• Gestolen lucht, Hendrik Carette

    Tussen willen en kunnen  

    door Rutger H. Cornets de Groot

    Aan de eind vorig jaar verschenen bundel Gestolen lucht van Hendrik Carette (Brugge, 1946) gaan twee motto’s van Osip Mandelstam vooraf. Het tweede, waarin de titel van de bundel wordt verklaard, luidt als volgt:

    ‘Ik deel de hele wereldliteratuur in werken in die mèt toestemming en die zonder toestemming zijn geschreven. De eerste categorie is rommel, de tweede is gestolen lucht’.

    Dat is een ambivalente uitspraak. Van weerzin tegen ‘de’ literatuur hebben voor en na Mandelstam meer schrijvers getuigd. Maar wie met inzet schrijft en over voldoende talent beschikt, ontkomt er niet aan dat zijn werk vroeg of laat als literatuur wordt aangemerkt. Die canonisatie bezegelt het tragische lot van iedere kunstenaar die tegen het establishment te hoop loopt – en nog tragischer is het natuurlijk, dat het juist die categorie kunstenaars is die wij tot onze grootsten rekenen. Alle belangrijke kunst, ook wanneer ze in opdracht wordt gemaakt, ziet nu eenmaal af van ‘toestemming’, eenvoudig omdat ze van de norm afwijkt, – en roept juist daardoor canonisatie als ultieme vorm van toestemming over zich af.

    Kernachtiger, en schijnbaar eenduidiger is het motto dat er aan voorafgaat: ‘Ik ruk de literaire bontjas van mezelf af en vertrap hem’. Een kleine deconstructieve operatie laat zien dat het probleem hier niet anders is: de uitspraak wordt door de geschreven vorm waarin ze is gevat zelf ontkracht en als bluf ontmaskerd. Helemaal problematisch wordt het wanneer Carette haar als motto vooraan in zijn bundel zet, en zo zelf expliciet de zegen van een icoon uit die wereldliteratuur afroept. Zijn eigen poëzie blijkt dan allerminst gestolen lucht, maar integendeel stevig in zijn eigen literaire bontjas te zijn ingepakt. Het is weliswaar niet moeilijk om met de intentie van beide motto’s in te stemmen – kort samengevat: geen literatuur, maar waarheid – maar in déze context kunnen ze weinig anders dan de boel bij voorbaat bederven.

    Dit verschil tussen intentie en uitwerking, tussen willen en kunnen, speelt de hele bundel parten. Met kennelijk gemak bespeelt Carette verschillende stijlen en registers, van gebonden tot vrij en van melancholiek tot luchtig en spottend, maar voor vorm lijkt hij zich toch niet te interesseren. Het is telkens alleen de gedachte waaraan zijn gedichten hun samenhang ontlenen. Die kan op zichzelf belangwekkend en sympathiek zijn; het is te weinig voor poëzie. Hoe vormvast de gedichten soms ook zijn, ze lezen als proza: vlot want lineair, zonder dat je tussen de regels heen en weer wilt springen om in het gedicht op avontuur te gaan. Dat is, vrees ik, niet alleen maar een poëticale eis van mij waarvan de dichter met goed recht afziet. Het komt doordat Carette zich zijn stof niet volledig heeft toegeëigend en er daardoor onvoldoende greep op heeft.

    Carette voelt zich in onze wereld, die is gebouwd op afspraken en conventies, op schijn en bedrog, niet op zijn plaats. Zijn verzet daartegen is uiteraard volkomen legitiem, en de voortdurende uitdrukking ervan vormt nog de voornaamste attractie van de bundel. Het probleem is alleen dat Carette zijn toevlucht niet gezocht heeft in de vormgeving van een eigen wereld, maar in het voorbeeld dat anderen – iconen uit de wereld van kunst en cultuur – daarvan hebben gegeven. Dat leidt dan tot een titel als Gebarricadeerd, met onder meer de volgende regels:

    Ik kan genoeg glossy magazines kopen om hier
    al die kieren en reten levenslang mee te weren,
    maar ik geef de voorkeur aan solide boeken
    om mij tegen de leemten en lacunes te barricaderen.

    De literatuur die hij per motto nog afwijst, heeft met andere woorden volledig de plaats ingenomen die hij zichzelf had kunnen toe-eigenen, en heeft er bovendien toe geleid dat hij zich voor de wereld afsluit in plaats van die met eigen, oorspronkelijk werk, tegemoet te treden. Als om dit onvermogen nog eens te benadrukken besluit de bundel onder de veelzeggende titel De navolging van Charles Beaudelaire met een lijst van 222 titels van ‘reeds geschreven, nog ongeschreven en nog te schrijven’ werk, waarin op pijnlijke wijze het verschil tussen willen en kunnen opnieuw tot uitdrukking komt.

    Carette heeft zijn weerzin tegen de wereld op overweldigende manier herkend in het werk van anderen, en is daardoor van de noodzaak verlost om zelf woorden te vinden voor zijn onlust: die anderen hebben het al zoveel beter gezegd. Hij is weliswaar geen epigoon, want onmiddellijk herkenbaar zijn de invloeden niet, maar anderzijds heeft hij daardoor ook geen navolgbaar spoor gevonden om zijn eigen stem aan te slijpen. Zijn poëzie is niet zozeer gelardeerd, maar nagenoeg volledig bezet door overgeleverd cultuurgoed, dat zich als niet aan vorm gebonden gedachte kenbaar maakt – ziedaar de oorzaak van zijn lineaire, eenvoudig parafraseerbare poëzie.

    Vorm, of meer in het bijzonder stijl, is niet zomaar een poëticale eis waar men door een staalkaart van stijlleren te bieden aan kan voldoen. Het is de uitdrukking van het verband tussen willen en kunnen, en daarmee het identiteitsbewijs van de dichter. Dat Carette zich tóch bewust is van de noodzaak om beide door een uitbouw van het ik op elkaar te laten aansluiten, bewees hij in zijn vorige bundel Pact met Pound (2000), waarin hij onder meer schreef: ‘Ik wil een gedicht maken dat alleen/ in mijn verbeelding bestaat./ (…) Het moet een angst zijn./ Het is het is en ik zou… altijd die marge tussen wat er is en wat ik wou.’

    Die faalangst te overwinnen, en zich meester van een wereld te maken door die te creëren in plaats van zich achter een ingebeelde wereld te verschansen, – dat wens ik Hendrik Carette, deze al te hartstochtelijke poëziefanaat, van harte toe.

    Hendrik Carette – Gestolen lucht
    Poëziecentrum vzw, Gent 2006

    www.hendrikcarette.be

  • Overtuigende poëzie

    Recensie door Kurt Snoekx

    Uitgeverij De Bezige Bij bracht vorig jaar de verzamelde gedichten (tot dan toe) van Anneke Brassinga uit onder de titel Wachtwoorden. Nu, een jaar later, verschijnt haar nieuwe bundel, IJsgang. Brassinga schrijft daarin met verve poëzie die overtuigt, die de lezer, zo lijkt het, op geen enkele andere manier had kunnen bereiken dan door middel van poëzie.

    In de eerste afdeling van IJsgang, ‘Helleens voor beginners’  een reeks gedichten die Brassinga schreef tijdens haar verblijf in Athene, is het vooral de afstand die een hoofdrol speelt. Zo is er de zoutzuil in het openingsgedicht ‘Steeds’ die zich op een te grote afstand bevindt van de zee, misschien ook ‘liever stilstaat’ of ‘ergens op wacht’, en van de dichter het advies krijgt zich aan ‘de trouwe lucht’ te laven, ‘een schitterend droog water’. Of de ‘Ruïnes’ die in hun verwering, op een eeuwenlange afstand tot hun vroegere grootsheid, een terugkeer naar ‘een onbehouwen staat’ kunnen zien, de weg naar ‘iets ontzaglijkers’. In het gedicht Wedloop komt Brassinga de Griekse denker Zeno van Elea op het spoor. Zijn niet in te halen schildpad door de oneindige deelbaarheid van afstanden, wordt het afleggen van een afstand onmogelijk; een paradox waar ettelijke hun tanden op hebben stukgebeten wordt op een prachtige wijze het gedicht binnengebracht. Niet geforceerd, bijna onopvallend. Even vloeiend als het binnenbrengen van de verwijzing naar Zeno verloopt het gedicht.

    Sprinten, als een gek, kan de geest
    die zich najaagt, meesleept ?
    wat doe ik dan waar ik ben
    schuchter paraderend met mijn stoffelijk omwindsel?
    Op weg, maar niet heus, om de eindstreep
    te ontlopen? Leren arriveren
    of ik nergens in het bijzonder zijn wou
    om er te brengen luchtigheid,
    een stilstand van verstand?
    Zoals de koppige schildpad in de Oude Agora;
    voelde mijn blik en verstarde, niet willend
    dat ik zag hoe hij sneller liep dan ik dacht.
    Voor wie zich onder de knie heeft,
    wist ik hem niet te zeggen
    is het geen punt meer ?
    tempo noch bestemming.

    De geladenheid en volheid die het vertegenwoordigt, hinderen het lezen niet. Brassinga stouwt haar gedichten niet vol; ze laat ze rijpen. Het resultaat is voldragen, klaar en meer dan de moeite waard om gelezen te worden.

    Ook in Een uitstapje weet Brassinga zich onweerstaanbaar uit te drukken. En de vinger leggen op het moment waarop de magie zich voltrekt is onmogelijk. Er heerst een bijna eerbiedig samengaan van betekenis, idee, vorm, beeldspraak, ritme. Dit is zoals het hoort: Om aan de wassende hitte te ontglippen / begon de planeet haar aswenteling te versnellen / zodat de kelner te Athene in gedachten dichter / was bij Spijkenisse, daar woonde zijn vriendin.
    Hier heerst de verbeelding, de subjectieve beleving, maar op zo’n manier vormgegeven, dat alle mogelijke weerbaarheid wegvalt. Zoals de afstand die in de verbeelding wordt opgeheven waardoor werelden als lagen over elkaar heen schuiven:
    Ik / intussen hem beklantend repeteerde mijn verbeelding / waarin de stroom brullende, zwanig // klaroenende auto’s en vooral motoren dwars / door het stadshart dag en nacht de ringweg / centaurisch overrijdend, horde was geworden // van wolven, tijgers, grof roodwild, mieren, / berinnen en getergde biggen’. Wat dat doet met een mens: ‘allengs ging heel / mijn ideëel bezwaar tegen mensheid en liefde // op in rook.

    De reeks KV 533 is de tweede afdeling uit IJsgang. Gelegenheidspoëzie, geschreven voor het project ‘Min of meer Mozart’, die eveneens overeind blijft. Wat moet je met verzen als: Ik ben het met je eens. / Liefde, in deze smerige wereld, / is een smekend fantoom / dat zich niet vangen laat, maar uit jouw zuchten / lieflijk en barbaars ontstaat / als regen, splinters van juwelen in de zon. Of: ‘Stemt het treurig dat het paradijs bestaat en pas / in volle pracht ontbloeit / voor wie er is verjaagd Misschien, // maar net zo zeker / is er geen groter geluk dan te weten: / wij wisten daar niet, wat ons overkwam. Een reactie van een blad stilte. Speechlessness.

    IJsgang is niets minder dan verplichte poëzie. De bundel brengt het zingen en het zoeken van de tijd in betekenis. Wat doen we hier wordt er gevraagd in De goede afloop. De toon is ontnuchterend, maar doet nooit fatalistisch aan. Is het mededogen dat voor die waarneming zorgt? Soms lijkt het daar wel op; het bovenstaande citaat uit ‘Regels voor het einde der tijden’ vervolgt: Denk met kracht, en uitsluitend, // aan de liefkozingen, weemoedige, die redding zijn.

    Anneke Brassinga schuwt de grote woorden niet. Maar ze slaagt erin zelf niet te verdampen in deze confrontatie. Wel is er de andere uitweg uit die confrontatie, het zichtbaar maken van de vragen. En die worden gesteld:

    Stadsgezicht

    Is schoonheid de onmenselijke maat die ons menselijk
    en lelijk maakt? Is zij rond ieders reddeloze dralen
    in een eng bestaan de ruimte van melancholie ?
    waar voelbaar aan de kouwelijke huid het buiten
    doorelkaarwaait, te groot voor woorden, te vreemd?

    Of is zij gewoon ? de grijsroze lichtende winterse
    schemer boven zeepgroene rivier in zandgele stad
    waar altemet stomtoevallig helendal windstil het wordt?

    In IJsgang schetst Anneke Brassinga de zoekende mens als drijfijs dat zich op een oncontroleerbaar, stromende wereld bevindt. Tijd, schoonheid, waarheid, vormen eerder vloeibare concepten die ontglippen, die niet te vangen zijn. Brassinga bezit de taalkracht en het poëtische vernuft om een rijkdom aan denkstof in haar poëzie op te nemen zonder de indruk te wekken dat die betekenisvolle elementen noodzakelijk zijn om haar gedichten het nodige gewicht te verlenen. Het lijkt wel alsof de geschiedenis, de mythologie, de wereld háár dankbaar zijn om in de gedichten te mogen figureren. Wat Brassinga hier presteert, is bijzonder knap. Des te meer omdat elk gedicht het ook afzonderlijk, op zichzelf waarmaakt. Een aspect van Brassinga’s dichterschap is haar taalkundkundigheid. De ene keer overheerst een kalme nadenkendheid de verzen, en is de vorm iets wat zich zacht rond de betekenis vlijt; de andere keer gaan alle remmen los en is er van taal zoals ‘men’ die kent geen sprake meer. Is het Nederlands plots de rijkste taal ter wereld (iets wat tegen alle lemmata in mag worden benadrukt). In IJsgang zingt Anneke Brassinga, experimenteert ze, maakt ze de taal los. En de lezer absorbeert met graagte, zoals het aangeschoten wild / de kogel aan zag komen, dacht: / we nemen er nog een’ (Wie pijn wil lijden moet mooi zijn).

    IJsgang

    Anneke Brassinga
    De Bezige Bij, 2006.

     

  • De Haagse helicon. Dichters op het Binnenhof

    Dichters op het Binnenhof

    40% van de kiesgerechtigden is zwevend. 40% die niet weet op wie ze moet stemmen. Misschien maakt het de zwevende kiezers gemakkelijker als ze weten dat op wie ze ook gaan stemmen, de kans groot is dat ze op een dichter stemmen. Ja zeker, Nederlandse politici hebben poëtisch bloed door hun aderen stromen. Wellicht niet op het niveau van Václav Havel, de Tsjechische staatsman die zijn politieke carrière combineerde met het schrijven van theaterstukken, essays en poëzie, maar in de beleidsstukken, redevoeringen en debatten van Haagse politici zijn vele voorbeelden te vinden van troostende lyriek en wijze haiku’s.

    Althans, dat probeert Robert Junius te laten zien in De Haagse Helicon. Dichters op het Binnenhof. Hij verzamelde uit de enorme hoeveelheid tekst en gesproken woorden die politici produceren de meest poëtische uitspraken en goot ze in de vorm van een sonnet, vrij vers of haiku. Waar we dit procédé eerder hebben gezien? Inderdaad. Bij de kunstenaars en dichters van Dada, Gard Sivik en Barbarber. Ooit was de readymade baanbrekend, nu – vele jaren en vele readymades later – is het zo vaak gedaan dat de manier zelf een cliché is geworden. Originaliteit kan Junius dan ook niet toegedicht worden, maar vermakelijk is De Haagse Helicon wel. Zo blijkt dat zelfs een boodschap van Geert Wilders geestig kan zijn:

    TE KOOP!

    Geert Wilders  Bureaukalender 2006-2007
    Geert Wilders Poster (59,4 X 84,1 cm)
    Geert Wilders Hardtop-muismat (200 X 235 mm)

    Kies voor vrijheid door Geert Wilders
    Zeer goed boek
    Het is mooi dat er nog mensen zijn die
    Van hun Land en Volk houden

    Geert Wilders Maxi-Mug (Verpakt in Geschenkkarton)
    Geert Wilders Metalen Balpen (Verpakt in Geschenkkoker)
    Geert Wilders Cap (Heavy Brushed Cap Ecru / Navy )
    Geert Wilders Schrijfbord (A4 met Magneetwisser)

    Geert Wilders Promotie Pakket
    50 Stuks Ballon
    20 Stuks Balpen
    10 Stuks Schuifpuzzel
    6 Stuks Vergulde Pin
    3 Stuks Tafelvlag

    Uw winkelwagentje is nog leeg.

                                            Geert Wilders

    Dat het met de kennis van de dichtkunst zo slecht nog niet is gesteld, blijkt uit de vele verwijzingen ernaar. De politici bewijzen in ieder geval hun klassiekers te kennen. Al beoordeelt CDA-kamerlid Rob van de Beeten Gerrit Achterberg wel erg ad hominem:

    DE FIGURANT VAN ACHTERBERG

    Achterberg werd in een psychiatrisch
    ziekenhuis opgenomen en daaruit
    ontslagen. Hij werd een van
    de grootste Nederlandse dichters.

    Hij had zijn hospita vermoord, de
    dochter aangerand. Volgens sommigen
    was de laatste overleden, anderen
    zeiden dat zij invalide was.

    Zij leefde in Zwolle met haar man,
    en wilde er niet meer over spreken.
    Het was voor haar een ver verleden.

    Zij was een naamloze figurant in
    het drama van opsporing, vervolging
    en berechting van een perverse
    moordenaar.

    Het wordt hoog tijd dat de overheid
    Daar aandacht aan besteedt.

                                            Rob van de Beeten

    Deze manier van werkelijkheidsobjecten uit de oorspronkelijke context isoleren en presenteren als kunst, mag dan te gedateerd zijn om nog origineel gevonden te worden, het laat in ieder geval wel zien dat politieke uitspraken een stuk interessanter zijn als ze als poëzie gepresenteerd worden.

    De Haagse Helicon. Dichters op het Binnenhof
    Robert Junius
    Uitgeverij De Arbeiderspers
    ISBN 9029564258

     AMvdP

  • Wegsleepregeling van kracht + CD,H. Mirck

    ‘Speel voor me, maak me stil’

    Soms lees je een gedicht op een verkeerd moment. Je leest een strofe en kijkt tussen de verzen door de grauwe donderdagmorgen in, en de woorden blijven afstandelijk. Het enige wat je verrast, is de bonkigheid van de titel van de bundel, Wegsleepregeling van kracht. Uren later, in de melancholie van een herfstige schemer, doet die titel er niet meer toe. Opeens lees je woorden die je doen glimlachen, zie je beelden die weemoed oproepen, en zijn er regels van gemis die pijn doen.

    Mircks sonnettencyclus verbeeldt de eenzaamheid van een verloren liefde, het stille gevecht tegen de afwezigheid van een ‘jij’. Alsof er in poëzie ooit iets anders is. Nee, de thematiek is verre van origineel of uniek, al was het maar omdat Wegsleepregeling van kracht een modern antwoord moet vormen op Schuberts Winterreise. Om deze overeenkomst te benadrukken, wordt de bundel vergezeld door een cd waarop Mircks cyclus van muziek is voorzien. De dichter draagt daarbij zelf zijn poëzie voor, maar dit muzikale experiment voegt weinig toe aan de gedichten, die te zeer voor zichzelf spreken om gebaat te zijn bij een extra omlijsting.

    Hoewel, dat spreken gaat niet helemaal vanzelf: de meeste gedichten in de bundel hebben op het eerste gezicht iets ondoorgrondelijks, of, zoals Martinus Nijhoff het verwoordde: ‘Lees maar, er staat niet wat er staat’. Er is altijd de lichte dwang een regel, strofe of zelfs een gedicht in zijn geheel steeds opnieuw te lezen, omdat het gevoel van ongrijpbaarheid blijft: >

    Dagen later zie ik mijn roepen
    vingers van schrik, beet in mijn arm
    Niets in dit bos loopt of staat, keert

    op zijn tellen terug
    zonder het woord
    dat deze plek verlicht

    Het zijn, in feite, onmogelijk te begrijpen regels, deze laatste verzen van het gedicht ‘Het dorp voorbij’. Hier is geen sprake van een woord dat verlicht, de donkerte tussen de bomen blijft een ondoordringbaar duister. En toch intrigeren deze strofen, door hun onbegrijpelijkheid, maar ook door de contrasten die worden opgeroepen. Er is een roepen dat gezien wordt, een bos vol nachtmerries waar toch een verlichte plek te vinden is – het zijn beelden die je niet begrijpt, maar voelt.

    Zo onpeilbaar als ‘Het dorp voorbij’, zo direct en aards is een gedicht als ‘Alleen’:

    Hoe ze had gebladerd, uitgezocht,
    de kast nagekeken, een lijstje gemaakt,
    het haar achter haar oor
    gestreken, in winkels in rijen wachtte

    Hoe ze straks de tafel zou dekken, twee plaatsen,
    de tijd opstookte met haar fornuis, haar handen
    afveegde, haar schort aflegde, het zou later worden,
    later dan ze wilde,

    terwijl ze niets at maar zat
    en zatter werd van wachten, nog altijd
    En al is er nu iemand die wel komt
     
    en wel eet, die haar glazen droogt
    en terugzet waar ze horen
    Stil zit ze daar – gebarsten

    De hoopvolle voorbereidingen vol liefde uit de eerste regels maken plaats voor een gelaten, teneergeslagen wachten op iemand die nooit komen zal – ‘Alleen’ is een prachtige verstilde tekening van verlatenheid. ‘Mooi maar droef / droef maar mooi,’ zoals in ‘Speelman’ van de liefde wordt gezegd.

    Ja, Wegsleepregeling van kracht bevat mooie gedichten. Wat eigenaardig is, omdat de taal in deze bundel niet altijd even mooi is. In ‘Alleen’ zijn er de regels ‘terwijl ze niets at maar zat / en zatter werd van wachten’, wat grenst aan een stijlbreuk, en bovenal getuigt van een oncharmant woordspel; een woord als ‘zatter’ valt, hoe je het ook wendt of keert, uit de toon en breekt het gedicht. Mirck heeft moeite zijn gedichten tot een eenheid te maken, en zelfs de bundel als geheel is, ondanks het idee van een cyclus, ook moeilijk als dat geheel te beschouwen. Er is een grillige afwisseling tussen mysterieuze ondoorgrondelijkheid, kleine alledaagsheid en een ijdele vorm. Het gedicht ‘Wegwijzer’ bevat regels als deze: ‘Maar in het GESLOTEN donker terug kon ik je / niet meer laten gaan. We liepen door de WEGSLEEP- / REGELING VAN KRACHT, sloegen bij de splitsing af, / bleven samen na twee passen staan.’  Het stoort eerder, deze letterlijke en wat potsierlijke weergave van bewegwijzering, dan dat het gedicht aan betekenis of verbeeldingskracht wint.  

    Maar toch. Plotseling zijn er dan weer wonderlijk mooie regels, zoals ‘zijn hand droomt / onder haar jurk’, of ‘Of ga ik, láát ik / dat alles wat ik schrijf me buitensluit, / laat ik wat niet kan onmogelijk zijn’. En dan de laatste strofen van ‘Sprookje’:

    waar ben je toch? Ga maar
    slapen; zo alleen
    kan iemand je wakker kussen

    het glas om je breken
    de lucht om je in
    beweging brengen

    Als Hanz Mirck zulke verzen schrijft, is hij de accordeonist uit het laatste gedicht van de bundel, aan wie wordt gevraagd: ‘Speel voor me, maak me stil’. Mirck dicht, en maakt stil. Soms. 

    Wegsleepregeling van kracht
    Hanz Mirck
    Prometheus, 2006
    33 blz., € 19,95

    Nienke Beeking

  • Meulenhoffs Dagkalender van de poëzie 2007,Menno Wigman en Alfred Schaffer (samenstelling)

    Goed nieuws voor brilklevende poëzieliefhebbers: de nieuwe Dagkalender van de poëzie is uit! Natuurlijk hangt die van 2006 nog trouw in de buurt van de toiletrol, maar er kan nu alvast vooruitgekeken worden naar wat het volgende jaar in petto heeft. Tussen Co Woudsma (1 januari: ‘De beste wensen’) en Joke van Leeuwen (31 december: ‘Een jaarwisseling’) is voor elke dag weer een vers gedicht uitgekozen.
     
    'Een poëziekalender samenstellen, het is voorwaar geen sinecure', menen samenstellers Menno Wigman en Alfred Schaffer in hun woord vooraf, maar het handzame blok papier doorbladerend kan men veilig stellen: ze hebben de klus goed geklaard. De editie voor 2007 biedt een rijke dwarsdoorsnede van de Nederlandse en Vlaamse poëzie, van grote doden als Gorter, Van Ostayen en Nijhoff tot aan de prille predebutant Xavier Roelens. Ook schenken de samenstellers volop ruimte aan buitenlandse dichters als Sylvia Plath, Rainer Maria Rilke, Sirkka Turkka, John Ashbery, Tomas Tranströmer, Czeslaw Milosz, Antjie Krog en Adam Zagajewski. Daarnaast bevat de kalender traditiegetrouw een aantal (negentien om precies te zijn) winnende gedichten van Meulenhoffs jaarlijkse poëziewedstrijd. Overigens: in de huidige uitgave zit tussen de kalenderbladen van 15 en 16 januari een formulier waarmee kans kan worden gemaakt opgenomen te worden in de volgende Dagkalender; inzending vóór 1 februari 2007 bij Meulenhoff; thema van de wedstrijd dit jaar: ‘oorlog en vrede’.

    En alsof er nog niet genoeg te winnen is, stuur ik zelf één nog nauwelijks aangeroerd exemplaar van Meulenhoffs Dagkalender van de poëzie 2007 ter waarde van € 14,90 gratis op naar degene die als eerste een mailtje met het juiste antwoord op onderstaande vraag stuurt naar thomasmmann@yahoo.com (natuurlijk wel naam & postadres vermelden):

    Met welke bundels maakten Menno Wigman en Alfred Schaffer zelf als dichters hun debuut (titels, uitgevers, jaartallen)?

  • De herfst van Zorro,Al Galidi

    Onlangs verscheen Al Galidi’s nieuwe dichtbundel, De herfst van Zorro, bij Meulenhoff | Manteau. Dezelfde uitgeverij bracht eerder dit jaar al de roman Maanlichtmoerassen uit, over een zeker mevrouw WC die strijdt voor de overwinning van haar binnenkant op haar buitenkant. Al Galidi’s personages zijn allerminst alledaags. Ook Zorro – de vos staat op de cover van de overigens prachtig vormgegeven bundel – is niet de charmante, doodeerlijke held die een zwierige ‘Z’ achterlaat op de bolle buiken van zijn rijke, noodzakelijkerwijs door de macht gecorrumpeerde tegenstanders; in Al Galidi’s wereld wordt Zorro een man zonder paard, zonder zwaard, zonder penis, een melancholische filosoof die alleen, naakt, in de herfst van zijn leven arriveert en mijmert.

    De herfst van Zorro
    valt na Zorro’s presentatie – zonder paard, zonder zwaard, zonder penis – aan de herfst uiteen in een drieluik: ‘Gedichten van de hoogste verdieping van Zorro’, ‘Gedichten van de middelste verdieping van Zorro’, ‘Gedichten van de laagste verdieping van Zorro’, respectievelijk ‘het hoofd’, ‘het hart’ en ‘de penis’ van Zorro. Die verschillende verdiepingen, die in wezen eigen verhalen vertellen, verwoorden ook samen de verdeeldheid die in Zorro schuilgaat. Niet alleen de tegenstelling met de ander valt de mijmerende Zorro op (duidelijke verwijzingen naar de onderscheiden tussen Irak, Al Galidi’s geboorteland, en Nederland, waar hij sinds 1998 woont); ook met de gespletenheid waaruit hijzelf bestaat, wordt hij geconfronteerd. Zo herinnert Zorro zich de ontmoeting met een boerin:

      In haar dromen,
      waar nooit een prins is geweest,
      ziet ze witte slaapwandelende treinen
      door eindeloze witte tunnels.
      Witte bussen
      door drukke witte straten.

      De witte dag
      eindigt met een witte nacht.
      In haar dromen
      gaat ze
      zonder dat iemand haar kent.

    Al Galidi is op zijn sterkst in de confrontatie van gelijkenissen tussen verschillende culturen en de geheel verschillende perspectieven die in die culturen heersen. Zijn gedichten zijn bijwijlen hilarisch, zijn beeldspraak uiterst origineel. De gedachten en overtuigingen die als een persoonlijk relaas uit die beeldrijke gedichten naar voren komen, zetten wel degelijk iets op het spel. De eenvoud is maar schijn. Wat begint als een grapje, als een voorbeeld van hilariteit krijgt al snel een wrange nasmaak. En dat is Al Galidi’s enorme verdienste: hij stelt dingen aan de kaak, in en met een stem die onmogelijk de 'onze' kan zijn, en hij doet dat met overtuiging, meeslependheid en lef.

      In de eerste winter in Nederland
      ging ik naar de gemeente.
      ‘Jarenlang woon ik samen met mijn kachel.
      Ik wil met haar trouwen.’
      Het blauw viel
      uit de ogen van de ambtenaren,
      het blond
      verbrandde op hun hoofd.
      Zachtjes fluisterden ze,
      maar streng.
      ‘Dat kan niet.
      Zij heeft geen twee benen,
      geen twee ogen
      en geen grote mond.’

      De volgende winter
      ging ik naar de gemeente.
      ‘In deze kou red ik het niet alleen.
      In de naam van vrijheid, democratie
      en bitterballen,
      Ik woon samen met dit mugje.
      Ik wil met haar trouwen.’
      ‘Dat kan niet,’ zeiden ze zacht en streng,
      ‘ze heeft geen grote mond.’

      De volgende winter
      ging ik naar de gemeente.
      ‘Ik wil samenwonen met deze Nederlandse vrouw.
      Ze heeft twee benen,
      twee ogen
      en zeker een grote mond.’
      ‘Dat kan niet’, zeiden ze.
      ‘Jij hebt geen twee benen,
      geen twee ogen
      en geen kleine mond.’

      [‘De penis van Zorro had geen papieren om officieel te trouwen in Nederland’]

    Al Galidi’s gedichten zijn gehuld (vaak duidelijk ‘verhuld’) in vlot leesbare, eenvoudige woorden en zinnen, die samen leiden tot verhalen, of verhaalfragmenten. Die eenvoud is niet te vinden op een inhoudelijk niveau. Al Galidi slaagt er met andere woorden in om door de beeldspraak die zich van niets anders lijkt te bedienen dan van talige eenvoud, veel betekenis te leggen. Hij is een dichter die met een ‘beheerste lichtheid’ schrijft (zoals een criticus van De Tijd zijn stijl in Maanlichtmoerassen geheel terecht beschreef), een lichtheid die dus niet een lichtheid in vorm en inhoud vertegenwoordigt, maar die het resultaat is van een temperende dichter.

    Dat milderen in vorm heeft zijn redenen. Op zijn website laat Al Galidi weten dat de poëzie in Nederland dood is, dat alleen heel ‘oude vrouwen die nog steeds verliefd zijn op iemand of op het leven’, poëzie lezen. Daar hoeft men het niet mee eens te zijn. Wat belangrijk is, en kenmerkend voor Al Galidi’s stijl is wat hij meteen daarna zegt: ‘Na zijn eerste gedichtenbundel is Al Galidi op een andere manier gaan schrijven. Als mensen om zijn gedichten moesten lachen, dan was het goed. Als ze niet lachten en zeiden dat het wel een mooi gedicht was, dan veranderde hij het. Een paar gedichten veranderde hij niet, die heeft hij eigenlijk voor zichzelf geschreven. Ze zijn iets tussen sprookjes en gedichten in.’ De lach is een belangrijk gegeven in De herfst van Zorro: vrijwel altijd aanwezig maar tegelijk soms ook zo fout. De kans bestaat dat er dingen worden weggelachen, dat het alleen maar grappig wordt. Niet zo in Al Galidi’s poëzie. Die doet denken aan een voorstelling van de Jordaans-Amerikaanse danser Tarek Halaby, An Attempt, over hoe kunst de wereld niet kan redden. Die bracht veel inhoud op het podium (onder meer over Palestina, zelfmoordterroristen, de vijandigheid tussen zijn identiteit en de vervreemding die door anderen wordt bevorderd…), maar in de waas van comedy, in de waas van klunzigheid, in de waas van zijn Amerikaanse accent. Tot op het punt waar de lach ongemakkelijk wordt. Tot op het punt waar het publiek alle comfort wordt ontzegd.

    Tot op het punt waar alle maskers afvallen.

    Al Galidi, De herfst van Zorro. Meulenhoff | Manteau, Amsterdam / Antwerpen, 2006.
    http://www.algalidi.com/

  • verzameld werk dl 3, Nijhoff

    Nijhoff, Spoon River Anthologie, muziek, liefde en de dood

    Vertaling van poëzie door de dichter die de belangrijkste vertaalprijs zijn naam gaf: Martinus Nijhoff. Een reeks die werd voorgedragen door Georgette Hagedoorn. In wat nu volgt wordt een exposé gegeven van een gedichtenreeks waar nog niet al teveel over bekend is. Omdat er altijd te weinig wordt geschreven over Martinus Nijhoff wil ik een aantal vragen stellen die ik de komende tijd speurend op het internet en in het antiquariaat zal trachten te beantwoorden. Antwoorden en ook vragen van wie dit leest, zijn meer dan welkom.

    In de Verzamelde Gedichten (1990) van Martinus Nijhoff staat achterin reeks verzen die om meerdere redenen interessant zijn. Het gaat om Nijhoff’s vertaling van een twaalftal gedichten van de Amerikaanse dichter Edgar Lee Masters. De gedichten komen uit de bundel Spoon River anthologie, uitgegeven in New York in 1940.

    In de eerste plaats is de datering interessant. ‘Waarschijnlijk 1952’ vermelden de tekstverzorgers Van den Akker en Dorleyn. Het zijn de laatste gedichten in dit verzameld werk, Nijhoff overleed op 26 januari 1953. Wellicht was het werk aan deze gedichten het laatste wat hij deed. ‘Nijhoff heeft de vertalingen gemaakt voor het voordrachtsprogramma van Georgette Hagedoorn.’ Melden de editeurs ook nog. Dat is nog een reden om meer over de reeks te willen weten. Een voordrachtsprogramma?

    In het Verzameld Werk (1982), door Gerrit Borgers en Gerrit Kamphuis bezorgd, komen we al meer te weten. ‘Deze vertalingen werden afgedrukt in de volgorde, die het voordrachtsprogramma van mevrouw Georgette Nijhoff-Hagedoorn,, waarvoor ze geschreven zijn, aangeeft. Ik ontleen aan dit programma, zoals het op de Nijhoff-herdenking van 25 april 1963 te ‘s –Gravenhage werd uitgevoerd, de volgende inleidende passage van Jacques den Haan: “Edgar Lee Masters (1868-1950) beschreef in zijn Spoon River Anthologie de geheimen van een Amerikaans stadje met de gefingeerde naam Spoon River. Van afgunst, machtswellust, verborgen misdaad, erotiek, maar ook van de liefde der eenvoudigen vertelt hij op originele wijze in de vorm van grafschriften in vrije verzen…”

    ‘De Spoon River Anthology van deze Amerikaanse dichter verscheen in 1914 in het weekblad Reedy’s Mirror. Zie de boekuitgave, ‘illustrated by Oliver Herford, London, TWerner Laurie Ltd., 8 Essex Street. Strand, ongedateerd. Nijhoff vertaalde elf van deze grafschriften, benevens het inleidende gedicht 'Het gras op de heuvel' (The Hill) Zij zijn postuum verschenen in 'Maatstaf, II,' 1954/’55, 164-171. Een handschrift of typograaf is niet meer aanwezig. Hij kende het werk van Lee Masters reeds in maart 1926; Zie Verzameld Werk, II, 292.

    Het recht van voordracht dezer gedichten is uitsluitend voorbehouden aan mevrouw Georgette Nijhoff-Hagedoorn.’

    Dit alles opent een kleine wereld die ik graag eens nader zou willen leren kennen. Hoe is de vertaling van Nijhoff? Hoe is zijn keuze tot stand gekomen? Kortom hoe ziet de bundel Spoon River Anthology er uit. Zijn tijdschrift publicatie en boekuitgave nog na te speuren? Een boekuitgave des te interessanter is daar hij geïllustreerd blijkt. Daarnaast hebben we toegang tot de vertalingen middels een heel andere uitvoering: de voordracht ‘uitsluitend voorbehouden aan mevrouw Georgette Nijhoff-Hagedoorn’. Hoe was die voordracht, zijn daar opnames van te vinden? Ik wist dat Nijhoff en Hagedoorn een relatie hadden, maar niet dat ze getrouwd waren. En is die voorbehouding dan ook testamentair vastgelegd? En waarom? Zijn er meer Nederlandse vertalingen van deze bundel. Complete misschien. Heeft Nijhoff gecorrespondeerd met Edgar Lee Masters? Kunnen we erachter komen waarom juist deze reeks werd voorgedragen op de herdenking?
    Waarom interesseert die reeks mij eigenlijk? Misschien door Jones in het openingsgedicht:

    […]
    Waar is Jones, de oude straatmuzikant
    die, spelend met het leven, negentig werd,
    door sneeuwstormen liep met een open hemd,
    dronk, zwierde, en om niets en niemendal gaf,
    niet om geld, niet om liefde, niet om de hemel?
    Hoor, hij mompelt in zijn slaap over hoe ze vroeger visten,
    en wat Abraham Lincoln heeft gezegd
    jaren geleden te Springfield.

    Ja om Jones, maar nog om meer. Nu zal ik eerst eens zien of op het internet, voor de lezer, meer van deze gedichten te vinden zijn.

    Vondsten en vragen graag naar: redactie@literairnederland.nl

    MH

  • Kastanjegedichten,Nanne Nauta

    De gevaren van de paardenkastanjemineermot

    Uitgeverij Passage geeft eigenzinnige bloemlezingen uit. Eerder verschenen de bundels Kutgedichten en Klotengedichten. Gedichten over de mannelijke en vrouwelijke geslachtsdelen. Een logisch vervolg was Eikelgedichten geweest, maar het is Kastanjegedichten geworden. Dat was ook wat verwarrend voor Karel ten Haaf die in een lang gedicht een meisje aan het woord laat:

    ‘ze zei
    godallemachtig mammoetslurf
    en jezus man wat een hengstenzwengel en
    dat is geen eikel meer dat is een paardenkastanje’

    Samensteller Nanne Nauta vroeg bekende en onbekende dichters om een gedicht over de paardenkastanje (ik wist niet eens dat de gewone kastanjeboom officieel paardenkastanje heet). En daar is een reden voor: paardenkastanjes worden bedreigd door de mineermot en de bloedingziekte. De mineermot is voor de kastanjeboom wat de knut is voor een schaap. In een bijzonder houterig geschreven stuk voor in de bundel leggen Wichertje Bron en Arnold van Vliet nog eens de verwoestende werking van de paardenkastanjemineermot (3x woordwaarde) uit en ze kunnen nog weinig hoop bieden aan de kastanjesliefhebbers, want het onderzoek ‘is nog in volle gang’. Een loofwaardig initiatief dus van Nanne Nauta om nu reeds aandacht te vragen voor de gevaren die dreigen voor deze boom. En meer dan het onderwerp  van de geslachtsdelendeeltjes leverde dit thema een stortvloed aan gedichten op.

    Echte dichters weten van elk thema iets te maken. Diana Ozon bijvoorbeeld vergelijkt het vallen van de kastanjes op de daken van de auto’s met de free jazz van Han Bennink. En Ruben van Gogh vergelijkt de vallende kastanjes in zijn klankrijke en afgewogen gedicht met bommen die vallen. Jan Baeke heeft altijd intrigerende regels in zijn gedichten:

    ‘Hij kon ook zien dat menig tak voor vlinders
    te fragiel was, dat hij doorboog onder
    strakgetrokken verhalen.

    Er had iemand gehangen, er had iemand
    in een sloot gelegen.’

    En zo zijn er wel meer geslaagde gedichten te vinden. Maar hemeltjelief, wat staat er een hoop rotzooi tegenover.

    ‘Kastanjetak

    Kronkelend, eerst diepduikend
    en dan weer
    klimmend spoor
    van een zoektocht naar het
    licht.’

    Wim Schot schreef dit nietszeggende haiku-achtige ding. Het lijkt of Nauta alles wat hij binnenkreeg wilde plaatsen. Kneuterige jeugdherinneringen en pathetische onzin: alles mocht.

    ‘Als dit alles verdwijnt
    de enige remedie hakken
    en branden is, verliest ook taal
    zijn woorden en klanken.’

    Nou, dat zal wel een beetje meevallen, Hannie Rouweler, maar we houden je er graag aan mocht het eens zover komen. Quirien van Haelen rijmelt er ook nog een versje uit, ik citeer even de rijmwoorden: Anje, haar, oranje, kastanje, zwaar, staar, nepchampagne, gepaar, klaar, franje, kruin, ban, kan, kastanjebruin. En hoppa, weer een bladzijde vol.
    Het lezen van de bundel is kortom een wisselend genoegen. Een iets strenger toelatingsbeleid had een veel betere bundel opgeleverd. Die zit nu verscholen in het geheel en het is aan de lezer om de mooie gedichten eruit te halen. Het is voor een goede zaak moet je maar denken.

    COEN PEPPELENBOS

    NANNE NAUTA (RED) – Kastanjegedichten. Uitgeverij Passage, Groningen, 158 blz. 15,95

  • In dit laagland,K. Klok

    Gewoontjes

    De Dordtse historicus Kees Klok debuteert eindelijk. Op zijn zeventiende presenteerde hij een Dordtse versie van Poëzie in Carré waar bekende dichters optraden en durfde het aan zelf ook nog een vers te laten horen. Hij hoopte op de plaatselijke krant.

    In 2006 komt het dan toch tot een bundel. Bij uitgeverij Wagner & Van Santen brengt hij In dit laagland uit waarin het openingsgedicht het bovenstaande beschrijft. De rest van de bundel bestaat uit vier afdelingen met strakke poëzie, vol herinnering en regenwater. Regenwater – maar ook andere neerslag – komen opvallend vaak aan het einde van zijn gedichten omhoog wellen of naar beneden vallen. Zo hij ‘het hoe het van de regen glom’ in het openingsgedicht, in het gedicht ‘Bij de haven’ begint het zacht te regenen, op pagina 33 ligt er ‘nog net geen sneeuw’ en vervolgens welt het regenwater in ‘Schuilplaats’ op. Ach, het is niet consequent toegepast, het geeft alleen een wat gemakkelijk beeld en dat doen wel meer gedichten uit deze bundel.

    In de eerste afdeling ‘Groeten misschien’ kijkt hij terug op zijn jeugd. Het zijn nostalgische, weemoedige en soms lieve gedichten die mij niet raakten door hun afstandelijkheid. Zo beziet hij alles van een afstandje en laat hij je niet dichterbij komen:

    ‘Aan de kaarttafel de machtelozen

    in hun ontluisterend spel

    en dat meisje: kijk hoe zij zich

    buigt om vuur aan te nemen.’

    Het is misschien een mooi beeld, maar vooral een herkenbaar beeld. Daarnaast is het een beeld dat betekenisloze vragen oproept: waarom machteloos, waarom ontluisterend en waarom zouden we überhaupt naar dat meisje kijken? Dat het zich in de haven afspeelt, lijkt mij weinig kenmerkend.

    De tweede afdeling ‘De kaart van Peutinger’ is wellicht de minste. Het is een avontuurlijke reis door de wereld in voorspelbare gedichten; erg spannend wordt de reis maar niet. Het is vooral ‘gewoontjes’: ‘Wij waren mooi weer zeermensen / die voor striemend zand, brullend water / en gruwelverhalen de beschutting / van de stad zochten.’

    De inhoud is zeer wisselend. In de derde afdeling zien we dat vooral terug. Zo lezen we daar:

    ‘Dat het licht in jouw ogen

    mij zo zou verslaven,

    tornado’s teweeg zou brengen,

    het doel van mijn reizen

    van west naar oost zou verleggen

    en dat voorgoed.’

    Een slappe strofe uit een gedwee liefdesgedichtje dat tot overmaat van ramp ‘Het licht in jouw ogen’ is getiteld. Rare zinnen die het gedicht meedogenloos onderuit schoffelen: ‘Pover wasgoed aan de lijn, / een lekkend dak boven onze zorgeloosheid.’ Maar daar tegenover schrijft hij mooie gedichten over September: ‘Een tunnel verder raapt een zwerfster / kaarten uit de berm. Een weggewaaide / schoppenboer laat een toekomst te raden’, en over de watersnoodramp van 1953: ‘Het magisch watermerk dat ik / gestaag te boven groeide, / zoals bij elk bezoek weer bleek. / Het lage land benadrukt in een groef.’

    Zijn kennis van Griekenland en met name Cyprus heeft hij in de laatste afdeling mooi beeldend samengevoegd, melancholische beschrijvingen, afstandelijk maar intiem. Hier komt de historicus naar voren, hier spreekt passie en hier durft hij ook meer met zijn lezers te delen, maar we blijven toeschouwers:

    ‘Terwijl men lacht om vrolijke verhalen

    danst een circusjongen

    op weg naar het einde

    en tobben bezorgde ouders over

    een eigen huis, want hun taal

    der liefde is even versteend

    als het land.

    De poëzie van Klok doet mij hier en daar denken aan de latere gedichten van Bernlef: zij heeft iets ‘gewoons’ terwijl er onder de woorden een spel van betekenis speelt. De kunst van het observeren, in dezen het observeren van het verleden. Maar zij is niet ‘gewoon’ maar ‘gewoontjes’, zij heeft iets naïefs en de kwaliteit is te wisselend. Het is niet te hopen dat hij hiermee alle gedichten tussen 1969 en nu gepubliceerd heeft, maar dat hij nog wat te schiften heeft. Veel gedichten uit deze bundel hadden beter in de plaatselijke krant kunnen staan.

  • Schuim,Alfred Schaffer

    Piet Gerbrandy schreef in de Volkskrant van 8 september 2006 een eerder negatieve beoordeling neer van Alfred Schaffers nieuwste bundel, Schuim. Zijn oordeel hangt hij op aan een aantal regeltjes waaraan de auteur zich dient te houden om de lezer tegemoet te komen. Die lezer gaat volgens Piet Gerbrandy en de door hem aangehaalde Amerikaanse literatuurwetenschapper Jonathan Culler van een aantal verwachtingen uit:

    ‘In de eerste plaats ga je ervan uit dat er een spreker is die je iets vertelt, in de tweede plaats neem je aan dat – net als in een normale conversatie – de verschillende zinnen iets met elkaar te maken hebben, in de derde plaats verwacht je dat wat de auteur zegt, de moeite waard is.

    Je zou kunnen zeggen dat literatuur alle kenmerken van een wellevend gesprek heeft. De dichter hoopt dat de lezer de beleefdheid zal opbrengen zich in te spannen om te begrijpen wat hij beweert, omgekeerd doet hij zijn best de lezer iets zinnigs mee te delen.’

    Gerbrandy meldt dat Schuim, tegen het bovenstaande in, geen pogingen onderneemt om ‘de lezer op zijn gemak te stellen’. De meerstemmigheid – die Piet Gerbrandy beschouwt als de belangrijkste reden voor dat ‘ongemak’ van de lezer, omdat die aanleiding geeft tot inhoudelijke versnippering – is zeker aanwezig in Schuim. Maar dat betekent niet dat Schaffer zich in de veelheid verliest. Integendeel, alle gedichten, alle ‘stellige mededelingen’, zijn gegrond in dezelfde toon, de poëzie in Schuim draagt steeds dezelfde ziel. Schaffer varieert in de toonhoogte. De ene keer is hij bijtend hard, bijna onmeedogenloos, de andere keer overheerst er een gevoel van onmacht, treurnis of van medelijden.

    De eerste afdeling in Schuim, ‘Het rijk alleen’, is doorspekt met cynisme, en van een hardheid die een pulserende vinger op de open wonde legt. ‘Prijs de ramp die ons behoedde voor gezichtsverlies, / in mijn bunkers kun je schuilen. Denk aan de wens van je publiek’, klinkt het in ‘Ode aan de gehoorzaamheid’. Of: ‘Gedrenkt in terminologie smeulen / de loopgraven, gedachteloos wind je mij om de vinger, als kreten / van triomf klinken je beloftes. / Je kunt hier je advertentie plaatsen.’ (uit ‘De zaagmeester adviseert’) In ‘Goede raad is duur’ lijkt ook ‘mijnheer de president’ George Walker Bush aanwezig te zijn: ‘Schiet een paar buffels af, / haal een ijsje, gebruik een zakdoek als je niest, laat je spieren zien. Dat werk. / En zeg amen en zeg amen. Kon je nu maar in de toekomst kijken, je had / dit afscheid grootser aangepakt – gezondheid. Dat wordt nog lachen straks.’ ’s Werelds machtigste man krijgt hier een toekomst voorspeld die hijzelf – ‘God bless America’ – niet had zien aankomen. Maar ook de andere zijde wordt in beschouwing genomen. In ‘Alle zinnen op een rij’ lijkt Bono rond te waren: ‘De vraag is: met of zonder jou. De vraag is: wie was hier de baas’; en iets eerder in het gedicht valt – al is dat misschien wat vergezocht? – de naam van diens band af te lezen: ‘de stand is nu 2-2’. In ‘Deze wedstrijd is geen pretje’ valt dan de ‘grond onder je voeten’ – van U2 en/of Salman Rushdie – op. Alfred Schaffer associeert, legt verbanden die misschien niet onmiddellijk herkenbaar zijn of iets minder herkenbaar worden gemaakt door de context waarin ze worden geplaatst (; de lezer die de gedichten niet na één lectuur aan de kant legt wordt echter ruimschoots beloond). Maar het gedicht in zijn geheel verkrijgt wel onmiddellijk een zeer specifieke sfeer. En daar is Schaffer een meester in.

    In de cyclus ‘Wakker’ schreeuwt Alfred Schaffer het uit. Onrecht staat ook hier weer centraal, net als de manier waarop we daarmee omgaan. Opnieuw Bush junior: ‘Je bent voor of tegen. Ten dode opgeschreven.’ Waarop Schaffer: ‘Maar wie is dat niet.’ En weer Bush: ‘Geen teken van leven: een vorm van bestaan.’ De actualiteit biedt voldoende stof te kauwen. Abu Ghraib, de massavernietigingswapens, 9/11, de zwaarbewaakte Mexicaanse grens, de nieuwe wapenwedloop… In de afdeling ‘Staat verzekerend’ wordt het terrorisme in de Nederlandse context geplaatst; de brochure Wat wordt er gedaan tegen terrorisme? En wat kunt u doen? is de aanleiding voor deze gedichten. Het motto spreekt boekdelen: ‘Ik was aan het winkelen en ineens zag ik een rugzak staan. Helemaal alleen in een drukke winkelstraat. Net toen ik de politie had gebeld, kwam er een jongetje aanrennen.’ (Mevrouw Berends in de net aangehaalde brochure)

    Dit alles geloofwaardig binnenbrengen in de poëzie is knap lastig, maar Alfred Schaffer slaagt er schijnbaar moeiteloos in. Zijn gedichten puilen uit van de geladenheid, maar behouden, ondanks de voelbare woede, de nodige afstand tot hun onderwerp. Zijn gedichten zijn meer dan aanklachten. Het zijn gedichten die de poëzie inzetten voor iets belangwekkends, zonder de poëzie zelf te verliezen. Dat is de grootste kracht van Schuim: én de wereld binnenbrengen in de poëzie, en in die wereld de poëzie poëzie laten zijn. En daarenboven duidelijk maken dat we niet hoeven te kiezen.

    De meerstemmigheid in Alfred Schaffers nieuwe bundel heeft – toegegeven – voor de lezer een zeer uitdagende rol in de aanbieding. De vele monden waaruit de dichter spreekt scheppen afstand. Wat mank loopt in Gerbrandy’s lectuur van Schuim is dat hij de niet-onmiddellijke herkenbaarheid vervangt door ‘ontoegankelijkheid’ en daardoor – terugdenkend aan de drie regeltjes – nietszeggendheid. Schaffer zegt veel in Schuim. De afstand die hij bewaart, en die Gerbrandy verwerpt, want indruisend tegen het creëren van betrokkenheid bij de lezer, is mijns inziens net dat wat de boodschap zo dreunend aandraagt. Alfred Schaffer heeft wel degelijk een lezer voor ogen, en die krijgt op zijn beurt geen hand, maar een spiegel voorgezet. Of scherven daarvan, die de lezer zo dicht op de huid zitten dat ze ook hem verwarren, verknippen en fragmenteren. Niemand is geheel en al dit of dat. Ook de dichter zelf zit in die zin – misschien ongewild – gevangen in bepaalde patronen.

    ‘De muziek die ons toekomt’ kende een eerste publicatie als bibliofiele uitgave. De afdeling zoomt in op een ziekenhuisbed, een patiënt en diens familie. Het perspectief plaatst Schaffer bij de familie, die een en al vertoning pleiten. Het gaat soms hard: ‘Wat lig je toch te kermen man, / of lig je soms niet goed?’; ‘Is je kussen niet te plat, heb je geen dorst – wat kijk je nou, / wat kíjk je nou?’; ‘we moesten maar eens gaan, groet ons nu gauw / en denk niet meer aan ons. Sterker nog, / we zijn al weg.’ Het schrijnende is dat de patiënt, de reden voor de aanwezigheid van de ietwat cynische familieleden  en daarmee toch het middelpunt van de belangstelling, slechts een ‘intermezzo’ krijgt toebedeeld. Of, daar lijkt het toch op. In dat tussenstukje schijnen de beschouwingen en gedachten van persoon te veranderen. De patiënt valt misschien niet zo goed te onderscheiden van zijn harde familieleden? Schaffer legt er nog een knoop in: ‘en tegen wie je het nu eigenlijk hebt geen idee zeker / toch niet tegen mij? of moet ik denken jullie?

    ‘Rijp’ is een cyclus die Alfred Schaffer in Brussel schreef, een paar maanden na het overlijden van zijn vader. Het is een erg gevoelige, turbulente, tegelijk pijnlijke en harde cyclus. En vooral eerlijk. Schaffer legt alles bloot tussen de eerste en de laatste regel: ‘Welkom in de studio, hier eindigt het geloof. Het geloof in een v
    ertrektijd, / in een diepere betekenis. Had je dit succes verwacht?’ – ‘De muziek een troost? Met een lege maag is het lastig luisteren.’

    Met het laatste gedicht uit de cyclus ‘Krank’moet het eindigen:

      Nu de zaak gelopen is worden we geen seconde meer alleen gelaten.
      Men vliegt als hij maar even zucht, men roept de dokter als hij kucht.
     
    Kotsziek op zoek naar nieuwe overlevenden.
      Een groep van twintig jongeren is alvast in hogere sferen,
      gewapend en gemaskerd. De fotograaf trapt zijn sigaret uit,
      brengt zijn camera in stelling en als de dokter verschijnt
      springt de verzamelde pers als één man overeind. ‘Vragen?’
      Geen vragen. En toen en toen en toen. ‘Komen jullie ooit terug?’
      Een overdreven intonatie. ‘Als je het niet erg vindt,
      dan bestellen wij alvast.’ Je rende op ons af, je moet ons hoe dan ook
      hebben herkend – onze wij-vorm een dekmantel,
      een jas tegen de kou. Waar bleven onze praatjes, vielen we stil?
      Doet dit hier pijn? Gaan we vegeteren? Wat verwachten we van de behandeling?
      Weggedoken op de achterbank doorkruisten we de woestenij,
      kadavers sisten in de zon. Bedienden stonden ons terzijde,
      wankelend van insomnie. Een beetje keizer zou nu
      een gedicht hebben geschreven. Om het vertrouwen te herstellen.
      Het zweet op het voorhoofd van zijn onderdanen.
      Als hij roept ‘Ik ben de keizer’ is er niemand die hem hoort
      In het holst van de nacht. Daaraan konden we een voorbeeld nemen.
      Het lijkt erop of alles is geregeld. Spoedig braken andere tijden aan,
      de uitkomst is besproken: niemand raakte gewond.
      Zolang je maar bestond hadden we een reisdoel voor het grijpen.
      We zijn telefonisch te bereiken.
      Nooit is het zo stil geweest.

    Piet Gerbrandy’s uiteindelijke oordeel in de Volkskrant luidde: ‘Het geheel […] doet de lezer na verloop van tijd verlangen naar onvervalste schoonheid.’ Het ‘onvervalste’ karakter van die schone wereld, baart zorgen: welke wereld is het immers waarover Gerbrandy spreekt? Gerbrandy’s mooi lijkt meer op – in de woorden van Alfred Schaffer uit een interview met Fleur Speet (De Morgen, 13 september 2006) – ‘rozengeur’. De literatuur als romantische vlucht? Drie keer Schaffer als tegengif:

    ‘Zeg ons na: het gaat beter nu dan ooit.’
    ‘Tegenover de harde realiteit, een harde wereld kan ik geen zoetgevooisde poëzie zetten.’
    ‘Toch snakken we allemaal naar literatuur die ertoe doet, die de werkelijkheid zo kneedt dat we er meer mee kunnen dan die aan te staren.’

    De wereld is er klaar voor.
    I think I heard a shot.

    Alfred Schaffer schreef:
    Schuim. De Bezige Bij, Amsterdam, 2006.
    De muziek die ons toekomt. DRUKsel, Gent, 2005.
    Geen hand voor ogen. De Bezige Bij, Amsterdam, 2004.
    Definities en hallucinaties. Perdu, Amsterdam, 2003.
    Dwaalgasten. Thomas Rap, Amsterdam, 2002.
    Zijn opkomst in de voorstad. Thomas Rap, Amsterdam, 2000.

  • Donkere arena,Jan-Willem Anker

    Er loert gevaar

    Deadlines zijn vreselijk. Je bent bezig met het lezen van een bundel. Je herleest de bundel, pikt er enkele gedichten uit, legt het boekje weer weg, herleest, etcetera. De datum nadert dat je je stukje moet inleveren en je denkt: dat kan nog niet, ik heb deze poëzie nog niet veroverd. Dat overkwam me met Donkere arena van Jan-Willem Anker die vorig jaar al die mooie debuutbundel Inzinkingen schreef. Anker kwam sluipend de poëziewereld binnen, zag en overwon met zijn gedichten die je blijven uitnodigen tot herlezing.
    In dat debuut kwam ziekte als thema nog veelvuldig voorbij. Daar denk je aan terug als je de nieuwe gedichten leest die refereren aan iets wat voorbij is, maar toch een residu in de hersenen heeft achtergelaten.

    Zonder slaap

    Geraamtes klepperen zacht in de muur
    als rond vieren de wind opsteekt.

    Je ogen passen
    in het donker, de maat
    die herinneringen haast eender maakt.

    Gesprekken, stokpaardjes, voorwendsels
    spoken heldhaftig door je hoofd.

    Als je beweegt knakt je lichaam.
    Tegen de ramen kruipt de mist.

    Je oefent in stelsels
    van vergeetachtigheid en categorieën van
    hoop dat ooit iets anders je wakker houdt.

    Misschien gaat dit gedicht gewoon over iets anders, maar de dood is duidelijk aanwezig. Haast irritant manifest in de eerste twee regels. Tot je bij tweede lezing opmerkt dat hier ook gewoon het raam bedoeld wordt. De eerste regel krijgt een echo in ‘Als je beweegt knakt je lichaam.’ Daarop komt meteen de mist het gedicht binnen die weer een herhaling krijgt in ‘stelsels van vergeetachtigheid’, alsof binnen het brein alles moet vervagen. De woordkeuze in die laatste drie regels houdt me bezig. Waarom gekozen voor zoveel afstandelijkheid? Waarom ‘stelsels van’ en ‘categorieën van’? Lelijke woorden. Zou ‘Je oefent in / vergeetachtigheid en /  hoopt dat ooit iets anders je wakker houdt.’ niet veel beter zijn?
    Er zitten dus verschillende elementen in dit gedicht die een zekere ergernis oproepen, maar die bij herlezing verdwijnen. Ook die laatste regels, want die vormen een haast mathematisch contrast met de eerdere regels ‘het donker, de maat / die herinneringen haast eender maakt’. Tegen de alles opslorpende duisternis wordt een rationele bezwering geplaatst. Daarom moeten de stelsels en categorieën erin staan.
    Veel gedichten in deze bundel dwingen je tot herlezing. Niet alleen omdat je daartoe binnen het gedicht gedwongen wordt, maar ook omdat Anker hier en daar dezelfde woorden laat terugkomen waardoor je moet terugbladeren om het ene gedicht tegenover het andere te zetten.
    Waren de gedichten in Inzinkingen nogal vaak geschreven in dezelfde vorm, in Donkere arena experimenteert Anker nogal met de lengte van de regels en de strofen. Er staan zelfs proza-achtige gedichten in, zo komt de titel voor in het prozagedicht ‘Baard’.  Dat begint onschuldig over baardgroei tot je bij de zin komt: ‘Buiten je om wikkelt zich iets af in jezelf. / Biologeert je.’ Waarna een anekdote volgt over een vader die zijn zoon het uniform van een gedode stierenvechter aantrekt nadat hij de bloedvlekken eruit gewassen heeft. De derde strofe luidt dan (het streepje voor het einde van de regel is bij een prozagedicht altijd arbitrair): Morgen is je hoofd een naaldbos, bedenk je dat er stallen zijn waarin onrustig / de vechtstieren slapen. De arena is donker, verlaten nog.’
    Een raar beklemmend gedicht, vooral omdat het lijkt alsof er iets op de loer ligt, er gevaar dreigt. Anker benoemt dat gevaar niet, waardoor zijn poëzie niet anekdotisch wordt, maar hij weet die beklemming wel over te brengen, althans op mij.
    Donkere arena eindigt met de cyclus ‘Overwintering in Quarteira’, tien gedichten, die elk bestaan uit drie kwatrijnen. Het leek me eerst een beschrijving in een soort hel te zijn tot ik Quarteira googlede: een badplaats in Portugal. Een oord voor ‘bejaarden uit het bibberkoude westen’. En de hoofdpersoon ziet vooral de leegheid van de bevolking en van de omgeving:

    ‘roestig sportveld, telefoondraden
    om je aan te verhangen, lokale kunst
    betonmolens, huizen zonder dak
    waar je een havik ziet bidden.’

    Kortom, toch de hel. En nu ga ik alles nog eens herlezen. Donkere arena is een absolute aanrader voor poëzieliefhebbers.

    Coen Peppelenbos

    Jan-Willem Anker: Donkere arena. De Bezige Bij, Amsterdam, 48 blz. €15,-

  • Ooitgedicht,Willem van Toorn (samenstelling)

    In 1985, rond mijn tiende, kwamen drie boeken ons huis binnen die de loop van mijn leven duidelijk beïnvloed hebben. Eerst kwam vertaalster en schrijfster Thera Coppens langs op mijn lagere school om twee dichtbundels te promoten die ze samen met Willem Wilmink en Hans Dorrestijn had vertaald: Het randje van de wereld en Licht op zolder, allebei van de Amerikaanse kinderboekenschrijver Shel Silverstein. Ah! Gedichten hoefden niet keurig in gelijkmatige, rijmende regeltjes geboetseerd te worden, en ze mochten bovendien gaan over wat je maar wilde, zelfs als wat je wilde niet al te lieflijk of waarschijnlijk zou zijn! Na kort aandringen mocht ik beide boeken kopen en het aanzien van veel klasgenoten hun poëziealbums zou er danig door veranderd raken. Maar een belangrijker boek kwam in de laatste maand van het jaar, toen mijn moeder het van een vriendin cadeau kreeg: Ooitgedicht. Een groot aantal gedichten verzameld in een boek. Ik bracht er mijn kerstvakantie mee door en heb het haar eerlijk gezegd nooit meer teruggegeven.

    Ah! gedichten hoefden niet keurig enzovoorts: dezelfde openbaring die Silverstein me eerder al had gegund, maar nu door véél meer dichters tegelijk, uit Nederland en daarbuiten, in een veelheid van tonen en stijlen, dichters bovendien die niet speciaal voor kinderen schreven… Ooitgedicht leerde me als eerste dat ook serieuze grotemensenpoëzie niet per se netjes, deftig en ernstig hoefde te zijn. Een gedicht mocht ook simpel en lucide zijn, zoals meteen het eerste van de bundel al:

    vanochtend na het ontbijt

    ontdekte ik, door mijn verstrooidheid,

    dat het deksel van een middelgroot potje marmite

    (het 4 oz net fomaat)

    precies past op een klein potje heinz sandwich spread

    natuurlijk heb ik toen meteen geprobeerd

    of het sandwich spread-dekseltje

    ook op het marmite-potje paste

    en jawel hoor: het paste eveneens

    [C. Buddingh’, ‘Pluk de dag’.] 

    Of nóg iets luchtiger en verwarrender:

    Ik lag te slapen onder

    een boom toen ik werd gewekt

    door het ritselen van bladeren en

    een man voorbij zag vliegen:

    dat zeg ik nou wel, maar misschien was het

    een vogel.

    [Joan Brossa, ‘Ik lag te slapen…’, vertaling Madelon Zuyderhoff.]

    Of, vooruit, nog eentje dan: Judith Herzbergs eenvoudige ‘De zee’:

    De zee kun je horen

    met je handen voor je oren,

    in een kokkel,

    in een mosterdpotje,

    of aan zee.
    Op bijna elke van de 146 bladzijden ontdekte ik nieuwe mogelijkheden om met geordende woorden tot originele gedachten of nog ongeziene beelden te komen. Niet alleen vrolijke gevoelens konden onder woorden worden gebracht, er was ook ruimte voor bijvoorbeeld het doodsverlangen van Jan Arends (‘Hij kan / 24 uur / per etmaal slapen’), de latente waanzin van Pierre Kemps ‘Avondbloemen’ of de algehele tegenzin van Ellen Warmonds ‘Changement de décor’. En soms bleek het zelfs mogelijk om een hilarisch effect te bereiken met een gedicht dat toch niet minder dan de ontoereikendheid van de taal en het menselijk gehannes onder woorden brengt. Zo chique zal ik het toen niet geformuleerd hebben, maar de lachstuip waarin ik raakte toen ik voor het eerst ‘Man & dolphin / Mens & dolfijn’ van Hans Faverey hardop las, en ook het wat trieste, bittere nagevoel ervan, staan me nog helder bij.

    Faverey, Buddingh’, Van Ostaijen, Lodeizen, Koenegracht, Gorter, Kouwenaar, Lucebert, Campert, Herzberg, Nijhoff, Achterberg, Kopland, Schippers, Tellegen, Vasalis, zwaal: veel van de Nederlandse dichters zou ik later nog ontelbare malen lezen, beter leren kennen en waarderen, de meesten tot op de dag van vandaag. Maar in Ooitgedicht las ik ze voor het eerst. Hetzelfde geldt voor buitenlandse dichters als Zbigniew Herbert, Kurt Schwitters, Czeslaw Milosz en T.S. Eliot. Ook, en daar ben ik samensteller Willem van Toorn met name dankbaar om, zitten er dichters tussen die ik zonder Ooitgedicht mogelijk nooit had leren kennen. Zonder deze bundel was het werk van Vasko Popa waarschijnlijk aan me voorbij gegaan, terwijl ik deze dichter nu nog steeds tot mijn favorieten reken. Pas jaren later vond ik meer vertalingen van zijn gedichten, ontdekte ik dat er zelfs een hele bundel vol van bestond, en in het Engels een nog veel dikkere, maar toen kon ik nog slechts zijn drie gedichten in Ooitgedicht eindeloos herlezen, erom lachen, proberen te begrijpen wat hij nu precies liet gebeuren in een gedicht als ‘Verleidersspel’:

    De een streelt de stoelpoot
    Tot de stoel zich verroert
    En lief gebaart met zijn poot

    De ander kust het sleutelgat

    Kust het als waanzinnig

    Tot het sleutelgat hem terugkust

    Een derde staat terzijde

    Staart het tweetal aan

    Schudt zijn hoofd en schudt

    Tot het hoofd eraf valt

    [Vasko Popa, ‘Spelen: Verleidersspel’, vertaling Jana Beranová.]
    Ooitgedicht. Een groot aantal gedichten verzameld in een boek.

    Samengesteld door Willem van Toorn.

    Stichting CPNB, Amsterdam 1985.

    172 pagina’s, inclusief ‘Biobibliografie’.

    ISBN 90 70066 54 8.

    P.s. Op de afgelopen Deventer Boekenmarkt kwam ik een exemplaar van Ooitgedicht tegen voor € 5,-. Op internet blijkt het boek te vinden voor prijzen tussen € 4,50 en € 30,-, exclusief verzendkosten.