• Persoon / Onpersoon,Sybren Polet

    Vanwege het opruimen van dubbele exemplaren uit mijn poëziekast vandaag geen bespreking maar een cadeau:

    1 ex. Persoon / Onpersoon

    tweede druk van 1974

    (N.B. dit is niet de verzamelbundel met gelijke titel, maar de afzonderlijke, 96 pagina’s tellende, uitgave van de openingscyclus)

    inclusief watermerk (‘Ex Libris Thomas Möhlmann’)

    inclusief authentieke opdracht van eerdere eigenaar (’17 nov 84 / Voor Heiko / Beter hoofdbrekens / dan hartbrekens! / Lydi’)

    inclusief prijsopgave antiquaar (‘€ 2,-’)

    Dit onnavolgbare prachtboek van taal- en werkelijkheidstovenaar en eerste Herman Gorterprijswinnaar Sybren ‘X’ Polet wordt gratis opgestuurd naar degene die als eerste een mailtje met het juiste antwoord op onderstaande vraag stuurt naar thomasmmann@yahoo.com (natuurlijk wel naam & postadres vermelden):

    Wat is een Yahoo & in welk beroemd boek is het te vinden?

    Sybren Polet, Persoon / Onpersoon

    De Bezige Bij, Amsterdam 1971

    Meer Sybren Polet: www.sybrenpolet.nl
  • Monument voor een verzonnen dichter,René Huigen

    (deze bespreking gaat over Steven! van René Huigen, maar de techniek weigert even de juiste titel in te voeren, waarvoor excuses)
    Een voetnoot bij Pessoa

    Een goede schrjver verhoudt zich tot veel van wat er al geschreven is. De bundel Steven! van René Huigen doet dat heel nadrukkelijk, in de titel al. Steven is de naam van een man die de sigarenwinkel uitloopt in de laatste strofe in een bekend gedicht van Alvaro de Campos, een van deheteroniemen van Fernando Pessoa :

    De man is de Sigarenwinkel uitgekomen (kleingeld in zijn broekzak stekend?).
    O, ik ken hem; het is Steven zonder metafysica.
    (De Sigarenhandelaar is in de deur gaan staan.)
    Als gedreven door een goddelijk instinct draaide Steven zich om en zag mij.
    Hij zwaaide naar me en ik riep Dag Steven!, en het universum
    Kreeg voor mij zijn vorm weer zonder hoop noch ideaal, en de Sigarenhandelaar glimlachte.

    Huigen heeft deze Steven van een geschiedenis willen voorzien, althans op de dag dat hij uit de Sigarenhandel liep, hij heeft de Steven van Pessoa, die voor het heteroniem De Campos misschien een ideaal van gebrek-aan-metafysica inhield, een levenshouding die voor De Campos te verkiezen valt, voorzien van een voorgeschiedenis die zijn optreden in het gedicht de Sigarenwinkel logenstraft. Wat Steven die dag heeft meegemaakt maakt hem ongeschikt het toonbeeld te zijn van zomaar een man die tenminste weet wat hij met zijn leven moet: tabak kopen als hij daar zin in heeft.

    De bundel eindigt met Stevens weergave van de ontmoeting die er geen was:

    Bij het verlaten
    Stond hij even in de deuropening
    Van de tabacaria stil, en keek,
    Waarom wist hij niet, lachend naar boven.
    Daar stond hij dan, niet naakt ten overstaan
    Van zijn schepper, zoals hem was aangezegd,
    Maar tegenover een hem onbekende
    Man, hem groetende vanachter het raam
    Van diens woning. Voldaan zwaaide Steven
    Terug en maakte zich vervolgens uit
    De voeten. Waarheen, weet U alleen, o
    Muze. Zolang U zwijgt zal Steven dolen,
    En met hem ik, die hem tot hier mocht volgen.

    Wat heeft Steven zoal meegemaakt die dag en hoe verhoudt zich dat tot de persoon die hij wordt geacht te zijn in het gedicht van De Campos?

    In de Sigarenwinkel worstelt De Campos met het probleem van hoe zich de uiterlijke werkelijkheid zich verhoudt tot de metafysica. De Campos is zoekende:

    Ik ben vandaag perplex, als wie heeft nagedacht, gevonden en vergeten.
    Ik ben vandaag verdeeld tussen de trouw die ik verschuldigd ben
    Aan de Sigarenwinkel aan de overkant. Als uiterlijke werkelijkheid,
    En de gewaarwording dat alles droom is, innerlijke werkelijkheid.

    Welnu, Steven heeft die morgen de hel gezien, de Leviathan, zich Odysseus gewaand, met heiligen gesproken, zich laten gidsen als Dante, gevlogen als Ikaros, hij heeft engelen gezien, gehinkeld ‘als de poeet Wiens werk ons zo’n handig vehicel is’. Hij reisde door het werk van Byron heen, door de Klassieken, Dante, Homerus, de bijbel, de middeleeuwse alchemisten, Blake, en een veelheid van werken die ik niet zondermeer herken maar die rondzweven in het belezen brein van de dichter van dit werk.

    En dat alles wordt de lezer verteld in vijfvoetige jamben, als om de afstand van de losse vorm van De Campos gedicht nadrukkelijk te vergroten. De eerste twintig pagina’s van de bundel wordt de Muze aangesproken, uitputtend. Ook een manier om het classisisme van de tekst voor de lezer meteen nadrukkelijk te etaleren: let op, dit is een tekst die zich wenst te voegen naar de retorische regels van weleer, meer dan naar de twintigste eeuwse poëzie waaraan het toch zijn hoofdpersonage ontleend.

    In die zin vormt dit gedicht een poeticaal weerwoord. Maar waarschijnlijk is Huigen de dichter van De Sigarenwinkel liever tot dienst, die zegt tenslotte

    In hoeveel zolderkamers en niet-zolderkamers op de wereld
    Zitten op dit moment genieën-voo-zichzelf te dromen?
    Hoeveel verheven, nobele lucide aspiraties-
    Ja, waarlijk verheven, nobel en lucide-,
    En wie weet realiseerbaar,
    Zullen nooit het werkelijke zonlicht zien, noch oren om te horen vinden?

    En Huigen schiet De Campos te hulp met de mededeling dat De Campos meer gelijk heeft dan hij zelf dacht: zijn toonbeeld van aardsheid, van in-het-leven-staan, Steven zonde metafysica, krijgt door Huigen, als een voetnoot in De Sigarenwinkel, een volledige droom toebedeeld.
    Huigen kent Steven beter dan De Campos, dat wil hij in zijn klassieke poging tot ‘ aemulerende imitatio’ in de laatste regels ook tonen:

    Daar stond hij dan, niet naakt ten overstaan
    Van zijn schepper, zoals hem was aangezegd,
    Maar tegenover een hem onbekende
    Man

    Huigen heeft hiermee Steven van De Campos afgenomen, Waar De Campos nog zegt ‘ O, ik ken hem’ kent de Steven van Huigen zijn schepper niet, hij hoeft niet naakt tegenover zijn schepper te staan. Zijn nieuwe schepper heeft hem aangekleed.

    René Huigen Steven! Gedicht. DeBezige Bij, 2005

    Menno Hartman

  • Paragraaf 2.3 I Love You,Peerlings & Rigter Dijksterhuis

    Op vrijdag 24 februari presenteerden een dichter/performer, een schrijver/dichter en een dichter/beeldend kunstenaar de wonderlijke vrucht van hun samenwerking: PARAGRAAF 2.3 I LOVE YOU. Het sleutelwoord van hun project lijkt me ‘vermenging’: van het visuele en het tekstuele, van individuele woordvondsten, associaties en preoccupaties, van de inkt uit de pen in drie verschillende dichtershanden, en ook inhoudelijk: enkele verhalen vormen van begin tot eind een vermengde of vervlochten rode draad, van de persoonlijke dwaalgangen op het pad van de liefde, van de moeizame verhouding die aardbewoners met hun al dan niet bestaande god onderhouden, van binnen- en buitenwerelden, stadsleven en ingewanden, van de observerende eenling en de participerende mens, van een zelfdestructieve genetisch gemanipuleerde clown.

    De ruimte die de Eindhovense ideële uitgeverij Opwenteling –nadrukkelijk op niet-milieuvriendelijk, niet-chloorvrij gebleekt papier– aan Dijksterhuis, Peerlings & Rigter bood, hebben zij als een ware drie-eenheid ingericht. Weliswaar is de visuele representatie (vormgeving, omslag, tekeningen, schetsen, afbeeldingen) van het geheel het werk van Rigter alleen, maar tekstueel hebben de drie hun bijdragen dermate ineengevlochten, dat het resultaat niet door een ander, maar ook zeker niet door één van hen geschreven had kunnen worden. Achterin de bundel kan teruggevonden worden aan welke gedichten of fragmenten welke dichter het meest werk heeft gehad, maar duidelijk is dat er geen letter de pagina’s van PARAGRAAF 2.3 I LOVE YOU vult die niet in gezamenlijkheid neergezet, omgevormd of gehandhaafd is. Zo is niet een driestemmige beurtzang ontstaan, maar een polyfoon taalfestijn waarin de poëtische subgenres over elkaar heen buitelen en registers elkaar voortdurend afwisselen of vermengd raken.

    Dat het met de grote variatie aan stijlen geen zooitje wordt, maar integendeel een verfrissende avontuur oplevert, is waarschijnlijk aan zowel een vormtechnisch als een inhoudelijk aspect te danken. Enerzijds namelijk aan de zorg die aan de dag is gelegd voor de compositie: de variatie waaiert niet zo maar richtingloos uit, maar lijkt ingepast in een zorgvuldig opgetrokken totaalconstructie, die de lezer toch de nodige houvast verschaft. Anderzijds aan het feit dat er wel degelijk, over de bundel als geheel uitgespreid, verhalen met een kop en een start verteld worden. Er zit een ontwikkeling in de beschreven liefdesgeschiedenis, in de zoektocht naar een plek en een perspectief, en mede daardoor wordt de lezer op gang gehouden.

    Wie kwaad wil, kan erop wijzen dat niet élke associatie of regel even briljant of origineel te noemen is, of dat een redacteur een paar kleine oneffenheden nog even had moeten corrigeren (zo is er ergens onder meer sprake van een ‘voorhoofd / die’), maar zelfs hij zal moeten erkennen dat door elke bladzij een gerichte energie en een enthousiasme razen die het dwalen door de stad van deze bundel tot een plezier maken.

    Meer over het samenwerkingsproject en de drie makers op:

    Ronny Dijksterhuis, Onno Peerlings, Arnoud Rigter

    PARAGRAAF 2.3 I LOVE YOU

    Uitgeverij Opwenteling, Eindhoven 2006

    € 12,-

    ISBN 90 6338 151 4
  • er hangt een hoge lucht boven ons,Els Moors

       zonder ons kan niets beginnen
       zonder ons is alles gedaan

    Het zijn de laatste woorden uit er hangt een hoge lucht boven ons, de eerste bundel van de Gentse dichteres Els Moors (1976). Ze behelzen niet zozeer een uitnodiging, maar een bevestiging van wat de lezer in de achtergelaten bladzijden zelf al heeft ervaren: de gedichten, die uitblinken in weerspannigheid, absurditeit en dreiging, openen een wereld die in vele gevallen voortvloeit en zich ook terugtrekt uit herkenbare taferelen, maar wel bijzonder tastbaar wordt gemaakt. Een bizarre planeet die de lezer deelt met Els Moors: de hoge lucht hangt boven ons.

    er hangt een hoge lucht boven ons is een vervreemdende bundel die een sober taalgebruik koppelt aan een overtuigend ritme en de inhoud geheel op losse schroeven zet. Dat proces van vervreemding is vooral een gevolg van het vermengen van observatie en schepping: beelden die eerst herkenbaar zijn, worden vervormd tot nuchter geobserveerde maar absurde, ongewone beelden, die dan weer tot iets nieuws, ongewoons maar overtuigends worden gemaakt. Terwijl bepaalde stukken (tot zelfs hele gedichten) een volkomen nuchtere weergave van de observatie zijn, gaan andere gedichten veel verder. Tot observatie eigenlijk niet meer neerkomt op het zien en waarnemen maar op het interpreteren en verbinden. Tot observatie zichzelf ondermijnt; met alleen nog het ijle, dat wat zich achter de ogen bevindt, dat wordt neergeschreven.

       er woont een oude hippie
       die kralen schelpen
       en panfluiten
       verkoopt

       hij lijkt op een man met een pet en een snor
       die een noot kraakt met een mes

    Een van de krachtigste taalkunstjes die Els Moors in haar gedichten aanwendt, is dat van de substitutie. Met het vervangen van twee woorden – ‘lijkt op’ – door één ander woord – ‘is’ – wordt het bovenstaande fragment uit ‘ik sympathiseer’ verstaanbaar, herkenbaar, krijgt het een zekere ‘taallogica’. Net daarom haken deze zinnen zich zo vast in iets anders, iets wat meer doet vermoeden dan wat er staat; en zoals het er staat: ‘hij lijkt’ alleen maar op zo’n man, maar is het dus, logischerwijze, niet. Krachtig is hierin dat er geen enkele aanwijsbare reden lijkt te zijn voor dat vervangen: wat is er dreigend aan een man die lijkt op ‘een man met een pet en een snor / die een noot kraakt met een mes’? Misschien het té gedetailleerde karakter van die voorstelling: voor iemand die niet bestaat, of enkel als algemene referentie dienstdoet (iets als ‘een janklaassen’; ‘een jankrent’ of ‘een janlul’) gaat de beschrijving te ver, is de verbeelding te concreet.

    De spinsels die Els Moors verwerkt zijn niet steeds meteen bevattelijk voor de lezer. Die zal veeleer een sfeer opsnuiven, een gevoel opgewekt krijgen, en zich onmiddellijk ook afvragen waar dat gevoel vandaan komt. Het eerste gedicht bijvoorbeeld, heeft op het eerste gezicht niets van een werkelijkheid – in de zin van iets herkenbaars – maar creëert een zorgvuldig georkestreerd spanningsveld tussen tekst en interpretatie.

       ik ben de tuinman met een alibi
       en een paars skipak
       ik onderhoud het terrein
       waarop de ballen worden geslagen
       en op het uiteinde
       waar het balletje valt
       ligt meestal het lijk

       in een glazen tickethuis verkoop ik ijs
       aan de bezoekers
       tot ik een boom ben
       die door de bliksem wordt getroffen
       en een veld rond zich verzameld heeft

       ’s ochtends ga ik met koude voeten de straat op
       aan mijn hand de oranje plastic mand
       waarmee de melk wordt binnengehaald
     
       ik ga niet over één nacht ijs

       als ik mijn benen spreid
       doe ik alsof het vleugels zijn

    Waarom komt ‘de tuinman’ nog voor er sprake is van een misdaad aanzetten met een alibi? Waarom die passiviteit in het gedicht – het is het balletje dat valt (en een lijk ‘schept’), de bliksem die treft, en de mand die, in deze bewoordingen, in vreemde handen lijkt te zijn gevallen? En waarom ‘doen alsof’, en niet gewoon ‘doen’? Het alibi schuilt schijnbaar in die willoosheid. Al doet de zin ‘ik ga niet over één nacht ijs’ vermoeden dat de spreker niet zo onschuldig is. In het gedicht ‘het kan niet de bedoeling zijn’ keert diezelfde toon van onschuld terug, bijna letterlijk: ‘ik zie ook de muren staan / toch moet ik weer de straat op / vinden zij / het liefst met koude voeten // ik ben een slet met vleugels / alleen zo blijf ik ons voor’. ‘Zij’ zijn dwingend, ‘zij’ zijn bepalend voor de gestelde daden. En wij horen een stapje achter de spreker te blijven.

       als jij vraagt of ik het licht wil uitdoen
       doe jij het licht niet uit
       ik doe het licht uit

    Dit fragment uit ‘het is de in beeld gebrachte zomer’ is zo volkomen gewoon dat het vreemd wordt om die regels in een gedicht te zien staan. Een heldere gedachte die toch als een bizarre kronkel binnendringt. De vraag toont zich dwingend. Els Moors expliciteert het verwachte en breekt daardoor iets, schept iets onheilspellends.

    er hangt een hoge lucht boven ons draagt voortdurend die twijfel in zich, met aan de ene kant de dwang en de willoosheid en aan de andere kant de eigenzinnigheid, het bewuste doen (alsof); zoals ‘de man // die niet beweegt / en ook niet stil wil staan’ in ‘de straat is een glimmende vlakte’. Het spanningsveld tussen observatie en interpretatie, tussen ontvangen en manipuleren.

    De eerder al in Yang gepubliceerde cyclus ‘de witte fuckende konijnen’ herbergt evenzeer die vervreemding, een effect dat zich opspant tussen werkelijkheid en verbeelding, tussen droom en ontwaken, en tussen de lieflijkheid van konijntjes en de blinde hardheid van genot (voor de ene…).

    Els Moors heeft een taaltechnisch hoogstaande bundel geschreven. Het taalspel blijft niet beperkt tot enkele rake effectjes, maar doordrenkt de hele bundel van een bijzondere atmosfeer. er hangt een hoge lucht boven ons bespeelt de lezer, zet vreemde situaties op, en brengt die ontwrichtende confrontatie met een veelzeggende subtiliteit. Alsnog eigenzinnig en dwingend, gelukkig maar.

    Els Moors, er hangt een hoge lucht boven ons. Nieuw Amsterdam, Amsterdam, 2006.

  • Verzameld werk,C.O. Jellema

    Een verzameld werk als twee boeken om naast elkaar te lezen

    Er zijn schrijvers die beweren dat ze wel tegelijkertijd aan poëzie en aan essays kunnen werk en, maar niet gelijktijdig een gedicht en een roman onder handen kunnen hebben. Proza zou een ander tempo vergen, en meer een schrijfhouding die uitbreidend is, ruimte gevend. Poëzie en essay vragen om een zekere verdichting, het is schrijvend denken, meer dan vertellen, het juiste woord doet er meer toe en er schuilt ergens een kern die blootgelegd moet worden.
    Het Verzameld Werk van C.O. Jellema, bezorgd door Gerben Wynia, is in twee delen verschenen, een wat dikker deel voor zijn poëzie, en een dunner, met de essays. De cassette is naar mijn smaak prachtig vormgegeven, maar vreemd genoeg verschillen de meningen daarover. Iemand moest sterk denken aan gereformeerde kinderbijbels.
    Voor mij is de verzameling mooi genoeg om er uren doorheen te bladeren. Niet alleen omdat het bindwerk goed is. Een bundel gedichten en een bundel essays van dezelfde hand vragen er om met elkaar in conclaaf te gaan. Ik vraag me bijvoorbeeld af, wanneer Jellema een motto van Thomas Mann gebruikt, of hij een essay over Mann kan hebben geschreven, of dat Mann voorkomt in een van de essays. Het is daarom jammer dat de essaybundel geen fatsoenlijk register bezit, of zelfs maar een enigszins beschrijvende inhoudtabel. Dan moeten we het met titels doen.
    Bosvijver de laatste bundel van Jellema uit 2004 bestaat uit 12 gedichten, waarvan een dezelfde titel draagt als de bundel. In de essaybundel las ik dan maar het essay ‘De bron in het bos’ in de hoop op enige aansluiting, op voorhand. Een onnozele onderneming natuurlijk, dat mag gezegd. Hoewel zowel het essay als de bundel een motto van Hölderlin dragen.

    Bosvijver

    Een zwartgrondige vijver is het geheugen
    Die zich met verkleuring van
    gebeurtenissen vult, hun willekeur doorrimpelt

    – zoals, nog wat verwonderd van hun val, net onder
    het oppervlak herfstblaren drijvend, straks
    hun klontering tot blubber op de bodem –

    Zelf sta je aan de rand, je zou willen weg
    zeggen het mij, verder willen, het bos in
    (jezelf het bos in sturen), paden

    onbetreden, en die ene
    die enige, even alleene
    wandelaar ontmoeten, die

    zich na een ogenblik van sprakeloosheid
    omkeert, en geen voetspoor naast het zijne
    achterlatend in het zand.

    De onbezonnen vergelijking op basis van de titel levert wel een semantische mogelijkheid op. Het essay met de titel ‘ De bron in het bos’ handelt over de romans van Wilhelm Raabe, waarvan je na lezing van het essay inderdaad wel hoopt dat die laatste, die beste, die ‘Unvollendete’ namelijk Altershausen, nog eens in vertaling verschijnt. Een centraal thema bij Raabe, is de terugkeer, naar iets wat je ooit bezat of was. ‘ Een zwartgrondige vijver is het geheugen / die zich geduldig met met verkleuring van gebeurtenissen vult’ . De vijver in het bos moet voor Jellema de betekenis hebben gehad van een terugkeer naar de oorsprong. Bij een bron in het bos vindt een van de figuren in Raabes roman een belangrijke persoon uit zijn verleden terug.
    Het essay over Raabe blijkt -getuige de verantwoording- het enige te zijn dat niet naar opdracht is geschreven. Anderzijds moet het Jellema wel dierbaar zijn, want in het voorwoord, dat opgenomen is in de verantwoording schrijft Jellema weer iets meer dan de helft van de pagina die het beslaat over Raabe: ‘Goede wil of kwade zin, onveranderlijk verzinken alle rimpelingen in ons kleine leven, evenals de golfslag van de grote geschiedenis, in de eindeloos onverschillige deining van de vergetelheid. Dat is van Raabes laat-romantische , quasi-naïeve vertelkunst honderd jaar na dato de onontkoombare boodschap. Aanvaarding van die loop der dingen, ook dat is een oefening bij een beek. (Oefeningen bij een beek is de titel van een eerdere bundeling essays. (mh))

    Misschien bewandelt Jellema in het gedicht de weg van Raabes hoofdfiguur, heeft de roman zo’n diepe indruk gemaakt dat het beeld goed genoeg leek voor een plaats zijn bundel, voor de titel zelfs. Het essay – alhoewel op zich zelf niet een van de sterkste in de bundel – heeft wel meer licht op het gedicht geworpen.

    Ik moet mij met kracht afhouden van de meest voor de hand liggende interpretatie van de laatste twee verzen van dit gedicht. De evangelische topos (zie ook hier van de Heer die je droeg op momenten dat het moeilijk was, en dat je daarom terugkijkend op de weg die je ging in benarde tijden slechts één paar voetafdrukken ziet) lijkt te platgetreden. Toch laat lezing van de essaybundel wel de gedachte toe dat Jellema zich hier door Zijn Heer ziet weggedragen. Een beetje verbazingwekkend is het clichématige van dat beeld in mijn ogen – voor Jellema – wel.

    Het essay als de volmaakte context voor een gedicht

    Voortbladerend in de poging de essays iets te doen mededelen over de poëzie geraak ik tot het meesterlijke essay ‘Een wet tegen afbakening’ over Eckhart en het dichterlijk denken. In het essay neemt Jellema op zeker moment zijn gedicht 'Zeegezicht' ter hand om te illustreren waar het hem om gaat:

    Zeegezicht

    Op de palm van jouw hand, in dat landschap
    van gevormde levenslijnen, niet groter
    dan een flinke waterdruppel

    -terwijl zonsondergang de hele
    hemel boven de eindstreep van het eiland
    ginds in Turner-kleuren zet –

    die babykrab, voorzichtig
    van tussende basaltblokken geraapt,
    zijn onderkomen waar hij wachtte op de vloed.

    Nog kleiner dan de nagel van jouw pink,
    zijn grijsblauw pantsertje nog niet verkalkt,
    krabbelt hij zijwaarts over plooi en heuvel,
    een onbekende wereld, verontrust
    dat bodem warmte geeft.

    Dan, op de rand van het heelal, laat hij
    zich zonder aarzeling terugvallen in
    de veiligheid van spleten, zeezand, steen,
    met achterlating van een beeld, van
    haast een naam.

    Nu is het of wij, samen onder aan de dijk,
    worden gezien, terwijl het water stijgt
    en in doorschijning spiegelt hoe de hemel kleurt.

    Heeft iemand iets gezegd? Nee, niemand sprak.

    Nu komt het niet vaak voor dat je bij de lezing van een gedicht beschikt over de volmaakte context Het essay ‘Een wet tegen afbakeningen’ vormt de best denkbare achtergrond van dit gedicht, en naast een begerenswaardige con-text is het een erg goed essay. Over poëzie in het algemeen, en zeer bruikbaar voor de poëzie van Jellema.
    Het liefst zou ik het nu dus in zijn geheel citeren omdat elk samenvatten onrecht doet aan deze tekst. Het essay onthult fascinerende inzichten over poëzielezen. Ondermeer naar aanleiding van een preek van de mysticus Meister Eckhart en de Japanse filosoof Keiji Nishitani alsook gnostische geschriften die bij Nag Hammadi in Egypte zijn gevonden. En dan zijn we nog geen twee pagina’s opweg.
    En heel anders dan dit nu kan lijken is het geen vruchteloos namedroppen wat Jellema doet. Van hoe dichtbij hij bij het ‘ gewone’ poëzielezen wil blijven, getuigt wel het feit dat hij twee bladzijden later zijn eigen gedicht volledig afdrukt. ‘Probeer het hier eens mee’ betekent dat bijna. Over een formulering van Eckhart zegt Jellema: ‘Formuleringen die zo langs de buitengrens van het zegbare scheren, hebben een poëtische impact. Poëtisch omdat ze bij de lezer of toehoorder een beroep doen op een voorstellingsvermogen dat zich niet meer kan oriënteren aan realiteit, noch het verwoorde daaraan kan toetsen, zodat hij op die manier gedw
    ongen wordt, of liever ertoe verleid, de ‘real reality’ van het in die formuleringen uitgesprokene om zo te zeggen blindelings te vertrouwen.’
    Er is een aantal voorbeelden van dichters die zich in de keuken laten kijken, Koplands mooie essay over het schrijven en schrappen in een gedicht, Nijhoffs wonderlijke maar veelzeggende ‘De pen op papier’. Ook ‘Een wet tegen afbakeningen’ toont de keuken van een dichter en is daarmee een formidabel voorgerecht om dit mooie verzameld werk mee te beginnen.

    Menno Hartman

    Verzameld werk C.O. Jellema Em. Querido’s Uitgeverij, 2005

  • Verzamel de liefde,Bart Moeyaert

    Voor alle Valentijntjes

    De bundel is voor het eerst gepubliceerd in 2003, maar nu, vlak voor Valentijnsdag, is een herdruk gekomen van Verzamel de liefde van Bart Moeyaert. Moeyaert tourt op dit moment door Nederland met grote Saint Amour-schrijvers als Claus en Campert, dus je hebt ook alle gelegenheid om hem in het echt te zien.
    Vorig jaar trad Moeyaert op bij de Nacht van de Poëzie in Utrecht en mannen en vrouwen werden onmiddellijk verliefd op deze ietwat bedeesd voorlezende Vlaming. In het dichtersgeweld viel hij op door vrij eenvoudig te begrijpen gedichten, hier en daar gewoon met eindrijm, weinig poespas in woordgebruik en inhoudelijk lieve verzen.

    Lepeltje

    Sinds ik met je wakker word
    als in een la de leeg is
    op ons tweeën na,
    is wat er morgen komt
    ondergeschikt aan
    wat vandaag al is begonnen.
    We gaan met een bepaalde
    logica eerst af hoe wij
    vandaag weer samenhangen.
    Dit is jouw been, dit is
    mijn rug, mag ik hem nu
    van jou terug, en wat ik
    verder zou verlangen
    is dat we opstaan, en
    ons leven vanaf hier
    hervatten, met jou dan
    naast mijn hart onder
    mijn arm – ik hou
    je tot vanavond warm,
    totdat je slaapt en daarna
    wakker wordt als in een la,
    leeg op ons tweeën na.

    Kijk, daar heb je toch niet heel veel analytische gaven bij nodig. De inhoud is simpel, maar integer. Door uitgeverij Querido wordt Moeyaert bij de jeugdauteurs geplaatst (zelfs op de website kun je Moeyaert niet in het rijtje schrijvers terugvinden). De vraag is of dat juist is. Zijn romans zijn voor veel jongeren te moeilijk om te lezen en een boek als Dani Bennoni verdient het om mooi uitgegeven te worden als boek voor volwassenen. In zijn poëzie durft Moeyaert nog weinig te experimenteren, minder in ieder geval dan in zijn proza. Zo scheert hij binnen Verzamel de liefde een paar keer langs de afgrond van de clichés over de liefde. Maar het zij hem vergeven. Er staan ook prachtige regels in: ‘want bij het tellen / van mijn vrienden heb ik altijd / vingers over’. En ook een mooi gedicht over geliefden die elkaar niet met je aanspreken, maar met u, want ‘U is het kortste woord / om van elkaar te houden.’
    Voor Valentijnsdag kun je deze bundel met gerust hart aan je vriend of vriendin geven. Daarna overigens ook.

    Bart Moeyaert: Verzamel de liefde. Querido, Amsterdam, 42 blz. €12,50

     

  • Kaneelvingers,Stefan Hertmans

    Vasthouden of achterlaten

    Veelschrijver en –lezer Stefan Hertmans schrijft romans, essays en toneelstukken. Maar ook heel veel poëzie. Onlangs is zijn twaalfde poëziebundel uitgegeven. Kaneelvingers is een bundel met een thematische samenhang; de gedichten gaan over handen of vingers. Zoals eerder in zijn oeuvre niet minder erudiet, wel minder eigenwijs. In deze bundel, vol abstracte, soms ongrijpbare gedichten, laat hij minder zien wat hij weet dan we van Hertmans gewend zijn. Opvallend is de alfabetische volgorde van de titels, die een willekeurigheid veronderstelt, en de keuze voor een motto uit het nummer Hotel California van The Eagles: ‘Some dance to remember / some dance to forget.’ In dit citaat herkent Hertmans iets van zijn poëtica; bij zijn keuze voor onderwerpen moet hij ook ervaringen vastleggen of achterlaten, temeer omdat hij het motto ziet ‘als het kersje op de taart’ en het na het voltooien van de bundel toevoegt. En die keuze is al schitterend terug te vinden in het eerste gedicht uit de serie ‘Kaneelvingers’ dat een eerbetoon is aan de door hem zo gewaardeerde Paul Celan:

    “In Parijs bij de bron,

    waar ik tin in de vingers had
    en niet durfde wat hij kon”

    Hertmans is onder de indruk:

    “en ik die nooit

    zijn

    ‘een engel is een erts
    uit omgesloten kandelaars’

    kon zingen”

    Er zijn echter ook voor mij onbegrijpelijke passages, die zo cryptisch zijn dat het moeilijk is er iets uit te ontwaren:

    “We hadden gerend.

    In plassen en messen stond
    lichtend een mens
    een schicht die in adres sloeg,
    de stenen en hun geur.”

    Daarentegen is hij ook ritmisch; schrijft hij woorden, zinnen die dansen:

    “Dit is jij en jij, en ik erbij
    de metro dicht en alle straten open

    de zwerver geeft college over misantropen”

    Maar ondanks de bewonderende, abstracte, ritmische, dansende poëzie, is het karakter melancholisch; niets ontziende objecten komen terug in zingende romantiek. Hij citeert de laatste regels Van Ostaijen in- en intrieste gedicht ‘Jong landschap’ als motto en dat komt later terug in de bundel onder de titel ‘Leesvingers’. Eerst Van Ostaijen zijn woorden:

    “Over de randen van mijn handen
    tasten mijn handen
    naar mijn andere handen
    onophoudelijk.”

    Nu Hertmans zijn bewerking:

    “Over de randen van mijn handen

    tastend want daar hield ik niet op

    vond ik geen andere handen

    onophoudelijk dichtbij

    maar iets van jou”

    En hier is essentie te lezen van de bundel, Hertmans beschrijft het zelf als volgt in een interview op de Belgische Radio 1: “Ik denk dat het gedichten zijn over de manier waarop de handen van anderen ons raken.” En handen, maar ook vingers, kunnen je op verschillende manieren raken, letterlijk en figuurlijk. Vingers en handen zijn met elk onderwerp te verbinden, zoals de vingers van een nagelbijtster en de angst of de schrijvende hand en de onzekerheid. Maar ook pijn, erotiek of concreter: tabak, bramen en biljartkrijt. Deze thematische samenhang zou snel te veel kunnen worden; het thema zou kunnen worden uitgemolken. Maar Hertmans heeft het voor elkaar gekregen om je aan te raken. Aan de lezer om de emotie vast te houden, of achter te laten.

  • De wereld bij avond,Menno Wigman

    Gedichtendag 2006 ligt al weer een paar dagen achter ons, zelfs in Amsterdam waar de theaters rond het Leidseplein er onder de noemer ‘Weerwoord-festival’ maar meteen een Gedichtenweek van gemaakt hadden: dichters kunnen weer aan het schrijven, organisatoren richten zich op een volgend festival of evenement, bezoekers zoeken elders hun plezier. En de lezer? De lezer heeft er tien mooie gedichten bij, bij elkaar gebracht in de Gedichtendagbundel van 2006: De wereld bij avond.

    In mei 2005 werd Menno Wigman gevraagd als zevende in het voorname rijtje Gedichtendagbundeldichters, na Toon Tellegen, Judith Herzberg, Hugo Claus, Eva Gerlach, Rutger Kopland en Gerrit Kouwenaar. ‘De bundel moet tien gedichten bevatten, wat betekent dat ik in nog geen acht maanden tien “volwaardige” gedichten moet zien te schrijven. Ik kan me voorstellen dat een dichter die elke week een nieuw gedicht tevoorschijn tovert de hemel te rijk zou zij, mij is het een kruisdraging,’ verzucht Wigman in oktober in een verslag van zijn verblijf als writer-in-residence in de psychiatrische kliniek van Den Dolder. Drie van de acht maanden verbleef hij daar, en het meeste werk aan de bundel werd er gedaan. Van drie van de tien gedichten is duidelijk dat ze zonder ‘Den Dolder’ niet ontstaan zouden zijn. In tegenstelling tot de andere zeven gedichten, zijn deze drie opgetrokken uit terzinen, maar onderling verschillen ze verder sterk: ‘Zwembad Den Dolder’, aan de oppervlakte te lezen als een mooie, kortere en hoopvollere variatie op ‘De idioot in het bad’ van Vasalis, het gedicht ‘Stramien’ dat aftrapt met de regel ‘De waanzin zelf gaat goed gekleed’ en ons een in zijn bondigheid treffende karakterisering geeft van de waanzin: ‘Verkeerd bedraad’, en meest opvallend ‘Godverdedomme’, een in vijf keer drie regels verdeelde scheldbrief van een verontwaardigde patiënt aan de ‘Blinde, dove, rodmoordenaar & rover’ die hem het etiket ‘crisofeen & manisch’ opgeplakt heeft.

    Voor zover mij bekend is ‘Godverdedomme’ de eerste readymade* in het oeuvre van Wigman, en zo bevat de bundel meer plekken waar iets lijkt te gebeuren dat ik in eerder werk van de dichter niet zag. De laatste twee regels van het openingsgedicht ‘Tweeduizendzoveel’ bijvoorbeeld, na veertien regels die Wigmansgewijs solide gedacht en als een klok geconstrueerd zijn: ‘Te zeggen dat we niks geleerd… (volgt een citaat / verluchtigd met een woord als god, ras, haat)’. Of de surrealistische wending die het gedicht ‘Vuilstort’ na de eerste twee strofes neemt:
    VUILSTORT

    Een terp van dode dingen tergt de lucht.

    Niets is zichzelf. Veel jichtig huisraad. Vocht,

    zwart vocht dat uit een koelkast welt. Voorgoed

    kapot, versjacherd, mensenhanden moe

    tijgt me een stad van afval tegemoet.

    En ik kijk en ik kijk. En als ik loop

    verlies ik haar, voel een baard, mijn jas

    verrafelt waar ik sta en alle wolken

    jagen Greenwich achterna.

    Dan gaat het snel: er drijft een dorpskerk door

    het water, wier en vis bevolkt de Dam,

    nat, grijs, week, dacht je randstad, zag je zee.

    Om wat ik van de tijd, van Holland weet

    schrijf ik voor wie dit onder water leest.

    Toch weet ik niet of het niet licht overdreven is wat op de achterkant van het bundeltje te lezen staat, dat Wigman ‘een nieuwe weg in zijn poëzie’ inslaat. En om eerlijk te zijn: ik weet ook niet of ik wel zou willen dat deze dichter een compleet nieuwe weg inslaat, omdat ik eigenlijk nogal hou van de weg die hij vooralsnog betreedt: sinds ’s Zomers stinken alle steden, zijn debuutbundel uit 1997, ontwikkelt Wigman zich als dichter rustig voort, voegt hier iets toe, laat daar iets los, leert bij, leert af, maar blijft ondertussen te herkennen als de zeer vormbewuste vakman die hij is, die zijn schrijven stoelt op lezen, denken, kijken. Eerder dan een ommezwaai toont De wereld bij avond ons volgens mij gewoon een dichter die niet stagneert, die zich natuurlijk blijft ontwikkelen, maar zonder bruusk te hoeven breken met wat hij eerder deed. Hierboven nog niet genoemde gedichten als ‘Strafwerk’, ‘Aan een man in de supermarkt’ en ‘Glazenwasser ziet schilderen’ zouden dan ook noch aan het einde van zijn vorige bundel, noch in de volgende misstaan. (In Trouw werd vorige week terecht geconstateerd: ‘De wereld bij avond mag dan (deels) over waanzin gaan, zijn verzen staan weer strak in het gelid,’ waaraan Wigman bevestigend toevoegde: ‘Het zijn geen opgebroken straten. De syntaxis is niet door de gekte aangetast.’)

    Zelfs als de afgelopen acht maanden werkelijk een ‘kruisdraging’ voor de dichter geweest zijn, dan heeft dat de lezer tenminste weer een klein bundeltje met prachtpoëzie opgeleverd. Voor slechts anderhalve euro een mooi voorschot op de volgende reguliere Wigmanbundel.
    Menno Wigman, De wereld bij avond

    Uitgeverij Prometheus & Poetry International, 2006

    ISBN 90 446 0826 6

    16 pagina's, € 1,50

    Gesprek & bespreking door Iris Pronk in Trouw, 26-01-06:

    *): Naschrift: na Wigmans derde bundel Dit is mijn dag (Prometheus 2004) nog eens gelezen te hebben, moet ik bekennen in het bovenstaande voorbij gezien te hebben aan de readymade 'Erratum' op pp.21-22 aldaar, letterlijk terug te vinden in tijdschrift De Revisor, nr.5, 1977, TM februari 2006.

  • Poëtisch Amsterdam – Coen Peppelenbos

    Poëtisch Amsterdam, een wandeling in gedichten.

    In de aap

    ‘We komen van zee, zochten het sop
    in de glazen, het hop dat klotst
    in onze magen, dat bloed laat razen
    zoeken de deining van zeebenen
    de zwierende hopmarjannekes
    maar de chimpansee doet niet mee
    de chimpansee is ziek van de zee
    we kijken niet nauw, we nemen
    een vrouw voor de nacht
    de stroop in de kannekes
    lichten de kooien in dit logement
    verschrikken vlooien en luizen
    raken sappen, onszelf kwijt
    verdoofd tot het eerste ochtendlicht
    zien in marjanneke meer jannetje
    zijn bevlekt platzak hamerhoofd
    vluchten voor het schuim in onze kragen
    en een heilsoldaat die ons de dijk afjaagt.’

    Coen Peppelenbos

    Hoe poëtisch is Amsterdam? En wat doe je met een poëtische stad, behalve er gedichten over schrijven? Daar wandel je doorheen. Dat de stad menig dichter geïnspireerd heeft is op zich geen nieuws. Zoals op het achterplat van dit boek vermeld staat: er is geen stad in Nederland waar meer dichters per vierkante meter wonen dan in Amsterdam. Aan een aantal van hen hebben de samenstellers van deze bundel gevraagd om zich, binnen een afgebakend gebied, te laten inspireren tot het schrijven van een gedicht. Vervolgens zijn er twee wandelingen uitgezet die langs deze uitverkoren plekjes lopen.

    De eerste wandeling loopt ‘Van de Wallen tot Oud-Zuid’ en is geïllustreerd door drieëntwintig gedichten. Ik heb hem weliswaar zelf nog niet gelopen, maar uit het lezen van de wandeling blijkt dat de tocht niet alleen een feest der herkenning is, maar ook heel onbekende plekjes van de stad voor het voetlicht brengt. Je moet eerst even op en neer met het pontje (onderweg gedicht declameren voor de forensen aan boord), en dan te voet door het oudste stukje Amsterdam richting het duurste stukje Amsterdam. Bij aanvang van de wandeling, ik verklap het maar vast, beland je op de Zeedijk, waarbij het bovenstaande gedicht over café ‘In ’t Aepjen’ hoort, inclusief een leuke anekdote die ik niet ga verklappen. Op deze wandeling hebben grachten, pleinen, bruggen of gevelstenen dichters geïnspireerd; door in het oog springende zaken of juist door kleine, vrijwel onzichtbare details.

    Datzelfde geldt uiteraard voor wandeling twee, die vanaf het CS meer de westkant van de stad doorloopt, en twintig gedichten telt. De wandeling lijkt qua lengte overeen te komen met de eerste, maar hoeveel kilometer dat nou daadwerkelijk is heb ik niet kunnen achterhalen. Een paar stevige schoenen en een poëtisch gemoed moeten echter voldoende zijn om de wandeling zonder blaren te volbrengen.

    En mocht wandelen niet tot je favoriete bezigheden behoren: ook vanuit een makkelijke stoel is het genieten, want het zijn niet de minste dichters die een bijdrage hebben geleverd en hun gedichten in deze uitgave zijn nooit eerder verschenen. Bovendien zorgen de sfeervolle zwartwitfoto’s voor een ontzettend leuk kijk, lees en bladerboek.
    En goed nieuws voor de Amsterdam-haters, ook de volgende steden zijn in een poëtische bundel samengevat: Rotterdam, Groningen (twee maal zelfs: als gewone stad en als academische stad) en Utrecht.

     

    Poëtisch Amsterdam, een wandeling in gedichten.
    Coen Peppelenbos
    Uitgeverij Kleine Uil: www.kleineuil.nl
    Prijs: € 15,-

    ST

     

  • fijne motoriek,Koen Peeters

     
     

    Sinds 1988 werkt Koen Peeters gestaag aan een indrukwekkend en eigenzinnig oeuvre: Conversaties met K. (1988), Bezoek onze kelders (1991), De postbode (1993), Het is niet ernstig, mon amour (1996), Acacialaan (2001) en Mijnheer Sjamaan (2004). Onlangs verscheen fijne motoriek, zijn poëziedebuut. Al doet de bundel uitschijnen dat hij nooit een ander genre heeft beoefend: fijne motoriek is stemvast, eigenzinnig, en even indrukwekkend.

    Het universum in fijne motoriek lijkt zich spontaan aan te dienen. De dichter houdt oren en ogen wijdopen en observeert, interpreteert. Hij stelt zichzelf luidop vragen, tracht passende antwoorden te vinden of tenminste een nieuwe vraag die de voorgaande overstemt en een antwoord naderbij brengt.

        Hij luistert maar kijkt vooral, heel dicht om
        ach een druppel inkt te leggen in
        een putje verschijnend in een wang
                        is hij dan dichter?
     

     De twijfel, (aan) het dichterschap, vloeit voort uit wat zich aandient, rond en in de dichter zelf. Terwijl ‘de stad zich uitdost optut met musical / en operette en vrouwelijke in- en uitsnijding’, is er ‘de noodzaak het grijze te schrijven’. Is daarom of ‘vandaar’ het woord dat de verbinding tussen beide delen blootlegt? Of heerst er een andere verhouding? ‘[S]terft het gedicht / of wordt het juist geboren uit het / glurend stadslicht dat alles toont en hoort / onverdoofd, onverbloemd’. Want naast de stad is er de herkomst, naast het onderweg zijn is er de oorsprong. Naast het ‘altijd altijd vrolijk vrolijk / bezig bezig’ zijn, is er ‘het contempleren van de middenberm’: ‘niets verdwijnt: panta rhei’, niets gaat weg en alles verandert. En de dichter (en de mens) rakelt op, herinnert zich, ziet dat alles verandert en zoekt een houvast in het verleden, of beter in de levende herinnering aan het voorbije verleden. Dat dus niet verdwenen is, maar in sporen, overblijfselen gedeeltelijk en vervormd toch aanwezig is.

    Die restanten liggen niet voor het rapen maar worden opgespoord en dragen woorden aan, gedichten. In fijne motoriek lopen verscheidene lijnen uit een verleden naar het heden van de dichter. Een zachte, wondermooie melancholie maakt de herinnering los uit een eenvoudig beschrijven. De overleden moeder, het dorp dat naar snoepgoed geurt, het leven van de jongen die de dichter was… komen adembenemend uit de gedichten tevoorschijn. Koen Peeters schrijft met veel gevoel, met een eigenheid die – misschien paradoxaal – voor de lezer net zo herkenbaar is. Het persoonlijke dat zich vertaalt naar het algemene, menselijke. Dat ‘effect’ wordt niet in het minst bewerkstelligd door de openheid in de gedichten, de veelvuldige plaatsen waar de lezer wordt geconfronteerd met weerhaken, met gevoelens en gedachten die voor de dichter misschien evenzeer vervreemdend zijn.

        Te weten was vooraf dat dit de opdracht was:
        het schrijven van korte en lange zinnen, doorgaans titelloos,
        verstaanbaar en wat ouderwets, die over minstens twee dingen
        gaan en een air vertonen van onaf, nooit bang voor slordig
        binnenrijm en dubbelpunten en herhaling, grote gebaren
        en emotie (is poëzie dan ernst, pathos en moraal die zich
        onderuit laat halen met taal?) […]
     
    Over de ‘air van onaf’ schreef Huub Beurskens al in De Standaard (30-12-2005) uit vormelijk perspectief: ‘Want op menig moment besef je pas bij tweede of derde lezing hoe het gedicht haast vanzelfsprekend “technisch” in elkaar zit.’ Het schijnbaar ‘onaffe’ karakter lijkt ook op inhoudelijk vlak net datgene te zijn wat de lezer aanspreekt (in beide betekenissen). Het universele dat inhoudelijk voelbaar is: panta rhei, alles is voortdurend aan verandering onderhevig (en is in die zin zowel ‘af’ als ‘onaf’). Heden (weer) onvoltooid in sporen.

    De dichter beleeft en herbeleeft, treft overal taal aan, in velerlei vormen: letters die door het autoraampje binnenwaaien, ‘taal kort van stof en stoffig’, ‘vadsige woorden’, ‘drie of vier woorden die opspringen in morse’, een ‘theatrale zin’, ‘brute vingerletters’… en heeft net zoveel redenen om te schrijven. In ‘Ongeveer vijftig’ somt Koen Peeters op wat voor gronden er achter zijn poëzie schuilgaan. Net als de thema’s en personages in de gedichten blijken die redenen eens nobel en bescheiden te zijn, en dan weer ijdel en zelfverzekerd.

    Zowel de stad en ‘de forenzende mens’, de Kempen en lintbebouwing als Zorro, Elsschot, Van Ostaijen en M-kids treden aan in fijne motoriek. Uiteenlopende onderwerpen die steeds worden bedacht met verzen die ademen, subtiele schakeringen afwisselen met vervreemdende verbanden. Gedichten die tegelijk vuil en schoon zijn, open en af, vreemd en eigen. En die steeds getuigen van een verbluffende taalbeheersing, en van het feit dat ‘men altijd al wilde schilderen’. En dat ‘men’ daarin is geslaagd!

        Geen pamflet, geen legendes. Nooit te kort. Noodzakelijk.
     
    Koen Peeters, Fijne motoriek. Meulenhoff | Manteau, Antwerpen / Amsterdam, 2005. ISBN 90 8542 039 3.

    Over Koen Peeters schreef Patrick Bassant al: https://litned.hollands-spoor.com/web/author/viewAuthor2.aspx?id=222.

  • De blauwe schuit,Anne van Amstel (e.a)

    Trillende schepen en dichters als drilpudding

    In de zomer van 2005 voer een aantal dichters en kunstenaars per schip Groningen binnen. Geen narrenschepen, maar historische schepen die voor anker gingen in de Groninger diepenring. De dichters en kunstenaars hadden als taak om een gedicht en een kunstwerk af te leveren. Een mooie combinatie van het festival Groninger WelVaart en het inmiddels vermaarde poëziefestival Dichters in de Prinsentuin.
    In het najaar verscheen de prachtig uitgegeven bundel De blauwe schuit. Daarin staan naast bekende dichters als Diana Ozon, Tsead Bruinja, Jana Beranová en Albertina Soepboer ook onbekendere dichters in. Thomas Möhlmann opent het boek met een titelloos vers ‘Hier staat u // buiten en boven het gangboord de paalworm / die traag door het zachte lichaam trekt’.
    Het lichaam van de poëten (en als metafoor voor schepen) heeft veel te verduren blijkt uit diverse gedichten. Sieger M.G. (Geertsma) schrijft: ‘Dit schip is een lichaam en alles trilt, // touwen kraken, de haven brult!’ Ook collega Daniël Dee zat waarschijnlijk op een trillend schip:

    tot het slapengaan in het vooronder liggend als een smeltende drilpudding
    mijn narknar wagenwijd open als de sluizen harder kolkend dan het water

    ‘liefste als jij hier was dan zou ik van vreugde als een bezetene slingeren
    aan de kroonluchters maar jij bent er niet en kroonluchters evenmin.’

    Niet alle dichters nemen het schip zelf tot onderwerp. Albertina Soepboer kiest ervoor om juist het landschap te beschrijven en de invloed die dat heeft op de ik-figuur. Haar gedicht klinkt vooral als een bezwering ‘nu ik terugkeer / is dit de nacht, is dit mijn huis / en het immer platte van water draait.’ Ik weet niet of de dichteres of de vormgever ervoor heeft gekozen om haar gedicht gecentreerd op de pagina te zetten, maar dat oogt altijd zo beroerd. Helaas is dat vaker gebeurd.
    De enige bijdrage in de Groningse taal komt van Jan Glas, die niet alleen het mooie en idyllische benoemt, maar ook nog oog heeft voor de moderniteit:

    En de schipper dankt God veur zien
    blinde vlekken as oet de vinexwieken
    de polyesterpooiers ien heur widde mit-
    eders t kenoal vervetten.

    De bundel kent steeds hetzelfde stramien. Het kunstwerk staat links op de pagina, het gedicht rechts. Van sommige dichters houd je meer dan andere en dat geldt bij de kunstenaars ook. Positief springen eruit: Heerko Tieleman met een prachtig schilderij van twee matrozenkinderen in een vrij steriele badkamer, Laurine Brugman met een fotomontage en Alan D. Joseph die ook foto’s heeft bewerkt.
    Is er ook kritiek te leveren op deze bundel. Tja. De tekst van F. van Dixhoorn ‘3. over / de ene na / de andere / over’ en let wel, dit is de gehele tekst, is wat aan de magere kant en ook het beeldgedicht dat Max Niematz levert (95 keer het woord water en 1 keer het woord vis) is wat aan de gemakzuchtige kant.
    Daar staat echter genoeg tegenover dat wel de moeite van het bekijken en lezen waard is.

    De Blauwe schuit met poëzie van: Anne van Amstel, Jana Beranová, Tsead Bruinja, Anneke Claus, Daniel Dee, F van Dixhoorn, Sieger M. Geertsma, Jan Glas, Ruben van Gogh, Willem Groenewegen, Renée Luth, Thomas Möhlmann, Max Niematz, Diana Ozon, Albertina Soepboer, Albert Westerhoff, Arjan Witte, Guido van der Wolk
    Beeldende kunst van:Dineke Oosting, Dora Dolz, Corine Hörmann, Tommie van der Zee, Willem Kolvoort, Hein Verwer, Olaf Otto, Ton Broekhuis, Laurine Brugman, Harry Cock, Mowaffk Al-Sawad, Aimée Terburg, Lucius, Tineke Fischer, Joost Doornik, Heerko Tieleman, Alan Joseph, Arjen Boerstra.
    Passage, Groningen, 48 blz. €20,-

     

  • Met uitgeholde stem,Iris Van de Casteele

    Iris Van de Casteele werd geboren in Adegem, België. Na haar talenstudie in Brussel ontpopte zij zich als een talige duizendpoot. Ze vertaalde uit het Frans, Spaans, Russisch en Duits en trouwde met de Uruguayaanse musicus Cacho Aguirre. Sinds 1989 schrijft ze haar rubriek ‘Poëzie’tuin’ voor Vrij Maldegem.  Haar vriendschap met de dichter Paul Snoek was een blijvende inspiratiebron en zijn vroege, tragische dood betekende was voor haar een grote klap die zijn sporen zou blijven dragen. Zij publiceerde tot op heden 22 bundels poëzie en wij mogen ons verheugen in deze nieuwe, fraai vormgegeven boreling.
    De tekst van Michel Camus (1929-2003) op de achterkant van Met uitgeholde stem maakt ons direct duidelijk dat we met gedichten te maken hebben waarin de grote thema’s niet geschuwd worden, oftewel: ‘poëzie die zoekt naar de oorsprong van de poëzie zelf.’ Iris Van de Casteele gaat met open vizier aan het werk om ons op de hoogte te brengen van het falen en slagen van deze beproeving. Wie de indruk zou krijgen dat we hier met een soort verheven new-age geconfronteerd worden, komt – gelukkig – bedrogen uit. De thematiek is ingewikkeld en gelaagd maar de woorden die Van de Casteele inzet zijn van een verbluffende eenvoud en vooral van een aanstekelijke zeggingskracht. Zoals in het vers ‘Het papieren bootje’:

    Het papieren bootje

    Wat Guido Gezelle zou denken van
    datgene wat op papier wordt gezet
    terwijl het tonnen water regent
    druppels wegglijden langs de ruit
    geen mens die het weet

    dat het herfst is geworden
    vertelt de regen niet
    hij is er ook ’s zomers
    hij is er immers altijd
    hij zegt
    ik regen
    ik ben vruchtbaarheid

    de rest heet zwijgen binnenskamers
    of misschien binnensmonds 
    denken dat er altijd een bladtjen
    drijft op het water dat langzaam went
    aan zijn eigenheid

    wat Guido Gezelle zou zeggen van
    een reepje papier dat drijft als
    een bootje op het Minnewater van
    brug tot brug langs de blikken
    van de geliefden

    een reepje beschreven papier
    dat volgestouwd werd met poëzie
    wat hij daarvan zou zeggen
    geen mens die het weet

    Het is duidelijk, de woorden die geschreven worden op papier –  in dit geval de woorden van geliefden – zijn van alle tijden. Guido Gezelle (1830-1899) was bij uitstek de dichter van de tedere gevoelens. Het woord ‘Minnewater’ in de voorlaatste strofe verwijst naar Gezelle. Maar wat hij gezegd zou hebben over een reepje papier met een liefdesgedichtje, dat weten we niet… Of weten we het eigenlijk wel? De lezer denkt dat Guido Gezelle het prachtig gevonden zou hebben! Juist hij. Dat is de subtiele dubbele bodem in dit gedicht. Maar er is meer. Dat het herfst is geworden in de tweede strofe, onthult de regen ons niet, nee hij is er altijd en kan altijd zorgen voor plantengroei en vruchtbaarheid. Hij hoeft niet te wennen aan zijn eigenheid. Zoals wij dat, als mens, wel moeten en zoals het bladtjen (mooi Vlaams) papier dat zou moeten. En dat Guido Gezelle bij uitstek de dichter was van de verliefde poëzie staat als een paal boven water. Subtiel hoe Van de Casteele deze elementen zonder veel opsmuk samenvoegt.
    In haar titelgedicht ‘Met uitgeholde stem’ heeft Van de Casteele het over:

    Als er iets overblijft
    zal het datgene zijn
    wat poëzie doet glanzen(..)

    En dat Iris Van de Casteele de poëzie kan laten glanzen bewijst ze in het adembenemende ‘Liefdesgedicht’, waarin zichtbaar wordt mijn bestaan/ dat zich in jou aan het herhalen is(..) of in het vers ‘De meeuw’:

    Hoe dichters proberen te verklaren
    wat niet te verklaren is (..)  

    Het meest virtuoos is deze dichteres op de vierkante millimeter van de verbazing. Die beschrijft ze in gedichten als ‘Er was iets’, waarin een vrouw wordt gevolgd, die de lakens opschudt, maar uiteindelijk wordt gadegeslagen terwijl ze in stilte zit te eten tegenover een man, die op een zwerver lijkt, de stilte tussen hen  wordt niet doorbroken. Wat ‘er is’ onthult Van de Casteele niet, dat mag de lezer zelf verzinnen. Ditzelfde procédé van ‘weglating’ wordt nogmaals gehanteerd in het vers ‘De boottocht’ waarin twee mensen een boottocht maken en elkaar veel zeggen, bijna zonder woorden.
    Of Iris Van de Casteele het nu over dieren heeft, over planten, zoals de klaproos of de distel of over de mythische gestalte van een Keltische sirene, zij werpt een licht op al deze zaken, dat haast betoverend aandoet. Ze laat de objecten van haar poëzie met veel gevoel voor respect, maar ook in zijn volle glorie, aan ons zien. En zij heeft een verbluffend rijk palet aan taalvaardigheden tot haar beschikking. Haast zonder interpunctie, zonder veel bijvoeglijke naamwoorden, leidt ze ons rond en we komen tollend tot stilstand op de laatste bladzijde van de bundel. Want:

    (..) Ik ben de steen die cirkels 
    beschrijft in het water 

    die het onvatbare verklaart
    in raadselachtig geschrift

    In haar begingedicht ‘Het sacrale’ eindigt de dichteres met het leven, het ontstaan, samen te vatten en ze slaagt er ook nog in:

    (..)mijn ontstaan
    zit gekluisterd
    tussen leven en dood
    wie het ontraadselt

    ben ik openbaring 
    wie het ontlaadt
    ben ik vuur

    En daarmee heeft Iris Van de Casteele alles gezegd wat zij wilde zeggen. En dat is veel. Misschien zullen cynici opmerken dat ze geen ‘moderne poëzie’ schrijft – wat dat dan ook mag zijn – voor mij is het een verademing om mij aan de rijkdom van haar woorden te kunnen laven. Het is verwonderlijk dat een dichteres met zo’n heldere stem, niet vaker bewierookt en gelauwerd is, maar dat zal wel aan de tijdsgeest liggen. Niet aan Iris Van de Casteele in ieder geval. Lezen deze prachtbundel!
    Met uitgeholde stem, Iris Van de Casteele  De Distel, 40 p., iris.aguirre@tigo.com.py)

    Karel Wasch