• Koetsier Herfst, Charlotte Mutsaers

    Veertien jaar na haar overweldigend goede roman Rachels rokje, en negen jaar na haar laatste verhalenbundel Zeepijn, ligt er weer een roman van Charlotte Mutsaers in de winkel. Een stevige pil, 461 pagina’s, een roman waar ze naar eigen zeggen zeven jaar aan heeft gewerkt. En met resultaat. De twee delen zijn genaamd ‘Use your illusion’ I & II, twee albumtitels van Guns ’n Roses die Mutsaers al bij verschijnen in 1991 met veel instemming zal hebben genoteerd, om ze ooit nog eens te gebruiken. Ze zijn hier uitstekend op hun plaats.

    Mutsaers’ hoofdpersonage is dit keer een man, de succesvolle Nederlandse schrijver Maurice Maillot, die na de succesvolle roman Zomerchloor een writer’s block heeft opgelopen en ook in de rest van zijn leven vastgelopen is. Hij heeft een ongelukkig huwelijk achter de rug, en het hem dierbaarste wezen op aarde ? zijn kat, is overleden. Hij sluit zich op in zijn huis, totdat hij op een dag besluit dat het zo niet langer kan. In het Vondelpark vindt hij een mobiele telefoon en met dit wondertje van de techniek weet hij zijn leven weer een beetje op gang te krijgen. De leus van Nokia is niet voor niets ‘connecting people’, meent hij. Door te fantaseren over de eigenares van de telefoon krijgt hij zijn libido weer vlot getrokken, hij ontmoet een man in een restaurant die hem weer aan het voorzichtig schrijven krijgt (waarin hij besluit dat hij de verbeelding nu aan de kant schuift en alleen nog te vertellen over wat hij echt meegemaakt heeft), hij bemachtigt een nieuw huisdier in de vorm van de poedel Slava en uiteindelijk ontmoet hij ook de liefde van zijn leven.
    Dat is een nogal fanatieke dierenliefhebster die lid is van het Lobster Liberation Front, en Maurice voor hun wittebroodsweken meesleurt naar Oostende, waar nogal wat kreeften schreeuwen om bevrijding, voordat ze op vreselijke wijze levend worden gekookt. Maurice voelt hier sympathie voor, aangezien zijn biologische ouders ook ooit opgekomen zijn voor een levend gekookt dier, in dit geval een circusnijlpaard. Hij zweert zijn voorliefde voor steaks af, wordt onder lichte dwang van zijn aanstaande (een drammerig en manipulatief kreng, maar dat lijkt Maurice niet te beseffen) vegetariër en steunt haar in haar door vis- en vleeseters als ‘terroristisch’ bestempelde werk.

    In het eerste deel vliegen de vreemde en speelse gebeurtenissen de lezer om de oren, dit is Mutsaers op haar best. De lichte toon die contrasteert met sommige gebeurtenissen, het vleugje moralisme ? zeker waar het dierenmishandeling betreft, is aanwezig, Maurice die als een verliefde puber onbevangen bidt tot Jorma Ollila, de CEO van Nokia, of verwachtingsvol masturbeert met de telefoon als fetisj, is onvergetelijk. In het tweede deel neemt het tempo af en wordt de relatie tussen Dora en Maurice bestendigd en uitgediept, wat soms nogal dweperige passages oplevert (ja, nu weet ik wel dat vis eten eigenlijk moord is, ja, nu weet ik wel dat je zielsverliefd bent), maar meer dan genoeg memorabele momenten biedt: Dora die een volleerd champagnekenner blijkt te zijn tijdens de plasseks en de geheimzinnige maar mooie passage op de Amandine, de laatste Oostendse IJslandvaarder.

    Het vreemde van Mutsaers’ besmettelijk vrolijke vertelstijl, is dat je haar volstrekt ridicule ontwikkelingen in het verhaal probleemloos vergeeft. Ik kan er de vinger niet op leggen, maar bepaalde gebeurtenissen zijn volstrekt ongeloofwaardig en bij veel andere schrijvers zou ik geërgerd zijn door deze inconsequenties, slordigheden of weeffouten. Bij Mutsaers is het bijvoorbeeld veel minder erg dat een nationaal bekende schrijver in het Vondelpark een collega buiten westen gooit met een mobiele telefoon, vervolgens het poedeltje van het nichtje van die collega steelt en verder niet meer wordt geconfronteerd met die daden. Noch komt het nichtje de hond ophalen bij de dief, noch komt de collega verhaal halen, of heeft hij aangifte gedaan bij de politie. Normaal gesproken zou ik dat een slordig of niet afgewerkt verhaallijntje vinden, maar Mutsaers weet het toch zo te brengen dat je ver meegaat in de gedachte dat de afwikkeling voor de rest van het verhaal waarschijnlijk niet van belang is. Of zoals Dora het verwoordt: ‘het leven is de literatuur niet, hè? Het leven hangt van toeval aan elkaar.’ Dus als Maurice besluit alleen nog maar over de werkelijkheid te schrijven, dan is er gelukkig altijd nog een trapje hoger de superieure schrijfster Charlotte Mutsaers, die genadeloos haar illusion blijft gebruiken.

    Charlotte Mutsaers, Koetsier herfst. Amsterdam, De Bezige Bij 2008 € 22,50

    Patrick Bassant ? Literair Vlaanderen

  • Lege handen, Katharina Hacker

    Dolende dertigers

    Zo nu en dan wordt de Nederlandse literaire markt verrijkt met een juweeltje van onze Oosterburen. Er wordt in Duitsland wel veel gepubliceerd, maar er wordt helaas niet bar veel in het Nederlands vertaald. Gelukkig geldt dat niet voor ‘Die Habenichtse’ van Katharina Hacker (1967). Een roman over dolende dertigers, die in 2006 de Deutsche Buchpreis won en die sinds kort in onze boekwinkels ligt onder de titel ‘Lege Handen’.
    Jakob heeft, na een onenightstand tien jaar geleden, altijd op Isabelle gewacht. Zij daarentegen, is besluitelozer. Ze had een verhouding met vriendin Alexa, en met collega Andras kwam een relatie niet van de grond. Het feit dat ze maar niet tot de aanschaf van een paar nieuwe schoenen over kan gaan, tekent haar doelloze gedraal in haar onsamenhangende bestaan. Haar baan als grafisch ontwerpster is haar houvast, maar ze doet het werk niet echt met verve. Isabelle loopt nergens warm voor. Als Jakob haar ten huwelijk vraagt zegt ze ja, en ze vertrekt met hem naar Londen.

    Jakob heeft de mazzel dat hij op 11 september 2001 zijn afspraak in het New Yorkse World Trade Center afgezegd heeft. In plaats van hem komt er een collega om het leven, en is Jakob de enige kandidaat voor een promotieplek in Londen. Hij is als advocaat gespecialiseerd in eigendomsrecht en houdt zich bezig met restitutiekwesties: het terugbezorgen van bezittingen aan de rechtmatige eigenaren. In Londen raakt hij mateloos gefascineerd door zijn directeur, de oudere homoseksuele dandy Bentham.
    Bij het kiezen van een woning is Jakobs oog min of meer toevallig gevallen op een huis in de wijk Camden in Noord-Londen. Terwijl hij zich door zijn werk laat opslurpen, zit Isabelle veel thuis, waar zij werkt aan illustraties voor een kinderboek. Vreemde geluiden uit het buurhuis lijken afkomstig te zijn van een ruziënd echtpaar dat het pand van een vermogend familielid heeft geërfd. Wat Isabelle eerst nog afdoet als storend burengerucht, wordt allengs erger en ze wordt geconfronteerd met Dave en Sara die zwaar door hun ouders verwaarloosd en mishandeld worden. Enkele huizen verderop woont Jim, een notoire drugsdealer. Ook hij hoort niet in deze buurt thuis, maar bewoont tijdelijk het huis van een kennis. Het kat-en-muisspelletje tussen Isabelle en Jim is gebaseerd op verveling en agressie. Hij zit vast in de raderen van het criminele circuit, zij blijft doelloos zoeken naar iets wat ze zelf niet onder woorden kan brengen.
    In elk hoofdstuk staat een ander personage centraal. De verhalen van Dave, Sara, Jim, Isabelle, Jakob en Andras wisselen elkaar af. Binnen de hoofdstukken wisselen de perspectieven soms wanneer twee personen met elkaar in contact komen.

    Erg interessant is de manier waarop de verschillende generaties worden neergezet. De dertigers leven in de huidige welvaart. Dat maakt van hen geen slechte mensen, maar ze zijn wel gemakzuchtig, doelloos, egocentrisch en zoekende. De diepgang komt van de oudere generatie. De jood Bentham (Bentheim) geeft Jakob in een sterke scène een college over het recht van de joden op hun panden die tijdens de Tweede Wereldoorlog door anderen ingenomen zijn. Ook krijgt Jakob via hem inzicht in dieper verdriet als Bentham hem vertelt over zijn overleden geliefde. De kinderen Dave en Sara groeien in nare omstandigheden op. Hen staat niets dan ellende te wachten. En zo blijven we elkaar generatie op generatie met treurige erfenissen opzadelen waar geen restitutierecht een gunstige wending aan kan geven.
    Een ander boeiend gegeven is de achtergrond waartegen het verhaal verteld wordt. Na 11 september 2001 staat de westerse wereld op zijn achterste benen met als tragisch hoogtepunt de oorlog tegen Irak vanwege vermeend bezit van chemische wapens. De angst voor aanslagen is in Londen alomtegenwoordig en zelfs de lethargische Isabelle begint batterijen, dekens, kaarsen en blikvoedsel te hamsteren. De sfeer is broeierig en warm. Isabelle doolt door de Londense straten, overgeleverd aan haar eigen gedachten en fantasieën. Dit is een impliciete verwijzing naar Virginia Woolf. De manier waarop Isabelle door Londen dwaalt en zich door haar eigen mijmeringen laat meeslepen, zijn in de stream of conciousnes-stijl geschreven waar Woolf zo beroemd mee geworden is.
    Katharina Hacker verwijst sterk naar Virginia Woolf (1882 ? 1941). In het boek wordt een paar keer gewag gemaakt van een te ondernemen wandeling naar Kew Gardens. Een plek waar Woolf graag kwam en waar ze een mooi verhaal over geschreven heeft (‘Street Haunting’, Pocket Pinguin 44). Verder raadt een collega Jakob aan de roman ‘Jacob’s Room’ (1922) te lezen. Een boek over de adolescent Jacob die, samen met zijn vrienden, in de beginjaren van de vorige eeuw tot een ‘lost generation’ behoorde. Zijn onbekommerde leven werd verstoord door het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog. De goed verstaander ziet hierin de parallellen met Hackers eigen roman.
    De schrijfster verplaatst de stijl van haar illustere voorgangster naar de tijd van nu. In een sterke geëngageerde roman vol zoekende personen zet ze een rauw verhaal neer dat je laat nadenken over de harde tijd waarin we leven. Een tijd waarin iedereen met zichzelf bezig is. Maar of het nu het misdadige gekonkel van Jim is, de carrièrezucht van Jakob of de overlevingsdrang van de kleine Sara, iedereen wil maar één ding: liefdevolle aandacht.

    Pauline van der Lans

    Katharina Hacker ? Lege Handen
    Vertaling Ineke Lenting

    Uitgeverij Meulenhoff 2007

  • Vrouwland, Rachida Lamrabet

    Vlaanderen is lang achtergesteld op het gebied van nieuwe literatuur.
    Zoals dit er nu staat, is het een belachelijke uitspraak, dus dat zal ik even nuanceren.
    Er is niets mis met de vooruitstrevende positie van Vlaamse schrijvers binnen de Nederlandstalige literatuur. Er zijn genoeg romanvernieuwers geweest die sinds de jaren ’60 van de twintigste eeuw hun stempel hebben weten te drukken (denk aan auteurs als Ivo Michiel, Daniël Robberechts en Gust Gils). Er zijn ook auteurs geweest die probleemloos hun Nederlandse collega’s in tranen achterlieten (Hugo Claus en Louis Paul Boon). Er zijn nog steeds schrijvers die trots vooraan de voorhoede van de moderne literatuur marcheren (Peter Verhelst, Pol Hoste, Saskia de Coster). Maar om de een of andere reden is er in Vlaanderen nog geen belangrijke auteur van oorspronkelijk buitenlandse afkomst gesignaleerd. Nederland is verrijkt met auteurs als Rodhan Al Galidi, Abdelkader Benali en Hafid Bouazza en daar is ook Het huis van de moskee van Kader Abdolah verkozen tot één-na-beste roman aller tijden. Nu is het natuurlijk een volstrekt irrelevant gegeven waar die schrijvers oorspronkelijk vandaan komen of waar hun familiewortels liggen, en al net zo irrelevant waar ze nu wonen en welke nationaliteit ze nu hebben. De een overweegt naar België te verhuizen (Al Galidi) en de ander wordt pisnijdig als men hem als allochtone schrijver probeert aan te spreken (Bouazza ? een van de weinige levende schrijvers die de complete Van Dale uit zijn hoofd kent). Ze schrijven in het Nederlands, en daarop moeten ze worden beoordeeld en daarom moeten ze wel/niet worden gelezen.

    Je zou daarom kunnen argumenteren dat het eerste boek van de juriste Rachida Lamrabet weer een aanvulling is op de Nederlandstalige literatuur en punt uit. Toch is het echt een heuglijk feit dat Vlaanderen na jaren stinkjaloers kijken naar de Nederlandse-talenten-met-een-vreemde-achternaam, eindelijk een auteur heeft gekregen om zelf te omarmen. Of de auteur dat nu wil of niet, ze neemt wel degelijk een unieke positie in, in een land waar het benepen nationalisme en de tunnelvisie de actualiteit bepalen.

    Vrouwland is een verhaal dat gebouwd is om verschillen. Verschillen tussen Marokko en Europa, verschillen tussen mannen en vrouwen, verschillen tussen traditionele islam en het kapitalistische en egoïstische Westen. Ondanks het feit dat de personages aanvankelijk nogal schematisch overkomen (de ruimdenkende Europese man, de carrièrejagende vrijgevochten vrouw, haar in de criminaliteit wegzakkende broer, de flierefluiter die zich ingraaft in het geloof, de gelukszoeker en de hardwerkende gastarbeider), weet Lamrabet gaandeweg het boek een steeds aangrijpender en overtuigender verhaal te vertellen. Een vrouw die zich bewust is van haar kwaliteiten en niet bereid is zich in de webben van haar familie te laten spinnen, geeft in een lichtzinnige bui, tijdens een vakantie in het land van haar ouders, het ja-woord aan een jongen. Zodra ze het dorp verlaat, is ze die belofte vergeten, maar de smoorverliefde jongen verdrinkt in een poging haar in Europa te zoeken. De vrouw is ondertussen hard bezig een politiek carrière op te bouwen en schenkt er aanvankelijk weinig aandacht aan. Het land van herkomst blijft echter aan haar trekken: zowel haar familieleden als kennissen van die jongen trekken haar terug naar Marokko en naar een poëtisch slot van de roman.

    Vrouwland is een beheerst verteld verhaal, zonder wilde uitbarstingen en zonder woeste stilistische uithalen. Nergens wordt de roman een pamflet; er wordt niet gekozen voor de vrijheid van het Westen of de sterke familiewaarden van het Zuiden, voor de carrière noch voor de traditie. Er worden wel klauwen uitgestoken naar de opportunistische manier waarop het Westen omgaat met politici van allochtone afkomt (goed als stemmentrekker; daarna parkeren in een schaduwfunctie) en de Marokkaanse rigiditeit (een vrouw alleen kan daar geen hotelkamer boeken en liever niet zonder djellaba naar de markt), maar het boek veroordeelt niet. Het laat de lezer de keuze, en die keuzes zijn complex.
    Dit is niet een boek dat stelling neemt tegen iets, maar nuanceert. Een boek dat je laat nadenken over alle verschillen waar vrijgevochten Westerlingen en traditiegerichte (ex-)Marokkanen mee te maken hebben. Een boek waar iedereen die bereid is enige denkkracht in de huidige maatschappij te steken, dus iets aan heeft. En iedereen die een gevoelig boek wil lezen zonder de sentimentaliteit van een Vliegeraar. En iedereen die nieuwsgierig is naar nieuw Vlaams talent. Of schrijvende juristen. Of wat voor etiket je ook op deze veelbelovende schrijfster wil plakken.

    Rachida Lamrabet, Vrouwland, Amsterdam/Antwerpen, Meulenhoff/Manteau 2007

    Patrick Bassant ? Literair Vlaanderen

  • Poppy Shakespeare, Clare Allen

    De Engelse geestelijke gezondheidszorg op de korrel

    Met haar debuutroman Poppy Shakespeare geeft de Engelse schrijfster Clare Allen (Liverpool, 1970) de lezer een inkijkje in de Engelse geestelijke gezondsheidszorg. Allen heeft zelf een verblijf van tien jaar in een psychiatrische instelling achter de rug en maakte als ervaringsdeskunige van haar memoires een gefictionaliseerd verhaal. Om uit de psychiatrie te geraken volgde ze, op aanraden van haar sociaal assitente, een cursus creatief schrijven aan de East Anglia Universiteit te London. Het werd een verbluffende en verrassende kritische satire op een leefwereld die zo zijn eigen wetten heeft en zijn eigen opvattingen heeft over wat ‘abnormaal zijn’ is. De rode draad door het verhaal is de vrije meningsuiting en meer bepaald de discrepantie tussen de ervaring en de expressie van een mening.
    Het verhaal wordt verteld vanuit een verteller, de psychiatrische patiënte N., en speelt zich af in een psychiatrisch instelling, Abaddon, in het noorden van Londen. Deze N. krijgt de opdracht om een nieuweling, Poppy Shakespeare, wegwijs te maken in het reilen en zeilen binnen deze instelling. Architecturaal ziet de Abaddon eruit als een torengebouw met acht verdiepingen die dienst doen als een hiërarchisch uitdrukking van het niveau van ‘gek zijn’. Hoe hoger men daar verblijft, hoe gekker men is. Helemaal beneden, op het gelijksvloers, heeft men de dagpatiënten, van één tot zeven zitten de geïnterneerden en op de achtste verdieping zitten de finaal maatschappelijk afgeschrevenen. De patïenten op het gelijkvloers zijn specialisten in het roken van sigaretten en hebben er een streefdoel van gemaakt om niet uit de instelling ontslagen te worden, om zo psychisch labiel mogelijk over te komen. De norm is zo abnormaal en zo krankzinnig mogelijk zijn.
    Wie daar niet wil aan meedoen is Poppy Shakespeare. Na mee te hebben gedaan aan een persoonlijkheidstest ten behoeve van een sollicitatie werd ze doorverwezen naar het Abaddon. Ze doet er dan ook alles aan om ontslagen te worden, maar dat verloopt niet van een leien dak want ze doet zich te veel als normaal voor in de ogen van het personeel en volgens de normen binnen Abaddon. Ze krijgt echter hulp van N. en ze hoopt dat een advocaat haar kan helpen, dat hij haar psychische gezondheid kan bewijzen. Maar daar wringt ook het schoentje en het doet ietwat Kafkaïaans aan: de verhoopte advocaat kan pas voor haar pleiten als ze officieel gek wordt verklaard (dan pas krijgt ze een uitkering en kan ze hem betalen). Van ironie gesproken. Clare Allen slaagt erin om de lezer verschillende visies over ‘gek zijn’ te laten doordringen. De opvattingen over ‘normaal zijn’ zijn immers (sub)cultureel bepaald en dat wordt ook met mondjesmaat aangebracht.
    Een groot deel van het verhaal speelt zich af in de gemeenschappelijke ruimte op het gelijkvloers, bij de dagverblijvers die hopen op een langer verblijf. De satirische beschrijvingen daarvan hebben veel weg van een romaneske Big Brother-vertoning. De meeste patiënten zijn volledig op zichzelf betrokken, hebben geen werk, geen huis, geen sociaal netwerk buiten de muren, slikken vele pillen wat hen ook achterdochtig maakt. Zo denken sommigen dat ze in Big Brother meedoen omdat er een doorkijkspiegel in de gespreksruimte hangt. Wanneer er dan stelselmatig iemand vertrekt, denken de patiënten dat die dan weggestemd is door het publiek.
    Poppy Shakespeare is een aangenaam te lezen boek met bijzonder veel levensecht gemaakte psychiatrische patiënten. Ze is erin geslaagd om een ernstige thematiek met veel ironie, humor en absurditeiten te beschrijven. Het is een manier om de werkelijkheid te representeren, maar na het lezen blijft er bij deze lezer toch een zeker wrang nagevoel heersen. Het is vooral jammer dat de wegen terug naar de buitenwereld geblokkeerd geraken door een aantal verankerde structuren en commerciële motieven. En als we de prognoses voor de toekomst mogen geloven, wordt het er niet beter op. Meer mensen zullen de druk van de ratrace niet meer aankunnen, waardoor de vlucht uit de realiteit voor hen de beste oplossing. Allen schrijft nu maandelijks een artikel voor de Guardian over de gezondheidszorg en ze werkt aan een tweede boek. Voor een als ‘psychiatrisch’ omschreven patiënte schrijft ze echter wel niet te gek.

    Poppy Shakespeare
    , Clare Allen, Uitgeverij Meulenhoff

    Geert Beernaert

  • Held, Saskia De Coster

    Iets meer dan een jaar na haar goed ontvangen derde, Eeuwige roem, ligt er weer een nieuw boek van De Coster in de winkel.

    In het eerste deel neemt een meisje met een eetstoornis een autistische jongen op sleeptouw om middels een logisch doorgevoerd maar volstrekt absurd plan een doof-stom-blinde jongen weer te leren praten. Zo samengevat lijkt het idioot, maar De Coster weet die idiotie binnen de leefwereld van de personages zo volstrekt rationeel te brengen, dat je als lezer er probleemloos in meegaat en het rariteitenkabinet als logisch accepteert. Als de personages Lien en Marcus een cavia een bamibal voeren omdat hij altijd maar vieze korrels krijgt en daarom niets zegt, dan accepteer je direct daarop de redenering dat het mogelijk moet zijn woorden uit dat beestje los te knippen. En als Lien en Marcus ter verantwoording worden geroepen door de schooldirectrice, leef je met ze mee als die vreselijke vrouw alle pogingen tot uitleg genadeloos opzij schuift.
    In het tweede deel van de novelle, dat zich twintig jaar later afspeelt, gaat Lien, inmiddels journalist, op zoek naar iemand die haar vroegere vijand-en-tegelijk-bloedbroeder wel eens zou kunnen zijn. Hier neemt het tempo iets af en krijgt de novelle een wat hoger soortelijk gewicht. De confrontatie tussen de twee wordt uitgesteld, maar dan komt alles in een mooie apotheose bij elkaar: de kracht van het vertellen van verhalen, de macht van woorden, de haat/liefderelatie, de niet-waarneembare verschillen tussen de waanzin van oorlog en een naderend orgasme en zelfs een halfmystieke eenwording van twee zielen.

    Ook in eerdere boeken is er sprake van een tegenstelling tussen twee figuren die op de een of andere manier tot elkaar veroordeeld zijn. In haar debuut Vrije val waren dat Charlotte en Atlantis, die samen op een schip worden gezet als onderdeel van een experiment of een straf en die elkaars lichamelijke afwijkingen gebruiken om voedsel te vangen. In Jeuk zijn dat kroonprins Carl en zijn bastaardbroer Boris, waarbij Boris vooral leeft om zijn broer te haten en te vernietigen. In Eeuwige Roem zijn dat Julie en Babs, die elkaar bij tijd en wijlen tegenkomen en hoewel ze absolute tegenpolen zijn, elkaar als een spiegelbeeld in de gaten houden en zelfs een heftige amourette beleven. In Held tenslotte, is het dus de aanwezigheid van een sullige en ‘gestoorde’ klasgenoot Marcus die de hoofdpersoon Lien, zelf een eenzaam ‘watje,’ de kans geeft zich te profileren en hem mee te slepen in haar plannen. Van zijn motieven komen we weinig te weten, maar het feit dat hij steeds achter haar aan blijft lopen en alleen met haar een klein beetje contact kan maken, wijst er toch op dat ook hij zich wat meer compleet voelt als hij in de buurt van Lien is.

    Ook bekend uit eerder werk is het meisje dat zich haar hele kindertijd feilloos weet te herinneren. Zo weet Lien nog wat haar vader tegen haar zei toen ze vlak na haar geboorte zonder moeder het huis betraden. En ook hebben we al eerder kennisgemaakt met pratende voorwerpen, in die boek vertegenwoordigd door de mevrouw van de gps, een nieuwsgierige bemoeial die Lien niet alleen kan laten en liever wijsgerige observaties rondstrooit dan de weg te wijzen.

    In haar vierde boek in zes jaar, geschreven in de schrijversflat op het Spui in Amsterdam, toont De Coster zich wederom een eigenwijze schrijfster met een geweldige stijl. In deze fijne novelle herkennen we thema’s uit eerder werk en laten we ons weer meeslepen door het hoge tempo, de geharnaste zinnen en de ijzeren logica van de personages. Je hebt het in anderhalf uur uit, maar het blijft nog dagen door je hoofd spoken.

    Saskia De Coster, Held, Amsterdam uitg. Prometheus, € 14,95

    Patrick Bassant ? Literair Vlaanderen

  • Petropolis, Anya Ulinich

    ‘Fuck’ is een flexibel woord

    In de roman ‘Petropolis’, is hoofdpersoon Sasja Goldberg een liefhebster van Dostojevski’s ‘De Idioot’. Waarschijnlijk is dat tevens de literaire voorkeur van de auteur, want Anya Ulinich (1973) gaat, net als in het boek van de grote Russische schrijver, uit van het goede van de mens. Evenals Dostojevski zet ze behoorlijk absurde karakters neer. Vooral in Sasja, de in Siberië wonende negroïde puber van joodse komaf, komt dit tot uitdrukking. Haar bedillerige moeder, Loebov, kan er ook wat van, om maar te zwijgen van haar lamlendige vader Victor, die naar Amerika vertrekt en daar een nieuw gezin sticht. Waar is de psychoanalyse als je haar nodig hebt? Niet in het ijzig koude Siberische dorp Asbest 2, zoveel is duidelijk.
    In deze noordoosthoek van het Rusland van 1997 is de glasnost nog maar mondjesmaat doorgedrongen. Er is vrijheid, maar alles ademt nog de sfeer van het communisme. Deel één van het boek handelt over de veertienjarige Sasja. Ze zit op middelbare school nummer 13, woont in district 3 van Asbest 2 en volgt een avondcursus in gebouw ‘Na het eten’ in district 7. Ze wordt verliefd op een mislukte kunstenaar, die op een vuilnisbelt woont. Eindelijk is er eens iemand lief voor haar, maar het op goed geluk af en toe twee anticonceptiepillen innemen kan niet voorkomen dat ze zwanger raakt.
    Loebov grijpt in. Dit is niet het leven dat ze voor haar dochter voor ogen had. Voor Sasja geen armoede, viezigheid en kou. Voor Sasja geen schaarse maaltijden die in een grote pan worden aangestampt met de in cellofaan verpakte ‘Volledige Biografie’ van Nikolaj Gogol. Haar Sasja is een kunstenares en via slinkse wegen meldt ze haar aan op de kunstacademie, het Repinlyceum, waar dochterlief al snel door de mand valt. Baby Nadja houdt Loebov voor zichzelf.
    In deel twee trekt Sasja haar eigen plan. Ze is inmiddels zestien, maar doet zich ouder voor. Via een speeddate-sessie van relatiebemiddelingsbureau ‘Kupids Klub’ wordt ze, onder het toeziend oog van Dostojevski, aan een Amerikaan met albasten tanden gekoppeld. Haar leven in Arizona wordt gevuld met obligate seks en magnetronmaaltijden en al snel vraagt ze zich af of ze er, afgezien van het betere klimaat en de poster van Jim Morrison, eigenlijk wel op vooruit gegaan is. No way. Ze pakt haar koffers en vertrekt naar Chigago.
    Ze komt in deel drie als dienstmeisje bij rijke joodse Amerikanen terecht, waar de vrouw des huizes haar als ‘troeteljodin’ opvoert tijdens protserige benefietavonden onder de naam ‘Operatie Exodus’. Of ze nu in Asbest 2 woont, in Arizona of in Chigago: de benauwenis verstikt haar als een vochtige deken. Weer kan ze geen kant op. De redding komt van de zwaar gehandicapte zoon Jake. Een verbitterde spastische jongen, die gevangen zit in zijn eigen lichaam. Hij begrijpt maar al te goed dat Sasja wil ontsnappen en helpt haar aan het adres van Victor.
    De teleurstelling is groot als Sasja haar verhaaltjes vertellende vader terugziet als uitgezakte nietsnut die haar bestaan ontkent. Met hulp van zijn nieuwe vrouw bouwt ze een eigen leven op en wordt ze een echte Amerikaanse met een baan en een flat. Van haar gespaarde geld brengt ze een bezoek aan Asbest 2. Het laatste deel van het boek zet sprongen in de tijd, en vertelt hoe het weerzien tussen Loebov, Sasja en Nadja verloopt. Ook maakt Sasja een keuze tussen Rusland en Amerika, en laat ze eindelijk de liefde toe in haar leven.
    Schrijfster en Ruslandkenner Sylvia Witteman roept ons op de boekcover toe dat het om een ‘humoristisch meesterwerk’ gaat. Een leuk lokkertje en er staan zeker grappige scènes in. Als je een laag dieper te kijkt dan schuurt en schrijnt het. Daar zien we de kille leegte in het dagelijks leven in Rusland en de emotionele armoede van Amerika. De Amerikaanse succescartoon ‘Beavis and Butthead’ wordt dan wel in het Russisch nagesynchroniseerd, maar echt blij word je niet van het feit dat deze lethargische pubers ook al tot voormalig Oostblok zijn doorgedrongen.
    Het boek is geschreven vanuit Sasja’s perspectief. Diepere emoties legt ze vast in ooit te versturen brieven aan dochtertje Nadja. Ook worden op deze wijze gebeurtenissen samengevat. Deze vertelstructuur keert op belangrijke momenten terug. Een situatie wordt via een brief aan Nadja ingeleid, gevolgd door een dialoog en eindigt op beschrijvende toon.
    Ulinich hanteert een alwetende verteller om de levensgeschiedenissen van Victor en Loebov neer te zetten. Loebov vergelijkt de ooit zo prachtige stad Petrograd (later Leningrad en nu Sint Petersburg) met het zieltogende Asbest 2. Zie wat er aan levensloze bagger ontstaat na verwoesting. Een postapocalyptisch oord, zou de joods Russiche dichter Osip Mandelstam (1891-1938) zeggen. Waarna Loebov in gedachten zijn gedicht ‘Petropolis’ reciteert. Een gedicht uit de bundel ‘Tristia’, niet voor niets, zo zal blijken, het lijfboek van Victor.
    Ulinich besteedt veel aandacht aan de groten uit haar moederland. Blijft ze wat de Amerikanen betreft, met een loffelijke uitzondering voor Jim Morrison, steken bij ‘Beavis and Butthead’ en ‘Saturday Night Live’, de Russen kunnen niet stuk. Extra aandacht is er voor Vladimir Nabokov (1899 ? 1977), net als Anya Ulinich en Sasja Goldberg een Rus die voet aan de grond kreeg in Amerika. Zijn autobiografie ‘Speak, Memory’, waarin een idyllische wereld verstoord wordt, speelt een belangrijke rol. Als Sasja op een cruciaal moment bijna lijfelijk ervaart dat de personages haar een boodschap sturen, neemt ze een belangrijke beslissing.
    Anya Ulinich en Sasja Goldberg hebben veel gemeen. De schrijfster is op haar zeventiende van Rusland naar Amerika verhuisd en Sasja’s verbazing zal in veel gevallen die van haar zijn geweest zijn. Als je de armoede van het noordoosten van Rusland gewend bent, kun je je niet voorstellen dat er voorgesneden brood bestaat. En gratis plastic tasjes! Pizzabezorgers! En dan die vrijheid van de Engelse taal! Wat is ‘fuck’ eigenlijk een flexibel woord! Je kunt het te pas en te onpas gebruiken.
    Ook de op haar eigen belangstelling gebaseerde kunstenaarsambities van Sasja komen aan bod. Anya Ulinich is van huis uit kunstenares en heeft het boek speels geïllustreerd. De verwijzing naar de beroemde Russische schilder Ilja Jefimovitsj Repin (1844-1930) is veelzeggend.
    ‘Petropolis’ is een toegankelijke roman die op twee manieren gelezen kan worden. Enerzijds is het een ontwikkelingsroman van een meisje dat zich losmaakt van haar overbezorgde moeder om ‘the American dream’ na te jagen. Anderzijds geeft het een beeld van de Oost-West verhoudingen na Perestrojka. Humoristisch is dat zeker niet, eerder is het zó pijnlijk karikaturaal, dat je je serieus afvraagt op welk continent je beter af bent. Kijkend naar deze diepere laag, in combinatie met de aandacht die Ulinich geeft aan de Russische literatuurgeschiedenis, heeft Witteman wel gelijk als ze ‘Petropolis’ een meesterwerk noemt.

    Pauline van der Lans

    Anya Ulinich ? Petropolis
    De Arbeiderspers 2007
    Vertaling: Dennis Keesmaat
    www.anyaulinich.com

  • en roman van aan elkaar geprate novelles

    Toen Marc Dutroux in juni 2004 veroordeeld werd tot levenslang wegens onder andere het ontvoeren, misbruiken en vermoorden van diverse meisjes, kwam er een officieel eind aan een verwarrende periode. Verdwenen kinderen, massa hysterie, de klucht rond Dutroux’ ontsnapping, complottheorieën en een politieapparaat dat volledig in z’n hemd stond: beschamende Belgische toestanden die de ziel van het land ingrijpend hebben aangetast. Twee jaar later werden de meisjes Nathalie en Stacy na twee weken intensief zoeken vermoord teruggevonden, en ook in 2006 schoot een racistische puber in Antwerpen de allochtone Oulematou Niangadou en haar oppaskindje Luna dood.

    Sporen van deze gebeurtenissen hebben hun weg naar de Vlaamse literatuur gevonden. Voorbeelden hiervan zijn Walter van den Broeck, Verdwaalde post (1998), Jeroen Olyslaegers, Open gelijk een mond (1999), Koen Peeters, Acacialaan (2001) en Tom Lanoyes Monster-trilogie (1997-2002). Nu is Kristien Hemmerechts’ nieuwe roman verschenen, met de overduidelijke titel In het land van Dutroux. Wat weet zij na al die jaren toe te voegen aan de zaak-Dutroux en de manier waarop daar in literatuur op gereageerd wordt?

    Het boek is opgebouwd uit vijf delen. In elk deel staat een personage centraal dat zijdelings of direct met de andere personages verbonden blijkt. Zo is er de dochter van een garagehouder die zich aan zijn dochters vergrepen heeft, een man die verdacht wordt van de moord op een vrouw die meeliep in de Witte Mars, een pensionhoudster die haar scheiding aan het verwerken is, de dochter van bovengenoemde Witte Mars-vrouw, en een kunstschilder die alles van een afstand probeert in ogenschouw te nemen. Voorts zien we nog een getraumatiseerde zus, een depressieve carrièrevrouw met een hekel aan alle mannen, een tiran van een vader, een moeder met een lastige puberzoon, een liefdeloze vrouw die alleen ‘rauwe, onversneden seks’ zoekt, een voyeuristische Chinees, een man die zijn vrouw verlaat voor de kokkin, een legertje halfzussen etc. Dit rariteitenkabinet zou dan een doorsnee van de Vlaamse bevolking moeten zijn. Dan is het erger met België gesteld dan ik dacht, want aan werkelijk alle personages zit wel een steekje los. Het land van Dutroux wordt bevolkt door gevaarlijke gekken en getraumatiseerde slachtoffers. En allemaal worstelen ze op hun eigen manier met liefde, voor hun kinderen, hun ouders of hun partners.

    Een van de personages zegt: ‘België moet Dutroux dankbaar zijn. (…) Dankzij hem kan iedereen een wit gewaad aantrekken dat de witte staat van zijn ziel weerspiegelt.’ (p.302) En dat is precies wat er niet gebeurt. Het is juist andersom: dankzij Dutroux worden alle rotte plekken op ieders ziel zichtbaar. En iedereen probeert met zichzelf in het reine te komen, in dit boek overigens vervelend vaak door ‘de’ man, die natuurlijk dichtbij Dutroux staat, aan te vallen. Een kleine bloemlezing: “‘Ik ben blij, Aline, dat je eindelijk begrijpt dat vrouwen alleen op vrouwen kunnen rekenen.’” (p.376) “‘Jullie zijn allemaal hetzelfde,’ roep ik terwijl ik hem met mijn knie probeer te schoppen. ‘Jullie denken maar aan één ding!’” (p.175) en “Ze is een vreemd, kil en vijandig wezen; ze is de dochter van haar vader.” (p.163)

    Hemmerechts neemt de lezer aan het handje. En als ze vreest dat het te moeilijk wordt, neemt ze haar toevlucht tot twee mooie stijlmiddelen: de uitleg of de herhaling. Eerst de uitleg. Het lijkt niet de bedoeling te zijn dat de lezer zelf na hoeft te denken of wellicht iets verkeerd zou kunnen interpreteren. Dus krijgt de lezer alles op een presenteerblaadje aangeboden: “…stopt er een zwarte DS met Nederlandse nummerplaten voor de garage. Een zwarte godin: DS, déesse, godin.” (p.36) of “Het [pension] heet Algera. Aline en Gerard, Al-gera.” (p.100).
    Om de gebeurtenissen duidelijk te maken, kan het soms ook handig zijn bepaalde mededelingen herhaaldelijk te doen, in de hoop dat er iets bij de lezer blijft hangen. Dan lezen we passages als: “Ze hield van hen omdat ze niet van mij kon houden. Ik was te hard. Te onvoorspelbaar en te hard. Ze had het geprobeerd, maar het lukte niet. Niemand kon van mij houden. Ik was een harde. Een bikkelharde.” (p.205) of deze aan duidelijkheid niets te wensen overlatende dialoog:
    “‘Ik weet het niet. Ze is gisteren niet thuisgekomen.’
    ‘Waarom niet?’
    ‘Dat weet ik niet.’
    ‘Hoe weet ge dat niet?’
    ‘Ik weet het niet.’
    ‘Is ze niet naar de Witte mars geweest?’
    ‘Ja, ze is naar de Witte mars geweest.’
    ‘En ze is niet thuisgekomen?’
    ‘Nee, ze is niet thuisgekomen.’” (p.228-229)
    Nog een staaltje dialoogkunst: “‘Laat hem daar staan, Ben. Hij staat daar goed, Ben. Er hangt zand aan de wielen, Ben.’” (p.352) Let wel: dit is niet gericht tot een kind, maar tot een volwassen man.
    Als Hemmerechts afdaalt in de beweegredenen van een man, dan komen er onzinredeneringen uit als: “Ze brengt hem geen ongeluk. Ze brengt hem geluk én ongeluk.” En “niet voor zichzelf, maar voor Ana Lucía. En ook voor zichzelf.” (beide p.374)

    In het land van Dutroux is een eendimensionaal boek geworden (of eigenlijk enkele aan elkaar geprate novelles), in een door overbodigheden en herhalingen gekenmerkte vertelstijl, met her en der slordige fouten (zo wordt Hans Van Themsche gespeld als Van Temsche) met een ongeloofwaardig hoog percentage verknipte lieden, zonder interessante duiding van de gebeurtenissen die de aanleiding vormden voor de titel.
    Waarom niet geschreven hoe men in dat land van Dutroux aankijkt tegen periode ná Dutroux, wat er veranderd is in de omgang met de zaak rond Van Themsche of Nathalie en Stacy, hoe men omgaat met de collectieve schuldgevoelens over kindermisbruik en rechts-extremisme, om het even wat, iets wat deze roman uit zou tillen boven het gedoe van een paar individuele getroebleerde Belgen.

     

     

     

  • In de beste familie, Rachel Cusk

    De tijden van weleer keren nooit meer terug

    Even denk je in ‘Brideshead Revisited’ van Evelyn Waugh beland te zijn, om je vervolgens af te vragen of je misschien te maken hebt met een van de Oxfordromans van Iris Murdoch. Niets is minder waar. Wel is de Engelse schrijfster Rachel Cusk (1967), met behoud van haar eigen stijl, in haar nieuwste boek ‘In de beste Familie’, schatplichtig gebleven aan haar illustere voorgangers.

    De eenvoudige twintiger Michael is volledig in de ban van de aristocratische familie van zijn studiegenoot Adam Hanbury. Als hij in het begin van het boek door hen wordt uitgenodigd voor een groot zomerfeest in het weelderige Somerset, kijkt hij zijn ogen uit. Hij heeft het idee eindelijk tot zijn recht te komen in hun warme, indrukwekkende landhuis ‘Egypt’.
    Hij wordt meteen verliefd op de feeërieke Caris, de zus van Adam. Pater familias Paul, een flamboyante macho met twee vrouwen, een ondefinieerbare kinderschaar en een schapenfarm, intrigeert hem mateloos.

    Zestien jaar later zit Michael muurvast in een huwelijk met de labiele en vermoeide Rebecca, waarbij hun autistische zoontje Hamish symbool lijkt te staan voor het gebrek aan communicatie tussen beide echtelieden. Als Michael op een haar na aan de dood ontsnapt, omdat het balkon van zijn huis naar beneden stort, belt hij zijn oude vriend Adam, die inmiddels bouwkundig ingenieur is. Adam nodigt hem uit om naar ‘Egypt’ te komen, omdat hij hulp nodig heeft met de kudde drachtige ooien. Michael realiseert zich dat zijn balkon wel even kan wachten, omdat er meer fundamenten in zijn leven aan vernieuwing toe zijn, en stemt toe. Waar zal hij meer in het reine met zichzelf kunnen komen dan bij de wereldse Hanbury’s?

    Op ‘Egypt’ aangekomen is er niets meer dat doet herinneren aan de dagen van toen. Vader Paul ligt met prostaatkanker in het ziekenhuis, de vrouwen leven in onmin met elkaar, de frêle Caris is een onverzorgde rebel geworden, het landhuis staat op instorten en het schapenbedrijf levert geen cent meer op. Ook Adam is niet meer de losbol van vroeger: hij woont met zijn redderende vrouw en twee kinderen in een nieuwbouwwijk.

    Terwijl Michael nadenkt over zijn leven en zijn huwelijk, merkt hij dat er achter de idyllische façade van de Hanbury’s een gistende brij ligt, die elk moment als een lava over de heuvels van Somerset kan uitgulpen. De schrijfster zet dit sterk aan door een stel tirannieke honden ten tonele te voeren, die volledig door het lint gaan tijdens de afwezigheid van hun baasje Paul. Een explosie is onontkoombaar. Het fragment uit Tjechov’s ‘Kersentuin’ waar Rachel Cusk in het begin van haar boek aan refereert, geeft het al aan: hoe je ook vasthoudt aan rijkdom en traditie, de tijden van weleer keren nooit meer terug.

    In het fragment van Tsjechov wordt een jongeman aangesproken. In hem kunnen we Michael ontdekken. Hij is de verteller in ‘In de beste Familie’ en zet zijn eigen zielenroerselen af tegen de door hem waargenomen teloorgang van de rijke Hanbury’s. Michael is advocaat, en zijn taal is hier en daar gezwollen. Zijn denktrant is zakelijk en observerend. In de groepsdiscussies tussen de Hanbury’s lijkt hij de spil te zijn. In plaats van met elkaar in gesprek te gaan, richten de ruziezoekers steeds het woord tot hem.

    Hoewel alle personen sterk neergezet worden, springen Paul en Caris er uit. Zij staan lijnrecht tegenover elkaar. Paul is een krachtige, gespierde man met markante trekken. Hij lijkt zichzelf als een menselijke godheid te zien, een ‘nefer neter’, uit het oude Egypte. Hij zwaait de scepter over zijn ‘Egypt’ en kijkt neerbuigend op de anderen neer, waarbij vooral de goddeloze drie-eenheid vrouwen, nichten en joden het moet ontgelden.
    In het verhaal is hij de alom aanwezige afwezige. Met zijn penis in het verband ligt hij in een ziekenhuisbed en de scène waarin hij fulmineert over de achttiende-eeuwse feministe Mary Wollstonecraft, is sterk.

    Caris staat voor het tegendeel van Paul. Het schattige meisje van vroeger is uitgegroeid tot een onzekere slons die in een vrouwencommune woont. Ze voelt zich stelselmatig onderdrukt door het patriarchaat van haar ouderlijk huis. Haar vader had liever een zoon willen hebben, ze werd geslagen door Adam en haar moeder zag haar als rivale. Op haar zestiende liep ze van huis weg, om zestien jaar later vol verwijten terug te keren.

    De man-vrouw verhoudingen spelen een grote rol in het boek. Niet alleen via de personages van Caris en Paul, maar ook in de beschrijvingen van het gezinsleven. Rachel Cusk heeft ook in haar eerdere boeken veel over het ouderschap geschreven. Er is constant een strijd tussen de seksen gaande. Het bijzondere van ‘In de beste Familie’ is, dat het een pleidooi is voor vrouwenemancipatie en sterke feministische trekken vertoont, maar dat het verhaal door de ogen van een man beschreven wordt. Een aardige man bovendien. Michael is een redelijk soft type die zelf bewust aan ‘soulsearching’doet. Hij snapt er alleen geen moer van, van vrouwen.

    Als hij aan het eind van het boek naar huis terugkeert, wordt hij onder vuur genomen door Rebecca en haar vriendin Charlie. In het conflict dat tussen hen drieën ontstaat, is weergaloos mooi beschreven hoe Michael vastzit in zijn onbegrip. Hij observeert de twee vrouwen en zou in hun sfeer op willen gaan. Er ontstaat een vergelijkbare situatie met zestien jaar geleden waarin hij, aangedreven door aanbidding, deelgenoot wilde worden van de Hanbury’s clan. Zijn adoratie maakt dat hij als toeschouwer van een schilderij, verwoede pogingen doet in de lijst te stappen om zo onderdeel te worden van het geobserveerde. Maar hij blijft hoe dan ook buitenstaander.

    ‘In de beste Familie’ is te lezen als pageturner, een lekkere roman over persoonlijke zoektochten en familieruzies. Degene die moeite doet, zal echter veel lagen ontdekken. De symboliek van ‘Egypt’ bijvoorbeeld, het autistische kind, de loeiende bevallende ooien, de hellehonden. Ook de verwijzingen naar Tsjechov en Wollstonecraft geven het boek extra cachet. Misschien levert het zelfs op dat je blij kunt zijn met je eigen familie. Of dat je juist gerustgesteld bent, omdat je niet de enige bent die participeert in zo’n gistende brij…

    Pauline van der Lans

    Rachel Cusk ? In de beste Familie
    De Bezige Bij

  • Wat is de Wat, Dave Eggers

    Dit boek is volgens de titelpagina zowel een roman als een autobiografie van Valentino Achak Deng, een Soedanese vluchteling. In diens voorwoord wordt dit uitgelegd: hij heeft zijn levensverhaal aan Eggers verteld, en die heeft er een roman van gemaakt. Het boek is dus gebaseerd op de belevenissen van Valentino, maar veel passages zijn wat verfraaid en Valentino heeft niet noodzakelijk alles meegemaakt wat de Valentino in het boek beleeft.
    Een zekere mate van wantrouwen is dan wel op zijn plaats. Een boek is fictie, en dan is het niet relevant wat er echt gebeurd is, of een boek bevat een (auto-)biografie en dan is verdichting en verfraaiing niets anders dan geschiedvervalsing. Als een boek van twee walletjes wil eten, weet je niet precies wat je ermee aan moet.
    In de praktijk blijkt Eggers zijn boek echter goed onder controle te hebben. De vraag wat er allemaal echt met Valentino is gebeurd, wordt overtuigend als overbodig terzijde geschoven. Het gaat er namelijk niet zozeer om wat één individuele Soedanese vluchteling beleefd heeft, maar wat de tienduizenden Lost boys is overkomen, en Valentino fungeert als spreekbuis voor deze hele groep, een groep die anders geen stem heeft of bijna niet wordt gehoord. Zo’n 25 jaar burgeroorlog in Soedan heeft miljoenen mensen gedood of op de vlucht gejaagd. De overlevenden zitten soms tientallen jaren in vluchtelingenkampen over de grenzen, in Kenia en Ethiopië. Mondjesmaat worden zij als politiek vluchteling toegelaten tot andere landen, en een flinke groep is uiteindelijk in de Verenigde Staten terecht gekomen.
    Ik zal hier niet herhalen wat Valentino Achek Deng en zijn lotgenoten hebben meegemaakt. Dat wordt in de bijna 500 pagina’s uitgebreid verteld, en het bevat veel te veel ellende voor een mens. Je begint bijna te hopen dat Eggers de helft heeft verzonnen om zijn boek zwaarder te maken, dan is het Valentino tenminste niet echt overkomen, maar je vreest dat dat niet het geval is.

    Het is de kracht van Eggers dat hij dit topzware leven heeft verteld in een beheerste stijl, en dat hij van de hoofdpersoon niet een door wraak en verdriet verscheurd wrak heeft gemaakt. Gegeven de gebeurtenissen heeft hij daar wel alle reden toe, maar dat zou een ongenuanceerd en vervelend boek hebben opgeleverd. Eggers (en Valentino) zijn na jarenlang onderzoek naar buiten gekomen met een eerlijk document over de gevolgen van de burgeroorlog tussen de regeringslegers en de rebellen, waar de burgers tussen vermorzeld worden. Het getuigt van geduld en eerlijk engagement om zo’n boek te schrijven, zo gedetailleerd verslag te doen van een exemplarisch Soedanees jongensleven. En dat bijna zonder vervelende vingertjes naar de lezer, zonder een belerend toontje aan te slaan. Hij toont wat er is gebeurd, zo goed als zonder opsmuk. Het is dan aan de lezer daar verder consequenties aan te verbinden, om zelf de ogen open te houden en na te denken over wat hij net gelezen heeft.

    Toch moet me wel iets van het hart over de door Eggers gekozen romanvorm. Hij heeft zo veel te vertellen over Valentino dat het onmogelijk is dat in een fatsoenlijke roman te proppen. Eggers heeft voor de optie van een raamvertelling gekozen, en laat Valentino over zijn leven vertellen tegen de mensen die hij tegenkomt. Meestal is dat niet hardop, maar richt Valentino zijn monologen in stilte tot de mensen om hem heen. Er is een flinterdun raamvertellinkje, een overval in Valentino’s eigen huis in Atlanta en het ziekenhuisbezoek daarna, dat aan het begin van elk hoofdstuk de kop opsteekt. Dat geeft Eggers de mogelijkheid het personage tientallen pagina’s te laten vertellen tegen de overvallers, hun kind of de nachtportier van het hospitaal. Zo wordt de overval een enorm slepende zaak die keer op keer opgerakeld wordt, en daardoor belangrijker lijkt dan de ervaringen van de Lost boys.
    Op de laatste pagina richt de hoofdpersoon zich opeens tot een ‘jij’, tot de lezer dus. Bijna alsof hij bang is na 474 pagina’s zijn hele levensverhaal te hebben verteld aan alles en iedereen, het contact verloren te hebben met de enige persoon die ook gehoord heeft wat hij te vertellen had, namelijk de lezer. De laatste regels van het boek:
    “I will tell stories to people who will listen and to people who don’t want to listen, to people who seek me out and to those who run. All the while I will know that you are there. How can I pretend that you do not exist? It would be almost as impossible as you pretending that I do not exist.”
    Die ‘you’ heeft net zijn hele verhaal gelezen en zal niet snel geneigd zijn Valentino’s bestaan te ontkennen. Maar in de laatste regels blijkt de hoofdpersoon bang te zijn het wederzijdse contact ? waar niet echt sprake van was ? te verliezen. Deze directe adressering komt uit het niets vallen en komt geforceerd en verwrongen over.
    De gebeurtenissen spreken voor zich en zijn uitstekend verteld, in een heldere stijl met sprankjes humor tussen de vreselijke gebeurtenissen door. Door de raamvertelling en het nogal pathetische en zwaar aangezette eind, komt het wat scheefgegroeid over. Als Eggers gekozen had voor de vorm van een al dan niet lichtjes gefictionaliseerde biografie, dan had hij die rare waterhoofdconstructie niet nodig gehad.
    Dat is het enige minpuntje aan dit verder overtuigende document over een van de grootste humanitaire rampen van de laatste eeuw.

    Patrick Bassant

    Dave Eggers, What Is the What, Hamish Hamilton 2006. Vertaald als: Dave Eggers, Wat is de wat, Rothschild & Bach 2007, Vertaling: Wim Scherpenisse en Gerda Baardman

  • Bladzijden vol hunkering

    De eerste grote verliefdheid, de verliefdheid die alles wat daarna komt in de schaduw stelt, dat is het thema van Noem me bij jouw naam van André Aciman. De auteur doceert vergelijkende literatuurwetenschap in New York, schrijft voor The New Yorker en The New York Review of Books leert de achterflap ons. En dat is ook meteen het milieu van het boek.
    Elio, een zeer muzikale en intelligente adolescent, woont met zijn familie in een prachtig gelegen villa aan de kust in Italië. Zo’n jongen die Haydn bewerkt voor gitaar en moeiteloos klassieke stukken speelt op de piano, maar evenzogoed kan meepraten over klassiek literaire werken en de nieuwste poëzie bijhoudt (ja, wie wil er niet zo’n jongen). Zomers krijgt de familie altijd een gast. Een jonge wetenschapper die onderdak krijgt om verder te werken aan iets belangwekkends en in de tussentijd iets aan zijn Italiaans kan doen.
    In de zomer waarin het boek speelt, komt de Amerikaanse Oliver naar het huis en meteen weet hij iedereen in en om het huis in zijn ban te krijgen. Ook Elio is vanaf het begin gebiologeerd door deze man en wordt heimelijk verliefd op de man die gedurende de zomermaanden op zijn slaapkamer bivakkeert, terwijl hij in de slaapkamer ernaast ligt.
    Wat volgt zijn tientallen bladzijden vol hunkering. Aciman smeert die hunkering uit, zo tergend langzaam dat je als lezer geneigd bent om Elio aan te gaan moedigen. Maar ook de tegenpartij is uiterst beheerst in zijn optreden, bang om met de zoon van zijn gastheer aan de haal te gaan, en laat zich nauwelijks uit zijn tent lokken. Maar uiteindelijk, tot opluchting van lezer en hoofdpersonen springen de vonken toch over en begint een korte maar zeer heftige seksuele relatie die haar sporen in beide levens achterlaat.
    Zelden las ik een boek waarin niet de liefde, maar de hunkering zo nauwkeurig werd beschreven, met alle aarzelingen, onrust en onzekerheden die bij de nog onvervulde liefde horen. Zelden werd er zo langzaam afgetast of de andere partij niet ook wilde. En dat in een decor (aan het zwembad, in de naast elkaar liggende slaapkamers met verbindend balkon, aan zee) waar het zo voor de hand ligt dat er iets gebeurt. Deze roman zindert van zinnelijkheid.

    Recensie door Coen Peppelenbos

     

  • De Latino's, Leo Pleysier

    De Latino’s

    Leo Pleysier is een schrijver van formaat. In alle stilte werkt hij aan een oeuvre dat subtiel aandikt, en geleidelijk aan grootse proporties aanneemt. Niet tastbaar (de schrijver is zuinig op papier en drukpers), maar kwalitatief. Zijn klassiekers zijn welbekend. Dat Pleysier zich naast zijn terecht klassieke werken staande weet te houden, bewees hij in 2004 nog maar eens met de novelle De trousse, een ingetogen, maar meeslepende, wonderlijk geregistreerde vertelling van en over zuster Roza die zich na haar jaren als verpleegster in een armenhospitaal in Zuid-India overeind probeert te houden. Ze wordt geconfronteerd met veranderingen die haar en haar medezusters niet steeds gunstig gezind zijn. Pleysier verleent zuster Roza’s retrospectieve monoloog een authenticiteit die respect afdwingt, die de lezer de steeds minder hedendaagse thematiek ? nonnen op missie ? aandraagt in de vorm van een (in alle openheid) vrijwel volmaakt menselijk portret. Uit haar gesprek met haar visiterende nichtje Bregje Cornelissen, haar meticuleuze zorg voor haar overleden kloosteroverste Astrid, en haar omgang met de twee resterende Belgische zusters Gilberte en Lutgarde treedt een personage naar voren dat het religieuze absolutisme heeft weten om te buigen naar een gelovige praktijk die het nodige mededogen kan opbrengen voor afwijkingen van de opgelegde norm, die een ware solidariteit kan beleven, en in die zin het goede in de mens realistisch kan vertegenwoordigen.

    Leo Pleysier is in dit soort werken de auteur van het optekenen, van de daaruit voortvloeiende nuance, van rake bewoordingen en een geraffineerde stijl in een zeer aangenaam leesbaar geheel. De taal is oppermachtig, de personages worden als het ware geboetseerd uit de woorden die de schrijver optekent en de (spreek)taal die hij voor hen voorziet. Hij zet zijn romanfiguren naar zijn hand en laat geen detail oningevuld. Van een kleinheid die groots schittert.

    Wat een ellende! Wat een misère!
    Vandaar het ongeloof aan de in de lente van dit jaar verschenen roman, De Latino’s. In geen enkel opzicht heeft die ook maar iets van het bovenstaande. Zozeer zelfs dat de gedachte aan een bedrieger zich opdrong: ergens, in een hoekje van een of andere kelder, moet de ware Leo Pleysier gekneveld en geketend op de grond liggen, zich afvragend wanneer nu eindelijk de plaatselijke, gewestelijke en federale autoriteiten door de literaire gemeenschap op de hoogte zouden worden gebracht van dit gebruik en misbruik van zijn goede naam, met een intensieve zoekactie, de ontdekking en de ontmaskering van frauderende en echte schrijver tot gevolg.

    Het verhaal gaat als volgt: Anna en Toon, sinds hun studententijd in Leuven een koppeltje, dromen ervan zich in Zuid-Amerika (vandaar hun bijnaam: de Latino’s) te vestigen als ontwikkelingssamenwerkers. Hun leven thuis in België raakt, zeker voor Toon, niet van de grond, mede door dat gerichte verlangen: Anna geeft les op een middelbare school in Duffel, Toon verdoet zijn leven met werk- en zinloos rondhangen. Wanneer ze dan uiteindelijk alsnog op missie kunnen ? ze worden door Verre Horizonten vzw aangezocht om als coöperanten in het Ecuadoraanse Calistos te gaan werken ?, lijkt hun leven eindelijk vorm te krijgen (‘Het leven waar ik zo lang van gedroomd heb, is nu pas écht begonnen.’ ? p. 66). Tot hun intens gedroomde en schijnbaar gerealiseerde geluk op des mensen tragiek te pletter slaat. Vanaf dat moment spat hun gezamenlijke droom uiteen en staan ze op een nooit gewild en onverwacht kruispunt in hun leven (dat hier om het verhaal niet te bederven onverklaard blijft). Alsof die hachelijke positie nog niet voldoende zou blijken uit het relaas van de gebeurtenissen, voegt de alwetende verteller daaraan toe (p. 105):

    Wat een ellende!
    Wat een misère!
    Anna en Toon waren naar hier gekomen om de mensen te helpen, om met ze samen te leven en samen te werken en om zo een paar dingen op te bouwen, te veranderen of te verbeteren, maar nu verkeren ze zélf in diepste nood. Nu hebben ze zélf hulp nodig. Nu liggen hun eigen levens er als kapotgeslagen en helemaal in puin bij.

    Verteller en personages: de dubbel-zinnigheid
    Al van bij het begin treedt de verteller met een zeker cynisme op. Het leven van Toon en Anna wordt op bijna kinderlijke wijze uit de doeken gedaan. Ook de dialogen dragen die overdreven sentimentaliteit, die buitensporige uitleggerigheid in zich. Alsof de twee hoofdpersonages achterlijke idioten zijn, of de lezer te dom is om het zonder verklaring allemaal goed te begrijpen. Pleysier zet hier zijn personages te kijk, gooit ze in een arena gevuld met als Zuid-Amerikaanse predators verklede lezers. De geïrriteerde lezer richt evenwel zijn gelijksoortige blik niet alleen op de personages en de verteller, maar eveneens op de auteur. Die beheerst immers het boek en heeft de macht om in te grijpen. Was de schrijver onmachtig? Of doet hij het met opzet? Behoort de regelrechte dwaasheid van de personages tot de intenties van het verhaal? Wil Pleysier de naïviteit, het geitenwollensokkenimago en de aanmatigende aard van de ontwikkelingssamenwerker voor het voetlicht brengen?

    In ieder geval wordt De Latino’s volledig overheerst door het kleinzielige taalgebruik. Een voorbeeld van de kinderlijke ondersteuning door de verteller (p. 108):

    ’s Anderendaags aan de ontbijttafel komt Anna er ineens mee voor de dag.
    ‘We moeten hier weg Toon,’ zegt Anna resoluut. ‘We kunnen hier niet meer blijven.’
    Daar kijkt Toon nu toch wel even van op.
    ‘Hoezo we moeten hier weg?’
    ‘Welja, zoals ik zeg: we moeten hier weg.’
    Toon is compleet verrast van die uitspraak, want dit is wel het laatste waaraan hijzelf zou denken.
    ‘Maar nee,’ antwoordt Toon, ‘we moeten níet weg, we moeten helemáál niet weg! Het enige dat moet is onszelf de tijd gunnen om van deze dreun te herstellen,’ zegt hij.
    ‘Sorry Toon, maar daar is nu geen tijd meer voor,’ repliceert Anna heel beslist.

    En zo verder, enzovoort. De vertelling verwordt tot een aaneenrijgen en voortdurend uit twee monden herhalen van clichématige constructies en spreekwoorden. De verteller valt naar het einde van de roman (Anna en Toon hebben dan het kruispunt al een tijd achter de rug) even uit zijn rol (p. 168):

    Maar Toon is te lang uit het zicht verdwenen opdat Anna nog geraakt of overstuur zou zijn van berichten over Toons doen en laten. Anna is te ver heen in haar eigen leven opdat dit soort particulariteiten haar nog zou interesseren.
    ‘Het kan mij niet meer schelen wat Toon tegenwoordig uitvreet,’ had ze gezegd toen tegen Lut Simons.
    Maar of dit wáár is, en of Anna dat wel méént, is natuurlijk een ander paar mouwen.

    Alwetendheid die vervalt tot suggestiviteit in één alinea, met als verduidelijking nog eens de letterlijke woorden die Anna uitsprak. De taal die Pleysier zo functioneel en krachtig hanteert in zijn andere werk, graaft in De Latino’s de put waarin zijn personages zullen verdwijnen. Nergens komt een personage tot volle wasdom, lijkt het wel, omdat de toon zo eenzijdig is. Alles wordt overstemd door de meedogenloze regie, het onbegrijpelijk kinderlijke perspectief van de verteller, en bij uitbreiding de schrijver. De personages die Leo Pleysier in De trousse zo kundig tot leven weet te wekken, verkrijgen hier een parodistisch uiterlijk. Dat doordrenkt het geheel van een ondoordachte sfeer, doet het boek aanvoelen als een in alle rapte en met weinig zorg bijeengescharreld verhaal. Of als een afrekening. In beide gevallen blijft er slechts een ontgoochelende roman over. Een tip: lees De trousse en wacht dan nog enkele jaren geduldig af.

    Leo Pleysier, De Latino’s. De Bezige Bij, Amsterdam, 2007.

    Kurt Snoekx

  • Tumbas, Cees Nooteboom

    Voor de literaire graftoerist

    Op begraafplaatsen vindt een aantal gelijkgestemden elkaar in hun voorliefde voor de graven van bekende schrijvers. Deze funeraire toeristen spreken meestal niet aan het graf, laat staan dat zij luidruchtig hun helden bewenen zoals de drommen die nog altijd naar het graf van Jim Morrison komen. De literair geïnteresseerde vindt het zelfs een beetje gênant, zo aan het graf staan.

    Cees Nooteboom beschrijft die ongemakkelijkheid in zijn inleidend essay bij Tumbas. ‘Alles wat wij met graven doen is irrationeel. Je brengt bloemen naar niemand, je wiedt onkruid voor niemand en degene voor wie je komt weet niet dat je er bent. Toch doen we het. Iets willen we nog van die dode. In ons geheime hart denken we dat hij of zij ons ziet, merkt dat we nog aan hem of haar denken.’

    Nooteboom gaat een imposante rij dichters en denkers af. Hij doet dat alfabetisch in plaats van per begraafplaats. Dat geeft het boek wel iets democratisch. De Nederlandse en Vlaamse schrijvers en denkers zijn wat mager bedeeld met Elsschot, Kemp, Lucebert, Multatuli, Van Ostayen, Roland Holst, Slauerhoff en Spinoza. Maar als je de hele wereldliteratuur tot je beschikking hebt, dan moeten er nog wel wat literaire grootheden uit je eigen land sneuvelen (het boek is in eerste instantie in het Duits uitgegeven). Ik vind dat jammer, omdat ik graag meer had willen lezen. Dit dikke boek is mij niet dik genoeg.

    In de beste gevallen schrijft Nooteboom een mooi stuk over de begraafplaats en de schrijver, in andere gevallen recyclet hij een stuk uit een eerder boek (bijvoorbeeld bij Sartre) of volstaat hij met een eigen gedicht of een gedicht of een citaat van een ander. Dat geeft het boek op sommige plekken iets gemakzuchtigs omdat je weet dat Nooteboom tot meer in staat is. Ook daar wil ik dus meer.

    Hetzelfde geldt voor de foto’s. De begeleidende foto’s van Simone Sassen zijn op het eerste gezicht teleurstellend. Meestal een kiekje recht voor het graf, met als belangrijkste eis dat de namen en de jaartallen goed leesbaar zijn. Voor een boek dat zo luxe is uitgegeven verwacht je toch dat er iets meer is gedaan met de foto. Toch bedacht ik me dat ik me aan een andere benadering waarschijnlijk meer gestoord zou hebben. Sassen fotografeert zonder pretentie, gaat niet als kunstenares tussen de lezer en het object staan, maar probeert zo ‘objectief’ mogelijk te fotograferen, dienend haast.

    Er zijn natuurlijk bezwaren aan te brengen tegen Tumbas, zoals die Nootebomerige wijze van ‘namedropping’: ‘Als ik voor zijn graf [van Paul Celan, CP] sta, moet ik denken aan het gesprek met Heidegger in zijn berghut in Todtnauberg waarover Rüdiger Safranski schrijft zijn boek Ein Meister aus Deutschland.’ En ook mis ik naast veel Nederlandse een groot aantal buitenlandse dichters en denkers, maar dat laat onverlet dat dit een jaloersmakend prachtig boek is, want het toont vooral een heel persoonlijke keuze van een schrijver die zich de poëzie uit de hele wereld eigen heeft gemaakt en de dichters de hulde brengt die ze verdienen.

    Coen Peppelenbos

    CEES NOOTEBOOM: Tumbas. Atlas, Amsterdam, 256 blz. €49,95.