• 31e Nacht van de Poezie in Totale witte kamer

    Literair Nederland was erbij

    Voor eenmaal vond de Nacht van de Poëzie haar onderkomen in de futuristische ruimtes van Media Plaza voordat deze volgend jaar opnieuw plaats zal vinden in muziekcentrum Vredenburg. De presentatie was in handen van de dichters Ingmar Heytze en Ester Naomi Perquin.

    De Nacht van de Poëzie vindt van oudsher plaats in muziekcentrum Vredenburg maar sinds deze locatie vanwege een ingrijpende verbouwing vanaf 2008 gesloten is, reist De Nacht langs wisselende onderkomens waarvan Media Plaza het laatste station is. Het hoofdpodium stond in Polar, een ovaalvormige zaal die voor deze 31e Nacht  was omgedoopt tot Totaal witte kamer, naar een gedicht van Gerrit Kouwenaar. En wit was het, witter dan wit de stoelen, de wanden, de katheder, de vloer en de presentatoren. In verblindend witte pakken, een wit dat kraakt en afstand eist. En met deze witte entourage gingen 21 dichters en 6 entr’actes in line-up De Nacht in.

    In het thema van De Nacht Kom nacht/en wis mij uit, van Fernando Pessoa, weerklinkt de wens om volledig te willen verdwijnen in het donker. Door het overheersende wit werd dit de bezoeker zeer moeilijk gemaakt. Maar er was poëzie, poëzie waarin het goed toeven was en poëzie om in te verdwijnen. De Nacht zélf naar binnen halen, door het enorme dak boven de Totaal witte kamer te openen zoals het plan was, werd verhinderd door een geselende oostenwind die zo niet onophoudelijk  dan toch op gepaste tijden over het dak raasde. Waardoor Cees Nooteboom, door Ester Naomi Perquin aangekondigd als ‘literaire berg in Nederland’, enigszins verstoord opkeek toen de ijzige wind opnieuw over het dak van de zaal roffelde en zich tussen zijn voordracht I.M. Hugo Claus en het publiek drong. Hier werd geen spelletje gespeeld volgens Nooteboom want hij zelf had tijdens de begrafenisplechtigheid van Claus de woorden uitgesproken: ‘kom vooral spoken’. En hier was hij dan, die andere grote literaire berg, die deze 31e Nacht door rukwinden werd aangekondigd.

    Toon Tellegen & het Wisselend Toonkwintet van Corrie van Binsbergen, vertolkten onder meer op onnavolgbare wijze zijn bekende gedicht De rechte weg. De repeterende woorden als een formule uitgesproken kregen een dwingend karakter: ‘Ik liep langs een rechte weg./Ik noemde het een rechte weg./Het was geen rechte weg./Ik kwam bij een hoek./Ik sla die hoek niet om, dacht ik./ Ik sla die hoek niet om, niet om, niet om./ Ik sloeg die hoek om.’
    Tellegen behoort met Elly de Waard, Cees Nooteboom en Leo Vroman tot de grand old poets van de Nederlandstalige poëzie die met hun optredens De Nacht van een waardige glans voorzagen. Dichter des Vaderlands, Anne Vegter maakte indruk met haar scherp sissende en ronduit krachtige voordracht van haar gedichten. Waaronder het gedicht Nu Wij, over laaggeletterdheid in Nederland. ‘(…) Moesten we luidop lijstjes/ lezen, op werk zeiden we niet geweten, bril vergeten. (..) het alfabet is misschien niet helemaal eerlijk verdeeld. Waar waren we toen de/letters werden geschud? Is er nog over van de spelling? Mogen wij ook?’

    Met een voorproefje van haar nieuwe tour Last Resistance – The Naked Sessions was Wende Snijders de grootste publiekstrekker. Met enthousiaste kreten werden haar songs onthaald. Indruk maakte het lied Black Feather, gebaseerd op Dominique Strauss Kahn en gezongen als een gospel. Ondertussen droeg Elly de Waard enkele van haar gedichten voor in Splash, een van de kleine zalen waar tientallen bezoekers met oprechte waardering haar presentatie bijwoonde.

    Ook Tom Lanoye bracht later in De Nacht in een performance een hommage aan Hugo Claus. En met opzwepende versregels als  ‘It was, it is, it remains’ en ‘One people, one nation’ wist hij Obama en Claus aan elkaar te dichten.
    Tonnus Oosterhof had volgens eigen zeggen inktzwarte gedichten uitgezocht voor deze witte nacht. Ze waren politiek getint en dwongen een betekenisvolle stilte af bij het publiek. Charlotte Mutsaers las voor uit haar bundel Dooier op drift. Met fijne versregels als ‘Alles van plastic is weerbaar’ en het gedicht Leeftocht over ouderdom, met een lach en verwondering. ‘Zeventig/alleen mijn leeftijd is vreemd’.

    Volgens Ingmar Heytze zijn er ‘dichters uit hun holen gekropen om zich met zenuw aftellende minuten de tijd door te slepen tot ze het podium kunnen betreden’. De Nacht was toen al ver heen en het overgebleven publiek had zich verzameld, als bij de nazit van een geslaagd feest, in de Totaal witte kamer. Liggend op vloerkussens en tegen elkaar aanleunend in stoelen, werd genoten van onder meer de Belgische band Dez Mona. Waarvan de zanger, Gregory Frateur met zijn opvallend grote stembereik en grillige dansbewegingen, deed denken aan de optredens van Kate Bush, inclusief blote voeten.

    Om half vier ’s nachts kwam Leo Vroman, onderhand een vertrouwde verschijning op poëziefestivals via skype, met zijn vrouw Tineke langs. Als een verlate gast die aanschoof om de achterblijvers, onder uitgezakt of liggend op gigantische zitzakken, nieuw leven in te blazen. Want met een versregel als: ‘Onschuldige moordenaars die het leven nooit hebben gekend.’ keerde hij de waarheid ondersteboven en vroeg men zich af ‘hoe het nu verder moest met het leven’.

    Als laatste dichter in de line-up las NK Poetry Slam winnares 2011, Kira Wuck, in bruin gebloemde jurk, op stevig staande benen, zich soms haast verslikkend maar nooit haperend haar gedichten voor. Waarna H.H. ter Balkt met zijn sonore stem onder meer met een: ‘Dat was het’ via skype de avond afsloot waarmee de Nacht van de Poëzie 2013 een voldongen feit was. Een Nacht die kan worden bijgezet als ‘ zeer succesvol’ in het archief van de Nacht van de Poëzie.

    In de wandelgangen stonden de bekende boekentafels opgesteld en was er dit jaar veel aandacht voor literaire tijdschriften als onder meer Extaze, Liter, Vooys, SLANG, Terras en Revisor.

     

    Foto Cees Nooteboom: Anna van Kooij

     

     

  • Archieffoto van de Nacht van de Poezie 2010

    Uit het archief van De Nacht van de Poëzie

    Komend weekend vindt de 31e Nacht van de Poëzie plaats. In 2010 presenteerde dichter Ingmar Heytze de 29e Nacht van de Poëzie samen met Jeroen van Merwijk. Op 23 maart presenteert Heytze wederom de Nacht van de Poëzie, nu samen met collega-dichter Ester Naomi Perquin in Media Plaza, een unieke locatie op steenworp afstand gelegen van Utrecht Centraal Station.

    De Nacht van de Poëzie vond ­­vanaf 1980 steevast plaats in Muziekcentrum Vredenburg te Utrecht. Na de 27e editie in 2007 ging de verbouwing van Vredenburg van start. De 28e editie in Vredenburg Leeuwenbergh (De Rode Doos in de volksmond) was op ’n zachtst gezegd geen groot succes waarop Vredenburg besloot te stoppen met de Nacht. Dit tot grote verontwaardiging van dichter Ingmar Heytze die zich samen met o.a. collega-dichters Vrouwkje Tuinman en F. Starik hard maakte om de Nacht ook in de jaren dat Vredenburg nog onder constructie was in Utrecht te behouden. En met succes: in 2010 en 2011 vond de Nacht plaats in de Stadsschouwburg van Utrecht en Heytze presenteerde samen met Jeroen van Merwijk de avond.

     

    Foto: Ingmar Heytze en Jeroen van Merwijk – 2010 © Anna van Kooij

     

     

  • Onno Kosters wint Turing Nationale Gedichtenwedstrijd

    Onno Kosters uit Utrecht heeft met zijn gedicht Doe-Het-Zelf  de 1e prijs van de Turing Nationale Gedichtenwedstrijd gewonnen. Hij ontving een cheque van € 10.000 uit handen van juryvoorzitter Ramsey Nasr. Zijn gedicht is uitgeroepen tot het beste gedicht van 2012. De jury noemde het een ‘in alle opzichten onontkoombaar gedicht’, en sprak verder:Uit stof kunt gij wederkeren. Dat kan in de poëzie, en het gebeurt hier op meesterlijke wijze, middels niets dan woorden.’

    De Turing Nationale Gedichtenwedstrijd is de poëzieprijs met de grootste geldprijs ter wereld voor één gedicht en de enige wedstrijd waarbij alle gedichten anoniem worden beoordeeld. Voor deze vierde editie van dit jaar werden in totaal bijna 10.000 gedichten ingezonden. Er deden 2.361 dichters mee (waarvan 377 uit België) die gezamenlijk 9.834 gedichten inzonden.

    Hieronder de drie winnende gedichten:

    1e prijs Onno Kosters (€ 10.000)

    Doe-het-zelf

    Na zichzelf, met een witte lijn,
    te hebben omkrijt, herrijst hij
    van de plaats delict, hijst zich
    stap voor stap in nieuwe voeten,
    past zijn kuiten, dijen (als gegoten),
    omgordt zich met een schaambeen
    en een buik van genereuze omvang.

    Stof daalt neer: zijn navel schudt hij uit;
    zijn middenrif, zijn twaalfde rib
    schragen hart en longen die hij inslikt
    uit het niets, zo zonder mond nog,
    zonder tong, alsof hij licht schiep
    dat kortelings voorafging aan de zon.

    Ontboezemt dan zijn borstkas, slaat
    losjes zijn armen om zich heen, lijnt
    zijn nek uit, stelt atlas en draaier aard-
    en nagelvast. Staat als een huis.

    Als kroon op het werk welt meesterlijk
    het ravissante hoofd. Hoofd vol hersens,

    hoofd aan barrels, waaruit hij ontstond.

     

    2e prijs: Elly Stolwijk (€ 1.500)

    waarom de zilvermeeuw in de nacht
    boven de parkeerplaats moet schreeuwen

    er is dat veld, dat beweegt als
    je je hoofd beweegt,
    je hoofd voorover beweegt in mijn schoot.

    het witte veld waarover de binnenkant
    van mijn pols zich wil verlengen,
    handpalm ook, de arm gestrekt.

    je hemd dat los moet, dat witte,
    de woorden die los uit de zinnen
    misselijk makend niet kunnen zeggen

    wat er is. wat beweegt van binnen.
    wat wil schreeuwen boven
    braak liggend land, met honger.

    3e prijs: Rik Dereeper (€ 1.000)

    Vier manieren om te dumpen

    Sinds zijn sluitspier soms een steek laat vallen
    (elk chassis verslijt) en hij ons dan bescheten opbelt,
    komen wij zijn kamer poetsen, gooien kruis of munt
    om wie hem straks zal deporteren naar een ver tehuis.

    Of dat ik hem ontvoer, terwijl mijn broers snel delven
    naast een landweg. Door het nekschot valt hij dieper
    dan de avond, staart hij even hemelhoog. De leegte
    van zijn mond en oren vul ik met dezelfde grond.

    Of strootje trekkend: wie vertilt zo iemand tot de nok?
    Ik hijg voorbij de treden. Eens zijn hals gestropt,
    bekijken wij hoe rap hij trappelt op een luchtfiets –
    tot de benen doodstil bengelen. Er sijpelt iets uit hem.

    Of een geweldig offerfeest. We zorgen dat hij nimmer
    wederkeert, hem spietsend aan het spit. We draaien,
    draaien vader in het rond en klinken op zijn erfenis.
    En wissen van ons witste hemd het bloed, de stront.

    De jury bestond dit jaar uit voorzitter Ramsey Nasr, dichter F. Starik, de Belgische dichter Maarten Inghels, (poëzie)redacteur Mirjam van Hengel en Alexander Ribbink, secretaris van het bestuur van de Turing Foundation.
    De 100 beste gedichten zijn door Uitgeverij van Gennep samengebracht in de bundel Naaktlopen met je hersenen.

    Onno Kosters, Foto: ANP

  • Ester Naomi Perquin wint met 'Celinspecties' de VSB Poëzieprijs 2013

    door Ingrid van der Graaf

    De bundel Celinspecties van de dichter Ester Naomi Perquin werd door de jury van de VSB Poeziëprijs verkozen tot de beste dichtbundel van het afgelopen jaar.

    Ester Naomi  Perquin (1980) genoot grote bekendheid  in betrekkelijk kleine kring. Daar maakte het winnen van de VSB Poëzieprijs een einde aan. Vanaf nu zal men in heel het Nederlandstalig gebied weten wie Ester Naomi Perquin is, en dat werd tijd ook.

    De jury van de VSB Poëzieprijs  verkoos Perquin boven H.H. ter Balkt, Sybren Polet, Menno Wigman en Luuk Gruwez te plaatsen. En was meer dan te spreken over de ‘verraderlijk luchtige toon en de onvoorspelbare wendingen waarmee Perquin een gelaagde ruimte in haar bundel schept.’ Men roemde haar taalgebruik: ‘soms soepel als spreektaal, dan weer geraffineerd en virtuoos. De dichter neemt de lezer aan de hand en laat hem net zo gemakkelijk struikelen, wanneer haar woorden dat nodig hebben.’

    De jury was verder van mening dat: ‘Als de dichter al een taak heeft, laat het dan die zijn die Perquin zich heeft opgelegd: het zichtbaar maken van wat obscuur en meestal verborgen blijft. (…) In het geval van Celinspecties levert het een bundel op van noodzaak, verlangen en schitterend mislukken.’

    Sinds 2007 publiceerde Perquin drie dichtbundels waarvan de eerste twee werden onderscheiden met verschillende prijzen. Haar werk wordt nogal eens beoordeeld als verontrustend. Als dichter heeft ze een scherp gevoel voor het alledaagse waaruit, wanneer zij haar poëzie erop richt, bevreemdende en schokkende voorstellingen ontstaan. In Perquins bundel Celinspecties zijn de duistere kanten van het leven op zijn scherpst verdicht. Wekelijks schrijft zij voor de Groene Amsterdammer een column waarin zich dezelfde, soms ontluisterende, ontrafeling van alledaagse gebeurtenissen voltrekt als in haar gedichten.

    Juryleden Maria Barnas, Geert Buelens, Patrick Lateur, Anthonya Visser en Saskia J. Stuiveling selecteerden in november 2012 de vijf genomineerden uit vijfenzeventig ingezonden bundels die allen tussen 1 september 2011 en 31 augustus 2012 verschenen.
    Aan de prijs is een bedrag van 25.000 euro verbonden.

    Uit alle ingezonden bundels koos juryvoorzitter Saskia J. Stuiveling haar 100 favoriete gedichten voor de bloemlezing De 100 beste gedichten VSB Poëzieprijs 2013. De uitgave van De Arbeiderspers en Stichting VSB Poëzieprijs werd tijdens de uitreiking gepresenteerd.

     

     

  • Gedichten die niet poëtisch willen zijn – masterclass K. Schippers

    Passa Porta is een Brusselse boekhandel en cultureel centrum dat er een writers in residence op nahoudt. Zo kwam het dat K. Schippers (1936) nu al twee maanden in Brussel verblijft, om te schrijven en om werken met studenten aan de universiteit. Ter afsluiting geeft hij een openbare masterclass in Passa Porta. Schippers gedraagt zich niet als een operadiva die haar masterclass misbruikt om het ego van de discipelen te verpletteren. Wel was hij dwars, bruusk en knorrig, maar vooral geestig, vitaal en verrassend.

    Schippers leest en parafraseert gedichten en prozafragmenten. De gespreksleider stelt vragen en moedigt het publiek aan een bijdrage te leveren. Dat publiek (veel studenten) zoekt naar betekenis, diepgang en poëzie, naar de grens tussen poëtisch en banaal, naar het verband met conceptuele beeldende kunst. Maar daar wil Schippers eigenlijk niet van weten. Nee, geen poëzie, wat is dat, poëtisch? Misschien zelfs geen gedicht. Noem het teksten. Het gaat vaak over de werkelijkheid, en het kijken ernaar. Vooral die stukjes realiteit die zo vanzelfsprekend zijn geworden dat geen mens ze meer ziet zoals ze zijn. Zoals het gedicht met de bevreemdende titel ‘Correctie om wat’ en de materiaalaanduiding ‘Lucht en glas’ (alsof het om een schilderij gaat, ‘ olieverf en mixed media’):

    ‘Een neveltje zien dat er niet is,
    komt door een minieme oogafwijking
    Maar niet merken dat het weg is,
    als je ter correctie een bril draagt.’

    Teksten moeten nauwkeurig zijn, analytisch, dat vindt hij prettig, bijna meetkundig exact. Neem zijn gedicht van zes woorden (waar één woord teveel in staat). Bezie de onverbiddelijke logica van ‘Trage start bij een rantsoen van twee zinnen’: “ Kan ik zeggen ‘Na deze zin /  komt nog een zin’ of lieg ik dan? // Ik had het kunnen zeggen, / maar hier niet meer.” Of neem ‘Een leeuwerik boven een weiland’, dat lange gedicht over een gedicht, waarin heel zorgvuldig wordt uitgelegd welke rommeligheid buiten het gedicht wordt gehouden – die er daardoor juist in komt:

    ‘En dat wat beoogd wordt of waar
    het om gaat is zeker aanwezig
    in een sterke concentratie: dit is
    het, wat hier staat, nee, niet de
    woorden die ontbreken, die zijn er
    met opzet niet bij gezet, precies,
    de aandacht ligt veilig in de rails.

    Want in een gedicht horen geen
    dode plekken als lange straten of
    eindeloze weilanden, die in ’t echt
    wel ruimte bieden aan een kapotte melkfles of een leeuwerik,
    maar op papier te veel nummers hebben
    of te breed, te ver zijn: ze bestaan wel,
    maar alleen buiten mogen ze
    volop, dubbeldik, mat en saai zijn.
    Daar is geen plaats voor in een gedicht.’

    Declamerend en grasduinend in eigen werk maakt Schippers het zijn ondervragers knap lastig: Ik ben niet zo van de interpretatie. Waarom staat er wat er staat? Toeval? Ik geloof daar niet zo in, wil het toeval graag beentje lichten. Soms lees ik diepzinnig commentaren op mijn werk. Alsof iemand een positie betrekt en zegt: “Ik lees het alsof er een betekenis in zit.” Prima, ze doen maar, maar vraag mij niet wat ik daar nu weer van moet vinden.

    Hij leest voor uit ‘ Wat je maar kort hoeft te onthouden’. Een opsomming, meer niet.

    ‘[…]
    Schoenen die je niet meer draagt
    Voorbijgangers op een zebrapad
    De stem van een vrouw die verkeerd is verbonden
    Wolken
    Het gewicht van een tas
    Adres van een opgeheven stomerij
    […]’

    ‘Nee, in zo’n tekst zit geen melancholie,’ reageert hij op een suggestie van een toeschouwer. Misschien zit die melancholie in de lezer. ‘Wie weet, maar wat moet ik daar van vinden?’ Interpretaties, zo die al bestaan, daar maakt hij zich niet druk om. En nee, zijn teksten zij niet mild. Of we dat zeker niet meer willen zeggen. Na enig aandringen bekent hij: ‘Gedichten komen voort uit de manier waarop je je verhoudt tot je bestaan. De dingen zien zoals ze zijn, zoals ze echt zijn.’ Mensen doen de werkelijkheid, ‘de dingen’ tekort, lijkt Schippers te zeggen, doordat ze verblind zijn door verwachtingspatronen, concepten en gevoelens. Zie ‘Loosdrecht’: ‘Als dit Ierland was, zou ik beter kijken.’

    ‘Wat er overblijft? Verhevigde observaties’, meent Schippers. ‘Maar ook daar neem je uiteindelijk geen genoegen mee. Je probeert tegelijk het gedicht onderuit te halen.’ Om de taal onschadelijk te maken, die dicteert wat we kunnen zien. Zie bij voorbeeld ‘Doos in vijf verschillende standen op tafel’:

    ‘Een doos op tafel
    Tafel waarop doos
    Een doos op de tafel
    Doos op tafel
    Tafel met doos”

    ‘In de taal zitten alle standen van de doos vervat,’ zegt hij. ‘Meer lijkt niet mogelijk. ‘ En humor, iets lichtvoetigs, okay. Dat kan de poëzie wel gebruiken. Maar geen metafysica of maatschappijkritiek. Of een gedicht nou een verpakking is van iets, of juist een ding op zich? Die vraag wil hij niet beantwoorden. Maar een doos bijvoorbeeld, dat is toch een verpakking?, dringt een toehoorder aan. ‘Nee, juist niet. Die doos, die staat op tafel, da’s een ding op zich en daar kun je op verschillende manieren naar kijken.’

    Dan vraagt iemand of hij vindt dat hij beter is geworden in zijn métier. Schippers verzet zich zeer tegen het idee dat er één metier zou zijn, dat maatgevend is voor hoe je te werk moet gaan. ‘Dat metier moet je steeds opnieuw uitvinden, iedere keer opnieuw.’ Daarmee geeft hij een adequate beschrijving van zijn werk: steeds weer opnieuw. Tussen herhaling en repetitie enerzijds, en steeds weer het wiel uitvinden anderzijds. Van laconieke observatie: ‘Als je goed kijkt zie je dat alles gekleurd is.’ Tot betekenisloze taalbouwsel (naar het lijkt): steeds weer worden de zintuigen gescherpt en de hersenen geprikkeld. Zeker als hij het voordraagt, terwijl hij door de winkelruimte beent, blijkt het allemaal nog fris alsof het gisteren is geschreven. Nog geen streep verouderd, en toch al klassiek, moet de conclusie luiden.

    Hij draagt het gedicht ‘Met van’ voor, dat bestaat uit louter voegwoorden, die toch nog een heel verhaal vertellen:

    ‘achter toe wel uit
    Zo toe met van uit zo
    Toe met van wat

    Of op ter nog
    Tussen tot om
    In te met ook’

    Vierendertig strofen lang. Nee, die tekst gaat niet ergens over, zegt hij. Hij heeft gewoon een tekst gemaakt van korte woordjes, het soort waar hij gek op is. Taal op zijn mooist, ontdaan van alle overbodigs. Het hart van de taal, zelfs, vindt hij. ‘Je ruikt aan betekenis, aan wat het kan zijn. Maar het is het niet. Eigenlijk zou er muziek bij moeten. Theo Loevendie, die zou dat kunnen. Het zou een madrigaal moeten worden, waarin je de woorden bijna niet meer hoort, enkel de klank.’ Hij zingt een stukje voor, hoe het zou klinken: plechtig, gedragen.

    Schippers sluit af met een toelichting op zijn laatste boek Op de foto: een vrouw gaat op zoek naar de zevenentwintigste letter van het alfabet, daartoe aangezet door een dode fotograaf – uiteindelijk blijkt ze zelf die letter te zijn. ‘Taal moet je steeds opnieuw proberen te verleiden, alsof het een vrouw is. Meer heb ik daar niet over te melden,’ bast Schippers, toch nog poëtisch. En met een stevig: ‘Zo, ik heb gezegd’, wordt de masterclass ontbonden.

     

    De boeken van K. Schippers verschijnen bij Querido. Leeuwerik boven een weiland (2009) is een stevige bloemlezing uit zijn poëzie. In 2011 verscheen de bundel Tellen en wegen. Laatste publicaties: De bruid van Marcel Duchamp, (2011) en Op de foto (2012).

     

  • Van Oorschot Poëziekalender 2013

    Gesignaleerd door de redactie

    De Van Oorschot Poëzie kalender (2013) verschijnt dit jaar voor het eerst. ‘Van Oorschotpoëzie’, of ‘Tiradepoëzie’, heeft de naam verstaanbare poëzie te zijn: de poëzie van Vasalis, Herzberg, Kopland en Morriën. Maar daarnaast levert bijna zeventig jaar uitgeven en vertalen zoveel meer op: Verlaine, Majakovski, Van Ostaijen, Marjoleine de Vos, Vikram Seth, Emily Dickinson, Lieke Marsman en vele anderen.

    Deze kalender biedt dus de liefhebber, maar ook de beginner de kans om kennis te maken met zeer veel goede poëzie, of de kennismaking te hernieuwen.
    Een heel jaar lang iedere dag een nieuw gedicht.
    De opbrengst van deze kalender komt geheel ten goede aan het voortbestaan van literair tijdschrift Tirade. Het tijdschrift waar vrijwel alle gekozen dichters voor de Poëziekalender 2013 in gepubliceerd hebben.

     

    Poëziekalender 2013

    Dagkalender
    Prijs: € 15,00
    Uitgeverij Van Oorschot

     

  • In memorium Rutger Kopland (1934-2012)

    Door Ingrid van der Graaf

    Vorige week overleed in de nacht van 11 op 12 juli de dichter  Rutger Kopland, pseudoniem van de psychiater Rudi van den Hoofdakker. Rutger Kopland werd 77 jaar en publiceerde sinds 1966 meer dan tien poëziebundels en essays. In 1988 ontving hij de PC Hooftprijs voor zijn gehele oeuvre en in 1998 de VSB Poëzieprijs. Voor zowel zijn kunst als zijn wetenschappelijke prestaties ontving hij twee eredoctoraten.

    Maar hij paste voor een koninklijke onderscheiding. ”Mensen die krom liggen voor het buurthuis of zich belangeloos inzetten voor de lokale sportclub verdienen een lintje”, aldus Kopland in 2005. Evenals de eer om als Dichter des Vaderlands op te treden, liet hij aan zich voorbij gaan. Kopland leefde na een ernstig auto-ongeluk in december 2005 zeer teruggetrokken en trad nauwelijks meer in het openbaar op.

    Als psychiater was Kopland een autoriteit op het gebied van depressiebestrijding. Van 1981 tot 1995 was hij hoogleraar biologische psychiatrie. Tijdens zijn hele loopbaan streed hij voor de erkenning van de ‘zachte krachten in de geneeskunde’, zoals hij dat noemde. ‘Men hoeft geen wereldvreemde holist te zijn om toe te geven dat voor de analyse van een medisch probleem een stethoscoop, een bloedmonster en een scan vrijwel nooit voldoende zijn. Er is zoiets als een gesprek nodig,’ aldus Kopland.

    Kopland debuteerde destijds in Tirade en in 1966 kwam zijn eerste bundel Onder het vee uit.
    Verder publiceerde hij:
    Het orgeltje van yesterday, 1968
    Alles op de fiets, 1969
    Wie wat vindt heeft slecht gezocht, 1972
    Een lege plek om te blijven, 1975
    Al die mooie beloften, 1978
    Dit uitzicht, 1982
    Voor het verdwijnt en daarna, 1985
    Dankzij de dingen, 1989
    Geduldig gereedschap, 1993
    Het mechaniek van de ontroering. Essays over de esthetische ervaringen in poëzie en wetenschap, 1995
    Tot het ons loslaat, 1997
    Over het verlangen naar een sigaret, 2001
    Twee ambachten. Essays over psychiatrie van poëzie, 2003
    Een man in de tuin, 2004
    Verzamelde gedichten, 2006
    Toen ik dit zag, 2008
    Inleiding in de ‘Patafysica, 2010

    Zijn werk werd vertaald in het Frans, Duits en Engels.

    In de Surinamestraat in Den Haag werd op 31 maart 2012 een muurgedicht van Kopland onthuld door wethouder Marjolein de Jong. Het gedicht staat op een blinde muur van het Hofje van Schuddegeest, eigendom van de Koninklijke Haagse Woningvereniging 1854. Gerrit Noordzij bracht de tekst aan. Twee van zijn gedichten zijn sinds 2000 ook gebeiteld in een ijzeren plaat aan de achtermuur van de Steile Tuin in het Arnhemse Sonsbeekpark.

    Het Letterkundig Museum in Den Haag brengt een hommage aan de dichter. Kopland schonk in 2006 een groot deel van zijn literaire archief aan het museuM.

    In November 2011 werd er een symposium gehouden over de levensbeschouwlijke aspecten in het werk van Rutger Kopland. Waarvan hier een verslag geschreven door Heleen Rippen.

    De literaire website Tzum plaatste een mooi I.M. Rutger Kopland van Coen Peppelenbos.

    Op de site van Van Oorschot memoreert Wouter van Oorschot dat Rutger Kopland, een van de auteurs was die de uitgeverij trouw bleef na de dood van  zijn ouders. ‘Van alle door mijn ouders uitgegeven auteurs die de uitgeverij trouw bleven na de dood van mijn vader in 1987, was Rutger Kopland als laatste nog in leven.’

    Beluister hier het gesprek op radio 1 met Menno Hartman, hij was de redacteur van Kopland bij uitgeverij Van Oorschot.

     

  • Naar de daken – Bernard Wesseling

    Gesignaleerd door de redactie

    Naar de daken, de tweede bundel van Bernard Wesseling, is van een andere aard dan zijn bekroonde eersteling Focus. De dynamiek en levenslust krijgen gezelschap van een stilte waarin geprobeerd wordt iets te begrijpen van rouw en afscheid. Een hartstochtelijke poging tragedie in triomf om te zetten, waarbij steeds geldt: het is brille versus branie. Maar zonder iets af te dwingen, want zoals Wesseling zelf ergens zegt: ‘Neem de tijd, wees gerust onovertuigd’.

    Naar de daken werd lovend besproken in de pers:
    ‘Die Wesseling! Toch nog onverwacht een echte, zoekende dichter geworden.’ Vrij Nederland
    ‘Niet eerder had ik een bundel in handen met een dusdanig zware inhoud die zo plezierig was om te lezen, die in alledaagse taal allesbehalve doorsneeperspectieven biedt, die licht is, maar nooit oppervlakkig. Meer!, dacht ik toen ik de bundel uit had: Meer! Meer!’ Meander Magazine

    Bernard Wesseling (1978) debuteerde als prozaschrijver met de roman De favoriet, die zeer lovend ontvangen werd. Zijn eerste dichtbundel Focus (2006) werd bekroond met de C. Buddingh’-prijs voor het beste poëziedebuut. In 2010 verscheen zijn roman Portret van een onaangepaste, in 2012 zijn tweede dichtbundel Naar de daken. Wesseling is actief als podiumdichter, trad veel op in Festina Lente, stond op de Nacht van de Poëzie en in talloze festivals.

     

    Naar de daken

    Bernard Wesseling
    Blz: 64
    Onlangs verschenen bij Uitgeverij Querido

     

  • Wat een geluk – Gerry van der Linden, feestelijke presentatie 24 mei

    Gesignaleerd door de redactie

    Wat een geluk is de negende dichtbundel van Gerry van der Linden. In deze bundel onderzoekt Van der Linden sporen uit haar verleden, die zij opnieuw gestalte geeft door ze tegen het licht van het heden te houden. Daarbij zichzelf en anderen niet sparend. Haar gedichten, die zich vaak kenmerken door absurde humor, gaan over de liefde, het ouder worden, het onder ogen zien van wat ooit was en wat blijft. ‘Poëzie is een kruisverhoor,’ schrijft zij in het titelgedicht dat te vinden is op de website van Gerry van der Linden.

    Gerry van der Linden (1952) is dichter, schrijver en docent poëzie & schrijftraining aan de Schrijversvakschool Amsterdam. Zij werd in 1977 ontdekt door Remco Campert en publiceerde sindsdien acht dichtbundels, een novelle en twee romans. Met Wat een geluk,  viert zij haar 35-jarig dichterschap.

    De dichtbundel wordt donderdag 24 mei gepresenteerd in Perdu tijdens de viering van Van der Lindens 35-jarig dichterschap waarbij o.m. de dichters F. Starik en Els Moors, muziekanten Polar Twins, Arjan Amin en Luan van der Linden present zullen zijn om het feest luister bij te zetten. Martin Mooij zal het eerste exemplaarin ontvangst nemen.

     

    Donderdag 24 mei van 19.30 tot 21.30 uur
    Perdu, Kloveniersburgwal 86, Amsterdam.
    Toegang: gratis

    U kunt zich voor de presentatie aanmelden via mrenting@nieuwamsterdam.nl

    Van der Linden werkt aan een korte verhalenbundel waarvan enkele zijn gepubliceerd in o.a. Hollands Maandblad nr 5 (2005) en het zomernummer 2011 6/7.

  • Leonard Nolens wint Prijs der Nederlandse Letteren

    Door Ingrid van der Graaf

    In de uitverkochte Bourla schouwburg te Antwerpen waar woensdagavond de 65ste verjaardag van Leonard Nolens werd gevierd, maakte de Vlaamse minister van Onderwijs en voorzitter van het Comité van Ministers van de Taalunie Pascal Smet bekend dat Nolens  de Prijs der Nederlandse Letteren dit najaar uit handen van Koningin Beatrix zal ontvangen.

    Eerder die dag werd de Vlaamse dichter en dagboekschrijver Leonard Nolens (1947) overdonderd toen hem per telefoon bericht werd dat hij de Prijs der Nederlandse Letteren dit jaar zal ontvangen. Hij zat in zijn werkkamer toen minister Smet hem belde: ‘Het was of de buitenwereld op een onwezenlijke manier binnenkwam’.
    Aan de prijs is een geldbedrag verbonden van 40.000 euro.

    Nolens debuteerde in 1969 met Orpheushanden en wordt beschouwd als een van de belangrijkste nog in leven zijnde Nederlandstalige dichters. Hij heeft sinds zijn debuut een zeer indrukwekkend oeuvre opgebouwd. Zijn bundel Liefdes verklaringen (1990) werd in Nederland bekroond met de Jan Campertprijs en in België met de Driejaarlijkse Staatsprijs. In 1997 kreeg hij de Constantijn Huygensprijs voor zijn gehele oeuvre. In 2008 werd hem de VSB Poëzieprijs toegekend. Zijn laatste bundel Zeg aan de kinderen dat wij niet deugen verscheen in 2011.

    De jury noemt Nolens ‘uitzonderlijk dichter en zeer begenadigd voorlezer’ die ‘het Nederlands opnieuw zingen’. Ook wordt zijn werk gekenmerkt als ‘een levenslange worsteling in taal en een zoektocht naar de eigen identiteit en die van de ander’.

    De Prijs der Nederlandse Letteren wordt om de drie jaar toegekent door het Comité van Ministers van de Nederlandse Taalunie. De prijs onderscheidt auteurs van belangrijke en oorspronkelijk in het Nederlands geschreven letterkundige werken. De prijs wordt toegekend voor het gehele oeuvre van een schrijver of voor een apart werk in de genres poëzie, verhalend proza of drama. De bekroonde auteur ontvangt de prijs beurtelings uit de handen van een lid van het Belgische of het Nederlandse koningshuis.

    De jury bestaat dit jaar uit Herman Pleij (voorzitter), emeritus hoogleraar historische Nederlandse letterkunde, Universiteit van Amsterdam; Chandra van Binnendijk, publicist, redacteur in Suriname; Leen van Dijck, directeur Letterenhuis Antwerpen; Iris van Erve, docent Nederlands, hoofdredacteur Passionate Magazine, adviseur Nederlands Letterenfonds; Judit Gera, hoogleraar moderne Nederlandse Letteren aan de Universiteit van Boedapest, literair vertaler; Ruth Joos, radiomaker bij de VRT; Michiel van Kempen, bijzonder hoogleraar West-Indische Letteren Universiteit van Amsterdam; Hans Vandevoorde, docent Nederlandse literatuur Vrije Universiteit Brussel.

    Nolens geeft niet graag interviews, hij is geen prater omdat hij al veertig jaar geen beroep uitoefend waarbij je andere mensen ontmoet, zoals hij zelf zegt. Vorig jaar maart gaf hij naar aanleiding van het verschijnen van zijn nieuwe bundel Zeg aan de kinderen dat wij niet deugen op de Belgische radio een interview met Ruth Joos dat als een bijzonder radiomoment de wereld in ging. Luiteren naar de stilte.

     

  • Sylvia Plath (1932-1963) – Een leven in gedichten

    De in Amerika geboren schrijfster Sylvia Plath (1932 – 1963)  woonde afwisselend in Amerika en Engeland. Ze overleed in 1963 in Londen. Hoewel zij een groot deel van haar leven schreef, werd het meeste van haar werk pas na haar dood gepubliceerd. In het jaar 1940, toen haar vader Otto Plath, de van oorsprong Duitse hoogleraar zoölogie, overleed, schreef zij haar eerste gedicht. Gedurende haar volwassen leven leed ze aan een ernstige vorm van depressie. Tijdens haar studie aan het prestigieuze Smith College schreef ze meer dan vierhonderd gedichten die onregelmatig in Amerikaanse tijdschriften verschenen en waarmee ze enig succes oogstte.

    Toen ze in 1950 aan het Smith College begon deed ze haar eerste zelfmoordpoging. Later schreef ze daarover in de roman The Bell Jar (De glazen stolp 1963), die ze uitgaf onder het pseudoniem ‘Victoria Lucas’. Na haar zelfmoordpoging werd Plath korte tijd opgenomen in een psychiatrische inrichting. In 1955 studeerde ze cum laude af en ontving een beurs voor Cambridge. Ook aan deze universiteit schreef ze gedichten die in de studentenkrant Varsity werden geplaatst.

    De poëzie van Plath heeft een macabere kant en is emotioneel zeer geladen. Woede, afgunst, wraaklust, passie en een sterk doodsverlangen spreekt uit haar gedichten. De vroege dood van haar vader heeft een groot deel van haar leven bepaalt. In het gedicht Daddy schildert ze haar vader af als een verrader. Het is een zwartgallig gedicht waarin ze haar vader een nazi noemt en zichzelf voor joods uitgeeft.

    Sylvia Plath deed driemaal een zelfmoordpoging waarover ze het gedicht Lady Lazerus schreef. Daarin maakt ze van het sterven en wederop staan een kunst.

    ‘I have done it again.
    One year in every ten
    I manage it -‘

    (…)

    And I a smiling woman.
    I am only thirty.
    And like the cat

    I have nine times to die
    This is Number Three.
    What a trash
    To annihilate each decade.’

    In Cambridge ontmoette ze de Engelse dichter Ted Hughes, met wie ze in 1956 trouwt. Ze wonen afwisselend in Amerika, waar Plath lesgeeft, en Engeland. Robert Lowell, die ze van lezingen in Boston kent, zou later van grote invloed op haar werk zijn.

    Haar eerste dichtbundel, The Colossus, kwam in 1960 in Engeland uit. In februari 1961 kreeg ze een miskraam, waar ze in een aantal gedichten naar verwees. Na de geboorte van hun eerste kind Frieda, leefde het paar bijna twee jaar gescheiden. Plath keerde terug naar Londen. Ze huurde een appartement waar ook William Butler Yeats ooit woonde en niet veel later werd de scheiding tussen Hughes en Plath een feit. In de strenge winter van 1962/1963 werd Plath ziek. Op 11 februari 1963 zette ze eten en een glas melk voor haar twee kinderen neer waarna ze haar hoofd in de oven stak en zichzelf vergaste. Twee jaar na haar dood verscheen de poëziebundel Ariel, die ze in een maand tijd geschreven had en waarmee ze een van de meest gevierde dichteressen ter wereld werd. Sylvia Plath werd begraven op het kerkhof van Heptonstall in West Yorkshire.

     

    Bibliografie
    Poëzie
    The Colossus (1960)
    Ariel (1965)
    Crossing the Water (1971)
    Winter Trees (1972)
    The Collected Poems (1981)

    Proza
    The Bell Jar (De glazen stolp) (1963), onder pseudoniem  Victoria Lucas
    Letters Home (1975), geschreven aan en samengesteld door haar moeder
    Johnny Panic and the Bible of Dreams (1977)
    The Journals of Sylvia Plath (1982)
    The Magic Mirror (1989)
    The Unabridged Journals of Sylvia Plath (2000), Plaths eindscriptie aan Smith College samengesteld door Karen V. Kukil

    Kinderboeken
    The Bed Book (1976)
    The It-Doesn’t-Matter-Suit (1996)
    Collected Children’s Stories (2001)
    Mrs. Cherry’s Kitchen (2001)

    Over Sylvia Plath
    The Death and Life of Sylvia Plath (1991), Ronald Hayman
    De film Sylvia (regie Christine Jeffs, 2003) schetst een beeld van de problematische verhouding van het dichtersechtpaar;
    De Amerikaanse singer-songwriter Ryan Adams schreef het nummer Sylvia Plath dat verscheen op zijn album Gold.

     

     

  • Sylvia Plath (1932-1963)


    Sylvia Plath leest ‘Daddy’.

    ,