• Vierendeel

    In plaats van beleefd

    Vierendeel is de tweede bundel van de dichter Daniël Dee. Een bundel waarop voorop met trots een citaat van J. A. Deelder is opgenomen: ‘Er zijn genoeg meelopers en na-apers, maar alleen Daniël Dee beschouw ik als een waardig opvolger.’ Dat is mooi. Het is alleen de vraag of Dee die aanmoediging nodig heeft.

    Dee is in zoverre Deelders opvolger dat hij harde taal niet schuwt en in zijn verzen een afkeer heeft van mooie dichterlijke taal (of wat mensen voor mooie dichterlijke taal aanzien). In rauwe taal, zonder hoofdletters en punten beschrijft hij de gruwelijke wereld om hem heen, bijvoorbeeld op het eind van het gedicht ‘Het lelijkste worstje’.

    ‘jij maakte bekend dat je zwanger was niet van mij
    ik kon geen buikje ontdekken en schepte heel veel luchtjes
    over een paar jaar zullen we ons voedsel delen met dat grijpgrage grut
    hoeveel jaar staat er eigenlijk op het roosteren van een kind

    de volgende ochtend kwam de volledige viszooi eruit gespoten
    het was net de hele diepzeepopulatie inclusief moby dick’

    Dat zijn geen woorden voor boven een rouwadvertentie. Hier zullen weinig mensen bij wegzwijmelen. Toch komt er direct na dit gedicht een gedicht dat zachter van toon is, waarin je de dichter direct een romanticus zou noemen:

    ‘zullen we nu net alsof doen dat het weer zomer
    jij net wakker ik de koffie al gezet en wij zo naar
    het park dan is het net alsof de zon nooit onder
    ik even niet en jij niet’

    In deze elliptische zinnen, met misschien enige schaamte, laat de dichter zijn zachte kant zien. De verlangende, de zoekende dichter is aan het woord en strijdt om aandacht. In het gedicht ‘In plaats van’ waarin je de echo hoort van Annie M.G. Schmidts ‘Ik ben lekker stout’ vertelt de ik wat hij allemaal graag wil doen in plaats van het geijkte.

    ‘in plaats van beleefd met twee woorden
    wil ik vloekend en rauw geen drie zoenen
    op mijn wang maar jouw tong in elke kier’

    De woordkeuze is ongelikt, maar het verlangen naar een geliefde, naar een plek ver van hier is hetzelfde als dat van een romanticus. Zelfs de humor die door die taal wordt opgeroepen past geheel bij dat soort poëzie. Natuurlijk wil Dee het niet te gezapig maken, dus als hij een strofe begint met ‘we gaan limonade drinken met een rietje in het park’ dan eindigt hij met de onsmakelijke toezegging aan zijn geliefde ‘en al de puisten op mijn rug mag je uitknijpen’.

    Ik ben wel benieuwd of hij ook gedichten durft te schrijven waarin die zwarte kant ontbreekt. Nu gebeurt dat sporadisch, zoals in ‘Maaskant’ en dat is zeker een van de betere gedichten van de bundel Vierendeel. We moeten tot de volgende bundel wachten om te zien welke kant de dichter opgaat. Daniël Dee is in ieder geval een dichter die je moet volgen.

    Coen Peppelenbos

    Daniël Dee: Vierendeel. De Geus, Breda, 45 pagina’s, €13,95

     

  • Ether,

    Marconi & Einstein

    Je hebt drank & drugs al tamelijk vroeg leren kennen, je had een moeder maar die pleegde zelfmoord, je hebt een dakloze vader met weinig vaderlijke aanleg. Het leven heeft je al met al opgescheept met nogal wat onbeantwoorde vragen. En je schrijft gedichten. Die daar grotendeels over gaan.

    Ik had Ether, de onlangs verschenen Nederlandse vertaling van Nick Flynns debuutbundel Some Ether, al bijna links laten liggen. Ik had mezelf bijna een kennismaking ontzegd met een zeer vindingrijke, scherpe en ontroerende dichter. Achterop de bundel maakt de uitgever gewag van ‘een indrukwekkende collage van herinneringen en bespiegelingen’ en het is prettig om zo’n ronkende redacteurenzin eens ronduit te kunnen bevestigen: Ether ís een indrukwekkende collage van herinneringen en bespiegelingen. En een vat vol rake observaties en vondsten, een vindplaats van regels als ‘De wind vult de bomen boven ons / met ratelslangen, bladeren vallen om ruimte te maken / voor nog meer bladeren’ en:

    Buiten
    slaat een man in een rolstoel zijn benen over elkaar. Jij laat me
    een foto zien, een groep kinderen naast een jarenzestig-
    treinstel, je vraagt: Zie je wie ik ben?

    Het kan op talloze manieren misgaan met gedichten waarvan de maker zeer persoonlijk en autobiografisch te werk gaat. Kitsch, pathetiek, ongevraagde hijgerigheid, semi-therapeutische zelfbevlekking: heel wat valkuilen om in te vallen. Slechts enkelen blijken in staat om verregaande rottigheid uit het eigen leven als zuiver uitgangspunt of onderwerp van hun gedichten te nemen zonder ze daar meteen gruwelijk mee te verknoeien. Flynns bundel leest als het logboek van een innerlijke expeditie naar coherentie en begrip, en dit klinkt alweer verschrikkelijk, maar de dichter houdt in zijn met opiaten, wapens, verloedering en groezelige jeugdherinneringen gevulde universum op wonderbaarlijke wijze het roer recht. Hij omzeilt daarbij de op de loer liggende clichés niet zozeer, hij activeert en vernieuwt ze; hij schuwt sentiment en emotie niet, integendeel, maar geeft ze een intelligente en vaak verrassende invulling.

    Fragment
    (gevonden in mijn moeders binnenste)

    Ik hield hem verborgen, hij was gemakkelijk

    te verbergen, achter mijn lingerie, een schoenendoos

    boven bereik van mijn jongens, ingepakt naast

    de pijnstillers

    in hun kindveilige oranje pakjes. Ik kende mijn kinderen,

    nieuwsgierige apen,

    maar kenden zij mij? Hij was gemakkelijk


    te verstoppen, hij wachtte, de harde O van zijn monde

    gemaakt van wachten, elke kogel
    & diens zachte loden kap. Stevig

    gekoesterd tegen mijn dij, ik voedde hem

    met mijn vrije hand, mijn jurk open

    alsof ik mijn uur van lood

    verpleegde, mijn loslaten oefende. De jongste

    verraste me met een spelletje,

    hield me losjes zijn vuisten voor, vragend
    raad welke hand, maar beide

    waren leeg. Wie had hem dat geleerd?

    Flynn vergelijkt zich in het gedicht ‘IJle-lucht-radio’ in de eerste afdeling van de bundel met Guglielmo Marconi, de uitvinder van de draadloze telegrafie, die geloofde dat we ‘gehuld zijn in stemmen, dat golven / nooit sterven, hoogstens verder & verder / uit elkaar drijven, reizend door de ether’. Hij blijft op zoek, want hij

    wilde het laatste stuk dat op het dek van de Titanic
    werd gespeeld opsporen,
    en wat Jezus zei
    aan het kruis, hij bleef op de frequentie
    afstemmen, starend over de Atlantische Oceaan,
    zijn oor naar het water gewend,
    daar, hoor je wel?

    Pas tientallen bladzijden en episodes later, in het voorlaatste gedicht ‘Ongrijpbaar’ wordt de vergeefsheid van dit zoeken expliciet gemaakt, bij monde van Albert Einstein: ‘Je zult het niet vinden omdat het er niet is’.

    Thomas Möhlmann

    p.s. hulde nog voor het vertaalwerk van Hanz Mirck, die zelf in 2002 als dichter debuteerde met de bundel Het geluk weet niets van mij. Flynns tweede bundel, Blind Huber, schijnt over bijen en hun imkers te gaan. Aan het werk, Mirck!

    Nick Flynn, Ether
    Vertaling: Hanz Mirck
    Vassallucci, Amsterdam, 2005
    (Oorspronkelijk uitgave: Some Ether, Graywolf Press, Saint Paul, Minnesota, 2000)
    95 pagina’s,  € 14,95)

  • Vacuüm en ozon

    Vacuüm en ozon heet de bundel waarmee Yves Coussement (1978) in 2004 bij Meulenhoff | Manteau debuteerde als dichter. Zeven afdelingen ? kortsluiting 7, blindganger, vacuüm en ozon, geurvlag, balzaal, ring, trilogie van het huis ? wisselen elkaar, in een schijnbaar willekeurige volgorde, af en haken in de opeenvolging van telkens afzonderlijke, ontheemde gedichten een vervreemdende bundel in elkaar.
     
    Het openingsgedicht, ‘aequinoctium’, uit de afdeling ‘ring’:

    een ring eindigt
    met een doorzichtig mes
    dat de dag doormidden snijdt.

    zon en maan verwisselen van plaats
    in mijn herinnering aan die dag.

    tweemaal per jaar kleven ze
    aan elkaar, elkaars evenaar
    scherper stellend.

    uit angst voor vergetelheid.
    (en op straffe van parkinson.)

    In Dirck Pietersz. Pers’ vertaling van Cesare Ripa’s Iconologia krijgt het lemma ‘Aequinottio della Primavera’ de volgende beschrijving: ‘[…] Aequinoctium is die Tijd, wanneer Dagh en Nacht even langh is, en datselve geschied tweemael des Iaers, d'eerste den XXI Martii, als wanneer de Sonne in het teycken van Aries gaet, ons den Lente toebrengende, en de tweede den XXIII Septembris, maeckende den Herbst, door de rijpigheyt van de vruchten. ’t Wort Aequinoctium genoemt, om dat die den evenaer der Waeghschaele gelijck is, die alles gelijck weeght, en dagh en nacht even lang maeckt.’ Twee keer per jaar, bij het begin van de lente en van de herfst, zijn dag en nacht even lang, kan de cirkel van de tijd precies in het midden worden doorgesneden. ‘En gelijck Sacrobosco seght, is het Aequinoctium een circkel, die de Sphaere in ’t midden doorsnijt, omringende het primum mobile, dienselven deelende in twee deelen, als mede de Polen der Werreld. […]’ Het aequinoctium neemt zelf die ringvorm aan, een ring die eindigt met een doorzichtig mes, en zo dag en nacht in gelijke delen verdeelt. Het omcirkelt het primum mobile, ‘de eerste beweger’ of de sfeer die in direct contact staat met God, dat zelf elke dag de tocht van oost naar west maakt.

    In het tweede gedicht uit de afdeling ‘ring’, met de toepasselijke titel ‘boobytrap’, wordt die allusie op het goddelijke of oneindige herhaald: ‘de ring bewaart een geheim? / de zeldzaamheid in de lucht.’ De zeldzaamheid of oneindigheid, het goddelijke als concept, veronderstelt een zekere goedheid. Verderop in het gedicht verschijnt echter het woord ‘valstrik’, aangevuld met ‘behalve eromheen / of recht erdoor.’ Is het het geheim dat door een valstrik wordt beschermd? Of is die valstrik net het geheim? Vormen een vermijdende reis ‘eromheen’, of een brute tocht ‘recht erdoor’ de mogelijkheden om aan die valstrik te ontsnappen en het geheim te ontsluieren, of zijn het de enige mogelijkheden om aan de valstrik, het geheim zelf, te ontkomen? Wie is bang voor de vergetelheid (in het eerste gedicht)? Zijn dat dag en nacht of het oneindige zelf? Is parkinson de straf voor die vergetelheid? Zodat men kan vergeten dat men vergeet? En wie herinnert zich (opnieuw in het eerste gedicht) die dag? Is het de schepper van de ring, van het aequinoctium, of de schepper van het gedicht?

    Het zijn tegelijk die onderliggende betekenis ? de symboliek ? van de vorm, en het beeldende ? de visuele identiteit ? van de vorm, die in Vacuüm en ozon op de voorgrond treden. Beeldend kunstenaar Yves Coussement brengt beide perspectieven aan, niet in of als gelijke delen, maar in een soort onevenwichtigheid. Het beeld is weerbarstig, vormen vertonen ? net als de ‘perfecte’ figuur van de ring ? plaatsen van aantasting, doorbreking. Plaatsen waar de zuiverheid van vorm in een toepassing of wereld verschijnt die vooropgestelde patronen of eigenschappen doorbreekt. Het beheersbare fysieke, vormelijke komt tegenover het emotionele te staan; het perfecte tegenover het aangetaste, grillige; het goddelijk oneindige tegenover het menselijk tijdelijke.

    In de andere afdelingen van de bundel komt die grilligheid des te sterker naar voren. ‘niet-huis’ uit de afdeling ‘vacuüm en ozon’:

    het belang van iets wat er niet is,
    behang van een verlangen,
    die kamer is lekker warm.

    om zo verder te gaan
    van de gang naar de keuken
    met een verwachting in de pan.

    om te willen eten van diens vervulling
    als extra verhulling van vacuüm
    in de woonkamer.

    tussen luxaflex en blinde muur,
    beide aan de buitenzijde.

    spatbord, satelliet.

    Het ‘behang van een verlangen’, de afwezigheid, het niet-vervuld-zijn. Dezelfde acte d’absence dringt door in elk van de gedichten. Steeds is er iets wat er niet is, of blijkt iets in te grote mate aanwezig te zijn. Er is geen midden met gelijke delen; de bundel trotseert de onevenwichtigheid. Vaak bevindt de afwezigheid zich op het niveau van de zintuiglijkheid. Blinden (mensen of vensterluiken), doofstommen bevolken de gedichten in Vacuüm en ozon. In een vreemd gevormde synesthesie wordt de waarneming een bijzonder spel: ‘de blinde muur had alles in de gaten’, ‘op het gevaar dat je dode / hoek aan het bespieden is’. De op het eerste gezicht bijna steriele gedichten van Yves Coussement dragen een enorme geladenheid en dynamiek met zich mee. Huizen, muren, trappenkokers, ramen stralen geen stabiliteit meer uit, maar gaan op elkaar inwerken en sturen zo de blik naar een alternatieve zienswijze. De ruimte neemt de rol van (bekeken) object op, maar legt die tegelijkertijd ook naast zich neer om zelf in te grijpen.

    Vacuüm en ozon houden leegte en overdaad in. In het eerste geval is er luchtledigheid (lucht die er niet is), in het andere bevat de molecule een zuurstofatoom te veel. Leven is in beide omstandigheden onmogelijk. In de gedichten van Yves Coussement worden die plaatsen opgezocht of tot leven gebracht waar de twee sferen bijzondere levensvormen opleveren. Waar stabiliteit verschuift naar dynamiek, waar alle voorspelbaarheid wordt afgelegd. Waar de blinde vlek benoemt wat er niet is, en wat er wel is slechts bestaat in die blinde vlek.

    Vormelijk is Vacuüm en ozon een bevestiging van de verscherpte ruimtelijkheid in de bundel, van de leegte en de overdaad. Titels en afdelingen worden op elke pagina in hun geheel aangereikt; alleen de blinde vlekken verbergen de juiste woorden. Alles valt af te leiden uit de plaatsing, verschillende parallelle lijnen verbinden gedichten met elkaar en hun afdeling, maar raken elkaar niet; ‘twee evenwijdige rechten snijden / elkaar in het oneindige.’

    Yves Coussement publiceert onder meer in Revolver en DWB, en staat als jonge belofte in de bloemlezing Op het oog. 21 dichters voor de 21ste eeuw van samenstellers Maarten De Pourcq en Xavier Roelens (Uitgeverij P 2005).

    Kurt Snoekx

  • En gingen uit sterven

    En gingen uit Sterven Hans Groenewegen

    Het openingsgedicht van de bundel En gingen uit sterven van Hans Groenewegen helpt de lezer op verschillende wijzen zijn weg in de bundel te vinden. Het gedicht heet ‘ alba voor oswald’ en opent met een motto:

    Ain tunkle varb in occident
    mich senlichen erschrecket,
    seit ich ir darb und lig ellent
    des nachtes ungedecket.

    De dichter is de Tiroler dichter Oswald von Wolkenstein, (1376-1445) een naam die met name in de muziekgeschiedenis bekend is. Von Wolkenstein legde een collectie liederen aan die nu gelden als representatief voor de 14e en 15e eeuw, maar waarbij niet altijd duidelijk is welke composities door hemzelf werden geschreven, en welke van anderen opgetekend. Een probleem dat in de late middeleeuwen niet alszodanig herkend werd, het auteursschap is een uitvinding die pas in de renaissance meer aanzien kreeg. Maar bij een dichter-essayist (en ook poeta doctus)
    als Hans Groenewegen (www.hansgroenewegen.nl ) heeft het programma al in het motto een aanvang genomen. Hier wordt nadrukkelijk verzameld. Het gedicht opent als volgt:

    hoe, wachter, kon ik weten dat het donker dat aanbrak de dag was?

    Dit is mijn roem: uit spraakwatervallen schep ik en dan schenk ik de troebele wijn
    der klare tale, ik neem van de namen om de dorst te benoemen. ik ben het vers en
    ik ben de roemer op het feest van het leven. laat, lezer, mij uw kille keel verwarmen,
    hef me, klink me, hef me, breng naar uw lippen mij, zing me leeg tot op de bodem.

    Deze mooie retorische verwelkoming kan de lezer zowel door Oswald als door Groenewegen toegezongen worden. In zijn geprezen essaybundel over poezie Schuimen langs de vloedlijn schenkt Groenewegen de troebele wijn der klare tale uit de spraakwatervallen van de besproken dichters. De letterlijke opvolging van zijn programma komt dan direct: 'ik neem van de namen om de dorst te benoemen'. In zijn aantekeningen schrijft hij dat het derde gedicht: ‘de mens sterft dorstig’ een citaat van Lucebert is, het uitgangspunt is een foto van Lucebert uit 1956. De regel 'hef me, klink me, hef me, breng naar uw lippen mij'. Weerklinkt in het gedicht ‘ elegie voor hans favery’

    […]hij heft wat hij drink
    nooit hoger dan de lippen.
    […]

    Hans Groenewegen wentelt zich in een zee van allusies, hij citeert, verwijst en verbindt. Soms overvalt de lezer het vermoeide gevoel dat de dichter met een knipoog naar de Vlaamse ontraadselaar Paul Claes wat al te enigmatisch aan het verstrikken is geslagen, maar dat gevoel doet de bundel; toch geen recht. (Evenmin doet overigens zijn eigen aanbeveling recht aan de bundel:

    ‘De toon is bitterboos en spottend, intiem en uitbundig, treurend en zingend. De gedichten zijn eenvoudig en complex. Hans Groenewegen laat geen middel onbeproefd om het leven te vieren. Want hij mag dan spreken van 'de al gestorven aarde', hij viert met zijn lezers het feest van de taal.’ ) Dit is geen flaptekst, nog las ik het in enige recensie. Ik was nog maar steeds van mening dat dichters weigerden dergelijke dingen over hun eigen bundel te beweren. De bundel spreekt gelukkig andere taal. )

    In zeven afdelingen – die misschien een oudtestamentische notie met betrekking tot de schepping zijn, getuige het laatste vers

    Schepping

    eieren legden zich
    ze vonden de maan uit, lagen, braken

    en gingen uit sterven

    – bezweert de bundel juist dit ‘sterven gaan’. Hoe eenvoudiger de beelden zijn opgebouwd, hoe minder getracht lijkt een poetisch jargon te volgen dat de verschillende dichters die Groenewegen zo voortreffelik besprak tot het hunne mogen rekenen, hoe meer dit ook werkelijk vorm krijgt. In ‘en de zon stond stil en de maan bleef staan totdat het volk zich op zijn vijand had gewroken’ refereert Groenewegen aan een geschiedenis uit het bijbelboek Jozua waar God de dag verlengt om zijn volk de strijd te laten winnen. In het tweede couplet is de wens hetzelfde te kunnen bewerkstelligen van toepassing op een avond,

    deze avond, lagen zon op wrakke en op onderhouden daken,
    op schaduwen, asfalt, stoppelakkers, zonnebloemen. een venster sproeit
    genster op de vijg. onzinnig deze avond het geluid van stromend
    zwembadwater, krekels, merels, mussen, brommers, koeien te beschrijven
    om een uitstel te bewerken van wat toch komen zal. deze avond
    wordt onweerstaanbaar krachtig langs de man met gieter bij de rozen,
    de uitgelaten meisjes, langs de lomen hier en elders voortgeduwd.

    hoe onverzettelijk wij ook blijven zitten, deze nacht blijft vallen
    en de nacht overvalt ons desondanks

    Het sterke van dit vers s dat het beeld dat gebruikt, gezocht wordt in het eerste deel een werkelijk levende pendant krijgt in het tweede deel.

    De zeven afdelingen hebben een mooie losse onderlinge samenhang, de zee, glas, ademhaling, dood, brengen een onnadrukkelijke ordening aan in de beelden. In de derde afdeling vindt een commedia dell’arte-achtige scène plaats met een clown, een wat verplicht aanvoelend scherzo dat gecompenseerd wordt door het spiegelend deel 5, met het voornoemde mooie gedicht ‘ elegie voor hans favery’ en ‘vlinderlongen’, een stevig deel dat meer plaats biedt voor de kracht van Groenewegen: losjes in een baaierd van discours toch een eigen geluid brengen. Het zijn misschien de gedichten waarin zo direct een dialoog wordt aangegaan die het best standhouden. Standgehouden wordt er ook in het vechtende gedicht ‘adembenemende, beneem mij de adem vandaag nog niet’

    laat, hoe licht ze ook waaien mogen, de winden van mijn huid niet wijken

    geef me geur en smaak terug, stilzwijgende, vandaag nog,
    slaak mijn tong, die in vloek noch zucht aan jou voorbij kan

    Een bede om de zintuigen, dat wat het meest aan het leven bindt, te behouden. Sterk is tenslotte ook het gedicht ‘ kleine apologie van het schrift’ , een gedicht waar de reactie van de dichter op een tekstfragment van de Duitstalige chansonier Hans-Eckardt Wenzel ‘alles was noch geschieht, wird schlimmer sein, als was war. (tevens motto van het gedicht.) waarbij de dichter de gedachte op zich in laat werken,

    [..]
    kijk ik van het onontwarbaar kluwen duister buiten
    in het opgeslagen boek, slaat het licht dat me daarin
    opgaat door de ruiten en door het stervormig gat

    vlaagt kou naar binnen over het hele onvoorbereide lichaam
    aan de hand die wat de ogen daarin zien

    als citaat noteert: dat het zo gaat is onverdraaglijk.
    zo was het, zo is het en zo zal het zijn

    Weer een liedjesschrijver als bron, maar literaire voorbeelden, liedjesschrijvers of dichters zijn altijd grilliger dan wat het ‘ handschrift van een blindganger’ wil vastleggen. Hans-Eckardt Wenzel bijvoorbeeld antwoordde, gevraagd naar naar de diepere achtergrond van zijn tranentrekkend citaat: Es gibt ja diesen Witz, wo der Pessimist und der Optimist sich treffen, und der Pessimist sagt: “Schlimmer kann's nicht mehr kommen”, und der Optimist sagt: “Doch, doch, doch!”

    mh

    en gingen uit sterven Hans Groenewegen, Wereldbibliotheek, 2005.

  • Zwervende zenuwen en voorspanning

    Recensie door Coen Peppelenbos

    Stel: je pakt vier willekeurige zelfstandige naamwoorden uit de krant. Generaal, oven, buien, loflied. Onwillekeurig gaan je hersens dan aan de gang om een samenhang tussen die woorden te vinden. Alhoewel ze hun context kwijt zijn, krijgen ze door de nieuwe woorden vanzelf een nieuwe context. In het titelgedicht ‘Prime time’ in de laatste bundel van Erik Menkveld gebeurt hetzelfde. Je hebt eerst niet door wat er precies staat, want het gedicht springt van een nieuwsitem over naar een documentaire, naar een kookprogramma, terug naar de documentaire etc. Kortom: de lezer zapt met de dichter mee de kanalen langs waar tv-programma’s op prime time worden uitgezonden. Gewend als je bent om de betekenis te zoeken, komen er rare verbindingen tot stand.

    ‘Monsterlijke reus ontpopt zich als messias, wordt later / samen met ontsnapte gevangene voor homostel gehouden / in Texaans dorp. De tomaten. Dompel ze in kokend water.’

    Je houdt je hart vast voor dat vermeende homostel.
    Erik Menkveld was jarenlang redacteur bij de Bezige Bij en programmamaker bij Poetry International. Het is dan ook niet verwonderlijk dat in zijn gedichten andere dichters opduiken. Zoals Gerrit Kouwenaar en K. Schippers. Voor de overleden dichter Kees Ouwens maakt hij een Ouwens-gedicht, met de vele typische herhalingen. Elke zin begint met ‘Geen’ en vertelt wat er gemist wordt door de dood van Ouwens. ‘Geen doorwandeld goed meer zonder deze woorden, / zonder suizeling die huivert van zichzelf.’
    Maar ook de overleden vertaler Gerard Rasch herdenkt hij in een gedicht waarin hij een herinnering ophaalt aan een gezamenlijk uitje met de dichter Zbigniew Herbert. In dit gedicht leggen de woorden het af in de laatste strofe:

    ‘ach Gerard wat sprak ik wat sprak jij
    toen nog vanzelf elk in ons eigen
    achterbakse lijf dat ons nog even
    niet de mond ging snoeren dacht ik
    denk ik dacht jij.’

    Iets vrolijker is een soort pastiche op een gedicht van Bloem. Een dichter die je als je jong bent goed vindt omdat de somberte zo heerlijk is om in weg te kwijnen. Maar bij Menkveld viel ‘de bitterheid best mee’.
    Menkveld schrijft zo op het eerste gezicht vrij makkelijke gedichten. De beelden die hij gebruikt zijn niet heel erg apart, de woorden niet heel erg uitzonderlijk en ook zijn versvormen zijn vaak bedrieglijk simpel. Soms lijkt het ook proza-achtig te beginnen, alsof hij een verhaaltje vertelt, maar het veelvuldig gebruik van enjambementen dwingt je om terug te gaan, opnieuw te lezen en te kijken waar je gedachten het spoor bijster raakten. Menkveld is geen grote ontregelaar en dat is ook wel eens prettig in de huidige poëziewereld.

    Het mooiste gedicht in de bundel vind ik ‘Voorspanning’. De ik-figuur zit te wachten op een geliefde en heeft last van ‘zwervende zenuwen’ en dan leest hij ook nog in een blad het woord ‘voorspanning’. ‘Toevallige taal die gaat vonken’ noemt de dichter het en hij schrijft het ook gewoon zo op en het is ook precies wat er op dat moment in zijn leven gebeurt. Sterker nog: als ik in de toekomst zal wachten op een geliefde zal ik ook last krijgen van voorspanning en zwervende zenuwen. Die woorden gaan niet meer uit mijn systeem.

    ‘En dan sta je aan mijn tafel: lachend
    ontspannen, nauwelijks te laat. Ik ga je

    maar niet onder woorden brengen.
    Al mijn organen in lichterlaaie, probeer

    ik me nog uit de vuurzee te redden
    met iets vanzelfsprekends op je kaak.’

     

  • De Alice voorbij

    Eindelijk weer een Ekkers?

    Wie kent Remco Ekkers nog? Alhoewel hij nooit echt in het middelpunt van de literaire belangstelling heeft gestaan, is in het laatste decennium niet veel meer van hem vernomen. Daarvoor gaf hij lezingen en workshops over poëzie en mythen, schreef hij poëzie voor jongeren en bovendien kwam je hem nogal eens tegen als schrijver van voorwoorden en bijschriften in allerhande bundels. Het heeft meer dan tien jaar geduurd voordat zijn onlangs verschenen poëziebundel uitkwam, getiteld De Alice voorbij. Vorig jaar verscheen zijn roman De Feeëntrein. Eindelijk weer een Ekkers?

    De Alice is een sleepboot. In een kort vraaggesprek zegt Ekkers: “Zo’n boot staat in dienst van…, is een soort slavin. Dat kun je natuurlijk van veel dingen zeggen, maar misschien ook van mensen. Wij staan zelf ook in dienst van… Wij worden gebruikt en wat erger is: opgebruikt. Je kunt mensen als dragers van genen zien. Zij worden gebruikt in de evolutie en zij weten niet in welke richting, met welk doel. Eén ding is zeker: we vallen langzaam uit elkaar. De laatste strofe is metaforisch voor ons eigen levenseinde.” 

    De laatste strofe van het gedicht ‘De Alice voorbij’ luidt als volgt:

    Uitzicht op bakken met stalen rommel
    grijpers, kranen en fragmenten
    laatste vaart, weg uit dode rivierarm.

    De gedichten die op het openingsgedicht volgen, zijn veelal somber van toon, al dan niet cynisch. Verlatenheid, onbegrip, leegte en angst. Ekkers verrast je weinig met niet al te unieke beelden als: ‘wij leven / omdat wij ooit niet leefden / verbleken omdat wij gelezen zijn’ of ‘er wordt geschoten / met kijktoestellen’. Het van Vasalis bekende beeld in de openingszin: ‘Ondertussen zit de stenen tijd’ of de beminde vrouw die een tweede Troje zou verdienen in: ‘Nu probeert ze te slapen, Trojaanse slet’ zijn evenmin heel origineel. Het gedicht ‘De libellen’ kent een andere inhoud maar ogenschijnlijk eenzelfde kringloopsysteem als het bekende gedicht ‘De visser van Ma Yuan’ van Lucebert.

    De achterflap vermeldt dat het gedichten zijn die gaan over de vergankelijkheid van het bestaan. En de poëzie is in ‘uitgekiende observaties, in transparante taal’ beschreven. Heel veel uitgekiende observaties kom ik in deze bundel niet tegen en de taal is soms wel heel transparant. Eén van de mooiste gedichten bevat wel beide kwalificaties.

    FRANSUM

    Zomer in Fransum
    mals gras tussen de graven.

    Dunne vogels duiken
    uit de waaiende luchten
    als harde oorlogsjagers
    boven de huizen van dit land.

    Je kunt heel lang kijken
    vanaf de oude hoogte
    over het groene stille land
    zie je steeds een schutter sluipen.

    De oude bomen schommelen
    als pantserwagens gecamoufleerd
    langs de lege ringgracht
    en de middeleeuwse kerk bewaart
    honderd geschonden lijken.

    Dít zijn uitgekiende observaties, dít is transparante taal maar dit is ook iets heel anders dan het volgende gedicht.

    NATUURRESERVAAT

    Hier mag zij rusten in modder
    al waait het nu te hard
    voor de aansteker, bevende vlam.

    Hier aan de rand van het water
    dat straks tot rust komt
    als de wegwakkerende wind
    is gaan liggen.

    Ze gieten haar mond vol
    haar gezicht.

    Vóór de eenzame boomzwarte vork
    die dan weer spiegelt, loodkleurig
    terwijl in de verte enkele vogels
    kalm gaan overvliegen.

    Ekkers zei eens in een interview met Annette van den Bosch in Meander: “Er is voor mij geen wezenlijk verschil tussen poëzie voor jongeren en voor volwassenen. De onderwerpen zijn hetzelfde: liefde, dood, angst, eenzaamheid en schuld, alleen de syntaxis, de moeilijkheidsgraad van de taal is anders. Je moet er rekening mee houden dat kinderen minder levenservaring en kennis hebben. Daarnaast moet jeugdpoëzie iets opgewekter zijn, althans niet cynisch, bitter of nihilistisch.” Het verschil in de poëzie van Ekkers is mijns inziens toch wezenlijker dan hij in bovenstaand fragment beschrijft. Ekkers’ jeugdpoëzie is inderdaad levendiger, vrolijker en minder somber. Dit zie ik echter toch als een wezenlijk verschil; het is net zo essentieel als de onderwerpen van de gedichten. Want zijn jeugdpoëzie is tevens origineler, speelser en simpelweg mooier. Een willekeurig gedicht uit de bundel Haringen in de sneeuw (1984) toont dat aan.

    KLETSKOUS

    Mijn broertje zit soms urenlang
    te kletsen terwijl hij een boterham
    met kaas en ei probeert te eten.

    Niemand luistert, maar hij ratelt
    gewoon door; ik lees de laatste Donald
    mijn vader gaat naar de telefoon
    en mijn moeder schilt een appel.

    Zou daar nou niks voor zijn?
    Willie Wortel kan misschien een mond-
    dempertje uitvinden of zou er iets
    te vinden zijn in Douwe Dabberts knapzak?

    Kortom: een weinig verrassende en originele bundel. Na tien jaar oogsten is er niet veel kaf van het koren gescheiden. Op enkele mooie gedichten na, ‘Kerkje Middelbert’, ‘Hoe je je dochter moet laten gaan’, verveelt de bundel en laat je schouderophalend achter.

    Wouter de Vries

    Remco Ekkers – De Alice voorbij
    Uitgeverij Kleine Uil
    ISBN 9077487166
    54 pagina’s

    Links
    http://www.kleineuil.nl/
    http://home.planet.nl/~ekker036/

  • Rusland Lethe Lorelei

    Noordse lente

    Gebonden, gecartonneerd, linnen band. Achter op de laatste pagina is een stickertje geplakt waar een leeslint aan hangt. De vertaalster van de bundel Rusland Lethe Lorelei – een bloemlezing vertaalde Russische poezië – heeft het er misschien zelf wel ingeplakt, want de uitgave is in eigen beheer uitgegeven. Ze dacht bij het inplakken van alle vijhonderd exemplaren dat het lint de lezer wellicht van pas zou komen om lucht te scheppen in de hoogstpersoonlijke bloemlezing uit het werk van Poesjkin, Tjoettsjev, Goemiljov, Achmatova, Mandelstam, Pasternak, Galitsj, Okoedzjava  en Achmadoelina. Nog voor het inplakken zijn de linten op maat gesneden. Als je dat in eigen beheer doet weet je dat een leeslint een ruime drie centimeter langer moet zijn dan de diagonaal van het boek. Iets wat ook de betere drukker nog wel eens vergeet.

    In deze tweetalige editie geeft de vertaalster Nina Targan Mouravi een verklaring voor het verschijnen van dit boekje. Het is een ‘afrekening met een tergend onvermogen datgene wat mij bekend en dierbaar is adequaat in het Nederlands over te brengen. […] De boeken van Georgische auteurs die mijn moeder naar het Russisch had vertaald zouden een complete boekenkast kunnen vullen.’ Dat is eigenlijk de mooiste motivatie voor een bloemlezing, dat wat je bekend en dierbaar is aan anderen willen tonen. Bijvoorbeeld omdat de gedichten nog niet vertaald zijn. Of omdat sommige dichters minder bekend zijn.
    ‘Men moet in een noordelijk land hebben geleefd om te begrijpen waarom Russische dichters zo uitbundig het voorjaar bezingen,’ staat te lezen in het begeleidend stukje over Fjodor Tjoettsev en dat is de kracht van deze bloemlezing: een bloemlezing van binnenuit. Waarom zie je dat zo weinig, wat is eigenlijk logischer dan een hoogstpersoonlijke bloemlezing van vertaalde poëzie. Waarom zijn het zo vaak Nederlandse vertalers? Of soms niet eens vertalers. In dit boek krijgt de lezer een heel stuk Russische geschiedenis mee, en soms persoonlijke geschiedenis van Nina Targan Mouravi. En dit geeft meer context aan de poëzie die je leest dan je gewend bent. De ‘salon’ van Mouravi gaat nog verder. Er zit een cd bij! De vertaalster leest op melodie de vertaling, en vervolgens het Russische origineel. Nog een manier om de lezer kennis te laten nemen van het wezen van de gekozen gedichten. 

    De dichters worden op een onconventionele, zeer persoonlijk manier geïntroduceert: ‘Wij Russen zijn al eeuwen verliefd op Poesjkin ? dat merk je ook aan de nijdige opmerkingen van dichteressen als Tsvetajeva en Achmatova aan het adres van zijn schone, verondersteld onnozele, jonge echtgenote. Tja, als zíj met hem getrowd waren dan had hij geen reden voor een duel gehad en voelde hij zich begrepen leken zij te denken.’  En ook in de keuze van de gedichten lijkt Mouravi voortdurend in hun eigen woorden –  die nu ook de hare zijn – in gesprek te zijn met de dichters die ze bloemleest

    Aan Ivan Poesin

    Mijn eerste vriend, nog steeds aanbeden!
    Zelfs ik heb grif mijn lot bedankt,
    Wanneer het klokje van jouw slede
    Mijn desolate, mijn besneeuwde
    Gehuchtje vulde met zijn klank.

    En biddend hef ik thans mijn armen:
    Laat nu mijn stem aan jouw gemoed
    Vertroosting schenken en erbarmen,
    Dat ons verbond je cel mag warmen
    Met zijn vertrouwde, milde gloed.

    Bij Bella Achmadoelina schrijft de vertaalster: ‘Bella Achmadoelina heb ik vaak zien optreden. Zij was betoverend. Zangerig als een sjamaan reciteerde zij haar fraaie, ingewikkeld gecontrueerde regels, doordrenkt met alliteraties en metaforen.’ 

    En ze kiest:

    […]

    Ik weet dat ik bij jou de wijsheid vind,
    Dat vorm en inhoud telkens zullen rijmen,
    En de natuur komt bij me als een kind
    Met al haar akkefietjes en geheimen.

    En dan alleen, door tranen van weleer,
    Door armoe, en verdriet en oude pijnen
    Verschijnen voor de allerlaatste keer
    Die dierbare gezichten ? en verdwijnen.

    Een bloemlezing als een zelf samengesteld Liber Amicorum. Voor en door Nina Targan Mouravi. En 499 andere gelukkigen.

    Ik voeg er mijn Poesjkin in een vertaling van Frans Joseph van Agt aan toe:

    Geliefder is een laatste bloem
    dan al de pracht van ’t vroeg seizoen.
    Zij wekt bij ons bedroefde dromen
    met des te warmer levend vuur.
    Zo, bij het scheiden, leeft dat uur
    soms meer dan het zoet samenkomen.

    Rusland Lethe Lorelei. Vertaling, voordracht en inleiding: Nina Targan Mouravi, Uitgeverij Azazello Met gedichten van Poesjkin ? Tjoettsjev ? Goemiljov ? Achmatova ? Mandelstam ? Pasternak ? Galitsj ? Okoedzjava ? Achmadoelina

    Technische gegevens:
    ISBN 90-808825-2-6
    Gebonden, gecartonneerd, linnen band
    Druk: offsetdrukkerij Jan de Jong, Amsterdam
    Bindwerk: binderij Van Waarden
    228 pagina's, 220 pagina's tekst en illustraties
    Audio-CD met tweetalige voordracht
    Stemopname: Azazello, opnamelocatie: studio Grasland
    verkoopprijs: 24, 50 euro

    De bundel is te bestellen door het bedrag over te maken op 56.01.77.380 van Targan Ontwerp, o.v.v. Dichtbundel en uw adres. Mail dan voor de zekerheid uw bestelling door naar: info@hetportret.nu, of info@azazello.nl

    mh

  • Schaduwboekhouding

    Het is vergeten en vergeten worden

    De dichter Ingmar Heytze schrijft de laatste jaren ook proza. Voor uitgeverij De Prom schreef hij een dagboek en twee jaar geleden verscheen bij Podium Ik ben er voor niemand. Dat was een verzameling korte stukjes met als hoofdpersoon Retour Afzender. Schaduwboekhouding bevat gedichten en miniaturen.
    De bundel begint met poëzie. Na een paar gedichten vroeg ik me echter af waarom Heytze ze in poëzievorm heeft opgenomen. Het openingsgedicht ‘Vertel nog eens over de wolven’ heeft immers niets met een gedicht te maken. 

    ‘Vertel nog eens over de wolven,’ vroeg ze altijd voor
    we gingen slapen, en dan vertelde ik over de wolven.
    Dat wolven kleiner kunnen zijn dan vossen, maar ook
    groter dan de grootste hond. In het algemeen kun je
    zeggen: hoe kouder het klimaat, des te groter de wolf.’

    Dit is het begin van het gedicht en ik tref er geen poëtisch beeld in aan. Sterker nog, de tekst wordt ons letterlijk als vertelling aangeboden. De regelafbreking lijkt me vrij willekeurig. Kortom: wil Heytze ons meteen al bij het eerste gedicht in de war brengen door een prozastuk te vermommen als gedicht om zo het onderscheid tussen proza en poëzie ongedaan te maken? Er staan meer van dat soort prozagedichten in de bundel, zoals ‘Stadsmees zingt hoger’, een bewerking van een krantenartikel. Of ‘Briefkaart uit bestemming’, een lange tekst (van Afzender!) met hilarische zinnen: ‘Er waren excursies en souvenirs van kunstleer. Over de / vegetatie kan ik kort zijn maar men toonde zich gastvrij, nergens / een gast te zien’.

    Die humor, toch een van de kenmerken van Heytze, is net als in vorige bundels vaak een ironische verdringing van verdriet en angst. Schreef hij in Aan de bruid het gedicht Rorschach over het schrijven van een brief aan een geliefde (‘de liefde is van brandhout / en een inktvlek is een inktvlek / en voorbij voorgoed voorbij.’) in deze bundel schrijft hij er zelfs twee, waarvan er een eindigt met ‘onder een plavuis, vond men een crypte / vol met babylijkjes.’ De toon is wranger, minder speels. In ‘Wingerd’, voor mij het mooiste gedicht van de bundel, schept de dichter een beeld van oude geilaards aan de bar: ‘Nog een paar jaar, dan lopen onze krukken uit.’ Mannen die in de vergetelheid wegzakken. ‘Wij hadden iets bestormd, maar wat?’ De angst voor de vergetelheid blijkt ook op de volgende bladzijden, angst voor de dood, angst voor ‘de grote gifwolk’, angst om niet bestaan te hebben: ‘Het is vergeten en vergeten worden / anders niet.’ Heytzes bittere antwoord op Shakespeares ‘to be or not to be’.

    Het merkwaardige is dat er in de miniaturen in het tweede gedeelte weer veel meer absurdisme zit. Ik moet me inhouden om niet een heel verhaal te citeren, maar af en toe zijn ze erg goed. In het beste geval zijn ze vreemd, spannend en enigszins surrealistisch. Bijvoorbeeld het verhaal dat begint met ‘Er stopt een oude, grijze auto in de straat.’ Toch zijn de prozastukjes niet allemaal van hetzelfde niveau. Er staan ook een paar flauwe stukjes in, zoals over het gezegde ‘Iets in de melk te brokkelen hebben.’ Dat is een te cabaretesk. Liever lees ik de stukken met een sterke mysterieuze openingszin: ‘Er staan weer exen in de tuin.’ 

    Het is spannend de om de ontwikkeling van Heytze te volgen. Toch zou ik liever een aparte prozabundel willen hebben en een aparte poëziebundel. Volgens mij zitten de twee gedeelten elkaar nu in de weg en dat is jammer voor beide gedeelten.

    Coen Peppelenbos

    Ingmar Heytze: Schaduwboekhouding. Podium, Amsterdam, 80 blz. €13,90.

  • Al die jaren daar zat ik te kijken

    Door Wouter de Vries

    Op het terras in Schipborg heerst een serene sfeer. In de voordagen van de lente, op een voor de tijd van het jaar warme dag, kijk ik over het stroomdal. De Drentse Aa kabbelt tussen haar wallen. Voor het riviertje onzichtbaar, zo’n halve meter boven haar dal, strekt de heide en het grasland zich uit en wordt opgeslokt in lage bebossing. Dit is de omgeving waar Rutger Kopland (70) zich zo thuis voelt:

    ‘Al die jaren dat ik zat te kijken
    op het terras aan de rivier
    dacht ik: zoals hier, zo moet het zijn’

    Op het terras dacht ik aan de week daarvoor. Ik reed van kerk naar kerk in de provincie Groningen. Een aantal van deze kerken hebben een schitterend geheim. Dat geheim verbergt zich niet lang; het is volop aanwezig in het schip en openbaart zich in volle glorie als het toevallig bespeelt wordt. De orgels van Arp Schnitger, die zich uitstekend lenen voor de barokke orgelkunst van Johann Sebastiaan Bach. Ook over het orgel (en over J.S. Bach) spreekt Kopland zijn bewondering uit:

    ‘je hoort het eeuwenoude mechaniek, het gekreun
    van scharnieren, het geklepper van toetsen
    het gekraak van de vloer, het zuchten van wind
    hoe er van lucht muziek wordt gemaakt

    en er een koraal langzaam door de ruimte zweeft
    als een onzichtbare gewichtloze vogel
    Leichtigkeit’

    Toen ik in de kerk was, zag ik daar het preekgestoelte, de bijbel, het kruis… Terwijl ik langzaam wegdroomde in deze stille heiligheid, dacht ik aan het ontwaken van Kopland:

    ‘Toen ik al bijna ontwaakt was herinnerde ik mij
    dat ik die nacht in het verleden had geleefd
    en zonder de geringste verbazing weer
    geloofd had dat God bestond’

    Aan het einde van het gedicht ontwaakt hij en concludeert dat ‘God weer was verdwenen, ergens in mijn hersenen.’

    Het bedachtzame, verbazende, verwonderde, waarnemende karakter van de poëzie van Kopland zorgt ervoor dat aan elk onderwerp betekenis wordt gegeven, die doorgaans maar al te vaak over het hoofd wordt gezien. Na de zware kritiek op zijn werk van Ilja Leonard Pfeiffer in zijn essay ‘De mythe van de verstaanbaarheid’, die is opgenomen in de bundel Het geheim van het vermoorde geneuzel*, heeft Kopland wel weer bewezen dat hij zijn lezers geen vals sentiment opdringt. Hij spreekt in zijn poëzie met oprechte bewondering. En, zoals Kopland zelf zegt, mag het verstaanbaar zijn. Alles met ‘Leichtigkeit’, herhaalde hij enkele malen tijdens een interview met prof. dr. Gillis Dorleijn in een Groningse boekenhandel.

    Die leichtigkeit is in deze bundel volop aanwezig. Kopland transformeert bijvoorbeeld ‘mooie gesprekken’ tot gedichten, haast zoals Bernlef en Schippers het in Barbarber deden. Maar er is meer betekenis; de anekdotische gesprekken dienen zonder meer een doel, ze zoeken naar zin. Soms komt het gesprek bedrogen uit, soms had het net zo goed niet gevoerd kunnen worden, soms is het te moeilijk om te volgen. In die gesprekken rolt de dichter van de ene verbazing in de andere.

    Wat water achterliet

    De bundel opent met de cyclus ‘Wat water achterliet’, die al eerder als bundel verscheen ter gelegenheid van Gedichtendag 2004. Kopland stapt meteen de wereld in van materie en geest met het prachtige openingsgedicht ‘Een koraal’ (waar hierboven ook uit is geciteerd). Hij verbaast zich over het proces van de samenkomst van het grijpbare en ongrijpbare, of ‘hoe er van lucht muziek wordt gemaakt’. Over de samenkomst van materie en geest lees je vaker in deze bundel en overigens in zijn gehele oeuvre. Een niet zo’n verwonderlijk thema voor een emeritus hoogleraar biologische psychiatrie. De manier waarop hij er mee speelt maakt het luchtig, evenals Bach zijn muziek speelt: ‘zo / licht dat het was alsof het geen handen waren / die speelden’. En Kopland sluit het gedicht betekenisvol af met het woord, dát woord dat de gehele bundel typeert: ‘Leichtigkeit’.

    Het titelgedicht van de cyclus ‘Wat water achterliet’ beschrijft een ogenschijnlijk toevallig door Van Hoogdalem geschilderd tafereel dat bewaard bleef:

    ‘je kunt zien dat hij het papier doordrenkte
    met water ? water dat nu is verdampt
    en de dingen achterliet zoals ze
    daar waren, in dat licht’

    Later haalt hij de schilder Westerik aan, die over zijn eigen ambacht spreekt:

    ‘een truc van de oude meesters, zegt hij
    het wit daaronder werkt als een spiegel
    het geeft een mysterieus gloeien
    van binnenuit’

    ‘en het is waar ?’, besluit Kopland, ‘je ziet in de verf / een mysterieus gloeien van onderhuids / vreugde en verdriet’.

    Het luchtige ‘De God in mijn hersenen’ beschrijft een droom, waarin Kopland ‘zonder de geringste verbazing weer / geloofd had dat God bestond’. Daarom ‘wilde hij hem eindelijk wel eens spreken’ en hij belt God op. Na een keuzemenu wordt gezegd dat er nog ‘één wachtende voor u [is, wdv] en die ene bent u’. Deze mededeling doet hem eindeloos nadenken. Maar bij het ontwakend beseft hij dat God in zijn hersenen is. In het eerder genoemde interview wees Kopland betekenisvol met zijn vinger naar de zijkant van zijn hoofd en zei: ‘Daar zit Hij, in mijn hersenen… en nergens anders’. Deze gedachtetheorie wrijft hij er nog eens goed in met dit gedicht, dat uitblinkt van kienheid. Want ondanks het nogal naïeve karakter wordt de theorie stevig gemaakt door de mededeling over de wachtende. De redenatie van de wachtende is als een het symbool van een cirkel en grijpt wederom terug op het thema materie en geest.

    In ‘Een anatomisch verslag’ bewandelt hij het landschap van hersenen, de wereld waar zijn overleden moeder had gewoond en ‘ook ik woonde hier’. Kopland vertelt waar het geluid van een cello hem aan doet denken en geeft in ‘Eva, zandsteen, twaalfde eeuw’ en schitterend pure visie op de oorsprong: ‘Voor de steenhouwer was zij de eerste vrouw / op aarde’. En na deze en enkele onvermeld gebleven aardige tot schitterende verzen sluit de cyclus af met twee ‘Mooie gesprekken’ over de ziel en over de mens in de mens.

    Het orgel begon te spelen, die middag in die kerk. Dat zuchten, dat kreunen van het mechaniek. De zuivere tonen van ‘Wo soll ich fliehen hin’ die echoden in de stilte ‘en ik ? ik begon hevig te verlangen naar / de troost van een sigaret’.


    Raveel

    In de volgende cyclus, ‘Raveel’ vergelijkt Kopland in vijf gedichten beelden met gedichten. Elk gedicht begint met het woord ‘zoals’ en sluit af met de woorden ‘zo wil’ en ‘zo moet(en)’. Tussen het begin en het einde geeft hij de vergelijking weer, beeldt hij hem uit. Als een bewonderaar van beeldhouwkunst projecteert hij deze kunst op de poëzie. Hij wil dat ook gedichten ergens beginnen iets te beschrijven, ‘de gaten laten zien in / de taal waar voor de dingen geen plek is’. Een gedicht ‘moet het iets zeggen / en dat niet zeggen en opnieuw zeggen’ en ‘ergens ophouden iets te beschrijven.’ Net zoals beelden dat doen. De nadruk ligt overigens op het woord ‘zijn’ in ‘zíjn beelden’. Dat zijn de beelden van Roger Raveel, die beschouwd wordt als één van de belangrijkste Belgische kunstenaars na 1950. Kopland maakt van Raveel een beeldhouwer van gedichten, hij slaat ze in wezen uit hout. De essentie van Koplands bewondering wordt duidelijk in het laatste gedicht; de gevonden waarheid:

    V

    Ik las dat de werkelijkheid niet bestaat

    er stond: de dingen zijn niet zoals ze kijken
    te zijn ? maar ze zijn ook niet anders

    vreemde uitsprak
    en die ik niet kan vergeten
    ik blijf zoeken naar hun waarheid

    en soms vind ik die ? in zijn beelden
    een onbegrijpelijke waarheid

    Een man in de tuin

    Evenals de gehele bundel, is de derde cyclus ‘Een man in de tuin’ getiteld. In deze bundel vind je ook het gedicht waarin de titel van de bundel én de cyclus de bedachtzaamheid van Kopland beter dan elders weergeeft. In het gedicht ‘Zelfportret’ verbeeldt hij exact wat een zelfportret verbeelden moet. Met gepaste afstand bestudeer je jezelf van dichtbij om een stap achteruit doen om het overzicht te bewaren. Je staat voor je ik, desalniettemin geportretteerd, peinzend, denkend over wie je bent: een man in de tuin. Kopland bedenkt dat nog nooit iemand zichzelf heeft gezien. En nee, letterlijk niet. Je bent het ook niet, op dat portret. Het is de verbeelding, een weerspiegeling. En precies zo verwoordt hij het verlangen naar het onzichtbare ik:

    ‘je zoekt in wat er van je
    overbleef een man in de tuin’

    Na dit besef neemt Kopland je mee naar de wereld van Caeiro, Giacometti, Ovidius. En naar een tafel bij het raam, naar de plek waar je woonde. Hij leert je kijken en vertelt wat de kunst is van het doodgaan. In welk gedicht deze onderwerpen ook naar voren komen, hij bewaart de gepaste afstand. Alsof je in een museum een schilderij bekijkt, of je zelfportret. Het is een kwestie van focussen en achteruit gaan. Overzicht bewaren door de details te koppelen. En die kleine details zorgen voor het grootse, het allesomvattende. Hij bewondert de koralen ‘Wo soll ich fliehen hin’ en ‘Nun komm’ der Heiden Heiland’, de eerste naar het leven en de tweede naar de dood. En ondanks het zoekende en verwonderende besluit hij het schitterende ‘De kunst van doodgaan’ met de twijfel:

    ‘ik hoop dat dit het is want ik ben bang
    dat het anders zal zijn’

    In deze cyclus zijn het derde en vierde deel uit de ‘Mooie gesprekken’ opgenomen, getiteld: ‘Maaltijd’ en ‘Het ontelbare’. Het gedicht ‘Maaltijd’ is vrolijk, bijna melig. Want hoe zouden op ‘poëtische wijze heerlijke gerechten / kunnen worden gemaakt’? Het vierde en laatste deel ‘Het ontelbare’ is serieuzer van toon. Men filosofeert over het aantal vogels dat als een zwerm overvliegt, over ontelbaar grote getallen en sluit af met de ‘gebruikelijke hemellichamen’ die enerzijds clichématig worden aangevoerd maar anderzijds onvermijdelijk zijn in het gesprek. Want het ontelbare is niet beter aan te wijzen wanneer het donker is en de sterren schijnen.


    Stroomdal

    De bundel sluit af met een doorlopend thema in Koplands werk. Het inmiddels overbekende landschap van de Drentse Aa wordt beschreven in de cyclus ‘Stroomdal’. Het riviertje, het terras, de weide, de landerijen, de bossen. De plek waar Kopland zichzelf vindt, verenigd met het landschap. In elf gedichten verbaast Kopland zich over de schoonheid van het landschap, maar:

    ‘niet om het mooie
    moet ik blijven kijken

    maar omdat dit landschap mijn zijn rivier
    aan niets anders doet denken
    dan aan zichzelf’

    Gedicht voor gedicht komt Kopland dichter bij de essentie. Het lijkt alsof hij zich langzaam één begint te voelen met de omgeving. Nee, beter: hij wórdt één met het stroomdal. Het is daar goed, het is daar zoals het is en zoals het daar is, kan het niet anders. En Kopland kijkt en ‘het is alsof ik mijn lichaam verlaat’. Hij raakt welhaast in een extase, als niemand weet waar hij is, wat hij ziet en hij dat ook zelf al niet meer weet. Hij is er zelf niet meer want ‘Dit zien is weten hoe het is zonder mij’ en hij benadrukt nog eens hoe vanzelfsprekend het is dat het is zoals het is.

    Kopland blijft beschrijven, het lijkt alsof hij er niet meer uitkomt. De gedichten staan bol van de tegenstellingen, eerst is hij er wel, dan niet: ‘of ik hier nu ben en het zie, of niet’ En wanneer je bijna zat lijkt te worden van al die omzwervingen in zichzelf en in dat landschap, pakt hij een schilderij erbij: ‘het is er, zoals / een schilderij er is, het laat zich zien / en het kent geen verlangen’. Even treedt hij buiten zichzelf, even grijpt hij mis. Het schilderij is hier haast te statisch, maar voor kort. Want de dichter wordt nieuwsgierig, hij wil weten hoe het is als híj er niet is. En dan is daar het negende gedicht, dat begint met: ‘Hoe lang al zat ik hier ?’ om vervolgens weer verder te filosoferen: ‘al voor de tijd dat de tijd begon’. Maar toch, het zijn ‘onzinnige waarheden, maar er zijn geen betere’. We komen aan het einde, dichter bij het landschap. Zijn ogen moeten het landschap loslaten. Het is tijdloos, niet te vatten. Nee, Kopland heeft het geprobeerd, maar:

    ‘het landschap met de rivier
    ik zal het nooit kennen’

    Moet ik nog meer zeggen? Dit is Kopland op z’n best. Mijmerend, twijfelend, beschouwend, bewonderend. Ach, welk woord moeten we ervoor vinden. Laat staan dat Kopland het zelf zou kunnen beschrijven. Misschien moeten we het, net zoals hij, vergelijken met een beeld, een beeld van Raveel: ‘Zoals zijn beelden laten zien, hoe toevallig en eenmalig de dingen zijn.’

    Op het terras kijk ik verschrikt op. Had het landschap mij nu ook meegenomen? Was ik er ook, of niet? Ik bestelde maar een biertje. Want ook ik zal het nooit kennen.

    * Ilja Leonard Pfeiffer, Het geheim van het vermoorde geneuzel: Een poëtica. Uitg. Arbeiderpers, Amsterdam, 2003

    Rutger Kopland
    Een man in de tuin
    ISBN 9028240357
    Poëzie, 72 pagina’s
    Verschenen in 2004
    Ingenaaid €14,50

    Je bent van harte welkom in de online leesclub om mee te praten over de besproken bundel. Vanaf volgende week gaan we van start. Je kunt je opgeven door in de online leesclub op de omslag van de bundel te klikken en daarna een bericht achter te laten. Dus als je genoten of gewalgd hebt, hetzij vragen hetzij opmerkingen hebt, er alles dan wel niets van snapt: geef je op! Iedereen is welkom.