• De stilte van het ongesproken woord

    Bij uitgeverij Indeknipscheer is De stilte van het ongesproken woord verschenen, een multmediaal eerbetoon aan drie grote Surinaamse dichters: Trefossa, Shrinivási en Dobru.

    De poëzie van Suriname heeft zich nooit beperkt tot het papier.  Hun werk is al eerder in muzikale vertolking verschenen. Voor De stilte van het ongesproken woord bouwen componisten Dave MacDonald en Robin van Geerke voort op deze lijn. Hindi, Nederlands, Sranan, Sarnami en Engels wisselen elkaar af in verschillende muziekstijlen. Jazz, blues, gospel en rap gaan hand in hand met klanken van de tabla, kaseko en Caraïbische patronen.

    De gekozen gedichten, de levensschetsen van de dichters en de interviews zijn afgestemd op een zo breed mogelijk lezerspubliek. De samenstellers hopen dat de gedichten, die een tijdloos fenomeen zijn, door de koppeling met muziek op de bijbehorende dvd, Silence of the Unspoken Word, nog meer zullen gaan leven.

    Een groot aantal schrijvers en musici werken aan het project Silence of the Unspoken Word mee, kijk voor meer informatie op de website van Uitgeverij Indeknipscheer.

    De stilte van het ongesproken woord [boek + dvd]
    Trefossa, Shrinivási, Dobru. Drie Surinaamse dichters op muziek gezet
    Gedichten, essays, muziek

    Een initiatief van Dave MacDonald, gerealiseerd door IKO Foundation
    Inleidingen Cynthia Abrahams (eindredactie), Hein Eersel, Geert Koefoed
    Fotografie/beeld Jean van Lingen, Antoinette van Maarschalkerwaart
    Aantal pagina’s: 136
    Duur dvd ca. 1 uur.
    Prijs: € 28,50

  • Een olijke bende met grappige rituelen en inside jokes

    Recensie door Arno van Vlierberghe

    Het gebeurt wel vaker dat de literaire verslaggeving een tekst van een jonge, nog zoekende auteur enigszins onbeholpen aan de muur van het Pantheon wil nagelen. Op deze muur – steeds onder constructie – is er plaats te over voor jong poëtisch werk dat nog tijdens haar verschijning moet worden voorzien van accolades als ‘voor op zijn tijd’, ‘radicaal vernieuwend’ of nog benauwender, de dooddoener ‘generatiebepalend’. In het geval van Dennis Gaens’ schering en inslag (2013) is het de begeleidende en tot verkoop aansporende achterflaptekst die opgewekt tot deze Pantheonisering aanzet.

    In tegenstelling tot wat de flaptekst beweert, verwoordt schering en inslag absoluut niet ‘het gevoel van een generatie’. En dat is maar goed ook. Er is weinig zo exclusief en vervlakkend als een gedicht dat een hele generatie mannen en vrouwen over eenzelfde kam probeert te scheren. Als schering en inslag al een boodschap heeft die zich eenduidig lezen laat, dan lijkt die van meer eenvoud en subtiliteit te getuigen dan de wens spreekbuis van een hele generatie te zijn.

    Bijna alle gedichten staan ten dienste van de onbekende hoofdfiguur die terugblikt op zijn belevenissen binnen een verloren gegane vriendengroep. In draad, de eerste afdeling van de bundel, worden de vrienden (Dani, Luuk, Lotte en Dave) en hun eigenzinnigheden opeenvolgend geïntroduceerd. Het is een olijke bende die wordt gekenmerkt door een aantal grappige rituelen en inside jokes. Of het nu de bedoeling was of niet, Gaens slaagt er in om zijn personages net niet te uniek te maken (Luuk rookt ‘de rechtste sjekkies ooit’, Lotte ‘raakt mensen liever niet aan’ en ‘drinkt kraanwater uit maatbekers’).

    Het lijkt een slimme zet te zijn geweest om een onbekende maar wel participerende ik-verteller op te voeren. Als er iets ergerlijk is in de hedendaagse Nederlandstalige poëzie, is het wel de tendens om lauwe anekdotes en gevatte observaties neer te pennen die uitsluitend de eigen genialiteit en Het Anderszijn van de dichter willen tentoonstellen. Want dichters zijn wel heel vreemde wezens, en in tegenstelling tot de niet-creatieve medemens, hebben enkel zij een werkelijk verfrissende kijk op de dingen des levens. Dit zelfverheerlijkend anekdotisme steunt vooral op het modieuze onderscheid tussen de ‘echte’ en de geïmpliceerde auteur van de tekst (vaak een lyrische ik die schijnbaar niet autobiografisch gelezen mag worden). Door niet te kiezen voor een expliciet autobiografische stem, noch voor een uitgesproken fictionele ik-verteller, blijven dergelijke anekdotische gedichten achter met een slordige ‘ik’, een manusje-van-alles dat zich nergens verantwoordelijk voor voelt maar wel heel graag met de eer wil gaan lopen.

    Gaens komt hier op een sluwe manier weg met dit soort anekdotiek door zijn gedichten te besmetten met narratieve constructies die we doorgaans bij proza of epische proza-gedichten zouden verwachten. Zo is het uiteindelijk een externe verteller die doorgaans van bovenaf weemoedig terugblikt op de eigenaardigheden van zijn vrienden en de dingen die ze samen beleefden. Deze verteller is een mooi ontworpen stroman die de verantwoordelijkheid voor zijn eigen vertelstijl en anekdotes in de schoenen geschoven krijgt.  Het resultaat is een geloofwaardige creatie van een klein narratief universum, waarin eigen wetten en uitzonderingen regeren. In deze tekstwereld zijn de personages verantwoordelijk voor het anekdotisch gehalte. Gaens blijft buiten schot.

    De aanwezigheid van een betrokken ik-verteller, de consequent uitgewerkte personages en het prozaïsche karakter van een groot aantal gedichten, maken het verleidelijk om schering en inslag te lezen als een lineair verhaal met progressief verloop. In dat geval kunnen we het dan ook hebben over de mogelijkheid dat een spanningsboog en chronologie alle belangrijke gebeurtenissen in schering en inslag met elkaar verbinden. De gebeurtenis die allesbepalend is voor zowel spanningsopbouw als de chronologie is het bruuske vertrek van Luuk. Nadat in de afdelingen ‘draad’ en ‘schering’  de lolligheden en seksuele spanningen van de groep de toon zetten, wordt het naïef optimisme vanaf ‘inslag’ de mond gesnoerd. Luuk vertrekt en hoewel het schijnbaar ‘bekend’ is ‘dat er zo’n zeven redenen waren waarom hij is vertrokken’ (blz. 35), blijft de groep gebroken en verdwaasd achter. De erotische spanning tussen de vertellende ik met Dani en Lotte waarnaar wordt gehint in ‘schering’, is na Luuks vertrek zo goed als verdwenen. Vervolgens blijkt ook Lotte net iets neurotischer en koelbloediger te zijn dan de eerste paar gedichten lieten vermoeden. Over de relatie met een ex-vriendje meldt ze droog ‘dat dit niet meer was dan punten / die ten opzichte van elkaar zijn verschoven’ (blz. 36). De afstand tussen deze punten is op dat moment in de bundel zo groot dat de kerel ‘inmiddels zo goed als dood moest zijn’. En waar ze zich ook mag bevinden, het hoofdpersonage weet met zekerheid dat Lotte ‘alle uitgangen al gezien heeft’ (blz. 40). Het is mooi hoe Luuks vertrek, ongeveer halverwege de bundel, aan het Friends-gevoel van weleer iets teruggeeft van haar geloofwaardigheid. De wereld kón niet zo feelgood blijven. De donkere kantjes van de personages zorgen er ook weer voor dat het vrolijk optimisme en het anekdotisme vlotter verteert. Je zou na verloop van tijd zelfs nog gaan meeleven met de vrienden en hun tragische lotgevallen. Dat sterk empathische effect heeft een dichtbundel nog maar zelden op mij gehad (ik denk onwillekeurig aan Lieke Marsmans eerste ‘Woensdag’-gedicht uit Wat ik mezelf graag voorhoud: Een ruimte is van wie er vannacht het vaakst heeft geademd. / Iemand zegt: toen mijn vader stierf was het huis voor altijd / van hem. Wij erfden het, maar hij had er het vaakst niet geademd.).

    De gedichten die de lezer zou kunnen laten denken dat Gaens de ambitie heeft een generatie-dichter te worden, zijn ongetwijfeld Het is dit of doodgaan, Locals, Met vertrouwen, vrienden en hamers en Als de storm thuiskomt. Het zijn de gedichten die de vier afdelingen openen of afsluiten. Ze bevatten geen expliciete verwijzingen naar de vriendengroep en houden het op een onbestemd ‘wij’ gevoel. Uit deze reeks gedichten komt Locals nog het meest in aanmerking om iets te willen zeggen over een generatie mensen, welke die ook moge zijn: Er is keus genoeg. Je kunt met een pet op naar buiten of op vreemde feestjes / pillen slikken. Het volume kan omhoog en je kunt meer leren over wat dan / ook. Toch zal er altijd iemand overblijven die meer weet van de scene dan jij. Uit de achteloze ‘attitude’ waarmee Locals advies geeft over het doen en laten in de stad, spreekt echter evengoed de koude onverschilligheid tegenover elk gevoel van uniciteit dat onder de mensen leeft, waar en wanneer dan ook. Misschien is het verzet tegen dit soort gedrag net dat wat Dani, Lotte, Dave, Luuk en de verteller zo lang met elkaar wist te verbinden. Aan elkaar overgeleverd door een opmerkelijke koppigheid die hen ervan lijkt te weerhouden de al te luide middelmatigheid van de omringende wereld te erkennen.

    Tot slot is het perfect mogelijk dat we deze vier gedichten lezen als kritiek op het generatie-gevoel als verraderlijke illusie, als verkooppraatje voor een groep jongeren die volwassen is geworden met de ironie en het cynisme als eerste en tweede gebod:

     Het is dit of doodgaan

    We komen namen halen.
    Niet dat we onze ouders haten – we zijn
    hooguit verongelijkt over onze vaders.

    Onze aanval volgt op bevel van helemaal
    beneden. Als u nog elektriciteit heeft
    hebben we uw stad nog niet aangedaan.

    We zoeken iets om op in te steken en uit te barsten.

    Als we niet zo verdomd verstrooid zouden zijn,
    waren we er al geweest.

    Het is dan ook volstrekt zinloos en zelfs wat beledigend om Gaens’ gedichten tot generatie-verwoordende poëzie te willen rekenen. Het wereldje van schering en inslag wordt bevolkt door personages die veeleer atypisch willen zijn dan samen te willen vallen met een homogene ‘generatie’ van inwisselbare hippe locals die de hippe steden bewonen. Misschien is het daarom interessant als lezer de ‘we’ in deze gedichten te verbinden met een heterogene verzameling marginale individuen en niet dé huidige generatie jongeren, als zoiets al bestaat.

    Schering en inslag is geen radicaal vernieuwende bundel, en wil dat allicht ook niet zijn. Het gebruik van prozaïsche tekst strategieën en verhalende vertelstijl in poëzie is geenszins nieuw. Maar bekeken tegen de achtergrond van andere jonge hedendaagse dichters, durf ik te zeggen dat schering en inslag toch iets aan de dag legt dat anderen niet doen. Zo is het moeilijk een jonge auteur te noemen die even subtiel en consequent narratieve werelden oproept én uitwerkt in zijn/haar poëzie. In het Vlaamse literaire systeem springt de naam Lies Van Gasse (Wenteling, 2013) in het oog, maar daarna wordt het moeilijk. Vers-technisch en poëticaal staat er in de gedichten van Gaens niet altijd evenveel op het spel, maar dat hoeft ook niet. In Richard Lancasters Dazed and Confused (1993) gebeurt ook betrekkelijk weinig. Maar het is net die eenvoud en de subtiel uitgewerkte spanningen die voor mij de film het herbekijken waard maken. En  ook Dennis Gaens’ schering en inslag is zo’n bundel die ik vermoedelijk nog wel vaker zal openslaan, al is het maar om het eerste (Het is dit of doodgaan) en het laatste (Als de storm thuiskomt) gedicht te herlezen en even weer te weten waarom we de puinhopen van het postmodernisme en het individualisme nu ook alweer aan het opruimen zijn: Hadden we een horizon bewaard, hadden we het zien aankomen. // Als de storm thuiskomt, rechten we onze rug, laten we los en komen we terug.

     

     

  •  De onbuigzaamheid van het verdriet

    Toen de veertienjarige Paul Celan (1920-1970) in 1934 waarschijnlijk net een donssnorretje en interesse in meisjes had gekregen, bracht de negen jaar oudere Ernst Meister (1911-1979) al zijn eerste bundel uit. Es kam die Nachricht uit 1970 is nu in een liefdevol vormgegeven Nederlandse vertaling verschenen. Omdat het nawoord van Alle schepen kenteren vermeldt dat Meister vaak met Celan vergeleken werd en wordt, hoop je bijna dat je ‘het origineel’ hebt ontdekt waar de jongere, veel beroemdere dichter alles van heeft geleerd.

    Dat valt eigenlijk een beetje tegen. De gedichten in Alle schepen kenteren zijn duidelijk geworteld in het Duitse expressionisme en doen inderdaad ook sterk aan Celans gedichten denken. Concreet: korte regels waardoor veel benadrukt wordt, de grammatica hoeft niet zo fijn te lopen, een hoge symbooldichtheid waarvan niet altijd even duidelijk wordt welke metafoor waarvoor staat, en die symbolen keren ook geregeld weer terug in andere gedichten, enzovoort. Het sterke openingsgedicht is exemplarisch qua stijl:

    Het scherp
    van het mes is
    bij het vinden
    van het groen, het
    eendere andere, het
    vinden van
    de sneeuw, rood gekleurd.

    Dat rood nu
    neem ik, en een woord
    wens ik, een donker
    woord, om in
    op te gaan
    met het rood
    als de buit
    van de rover.

    Helaas blijft de rest van de bundel  kwalitatief niet op dit niveau. Ernst Meister is zo doodserieus dat het moeilijk is om geen al te gemakkelijke woordspeling over zijn voornaam deze recensie te laten binnensluipen. Volgens het nawoord heeft Meister één waarheid en dat is ‘de leegte van het bestaan’. Op de achterflap wordt beweert dat de gedichten ‘de zeggingskracht van de liefde en de diepgang van de dood’ hebben. Dat belooft al weinig lichtheid en humor, maar dat het zulke zware kost zou zijn, was niet verwacht. De hele bundel is doordrongen met wat je het best de onbuigzaamheid van het verdriet zou kunnen noemen, op de woorden van Hans Lodeizen variërend. Alles is doordrenkt van de melancholie die ontzettend aanwezig is.

    In Alle schepen kenteren gaat het bovendien zonder enige ironie over rozen, zonnen en goden. Naast lastig te duiden metaforen, komen er ook veel heel klassieke symbolen langs die gemakkelijk te begrijpen zijn. Die rozen bijvoorbeeld zijn meer het universele symbool voor de liefde dan dat je ze zou kunnen vastpakken en ruiken. Dat zorgt voor een emotionele afstand die niet heel wenselijk is bij poëzie die een relatie beschrijft die slecht afloopt.

    Gelukkig bevat de bundel een aantal aangrijpende, mooie gedeeltes die het lezen zeker de moeite waard maken. Naast het al eerder geciteerde openingsgedicht is ook een verrassend beeldende passage als dit erg fraai:

    Randen die likken
    langs het nat
    van zee of meer.

    Er is
    een knoop gelegd
    die op zwaarte duidt,
    onontkoombaar.

    Dan vertel je
    van het branden
    dat het water omzoomt,
    en kent de zin niet.

    Het meer heeft ons
    zijn water aangereikt.
    Daar is nu
    een groot gat.

    Ondanks dat zwaarmoedigheid ontmoedigend kan werken, loont doorzetten wel degelijk. In zijn totaliteit vormt Alle schepen kenteren een intrigerend universum. Het liefdesverhaal is eerder abstract aanwezig, maar dat kan voor sommigen des te meer reden zijn om zelf op ontdekkingstocht te gaan. Vooral de terugkerende beelden, zoals dat van het meer, lijken draadjes te zijn die het uitpluizen waard zijn.

    Ton Naaijkens tekende voor de vertaling. Die sluit goed aan bij de grammaticale structuur van de oorspronkelijke gedichten, maar is daarom niet altijd even soepel. Soms neemt Naaijkens echter iets te veel afstand van het origineel en is het moeilijk voor te stellen waarom hij dat doet. Het curieust is de vertaling van de regels ‘Der Finger zähl ich / zehn zusammen’. Dat wordt biologisch onmogelijk vertaald met ‘Tien vingers tel ik / aan mijn hand’.

    De bundel is overigens ontzettend mooi vormgegeven. Naast de Nederlandse vertaling staan kopieën van de gedichten zoals die waarschijnlijk in de oorspronkelijke uitgave zijn verschenen. (De verantwoording is hier niet duidelijk over.) Het voegt an sich weinig toe, maar het ziet er mooi uit. Daarnaast zijn er een aantal pagina’s met foto’s van Meister en van zijn maîtresses, en wordt een selectie van zijn schilderijen getoond. Die vertonen overigens ook sterke expressionistische invloeden. Verder zijn het voorwoord en nawoord gewoon verplichte kost, maar goed uitgevoerd.

    Het enthousiasme en de liefde waarmee deze uitgave verzorgd is, heeft een mooi boek opgeleverd. Een enthousiasme dat bij het lezen ervan niet oversprong maar tegelijkertijd is het goed voor te stellen dat iemand zich in deze bundel vast wil bijten.

  • Knap gemonteerde, meerstemmige witz

    Laten we gewoon met een gedicht beginnen, en daarna een vraag; hoe minder je weet hoe beter:

    ‘Even een gebbetje
    Vanochtend gehoord op lijn 51 naar Amstelveen
    Hoe noem je een jood met een gasfles uit zijn rug?
    Een doe-het-zelver

    Een dag gelachen is een dag niet geleefd

    Volgens de grondwet mag je zeggen wat je wilt
    Alsof de joden in Israël van die lekkere jongens zijn’

    Vraag: mag je hier om lachen? Heel wat mensen zullen dat niet kunnen en willen. Volgens het gedicht zelf mag het, maar wie spreekt hier? Dat blijft onduidelijk; de meest voor de hand liggende verklaring is dat hier een zeer onwetende persoon spreekt, die weinig historisch besef heeft als het op de Holocaust aankomt. Het woord ‘gebbetje’ doet anders vermoeden: dat heeft immers een Jiddische oorsprong. Vanaf daar is het maar een kleine sprong naar de witz, zwarte humor, gemaakt door en voor joden, en vaak spottend over hun situatie. Zo’n grap kan de ellende wat lichter maken. Zo laat bovenstaande gedicht zich uiteindelijk óók lezen, inclusief een verkapte herinnering aan de staat Israël dat humor een belangrijk onderdeel van de joodse cultuur is. Welkom in de soms driedubbel gelaagde wereld van Dolhuis.

    Nog zoiets: de foto van Lucas Hirsch achterop de bundel, met getatoeëerde armen en bokshandschoenen. Hirsch schuift zichzelf al in het zesde gedicht expliciet naar voren: ‘Dit gedicht is een schoolvoorbeeld van imponeergedrag en / het verbergen van zwakheden in de poëzie van Lucas Hirsch / Men noemt dit fenomeen ook wel koketteren of pochen’. Hirsch heeft in een interview met De Optimist aangegeven dat je zijn poëzie niet aan de hand van de foto kunt lezen, dat je zijn poëzie moet lezen. ‘Jammer dan, had je maar geen foto op de achterflap moeten zetten’, denkt uw recensent dan. Het doet echter wel vermoeden dat de dichter bezig is met een spelletje te spelen: zichzelf expliciet in een gedicht naar voren schuiven en die grote foto op de achterkant zetten een prominent stempel op de gedichten.

    Dat maakt duidelijk dat de spreektalige, geregeld met schuttingwoorden gelardeerde gedichten in Dolhuis nog de meeste verwantschap vertonen met het werk van Eminem. Hij speelt ook geregeld spelletjes met de relaties tussen hemzelf, zijn kunst en zijn publiek, en of die veronderstelde verbanden wel zo terecht zijn. In het ene nummer beweert hij nog dat hij alles meent dat hij zegt, want waarom zou hij het anders zeggen, en in het andere is het opeens ‘It’s all political, if my music is literal / and I’m a criminal, how the fuck can I raise a little girl?’ In diens oeuvre liggen choqueren en maatschappijkritiek zo dicht bij elkaar dat die twee zaken soms verdacht erg op elkaar gaan lijken. Ook met de gedichten in Dolhuis is dat geregeld het geval.

    Dolhuis laat zich door de onderwerpkeuze gemakkelijk, misschien iets te gemakkelijk, als de grote ‘Lucas Hirsch is boos’-show lezen, want er wordt heel wat kritiek gespuid. Bankiers en Patricia Paay (die weer eens naakt poseerde voor een tijdschrift) worden expliciet bekritiseerd. Hirsch grootste vijand is echter onwetendheid. Als strijdwapen wordt vaak een soort montagetechniek ingezet, waarin allerlei losse feiten achter elkaar worden gezet, waardoor er een ongemakkelijk spanningsveld ontstaat:

    De wereldwijd gebruikte marteltechniek waterboarding
    is volgens historici een Nederlandse uitvinding
    die stamt uit de gloriedagen van de voc

    Tijdens het beruchte Videlaregime verdwenen in Argentinië
    tussen 1976 en 1983 naar schatting 30.000 politieke dissidenten

    De favoriete executiemethode van het Argentijnse leger
    bestond in het drogeren van vermeende subversievelingen
    om ze vervolgens levend boven zee uit transportvliegtuigen
    te gooien

    Jorge Zorreguieta had ten tijde van dit dictatoriale regime
    een vooraanstaande positie binnen de regering-Videla

    Traditiegetrouw legt Koningin Beatrix op 4 mei
    een herdenkingskrans op de Dam om slachtoffers
    van dictatoriale, ondemocratische en fascistische regimes
    te herdenken

    Gelukkig is kroonprins Willem-Alexander een goede piloot
    Doet hij aan watermanagement
    Houdt Nederland coûte que coûte van Máxima en
    houdt Máxima op haar beurt weer van haar vader

    Ik ben trots op ons tolerante en o zo vergevingsgezinde landje
    Und wo ist mein Fahrrad?’

    Hoewel het gedicht bijna gezond betogend lijkt, elke gedachtestap volgt uit de vorige, maar jeetje, wat een veelstemmigheid in slechts honderdveertig woorden; de verhouding tussen ironie en oprechtheid is moeilijk te peilen. Ook wie er aan het woord is wordt bemoeilijkt, want wiens mening is dit? Is dit zonder enige voorbehoud wat Hirsch vindt? Dat nodigt uit tot het actief evalueren van de hier gesuggereerde verbanden en daar lijkt Hirsch het om te doen te zijn: mensen aan het denken zetten.

    Deze montage wordt ook doorgevoerd in de stijl en het taalgebruik, waarin ondermeer schuttingwoorden, spreekkoren bij voetbalwedstrijden en citaten van Johnny Cash en Destiny’s Child opduiken. Ook duikt Spinoza geregeld op en zijn er gedichten die hermetischer overkomen, traditioneler zelfs. Die laatste categorie kan conservatieve lezers, die vinden dat al dat straatrumoer uit de andere gedichten niet in poëzie thuishoort, waarschijnlijk toch bekoren.

    Niet elk gedicht is even memorabel, maar dat is geen onoverkomelijk probleem. Eminem rapt ook niet louter briljante zinnen. Zeker niet elke aflevering van South Park is even grappig en wordt steeds vaker ontsierd door de er wat dik bovenop liggende moraal en een wijze les aan het eind van de aflevering. Hirsch is hier subtieler in, al sijpelt er toch een les door aan het einde van de bundel. De laatste afdeling heet immers ‘Acceptatie’. Misschien laat Dolhuis zich wel het best lezen als één grote witz om te kunnen omgaan met deze tot gekkenhuis verworden samenleving.


     

     

     

  • De uit de duim gezogen biografie van een charmante fantast

    Twee van de mooiste poëzie-uitgaves van dit jaar, die niet (oorspronkelijk) Nederlands zijn, zijn van de Amerikaanse dichter Charles Simic (1938). Begin dit jaar verscheen New and Selected Poems: 1962-2012, een uitgebreide keuze uit zijn oeuvre. Bovendien verscheen in oktober Aan de wereld komt geen eind, een integrale vertaling van The World Doesn’t End (1989).

    De vorm van het prozagedicht die Simic vrijwel de hele bundel lang hanteert, heeft veel weg van het zogeheten zeer korte verhaal. De vaak titelloze gedichten zijn korte blokjes proza en delen hun suggestieve minimalisme en anekdotische inslag met het zkv, maar tegelijkertijd hebben ze iets lyrisch dat ze onmiskenbaar tot poëzie maakt. Eigenlijk is de op de loer liggende vraag of dit wel gedichten zijn, niet relevant. De kwaliteit van de teksten blijft constant op hoog niveau en zijn stuk voor stuk intrigerend. Het maakt dan ook niet uit in welk hokje ze geplaatst kunnen worden. Neem nu het derde gedicht, dat de indruk wekt  dat Simic zijn eigen biografie probeert te herschrijven:

    ‘Ik werd gestolen door de zigeuners. Mijn ouders stalen me direct weer terug. Daarna stalen de zigeuners me weer terug. Dat ging een poosje zo door. De ene minuut zat ik in een caravan aan de donkere tepel van mijn nieuwe moeder te zuigen, de andere zat ik aan een lange eetkamertafel met een zilveren lepel mijn ontbijt te nuttigen.

        Het was de eerste lentedag. Eén van mijn vaders was in de badkuip aan het zingen; de andere was een levende mus aan het schilderen in de kleuren van een tropische vogel.’

    Simic is een dichter die duidelijk een eigen stijl heeft, maar daarbinnen bijna achteloos divers is. Hij schrijft even gemakkelijk een helder gedicht over excentrieke toneelacteurs, als bizarre taferelen over een hond die op dansles gaat, of een dode man die het schavot afloopt. De wereld eindigt niet is zeer uiteenlopend qua onderwerpen en gebeurtenissen. Tegenover het hierboven geciteerde gedicht staat bijvoorbeeld het associatieve, raadselachtige Eerst wist ik het, toen niet meer:

    ‘Eerst wist ik het, toen niet meer. Het was alsof ik alleen op het veldje in slaap was gevallen om bij het ontwaken te ontdekken dat er een groep bomen om me heen was gegroeid.

    ‘Twijfel aan niets en geloof alles,’ zo dacht mijn vriend over metafysica, hoewel zijn broer er met zijn vrouw vandoor ging. Hij kocht nog steeds iedere dag een roos voor haar, zat in het lege huis nog twintig jaar met haar over het weer te praten.

    Ik was al aan het wegzakken in de schaduw en droomde dat de ritselende bomen mijn verschillende persoonlijkheden waren die zichzelf allemaal tegelijkertijd openbaarden zodat ik er geen woord van begreep. Mijn leven was een prachtig geheim dat op het punt stond om onthuld te worden, steeds maar op het punt! Moet je nagaan!

    Het lege huis van mijn vriend waar achter alle ramen licht brandt. De donkere bomen die er omheen blijven groeien.’

    Ofschoon de auteur nooit mag worden aangezien voor de ik-persoon van zijn vertellingen, doet de verteller in deze gedichten zeer persoonlijk en menselijk aan. Hoe vreemd de gebeurtenissen soms zijn, je gelooft ze, omdat het lijkt of Simic naast je in het café zit en vertelt wat hij nu weer mee heeft gemaakt. De vorm van het prozagedicht verleidt hem blijkbaar tot een vertrouwelijke verteltoon.

    Eerlijk is eerlijk: in niet alle gedichten van de bundel is sprake van een ik-persoon en als die er wel is, verschilt die ook per gedicht. Een echt verhalende opbouw door het boek heen ontbreekt ook. De autobiografie herschrijvende gedichten aan het begin van de bundel maken het echter heel verleidelijk om dit als een gefictionaliseerd levensverhaal te lezen. Simic laat je daar toch mooi intuimelen. Door zijn charmante parlandotoon vergeef je de dichter ook gemakkelijk dat hij zijn belevenissen aan elkaar fantaseert en het ene moment de zoon van een zwarte rooksliert zegt te zijn en het volgende moment de laatste soldaat uit Napoleons leger is.

    Vertaler Ivo Kievenaar verdient lof voor zijn soepele vertaling, die het praterige van Simic goed weergeeft. Enerzijds lijken de gedichten oorspronkelijk Nederlandse teksten te zijn, en anderzijds ademen ze ook in deze taal de onmiskenbare geest van Simic. En dat alles gebeurt dus tegelijkertijd, een mooie prestatie. Het is jammer dat de bundel geen tweetalige uitgave is geworden, maar voor een keuze uit de oorspronkelijke teksten kun je terecht bij het al eerder genoemde New and Selected Poems: 1962-2012.

    Simic is een fantast, maar een heel charmante fantast. Dat levert een schat aan opmerkelijke situaties op. Zo krijgt het aan elkaar verzonnen levensverhaal van de onbetrouwbare, maar o zo boeiende verteller vorm. De wereld van de verbeelding kent, getuige Aan de wereld komt geen eind, duidelijk geen einde. Het is niet moeilijk om hier twee guitige pretoogjes van de dichter bij te bedenken.

     

     

     

     

  • Ontroerende bundel met gewaagde titel

    Als er een prijs bestond voor de gewaagdste titel voor een dichtbundel zou Nog een grap, de laatste van Nachoem M. Wijnberg, die haast niet kunnen ontlopen. De verhouding tussen poëzie en grappen is immers een moeizame sinds Remco Camperts misprijzends oordeel: ‘Sinds Buddingh’/ verwachten veel mensen/ van poëzie/ een avondje lachen.// Dat is geen vooruitgang/ geloof ik/ maar eerder een stap achteruit.’

    Nog niet zo lang geleden liet dichter Erik Jan Harmens zich er korzelig over uit dat veel moderne dichters zich aan taalgrapperij bezondigen. Wie zijn gedichten dan toch onder de titel Nog een grap de wereld in stuurt, geeft blijk van een recalcitrante houding. En dat laatste kenmerkt Wijnberg wel degelijk. Hij schuwt met verve de zondagse kant van poëzie in al haar dichterlijke verhevenheid en heeft van meet af aan voor een eigen, afwijkend geluid in de poëzie gezorgd. Inmiddels geldt hij als een der belangrijkste Nederlandse dichters. Waar hij eerder in de bundel Liedjes de mogelijkheid onderzocht om zijn gedichten in de vorm van liedjes te gieten, heeft hij zich nu op het fenomeen ‘grap’ gestort. En zo verwonderlijk is dat eigenlijk niet. Twintig jaar geleden schreef hij al in een van zijn gedichten: ‘Ik ga een grap maken die tien jaar goed blijft. / Ik heb alle ingrediënten’.

    In een interview in de NRC uit 2009 zie hij: ‘ik wil graag verhaallijnen en grappige anekdotes vertellen’. Van zijn VSB-Poezieprijs winnende bundel Het leven, beweerde hij dat er herinneringen aan flauwe grappen in zaten. Maar goed, zet drie apen op het voorplat van je ruim 300 pagina’s dikke bundel en je denkt als lezer toch even bij de neus genomen te worden door deze dichter!

    Wat opvalt is dat deze niet in afzonderlijke delen opgesplitste bundel overwegend korte, gemiddeld niet meer dan tien regels tellende gedichten bevat. Naast veel gedichten die een zelfde titel dragen als Grap, Avond, Middag, Ochtend, gaan er gedichten met extreem lange titels getooid, waarvan deze de kroon spant: Plotseling herinneren ze zich dat ze geen burgemeester hebben, is dat niet iets voor jou, maar dan moet je wel willen meevergaderen, en zeg niet dat je daar nooit over nagedacht hebt of dat het de eerste keer is dat je zoiets gevraagd wordt. Lange titels, korte titels, alle gedichten zijn op eenzelfde praattoon geschreven. In heldere en eenvoudige taal wordt een ‘je’ toegesproken, maar nergens wordt duidelijk om wie het gaat. ‘Je weet dat als je iets koopt, / en je niet had hoeven weten dat het gestolen is, / je het mag houden. // Maar als je iets koopt bij een man / die zijn auto ’s avonds langs de weg geparkeerd heeft / en uit zijn open achterbak verkoopt / kersen, abrikozen, / zou je je toch kunnen afvragen waar hij die vandaan heeft?’

    Zelden was het eenvoudiger uit een bundel een illustratief citaat te lichten, daar bijna iedere regel als illustratief kan gelden. Een ‘ik’ duikt hoogst zelden op in deze bundel, al is er een gedicht, Dag Nachoem, waarin de ’ik’ de voornaam van de dichter draagt. Net als op een schilderij waarin de schilder zichzelf onopvallend in een hoekje heeft geportretteerd. De consequente toepassing van deze ietwat ongewone stijl biedt houvast en houdt daarbij de afzonderlijke gedichten bijeen. De onderlinge eenheid wordt daarnaast ook bewaakt door de voortdurend terugkerende motieven als avond, nacht, hotel, leger, gast, zee en strand. Als lezer word je met deze bundel, een romanlengte lang, overspoeld door gedichten die als gelijkmatige golfjes op je afkomen.

    En hoe zit het dan met de grappen? Nou, af en toe kan er best gelachen worden. ’In welke taal / wil je vertaald krijgen, / dat Donald Duck hoopt / dat als het opnieuw oorlog is, / hij nog weet wat te doen?’ Of: ‘Je zegt, je wilt / lang leven, / heb je nu al genoeg / gekregen van / kort leven?’ En: ‘Maar je had toch / nooit een kat? // Ja, je had er / wel eens een te leen.’

    De dichter last een enkele keer zelf een ‘haha’ in. Maar gelukkig voor de reputatie van Wijnberg als dichter kan men, gevraagd naar de grap, antwoorden dat het gedicht beter was. Hoezeer Wijnberg zich ook heeft laten leiden door het idee van de grap en zijn neiging te onderzoeken in hoe ver een gedicht niet op een gedicht te laten lijken, om er intussen toch een te zijn. Deze gedichten vertellen natuurlijk geen echte grappen, maar leggen veeleer de strategieën van de grap en daarmee die van zijn gedicht bloot. De relatie tussen grap en poëzie is ook gelegd in een titel als Je rijmt steeds vaker, maar als een halve grap die niet beter gaat worden. Via de grap lukt het Wijnberg allerlei interessante vragen te stellen, als: ‘Hoe is het als de zee / slecht nieuws / brengt?’. Kijken of hij in staat is gedichten te schrijven met het mechanisme, de ingrediënten van een grap.

    Het zijn dan ook eerder gedichten waarvan grappen te maken zijn, dan grappen waarvan gedichten gemaakt zijn. Daarbij sluit de anonimiteit van grappen van het soort ‘er loopt een man op straat’ naadloos aan bij Wijnbergs anonieme, van stoffering gestripte anekdotiek. ‘Mijn gedichten zijn helder, makkelijk te lezen en beloven althans dat ze gaan over belangrijke zaken in ieders leven,’ mag hij zijn lezers graag verzekeren in vraaggesprekken. Simpele woorden, zeer concrete zaken,  inderdaad: helderheid is troef. Maar intussen is het soortelijk gewicht van de mededeling vaak aan de lage kant gehouden om de wending in het verhaal te motiveren. Daardoor lijkt er een groter verhaal te worden opgeroepen bij de lezer dan wat het gedicht zelf uitspreekt. En toch is zijn inzet niet minder dan de lezer emotioneel te willen aanspreken. Hoe hij dat doet? Misschien verschaft het gedicht Grap enige toelichting:

    Vroeger schaamde je je
    om te laten zien
    dat je wilde ontroeren.

    Nu kun je dat
    waarmee je wilde ontroeren,
    weglaten,
    en de plaats leeg laten,
    en half open dat niemand het ziet.

    De dichter, zelfverzekerder over zijn vermogen tot ontroering, laat bewust gaten in het gedicht, waarin de lezer zijn ontroering kwijt kan. Zoals de grap net niet gemaakt wordt in deze bundel maar de lezer met lege handen laat, zo laten de gedichten ook door wat ze niet vertellen een lege plek achter waar de lezer zelf de ontroering kan invullen. En als in een gedicht even niets wil gebeuren, kan er wellicht nog een grap van gemaakt worden:

    Dat is een goede
    Je zegt, toen je hier kwam
    was er hier niets,
    behalve dat huis en die berg daarachter,
    en nu is er nog precies hetzelfde,
    moet je dit als een grap uitleggen?

    Ook al gebeurt er weinig in de poëzie van Wijnberg, toch is enige spanning aanwezig. Met thema’s als: verlangen, rijk, arm, herinneren, vergeten, aankomen en weggaan, is er genoeg om die spanning op te voeren: ‘dat aan de plaats waar wij vandaan komen te zien is / hoe lang wij daar al weg zijn.’ Er wordt zeer polair te werk gegaan in de gedichten. Niettemin komt het door de doodeenvoudige taal en  het feit dat hij de scharnierpunten van zijn denkbewegingen uit het zicht houdt, nergens geconstrueerd over. Zo wordt in de laatste strofe van Je kunt leren ernaar te verlangen als je het lang niet gehad hebt, dat is zoals de rijken leven? arm, zeer subtiel tegenover rijk geplaatst: niet het vele hebben maakt iemand rijk, maar het vermogen om veel te kunnen missen en daarmee niet te zitten. ‘Je hebt iets vergeten, / of je gaat een trein missen, / of een vliegtuig, / want dat dat voor jou weinig uitmaakt, / was toch waarom je rijk wilde zijn?’

    Waarom het ene gedicht mooier en ontroerender is, valt moeilijk te verantwoorden. Bovendien is uit deze bundel, die vanwege zijn omvang en gelijkmatigheid zich als geheel laat waarderen, moeilijk een mooiste gedicht te kiezen. Zeker is dat de bundel van het soort is dat bij herlezing opnieuw opbloeit. Dat maakt iedere rangorde van waardering tot een voorlopige. Maar Het leger van rechters treft als een zeer geslaagd gedicht:

    Daar lopen de rechters
    die alvast alle beslissingen
    waarom ze gevraagd zijn
    aan het begin van de dag
    voorlopig nemen.
    Ver genoeg van elkaar
    dat zij om kunnen vallen
    zonder elkaar te raken.
    Het bevel was: probeer maar eens
    door een bos te lopen
    als over een veld.

    De ontroering van dit gedicht zit in hetgeen dat aan het bevattingsvermogen ontglipt, juist als men meent het te pakken te hebben. Ergens doet het denken aan een van die wonderschone regels van Faverey: ‘Soms gaan meerdere zwemmers / met een gelijk aantal schaatsers / van start.’ Of een andere van Faverey: ‘Zonder de ene had ik zonder / de andere nooit kunnen leven.’ Als er een levende dichter is die aan dit soort schoonheid kan raken, zou ik mijn kaarten op Wijnberg zetten. Dat zijn poëzie bij zoveel eenvoud zo bijzonder kan uitpakken, wijst op de grootheid van zijn dichterschap. Met zijn veertiende dichtbundel heeft Wijnberg aangetoond het genre van de grap zijn eigen stijl op te kunnen leggen. Dit is metafoorloze, make-up loze, naturel poëzie van het kaliber: lees maar, er staat wat er staat. In Wijnbergs gedichten hebben de woorden genoeg aan zichzelf. Ze hebben alleen nog een naar ontroering hakende lezer nodig.

     

     

     

  • Naar wens

    Recensie door Ellen IJzerman

    Soms is het lastig om over een boek of dichtbundel iets te vertellen. Dat kan verschillende redenen hebben, maar de meest voorkomende daarvan is dat het simpelweg weinig of niets bij de lezer teweeg bracht. Dat is wij van Herman Leenders is zo’n dichtbundel; de gedichten zijn ‘best aardig’, maar nooit gedenkwaardig, ze blijven niet hangen.

    De bundel is opgedeeld in drie delen: Onchristelijke gedachten, Ora pro nobis en . Het laatste deel bevat voornamelijk gedichten die in opdracht zijn geschreven, zoals ‘Naar Remigius’, dat geschreven werd voor het woon- en zorgcentrum Remigius in Pittem.

    Vroeger waren het grootouders, groottantes
    Dan nonkels, moeders, vaders
    Nu wij: wees, weduwe, weduwnaar

    Altijd minder broers
    Altijd minder zussen
    Zodat wij slobberen in ons vel

    Wij waren bakker, wever, timmerman
    Landsman, stikster, duivenmelker
    Wij hadden macht, verstand, kloten, geld

    Rouwden en wrochten
    Naaiden, koersten, dronken
    Werden begeerd, omarmd, hadden lief

    Wij hebben de tijd gedood
    En de tijd die wij fêteerden
    Doodde ons

    Zoals later veraf lijkt
    Zo onvoorstelbaar
    Alsof het gisteren was

     

    Best een aardig gedicht, en de opdrachtgever is er vast blij mee. Dat geldt waarschijnlijk voor alle gedichten die in opdracht zijn geschreven, want het zijn veilige gedichten en daarom – zoals de naam van dit deel van de bundel aangeeft – dus vast ‘naar wens’.

    Dat brave, dat ‘naar wens zijn’ geldt eigenlijk voor alle gedichten in Dat is wij. Er staat vrijwel altijd wat je verwacht dat er staat. Neem bijvoorbeeld ‘Forens’ uit het tweede deel Ora pro nobis:

    Hij gaat naar het werk
    De mensen in de trein zien niets aan hem
    Ook de collega’s weten niet beter
    Hij antwoordt, verzendt, ontvangt
    Pompt koffie op
    Niemand merkt dat hij er (niet) is
    Terwijl hij telefoneert
    Vergaderingen bijwoont
    Handen schudt
    Zij weten niet wat handen doen
    Als ze geen handen schudden
    Of vingers wanneer ze niet typen
    Zij weten niet wat een mond doet
    Als hij niet drinkt of eet
    Of waaraan een hoofd denkt
    Terwijl het spreekt 

    Naar waarheid zullen zij zeggen:
    Op elke beerput ligt een deksel.

     

    Terwijl je het gedicht leest, knik je waarschijnlijk en denkt ‘ja, zo is het wel ongeveer’. En daar blijft het bij. Je kijkt de volgende dag niet met andere ogen naar de mensen in de trein, of de bestuurder in de auto naast je, of naar de mensen om je heen op het werk, omdat het gedicht niets meer doet dan vertellen wat je al wist. Best een aardig gedicht, maar niet meer dan dat.

    Natuurlijk staan er ook mooie zinnen in de bundel en stoot je je een enkele keer even aan een gedicht. Zo verrast ‘Moedertje’ even, maar dat komt slechts omdat de titel je in eerste instantie op het verkeerde been zet. Eigenlijk zegt Leenders het zelf nog het beste in het laatste gedicht van Onchristelijke gedachten:

    Als ik schrijf 

    Als ik schrijf weet ik wat jij zegt
    Wat je zegt vind ik helemaal terecht
    Het past bij wat ik denk en wie ik ben
    Botst nooit met wat ik zou zeggen

    Als ik schrijf doe jij
    Wat ik denk dat jij zou doen
    Tussen wat jij doet en wat ik denk
    Dat jij doet bestaat geen verschil

    Daarom dat ik ook schrijf
    Wat jij schrijft
    Het is beter dat jij niet schrijft
    Als we onder elkaar zijn 

    Kunnen we rustig zwijgen.

     

     

     

  • Kleerscheuren

    ‘Literatuur veroorzaakt kleerscheuren’, zei Herm Pol een paar weken geleden tijdens de bespreking van een boek van Amélie Nothomb bij De Avonden. Een korte, krachtige én poëtische beschrijving van wat literatuur zou moeten doen en het geeft heel precies aan wat een van de problemen is van De aarde, de aarde, de nieuwste dichtbundel van Elly de Waard: geen enkel gedicht veroorzaakt zelfs maar een miniem scheurtje. Er zijn in deze bundel wel mooie, tere gedichten te vinden, zoals ‘Ach en wee’:

    ‘Zo mooi theekleurig
    batisten zakdoekje
    bemodderd en versleten
    op de grond –

    de draden van het weefsel
    nog zo fijn getekend, rafels
    gaatjes zelfs, verloren
    in verdriet of misschien
    weggesmeten, heeft zich
    als afgevallen blad
    vermomd’

    Gedichten waarbij je je kunt voorstellen dat De Waard ze opschreef, direct na een wandeling, zittend achter een raam in een van die hoge kamers van het prachtig gelegen Vogelwater. Gedichten die je verwacht in een bundel met de titel De aarde, de aarde. Dat geldt zelfs voor een gedicht als ‘Fantasma’ dat gaat over windwijngaarden in Donzières. Geen onderwerp waar je in eerste instantie aan zult denken als onderwerp van een gedicht, maar Elly de Waard toont aan dat in de aarde gewortelde energiefabrieken prachtige gedichten kunnen opleveren.

    Dat lukt haar niet met de aandelenhandel op het Damrak. Het onderwerp is net zo onverwacht, maar waar ´Fantasma´ wel overtuigt, doet ´Meesters van het geld´ dat niet. Het gedicht over de (wind)handel in het aardse slijk is – net als het onderwerp – te platvloers, te voorspelbaar. De mislukking wordt extra benadrukt, omdat het direct na het fijne ‘Ach en wee’ in de bundel is opgenomen.

    Waarmee het andere probleem van deze dichtbundel is genoemd: willekeur. Willekeur in onderwerpen, maar ook – zo lijkt het – in de volgorde van de gedichten. De titel suggereert een samenhang die er niet is in of tussen de gedichten, maar er wel was geweest als ‘De meesters van het geld’, ‘Over ons land’ en ‘Dodenherdenking’ niet in de bundel waren opgenomen. Die drie gedichten vallen uit de toon, niet alleen vanwege het onderwerp, maar ook vanwege de kwaliteit en het ‘tegeltjeseinde’ dat deze gedichten hebben. ‘Over ons land’ eindigt bijvoorbeeld met:

    ‘Massale droefheid verbroedert
    dat is het enige goede eraan.’

    Een gedicht dat al niet al te sterk is, wordt zo nog treuriger. Deze drie niet passende, en enkele andere gedichten die ook aan een obligaat einde lijden, doen afbreuk aan een verder prettige dichtbundel. Naast ‘Ach en wee’ zijn er in De aarde, de aarde nog een aantal mooie gedichten te vinden zoals ‘Vannacht’, dat het gemis van een al lang geleden verloren geliefde beschrijft en het prachtige ‘Aan Ingrid Jonker’ (een Zuid-Afrikaanse dichteres):

    Aan Ingrid Jonker (1933-1965)

    ‘Een dichter was je net als ik, geen dichteres
    en lange tijd was je hier onbekend.
    De wetten van je vader teên die swartmens
    hielden ook jou apart – van ons met name.
    Totdat je werk, dankzij Mandela, eindelijk openging.

    Wij zijn familie, hebben voorvaders en strijdbaarheid
    gemeen, wij spreken zustertalen. Over het wonder
    van de jouwe ben ik nog steeds niet heen,
    van afskeid, bitterbessie, en die kind, wat
    doodgeskiet is bij Nuanga deur soldate.

    Dat kind dat nu op reis is langs de noordrand
    van je continent, waar jonge mensen overal
    hún vrijheid eisen. Terwijl jij voor de tweede keer
    Europa doet, glansrijk gedragen door de
    Zwarte Vlinders, die je doen herrijzen.’

    Tussen genoemde diepte- en bijna-hoogtepunten is in de bundel een klein pareltje verstopt: ‘Na het afscheid’. Een gedicht vol spetterende levenslust, direct na het treurige en zompige ‘In memoriam de iep’:

    Na het afscheid

    ‘Groeien! schalt het tussen de stammen
    Groeien! er is een gat gevallen!’

    Je voelt het hele bos zich vol enthousiasme storten op het opengevallen iepengat en zo een treurig voorval omtoveren in een groen, glinsterend groeifeest. Als alle gedichten in De aarde, de aarde elkaar zo zouden hebben versterkt, zou de bundel dan wel een paar kleerscheurtjes hebben veroorzaakt? Vermoedelijk wel.

     

  • De laatste gedichten en nagelaten kladjes van Wislawa Szymborska

    ‘De eerste zin van een toespraak schijnt altijd de moeilijkste te zijn’, begon de Poolse dichteres Wilsawa Szymborska (1923-2012) destijds haar toespraak bij de uitreiking van de Nobelprijs 1996. Om die zin te laten volgen door: ‘Die heb ik dan in elk geval achter de rug…’ Het tekent haar bravoure en het daarvoor benodigde laconieke soort van optimisme. Het verklaart bovendien waarom zo’n geest niet te knakken was in een maatschappij waar de menselijke waardigheid gedurende het grootste gedeelte van haar leven lichtvaardig werd geschonden. De Nobelprijs maakte haar, zeer tegen haar zin overigens, op slag wereldberoemd. De Nederlandse lezer werd ondertussen goed bedeeld met vertalingen van haar werk. De bloemlezing Uitzicht met zandkorrel van de hand van wijlen Gerard Rasch beleefde vele herdrukken. Hier bleek een dichteres aan het woord die er een uitdaging in zag om van elke beantwoorde vraag een nieuwe vraag te maken, die de speelsheid had om van elk opgelost probleem een nieuw probleem te maken. Met minder zou haar intelligente, zoekende geest zich te kort hebben gedaan. Niets werd door haar als vanzelfsprekend aangenomen. Szymborska, die een broertje dood had aan praten over haar poëzie en hoogdraverij meed als de pest, situeerde ‘inspiratie’ in nieuwsgierigheid, verwondering, een bestendige toestand van ‘ik weet het niet’. Zij stond zich dan ook met reden toe zichzelf te blijven verbazen. Van grote zaken maakte zij kleine, van kleine grote. Een gedicht over zwarte gaten kon probleemloos naast een gedicht over een kiezelsteentje staan. Weldra bracht de verzamelbundel Begin en einde een bijna integrale vertaling van haar oeuvre tot dan toe. Ook de latere bundels Het moment, Dubbele punt en Hier waarin wederom Szymborska’s lichtvoetigheid, trefzekere nuchterheid, discretie, ironie en charmante scepsis op vaak verrassende wijze samenspanden, deden het goed bij het Nederlandse lezerspubliek.

    Het wekte dan ook geen verwondering dat haar volgende bundel eveneens een Nederlandse vertaling ging beleven. De titel Zo is het genoeg had Szymborska vooraf bij haar Poolse uitgeverij gedeponeerd. Spijtig genoeg heeft de dichteres de bundel echter niet mogen voltooien. Al won de titel door haar voortijdig overlijden aan kracht. Besloten werd om aan de 13 voltooide gedichten de in haar nalatenschap aangetroffen kladversies van gedichten en notities toe te voegen. Alles respectvol ontcijferd en van editietechnisch commentaar voorzien. Zodoende groeide de uitgave uit tot een pagina of 60. Echte pareltjes worden hiermee niet ontsloten, maar een en ander biedt een aardig kijkje in de keuken van de Nobelprijslaureate. Ondanks het geringe aantal voltooide gedichten zit er poëzie tussen die om een andere reden dan dat het haar laatste verzen betreft meer dan de moeite waard is:

    Er zijn van die mensen die

    Er zijn van die mensen die bedrevener zijn in leven.
    In en om hen heen heerst orde.
    Voor alles hebben zij een manier en het juiste antwoord.

    Zij raden onmiddellijk wie wie, wie met wie,
    met welk doel, waarheen.

    Stempelen unieke waarheden af,
    gooien overbodige feiten in de versnipperaar,
    en stoppen onbekende personen
    in op voorhand voor hen bestemde ringbanden.

    Denken zo veel als de moeite waard is,
    en geen ogenblik langer,
    want achter dat ogenblik loert de twijfel.

    En als ze uit hun bestaan worden ontslagen,
    verlaten ze hun post
    door de aangegeven deur.

    Soms benijd ik hen
    – gelukkig gaat dat ook weer over.
    De Poolse redacteuren mogen zich ontfermd hebben over Szymborska’s gedichten in onvoltooide staat, zelf gunde ze de door haar ongeschreven verzen op subtiele wijze de nodige eer in Aan mijn eigen gedicht:

    In het beste geval
    word je, gedicht van me, aandachtig gelezen,
    becommentarieerd en onthouden.

    Tref je het minder,
    dan alleen gelezen.

    De derde mogelijkheid is dat
    je weliswaar wordt geschreven
    maar even later in de prullenbak gegooid.

    Je hebt nog een vierde uitweg tot je beschikking:
    je verdwijnt ongeschreven,
    tevreden mompelend in jezelf.
    Met recht kan men zeggen dat deze dichteres tot het laatst toe haar geestkracht en nieuwsgierigheid onverflauwd heeft weten te behouden. Deze uitgave kent als royale toegift de DVD Einde en Begin, een zeer onderhoudende documentaire van Nederlandse makelij gebaseerd op een van de zeldzame ontmoetingen met de aandachtschuwe Wislawa Szymborska, bij wie het schalkse en gedistingeerde voortdurend om voorrang strijden. Met deze finale krijgt Szymborska de eer die haar toekomt. Al laat de ernst waarmee de snippers van haar onvoltooide manuscripten worden ontcijferd, zich niet zo makkelijk rijmen met de lichtvoetige aanpak van de dichteres. Zich omdraaien in haar graf is niet naar haar aard. Eerder zou eventuele verontwaardiging haar weg vinden in een mild ironisch vers. Hoe hoog deze elfde bundel in het oeuvre van Szymborska ook te waarderen valt, er worden geen nieuwe wegen ingeslagen. Haar werk kent daarbij ook weinig ontwikkeling. Deze elfde bundel had even goed de tiende of de zesde kunnen zijn. Waarmee vooral ook gezegd wil zijn welk een rijpheid haar gehele oeuvre kenmerkt. De lezer kan dan ook na het dichtslaan van Zo is het genoeg tevreden verzuchten: zo is het mooi geweest.

     

    Zo is het genoeg

    Auteur: Wislawa Szymborska
    Vertaald door: Karol Lesman
    Verschenen bij: Uitgeverij De Geus
    Aantal pagina’s: 61
    Prijs: € 19,95 (incl. DVD)

  • Lijkenbitter of de geur van een nieuwe tennisbal

    Na Banjoman en Een Uil in de Zon is er nu de derde dichtbundel, Lijkenbitter, van Hans Dekkers (1954), die al tweemaal zoveel romans op zijn naam en een carrière in de new wavemuziek achter zich heeft.
    Dit met flappen en waardig papier vormgegeven Lijkenbitter telt 35 gedichten die, op een enkel losstaand gedicht na, gegroepeerd zijn in acht afdelingen.

    Wie zijn oog laat gaan over de inhoudsopgave ziet namen als Borges, Nietzsche, Gerard Manley Hopkins, Juan de la Cruz en wie vervolgens aan het lezen slaat beseft dat Dekkers zijn in eerdere bundels ingezette weg onvervaard vervolgt. Wie vervolgens leest: ‘Lichtvoetig trippelen de doden over mijn tong’ vermoedt dat hier een loopje met de lezer wordt genomen. Goed, van doden kan men in deze bundel veel vernemen, maar lichtvoetig wordt het nergens. Neem alleen al de neologismen als: vleesbarst, ijswei, eiweke, dovemanskot, ondergrondbestaan. Voor lichtvoetigheid tapt men uit een ander vaatje.

    En wat te denken van het woord lijkenbitter zelf, waarvan de dichter in Hymne de receptuur geeft: ‘Zat van de aarde, de humus, / de eiweke watergruwel, grijpen wij / naar het lijkenbitter. / Niet de groene fee, bedriegster van dichters, / maar het elixer dat vuur uit sintels zuigt, / drakenbloed en christustraan ineen, / gebrouwen uit de doden.’ Of dit een heilzaam goedje betreft is zeer de vraag. Klare wijn wordt hier niet geschonken. Diffuse echo’s uit een mythische voortijd weerklinken: ‘Het onland onbeslagen, wij gronden hier / de kiemplaats van een verdronken stad./ Woorden borrelen in de stroperige drank, / een dode man spreekt.’

    Maar wie het droog houdt bij een zin als ‘Mijn Titanic is een leeg glas. In klitten / van haarvaten ontsteken ideeën.’ heeft aan Lijkenbitter een goeie. Want de bundel wemelt van dit soort, vrij particuliere, duistere beelden, die er niet op uit lijken hun geheimen met de lezer te delen. Lezers die menen dat kunst het raadsel niet genoeg kan vergroten, kunnen hun hart ophalen: ‘Ik hef me op, ik wil alleen de lucht nog zien, / de spiegel die zichzelf wil bekijken en zich / daarmee tenietdoet, mijn begeerte / wekt concentratiekampogen.’

    Het veelvuldig tegen elkaar uitspelen van tegenstellingen verraadt Dekkers’ barokke inborst: ‘De hemel steigert / in een helder glas / waar de duisternis op licht aast’. Gespeend van bombast is het lang niet overal: ‘Met ongestilde, onstilbare honger / sluit hij zich op in een doofstomme nacht.’ Een hermetische, fantastische beeldentaal kenmerkt zijn poëzie intussen niet minder: ‘Eens naakt voor de spiegel / begonnen stukken vlees te verdwijnen / nam de spiegel delen tot zich / zoals hij voorheen gezichten in zich opnam.’ De lezer is weinig rust gegund. Beelden jakkeren als opgejaagde wolken voort onder een noodlotzwangere hemel, en nog voor het ene beeld verlaten is, dient het volgende zich al aan.

    Maar soms, als het wolkenzwerk even openbreekt en er een glimp van licht doorheen schemert, valt er een korte adempauze in het gedicht en bloeit er iets moois op: ‘De zwarte glans / van zijn aureolen en de beknotte / mijmeringen van zijn glorie.’ Of: ‘Dan ritselt de nacht / van kippenkoorts / en huilen de dollemannen / in het dovemanskot.’ En: ‘De zwijgende muziek is / een wake verborgen in een wake.’ Van een barok gesmede zin als ‘Het licht in de huizen / gorgelt geel in ’s dichters keelgat.’ kan men de bekoring verstaan. Er zingt zich met galante Schwung iets los uit de draaikolk van holle frasen en lege hulzen. En een passage als ‘Met de trots van nederigheid / opent hij zijn documenten / en citeert. / De luizen in zijn baard citeren mee / en de nagels aan zijn kist haken in.’ mag er ook zijn.

    Dekkers komt als barokke woordsmid goed weg als hij zich waagt aan een beschrijving van de hoogbarokke Dresdner bouwkunst: ‘Verwrongen jubel rond de pleinen, omhelsd / door de liefdevolle wurggreep / van een kronkelende adder van gesmolten lood. / Op de Neumarkt zingen kozakken / een droevig lied, in hun pet rinkelen ontroerde / euro’s een roes van Saksisch bier en Zwiebelfleisch,’. En in Chinoiserie in Brighton gaat zijn plastische stijl aangenaam los: ‘In elk ornament bot de dood uit (…) De draak aan het plafond spuugt een kroonluchter uit.’ Dergelijke passages, die de lezer blij maken, zijn echter in de minderheid in deze bundel. Chique titels als Hymne, Quilmes en Amor prohibido kunnen niet verhullen dat ze maar weinig regels bevatten waar chocola van te maken valt.

    In de negen gedichten tellende afdeling De Nachten, met het serene, aan Tristan und Isolde ontleende motto ‘O, nun waren wir Nacht-Geweihte’ gaan maar liefst zeven getooid met een naam van een kunstenaar/dichter uit de categorie ‘niet de eerste de beste’: Borges, Goya, Poe, Diepenbrock, Nietzsche, und so weiter…Het mag duidelijk zijn: voor minder doet Dekkers het niet. Hij laat zich blijkbaar graag inspireren door een bont gezelschap van illustere voorgangers, die hij een voor een herschept in zijn eigen plastiek: ‘Zijn hymnen die de nacht / laten zingen van binnenuit / schemeren indigo/ water dat stilstaat / en kijkt.’, heet het van Diepenbrock. Te midden van de soms als opdringerig te ervaren beelden, springt De nacht van Borges eruit:

    Niet langer in staat de veelheid te zien,’
    omwikkeld door een eeuwig duister,
    zoekt hij troost in het absolute.

    Oidipous in een mistig woud,
    zoon van een onbekende angst.
    Zijn broze tastende hand
    omklemt een wandelstok.

    De lucht trekt samen.
    De roos wordt de Roos, de tijger de Tijger.
    Zijn vader de Nacht.’

    Afgezien van de regel ‘De lucht trekt samen’ die als stoplap fungeert, is dit gedicht een oase van rust. Hier vertrappen de beelden elkaar niet, hier wacht de ene zin tot de andere is uitgesproken. Hier wordt geen geheimtaal gesproken ter camouflage dat er niets wordt meegedeeld. Hetzelfde kan gezegd worden van het afsluitende gedicht Orfeus. In weerwil van zijn titel blijft het dichtbij huis en worden er, na al het voorgaande tumult, in ontwapenende eenvoud inspirerende voorvallen herinnerd, variërend van ‘De smaak van een framboos, / Smeltende sneeuw in je hand.’ via ‘Een verlaten tennisbaan in een park’ tot ‘De geur van een nieuwe tennisbal.’ Misschien moet er in een volgende bundel gewoon wat meer getennist worden.

     

     

  • ‘Het echte feest is altijd nu’


    De nieuwe bundel van Marjoleine de Vos begint in het heldere lege landschap van Groningen en eindigt in het oude Griekenland. Het gaat over leven – willen leven – in het hier en nu. Maar ook over verlangen naar meer, verder en hoger, en melancholie en wanhoop om het voorbijgaan en het uitblijven. Maar de regels klinken helder en de toon blijft kordaat.
    De Vos schrijft toegankelijke en herkenbare poëzie, die soms doet denken aan Chris J. van Geel, soms verwijst naar Martinus Nijhoff, maar vooral doet denken aan Rutger Kopland – tot in de titel aan toe. De Vos is lichtvoetiger, minder mijmerig, en verrassender. In ´Lente in Groningen´, poot ze de Noordelijke kleivlakte pardoes op vrijersvoeten:

    Onhandig en verliefd spruit oude grond

    ineens het teerste groen, wil zoenen,

    zoenen, ja!’

     

    En twee gedichten verderop wenst de ik ineens een valappel te zijn:

    Mijzelf maakt het niet uit

    of ik als taart dan wel verrot in ’t gras.

    Alleen dat ik dat was, die gave jonge blos

    zo kogelrond, vol sap – en dan het steeltje los.’

     

    Zo gaat het wel vaker: een natuurbeeld duidt ´iets´ aan en wordt dan omgebogen naar een zelfbeeld. In ‘Spreeuw’ klapt de vogel aanvankelijk enthousiast in zijn vleugels vanwege de komst van de lente, maar dan volgt een drastische wending: ‘Nu ik. Een spreeuw / die uit het nieuwe nest naar buiten kijkt en zucht. / Om liefde. Om lucht.’

    Het onbevangen omhelzen van het hier en nu botst onherroepelijk met het verstrijken van de tijd en het onvermogen om terug te keren waar je wilde blijven. Pogingen om de spanning op te heffen leiden tot zelfvermaan. ‘De tijd is onze vijand niet’, luidt bij voorbeeld de conclusie van een gedicht uit de reeks ‘Heimwee naar de toekomst’. En dichten (en gedichten lezen) kan helpen het hier en nu te omhelzen:

    ’t echte feest is altijd nu, als je kersverse

    woorden vindt die steeds voor ’t eerst

    je openen voor dit moment waarin

    de tijd zich toont, bewoond door alles

    Wat niet blijven kan.

     

    God onder de grond
    De gedichten van De Vos zijn arcadisch: de natuur en het platteland zijn bronnen van vitaliteit, wedergeboorte, verwondering en inspiratie. Doorstroomd van welbehagen, zoals ze ergens zegt. Grootstedelijkheid en motorgeronk krijgen niet de kans om die pastorale dimensie te verstoren. Die wordt van binnenuit bedreigd. Zo is daar ‘op zolder / achter beschot, rukkend met scherpe tanden / het onzichtbaar knaagdier’ dat werd aangelokt door lokvoer voor de vogels. In ´Aan het licht´ schiet een geheim ineens  te voorschijn en ‘maakt gehakt van redelijk en juist.´ In ‘Aanzie de vogels’ zit een meesje lekker op een vetbol, maar verzuimt de mens te aanbidden die hem zijn pinda’s schenkt. Het krijgt te horen dat het ‘op de pof’ leeft, en nog spijt zal krijgen van dat ´grondeloos opgaan in het heden.´ Nog ongemakkelijker wordt het in ´We zijn vrij´ met de openingsregel ´Onder de grond woont onze god´. God is weggestopt, en we denken dat we vrij zijn, maar hij leeft nog, steelt onze gedachten en bestiert ons leven. Zelfs dood, ´als een prop in de afvoer´ zit hij er nog en blokkeert wat vrij wil stromen. Zo bezien wordt ´leven in het nu´ een opgave die de mens zich stelt, omdat er geen god meer is die uitzicht biedt op een vorm van eeuwigheid. Dat ‘Uitzicht genoeg’  is minder triomfantelijk dan het lijkt. ´Nu eeuwig niet bestaat, is uitzicht al genoeg´ klinkt het in ´Spreeuw´.

    Sumerische uitsmijter
    De laatste afdeling ´Ik laat ons wegvaren´ roept onder meer de oude zwerftochten van Odysseus en Aeneas op, en geeft een stem aan de vrouwen die naar hen verlangden: Penelope en Dido. Gedichten over terugkeer naar een huis dat nooit meer hetzelfde is, of afscheid en vertrek om een nieuw vaderland te vinden. Het laatste gedicht van de bundel daalt nog dieper af in de cultuurgeschiedenis. Het is een fragment in de stijl van het vierduizend jaar oude Sumerische Gilgamesj-epos, in de vorm van een tweespraak over de vraag of je een nieuwe levensgezel mag nemen als je grote liefde is gestorven. Ja dus. Als iemand echt van je houdt zal hij of zij je dat gunnen, en het zelfs van je verlangen. Leven in het nu wordt begrenst door de onvermijdelijke dood. Of – andere mogelijkheid – liefde ‘nu’ vereist dat je eigen en andermans sterfelijkheid onder ogen ziet. Hoe houd je zo´n thema heden ten dage vrij van kitsch en geronk? Bij voorbeeld door een stokoude vorm en toon te kiezen en daar ironieloos aan toe te geven:

    De dood wachtte op hen,

    op ieder van hen wachtte de dood, maar zij waren één.

    De liefde van Indroe en Gilgamesj was groter dan de dood.

     

    Gedichten over hoe te leven, waar vind je ze nog? Hier en nu, bij Marjoleine de Vos. Helder, toegankelijk, beeldend en raak. Lezen dus!

     

    Uitzicht genoeg

    Auteur:  Marjoleine de Vos
    Verschenen bij: Uitgeverij Van Oorschot, 2013,
    Aantal pagina’s: 58
    Prijs: € 14,50

  • Absoluut geen tussendoortje

    Recensie door Obe Alkema

    Debuteren op jonge leeftijd is gewaagd, maar op latere leeftijd is dat niet minder zo. Kan een geflopt debuut van een kwieke twintiger nog weggemoffeld worden onder de noemer ‘te jong, te snel gedebuteerd’; die vlieger lijkt voor een oudere dichter niet op te gaan. Zo’n persoon zou toch de tijd gehad hebben om zijn bundel te perfectioneren? Henk Ester (1952) is zo’n late debutant. Hoe gewaagd is Bijgeluiden?

    Esters bundel is grofweg op te delen in twee delen. In het eerste deel laat Ester heel secuur zien dat hij continu observeert. Het gedicht A2 illustreert dit:

    A2

    ’s avonds, hoog, aan de rand van de stad
    is alles goed te zien
    de weg, het water en het licht
    maar onzichtbaar is het geluid
    het deinen van motoren
    hier ver van zee
    op een balkon

     

    In kraakheldere taal weet Ester een herkenbare setting (iemand die over een stad uitkijkt vanaf een balkon) te schetsen zonder al te veel poespas te geven. Typerend voor al zijn gedichten is de ogenschijnlijke bijkomstigheid van het geluid. Geluiden komen echter niet toevallig aan bod in zijn gedichten. Ze zijn het leidmotief in deze bundel. Het gaat continu over geluid.

    Dat kan in de vorm van stadsrumoer, zoals in A2 of in de eerste strofe van Concertzaal: ‘In de binnenstad dirigeert een man stemmen, / trage stappen en bloemen in stilstaand water.’ Daarnaast kan het ook in de vorm van kunstrumoer: het noemen van muzikanten en andere kunstenaars. Hiermee laat Ester zien dat hij verstand heeft van onder andere literatuur en klassieke muziek. Kijk naar een gedeelte uit Middagduivel: ‘Wie leest / over vijfhonderd jaar Lamento van Campert, / totaal witte kamer van Kouwenaar, / Yann Andréa Steiner van Marguerite Duras? / Wie kent dan nog Sonate nr. 5 van Ustvolskaya, / Book of Angels van Zorn, Canto Ostinato van Ten Holt?’
    Geluid is voor Ester het ideale voorbeeld om zijn gedachten te ordenen en weer te geven. Ester is namelijk een denker. De opsomming hierboven vervolgt met de zin ‘Tijdgeesten luisteren slecht.’ Ester denkt veel na en in het eerste deel van Bijgeluiden noteert hij het meer informatief dan poëtisch, wat ervoor zorgt dat de lezer ook moet nadenken. Nog zo’n statement (weer in Middagduivel): ‘Een dichter hangt geen formules aan. Elke formule / is achterhaald, elke pretentie misplaatst.’

    Het tweede deel van de bundel is echter meer poëtisch dan informatief te noemen. In tegenstelling tot het essayistische eerste deel, is dit meer een stream of consciousness te noemen. Hij gaat hierbij heel associatief en suggestief te werk en richt zich meer op de poésie pure dan op het informatieve karakter van zijn poëzie. Kijk eens naar het gedicht Verborgen ritueel:

    een hele molen licht
    het wezen van de wind

    hel hellen luiden luid

    een helle molen luidt
    het winnen van de wind

    hel hellen luiden luid

    een helle molen heelt
    lasluister heigelui

    hel helen lieden ludd
    hel helen lieden ludd

     

    Dit gedicht is verreweg het meest extreme voorbeeld van de klankherhalingen in Bijgeluiden. Het vormt een grote discontinuïteit met de andere gedichten. Tussentijd [1] is ook zo’n gedicht waarin de gedachten minder strak geordend zijn en waarbij de stream of consciousness goed naar voren komt:

    Maersk … Hanjin … Cosco … Geest …
    … Wan Hai … Evergreen … Delmas …
    Yang Ming … Nedlloyd … Hapag …

    … Matson … Hyundai … Kien Hung …
    “K” Line … Star Shipping … Heung-A …
    … CNC Line … Hansa Mare … APL …

    er is wereld
    het wemelt ervan

    en in de tussentijd
    zwermen getuigen uit

    nemen de meesten aan zee
    een omweg naar het water

    vliegt het schuim
    in dodelijke drift
    de wering in

    en loop ik
    van tweehoog achter
    naar beneden

     

    De achterflap verklapt dat Ester vaak te vinden is op de Maasvlakte. Dit gedicht zou ontstaan kunnen zijn na een wandeling aldaar. Hij ziet de containers opgestapeld liggen en zijn gedachten dwalen af. Zijn gedachten zijn niet zo goed gestructureerd als in het eerste deel. Hij laat ze meer los. In dit gedeelte worden ook minder vaak muzikanten of kunstenaars genoemd. Het geluid is wel aanwezig, alleen meer onder de oppervlakte; het wordt niet zo benadrukt. De openingszinnen van Harmonium laat Ester ook de vrije loop nemen:

    vingeroefening bij opkomend tij

    nietsvermoedend, onwetend, vol overgave
    zingt in klankgerochel van de zuigwind
    het harmonium een loflied op de solipsist

    een lyrisch dwalen in voortalige
    eentonigheid

     

    Prachtige openingsregels van dit gedicht. Harmonium is inderdaad een vingeroefening en het gedicht ontwikkelt zich als opkomend tij.

    De samenhang tussen de gedichten, tussen de negentien secties waarin de bundel verdeeld is en de twee gedeelten is duidelijk aan te wijzen. Het uit zich in een consistente thematiek (geluid, leven, natuur) en een voortdurend gebruik van motieven (kunstenaars, geluiden en de zee). Ook herhaling van woorden draagt bij aan de coherentie. De opdrukken van de containers in Tussentijd [1] worden bijvoorbeeld ook herhaald in Retor in chemie. Een ander voorbeeld: het woord ‘steen’ komt continu terug in Bijgeluiden XIV, het veertiende deel van de bundel.

    De continuïteit binnen Bijgeluiden zorgt er niet voor dat de bundel gemakkelijk te lezen is. Vanwege Esters bespiegelingen op de realiteit en zijn gebruik van grote namen binnen de muziek en literatuur wordt de belezenheid van de lezer danig op de proef gesteld. Esters gedichten zijn absoluut geen tussendoortjes: hij zorgt er continu voor dat er opgelet moet worden.
    Het is echter wel zo dat de aandacht snel kan verslappen, omdat de gedichten vanwege de continuïteit op elkaar lijken. Daardoor worden ze minder spannend. Verwacht bij Ester geen opwinding over bepaalde onderwerpen. Hij blijft even kalm en beheerst in het noteren van zijn beschouwingen. Zijn stroom gedachten in het tweede deel zijn tevens niet extreem lyrisch te noemen, hier blijft hij ook nuchter noteren wat hij denkt.

    Gewaagd is Bijgeluiden niet te noemen vanwege het ontbreken van spannende procedés. Daar zit de kracht van deze debuutbundel ook helemaal niet in: het zit hem in de secure overpeinzingen van een dichter die hij degelijk noteert en aanvult met geluiden. Hij verwoordt het zelf treffend in Kiezelwieren zweven: ‘- geen lyrisch of pijnlijk dichterlijk zwijgen -’ Het zit hem daarnaast in de knappe coherentie tussen elk gedicht, elke sectie en elk van de twee gedeelten. De scharnierverhouding tussen die laatste twee is wonderlijk, omdat ze elkaars tegenpolen zijn.
    Dat maakt Bijgeluiden tot een goede debuutbundel die tot in de puntjes is uitgewerkt. Ester is met dit boek genomineerd voor de C. Buddingh’-prijs 2013 en die nominatie heeft hij ruimschoots verdiend.

     

    Bijgeluiden

    Auteur: Henk Ester
    Verschenen bij: Uitgeverij De Arbeiderspers
    Aantal pagina’s: 108
    Prijs: € 19,95