• Karel van het Reve deel 3 verschenen

    Vorig jaar verschenen de  delen 1 en 2 van het Verzameld  werk van Karel van het Reve bij uitgeverij Van Oorschot, deel drie is nu ook verschenen.

    Deel 3 omvat de jaren 1969-1972. Het bevat Het geloof der kameraden, Met twee potten pindakaas naar Moskou (met onder meer reportages uit zijn jaar als Parool correspondent in Rusland) en de essaybundels Marius wil niet in Joegoslavië wonen en Lenin heeft echt bestaan.

    Beide delen sluiten af met een  selectie uit de ongebundelde artikelen die Van het Reve in deze  periode schreef: 350 bladzijden in deel 3. Deze stukken zullen voor veel lezers onbekend zijn. Een grote verrassing zijn de tv-recensies, die hij tussen 1971 en 1976 wekelijks in nrc Handelsblad publiceerde onder het pseudoniem Henk Broekhuis. Lang is onduidelijk gebleven wie achter deze naam schuilging.

    In  deze  ‘columns’ figureren uiteenlopende figuren als Joop den Uyl, Pippi Langkous, Wim Kan, bisschop Gijsen en ‘de kritische leraar’. De twee stukjes over het bezoek van Henk Broekhuis en zijn vrouw aan de grote volksschrijver  Gerard Reve in Frankrijk veroorzaakten een brouille tussen de beide broers. Boeiend zijn ook de nooit gebundelde boekrecensies uit deze jaren. Aangrijpend is de inleiding bij het Dagboek van zijn in de oorlog omgekomen vriend David Koker. En dat Karel van het Reve een meester was in het genre van de necrologie blijkt uit zijn stukken over Jacques Presser en over Andrej Amalrik (‘De onhandelbaarste man die ik ooit heb ontmoet’).

    Dagelijks is een stuk van Henk Broekhuis te lezen op www.kvanhetreve.nl

  • Rascha Peper – Zwartwaterkoorts

    Liegen en bedriegen

    Joost Zwagerman nam in zijn verzameling beste korte verhalen uit de Nederlandse literatuur het verhaal ‘Ridders’ op van Rascha Peper. Een goede keuze, want het behoort inderdaad tot het beste uit onze literatuur. Ik zou zo nog een aantal verhalen van Peper kunnen aanwijzen die goed in elkaar steken en die ook in de dikke Zwagerman hadden gemogen.

    Het grote publiek kent Rascha Peper voornamelijk van haar grote romans als Rico’s vleugels, Russisch blauw en Vingers van marsepein. Het zou jammer zijn als dat publiek de nieuwe verhalenbundel Zwartwaterkoorts links laat liggen (zoals het grote publiek meestal doet), want opnieuw staan hier weer prachtige verhalen in.

    Het meest ontroerende verhaal is verwant aan ‘Ridders’ en gaat over een vrouw die een geheime geliefde heeft. Ze hebben beiden hun eigen partners, maar de vrijdag (ook de titel van het verhaal) is voor hun romance. Als hij na een ziekte komt te overlijden, krijgt ze een uitnodiging om de begrafenis bij te wonen. Daar is ze, als geliefde die door niemand wordt gekend, op een gruwelijke manier alleen. Peper gebruikt geen grote woorden; ze gebruikt ook geen mooie woorden (iemand die alleen stilistische hoogstandjes wil zien, komt bij Peper niet aan zijn trekken), maar ze weet je wel in een paar bladzijden in het leven van haar hoofdpersoon te trekken zodat je elke nuance in de emotie mee beleeft. De pijn als je het gezicht van je geliefde niet meer kunt zien omdat de kist al dicht is, de hardheid om achteraan in de rij te staan bij het gooien van zand in de kuil ? zij gooit een tak met sierappeltjes op de berg zand ? en de eenzaamheid die met bijna niemand te delen is. Ik begrijp niet hoe het haar lukt, maar je krijgt het er koud van. Ik moest eerst even wat anders doen, voordat ik aan het volgende verhaal kon beginnen.

    Een terugkerend motief in deze roman is de leugen. Personages bedriegen (vrouwen oplichten of boeken stelen) en personages worden bedrogen. Het verhaal ‘Het veertje’ wordt verteld door een oude, blinde man. Hij woont nog in zijn bovenwoning, ondanks dat zijn zoon en schoondochter graag willen dat hij zijn spulletjes alvast wegdoet. Regelmatig verdwijnt er ook iets uit het huis dankzij zijn kinderen, wat de oude man natuurlijk toch merkt. Uiteindelijk neemt hij wraak.
    Het lezen van de verhalen wordt aantrekkelijker gemaakt omdat de hoofdpersonen in het ene verhaal een bijfiguur kan zijn in het volgende verhaal. Zo grijpen die op zichzelf staande verhalen toch in elkaar.

    Misschien werkt die methode bij lezers die nogal weigerachtig staan tegenover verhalen. Tegen die lezers zou je willen zeggen: zet je over je vooroordeel heen en koop deze bundel. Lees elke dag één verhaal en raak onder de indruk van de fenomenale wijze waarop Peper karakters kan neerzetten. Ik kijk alvast uit naar de volgende verhalenbundel.

    Coen Peppelenbos

    Rascha Peper ? Zwartwaterkoorts. Nieuw Amsterdam, Amsterdam, 240 blz. €17,50.

  • Susanne Schädlich – Mijn oom, vriend en verrader. Hoe de Stasi mijn familie ontwrichtte

    In de hoos van boeken die verschenen zijn twintig jaar na de val van de Berlijnse Muur kwam bij Cossee deze vertaling uit. Het is het verhaal van de dochter van Oost-Duitse dissidenten die eind jaren zeventig gedwongen werden hun land te verlaten en naar West-Duitsland vertrokken. Na veel omzwervingen viel het gezin uit elkaar: de ouders scheidden, Susanne ging op kamers in West-Berlijn, later Düsseldorf, en vertrok begin jaren tachtig naar de Verenigde Staten. Haar zusje ging bij hun moeder wonen. Toen na de val van de Muur de Stasi-archieven toegankelijk werden kwam de familie er in 1992 achter dat oom Karlheinz, een broer van de vader, jarenlang informatie over het gezin en hun vrienden had doorgespeeld aan de Stasi. De ontdekking dat iemand die zo dichtbij stond hen en mensen uit hun omgeving verraden had was een enorme klap. Het contact met de oom werd verbroken en deze deed nog enkele vage pogingen om zijn gedrag te verklaren, maar van echte excuses kwam het niet. In december 2007 pleegde de oom zelfmoord door zichzelf door de mond te schieten in een Berlijns park. Een jaar later begon de schrijfster de dossiers te lezen en sprak hierover met haar ouders en hun vrienden met dit boek als resultaat.

    Susanne Schädlich (1965) is de dochter van de schrijver en vertaler Hans Joachim Schädlich. Haar moeder was redacteur bij verschillende uitgevers en onder de vrienden van haar ouders bevonden zich veel schrijvers en dichters. Regelmatig kwamen zij bijeen om elkaar voor te lezen uit eigen werk. Soms schoven West-Duitse collega’s aan, zoals Günther Grass. Deze bijeenkomsten waren interessant voor de Stasi en aan oom Karlheinz (IM Schäfer) hadden zij een nuttige informatiebron. Al snel nadat het gezin eind 1977 naar Hamburg was vertrokken begonnen de pogingen van Karlheinz om zijn broer over te halen terug te komen. Dit zou beter zijn voor zijn gezondheid ? Hans Joachim had last van depressies. Ook hun moeder, Susannes grootmoeder, probeerde haar zoon terug te krijgen en wees diens vrouw aan als een van de oorzaken van zijn problemen. De pogingen mislukten, maar het huwelijk strandde uiteindelijk wel.

    Een antwoord op de vraag hoe haar oom tot zijn daden is gekomen krijgt Schädlich niet. De charmante levensgenieter met zijn pijp die een leven als 007 wilde, bij wie ze altijd haar verhaal kon doen toen ze als puber problemen had met haar ouders en die haar later aan een baan probeerde te helpen in Oost-Berlijn, stond op een hoog voetstuk. Zijn val was zo diep dat ze, in tegenstelling tot andere familieleden, na 1992 nooit meer contact met hem heeft willen opnemen.

    Het boek heeft niets van de weemoed en nostalgie uit de films Das Leben der Anderen of Goodbye Lenin. Bij Schädlich ligt de nadruk op ontwrichting, wantrouwen, verraad en de verstrekkende gevolgen voor iedereen die daarmee te maken heeft gehad. Haar familie is volledig uit elkaar gevallen en het gevoel nergens thuis te zijn bepaalde jarenlang de keuzes in haar leven. Hoe diep het verleden zit blijkt wanneer ze jaren later terug in Berlijn haar kind ergens afzet en helemaal in paniek raakt als ze merkt dat ze in een buurt is terechtgekomen waar vroeger voornamelijk Stasi-medewerkers woonden.

    Zowel in de titel als in de flaptekst ligt de nadruk bij de vertaling meer dan bij de oorspronkelijke Duitse versie op de oom. De Duitse titel luidt Immer wieder Dezember: Der Westen, die STASI, der Onkel und Ich. Mij trof bij het lezen vooral het gevoel van ontworteld zijn en nergens een thuis hebben. Hiernaar verwijst het ‘steeds weer december’ ook, want het was vaak juist in deze maand dat de familie Schädlich weer eens verkaste. En ook de zelfmoord van de oom vond in december plaats. Dit ontheemde gevoel en het verraad is mijns inziens meer waar het boek over gaat dan de oom.

    Schädlichs woede en verontwaardiging zijn zo heftig dat stijl en structuur er af en toe onder lijden. Ze springt nogal van de hak op de tak, vaak in korte zinnen zonder werkwoord en verwijst naar omstandigheden die niet altijd uitgelegd worden. Het personen- en zakenregister achterin het boek zijn verder uitgebreid en zeer nuttig.

    Mijn oom, vriend en verrader geeft een indringend beeld van een Oost-Duits dissidentengezin en laat zien hoe opgroeien onder een totalitair bewind mensen kan vormen. Toch ziet Schädlich ten slotte ook iets positiefs aan een leven zonder thuis waarin het moeilijk was te hechten aan nieuwe mensen: het heeft haar wel in staat gesteld om makkelijker ergens weg te gaan als dat moest en sneller op een andere plek haar draai te vinden.

  • Autobio: J.M. Coetzee – Zomertijd en Günter Grass – De box

    Fictieve levens

    Is een modern schrijver tegenwoordig nog wel in staat om een autobiografie te schrijven? Of moet je, als auteur in een postmodern tijdperk, je zorgen maken over waarheid en fantasie, de onkenbare werkelijkheid en meer van die dingen. In ieder geval hebben de Nobelprijswinnaars J.M. Coetzee en Günter Grass beiden voor een fictionele autobiografie gekozen.
    Bij Coetzee ligt dat een beetje voor de hand omdat hij ook al in Jongensjaren en Portret van een jongeman met een zekere distantie naar zichzelf keek. In het derde deel in de reeks, Zomertijd, schetst Coetzee een beeld van zichzelf aan de hand van een biograaf die na zijn dood enkele vrouwen interviewt, waaronder minnaressen, een familielid en een vrouw die hij graag tot minnares had willen maken en één man, een bevriende collega aan de universiteit.
    Het is een slimme zet van Coetzee om zijn leven zo te beschrijven. Het raamwerk geeft hem weer de mogelijkheid tot distantie en tegelijkertijd kan hij met dat gegeven spelen, want de hele wereld kent Coetzee als een gereserveerde man, op zijn hoede om uitspraken te doen, bang zijn gevoelens te tonen. En juist door dat zelf te beschrijven toon je juist ook het tegendeel aan. Zoals de eerste geïnterviewde, Julia, zegt over een nacht die ze met John doorbracht nadat ze haar man met slaande deuren verlaten had. ‘John zag of raadde wat er in me omging en opende voor één keer zijn hart, het hart dat hij gewoonlijk pantserde.’ Maar dat duurt niet lang. ‘Hij zag me ? zag me zoals ik op dat moment was ? werd bang, gordde haastig het pantser weer om zijn hart, ditmaal met kettingen en een dubbel hangslot, en sloop de duisternis in.’ Harteloze man zou je zo denken, tot je beseft dat hij dit zelf geschreven heeft. Coetzee speelt rechter in zijn boek over zijn eigen leven, de aanklagers lijken de mensen te zijn die hem gekend hebben. Het oordeel over hem is erg hard en juist daardoor krijg je wel mededogen met die rigide schrijver die zo moeilijk in contacten is. Ik vermoed dat het doel van Coetzee niet was om zichzelf in een gunstig daglicht te stellen, integendeel zelfs, maar het continu hameren op zijn mindere eigenschappen zoals die aangedragen worden door de mensen die de biograaf interviewt plaatsen de schrijver in de rol van de ‘underdog’. En de underdog wekt toch altijd sympathie.

    Günter Grass doet het in De box iets anders. Hij laat in verschillende sessies zijn kinderen (die allemaal een andere naam krijgen) praten over het verleden. Centrale figuur is de oude fotografe Marie die tijdens haar leven met haar Agfabox vele momenten van de familieleden heeft vastgelegd. En in de donkere kamer kon zij ook het verleden en de toekomst en de wensdromen van de kinderen in de foto’s toveren. De kinderen komen uit de verschillende verhoudingen die Grass tijdens zijn leven heeft onderhouden en het is vooral dat onstuimige familiale leven, dat zich afspeelde in de buurt van de beroemde vader die de hele tijd met zijn werk bezig was, dat we leren kennen. Al die gesprekken zijn natuurlijk fictie en dat wordt af en toe ook expliciet gemaakt: ‘Misschien zijn ook wij, zoals we hier zitten en praten, alleen maar verzonnen ? toch?’
    De gesprekken leveren een amusante, maar geen grootse Grass op. Vaak is onduidelijk wie precies aan het woord is. Ergerlijk is de vertaling, omdat je je constant bewust bent dat je een vertaling aan het lezen bent, met vreemde zinsconstructies en hinderlijke germanismen. Wat te denken van ‘omdat ik me zo puberteitsmatig gedroeg’, ‘en zich vaak extreem harmoniebehoeftig gedragen schijnt te hebben’ en ‘de zweetdrijvende details’. De fout ‘iets dat’ komt een paar keer terug (maar die fout komt tegenwoordig veelvuldig voor in romans). Bij de zin ‘(…) maar alleen maar omdat Lena en Paulchen moesten huilen en ik toch al heel gauw ga soppen…’ is het woord soppen niet zo goed gekozen, omdat de eerste betekenis van dat woord nu totaal anders is. Nog één rare zin dan: ‘Buiten miezert het en bekrachtigt een zomer die iedereen als tamelijk tot totaal verregend beklaagt.’ Wat?
    In vergelijking met Coetzee is Grass, via de verhalen van zijn kinderen, uiterst mild over zichzelf. Je hebt het idee dat zijn kinderen in werkelijkheid een harder oordeel zullen hebben over hun vader, terwijl je bij Coetzee verwacht dat zijn minnaressen en vrienden een heel wat positiever oordeel over hem zullen hebben. Dat krijg je er nou van als je van je leven fictie maakt.

    Coen Peppelenbos

    J.M. Coetzee: Zomertijd. Vertaald door Peter Bergsma. Cossee, Amsterdam, 300 blz. €22,90.
    Günter Grass: De box. Vertaald door Jan Gielkens, Meulenhoff, Amsterdam, 200 blz. €21,50.
    verschijnt ook op Literair Nederland.

  • Bijlezen: Els Beerten – Allemaal willen we de hemel

    Held tegen wil en dank

    Uit protest tegen de redelijk geruisloze verdwijning van een belangrijke prijs voor jeugdliteratuur: de Gouden en Zilveren Zoenen (die in leeftijdscategorie volgden op de Gouden en Zilveren Griffels) besloten Hans Hagen en Ted van Lieshout om een alternatieve prijs in te stellen: de Gouden Lijst. Op 12 september wordt deze prijs uitgereikt. Een van de genomineerde boeken is Allemaal willen we de hemel van Els Beerten.

    Laat ik maar meteen verklappen dat dit een geweldig jeugdboek is. Voor de wat oudere jeugd (vanaf 15) schetst Beerten het verhaal van een held tegen wil en dank. Allemaal willen we de hemel speelt zich af op het Vlaamse platteland in de Tweede Wereldoorlog. Eén zeer muzikale familie wordt in het bijzonder gevolgd met Jef als hoofdpersoon. Daarnaast volg je zijn vriend Ward. Beiden worden op school geronseld door pastoor en leraar om te gaan helpen aan het Oostfront. Ward gaat om het Vlaamse volk te verdedigen tegen het communisme, Jef wordt door zijn familie tegengehouden en kan dus geen held worden, net als zijn vriend. Maar hij wordt wel op een andere manier een held, juist als Ward met verlof terug is. Hoe het precies zit (en eigenlijk ook weer niet) wordt pas gaandeweg het boek duidelijk.

    Het knappe van Allemaal willen we de hemel zit hem echter niet in het avontuurlijke dat ook bij de oorlog hoort. Daar zijn de beschrijvingen van Ward aan het front te heftig en te realistisch voor beschreven. Dit boek is ook goed vanwege de psychologische diepgang. Niet alleen van Ward en Jef, maar ook omdat je naar de gebeurtenissen kijkt via de ogen van het jongere broertje Remi en via het zusje dat verliefd is op Ward, Renée. Beerten werpt je steeds een stukje van het verhaal toe via een ander personage en die personages hebben allemaal een authentiek geluid. Daarmee wordt dit niet een roman over de oorlog waar goed tegenover fout staat. Je komt personen tegen die hun eigen afwegingen hebben, soms raar, soms fout, maar altijd invoelbaar.

    Beerten is ook goed in het weglaten. Zo zouden wij Jef direct aanduiden als een homoseksueel, maar dat woord valt in het hele boek niet, noch wordt homoseksualiteit geproblematiseerd of gethematiseerd. De ene lezer zal doorhebben waarom Jef handelt zoals hij doet, de ander niet.

    Er zijn drie boeken genomineerd voor De Gouden Lijst. Voor jou 10 anderen van Mirjam Oldenhave en Cynthia van Eck uit de Slashreeks is een verdienstelijke roman, maar stilistisch niet zo sterk. De gelukvinder van Edward van de Vendel en Anoush Elman uit de Slashreeks (waarvan Van de Vendel ook de bedenker is) is een goede roman, op de huid van de tijd geschreven. Het boek echter dat behoort tot de meesterwerken van de jeugdliteratuur is Allemaal willen we de hemel. Vijfhonderd bladzijden die lezen als een trein, met een lekkere kortaffe stijl waarin geen woord teveel wordt gezegd; een boek dat al je emoties bespeelt en je bovendien als literaire lezer uitdaagt. Wat mij betreft kan de eerste Gouden Lijst naar niemand anders gaan dan naar Els Beerten.

    Coen Peppelenbos

    ELS BEERTEN ? Allemaal willen we de hemel. Querido, Amsterdam, 500 blz. €17,95.

  • Intellectuele vrienden met dezelfde passies

    Recensie door Coen Peppelenbos

    Vorig jaar verscheen de briefwisseling Verscheur deze brief! Ik vertel veel te veel tussen Willem Frederik Hermans en Gerard Reve. Een briefwisseling waar reikhalzend naar uitgekeken werd omdat het twee van de grootste naoorlogse schrijvers elkaar troffen. Het boek viel een beetje tegen omdat na een aanvankelijk vriendschappelijk begin Hermans niets meer van Reve moest hebben toen hij zich bekeerde tot de rooms-katholieke kerk en zich van schandaal naar schandaal sleepte. Ondanks enkele pogingen van Reve om briefwisseling op gang te houden bleef Hermans afhoudend en afwijzend.
    machines en emoties
    In Machines en emoties is er sprake van een totaal andere Hermans omdat hij in Rudy Kousbroek, die dan met zijn vrouw Ethel Portnoy in Parijs woont, een geestverwant ontdekt. Beiden hebben een voorkeur voor auto’s en typemachines, kennen het werk van Céline en Wittgenstein. Al snel zijn de mannen bevriend. Ze telefoneren ook met elkaar, ze gaan bij elkaar logeren, ze bezoeken samen tentoonstellingen en ze laten ook hun kinderen bij elkaar logeren. Tussen de brieven over technische en filosofische zaken en de plannenmakerij om samen een boek te schrijven (dat er nooit is gekomen), staan met onderkoelde humor geschreven brieven van Ethel Portnoy. Zo vertelt ze met enige afschuw over haar verblijf in het ziekenhuis na haar bevalling en de problemen die ze heeft met borstvoeding. ‘The result was a weirdly arche-typical scene this morning, when he started to cough + choke and I stopped him + looked and then said “Vampire, son of vampire!” It was like something in a surrealist dream.’

    Het beeld dat er uit dit boek opdoemt van Rudy Kousbroek is niet al te positief te noemen. Dat komt vooral door hem zelf. In bijna elke brief staat een excuus omdat hij te laat reageert, hij het te druk heeft, hij iets nog moet opzoeken, maar niet weet waar het precies ligt. Dat gaat maar door en door. ‘Mijn voornemen om eerst het machinestuk af te maken voor ik je zou schrijven heeft tot dusver geen ander gevolg dan dat ik je niet schrijf. (…) Ik had nog een heleboel te schrijven, ik zal eens een dag er voor uittrekken en uitvoerig antwoorden op de verschillende vragen die je me in diverse brieven hebt gesteld en de commentaren geven die verschillende dingen die je schreef in mij hebben opgeroepen, over literaire onderwerpen voornamelijk.’ (17 november 1965) Daarna volgt inderdaad een lange brief, waarop Hermans ook antwoordt met een lange brief en die zorgt voor veel intellectuele opwinding in huize Kousbroek. Maar die is niet van lange duur: ‘Daarna zak ik weer langzaam naar mijn gewone niveau terug waarin ik zelfs tegen het schrijven van een simpele brief opzie als tegen een huis.’ (15 december 1965) In 1966 krijgt hij Nooit meer slapen te lezen. In een brief laat hij Hermans weten later nog in detail te zullen berichten wat hij ervan vindt. Voorlopig volstaat hij met een opmerking over een drukfout. ‘Ik vond een drukfout, zoals ik aan Emmy al vertelde. Ik dacht dat ik hem dadelijk terug zou vinden maar dat viel tegen. Het is, heb ik in mijn hoofd, een au in plaats van een ou, onderaan een recto pagina, tegen het eind.’ Hermans reageert met een sarcastisch ansichtkaartje: ‘Ik ga een tweede deel maken bij Nooit meer slapen: Alfred geeft het eerste deel ter lezing aan zijn vriend en deze, na 6 weken studie, bericht er niets anders over dan dat er 1 drukfout in staat.’

    De sfeer tussen de mannen blijft echter goed. Dat verandert als eind jaren zestig Hermans Kousbroek meesleept in een van zijn vele vetes. Kousbroek moet dan van zich afbijten om zijn zelfstandige positie te behouden. Het duurt dan wat langer voordat ze pen weer opnemen. De vertrouwdheid lijkt een beetje weg. Uiteindelijk komt er een nieuw conflict rond de polemiek die Hermans met Renate Rubinstein voerde over de kwestie Weinreb. Kousbroek kiest niet echt positie, Hermans maakt een foute grap over het kampverleden van Kousbroeks vader en de vriendschap is in 1971 voorbij. In een interview dat bezorger Willem Otterspeer achterin het boek heeft opgenomen, zegt Kousbroek dat hij nog wel eens terugverlangt naar het verleden. Hij mist: ‘Zijn geest. Zijn kennis, zijn belezenheid. Ik bewonderde zijn energie, zijn vasthoudendheid.’ Je krijgt wat medelijden met Hermans. Hij had al niet veel vrienden en nu is hij zelfs de vriend kwijt die zijn passies deelde. Voor mensen die vorig jaar een beetje teleurgesteld waren in de briefwisseling met Reve: dit deel is zeer de moeite waard.

     

    Willem Frederik Hermans, Rudy Kousbroek en Ethel Portnoy, Machines en emoties.

    De Bezige Bij, Amsterdam, 416 blz., €27,50

  • Recensie Esther Verhoef – Erken mij

    Clichés en veelbetekenende puntjes

    Wie gratis boekjes in zijn bezit wil hebben, kan terecht bij de CPNB. In het voorjaar krijgt hij het Boekenweekgeschenk van deze organisatie, in het najaar het Kinderboekenweekgeschenk en in de junimaand het geschenk dat uitgegeven wordt ter gelegenheid van de Maand van het Spannende Boek. Bij de eerste twee geschenken kiest men altijd goede schrijvers, bij het laatste geschenk een goed verkopende schrijver. Zo zagen we al eerder Saskia Noort een niemendalletje afscheiden. Dit jaar is het de beurt aan Esther Verhoef, een van de schrijfsters die het woord ‘literaire’ voor ‘thriller’ laat zetten op het omslag.

    Het negentig bladzijden tellende boekje gaat over Daphne die met haar psycholoog een weekendje naar Parijs gaat als afsluiting van de therapie. Dat kan niet goed gaan. De therapeut is vooral geïnteresseerd in een verkrachting tijdens haar jeugd. Zij is vooral geïnteresseerd in de therapeut, Etienne Segers, liefhebber van mountainbiken en tai chi. Die hobby’s doen er niet zo toe, maar Verhoef meldt ze als karaktertekening. Het romantische weekendje wordt een beetje verstoord door een agressieve man, de vriend van een ex-patiënte. Dat zijn de ingrediënten voor deze ‘literaire thriller’.
    Wat is er nu zo literair aan? het verhaal geeft weinig aanleiding tot de extra toevoeging ‘literaire’. De structuur is ook niet lastig te doorgronden. Na een korte inleiding waarin we al veel bloed tegenkomen en een radeloze vrouw in een hotelkamer gaan we terug in de tijd (twee dagen) en volgen we het verhaal chronologisch tot we bij die bloederige scène zijn aanbeland.
    Misschien zit het literaire in de stijl: de zinsconstructies en de woordkeuze. Ik zal me er niet met een jantje-van-leiden afmaken en om de vijf pagina’s een zin van de bladzijde plukken en die onderzoeken op het literaire gehalte.

    ‘Ik klauw in het tapijt, grijp in de vezels, wanhopig, alsof alleen het contact met de vloer me kan weerhouden om terug te schuiven in de diepe, donkere, waanzinnige duisternis waaruit ik net ben ontsnapt.’ (blz. 5)

    Les 1 van de cursus creatief schrijven: ‘Show, don’t tell.’ Die les heeft Verhoef overgeslagen. Hier heb je een vrouw die in een tapijt aan het klauwen is en wij als lezer zouden nog kunnen denken: wat is ze leuk aan het spelen. Verhoef preciseert het nog: er wordt in de vezels gegrepen. Misschien zijn er dan nog een paar lezers over die denken: wat leuk, vezeltje grijpen, dat deed ik vroeger ook, maar die komen van een koude kermis thuis, want Verhoef vervolgt met ‘wanhopig’. Let ook nog even op de waanzinnige duisternis (het was zo waanzinnig duister), duisternis die ook nog donker is.

    ‘Toch is het slechts een deel van het plaatje.’ (blz. 10)

    Deze zin is niet ironisch bedoeld. Modieus taalgebruik. Er is dus ook een ander deel van het plaatje.

    ‘Ik visualiseer mezelf in die kuip, samen met Etienne, onze lichamen nat en glanzend in het lamplicht, champagne binnen handbereik.’ (blz. 15)

    Daphne is opeens aan het visualiseren. Ze heeft zich net staan opmaken in de badkamer en dan ziet zij de jacuzzi die in de volgende zin al een gewone ‘kuip’ wordt. Die romantische visualisatie is vast bedoeld om de lezer het gevoel te geven dat het waarschijnlijk niet zo zal lopen. Je kunt van alles visualiseren, maar realiseren is een tweede. Leuk detail: als je in de jacuzzi zit, dan wordt je lichaam nat. Verhoef zet het er maar vast bij om haar lezers te gerieven. Die zouden anders kunnen denken: gaan ze zomaar in de droge jacuzzi zitten, wij zouden eerst de kranen opendraaien.

    ‘Ik probeerde contact te krijgen met Etienne, maar het is alsof hij een muur om zich heeft opgetrokken. Zijn blik is op de muur achter me gericht en zijn ogen flitsen onrustig heen en weer, alsof hij een uitweg zoekt.’ (blz. 20)

    Twee zinnen maar liefst. We slaan de clichés even over en bekijken de bouwconstructie. Kan iemand die net een muur om zich heeft opgetrokken, kijken naar een muur achter jou?

    ‘Er is geen touw vast te knopen aan het gesprek dat hij voert met de hotelreceptie.’ (blz. 25)

    Als we het cliché even overslaan: Etienne praat hier Frans.

    Ik geloof dat ik huil, maar geluidloos. Ik klauw om me heen, op zoek naar iets, naar houvast.’ (blz. 30)

    We slaan de clichématige eerste zin maar even over. We zitten midden in een traumatische jeugdervaring. Ook de jonge Daphne is al aan het klauwen. Ze is op zoek naar iets. Had ze toen maar een tapijt met vezels gehad.

    ‘Ik haal mijn neus op en veeg mijn tranen rillerig weg met de rug van mijn hand.’ (blz. 35)

    Wees niet bang, we zijn een paar huilbuien verder. Bij dit soort zinnen stel ik me altijd de filmversie voor: hoe Kim van Kooten haar snot opsnokt en dan rillerig aan het vegen gaat.

    ‘Ik wend mijn gezicht af.’ Een halve pagina verder: ‘Etienne heeft zijn gezicht afgewend en ik heb geen idee wat ik moet zeggen of doen.’ (blz. 40)

    Ik zou zeggen: wend je gezicht dan ook maar weer af.

    ‘Ik wil hier op bed gaan liggen, elkaar kaas en druiven en walnoten voeren…en ik wil nog veel meer.’ (blz. 45)

    Karbonades, taartjes, schorseneren? Of bedoelt Verhoef wat anders (wink wink)? Verhoef heeft in deze zin last van de drie veelbetekenende puntjes. Vooral amateurschrijvers hebben er last van… Die denken dat een tekst spannender wordt…als je er maar puntjes…in zet. Maar wij weten wel beter…

    ‘Ik zal het vertrouwen dat je in me stelt, nooit beschamen, Etienne. Echt niet. Nooit.’ (blz. 50)

    Ook de les dialogen schrijven heeft Verhoef overgeslagen. Ik ken die Daphne: die zou zo’n zin nooit uitspreken. Dat ‘Echt niet. Nooit.’ dat is haar taal.

    ‘Vind je het niet…belastend? dat juist jij degene bent die…’ (blz. 55)

    Daar heb je de puntjes weer.

    Ik zou het vreselijk vinden als zou blijken dat ik het misschien…’ (blz. 60)

    Daar heb je de puntjes weer.

    ‘Ik voel zijn opwinding groeien tegen mijn onderbuik.’ (blz. 65)

    In de volgende zin kiepert ze hem alweer uit het bed, maar dit is toch een mooie, erotische en plastische zin. Wat er groeit en ons altijd weer boeit. Wat voel ik nu aan mijn onderbuik groeien? Getverdemme: zijn opwinding!

    Onbelangrijk…’ (blz. 70)

    Daar heb je de puntjes weer.

    ‘Het zal me weinig inspanning kosten om straks in de auto in slaap te vallen. Want praten met Etienne is een gepasseerd station.’ (blz. 75)

    Mooie combinatie van zinnen dankzij dat modieuze gepasseerde station en die autorit. Praten in de auto is een gepasseerd station.

    ‘Ik hoor schreeuwen, diep vanbinnen, dat overgaat in waanzinnig krijsen, tot de angst lijkt te exploderen en zich in miljoenen deeltjes razendsnel door mijn hele lichaam verspreidt.’ (blz. 80)

    Al eerder schreef ik dat ze die eerste les van creatief schrijven heeft overgeslagen. Toch zou ik ook hier graag de filmversie zien met die exploderende angst in het lichaam. Misschien ziet dat eruit als Popeye die net een blik spinazie naar binnen heeft gewerkt.

    ‘Is dit wat ik denk? Heeft hij je…?’ (blz. 85)

    Daar heb je de puntjes weer.

    ‘De blik die ik een onthutste Etienne toezend, is ijskoud.’ (blz. 90)

    En hoppa, weer een cliché.

    Tijd om een dikke zwarte viltstift te pakken en het woord ‘literaire’ door te strepen op de flap.

    Coen Peppelenbos

    ESTHER VERHOEF: Erken mij. CPNB, 91 blz. gratis geschenk in de Maand van het Spannende Boek bij aankoop van boeken voor minimaal €12,50.

  • Recensie Tommy Wieringa – Caesarion

    Het permanente karakter van vernietiging

    In elke recensie over Caesarion, de nieuwe roman van Tommy Wieringa, wordt de voorganger genoemd, Joe Speedboot. Dat boek kwam net als zijn hoofdpersoon als een meteoriet de Nederlandse letteren binnen en is er sindsdien ook niet meer uit weg te denken. Een everseller hoort die roman vol dromen en beweging te zijn.

    Hoe kom je als schrijver over dat succes heen? Wieringa heeft het zichzelf in ieder geval niet gemakkelijk gemaakt en heeft geen kloon gemaakt van zijn succesboek. Integendeel zelfs. Waar in Joe Speedboot constructie, actie en beweging motieven zijn vind je in Caesarion het tegenovergestelde: destructie, inertie en afbraak. Of zoals de vader van hoofdpersoon Ludwig Unger op het einde van het boek zegt: ‘Alleen de vernietiging heeft een permanent karakter.’
    Die vader is overigens de grote afwezige in het boek, want de moeder van Ludwig Unger wordt al vroeg in de steek gelaten in Alexandrië door haar man, een kunstenaar. Via het noorden van Nederland, waar haar gelovige zus woont die haar leven afkeurt, trekt ze met haar zoon door naar de rotsige gronden van Engeland. Ze verblijven daar net zo lang tot de erosie de rotsen afkalft en hun huis in de afgrond sleurt. De titel van het eerste deel is dan ook ‘Erosie’ en deze grondtoon van afbraak en neergang verlaat het boek niet meer. Die vind je niet alleen terug in de fysieke zaken die teloor gaan of verloren raken, maar ook in de psychologische verhoudingen tussen de personages. De omgang tussen moeder en zoon wordt stroever als hij ontdekt dat zij als pornoster gewerkt heeft. Als ze om weer aan geld te komen haar oude werk weer oppakt in Amerika dan kan de zoon nog slechts minachtend met haar omgaan. Toch blijft hij bij haar, om haar in de gaten te houden. Als zijn moeder naar Europa gaat, volgt hij gedwee, ondanks dat hij volwassen is en een verhouding heeft met een meisje.

    Het gevaar dreigt dat ik het hele verhaal ga navertellen en dat moet niet. We moeten naar een oordeel toe. De adrenalinestoot die je bij het lezen van Joe Speedboot kreeg, blijft hier uit. Dat komt omdat Caesarion veel weerbarstiger is. Bleef Joe Speedboot beperkt tot één plek, in Caesarion gaan we van Engeland, naar Alexandrië, naar de provincie Groningen, naar Engeland, naar Amerika, naar Wenen, naar Praag, naar allerlei exotische plekken, opnieuw naar Groningen en tenslotte naar Zuid-Amerika. Volgens mij is dat een constructiefout in de roman. Alhoewel elke plek zijn eigen symboliek meeneemt, vraag je van de lezer telkens weer zich in te leven in een nieuwe omgeving. Bovendien hoorde ik in de stukken die in Wenen en Praag spelen meer de stem van Wieringa (die we kennen uit zijn reisverhalen) dan die van Ludwig Unger.
    Het lijkt ook wel of er per plek een verhaal verteld wordt dat een eigen roman verdiend had. De personages schreeuwen om meer bladzijden. De weerbarstige Warren die in tevergeefs een kuststrook probeert te bouwen om de erosie tegen te gaan; de tante en oom in Groningen, star en stuurs, maar uiteindelijk ook liefdevol; de trouwhartige Sarah met wie Ludwig een verhouding krijgt; de vader die in de jungle een berg aan het vernietigen is. Bij iedereen wil je meer weten. Je zou willen dat Tommy Wieringa Caesarion beschouwde als een oerboek waaruit minimaal een trilogie te halen valt of nog meer delen zoals Simon Vestdijk deed met zijn Kind tussen vier vrouwen.
    Caesarion zit mij te vol. Teveel personages, teveel motieven en thema’s. Er wordt óók een oedipaal verhaal verteld, waarbij de liefde voor de moeder alleen maar blijkt uit de leeftijd van de vrouwen die Ludwig mee naar bed neemt. Tegen zijn eigen moeder blijft Ludwig bitse en afkeurende opmerkingen maken. Er wordt óók een verhaal verteld over het gevaar van alternatieve genezers die voorkomen dat de moeder zich onderwerpt aan de medische wetenschap om haar kanker te genezen. En zo worden er meer verhalen verteld. Ook kleine lijnen in het verhaal, zoals de verloren grandeur van steden als Wenen en Praag, waar de oude cultuur aan het afsterven is, roepen om meer, meer, meer. In Caesarion zit een geniale cyclus verborgen.

    Het kan ook zijn dat de leeservaring van Joe Speedboot mij teveel in de weg zit. Dat er nog enkele jaren overheen moeten gaan om Caesarion goed te kunnen beoordelen. Dat je nog te vol bent van een oude geliefde om een nieuwe geliefde toe te staan.

    Coen Peppelenbos

    TOMMY WIERINGA: Caesarion. De Bezige Bij, Amsterdam, 366 blz. €19,90 (€24,90 hardcover).

  • Meneer Peppe leest meneer Foppe

    Meneer Peppe leest meneer Foppe

    Op de dag dat de schrijver van Meneer Foppe & de hele reutemeteut naar Groningen reisde voor een signeersessie, reisde meneer Peppe naar het midden van het land voor een belangrijke conferentie over literatuuronderwijs. Op die conferentie kwamen allemaal geleerde mensen. Meneer Peppe was altijd bang dat de naam Bourdieu zou vallen. Hij had eerder in de jury van een poëziewedstrijd gezeten en tot zijn schande niet geweten wat een ‘villanelle’ was. Thuis zocht hij het woord op om de betekenis daarna onmiddellijk weer te vergeten. Tussen meneer Peppe en de villanelle zou het nooit wat worden.

    Meneer Peppe hield van de trein, want daar kon hij ongestoord lezen. Het liefst de eerste klas, want in de tweede klas waren de mensen rumoeriger. De eerste klas was beschaafder en liep minder snel vol. Met enig geluk had meneer Peppe een klein coupeetje voor zichzelf. Dat geluk had meneer Peppe helaas niet. In elke stiltecoupé zaten mensen. Een coupé voor jezelf was een luxe, maar een kleine coupé met een ander persoon was een kruistocht. Elk snufje of kuchje hoorde je. Bovendien had meneer Peppe altijd de pech dat zijn medepassagier een appel ging eten. Dat verscheurende geluid van een stuk appel dat wordt weggebeten, nagalmend in de mondholte, terwijl het sap tegen de keel spatte, maakte meneer Peppe direct misselijk. Was het eten van een appel al een beproeving, nog erger was de zoet-weëe geur van het klokhuis dat lag weg te rotten in het prullenbakje en het geluid van de tong met speeksel dat de resten appel tussen de tanden probeerde weg te slissen. Of nog erger: een medepassagier die de resten appel met zijn vingers uit zijn gebit ging grutten. De medemens was meneer Peppe een gruwel en daarom liep hij door naar de grote coupé.

    Ook daar was het redelijk druk. Meneer Peppe hield van een plek bij het raam en een tweezitsbank, het liefst zonder een passagier achter je. In het hoekje dus, maar daar zat al iemand. Hij kon kiezen tussen een eenzitsbank, maar dan liepen er de hele tijd mensen vlak langs je, of een tweezitsbank met een kuchende man als achterbuurman. Omdat de Mexicaanse griep net fase vijf was ingegaan, nam hij plaats op de eenzitsbank. Daar scheen de zon echter zo fel, dat hij zeker wist dat hij twee uur later als een gestoofd peertje de trein uit zou komen zonder dat hij in staat geweest was om maar één letter in Meneer Foppe & de hele reutemeteut te lezen. Hij pakte zijn jas en ging toch maar op de tweezitsbank zitten. De kuchende man had intussen een handvol salmiakdropjes in zijn mond gepropt en meneer Peppe rook de geur ervan, maar beter de geur van gom dan de vrijelijk rondzwevende griepbacillen. Hij sloeg het boek Meneer Foppe & de hele reutemeteut open en begon te lezen.

    In Assen kwam een ouder echtpaar de coupé binnen. Meneer Peppe keek snel naar buiten. Voordat je het wist begonnen oudere mensen te praten. Gelukkig liepen ze door. Het duurde niet lang voordat zij ontdekt hadden dat er in de kleine stiltecoupés geen plek meer was voor hen. De oude mevrouw nam nu plaats op de eenzitsbank bij het raam waar meneer Peppe eerder had gezeten. De man wurmde zich naast meneer Peppe. Vol schrik bedacht meneer Peppe wat hij moest doen. Als hij zou ruilen met de oude mevrouw dan zat hij weer op die warme plek bij het raam en kon hij het lezen wel vergeten, maar als hij zou blijven zitten dan zou het echtpaar over het gangpad heen een gesprek met elkaar beginnen waarbij de oudere mevrouw hard moest praten, zodat meneer Peppe alsnog gestoord werd. Erger nog dan dat was de mogelijkheid dat de oude meneer een gesprek met hem begon of hem zou aanraken met zijn elleboog.

    Meneer Peppe stelde voor om te ruilen. Het echtpaar was hem erg dankbaar en zo zat meneer Peppe bij het raam te smoren tot Amersfoort met toch het gelukkige gevoel dat hij een goede daad had verricht.

    In het boemeltje naar Lunteren had hij de hele eersteklascoupé voor zichzelf, maar een collega uit Leeuwarden, mevrouw G., stoorde hem bij het lezen. Mevrouw G. nam altijd een tweedeklaskaartje ondanks dat de reizen vergoed werden. Het had met haar jeugd te maken. Hij ging met mevrouw G. naar de tweedeklascoupé waar gelukkig niet zoveel mensen zaten. In de gauwigheid had meneer Peppe het exemplaar van Meneer Foppe & de hele reutemeteut verwisseld voor Alleen maar nette mensen van Robert Vuijsje. Dat was literatuur waarmee je voor de dag kon komen. Ook voor mensen die Bourdieu kenden. Mevrouw G. had net de nieuwste Tommy Wieringa gekocht. Meneer Peppe verheugde zich op het moment dat hij verder kon lezen in Meneer Foppe & de hele reutemeteut. Het was vrij stil in de tweede klas. Aan de overkant van het gangpad zat een vrouw, ze las een boek met de titel Waar is God?

    Coen Peppelenbos

    Wim de Bie – Meneer Foppe & de hele reutemeteut (met cd). De Harmonie, Amsterdam, 160 blz. €17,50.

  • Een karikatuur van de werkelijkheid

    Twee weken geleden ontving Robert Vuijsje de Gouden Uil voor zijn in 2008 uitgekomen roman Alleen maar nette mensen. Juryvoorzitter Guy Mortier verwoordde in het juryrapport de mening van de juryleden aldus: ‘Dat alles overtuigend gestalte gegeven in de onmogelijke zoektocht van een witte ‘liegman’ naar de ‘intellectuele negerin’ als allerhoogste ideaal, in Nederlands dat swingt als een Afrikaanse tiet,
    een ritme dat strakker zit dan een zwarte bil in een te kleine luipaardlegging,
    en dialogen die knetteren als de op hol geslagen bedrading in verhitte hoofden.’ Voor de bekroning hoorde je eigenlijk nauwelijks kritiek op het boek, maar nadat Vuijsje de envelop met 25.000 euro in ontvangst had genomen, zwol de kritiek aan.
    Vooral zwarte vrouwen zochten de media op en beschuldigden de schrijver van racisme en discriminatie; soms werd voornamelijk de juryvoorzitter of een tv-interviewer aangevallen omdat er verkeerd uit te leggen woorden waren gebruikt.
    Laten we nog eens gaan kijken volgens welke regels er gediscussieerd dient te worden. Sinds Willem Frederik Hermans geruchtmakende proces rond Ik heb altijd gelijk bestaat in Nederland de algemeen geldende regel dat een schrijver niet verantwoordelijk is voor de daden en de uitspraken van zijn personages. Deze regel kan vrij breed uitgelegd worden. Ook de strekking van de roman mag wat mij betreft racistisch, seksistisch of homofoob zijn. Je kunt dan nog wel met een moreel oordeel een boek verwerpen, maar dat oordeel moet vooral je eigen opvattingen weergeven; wat nooit mag is het bestaansrecht van een boek ter discussie stellen.
    Een schrijver is ook niet verantwoordelijk voor foutieve lezingen. Als een witte man na lezing van het boek een foute opmerking maakt tegen een zwarte vrouw, dan geeft dat vooral de domheid weer van de witte man; de schrijver kan niet voorkomen dat er overhaaste conclusies getrokken worden door slechte lezers.
    Wat me vooral opvalt aan de kritiek van enkele zwarte vrouwen is de gretigheid waarmee ze gekwetst willen worden en de onwil om de uitspraken die zij citeren in een breder literair verband te zien. Alleen maar nette mensen is van voor naar achteren een sarcastisch, bij tijd en wijle cynisch boek. Vuijsje gebruikt karikaturen, maar bij de constructie van de roman geeft hij al direct in het begin aan dat hij deze karikaturen bewust inzet: op bladzijde 8 tot en met 10 lezen we onder het kopje ‘De multiculturele samenleving’ een ellenlange opsomming van allerlei vooroordelen van zo’n beetje elk bevolkingsdeel over een ander. Daarmee zet de schrijver de toon voor zijn boek. Alles wat je daarna leest over David en zijn verlangen naar een intellectuele negerin moet je dus binnen dat sarcastische wereldbeeld plaatsen.
    Als je de roman redelijk objectief bekijkt, dan zie je dat er met positief verlangen wordt gekeken naar wat er in de wat ik nu maar even globaal de zwarte gemeenschap noem gebeurt. Veel harder is de hoofdpersoon over zijn eigen links intellectuele milieu, waarin men de eigen racistische opvattingen probeert te verbloemen evenals de ouderwetse seksistische ideeën. De vader van David is verantwoordelijk voor een actualiteitenprogramma (‘het enige fatsoenlijke programma op de vaderlandse televisie’) en als hij samen met de hoofdredacteur van een kwaliteitskrant en de beroemde columnist vergadert, dan moet moeder in de tussentijd wel broodjes klaar maken.
    Alleen maar nette mensen is vooral een clash van culturen waarbij de excessen die Vuijsje beschrijft (bijvoorbeeld seks in garageboxen in de Bijlmer) wel degelijk voorkomen. Iedere weldenkende lezer zal binnen de opzet van deze roman niet denken dat dus alle zwarte vrouwen zich laten nemen in garageboxen. Wie dat wel doet, heeft helaas een nogal beperkte opvatting van literatuur. Dat zijn mensen die na het lezen van Pinkeltje in de tuin voorzichtig rondstappen opdat ze niet op een kabouter stappen.
    Het is jammer dat de discussie niet over de wezenlijke zaken gaat in de lachspiegel die Vuijsje ons voorhoudt: de harde manier van met elkaar omgaan in grote delen van de Bijlmer; de schijnheiligheid van het links intellectuele milieu. Het is makkelijker om een schrijver aan te vallen, dan om in een karikatuur de werkelijkheid onder ogen te zien.

    COEN PEPPELENBOS

    ROBERT VUIJSJE: Alleen maar nette mensen. Nijgh & Van Ditmar, Amsterdam, 286 blz. €16,50.

  • Recensie G.J. Wielinga – Schaduwland

    Homoliteratuur op AVI 6-niveau

    G.J. Wielinga, dat klinkt net zo voornaam als A.L. Snijders of W.F. Hermans, maar als je de auteursfoto van een broeierige kijkende Wielinga in zijn blote bibs, hurkend in de kamer, op de achterflap ziet dan valt het met die voornaamheid wel mee. Schaduwland heet zijn vorig najaar uitgekomen roman.
    De hoofdpersoon heet Wolf (knipoog naar Reve) die brieven of mails schrijft aan een oude geliefde die Tijger heet (knipoog naar Reve). Die brieven en mails hebben raar genoeg wel hoofdstuktitels. Ze gaan voornamelijk over de grote liefde van Wolf en dat is Thomas. Helaas zit Thomas nog vast in een andere relatie, dus bestaat het grootste deel van de roman uit geweeklaag.
    Wolf werkt op een soort communicatiekantoor, maar wat ze op dat kantoor precies doen, wordt niet helemaal duidelijk. Wolf is ook schrijver en hij dekt zich alvast in tegen de mogelijke kritiek: ‘Het schijnt dat in het [sic, cp] alle taalgebieden behalve het Nederlandse gebruikelijk is dat wat de schrijver schrijft heilig is. Maar omdat er hier te veel taal- en letterkundigen op te weinig vierkante kilometers rondlopen, kan ik dat wel vergeten. Hoe goed mijn taal ook is, er zullen altijd mensen zijn die beter weten hoe ik me zou moeten uitdrukken.’
    Tja, als letterkundige heb ik inderdaad veel zinnen opgeschreven die ik niet goed geformuleerd vond. Ik heb het dan nog niet eens over modieus taalgebruik, zoals mensen die ‘een drankje gaan doen’ of de hoofdpersoon die zegt ‘Ik blijf mijn ding doen en jij het jouwe.’ Ik zal het ook niet hebben over de ellenlange pagina’s vol elliptische zinnen. Nee, ik citeer gewoon een aantal zinnen met spelfouten, stijlfouten, verwijsfouten, grammaticale fouten en clichés. Ik stoor me eraan als ik deze zinnen lees, maar misschien ben ik wel een verzuurde recensent. Als je niets opvalt, moet je Schaduwland vooral kopen.
    – Afgelopen zaterdag troffen we elkaar in de Unk en omdat het echt heel saai was en wij te hitsig, zijn we naar mijn huis gegaan.
    – Je kent mijn stem en het liedje wat ik in mijn hoofd had was een superkitsch nummer van John Denver.
    – Is het je opgevallen hoeveel van het nieuws in de kranten terugverwijzen naar andere media, en dan vooral de tv?
    – Welke gevoelens zich tussen Thomas en mij afspelen, gaan uiteindelijk alleen Thomas en mij aan.
    – Sinds ik jou ken is alles onbelangrijk geworden.
    – Ik ga niet bedelen voor de liefde.
    – Ik ben niet de hele tijd het zonnetje in huis, maar probeer het hard te zijn.
    – Het fijnste van het kantoorleven zijn de grote hoeveelheden koffie en de vreemde humor die ontstaat als je met drie mannen in een ruimte zit van vijftig vierkante meter.
    – tv uitzending
    – De aarde onder me splijt in tweeën, in ieder geval boor ik een gat in de grond om mezelf in mezelf te krijgen en de wereld te vergeten.
    – Het wordt lastiger te zijn wie ik dacht die ik was.
    – Niemand weet waar we vandaan komen. Niemand weet waar we naartoe gaan.
    – Zo veel dat ik, als de inktzwarte wolken weer over komen drijven, overspannen in mijn bed lig. (…) De zwarte wolken worden steeds donkerder en krachtiger.
    – Albert Heyn
    – Als uitvloeisel van zoveel toeval, zeg maar, als eindstation van al die tijd tussen het begin en nu, ben jij het enige dat nog telt.
    – De zon staat pal in mijn gezicht.
    – Voor mijn part doen we dit nog miljoenen keren, als in dat we worden geboren als we doodgaan.
    – Zo leeg een vol leven kan zijn, zo vol was het zijne.
    – De wijzers halen elkaar in, met een eindeloze regelmaat. [dit kan volgens mij niet eens, cp]

    Natuurlijk had een redacteur hier moeten ingrijpen, maar ik vermoed dat er geen redacteur op de uitgeverij rondloopt. Waarschijnlijk brengen ze het hele manuscript direct naar de drukker. Zelfs fouten met liggende streepjes komen voor. Daarnaast is er met de interlinie gerommeld: sommige pagina’s zijn heel dichtbedrukt, andere weer niet.
    Tot slot doe ik nog even een moeilijkheidsproef op bladzijde 50 en 100: het aantal woorden gedeeld door het aantal zinnen. Ik heb er op gelet dat ik niet de bladzijde heb gepakt waarop de zin ‘Delete.’ zo’n honderd keer voorkomt.
    Bladzijde 50 telt 33 volledige zinnen met gemiddeld 8,6 woorden per zin. Bladzijde 100 telt 30 volledige zinnen met gemiddeld 8,1 woorden per zin. Zo’n 8 woorden per zin: dan schrijf je op AVI 6-niveau (groep 5 van de basisschool). Laten we tot besluit die ene zin nog eens herhalen: ‘Hoe goed mijn taal ook is, er zullen altijd mensen zijn die beter weten hoe ik me zou moeten uitdrukken.’ Dat klopt.

    Coen Peppelenbos

    G.J. WIELINGA: Schaduwland. Uitgeverij Lemmens, Valkenburg aan de Geul, 154 blz. €16,95.
    Deze recensie verscheen eerder op Literair Nederland, 5 mei 2009.

  • Nieuwe roman Nelleke Zandwijk – Pierenland

    Donderdag 16 april verschijnt Pierenland, de nieuwe roman van Nelleke Zandwijk. Die dag wordt het boek feestelijk gepresenteerd in Boekhandel Athenaeum in Amsterdam tussen 17.00 en 19.00 uur.

    Over Pierenland
    Als de trage Tonnie zijn moeder levenloos onder aan de trap vindt, weet hij niets beters te doen dan naar zijn kamer te gaan en te wachten tot er iemand thuiskomt. ‘Mijn moeder is twee keer gevonden. Eerst door mijn broer en daarna door mijn vader.’ Aan het woord is Helena Hartsuiker, dertien jaar, die zich na dit ongeluk met zo’n razernij tegen de wereld keert dat ze Tonnie de stuipen op het lijf jaagt. Hij besluit om voor altijd in bed te blijven. Hun tante probeert het gezin overeind te houden, maar wanneer hun vader al snel troost vindt in de armen van een nieuwe vrouw beseft Helena dat zij er alleen voor staat.
    Pierenland is een droefgeestig maar komisch verhaal over een meisje uit een kansarm gezin.

    Nelleke Zandwijk (1961) is schrijver en beeldend kunstenaar. Zij debuteerde in 2001 succesvol met de roman De dag van de jas, die vier keer herdrukt werd. In 2005 volgde Avonturen van een uitslover.

    Lees meer op www.querido.nl en op www.athenaeum.nl