip, ik heb een leuk baantje voor jou.

     

    Ik wil schrijven en publiceren: mooie gedichten, prachtige teksten. Meer wil ik echt niet.

     

    Iedereen weet in welke omstandigheden ik mijn gerecenseer voor DeRecensent heb opgegeven, een vrolijke recensie had ik van hen dan ook niet verwacht. Ik hecht meer belang aan al het moois dat Peter de Boer en Jozef Deleu over ‘Inbreng nihil’ schreven.

     

    Toch neem ik alle kritiek zeer ter harte en vooral goedbedoelde aanmerkingen interesseren mij. Ik kan de recensent van DeRecensent geruststellen, ik weet perfect wat de achillespees in mijn poëzie is, ietwat te veel anekdotiek soms, en ik ben bereid eraan te werken zonder mijn eigen stijl te verloochenen. Heytze heeft dat ook, het anekdotische, maar Heytze is Heytze en Heytze is in zijn beste versregels en in zijn schitterendste vondsten werkelijk subliem. Dan zie je al eens een minder gedicht door de vingers. Trouwens, geen enkele dichter schrijft alleen maar ijzersterke gedichten. Zoals velen weten hou ik enorm veel van Kopland, maar van Koplands verzameld werk mag er voor mijn part ook een aantal pagina’s de papierversnipperaar in. Toch blijft hij één van mijn lievelingsdichters, misschien omdat het percentage minder materiaal geringer is dan bij heel wat anderen.

     

    Een anekdotisch gedicht kan ook subliem zijn. Er zijn critici die sowieso dat soort poëzie verwerpen, de Komrij-haters als het ware, maar dat vind ik jammer. Net zoals ik misschien eens de moeite moet doen om te genieten van hermetische dichters moeten zij het waardevolle in anekdotische gedichten leren waarderen.

     

    Poëzie is schoonschrijverij: een mooie regel, nog één, dan nog één, enzovoort. Hoeveel vragen er in een bundel zitten en hoeveel antwoorden is daaraan ondergeschikt.

     

    Edwin: Die reactie is iets te gemakkelijk, Philip. Te denken dat een kritische recensie op De Recensent uit persoonlijke wrok is geschreven (alsof iedereen daar met haatgevoelens jegens de dichter Philip Hoorne rondloopt) is te simpel (bijna griezelig simpel, je laat je verleiden tot het denken in hokjes) en je ontslaat jezelf van het werkelijk nadenken over je poëzie. Nogmaals, want in de recensie staat het ook, het probleem aan je poëzie is wat mij betreft niet de ankedotiek (ik hou ook van Heytze), maar het gegeven dat er te weinig mee gedaan wordt: het wil in veel gedichten geen poëzie worden. Niet omdat de ideeën slecht zijn, maar omdat die niet ten volle worden benut. Tenslotte is ook de stelling ‘poëzie is schoonschrijverij’ mij te gemakkelijk; poëzie is wel meer ad je gedacht?)

     

    Shit, ben ik niet te openhartig? Ik kan een transfer naar Meulenhoff nu wel op mijn buik schrijven zeker? Grapje, jongens!

     

    Ik heb maar half op de vraag geantwoord, merk ik. Mijn plaats? Wel, neem een portie Wigman, twee scheutjes Heytze, een snuifje Rawie, een handvol Kopland, enkele korreltjes Gruwez en Van hee, een weinig van Gogh en een gemarineerde de Coninck. Overgiet het geheel met een sausje gemaakt van alle andere dichters waar ik van hou (vele vele tientallen!!), voeg daar nog iets onbestemds aan toe (geheim van de kok) en je hebt een Hoorne-gedicht. 

     

    Ik ga slapen. Zopas heeft Portugal Engeland uitgeschakeld na strafschoppen. Na met de hakken over de sloot te zijn geraakt, is Nederland nu mijn favoriet om Europees kampioen te worden.

     

    Sinds enkele maanden heb ik een weblog http://philiphoorne.skynetblogs.be. Af en toe plaats ik er een leuk stukje.

     

    Publiekelijk aan literatuur doen, is een beetje een spel. Je hebt het papieren leven en het echte leven. Als iemand mijn poëzie niet lust en daar een nare bespreking over schrijft, dan kan ik perfect met die kerel ooit eens een pint pakken als het zo uitkomt.

     

    Als ik prozastukjes schrijf, voor mijn weblog of recensies, betrap ik mezelf erop dat ik nogal graag de hautaine en arrogante zak speel, terwijl ik in werkelijkheid helemaal zo niet ben, integendeel, dat lees je in bepaalde van mijn gedichten. Raar is dat. Blijkbaar heeft het jarenlang verslinden van Brusselmans-boeken zijn sporen nagelaten. Weinig Nederlandstalige schrijvers hebben in mooiere bewoordingen over de liefde geschreven dan Herman Brusselmans als hij het heeft over zijn moeder, zijn vrouw, zijn hond. Toch vinden velen hem een platvloerse viezerik. Wie met verstarde blik kijkt, zal nooit echt goed zien. Wie de zwijnenstal niet durft binnen te gaan, zal de parels die de ene of andere onverlaat daar gegooid heeft niet vinden.

     

    Hiermee reageer ik even op de opmerkingen van ene Vebe. Bedankt Coen en Thomas voor de vragen. Ik hoop dat er in de loop van de komende dagen nog wat andere bezoekers langskomen. Ik vind dit eigenlijk best leuk. Als ik op mijn klavier kan tokkelen voel ik me in mijn sas. Soms komen er dan wel eens dingen uit waarvan ik zeg: “Hoorne, slow down, af!” maar die laat ik dan gewoon staan. Dit is de Europese Grondwet niet die we aan het schrijven zijn, gewoon een ordinair interview, toch. 

     

    Vanuit het verre Wevelgem, slaapwel aan Literair Nederland.

     

    Thomas: Philip, (met excuses voor het haastige ‘jou idee’ i.p.v. ‘jouw idee’) wat ik hoopte met mijn vraag van je te horen, was dus juist niet alleen een paar dichtersnamen waarmee je al dan niet wat hebt, maar of je behalve ‘onlangs verschenen’ of ‘net gedebuteerd’ nog iets anders verstaat onder de nieuwe Nederlandse dichters waar je van rept. (Bijvoorbeeld met betrekking tot de poëzie die zeg in de laatste 10-15 jaar in Nederland en Vlaanderen verschijnt, of je daar verschuivingen in stijl/ thematische focus/ ingenomen perspectief o.i.d. in signaleert die in de evidente veelzijdigheid en diversiteit van het huidige poëzielandschap toch lijken te wijzen op een zekere algemene (nieuwe) ontwikkeling of tendens.) En vervolgens, zo ja, of je enige idee hebt hoe jouw eigen werk zich daartoe verhoudt.

     

    Een nieuwe vraag: als zoals je zegt het verschijnen van een debuut als dat van Joep Kuiper (waar ik zelf overigens een stuk enthousiaster over ben dan jij blijkbaar) je werkelijk interesseert of verbaast, ben je dan niet geneigd er méér gedachten aan te wijden dan het soort van ‘ben ik nou zo slim of zijn jullie nou zo dom’ (welke voetbalcoach citeer ik hier nou ook al weer?) dat je beschrijft?

     

    Philip, ook jij welterusten, ben benieuwd naar je antwoorden van morgen op mijn zo net hergeformuleerde en nieuwe vragen.

     

    Philip: Ik verneem graag van jou waarom je enthousiast bent over de bundel van Kuiper, maar liefst in een e-mail, die kerel heeft hier al genoeg publiciteit meegepikt. Ik ben altijd bereid bij te leren. De criteria die ik hanteer om van poëzie te houden zijn ‘is het mooi?’, dat vooral, ‘wil ik het gedicht opnieuw en opnieuw lezen?’, ‘raakt het mij?’

     

    In die optiek interesseren stromingen en tendensen mij niet. Stel die eerste vraag maar aan de een of andere professor van de UvA, die kan daar beter op antwoorden. Wel wil ik dit zeggen. Schrijven is schrappen, wordt er vaak beweerd, zeker voor wat poëzie betreft. Glanzende kiemcel, weetjewel. Maar wat doe ik dan met de laatste, nota bene prima bundel van Wouter Godijn? Heel brede poëzie die volledig indruist tegen het ‘minimale’ wat poëzie zou moeten zijn. Opvallend rijm is out, maar ik meen dat er in de eerste van Ruben van Gogh nogal wat afgerijmd wordt, en ook dat vind ik mooie poëzie.

     

    Wie zijn die kerels die zeggen hoe poëzie hoort te zijn, die jury’s en Fondsen bevolken? Weten ze het zelf wel? Soms heb ik de indruk dat als twee poëzie-watchers roepen dat ze iets goed vinden ze opeens door een koor van naäpers worden … euh … nageaapt. Heb je ooit al iemand horen beweren dat hij niet houdt van Claus of Lucebert of Faverey? Neen, dat mag niet van de poëziepolitie. 

     

    Poëzie schrijven is zo ontzettend moeilijk omdat er heel wat regels zijn, maar de meeste daarvan ongeschreven. Als dichter moet je gewoon de kunde hebben om zelf aan te voelen of iets goed is of niet. Veel poëzie lezen en over poëzie lezen helpt wel, net zoals een ruime woordenschat en fingerspitzengefühl, dat onbestemde dat je hebt of niet hebt.

     

    Het is moeilijk om mijn plaats aan te duiden in het huidige poëziebestel. Ik kan dat niet en het interesseert mij ook niet. Geen etiketten, antwoordde ik op een andere vraag, remember. Etiketten zijn uitvindingen van academici die het allemaal wat moeten ordenen voor in hun handboeken. Ik wil helemaal niet tot een stroming behoren. Peter de Boer noemt mij een postmodernist, nou goed, dan ben ik een postmodernist, klinkt lekker.

     

    Grafschrift:

     

    Hier ligt Philip Hoorne,

    dierenliefhebber en postmodernist.

    Speciaal voor zijn vrienden, de wormen,

    rust hij in een bijzonder smakelijke kist.

     

    Ronald:  Hoe belangrijk is imago voor je, en zou je als persoon beroemd willen zijn of is je werk belangrijker?

    Thomas: Waarom ik Kuipers debuutbundel weldegelijk interessant en sterk vind, hoor je inderdaad nog wel eens buiten dit interview van me, herinner me daar desnoods nog maar eens aan. Over de ‘nieuwe’ dichters zal ik nu even niet doorvragen, maar in plaats daarvan:

     

    Ik hou niet zo van gedichten die alsmaar doorgaan en doorgaan. Liever een doos vol heerlijke pralines dan één grote chocoladeklomp waar ik mijn tanden niet in kan zetten.

     

    Coen: Dag Philip,

    Je noemt Nederlandse dichters als voorbeeld. Je publiceert bij een Nederlandse uitgever. Je krijgt ook hier voornamelijk kritiek. Of vergis ik mij. Kortom: hoe was de ontvangst van je bundel in Vlaanderen en bestaat er eigenlijk een verschil tussen Vlaamse dichters die bij Nederlandse en Vlaamse dichters die bij Vlaamse uitgevers publiceren. Van die laatste categorie horen wij weinig, maar is dat andersom ook zo?

    Beste Coen,

     

    Na de samenstelling van ‘Niets met jou’ had ik nog een aantal sterke gedichten over. Dat kwam omdat de bundels in de Sandwich-reeks maar 48 pagina’s mogen tellen. Ik had dus al een aanzetje. Een 7-tal gedichten die in ‘Inbreng nihil’ staan, dateren uit de ‘Niets met jou’-periode.

     

    Ik ben heel intens met het schrijven van poëzie bezig. Soms schrijf ik twee weken niks omdat het me gewoonweg niet lukt, maar als ik in een productieve bui ben, kan ik in korte tijd heel wat bij elkaar schrijven. Meestal werk ik dan aan een viertal gedichten tezelfdertijd. Mijn manier van werken bestaat erin dat ik die gedichten dan enorm vaak opnieuw bekijk en er steeds dingen aan wijzig tot het helemaal goed zit. Het klopt dus niet dat ik overhaast schrijf. Natuurlijk, je kan een gedicht 100 maal herbekijken en beter maken, en je kan dat ook 500 maal doen, maar er is een moment dat je moet beslissen het gedicht te aanvaarden. Aanvaarden betekent dat ik het gepubliceerd wil zien in boekvorm, dat ik dat 100% zeker weet. Als mijn uitgever en redacteur het ook prima vinden, dan zit het goed. Een zeldzame keer ga ik tegen hun advies in, als ik echt in de kracht van een gedicht geloof. Een voorbeeld: ‘Mijn eerste dag in hel’ vonden Harold, mijn uitgever, en Martien, mijn redacteur, niet zo sterk. Ik wilde er koppig geen letter aan wijzigen omdat ik het wel een ijzersterk gedicht vind. Meestal echter zijn hun adviezen enorm leerrijk en een echte steun, moge dat duidelijk wezen.

     

    Deze tweede bundel is immens belangrijk voor mij, het moest de bundel van de bevestiging worden. Het is nog wat vroeg, maar de kritieken zijn goed, ik denk dat het wel snor zit. Momenteel heb ik al heel wat bij elkaar geschreven voor de derde bundel. Als het van mij afhangt, komt er in 2005 weer een bundel. Ik werk daar naartoe, het is een druk die ik mezelf opleg, tegen begin volgend jaar een valabel manuscript hebben en daar dan een half jaar over doen tot het prima in orde is. Ik presteer heel goed onder druk, ook als ik die mezelf opleg.

     

    Ondertussen broeden ook andere plannen: ik ben niet ontevreden over wat ik op mijn weblog bij elkaar schrijf, op termijn wil ik iets doen met columns of kort proza. Verder overweeg ik een fotograaf te zoeken die met mij een foto-poëzie-boek wil maken. Een light verse bundel moet er ook ooit komen. En een roman. Veel optreden als het kan. Ook wil ik graag aan de slag als freelancer bij een krant of tijdschrift.

    Maar die derde bundel is prioritair, die slorpt eigenlijk de meeste aandacht en energie op, waardoor die andere plannen, hoe leuk ook, nog even moeten wachten. Ik ben in de eerste plaats dichter, ik wil het maken als dichter, dan zullen ook de andere literaire poorten makkelijker open gaan. Mijn poëzie is eigenlijk een hefboom waarmee ik ook die andere projecten een eerste zetje wil geven, maar de poëzie is en blijft mijn ding, dat zal niet veranderen. Dichter zijn is het mooiste wat er bestaat.

     

    Tegal: hoi philip, ‘dichter zijn is het mooiste wat er bestaat’ schrijf je. waarom eigenlijk? (ik bedoel waarom vind je dat dat zo is?)

     

    Hoi Tegal, rare naam overigens,

    Aaah, je hebt me daar even liggen. Moet ik maar niet van die clichés gebruiken, mijn eigen schuld. Het is natuurlijk gelogen. Samen met een twintigtal maagden aanspoelen op een onbewoond eiland waar de chocoladerepen en de zakken patat aan de bomen groeien, dat is misschien het mooiste wat er bestaat. Ik spreek niet uit ervaring, mag dat even duidelijk zijn.

     

    Alle gekheid op een stokje, dichters, schrijvers werken met taal, die wonderlijke taal met zijn 26 letters. Het is een immateriële, nutteloze bezigheid, al kan je nutteloos hier perfect vervangen door onmisbaar. Wat zou het leven zijn zonder boeken? Je hebt er ook niks voor nodig, geen magazijn om grondstoffen in op te slaan, geen werktuigen, alleen maar pen en papier, scherm en klavier. Het hoofd van de schrijver is zijn atelier. Iedereen die school heeft gelopen kan schrijven, technisch schrijven, maar daarom niet literair schrijven. Zelfs gewoon maar technisch schrijven is voor velen nog een probleem. Ik ken veel hoger opgeleiden die geen deftige en foutloze zakelijke brief kunnen schrijven, zelfs dat niet, laat staan dat ze iets moois met geschreven taal zouden kunnen doen.

     

    Is literair schrijven dan een gave? Ik denk van wel. Kan je het niet leren? Een beetje maar. Je kan van een knoeier een middelmatig schrijver maken, maar een rastalent zal het niet worden als dat talent er niet al in zat bij de geboorte. Ik kom uit een arbeidersgezin waar nooit een boek werd gelezen. Ik ben in mijn familie het lelijke belezen en intellectuele eendje met zijn boekjes altijd, tussen mensen die met handenarbeid hun dagen slijten en de kost verdienen. Als ik al een beetje schrijftalent heb, weet ik niet waar het vandaan komt. Toch weiger ik te geloven dat ik het als kind heb gekweekt door veel te lezen en interesse te tonen voor taal. Het helpt wel, maar het is niet genoeg, er is meer.

     

    Schrijven heeft iets mythisch. Schrijvers keren zich een beetje af van het leven door erover te schrijven in plaats van het te leven, al kunnen de twee perfect samen gaan natuurlijk. Het blijft een vreemde bezigheid, woorden op papier zetten. Van alle schrijvers zijn dichters de raarste kwieten. Het publiek kijkt met ontzag naar dichters, bewondering en angst tezelfdertijd, zeker hier in Vlaanderen waar poëzie minder leeft dan pakweg in Amsterdam. Poëzie, dat is toch iets voor bakvisjes, maar toch niet voor een volwassen vent, zoiets denken mensen die niet met literatuur vertrouwd zijn. En toch vinden ze het enig, zelfs zij die nog nooit een dichtbundeltje in hun pollen hebben gehad.

     

    Moeilijke vraag stelde je me daar. Hopelijk bevredigt mijn antwoord je enigszins.

     

    Thomas: Goeiemorgen Philip,

    Nog even voortbordurend op jouw antwoord op Tegals vraag:

    1) Wat je in de laatste alinea van je antwoord verwoordt, bedoelde je dat ook aan te geven met het motto van Leonard Nolens dat aan de eerste afdeling van Inbreng nihil voorafgaat? (Namelijk: ‘Wereldvreemd, zeg jij. Maar vreemd aan welke wereld?’)

    2) Eveneens inhakend op die laatste alinea: behoren ‘zij die nog nooit een dichtbundeltje in hun pollen hebben gehad’ ook tot degenen die je met je werk wilt bereiken? (Nou ja, hoe meer lezers hoe liever so wie so, zul je misschien zeggen, maar ik bedoel: probeer je bewust toegankelijke gedichten te schrijven om zo méér lezers te bereiken?)

    Philip: Dag Thomas,

    1) Ik zal de vraag kort beantwoorden. Ik hou niet van opgefokte drukte of gedoe, ik mijd de massa. Als iedereen zegt: je moet dit of dat zien of doen of beleven, dan is de kans groot dat ik het met graagte aan mij voorbij laat gaan. Ik verafschuw de consumptiemaatschappij met zijn verdoken manipulatoren, zijn materialisme en zijn commerciële pseudo-feestdagen. Ik loop niet graag in het gelid. Als puber was ik een ‘angry young man’, een zachte salonrebel weliswaar, want ik schuwde de barricaden en ik heb nog nooit in mijn leven meegestapt in een betoging. Ik ben nu bijna 40 en ik heb nog altijd die rebelse inborst van 25 jaar geleden. Soms denk ik dat het misschien wel leuk kan zijn om deel te nemen aan massagedoe, je laten opgaan in een soort eenheidsgevoel, verstand op nul, maar eigenlijk is het mijn ding niet. In de massa verliest een mens zijn identiteit. Zet tien mensen rond een tafel en er zullen alleen maar oppervlakkige, lacherige gesprekken gevoerd worden. Moet kunnen, maar het gaat mij al snel vervelen. Voor een echt goed gesprek met iemand die mij dierbaar is, zou ik echter alles aan de kant schuiven. Voor echte vrienden ga ik door het vuur. 

    Dat motto van Nolens zit mij en mijn poëzie als gegoten. Laat mij zijn wie ik wil zijn. Het individu is niet minder waard dan de groep, integendeel.

     

    2) Ik schrijf niet bewust voor anderen. Ikzelf moet wat ik schrijf goed vinden, dat is alles. Toevallig schrijf ik poëzie die door een groot publiek gesmaakt kan worden. Net zoals ik alles verafschuw wat naar massa ruikt, verafschuw ik alles wat elitair is of elitair geacht moet worden.  

    Deze twee antwoorden klinken wat somber en eigenzinnig, maar ik ben geen gothic doemdenker of zo, ik kan verschrikkelijk hard lachen. Ik ben niet asociaal, integendeel, ik hou veel van het wezen ‘mens’, ik heb veel mededogen met de meesten onder hen. Mensen kunnen mij ontroeren tot in het diepste van mijn wezen, maar poseurs, grootsprakerige types en zij die plastic goden aanbidden, kunnen al wat minder op mijn mededogen rekenen.

     

    Tegal: hoi philip, ik vraag me na je antwoord ineens af of je momenteel naast het dichten, lezen, schrijven enz nog een ander bestaan leidt, bijvoorbeeld ter financiële ondersteuning van je dichterschap? of lukt het je geheel rond te komen van pen en podium?

     

    (over mijn naam: niet dat ik me er erg veel mee bezighoud, maar het is op te vatten als een eerbetoon aan mijn deels indonesische voorgeslacht: tegal ligt op java, tussen cirebon en pekalongan)

     

    beste Philip,

    Ik zie uit naar de volgende bijdrage (recensie)

    in Concept.

    Met hartelijke groet,

    Ton Luiting

     

    Dag Tegal, met ‘rare’ bedoelde ik eigenlijk ‘bijzondere’, er is een nuanceverschil, ik herpak me: ‘Bijzondere naam heb je, Tegal.’ Ik zal straks even mijn Javaanse wegenkaart bovenhalen en even kijken waar Cirebon en Pekalongan precies liggen. Zelf heb ik twee kinderen die ook een speciale naam dragen, maar met uitheems voorgeslacht heeft het in mijn geval niks te maken. Gewoon twee leuke namen uit het boek ‘10.000 voornamen voor mens en dier’. Eerst wilden we onze dochter Ieniemienie of Black Beauty noemen, maar gelukkig merkten we nog bijtijds op dat we in het hoofdstuk ‘Dier’ aan het zoeken waren.

     

    Uit het voorgaande mag blijken dat ik naast mezelf nog enkele gezinsleden te onderhouden heb en dat een reguliere job geen overbodige luxe is. Ik weet niet exact wat ik verdien met mijn pen, maar het is geen vetpot. Royalties bedragen 10% van de verkoopprijs, reken dus maar uit. Als je iets wilt verdienen, dan moet je veel optreden. Neen, correctie, dan moet je eerst heel bekend worden en dan veel optreden. Ik hanteer de tarieven van Schrijvers School Samenleving en het Fonds voor de Letteren. De grote namen vragen iets meer, dat kan een veelvoud zijn van de tarieven van SSS.

     

    Natuurlijk denk je in het begin van een schrijversloopbaan niet aan geld verdienen met het schrijven, toch niet als je een job hebt. Ik heb ook nog gratis opgetreden en benzine verreden alleen maar om wat aan mijn naambekendheid te werken. Maar dat doe ik nu niet meer.

     

    Ik steek niet onder stoelen of banken dat ik graag van mijn pen zou leven, maar dat zal wel altijd een droom blijven, vrees ik. Mijn job slorpt tijd en energie op die ik veel liever voor de schrijverij zou gebruiken. De dingen zijn nu eenmaal wat ze zijn. Mijn schrijverij geeft voldoening en die voldoening is onbetaalbaar. Ik zie wel wat de toekomst brengt.

     

    Dag Ton, ik hoop dat je mijn Buehler-recensie ontvangen hebt. Ik heb het Lucebert-boek alleszins goed ontvangen. Ik doe mijn best, maar je weet dat ik de voorkeur geef aan dunne dichtbundels. Hier ligt nog om te recenseren: Kuiper, Barnas, Hertz, de Haan en Hermans. Al een half jaar liggen die hier op mijn bureau, nu eens links van mijn klavier en dan weer rechts. Het duurt wat, want zoals je weet ben ik na het lezen van ‘Monarchieën’ een lange tijd ziek geweest. De dokter zei dat een verband tussen de twee erg onwaarschijnlijk is, maar ik weet wel beter.

     

    Ik recenseer ook op onregelmatige basis voor Nuwijweer en Meander. Op Nuwijweer vind je recensies van Harmens en Godijn, en op Meander verschijnt straks mijn tweede recensie, alweer een Brusselmans-boek. Ik hoop dat je mijn overspelig gedrag niet veroordeelt.

     

    Zo, ik liet de bezoekers van dit forum even meelezen in een toch wel persoonlijke briefwisseling met Ton Luiting en heb meteen wat publiciteit gemaakt voor Hoorne-de-recensent.

     

    beste Philip.

     

    Ik wist niet dat je ziek bent geweest. Zelf kamp ik met een lichte depressie, die ik probeer te overwinnen door hard te werken. Op het ogenblik dat ik dit neertik kijkt iedereen naar voetbal op tv en ben ik de enige op deze site. Je bundel “Inbreng nihil” wordt in Concept besproken door Paul van Leeuwenkamp -tenminste hij heeft de bundel ter recensie- en zoals je weet werken wij ver in voren.

    Hartelijke groet uit Hillywood,

    Ton Luiting

     

    Oeps, Ton, mijn Kuiper-witz is jou ontgaan, ik ben helemaal niet ziek geweest. Als je dit hele interview leest, zal je het wel begrijpen. Geef die depressie een trap tegen zijn kont en mijd de bundel ‘Monarchieën’ en je zal zien, alles komt goed.

     

    Thomas: Ha Philip, het kan komen doordat vorige week op Poetry International een special gewijd was aan Neruda, en ook het feit dat ik de vandaag langsgekomen Ton Luiting op zijn website las zeggen dat het engagement bij hedendaagse dichters ontbreekt, maar vooruit: meen jij dat politiek of maatschappelijk engagement en poëzie elkaar bijten, of zou je bijvoorbeeld met gemak een goed gedicht kunnen/willen schrijven waarin je je mening geeft over, weet ik het, Bush, Irak, Balkenende, Milosevic, het verdrag van Kyoto?

     

    Goeiemorgen Thomas,

    Geëngageerde poëzie, het is mijn ding niet. Een gedicht moet universeel zijn, je moet het op elk moment en op elke plaats kunnen smaken, ook nog over vijftig jaar. Over vijftig jaar zullen alleen nog enkele historici meteen voor de vuist weg kunnen zeggen wat 11 september ook weer was, vele anderen zullen het moeten opzoeken. Ik kan me voorstellen dat er landen zijn waar politiek getinte poëzie zijn nut heeft, maar aan de andere kant is dat nu net wat poëzie niet moet zijn: nuttig. Enfin, mocht ik in een land leven waar er veel hommeles is, zou ik het misschien ook wel doen, maar toch niet in De Lage Landen. En van hieruit schrijven over de toestand aan de andere kant van de wereld vind ik helemaal te gek. Soms zie je in het journaal bijvoorbeeld Koerden of Congolezen die in de straten van Brussel betogen tegen iets in hun land. Dan denk ik, jaja, jullie hebben het gemakkelijk, jullie zitten hier lekker in België, als jullie dan toch zo begaan zijn met de toestand ginder, stap dan op het vliegtuig verdorie.

     

    Let wel, maatschappelijke en politieke thema’s boeien me, maar er speelt zich zoveel af achter de schermen dat een geëngageerd gedicht over enkele jaren misschien wel een parodie is op zichzelf. Krachtige en vredelievende leiders die plots worden ontmaskerd, zoiets. Bush en Kerry blijken allebei lid te zijn van eenzelfde sekte of groepering die eigenlijk de macht in de States in handen heeft, dit was enkele maanden geleden in de actualiteit. Dan denk ik, tja, wat is er allemaal wat wij niet weten en waar we ons dan ook niet druk om moeten maken.

     

    Dit jaar won een Belgische filmmaker een prijs voor de beste kortfilm op het prestigieuze festival van Cannes, een jonge, moderne gast met een weird kapsel. Hij droeg een smoking, zoals het allicht wordt voorgeschreven door het protocol, maar die vloekte enorm met zijn persoon. Het was de laatste mens op aarde die je in een smoking zou verwachten. Na het in ontvangst nemen van zijn prijs zei hij ‘Don’t vote Bush, please, don’t vote Bush’. Dat is toch om in je broek te pissen van het lachen, zoiets. Had hij dat circuskostuum niet gedragen, dan was het nog een beetje geloofwaardig geweest, nu was het ronduit hilarisch. Maak nog een paar filmpjes in plaats van je hier belachelijk te maken, nerd, denk ik dan. Dat Michael Moore in de zaal zat, zal ook wel meegespeeld hebben. 

     

    Ik betreur dat er overal ter wereld mensen en kinderen sterven door de schuld van enkele megalomane domoren, maar op het moment dat een Amerikaans gevechtspiloot in zijn met bommen beladen vliegtuig stapt, is hij al net zo schuldig als Bush. Opnieuw dat verfoeilijk massagevoel, God bless America, wij zijn uitverkoren door God, de anderen zijn de goddelozen. Na de oorlog moeten die soldaatjes bij mij dan niet komen zeuren over een kapotgeschoten been of zo. Amerika heeft nood aan vijanden en als er geen vijanden meer zijn, moeten er vijanden gecreëerd worden, desnoods zullen ze de oorlog verklaren aan Luxemburg. De Amerikanen zijn en blijven cowboys, het zit in hun genen. Cowboys zitten nu eenmaal niet graag thuis met een breiwerkje op schoot.

     

    Aan de andere kant moet ik ook zeggen dat ik fundamentalisme vreselijk vind, hoe kan je iemand zo ver krijgen dat hij zichzelf opblaast aan een bushalte of in een winkelcentrum. Wat er in Israël gebeurt, die escalatie van geweld, dat is afschuwelijk. Het is een ver-van-mijn-bed-show, ik wil er niks mee te maken hebben. Ik weet dat ik het cru stel, maar ik wil de lasten van de wereld niet op mijn schouders nemen. Het ergste is dat die beelden zo snel wennen (hé, raar, vandaag geen vergelding in Israël). Waarom kunnen mensen niet met elkaar samenleven, er is toch plaats genoeg op onze planeet? Mooie en terechte vragen, maar stel ze maar aan iemand anders.

     

    Hilversum, 28 juni 2004

     

    Hoi Philip en Thomas,

    Waarom ik zo baal van de zg. “geëngageerde poëzie”is gebaseerd op mijn ervaringen in de jaren zeventig/tachtig. Harry Mulisch- rellenvoyeur- keek en schreef op het verwarmde terras van Hotel Amercain naar de provorellen. Een dichter uit het (nederlandse) Brabant -Komrij noemde hem de gloeilamp van het zuiden- schreef met een pint en een goedgevulde maag over de lijdende mensen in hongerend Afrika.

    Vandaar!

    Ton Luiting

     

    Coen: Dag Ton,

    Het lijkt mij heel knap om in de jaren zeventig/tachtig te kijken naar rellen die plaatsvonden in de jaren zestig.

     

    Klopt, het waren de jaren zestig/zeventig.

    Heel allert Coen!

    Ton

     

    Dag 5 van de interview-week zit erop, nog 2 dagen te gaan. Het was een rustige dag. Er mogen best nog wat meer vragen komen. Ik vind dit eigenlijk wel leuk, wat blijkt uit mijn uitvoerige antwoorden.

     

    Deze morgen viel De Brakke Hond nr. 83 in mijn bus. Mijn gedicht ‘Roots’ staat op pagina 70. DBH was het eerste Vlaamse tijdschrift dat werk van mij opnam, en wel vier gedichten ineens. Ik had het er al over dat ik een dankbaar mens ben, wie iets oneerbiedigs zegt over DBH kan van mij dus een flinke knauw in zijn kuiten krijgen.

     

    Op dit eigenste moment ben ik bezig met enkele nieuwe gedichten klaar te maken om ze naar literaire tijdschriften te sturen. Een negental verschillende tijdschriften ontvangen weldra één of meer gedichten van mij. Ik probeer het nog maar eens bij De Tweede Ronde. Meer dan twee jaar geleden stuurde ik drie maal na elkaar werk – vooral light verse – naar dit tijdschrift dat geroemd wordt om zijn light verse afdeling. Sneller dan ik het werk kon insturen kreeg ik het terug. Nochtans zaten er sterke gedichten tussen die later elders gepubliceerd werden. Dit speelde zich af in de tijd dat ik nog een relatief onbekende dichter was. Ik vermoed dat ik beoordeeld werd op mijn naam en niet op mijn werk.

    Enkele weken geleden stuurde ik een e-mail naar de uitgeverij die DTR uitgeeft met de vraag om mij het mailadres van de redactie van DTR te bezorgen, want gedichten insturen per slakkenpost doe ik niet meer, maar ik kreeg geen antwoord. Brieven en mails niet beantwoorden vind ik buitengewoon onbeschoft. Instanties of instellingen die personen als vuil behandelen, daar kan ik mij enorm om opwinden. Machtsmisbruik in combinatie met minachting vind ik van het ergste wat er bestaat. Het kan natuurlijk ook gewoon laksheid zijn, maar ook dat valt niet goed te praten.

     

    Dit nog even voor het slapengaan. Welterusten, Literair Nederland.

     

    Thomas: Ha Philip,

    Wat een heftigheid op het laatst van je 3e alinea! Al veel te verhapstukken gehad op dat vlak? Of simpelweg iets waar je je in het algemeen over kunt opwinden? En ten tweede: welke andere 8 tijdschriften vind je blijkbaar interessant/sterk/mooi genoeg om er je gedichten heen te mailen?

     

    Fijne nacht en ook welterusten, Thomas

     

    Het is iets waar ik me in het algemeen over kan opwinden, niet specifiek tegen DTR gericht. Doe niet aan een ander wat je zelf niet graag zou worden aangedaan. Het is een ietwat melige maar toch wel ware uitdrukking. Eén of enkele inzendingen kreeg ik zo snel terug dat het eenvoudigweg onmogelijk is dat mijn gedichten op een redactievergadering werden besproken. Ik weet dat ik in de literaire pikorde niet op de eerste rij sta, maar dat betekent niet dat ik met dédain wil behandeld worden. Intussen heb ik nog altijd geen mailadres van DTR en stuur ik misschien toch wel niet in.

     

    Werk van mij verscheen in Bunker Hill, De Brakke Hond, Tzum, Nymph, Krakatau, Lava, Deus ex Machina, Kreatief, Gierik & NVT, Kunsttijdschrift Vlaanderen, Rottend Staal, Meander, Opspraak, Dighter, De Houten Gong, Stroom, Mens & Gevoelens, en ik heb het gevoel dat ik er nog een aantal vergeet.

     

    Vóór ‘Niets met jou’ stuurde ik heel vaak in naar tijdschriften, later werd dat beduidend minder. Na het verschijnen van mijn debuut had ik me voorgenomen me vooral te richten op de bladen waar ik nog nooit in kwam, maar toch hou ik nogal vast aan die waar ik al een voet tussen de deur heb. Dat heeft te maken met wederzijds respect, trouw ook. Als een redactie beslist om werk te plaatsen, dan schept dat een band en ik wil die band onderhouden en koesteren.

     

    Ik heb bewondering voor mensen die een literair tijdschrift runnen en heel veel bewondering als dat op een degelijke wijze gebeurt. Degelijk betekent kwaliteit brengen, een minimum aan correspondentie met de auteurs en op regelmatige basis verschijnen.

     

     

    Thomas: Ha Philip,

    Handig om te weten: op de onlangs gelanceerde en lekker rustig vormgegeven website van Uitgeverij Van Oorschot (http://www.vanoorschot.nl/) kun je bij het kopje ‘Tijdschriften’ van alles over De Tweede Ronde vinden, en er staat ook een e-mailadres bij: tweederonde@betapress.nl. Ook staat er echter boven dat men geen kopij per e-mail aangeleverd wil krijgen.

     

    En ik plak er maar meteen een tijdschriftenvraag aan, al is het een wat gemakzuchtige misschien: denk je dat jouw gedichten het best thuis zouden zijn in De Revisor, De Gids, Raster, Tirade of Yang?

     

    Bedankt voor de tip over de contactgegevens van De Tweede Ronde.

     

    De Revisor, De Gids en Tirade zijn heel mooie tijdschriften. Ik meen dat Raster een meer literatuurbeschouwends tijdschrift is. In elk geval is mij ooit verteld dat insturen weinig zin heeft omwille van een geringe kans op slagen. Yang is heel academisch, het past totaal niet bij mijn poëzie. Mijn werk past niet in Yang moet ik eigenlijk zeggen.

     

    Ik schrijf af en toe ook wel eens een essay, maar om dan met een artikel te gaan leuren, dat lijkt me nogal lastig. Insturen, wachten, opnieuw insturen, weer wachten, enzovoort, vaak zijn essays ook actualiteitsgebonden waardoor de tijdsspanne tussen het schrijven en het publiceren zo kort mogelijk moet zijn. Ik zou wel graag ooit vast medewerker worden bij een blad, dat lijkt mij rustiger werken, je hebt dan een mand om je eieren in te leggen.

     

    Tegal: maar tussen revisor, gids en tirade zie je dus weinig onderscheid, wat algemeen karakter en geschikt als plek voor je gedichten betreft?

     

    Het probleem is natuurlijk dat niet alle Nederlandse tijdschriften vlot in Vlaanderen te koop zijn en een mens kan zich niet op alles abonneren. Tirade ligt in de leeszaal van de Kortrijkse bibliotheek, thuis heb ik enkele nummers van De Revisor en De Gids ken ik alleen van het internet. Gelukkig bestaat het internet nog om eens een kijkje te nemen en even de toon van een bepaald blad te meten. 

     

    Eigenlijk maakt het me niet uit in wat voor literair tijdschrift mijn werk komt, zolang het maar een kwaliteitsvol tijdschrift is. Wat binnenin staat maakt het tijdschrift, en wat erin komt wordt bepaald door een redactie. Redacties kunnen wisselen en bijgevolg ook de toon en stijl van een blad.

     

    We hebben het in de voorbije week vaak gehad over literaire tijdschriften, hun belang kan niet genoeg onderstreept worden. In Nederland kan een dichter het nog maken via de podia, in Vlaanderen is die kans nagenoeg onbestaande.

     

    Aan debutanten kan ik alleen maar de raad geven in te sturen naar diverse literaire magazines. Via e-mail kost het vrijwel niks. Laat je niet afschrikken door afwijzingen. Stuur geen massa gedichten, een vijftal volstaat meestal wel. Een begeleidend schrijven met de allure van een roman is niet nodig. Een korte en zakelijke introductie volstaat.  Stuur je toch in per papieren post, zorg er dan voor dat je zending net en ordelijk is.

     

    Thomas: Met hulde voor literaire tijdschriften en wijze raad aan debutanten in de poëzie komen we in de buurt van het einde van een interessante week Hoorne op Literair Nederland.

     

    Philip, mijn en onze dank voor jouw inzet, tijd en bijdragen. Het was een genoegen je te gast te hebben. Volgt natuurlijk de geijkte afsluiter: is er een onderwerp waarover je van tevoren bedacht had te willen worden bevraagd, dat in de afgelopen week niet aan bod is gekomen?

     

    Alle goeds en een groet, Thomas

     

    Beste Thomas,

     

    Ik vond het heel boeiend om te ‘praten’ met jou en enkele andere bezoekers van Literair Nederland. Als mensen die ik helemaal niet ken, zeggen ‘ik heb jouw bundel(s) gelezen’, dan doet mij dat toch wel wat. In poëzie spreken we wel altijd over een klein publiek, maar of het nu gaat over 100 of over 10.000 lezers, mijn appreciatie voor elk van die mensen is daarom niet minder, integendeel. Dank dus aan zij die mij de voorbije week een of meerdere vragen stelden. Ik denk niet dat bepaalde prangende vragen niet gesteld geweest zijn. Door op sommige nogal uitvoerig te antwoorden, heb ik misschien zelfs enkele mogelijke vragen beantwoord zonder dat die expliciet gesteld werden.

     

    Naast het contact met het publiek, betekende de voorbije week voor mij ook prima publiciteit voor mijn pas verschenen bundel ‘Inbreng nihil’. Ik dank de redactie van Literaire Nederland voor die geboden kans.

     

    Op mijn weblog http://philiphoorne.skynetblogs.be plaats ik af en toe eens een ernstig of leuk stukje. Je vindt er ook links naar o.a. mijn auteurspagina’s op Rottend Staal Online en Meander. Natuurlijk tref je er ook een link naar mijn uitgever, Uitgeverij 521.

     

    Vele groeten!

     

    Philip