• Stadse affaires, Rascha Peper

    Renaissance van de milde toon

    Een van mijn favoriete Nederlandse schrijvers is Rascha Peper. Ze heeft een onnadrukkelijke stijl, maar haar personages hebben altijd wel psychologische diepgang en de spanning in haar boeken maakt dat je altijd door wilt lezen. Kom daar nog maar eens om. Na haar dikke roman Wie scheep gaat publiceerde ze de novelle Verfhuid, bij haar nieuwe uitgever: Nieuw Amsterdam. Onlangs verschenen daar ook haar columns, die eerder verschenen in Nrc Handelsblad, onder de titel Stadse affaires.
    Verwacht bij Peper niet de cynische toon van de doorsnee columnist, verwacht geen harde politieke analyses; Peper kijkt met een nuchter-ironische blik naar de wereld om haar heen. Dat moet je vooral letterlijk nemen. Een zwerver in New York die vraagt of ze een affaire met hem wil beginnen. Haar zoon die een film wil opnemen in huis. Neukende eekhoorntjes in haar blikveld als ze zit te werken.
    Ik zou niet precies kunnen zeggen waarom deze columns me amuseren en ontroeren. Misschien omdat ze de onderwerpen in haar columns ook niet groter maakt dan ze zijn. Eerder het tegendeel. Als ze (Peper woont een tijdlang in New York omdat haar man daar als diplomaat werkt) plotseling een lichte ‘stroke’ krijgt, beschrijft ze haar gang naar het ziekenhuis en haar revalidatie thuis met veel zelfspot. ‘In Nederland zeggen ze nu: ’t is ook geen wonder, het waren altijd al van die beroerde boeken die ze schreef.’
    Interessant zijn ook de columns waarin ze ons een kijkje achter de schermen biedt van het schrijven. ‘Wat gebeurt er met de personages van een roman-in-wording als de schrijver uitvalt?’ Dat is inderdaad zo’n vraag die je je stelt als de schrijfster tijdens het maken van Wie scheep gaat getroffen wordt door een beroerte. Peper geeft ons het antwoord, opnieuw op de nuchtere manier.
    In een column die ze een paar jaar later geschreven heet wordt duidelijk dat de schrijfster ter voorbereiding van Verfhuid (dat gaat over een kunsthandelaar) veilingen afloopt en zelfs gaat meebieden.
    Het zijn geen wereldschokkende columns, maar wat zou dat? Ik heb echter een bezwaar: het boek is zo uit. Ik had veel meer van deze columns willen lezen. Van mij mag er elk jaar zo’n bundel uitkomen. Misschien krijgen we dan ook een renaissance van de milde toon. Na het lezen van Stadse affaires kwam ik er achter dat ik daar enorm veel behoefte aan had.

    COEN PEPPELENBOS

    RASCHA PEPER: Stadse affaires. Nieuw Amsterdam, Amsterdam. 

  • De achterblijver, Yves Petry

    Flauw of niet, de namen van de hoofdpersonen in de vierde roman van Yves Petry, De achterblijver, laten geen misverstand bestaan over de verhouding tussen vader en zoon. Hoofdpersoon Gram Goetleven lijkt niet erg ontdaan door de dood van zijn vader Zak, die als gevolg van syfilis alleen nog maar in een culinair en seksueel universum lijkt te hebben geleefd.

    Gram is een cynische jongeman die niet in de toekomst van de mensheid gelooft. Dat wil zeggen, hij gelooft niet meer in de menselijke intelligentie en de ontwikkeling daarvan. Onder de hoede van het afdelingshoofd dr. Miami van het internationale bedrijf Carnitec werkt Gram mee aan de ontwikkeling van een supercomputer, ironisch Baby genoemd, met het vermogen tot zelfontwikkeling en krachtvermeerdering. De hoogste vorm van intelligentie, waar het menselijk brein niet aan zal kunnen tippen. De mens zal een achterblijver worden. Hoe? Waarom? Waartoe? In de woorden van dr. Miami: Baby is ‘gewoon de ultieme overlevingsmachine, een onomkeerbaar buitenwaarts gerichte intelligentie die van zijn oorsprong alleen dat meeneemt wat hem in staat stelt zich voorgoed van deze oorsprong te verdoen.’ Baby is het antwoord op de niet-biologische roeping van de mens. De wil om een niet-biologisch dier te zijn. Die tweestrijd tussen mensheid en techniek is een bekende oude filosofische discussie, maar wordt door Petry in een fantastisch proza gegoten.

    De roman begint met de mededeling dat Gram de openingsspeech van het jaarlijkse colloquium van Carnitec in Texas mag houden. Deze speech over de nieuwe toekomst zal de hele vlucht naar Amerika en daarmee het hele boek lang echter niet geschreven worden. Tijdens alle pogingen daartoe (‘dames en heren’), wordt hij afgeleid door zijn eigen verleden. De herinneringen aan zijn vader en moeder zitten hem dwars. De afleiding wordt verergerd wanneer hij in het vliegtuig niet naast de inspirerende dr. Miami, maar naast de personificatie van de mensheid (en daarmee de tegenstander van dr. Miami en Gram) dr. Valeria Bitschkowa komt te zitten. Zij vervangt dr. Miami; een teken aan de wand van de beginnende aftakeling van Grams utopie. Door de begrafenisbeslommeringen en het feit dat Grams vader zijn eigen computer gemold heeft, heeft Gram geen bericht hierover ontvangen. Later blijkt dat de dr. Miami aan wie Gram zoveel eigenwaarde ontleent, door heel Carnitec uitgekotst wordt vanwege zijn grote praatjes waarmee hij de investeerders in het project wegjaagt, maar dat hij zelf weinig praktische en effectieve inbreng meer levert.

    Heen en weer geslingerd tussen verleden en toekomst, tussen waarheid en onwaarheid verliest Gram de grip op zichzelf en belandt in een soort identiteitscrisis. Een status van apathie waarin hij nergens meer toe in staat lijkt, net als een baby. Zijn ideaal, zijn toekomstdroom is aangetast, juist door datgene wat hij als het onvermogen van de mens zag: het zelfbewustzijn, emoties en intermenselijke verbanden. De banden met zijn eigen herkomst. Het is de worsteling van iemand die de mens (en daarmee zichzelf) niet belangrijk wil vinden, maar zich toch niet los van zijn eigen ego kan maken.

    Een plek waar men zich los van zijn ego, of in ieder geval los van zijn door normen en waarden gevormde zelfbewuste geest en rol in de maatschappij kan maken is de darkroom Anybody. Identiteit en intimiteit vallen in het schemerduister van iedereen af. Tot een bepaald punt. Het orgasme werkt ontnuchterend en is geen hoogtepunt. Gram is echter steeds weer verrast door dit moment en wil dan alleen nog maar zo vlug mogelijk de frisse lucht in, onder de ‘normale mensen’ zijn. Maar wat is normaal?

    Bij Petry wordt de mens gefileerd, zijn onkunde blootgelegd, maar daarmee laat hij ook meteen de complexiteit van de mens zien. Ironie is een rode draad, een soort grondtoon in deze symfonie in mineur. De cynische Gram blijkt zelf ook niet aan zijn eigen verwachtingen te kunnen voldoen. Wat hij niet beredeneren kan wordt uitgelegd als de domheid van een ander. Toch realiseert hij zich op een gegeven moment dat cynisme verleidelijk is ‘omdat je als cynicus in grote lijnen natuurlijk altijd gelijk hebt.’

    De filosofische kwesties over leven, dood, mens, techniek, intelligentie, liefde, sekseverschil en opvoeding die in De achterblijver worden aangehaald kan men onorigineel, flauw of makkelijk vinden, maar voor mij zaten er enkele stof-tot-nadenkertjes tussen. Temeer daar ze in prachtige zinnen waren gegoten. De allergrootste aanbeveling waarmee dit boek eigenlijk zichzelf aanprijst, maar waar ik een schepje bovenop wil doen is het scherpe, originele, rijke, meesterlijke taalgebruik en de fijngeslepen maar treffende stijl van deze Vlaamse auteur. Ik kan het niet helpen weer te denken dat de Vlamingen hun taal beter opdienen waardoor je meer proeft.

    Dames en heren, leest dit boek!

    Juliette van Wersch

    De achterblijver
    Yves Petry
    De Bezige Bij

  • De architectuur van het geluk, Alain de Botton

    Ons stenen ik

    In onze slechtste momenten kunnen we denken dat er een sluier van lelijkheid over Nederland ligt. En niet alleen omdat politici in een zwakzinnig vocabulaire trachten alleen de domsten aan te spreken en ook niet louter omdat we onszelf een televisiecultuur hebben aangedaan waarvan we overtuigd kunnen zijn dat er over twintig jaar niets te herhalen valt.

    Nee. Elementairder heeft Nederland na de Vijftiger jaren heel grondig alle dorpskernen verwijderd, alles wat leek op een land waar mensen willen wonen met een bewonderenswaardige nauwgezetheid verwijderd. Voor huizen die een geschiedenis hadden zijn goedkope alternatieven gekomen, die al snel onbewoonbaar werden, en daarna kwamen de nog goedkopere alternatieven die er iets duurder uit moesten zien. Dat is allemaal natuurlijk niet echt nieuw. Wonderlijker is dat er bij mijn weten de afgelopen tien jaar in de beschouwingen over onze  afgegleden bevolking en onze politici die deze bevolking met slechtpassende rethoriek in een labiel evenwicht trachtten te houden, de meest onmogelijke prullen van voorstellen aangaande moraal en fatsoen opgeld doen. Maar dat niemand heeft gesuggereerd dat we onze omgeving misschien te lelijk hebben gemaakt. Dat we in woonwijken als de onze geen betere mensen kunnen zijn.
    Alain de Botton wacht er wel voor dit met zoveel woorden te melden.  Wanneer je ziet wat zijn collega Ian Buruma over zich heen krijgt aan snotterige jammerklachten nadat hij zich heeft durven mengen in wat blijkbaar een streng intern debat moet zijn is dat te billijken.

    De architectuur van het geluk van Alain de Botton gaat niet over Nederland noch over hoe onherstelbaar de vaderlandse bouwmeesters zich decennialang hebben vergist. In De architectuur van het geluk volgen we De Botton in een tikkeltje paternalistische eerste persoon meervoud door een langzame en gedegen analyse van wat architectuur eigenlijk voor ons betekent. ‘Fraaie architectuur heeft geen van de onmiskenbare voordelen van een vaccin of een kom rijst. De verwezenlijking ervan zal dan ook nooit hoog op de politieke agenda worden geplaatst, want zelfs als de hele door mensenhanden vormgegeven wereld dankzij niet aflatende inspanningen en opofferingen, het San-Marcoplein naar de kroon kon steken en als we de rest van ons leven konden doorbrengen in de Villa Rotonda of in Philip Johnson Glass House, zouden we nog steeds regelmatig last hebben van een slecht humeur.’
    Zeker, maar we zouden niet meer wonen in een slecht humeur. De droevige realiteit die ons thans omgeeft.
    De Botton toont zich een goed kijker, en de kijkende lezer krijgt in dit boek een echt ondersteunende hoeveelheid illustratiemateriaal. Nauwelijks een voorbeeld dat De Botton noemt moet het stellen zonder de mogelijkheid hem te verifiëren, het met De Botton eens of oneens te zijn. Het frisse van De Botton’s inzichten is dat hij weet waar hij heen wil. Hij vindt het geen probleem om slechts wat aanduidend in een vijftigtal bladzijden door de totale stilistiek heen te fietsen. Daarbij stipt hij met name wat ontstaansgeschiedenissen aan
    ‘Zo kon het gebeuren dat een esthetisch idioom uit de tijd van de tempel van Apollo te Delphi uiteindelijk de woonhuizen van boekhouders in Edinburgh en advocaten in Philadelphia opluisterde.’ Hopakee, dat is nog eens met rasse schreden, en dat is maar beter ook, Elseviers Encyclopedie van de Moderne Architectuur heb je wel in de kast staan. En soms kan het korter nog, met deze bon mot bijvoorbeeld: ‘ De woonhuizen van modernistische architecten waren ontworpen als toneeldecors voor acteurs in een geïdealiseerd drama over het moderne leven.’  

    Zo tegen dit moment in het boek worden de kwaliteiten van De Botton weer helder. Diep in elke analyse – die bij De Botton een uitgangspunt voor een boek kan zijn ? zit één zeer oorspronkelijke gedachte. Dat is ook de reden dat je De Botton leest. De saus eromheen is niet onplezierig, maar wat te grondstoffelijk en per saldo onnodig. De mooie, boeiende kern van dit boek laat zich feitelijk in een paar citaten kennen: ‘Ontwerpen en architectuur vertellen ons in wezen over het soort leven dat het meest geschikt zou zijn om zich in hun nabijheid af te spelen. Ze vertellen ons over de stemmingen die ze graag bij hun gebruikers zouden aanmoedigen en versterken. Behalve dat ze ons warm houden en ons praktische ondersteuning bieden, sporen ze ons ook aan een bepaald soort mensen te zijn. Ze spreken over bepaalde ideeën van geluk .
    Wanneer we een gebouw als mooi omschrijven, impliceert dat meer dan alleen een esthetische voorkeur: er zal ook sprake zijn van een voorliefde voor het soort leven dat dit bouwwerk met zijn dak, deurkrukken, raamkozijnen, trap en inrichting uitdraagt. Een indruk van schoonheid is een teken dat we op een materiële verwezenlijking zijn gestuit van wat we zoal onder een goed leven verstaan.’

    Ziedaar de ‘complete abridged’ De architectuur van het geluk. Aan wakkere geesten die dit als een complete open deur zien is het boek niet besteed. Voor veel anderen is het in zijn ontstellende eenvoud een nieuwe manier om naar je omgeving te kijken. Zonder dat je perse de reeks ‘Ionische zuilen, friesen, dragende pijlers, balkwerk gevels’ en wat dies meer zij – weer op moet frissen. ‘De gedachte dat huizen tot ons spreken helpt ons om bij onze discussies over architectuur de vraag centraal te stellen volgens welke waarden we willen leven (-)’
    De architectuur van het geluk is met de goedgekozen illustraties een uitstekend middel je omgeving meer tot je te laten spreken. Je af te vragen om welke redenen je je eigen omgeving hebt opgebouwd zoals die is. En het biedt je de mogelijkheid de poëzie te zien van de stoel die aan je eettafel staat.
    Dat de man zich dan uiteindelijk wat te vaak herhaalt is de tragiek van de schrijver met een goed idee en de helderheid dat idee eigenlijk in zeer kort bestek te kunnen uitdrukken. Dan bidden we nu alleen nog om een uitgever die hem zijn kortheid toestaat.

    En we bidden lang en wanhopig dat Hoog Catherijne toch in godsnaam maar geen representatief beeld van onze volksaard mag zijn. En dat de toekomst ? en de lezing van dit boek ? onze schoonheidscommissies en gemeenten toch maar het inzicht mogen verschaffen dat de inkoper en de winst van het bouwbedrijf niet allesbepalend dienen te zijn bij het optrekken van het decor van ons leven.

    Alain de Botton De architectuur van het geluk  Uitgeverij Atlas,2006

    http://www.alaindebotton.nl/

  • De berg van Cézanne, Jurriaan Benschop

    Beschouwingen op hoogglans

    Over kunst schrijven is lastig, vooral als er geen plaatjes bij staan. In De berg van Cézanne heeft Jurriaan Benschop zijn beschouwingen over kunstenaars (zoals Matisse, Bonnard, Friedrich en natuurlijk Cézanne) gebundeld. In het voorwoord formuleert hij een paar prettige uitgangspunten, namelijk dat hij als kijker ook een aandeel heeft in de betekenis en de werking van een schilderij. Daarnaast vindt hij dat iedere kunstenaar een eigen manier van kijken behoeft. ‘Iedere kunstenaar leek zo zijn eigen toegangsdeur te hebben, met ook een eigen slot erop. Weliswaar waren er vrienden en verwanten in de kunst, maar er was geen moedersleutel die op alle kunst bleek te passen.’

    Dat is mooi. Een beschouwer die zijn eigen subjectieve manier van kijken meeneemt in zijn essays en tegelijk bereid is om zijn kijkgedrag aan te passen aan het kunstwerk. Beter kun je het niet krijgen.

    Benschop gaat de wereld over om zijn kunstwerken te zien en doet steeds verslag van de weg die hij aflegt om tot begrip van het kunstwerk te komen. Willem de Kooning vond hij bijvoorbeeld niet direct toegankelijk: ‘Lange tijd gaven deze schilderijen me het gevoel voor de gek te worden gehouden.’ Hij komt er pas achter hoe je naar De Kooning kijkt als hij eens half in een roes een museum binnenkomt, voor een schilderij komt te staan en opeens de essentie begrijpt.

    Ook voor Rineke Dijkstra, vooral bekend van sneue meisjes die gefotografeerd worden aan de waterlijn, vindt hij de toegangsdeur tot begrip. Die was er niet meteen, want: ‘Er was een tijd dat ik me stoorde aan de foto’s van Rineke Dijkstra.’ Een paar bladzijden later begrijpt Benschop het werk.

    Zelfs in dit dunne boekje gaat de werkwijze van Benschop je op den duur storen. Altijd weer die behoefte om te begrijpen. Altijd die reis, letterlijk en figuurlijk, om tot de kern van het werk te komen. Het procédé is gelijk. De zinnen weloverwogen en afgepast, met hier en daar de onbegrijpelijkheid die bij kunstbeschouwingen hoort, maar vooral die enorme drang om te verklaren en uit te leggen: je snakt als lezer naar vuurwerk, passie, iets tegendraads.

    Toen ik nog eens nadacht over de stukken zag ik ook dat Benschop wel zegt dat hij als subjectieve beschouwer aanwezig is in de stukken, maar dat die beschouwer, ondanks alle ik-zinnen, persoonlijke reisjes en individuele voorkeuren, toch in dienst staat van de kunstenaar. Daarin verschilt dit boek bijvoorbeeld heftig van Het wonder werkt van Pam Emmerik, waarin een kunstenares spreekt, een schrijfster die me in haar stukken alle kanten opstuurt, me kwaad maakt, tergt en ontroert. Benschop is de nette beschouwer, bereid om je aan de hand te nemen, met stukken die in elke glossy kunnen staan.

    Jurriaan Benschop ? De berg van Cézanne. Athenaeum ? Polak & Van Gennep, 135 blz. €17,50

  • Het belang van Edward Lindeman,Joseph Pearce

    In de paasvakantie vertrekt Edward Lindeman, wiskundeleraar, voor een korte vakantie naar Engeland. Zijn vrouw Roos, lerares klassieke talen op dezelfde school, begeleidt op dat moment de laatstejaars op hun reis naar Griekenland. De overtocht naar Engeland per veerboot loopt tragisch af: ‘Het schip is aan het zinken, ik verdrink, zo tragisch en zo simpel slaat het noodlot toe.’ Of toch niet?

    Een pagina verder komt Edward Lindeman – weliswaar afgemat, maar verrassend genoeg heelhuids – aan in Granville Manor, een pensionnetje in het afgelegen noorden van Engeland; volgens Edward Lindeman zelf ‘de Hof van Eden’, en dan al ‘mijn thuis’, ‘mijn rechtmatig bezit’. Hoe hij alsnog is kunnen ontsnappen aan een gewisse dood en nadien in staat was de tocht naar het noorden zelf af te leggen, wordt slechts vagelijk omschreven: ‘Een mirakel dat u hier gekomen bent. De storm van de eeuw, zeiden ze in het dorp. Voor de kust is een schip met man en muis vergaan.’ Granville Manor en zijn bewoners doen al even mysterieus aan. Hoewel Edward Lindeman zich meteen thuis voelt en tot rust komt in het idyllische dorpje, bekruipt hem ook een gevoel van beklemming. Een soort benauwdheid die vooral te wijten is aan de indringende, overrompelende houding van de gastvrouwen.

    De drie zussen – alle drie bejaarde, (op het eerste gezicht) deugdzame en bijster zelfzekere weduwen – wekken van bij het begin de indruk vol geheimen te zitten. Pru, Chas en Pat – kort voor Prudence, Chastity en Patience – ontvangen Edward Lindeman, de eerste gast van het seizoen, meteen met veel egards. Tegelijk gaat die hoffelijkheid gepaard met een overdreven nieuwsgierigheid, een poging diep door te dringen tot de identiteit van Edward Lindeman. Hij apprecieert de indringende houding van de zussen allerminst, maar bedenkt dat zijn paniekerige reactie op zoveel interesse geen gronden heeft: ‘Het pension is een lusthof, geen spookslot, de verloren zoon zou niet meer welkom zijn geweest dan ik.’ Geleidelijk aan vallen al zijn reserves weg.

    Edward Lindeman komt meer en meer in de greep van de drie zussen. Bij de aankomst van enkele nieuwe gasten – de Britse Selina Middleton en het Nederlandse homokoppel Benno Bakker en Willem Zonneland – stelt hij zich op aan de zijde van de drie gastvrouwen. De man die zoveel belang hecht aan de rede en zichzelf steevast heeft weggecijferd op momenten van frictie en discussie, richt zich nu op als de beschermheer van al het goede in Granville Manor. De inhoud van dat goede wordt echter geheel bepaald door de gastvrouwen. Edward Lindeman gooit alle eigen principes overboord. Hij laat zijn terughoudendheid en reserves varen ten gunste van de drie zussen en komt in aanvaring met de gasten. In het bijzonder Selina, die de vriendelijkheid van de bewoonsters hekelt als een façade en zelf liefst zo snel mogelijk al haar ongemak in de openbaarheid brengt, wekt zijn afkeer op. Hoewel haar schoonheid en haar wit hem aantrekken, is het ook haar kracht, haar sterke identiteit die hij bedreigend vindt. Ze doet zijn vertrouwen in de zussen wankelen en net dat is voor hem onaanvaardbaar. Zijn aangeboren beleefdheid groeit uit tot een kritiekloze aanvaarding van de positie en het gelijk van de drie zussen. Wat daartegenin gaat, moet worden terechtgewezen.

    In wat volgt ontpopt Edward Lindeman zich als troonopvolger van het dictatoriale trio. Hij ondergaat in de kleine gemeenschap een rite de passage – eigenlijk een en al vernedering – en voelt zich sterker dan ooit. Zijn her- of gewonnen onafhankelijkheid van alles en iedereen is echter een grote illusie. Edward Lindeman doktert strategieën uit en stelt zich fors en kordaat op tegenover de zussen, met de bedoeling zichzelf te laten gelden. Tegelijkertijd laat hij zijn hele gedrag afhangen van diezelfde zussen en leidt hij zichzelf naar een punt dat door diezelfde vrouwen tevoren al was vastgelegd.

    In Het belang van Edward Lindeman roept Joseph Pearce een benauwende wereld op. De noordelijke uithoek van Engeland geeft hem de mogelijkheid idylle te koppelen aan mysterie. ‘We spelen dolgraag spelletjes met onze gasten’, zegt Chas al aan het begin van het boek. Edward Lindeman laat alle rede varen en geeft zich over aan de onredelijkheid, door alle grilligheid en veranderlijkheid, of andersheid, uit te schakelen. De gewonnen zelfzekerheid wekt argwaan op voor mogelijke bedreigingen van zijn nieuwe status. Hij laat zijn oude leven achter. Een terugkeer is niet meer mogelijk – hoewel dat aspect van het einde open blijft. Pearce lijkt naast een verhaal van vervreemding en dreiging ook een ander spoor te verspreiden. Het belang van Edward Lindeman heeft veel weg van een perverse allegorie: de deugden/zussen Prudence, Chastity en Patience die Granville Manor bewonen zijn allesbehalve deugdzaam, en brengen Edward Lindeman binnen in een wereld die wordt overheerst door wantrouwen, leugenachtigheid, illusie… Bovendien doen zowel de bizarre aanvang van het boek – de scheepsramp en de gewisse dood – als de religieuze en heidense verhaalelementen een interpretatie van het verhaal als tocht door de onderwereld vermoeden. Het vagevuur als een al gemaakte keuze: ‘Iedereen staart mij aan alsof ze niet een mens van vlees en bloed, maar een verschijning zien.’

    Het belang van Edward Lindeman. Meulenhoff|Manteau, Antwerpen/Amsterdam, 2006.
    ISBN 90-8542-052-0.

    Ander werk van Joseph Pearce:
    Land van belofte (1999)
    Koloniale waren (2001)
    Maanzaad (2002)
    Met gebalde vuisten (2004)

  • Een rusteloos leven,Marco Kamphuis

    Groots en meeslepend wil ik leven

    Begin juli wijdde Jeroen Vullings in Vrij Nederland een artikel aan een roman die naar zijn smaak veel te weinig aandacht had gekregen. Vullings hing zijn artikel op aan de flaptekst van de roman én aan een interview met de auteur. Strekking: ‘de commerciële galmpraat’ die als flaptekst dient van Een rusteloos leven (Wereldbibliotheek) doet geen recht aan de inhoud en het stilistisch kunnen van haar maker en Marco Kamphuis, de auteur in kwestie, verdient het met deze roman niet alleen een huis te kunnen kopen, hij verdient tevens meer erkenning en waardering.

    Een rusteloos leven verscheen al in april van dit jaar en (zonder de intentie mezelf op de borst te slaan) ik durf toch wel te zeggen dat ik erg goed op de hoogte ben van alle nieuwe oorspronkelijk Nederlandse titels die verschijnen. Een rusteloos leven was echter ook aan mijn aandacht ontsnapt. Dat was één reden om eens in de boekhandel waar ik werk op zoek te gaan naar het boek. Doorslaggevend waren twee regels uit de recensie van Vullings:

    ‘Even terughoudend was de ontvangst van de laatste Stefan Enter, Lichtjaren, ook al zo’n roman die haaks op de tijdgeest staat. Beide boeken zijn bovendien – ook dat is tegenwoordig uitzonderlijk – uiterst zorgvuldig geschreven: iedere zin is merkbaar lang overwogen en gebeeldhouwd.’

    Het duurde even voordat ik tussen de opzichtige stapels Kluun en Van Royen de iets bescheidener stapel van Een rusteloos leven had gevonden. Blijkt dat niet alleen de inhoud, maar ook de vormgeving haaks staat op de tijdgeest. De roman is degelijk uitgegeven, met een bladspiegel die voor de verandering de inhoud niet extra opblaast en een omslagontwerp dat niet voldoet aan de huidige norm van ‘hoe opvallender, feller de kaft en groter de auteursnaam hoe beter.’  De omslag, een in bruintinten afgedrukte suggestieve foto van een halfontbloot vrouwenlichaam, is sober, stijlvol en vol belofte.

    Een rusteloos leven is het levensverhaal van Astrid, aan het begin van de roman een jonge studente, seksueel losbandig in haar zoektocht naar een groots en meeslepend leven, aan het slot van het verhaal een depressieve, in zichzelf opgesloten volwassen moeder die nauwelijks contact heeft met haar tienerdochter. Kamphuis dringt diep door in de psyche van Astrid en vanuit verschillende perspectieven leert de lezer haar leven en haar ziel kennen. Zo is er haar jeugdliefde Gerard, in alle opzichten haar tegenpool: geestelijk stabiel en met het vermogen zich te schikken naar het leven. Als Astrid in verwachting raakt, grijpt ze dit aan als poging rust en stabiliteit te vinden. Dat het gezinsleven geen soelaas biedt wordt al snel pijnlijk duidelijk: het lukt Astrid niet een band op te bouwen met haar dochter en ze laat de opvoeding volledig over aan Gerard, die haar liefdevol en zeer trouw in al haar zwarte dagen bijstaat.

    Het kalme gezinsleven vliegt Astrid naar de keel en in een poging wat opwinding te vinden in haar leven begint ze een affaire met Igor Donkersloot, een zeer seksueel dominant ingesteld universitair docent. Ze verlaat haar gezin voor haar minnaar, maar – zoals te verwachten viel – deze relatie houdt geen stand. Vanuit het perspectief van Igor leren we een andere kant van Astrid kennen, de obsessief naar bevestiging zoekende kant. Na deze relatie komt het leven van Astrid in een stroomversnelling en in haar rusteloosheid en pogingen haar leven en zichzelf bevestigd te zien maakt ze steeds desastreuzere en zelfdestructievere keuzen. De enige oplossing is doen wat ze op zeventienjarige leeftijd al heeft geprobeerd en dat door niemand werd opgemerkt: zelfmoord plegen.

    Nog even terug naar de recensie van Jeroen Vullings. Hij gaf aan dat Kamphuis iedere zin heeft gebeeldhouwd en ieder woord heeft gewogen. Het geeft Een rusteloos leven een niveau dat in de Nederlandse literatuur nog maar zelden te zien is. Daarin ben ik het met hem eens. Ik ben het niet met Vullings eens waar hij zegt dat Astrid een raadsel blijft en, ik parafraseer, dat alle psychologiserende verklaarzucht slecht één doel diende, namelijk ‘het onbevattelijke aanschouwelijk maken.’ De verklaringen die Kamphuis aanvoert – haar jeugd met een depressieve vader die ze zo min mogelijk tot last mocht zijn, haar liefdeloze moeder, haar onopgemerkte zelfmoordpoging en de sadistische wiskundeleraar die haar jarenlang en plein public vernederde – ze wekken bij mij toch een empathie op voor Astrid. Geen sympathie, maar haar gedrag en psyche is verre van raadselachtig. Ik zal me hier niet wagen aan psychologie van de koude grond, maar de kracht van Een rusteloos leven mag niet onderschat worden: de manier waarop Marco Kamphuis doordringt in de psyche van Astrid, is indrukwekkend. Dit boek, en met name Astrid zal me nog heel lang bijblijven en bezig blijven houden. Dat ik iets wat ik lang heb gemist in de Nederlandse literatuur.

    Na de recensie van Jeroen Vullings ben ik Een rusteloos leven in de gaten gaan houden, de verkoop ervan dan. Gelukkig was de invloed van de recensie merkbaar, maar voor een huis is meer nodig ben ik bang. Dus: zegt het voort, koop en lees dit boek. Kamphuis verdient een huis en, ik sluit me nog één keer aan bij Vullings, de erkenning.

    Een rusteloos leven

    Marco Kamphuis

    Wereldbibliotheek

    ISBN 90 284 2146 7

    Anne-Marie van der Poel
  • Antiek toerisme,L Couperus

    "De nacht over zee was windstille en zaliglijk zilverlouter na de gloeiende
    gloor van de dag en de grote quadrireem gleed gelijkmatig zacht voort, als
    over een meer, onder een wijd firmament van sterren. Rondom de ovale zee
    was de ijle einder zuiver getrokken, en op deze wijde wereld waren alleen
    de sterren en was het schip."
    Aan de vraag van wie deze zinnen zijn hoef je geen tijd te verspillen; de
    kans is klein dat u weet uit welk boek ze komen, maar de kans zeer groot
    dat u weet wie ze heeft geschreven. De man over wie Hermans zei: die
    schrijft niet met inkt, maar met parfum! Louis Couperus.
    Dan de geciteerde zinnen: het betreft hier de openingsalinea van Antiek
    Toerisme, Couperus’ historische roman uit 1911.
    Het blijft merkwaardig dat Couperus het meest bewonderd wordt om zijn
    omvangrijke romans. Noodlot, Majesteit, Langs lijnen van geleidelijkheid,
    Antiek toerisme, allemaal boeken die het wat bekendheid betreft afleggen
    tegen z’n grote romans: De boeken der kleine zielen, De berg van licht, De
    stille kracht… En dat terwijl het lezen van Couperus’ boeken wel gebaat is
    bij enige bondigheid zo nu en dan. Prachtig hoor die bloemrijke, kalm over
    de bladzijden meanderende zinnen, maar z’n dikke romans kunnen ook
    verworden tot een soort archaïsche uitputtingsslag.
    Waarom Antiek Toerisme gekozen als Boek van de week? Niet omdat het van
    z’n korte romans de mooiste is (misschien zou ik dan kiezen voor Langs
    lijnen van geleidelijkheid), maar omdat het het eerste boek was dat ik van
    hem las. Aangeschaft op 4 oktober 1986. Ik was zeventien en was diep onder
    de indruk. Het stuntelig epigonenproza dat ik na lezing van Antiek toerisme
    voorbracht ligt hier nog ergens, te ver weggestopt om weg te kunnen gooien.
    Goed, na deze persoonlijke, al te persoonlijke, uitweiding maar eens iets
    over het verhaal: de rijke Romein Publius Sabinus Lucius heeft een slavin,
    Ilia, die tevens z’n geliefde is. Zij verdwijnt en Lucius blijft radeloos
    achter. Dat noopt de rijke Romein ertoe een tocht door Egypte te maken die
    hem langs waarzegsters, orakels en priesters voert. Overal stelt hij de
    vraag: waar is mijn geliefde Ilia? Maar uiteindelijk blijft hij met lege
    handen achter. Hoewel: Lucius komt tot inzicht als een nieuw meisje zich
    aandient, Kora. Zijn verdriet om het verlies van Ilia verhindert hem
    gelukkig te zijn met haar. "Is het geluk niet vroom zich te schikken onder
    zijn Noodlot, en is het geheime woord niet dit trotse: wees uw eigen
    godheid?" Met andere woorden: grijp je kans met Kora en laat al die
    waarzegsters en overig overakelvolk stikken. De meest prozaïsche
    interpretatie van Lucius’ nieuwe inzicht in de wereld.
    Het verhaal is zo naverteld misschien nogal dun. Dat was ook een groot
    bezwaar van de recensenten die het boek destijds, in 1911, bespraken.
    Neerlandicus Piet Kralt heeft in Arabesken, het clubblad voor
    Couperusbewonderaars, een artikel geschreven over de receptie van Antiek
    toerisme. Nou, dat is aardig om te lezen. De intussen grondig vergeten
    romancier Israël Querido
    besprak het boek in het Algemeen Handelsblad van 28 december 1911 en noemde
    Couperus een ‘blufferige woordjuwelier’ en een ‘geboren causeur, die zelfs
    voor den allerhoogsten troon zijn kleurig praatje zou gereed hebben.’ En
    toen Antiek toerisme eenmaal was vertaald in het Engels oordeelde de
    dienstdoende recensent van The Times Literary Supplement dat in het boek
    ‘not a ghost of a story worth telling’ aan viel te treffen.
    Kort samengevat: het boek was uitbundig als een suikertaart, maar smaakte
    nergens naar.
    Dat zou een wat te makkelijk oordeel zijn. Inderdaad, Couperus put zich
    uit in het schilderen van het Egypte ten tijde van het Romeinse keizerrijk,
    besteedt veel aandacht aan het decor waartegen het verhaal zich afspeelt,
    maar dat betekent nog niet dat het hier een niemendalletje betreft. Het
    boek heeft veel meer te bieden dan het genoegen als moderne toerist een
    rondvaart door het antieke Egypte te maken (met dank aan de details die
    Couperus ontleende aan Strabo’s Geografieën), het boek gaat over de vraag
    of wij voor de matigheid of de onmatigheid dienen te kiezen, over de vraag
    of we vast moeten houden aan wat we verloren, met het risico dat we alle
    nieuwe ervaringen vergiftigen, of dat we ons moeten schikken in ons
    noodlot… Noodlot, geen woord dat dichter bij het centrale thema van
    Couperus’ werk komt.

    Jeroen van Kan

  • Oorlogshonger,Frans Van Deijl

    Frans van Deijl (1957) is journalist bij HP/De Tijd; hiervoor werkte hij bij Het Parool, werd ontslagen en deze gebeurtenis leverde het boek Dagboek van een werkloze (2005)op. Het was een mix van humor, venijn en sentiment en op een knappe manier kregen we een kijkje in het innerlijk van iemand die radeloos op zoek moet naar nieuw werk. Een must voor iedere werkeloze! Ook De Plek, Oosterbeek 1944 was een spannend verslag, dit maal, van een zoektocht naar het verleden. Van Deijl brengt in een schuttersput de nacht door op de plek waar de dramatische luchtlandingen van Britse troepen plaatsvonden. Hij is jaloers op hen die de slag meemaakten, geeft toe gefascineerd geraakt te zijn door uniformen en andere memorabilia uit de oorlog. Maar ook slaagt hij er in, de plek des onheils tot leven te wekken.

    Het literaire debuut van Van Deijl ligt nu in de schappen en heeft de naam Oorlogshonger. – Clara Strijbosch schreef er in De Volkskrant o.m. over (…) 'Frans van Deijl vertelt over mannen die zich zo hebben ingeleefd in hun heldenrol, dat ze zich niet meer kunnen handhaven in een wereld zonder oorlog. Dat de verhalen goed geschreven zijn, maakt ze des te ongemakkelijker.'(..) Om met dit laatste te beginnen, inderdaad is de stijl van Frans van Deijl soepel, maar het moet gezegd die soepelheid – een euvel van veel journalisten, die zich aan literatuur gaan wijden- bergt het gevaar in zich, wat oppervlakkig te gaan worden. Van Deijl houdt zijn munitie vooralsnog droog.

    De drie verhalen van Oorlogshonger, Het veldgraf, Oorlogshonger en De nepveteraan hebben allemaal hoofdpersonen, die een fascinatie hebben voor de oorlog. In Het veldgraf gaat het over het opgraven van een Duitse soldaat uit de Tweede Wereldoorlog. De spanning, die aanvankelijk wordt opgebouwd rond het ontdekken en opgraven vindt aan het eind van het verhaal een anticlimax, maar deze is door Van Deijl moedwillig zo geregisseerd, de rol van een aantal personen blijft verborgen en dat geeft deze geschiedenis een morbide ondertoon. Dit komt ook doordat- knap gevonden- Van Deijl namen gebruikt die een vervreemdend effect meebrengen zoals Muus, Witsok, Buikspreker en mevrouw Nasi. Ze lijken te zijn weggelopen uit een verhaal van Bordewijk, de meester van de vervreemding. In de tweede geschiedenis, het titelverhaal Oorlogshonger  komt Ernest (Ernie) Ortega aan het woord. Hij schrijft een lange brief aan zijn vrouwelijke psychiater en binnen een mum van tijd zitten we midden in de gruwelen van de Vietnamoorlog. De Amerikaan Ernie heeft geen oorlogstrauma, integendeel, hij heeft ontdekt dat zijn verblijf in tunnels, op zoek naar Vietcongsoldaten, de enige momenten waren, dat hij werkelijk heeft ‘geleefd.’ Hij houdt er bizarre gewoontes op na- is letterlijk verwilderd geraakt- in de hel van het slagveld. Bij terugkomst stort zijn wereld in hij mist de ‘orgastische stortloed van de aanval’ en zijn huwelijk loopt op de klippen. We krijgen bijna medelijden met hem.

    Het meest overtuigende verhaal is mijns inziens echter De nepveteraan. In dit verhaal gebeurt namelijk wat Van Deijl in de vorige twee verhalen nalaat, hij spaart ruimtes uit. De lezer wordt lang in het ongewisse gelaten over de drijfveren van de hoofdpersoon om te mogen schitteren tijdens een reünie van oorlogsveteranen. Het is dan ook niet verwonderlijk dat – Fred Lardenoye in het Checkpoint Maandblad voor veteranen meldde dat ‘(..) Van Deijl op vaak geestige wijze en met vaardige pen mensen beschrijft die kennelijk een onstilbare honger hebben naar alle aspecten die met een oorlog samenhangen: het geweld, de dood en het verderf, maar ook de – al dan niet valse – romantiek, de eer en de erkenning (ook als is dat niet verdiend)(..).'

    Inderdaad is dit een hele prestatie waar we Van Deijl dankbaar voor mogen zijn. De oorlog met al zijn weerzinwekkendheid komt in Oorlogshonger op knappe manier tot leven. De jongens, die de oorlog niet meemaakten raken erdoor gefascineerd, de hoofdpersoon uit het tweede verhaal verliest op het slagveld zijn identiteit en de man uit het derde verhaal weet niet welke verstandhouding hij heeft tot de oorlog, daardoor is hij eigenlijk de meest tragische figuur in deze drie vertellingen, die worden verbonden door het thema oorlog. In Van Deijl is een meester opgestaan van het vervreemdende ijzingwekkende proza en die plaats was lang onbezet in Nederland.

    Oorlogshonger door Frans van Deijl

    Uitg. Contact

    ISBN 90 254 2623 9, €16,90

    Karel Wasch

  • Herfst in Peking, Boris Vian

    Toen ik zonder bijzondere reden Herfst in Peking uit de boekenkast trok en
    75 euro tussen de bladzijden aantrof wist ik dat er niets anders op zat dan
    Boris Vian tot auteur van de week uit te roepen.
    “Een literatuur waarin het eindelijk is toegestaan te lachen”, schreef
    Vian als aanbeveling op het omslag van zijn roman Herst in Peking  (een
    roman die over netzomin over de herfst als over Peking gaat). Hij was een
    absurdist, werd bewonderd door die andere grote absurdist Raymond Queneau,
    maar heeft diens literaire reputatie nooit kunnen evenaren. Dat komt
    misschien omdat hij zich niet alleen op het terrein van de literatuur
    bewoog, maar koos voor een heel scala aan artistieke activiteiten. Vian was
    behalve schrijver ook ingenieur, vertaler, schilder, uitvinder, dichter,
    zanger en jazztropettist (in welke hoedanigheid hij nog met de grote Miles
    heeft gespeeld).

    Je zou zeggen dat iemand die zoveel doet er geen groot oeuvre op na kan
    houden, maar dat klopt in het geval van Vian niet. In zijn korte leven
    schreef hij maar liefst elf romans, waarvan er helaas maar een paar in het
    Nederlands zijn vertaald. Niet meer leverbaar intussen, ondanks recente
    aanprijzingen van zijn werk door onder meer Arnon Grunberg.
    Zijn werk was nogal omstreden in het Frankrijk van de jaren vijftig. Zijn
    boek Ik zal spuwen op jullie graf, een soort Amerikaanse
    detectivespastiche, werd verboden eind jaren veertig omdat een jongen na
    lezing van dat boek zijn vriendin om het leven bracht op dezelfde manier
    als beschreven in de roman. Maar Vian is ook omstreden vanwege zijn
    seksuele moraal, of het gebrek daaraan, en zijn pacifisme. In 1954 schreef
    hij een lied naar aanleiding van de bloedige oorlog in Indochina (het
    huidige Vietnam) waaraan zoveel aanstoot werd genomen dat bezoekers bij
    sommige concerten gewelddadig werden.

    Maar we moeten ons hier beperken tot de schrijver Vian. Twee van zijn
    boeken zijn vertaald in het  Nederlands: Ik zal spuwen op jullie graf en
    Herfst in Peking, beide verschenen bij de Arbeiderspers. Het eerste boek is
    een heel erg knap geschreven pastiche, zoals gezegd, en het andere is een
    volstrekt absurd boek over de aanleg van een spoorbaan door een woestijn.
    Absurd omdat vogels met hun snavels het Wolgalied tikken op lege
    conversvenblikjes, autobussen zich schamen en stoelen vergiftigd worden.
    Het is een literatuur waarin te lachen valt, en dat moet in 1956 een
    verademing zijn geweest. Maar dat Vian weigerde zichzelf al te ernstig te
    nemen heeft hem misschien ook de toegang tot de literaire olympus verspert.
    Niets is gevaarlijker in de letteren dan jezelf ernst ontzeggen.
    Op 39-jarige leeftijd overleed Vian. Hij woonde de première bij van de
    verfilming van zijn boek Ik zal spuwen op jullie graf, waarover hij
    uitzonderlijk ontevreden was. Tijdens de voorstelling kreeg hij een
    hartaanval en overleed op weg naar het ziekenhuis.
    Bij tijd van leven was Vian zonder twijfel een grootheid geworden.

    Jeroen van Kan

  • Artemis op jacht,Bremer Anja de Crom Esther

    Een kostschool vol hitsige vrouwen

    Stel je voor: het is dertig graden, je wilt naar zee en je vraagt je af wat je voor leesbaars mee wilt nemen. Een lekker leesboek met een vette knipoog. Dan wordt het tijd voor Artemis op jacht van Esther Bremer en Anja de Crom.

    Het is alweer het tweede boek van het schrijversduo. Eerder verscheen Pitty naar college, waarover de Telegraaf schreef: ‘Enid Blyton zou zich omdraaien in haar graf’, de perfecte blurb voor deze lesbische variant op de Pitty-boeken van de Engelse schrijfster.

    Pitty op kostschool en Artemis op jacht is een uit de hand gelopen grap. De schrijfsters maakten eerst een webpagina waarop ze hoofdstuk voor hoofdstuk het eerste boek voorpubliceerden. De respons op die site was echter zo groot dat ze besloten het boek uit te laten geven.

    Pitty op kostschool volgt nog een beetje het stramien van de typische Enid Blyton-reeks, maar Artemis op jacht gaat een stap verder. De stoere lesbische studente Artemis, die zich met graagte ontfermt over eerstejaars studentes en ze vol passie het bed in praat, is in het tweede deel de hoofdpersoon geworden. Haar verhouding met de zwoele zangeres Rita Dykedales ligt een beetje op zijn gat, maar haar (ex-)geliefde heeft haar wel opgezadeld met de zorg voor haar kind. Artemis moet een oogje in het zeil houden als de dochter haar eerste schreden zet op het meisjescollege St. Andrews. Je verwacht meteen dat daar allerlei amoureuze verwikkelingen uit naar voren komen, maar die blijven gelukkig uit. Wel valt het oog van Artemis meteen op een nieuwe eerstejaars prooi. De rest van het verhaal gaat aan de ene kant over de hartstocht voor de jongerejaars en een even grote liefde voor de favoriete lerares van de kostschool, juf Peters. Tegelijkertijd, want dat hoort in een aan de Pitty-reeks gelieerd boek is er sprake van een complot waarin de tuinman en de nieuwe, zwaar geparfumeerde lerares Frans het opnemen tegen juf Peters. Wie kan haar beter uit de klauwen van deze onverlaten redden dan Artemis! Het wordt al met al een dolle boel daar op de kostschool en het loopt zoals het hoort in meisjesboeken natuurlijk goed af.

    Verwacht geen literair hoogstandje van dit boek, want dat is het nadrukkelijk niet. De schrijfsters schmieren en parodiëren dat het een lieve lust is. Al te literaire zinnen, vergelijkingen of dialogen zouden afbreuk doen aan het karakter van dit boek.

    Ben benieuwd of er ergens in het land meisjes zijn die volstrekt argeloos deze boeken uit de kast halen, mee naar het strand nemen en er daar achter komen dat Pitty en Artemis wel heel erg intieme dingen doen. Dat ze dan van schrik een blosje op hun wangen krijgen en toch doorlezen, omdat het zo lekker geschreven is met een vette knipoog.

    Coen Peppelenbos

    Esther Bremer en Anja de Crom: Artemis op jacht. La Vita, 154 blz. Leeuwarden, €12,95

     
  • Alleman,Philip Roth

    Philip Roth
    Alleman

    Den Spyeghel der Salicheyt van Elckerlijc en de Engelse tegenhanger Everyman, beide ‘sinnespelen’ van het allegorische, vijftiende-eeuwse type, vormen de vage inspiratiebron van Philip Roths zevenentwintigste roman, Alleman. Terwijl onze Elckerlyc het bezoek krijgt van die Doot, door God uitgezonden om de levenden ter verantwoording te roepen voor hetgeen achter hen ligt, uiteraard met het oog op een spoedige sprong voorwaarts naar hemelrijk of hel, brengt Roth een zuiver menselijk verhaal. Geen Maghe, Neve, Goet, Kennisse of Duecht die mee op pelgrimage trekken of net achterblijven, maar de mens en zijn naasten staan hier centraal. En al wat hen bindt en eenzaam maakt.

    Roth heeft er bewust voor gekozen om de moralistische boodschap achterwege te laten, en laat ook zijn personages in die gedachte hun stuk opvoeren. Hoofdpersonage – maar niet de verteller of ik-figuur – is een naamloze dode, gedurende zijn leven succesvol art en creative director bij een New Yorks reclamebureau, woelig gezinslid en na zijn pensionering amateurschilder en vaste klant in ziekenhuizen. De verteller blikt terug op diens leven, van de kindertijd tot de dood. Die verteller is best een cynisch alwetend figuur; hij besluit elke ziekenhuisscène van zijn hoofdpersonage met een korte alinea van enkele decennia gezondheid om meteen terug te keren naar het volgende operatietafelverhaal. Wat de lezer hoort te lezen: het leven is een strijd met de dood, van tevoren al verloren, en bovendien verzwaard door nutteloze ontsnappingspogingen.

    De terugblik leidt de verteller tot het uittekenen van de familiale banden die onze ‘Alleman’ – de verwijzing wordt duidelijk wanneer blijkt dat zijn vader een juwelier was die zijn zaak de vernuftige naam Alleman Juweliers had gegeven – heeft onderhouden of, vaker, verbroken. Zijn stoïcijnse lijfspreuk, ‘Neem het leven zoals het komt. Hou voet bij stuk en neem het leven zoals het komt’, overstemt echter eventuele negatieve gevoelens die met die breuken gepaard gaan: ‘Zou alles anders zijn, vroeg hij zich af, als ik anders was geweest en het anders had gedaan? Zou het allemaal minder eenzaam zijn geweest dan het nu is? Ja, natuurlijk! Maar dit is wat ik gedaan heb! Ik ben eenenzeventig. Dit is de man die ik ben geworden. Dit is wat ik gedaan heb om hier te komen en daarmee uit!’ Hij bepleit aan het einde van zijn leven geen ingreep in wat achter hem ligt. Want, zo gaan de dingen. We kunnen er niets meer aan doen. Verantwoording afleggen is een holle en zinloze bezigheid.

    Toch vertoont hij, dichter bij het einde, wel een zeker besef, een zeker inzicht in levenswendingen die hij anders had kunnen doen uitdraaien. De erkenning van gemaakte fouten gebeurt niet in het licht van een geloofsopenbaring: ‘Godsdienst was een leugen die hij al vroeg in zijn leven had onderkend, en hij vond alle godsdiensten weerzinwekkend, beschouwde hun bijgelovige prietpraat als zinledig en infantiel, kon niet tegen de totale onvolwassenheid – de kinderpraat en de eigengerechtigheid en de schaapjes, de gretige gelovigen. Voor hem geen hocus pocus over de dood en God, of achterhaalde fantasieën over de hemel. We hadden alleen maar onze lichamen, geboren om te leven en te sterven onder voorwaarden gesteld door de lichamen die vóór ons waren geboren en gestorven.’ Die erfelijkheid beheerst alleman, de geschiedenis is de toekomst.

    Dat ook werkelijk alleman te lijden heeft, blijkt uit de levens van de nevenpersonages. Zo is er Phoebe, de tweede vrouw van het hoofdpersonage, die vanaf haar twintigste met migraineaanvallen wordt belast: ‘Er bestaat niets anders in mijn lichaam dan de druk in mijn hoofd’. En Millicent Kramer, de beste van zijn leerlingen schilderkunst, die het boek mooi samenvat: ‘Het komt gewoon doordat je van pijn zo eenzaam wordt.’ Net datgene wat iedereen gemeen heeft, de pijn, de dood, is zo persoonlijk, zo taboe dat het mensen doet vereenzamen: ‘Het spijt me heel erg. Iedereen hier heeft zijn kruis. Er is niets bijzonders aan mijn verhaal en het spijt me dat ik jou ermee lastigval. Je zult zelf ook wel je verhaal hebben.’ Alleen Howie, ‘Allemans’ oudere broer is zijn hele leven lang kerngezond geweest; een eigenschap die uiteindelijk de jaloezie van de zieke opwekt, alsof de weerstand tegen ziektes alleen als beklemtoning van de fysieke tekortkomingen van anderen kan worden beschouwd.

    ‘Alleman’ voelt zichzelf veranderen: ‘“[A]ndersheid”, een woord in zijn eigen taal dat een zijnstoestand aanduidde die hem nagenoeg onbekend was tot zijn cursiste Millicent Kramer het op een schokkende manier had gebruikt om haar ellendige toestand te beschrijven.’ Het leven dat hij ooit leidde, is verdwenen: ‘Ooit was ik een volledig mens.’ Het zekere einde van alleman is gewoon niet aanvaardbaar: ‘Het is omdat de dood zo onrechtvaardig is. Het is omdat voor wie eenmaal het leven heeft geproefd, de dood niet eens natuurlijk schijnt. Ik had gedacht – heimelijk was ik er zeker van – dat het leven alsmaar verder gaat.’ Dit is een van de sterkste gedachten in het boek: de zekerheid van de dood geconfronteerd met de tegengestelde belofte die het leven schijnt in te houden. Of nog, dé te citeren en al meermaals geciteerde zin uit het boek: ‘Oud worden is geen strijd; oud worden is een slachting.’ Een uitspraak die Philip Roth overigens deed na het zien van de chaos die in Louisiana werd aangericht door de orkaan Katrina.

    Alleman is een goed geschreven boek, maar overtuigt niet helemaal. Af en toe lijkt net de keuze voor de naamloze, dode ‘Alleman’ als symbolisch hoofdpersonage de intensiteit van het verhaal tegen te werken. Bepaalde passages en gedachten lijden aan een excessieve bedachtzaamheid, of grenzen aan de voorspelbaarheid. Dat belemmert vrijwel automatisch de geloofwaardigheid, iets wat een allemansverhaal uiteraard niet kan verdragen. Maar misschien berust die beoordeling dan weer op het feit dat dit verhaal des te meer de dingen verwoordt die we, in alle schuchterheid, al wel weten, maar niet willen geloven. Alleman is dood, leve alleman.

    Philip Roth, Alleman. Vertaald door Ko Kooman. De Bezige Bij, Amsterdam, 2006. ISBN 90 234 2002 0.

  • Van de vijand en de muzikant,Ramsey Nasr

    Onlangs verscheen het gebonden en zeer fraai vormgegeven resultaat van één jaar stadsdichterschap van Ramsey Nasr: onze-lieve-vrouwe-zeppelin. Antwerpse gedichten (De Bezige Bij), 16 gedichten, 173 pagina’s poëzie over Antwerpen. Tegelijkertijd verschenen zijn gebundelde essays, Van de vijand en de muzikant. Essays, artikelen, opiniestukken (De Bezige Bij), geschreven tussen 2001 en 2005. Wat de twee bundels bindt is het vertrekpunt: de maatschappij en, meer concreet, Antwerpen. Onlangs nog legde Nasr in een interview uit dat de essays voornamelijk een belichting zijn van de maatschappij en dat de gedichten de maatschappij ontstijgen. Toch is dat niet helemaal waar. Ook de gedichten zijn in hoge mate een belichting en bekritisering van de maatschappij. Wie de gedichten leest, krijgt, naast mooie, gepassioneerde poëzie, tevens een beeld van Antwerpen, haar geschiedenis én haar inwoners. Poëzie als kompas in een onbekende stad. Zo hebben de stadsgedichten en in mindere mate ook de essays, van Nasr voor mij gewerkt, maar de bundels zijn zeker niet alleen interessant voor diegenen die Antwerpen kennen of willen leren kennen.

    onze-lieve-vrouwe-zeppelin
    Een jaar geleden besloot ik te verhuizen naar Antwerpen. Een stad die mij vrijwel onbekend was, maar waar ik vanaf mijn eerste bezoek een soort van verliefdheid voor ontwikkelde (wat wil je, als één van je eerste indrukken van de stad een enorm gedicht van Tom Lanoye is op de Boerentoren, waar poëzie op broodzakken wordt verspreid en waar torens liefdevol tegen kathedralen praten en ondersom). Ik besloot de stad te leren kennen door de poëzie en kwam al snel uit bij de toenmalige stadsdichter. Het bleek een goede keuze. Poëzie binnen een stadsdichterschap werkt anders – misschien zeker wel binnen een stad als Antwerpen, waar alles politiek is en waar iedereen zich met alles bemoeit wat over ‘t stad gaat. Niet alleen werden de gedichten in opdracht van de stad geschreven, in veel gevallen lag er ook een concrete gebeurtenis (de opening van een nieuwe bibliotheek of integratiegebouw, de introductie van een nieuw logo voor een universiteit) of verzoek (iets te schrijven over kansarmoede) aan ten grondslag. Zo kon de poëzie functioneren als een soort kapstok om kennis te maken met de stad. 

    Door de gedichten heen klinkt een soort bewijsdrang, wat in dit geval de poëzie ten goede komt: Nasr is als (relatieve) buitenstaander in de stad gedoken, probeert van buitenaf door te dringen in de kern van een stad. De vele charmes van de stad worden geprezen en Antwerpse iconen als Wannes van der Velde en de Zoo en haar geschiedenis komen voorbij. Maar Nasr is er niet op uit de Antwerpenaren een veer in hun, excusez le mot, achterste te steken: misstanden worden niet geschuwd. Wie de gedichten leest, leert over Antwerpen-Noord, berucht om zijn problemen met drugs en prostitutie, waar de nieuwe stadsbibliotheek werd geopend, de huisjesmelkerij en het racisme. Het zijn pagina’s lange, lyrische gedichten, allen zeer leesbaar. Gewichtigheid en zwaarte worden gerelativeerd door humor. Nasr doet in zijn stadsgedichten geen knieval betreffende kwaliteit, maar brengt wél poëzie die toegankelijk is voor een breed publiek – zonder de spanning van de taal af te halen. Het zeer persoonlijke commentaar, de achtergronden bij de gedichten en bij het invullen van een stadsdichterschap geven de bundel een mooie meerwaarde, net als de oude foto’s waarmee deze is geïllustreerd en de fraaie vormgeving van Dooreman, die eerder ook de vormgeving voor de verzamelde stadsdichten van Tom Lanoye verzorgde. 

    Van de vijand en de muzikant
    De in deze bundel samengebrachte stukken verschenen voor het merendeel al eerder in dagbladen als NRC Handelsblad en De Standaard. De bundel bestaat uit twee gedeelten: twaalf essays in Van de muzikant en tien in Van de vijand. Nasr is gepassioneerd en schrijft helder en persoonlijk over zijn hartstochten: klassieke muziek, kunst, cultuur en politiek. Alle ingrediënten voor een boeiende bundel zijn aanwezig: passie, betrokkenheid, grondige documentatie, originaliteit, openheid, zeer helder taalgebruik, humor, zelfspot en genuanceerdheid. Nu is genuanceerdheid een zeer prijzenswaardige eigenschap, maar in essays kan het echter de spanning voor de lezer wel bevorderen als er zo nu en dan duidelijk stelling wordt genomen. Vooral in het eerste gedeelte van de bundel blijven te veel bijdragen hangen op het niveau van anekdotes en beschrijvingen. Goed leesbaar, interessant en leerzaam bovendien (en passant leert de lezer iets over de geschiedenis van Antwerpen, de Vlaamse maniëristen, Sjostakovitsj, Indonesische en Palestijnse poëzie). Maar toch ontbreekt er iets. Het blijft allemaal wat mat. Pas als de politiek aan bod komt, of als Nasr de Nederlandse mentaliteit onder de loep neemt, worden de stukken vlammende betogen, wordt er duidelijk stelling genomen en volgen er scherpe analyses van Nederland en het Israëlisch-Palestijnse conflict (hierin zijn de eerder genoemde genuanceerdheid en de redelijkheid van Nasr een verademing). Dat zijn de essays die echt interessant zijn. In Holland the movie: ‘In een land waar iedereen eerlijk zegt en doet wat hij vindt, heerst geen waarachtigheid meer. Waarachtigheid bestaat slechts bij een ingehouden gebruik van de vrijheid. Waarachtigheid is een vorm van minimaal liegen. Dat is geen paradox. Dat is beschaving.’

    Het tweede gedeelte van de bundel is, om bovenstaande reden, een stuk interessanter dan de eerste helft. Zo is er De nieuwe realiteit, wat aanleiding was voor het Belgisch Israëlisch Weekblad een hetze tegen Ramsey Nasr en zijn benoeming als stadsdichter te beginnen. Door het commentaar bij de stukken wordt het sneeuwbaleffect van dergelijke acties in de media pijnlijk duidelijk, net als de hysterie die het kan veroorzaken. Iets dergelijks deed zich ook voor met de polemiek tussen Nasr en Walter Pauli, adjunct-hoofdredacteur van De Morgen, die zeer vuil en onder de gordel reageerde op een artikel over de aanwezigheid van de Israëlische ambassade op de Boekenbeurs. De polemiek was in Vlaanderen al uitvoerig te volgen in de dagbladen De Standaard en De Morgen.                                                                     &nbsp
    ;                                                                                                                               Het zijn juist deze stukken die de kracht van de schrijver Ramsey Nasr laten zien: door taal overtuigen en mensen hun ongelijk geven door middel van de kracht van taal. 

    Ramsey Nasr
    onze-lieve-vrouwe-zeppelin. Antwerpse gedichten (De Bezige Bij, 2006),
    ISBN 90-234-1983-9
    Van de vijand en de muzikant. Essays, artikelen, opiniestukken (De Bezige Bij, 2006)
    ISBN 90-234-1984-7
    De bundel van Tom Lanoye waarnaar verwezen wordt is Stadsgedichten (Manteau/Prometheus, 2005). ISBN 90-234-1868-0.

    Anne-Marie van der Poel