• Evenwichtige bundel waarin de stilte klinkt

    Paul Meeuws heeft voor zijn debuutbundel gedichten geschreven die allemaal te maken hebben met geluid, zoals de titel al aangeeft, en het effect daarvan op ons gevoelsleven. In vijf afdelingen vertelt hij over alle geluiden die een mens gedurende zijn leven vergezellen, waarbij het gekwetter van een vogel of het tikken van een klok niet minder geacht wordt dan een cantate van Bach. Meeuws publiceerde al eerder twee verhalenbundels, Badhuis in de sneeuw (1988) en Jonge modinettes (1994). Gedichten van hem verschenen onder andere in Tirade en op de poëziesite Meander.

    Van het begin tot het einde
    Als eerste valt het omslag van de bundel op met een afbeelding van Co Westerik, Grammofoonspeler. De titel slaat zowel op het apparaat als op de luisteraar : deze laatste gaat zo intens op in de muziek waar hij naar luistert, dat hij zijn identiteit verliest en – zonder gezicht – een en al oor is. Voor Meeuws gaat het niet slechts om de muziek, maar zijn alle geluiden belangrijk. Daarom begint hij met een gedicht over de eerste indrukken van een baby, die hij in klank weet om te zetten: het openschuiven van een gordijn, de voetstappen van de moeder.

    ‘Je hebt nog geen aarde geraakt, nog geen ruzies gehoord.
    Zang en spraak zijn nog eender, als horen en zien.
    Wenkbrauwen bepalen de toonhoogte.’

    De baby wordt groot, leert de wereld kennen en de liefde, vindt een partner en wordt vader. In zes gedichten van tien strofen en drie versregels wordt een heel leven getoonzet en verklankt, van zuigeling tot demente bejaarde, van begin tot eind:

    ‘Er klinkt routinebarok. Strijkers likken je oor,
    op zoek naar jouw snaar, gesprongen bedrading naar haar,
    teruggekruld naar een wereld van voor de muziek.’

    In het laatste gedicht van de eerste afdeling, Vox Humana, zijn we terug bij het prille begin: een vader ligt wakker en piekert over zijn pasgeboren baby: ‘Dit heb je dus verwekt, in net zo’n nacht als nu.’ Ook hier spelen geluiden en klanken de hoofdrol: woorden als ‘stilte’, ‘zachtste zuchtjes’, ‘licht gesmak’ bewijzen hoe zorgvuldig Meeuws zijn zinnen zoekt en woorden kiest om klank en geluid te vertolken. In elke versregel is wel een woord te vinden dat terugvoert naar het zintuiglijk gehoor.  Nergens doet dat  geforceerd aan of lijkt er aan de haren bijgesleept  te zijn om het doel te dienen. Het laat  zien dat Meeuws niet alleen een woordkunstenaar is en een goed luisteraar, maar dat hij zeker bedreven is in het observeren van mensen en dingen:

    ‘[…] de bijna hemelse schrik
    van een kind, zwevend boven je vangende handen.’

    Geliefden
    Het tweede deel, Nocturnes, bestaat uit zeven gedichten, zeven nachten, die  de geliefde bezingen;  hier doorlopen ze het stadium  van verliefde jongen van zeventien tot aan de eerste liefdesnacht, om te eindigen met een laatste gedicht dat Aubade heet, waarvan de laatste strofe begint met een tevreden: ‘Wij tweeën. Er is veel deelbaar door twee.’ Ook hier is een stijgende lijn in de gedichten aanwezig met een climax, zoals in de muziek een toonladder stijgt.

    In het derde deel, Lied, zijn de geliefden oud geworden, de kinderen de deur uit: Leeg nest is de titel van het eerste gedicht. Herinneringen en heimwee naar de jeugd voeren de boventoon, net als  liedjes en muziek van vroeger die weer jong  maken: ‘Jongensadem trekt weer door je heen zodra je het zingt.’

    Het laatste gedicht van dit deel gaat weliswaar over ouderdom, maar betreft niet die van de geliefden: naar aanleiding van de terreuraanslagen in Parijs – 13 november 2015 – heeft Meeuws een gedicht geschreven over een oude zangeres die zich opmaakt nog één keer te zingen. Hiermee wordt cultuur tegenover barbarisme gezet:

    ‘En nu ze oud is en niet meer begeerd, beklimt zij nog eenmaal
    haar gammele ladder tot waar ze hem toezingt, aan zijn baard trekt,
    uit zijn lafhartige hemelvaart naar beneden.’

    Alle gedichten zijn, op een na in terzinen (een strofe van een gedicht van drie regels) geschreven, al is het aantal strofen niet altijd gelijk. Dat ene gedicht is een sonnet, waarvan de twee middelste strofen het sextet vormen. De reden voor deze uitzondering ligt waarschijnlijk verborgen in de slotstrofe: ‘En je wordt weer gezien zoals je bedoeld bent [..]’.

    Het geluid van de stilte
    Het vierde deel, Werkplek, begint met een gedicht dat werd geschreven in opdracht van stichting het Brabants Landschap en dat – net als de overige vier gedichten – doet vermoeden wat de inhoud is: de beschrijving van een stille plek om te werken, omgeven door een prachtig landschap. In eerste instantie lijken deze gedichten weinig te maken te hebben met het overkoepelende thema.Bij nadere beschouwing wordt de opname ervan in deze bundel gerechtvaardigd door een blaffende hond, een klok die luidt, het fluisteren van het riet, maar bovenal de allesoverheersende stilte die ten slotte niet meer is dan het ontbreken van geluid. De stilte der natuur heeft veel geluiden wist Henriëtte Roland Holst  al.
    Bij Meeuws zijn de geluiden zacht, de stilte niet oorverdovend en wordt er gefluisterd. Het zijn gedichten over bezinning en zelfinzicht met opvallend mooie vergelijkingen en metaforen:

    ‘Klein watergraf daar in het gras.
    Erboven trilt een kinderziel
    door muggen nagebootst.’

    Vader
    Tot aan de laatste afdeling heeft Meeuws de lezer meegevoerd in een lange klim door het leven: in  U staat hij stil bij één enkel rustpunt: zijn vader. Aan hem zijn maar liefst zestien gedichten gewijd, waarvan vooral de eerste zeven één geheel vormen. De vader wordt rechtstreeks aangesproken  door middel van liefdevolle herinneringen aan vroeger. Van vader kreeg de dichter zijn naam en zijn liefde voor muziek: vader was organist – ‘Een heel goed organist was u niet’ – en ook heel gelovig: ‘In u stond Gods woord geprent / als een vloermat in een knie’.

    Getuige deze gedichten woont vader nu in een bejaardenhuis waar zijn zoon hem komt opzoeken. Moeder is gestorven en vader is een beetje de weg kwijt in een wereld die niet meer de zijne is. In het ontroerende gedicht ‘Laat op de avond’ vertelt de dichter hoe vader niet-begrijpend naar porno op  tv kijkt: ‘U kijkt zoals een kind naar een ongeluk kijkt: liever niet.’

    De Tweede Wereldoorlog heeft diepe sporen achtergelaten bij vader, die ook in deze gedichten door middel van geluiden worden uitgedrukt. Zoals in het fijnzinnige gedicht dat begint met de regel: ‘De golven die uw oor vormden overspoelden het ook’. Op indringende wijze wordt de angst voor geluiden consequent volgehouden als symbool voor het naderende kwaad.
    De gestorven moeder wordt tenslotte herdacht in het gedicht ‘Bist Du bei mir’ waarna vader zelf aan het woord komt in het tedere Woensdagochtend als hij ‘door moslimmeisje fijn gebaad’ wordt.
    In het laatste gedicht Nalatenschap  constateert de dichter hoe zeer hij op zijn vader lijkt:

    ‘Ik tel geen rimpels meer dan de uwe,
    zie mij nageëtst op een oud vel.

    Alle lijnen zijn raak.’

    Met deze versregel sluit Meeuws een bundel af die aandachtig lezen vraagt. Wie de gedichten laat bezinken, zal verwonderd zijn hoe zeer geluid of stilte daarin verweven zijn: in elk gedicht verwijzen tientallen woorden naar het thema, van het ‘lopen op kousenvoeten’ tot aan ‘muizenoren’. Toch doet het nergens overdreven aan en kunnen de gedichten heel goed – buiten dit thema – op zichzelf staan. Kijken en observeren komen even sterk naar voren als het luisteren naar geluiden; dat bewijzen de mooie vergelijkingen en de bedachtzame weergave van wat er gezien is. Een evenwichtige bundel die nieuwsgierig maakt naar een volgende.

     

    ,
  • Observaties en prozaschetsen van een groot dichteres

    Nog steeds is poëzieminnend Nederland verontwaardigd over het ontbreken van Judith Herzberg in de onlangs verschenen bloemlezing De Nederlandse poëzie van de twintigste en de eenentwintigste eeuw in 1000 en enige gedichten, samengesteld door Ilja Leonard Pfeijffer. Hij heeft ‘bij Herzberg niets kunnen vinden wat ik goed genoeg vond’ aldus de bloemlezer, die daarmee achteloos voorbijgaat aan een groots dichtersoeuvre van ruim vijftig jaar. Een oeuvre dat nog is verrijkt met toneelstukken, scenario’s voor film en televisie én de onlangs verschenen bundel Er was er eens en er was er eens niet.

    Proza in notities
    Een bijzondere verschijning, een Herzberg-boekje dat geen dichtbundel is, maar een verzameling prozanotities. Noem het observaties, schetsen of zeer korte verhalen, in de uitvoering ervan is onmiskenbaar de hand van de dichteres te vinden. De zorgvuldige woordplaatsing, de precieze regelval en interpunctie en de telkens terugkerende bevreemding of verwondering brengen de meest uiteenlopende situaties aan de oppervlakte. Met slechts een handvol woorden maakt Herzberg zichtbaar wat voor het blote oog niet gemakkelijk is te onderscheiden. In het stukje Maart 2011 lijkt ze met een beginselverklaring te komen:

    Siegfried Lenz (nu 85) leest zijn vrouw de laatste
    versie voor van wat hij heeft geschreven en vraagt
    dan niet ‘hoe vind je het?’ of ‘heb je het begrepen?’
    maar of ze ziet wat hij heeft voorgelezen.

    Je hoeft er niets van te vinden, zelfs niet te begrijpen, als je het maar voor je ziet. Dat is de essentie van deze kleine verhaaltjes die samen een kleurrijk geheel vormen. Het zijn bewaarde teksten van lang geleden en notities van verleden week – niet in te passen in poëtische vormen en toch te waardevol om weg te gooien. Haar uitgever wilde er eindelijk eens ‘wat mee doen’.

    Teruggekomen
    Herzberg maakte als jong meisje de oorlog mee, haar ouders werden gedeporteerd naar concentratiekamp Bergen-Belsen en wisten daar te overleven. Ze herinnert zich, in de dialoog Teruggekomen, dat er geen sprake was van ‘overleven’. Er werd gezegd: ‘Hij is teruggekomen.’

    Of: ‘Hij is er.’ ‘O, is Fredie er?’ ‘En zijn moeder? En zijn broer? Zijn die er?’
    ‘Nee die zijn er niet.’ ‘Jammer.’

    Een vluchtig gesprekje vol verwachting, vermengd met de gelatenheid van de overlevers. Die minuscule gevoelswereld wordt geheel uitgebeend overgebracht. Er is geen omgeving, de personages staan los in een onbepaalde toestand, er zijn alleen de gesproken woorden die alles weten te omvatten. De indringende betekenis is er niet minder om.

    Als Herzberg met een groep schrijvers naar het poolgebied reist is er alle gelegenheid voor een observerende mijmering – samengepakt in een vliegtuig, wachtend op vertrek. Er valt veel af te vragen:

    Er zit een dikke bromvlieg in de cabine. Hinderlijk.
    Niemand slaat er naar. Zouden schrijvers minder
    wreed zijn? Zou deze vlieg nu in alle dagboeken een
    notitie worden? Zou iedereen zich af gaan vragen
    wat die vlieg op de pool moet? Of we hem misschien
    in het vliegtuig moeten proberen te houden? De
    eenzaamheid die hem daar te wachten staat! Wij
    kunnen tenminste na vier dagen weer terug.

    Eenvoudige gewaarwordingen
    In hetzelfde vliegtuig zit een man, ook een schrijver, met een houten been. Opnieuw veel stof tot vragen. Waarom heeft die man niet een moderne prothese, die kan buigen bij de knie en vrijwel onzichtbaar is? ‘Zou er een soort ‘eerlijkheid’ mee worden uitgedrukt? (…) Of is het een heel erg binnenstebuiten gekeerde vorm van ijdelheid?’ De man krijgt een zitplaats met extra beenruimte toegewezen, er is een stoel voor verwijderd. Nog meer vragen: ‘Eén heel mens kan er dus minder mee vanwege dat ene been’. Om af te sluiten met een laatste verwondering: ‘Eén schrijfster (ik ken de namen nog niet) loopt op hoge naaldhakken. Ook een soort houten benen dus. Hoe moet dat in de diepe sneeuw’.

    Het zijn simpele gewaarwordingen die door Herzberg worden omgezet in een nieuw spectrum van bedenksels. Gedreven door nieuwsgierigheid, de wil om de menselijke aard te doorgronden en verbanden te leggen tussen oorzaak en gevolg. De helderheid die deze uitgesponnen gedachtenstroom voortbrengt, zorgt voor een voorzichtige filosofische openbaring waarbij scherpzinnigheid en ironie de vaste ingrediënten zijn.

    De mooiste stukjes zijn die waar ook de warme koestering van persoonlijke emotie uit naar boven komt. Zomaar tussendoor, een paar regels over de liefde. De aanleiding is het overlijden van journalist en hoofdredacteur Joop van Tijn (1938-1997). In een In memoriam schrijft Herzberg over het treuren om de overledene: zijn we bedroefd voor onszelf, omdat wij de dode zullen missen of zijn we bedroefd voor de dode, omdat hij niet meer in ons midden kan zijn. En wat is de waarde van dat verdriet, zowel het ene als het andere? In een fraaie afsluiting brengt de schrijfster klaarheid:

    En toen dacht ik dat dit niet uit elkaar kunnen houden van
    wie wat over wie voelt, en andersom, deze verstrengeling,
    deze wederzijdse onontwarbaarheid, dat dat precies is waar houden-van uit bestaat.

     

     

  • Record aantal dichtbundels verkocht tijdens 5e Poëzieweek

    Kijk, dat is mooi nieuws. De Poëzieweek vierde dit jaar haar eerste lustrum en tijdens deze week werden er meer dichtbundels (11 %) verkocht dan tijdens een gewone week.  Stapjes in de goede richting, waarmee gezegd wil zijn dat het doel van De Poëzieweek: ‘poëzie bekender maken bij een breder publiek’ in vijf jaar tijd zijn werk begint te doen. Poëzie zal het land stukje bij beetje veroveren en zoals Dichteres des Vaderlands Ester Naomi Perquin de optimistische woorden uitsprak bij de aanvaarding van haar functie: ‘Deze dag zal de geschiedenis in gaan als de dag waarop het volk weer de lezer van poëzie werd,’ Hoop doet leven en poëzie hoopt op nog meer lezers van poëzie.

    Best verkochte bundels
    Op de lijst van best verkochte dichtbundels in die week staat Peter Verhelst met Koor (Bezige Bij) in Vlaanderen op de eerste plaats. Tim Hofman met de Gedichten van de broer van Roos (Meulenhoff) is de best verkochte poëziebundels in Nederland. Het Poëziegeschenk door Jules Deelder, Rotterdamse kost verscheen in de grootste oplage ooit, 17.000 exemplaren.

    Op de tweede plaats van best verkochte bundels staat de nieuwe ‘dikke Komrij’ van Ilja Leonard Pfeijffer, De Nederlandse poëzie van de twintigste en de eenentwintigste eeuw in 1000 en enige gedichten (Prometheus), gevolgd door Nachtroer (De Arbeiderspers), van Charlotte Van den Broeckde. Op de vierde plaats (waarmee Verhelst twee plaatsen inneemt op dit lijstje) staat Zing zing (Prometheus) van Peter Verhelst, de bundel waarmee hij de Herman de Coninckprijs 2017 in de wacht sleepte.

    Zie hier een overzicht van de activiteiten die tijdens de Poëzieweek plaatsvonden.

    Volgend jaar wordt de Poëzieweek gehouden van 24 januari t/m 31 januari 2018.

     

     

  • Terugblik op de Poëzieweek

    Lees je de tijd af in gedichten dan kom je tot de ontdekking dat ze sneller verglijdt wanneer ze in poëzie wordt gevat. Anders gezegd; poëzie verheft het gerammel aan normen en waarden en Beruhigt de wereld tot een aantal overzichtelijk opgestelde strofen.

    In de loop van de voorbije Poëzieweek  (26 jan. t/m 1 febr.), gaf Dichter Des Vaderlands Anne Vegter het poëziestokje door aan Ester Naomi Perquin, werden de winnaars van verschillende poëzieprijzen bekend gemaakt, won Else Kemps het jaarlijks Nederlands Kampioenschap Poetry Slam en werd de Turing Gedichtenwedstrijd gewonnen door Dorien de Wit. En niet te vergeten, kreeg iedereen die in de poëzieweek een gedichtenbundel kocht, het poëziegeschenk   – Rotterdamse kost, geschreven door Jules Deelder – cadeau.

     

    Herman de Coninck Prijs en VSB Poëzieprijs
    9789044629699-cover--178
    Tijdens Gedichtendag (do. 26 januari) werd bekend gemaakt dat Peter Verhelst de Herman de Coninckprijs gewonnen heeft met zijn bundel: Zing zing. Ook won hij de publieksprijs voor het mooiste gedicht ‘Als je geen contact meer hebt met de dingen’. Het gedicht verscheen op de Gedichtendagposter.
    Voor deze prijs komen oorspronkelijk Nederlandstalige bundels van Vlaamse auteurs in aanmerking. Een uitzondering wordt gemaakt voor buitenlandse auteurs die in het Nederlands schrijven en die een bijzondere band  hebben met Vlaanderen. Aan de prijs is een bedrag van 6.000 euro verbonden.

     

    Ibinsbergenn Groningen werd de VSB Poëzieprijs uitgereikt aan Hannah van Binsbergen voor haar bundel Kwaad gesternte. De jury is van mening dat: “Niets aan Kwaad gesternte verraadt dat het een debuutbundel is, of het moet nu juist de onbevangenheid zijn waarmee de dichteres haar lezers tegemoet treedt, niet gehinderd door de last van de verwachtingen.”
    De VSB Poëzieprijs is dé jaarlijks prijs voor Nederlandstalige poëzie en de winnaar ontvangt een bedrag van 25.000 euro.

     

    NK Poetry Slam 2017 in Utrecht
    Vrijdag 27 januari vond de finale van het Nederlands Kamioenschap Poetry Slam plaats. In Utrecht streefde Else Kemps de zeven andere deelnemers met verve voorbij en werd winnaar van de 15e editie. Hoewel de jury unaniem koos voor het sterke performerschap van Gijs ter Haar, koos het publiek (die uiteindelijk de beslissende stem heeft), in de finalebattle voor de sterke teksten van Else Kemps. Vorig jaar was Kemps een ijzersterke tweede op het NK en winnaar van de Turing Gedichtenwedstrijd 2016. Hierna gaat ze Nederland vertegenwoordigen op het EK Poetry Slam in Ierland en het WK in Parijs.


    Dichter Des Vaderlands in Rotterdam
    Het mooiste nieuws in die week was natuurlijk dat Ester Naomi Perquin gekozen was tot Dichter Des Vaderlands voor de komende twee jaar.
    Poëzie als middel tot communicatie, was de inzet van scheidende Dichter Des Vaderlands Anne Vegter. Het instrument om poëzie te begrijpen is de lezer zelf; ‘Gedichten gaan in principe altijd over de wereld om je heen en jij bent het middelpunt’, aldus de dichteres in een gesprek op Radio 1. Vegter ontdekte tijdens de vier jaar in haar functie als DDV, dat het een uitdaging is  iets in gang te zetten met poëzie. Op haar laatste dag als Dichter Des Vaderlands presenteerde Vegter de website HALLO GEDICHT!, waar een keur aan gedichten uit de moderne Nederlandstalige poëzie voor elke geïnteresseerde lezer toegankelijk wordt gemaakt.
    Ook laat ze een mooie bundel na: Wat helpt is een wonder: gedichten van de Dichter des Vaderlands 2013-1017. Deze zijn ook te vinden op Dichter des Vaderlands.

     

    Persfoto_Ester_Naomi_Perquin_door_Lenny_Oosterwijk_LowResMet blijdschap en opgewekt gemoed werd de nieuwe Dichter Des Vaderlands, Ester Naomi Perquin, ontvangen. Perquin die bij het horen van haar verkiezing op geheel Perquiniaanse wijze zei, “Het was nooit in mij opgekomen dat ik zoiets zou kunnen ambiëren.’ aanvaarde de functie.
    Perquin stapte haar nieuwe ambt binnen met een toespraak die gestoeld leek op een andere spreker die voor zijn vaderland spreekt in termen als: ‘We geven de poëzie terug aan het volk. Deze dag zal de geschiedenis in gaan als de dag waarop het volk weer de lezer van poëzie werd. U kwam met duizenden om onderdeel te worden van een historische beweging. Gevangen in doorzonwoningen zonder boekenkast zullen we u bevrijden. De poëtische slachting stopt hier en nu. Drukkerijen en bibliotheken sloten, dat is het verleden. We kijken alleen nog naar de toekomst. Vanaf vandaag wordt ons land geregeerd door  een nieuwe visie, vanaf vandaag is het poëzie eerst. Poëzie op de eerste plaats. We zullen onze sonnetten terugbrengen… we zullen onze burgers uit de chicklit halen en gedichten bezorgen.We zullen onze dromen terugbrengen. En we zullen ons aan twee simpele regels houden: Koop dichters, en boek dichters. Samen zullen we de poëzie weer sterk maken. En ja, samen zullen we de poëzie weer groots maken.’

     

    Turing Gedichtenwedstrijd en Awater Poëzieprijs
    De prijsuitreiking van de Turing Gedichtenwedstrijd vormt de afsluiting van de Poëzieweek. Aan de wedstrijd deden dit jaar 2572 dichters uit Nederland en België mee. Zij stuurden samen 7815 gedichten in. Dorien de Wit won uiteindelijk de hoofdprijs van 10.000 euro voor haar gedicht ‘Legenda’.
    Volgens de jury bestaan er geen criteria waarmee vast te stellen is wat goed is in een gedicht. “Literaire kwaliteit kun je niet afvinken. Oplagecijfers kan je bijhouden, dichtersoptredens kun je turven, maar kwaliteit is iets wat je ervaart.”

    Tijdens de uitreiking van de Turing gedichtenwedstrijd werd tevens bekend gemaakt dat Eva Gerlach de Awater Poëzieprijs gewonnen  heeft met haar bundel Ontsnappingen. Aan deze jaarlijkse prijs van poëzietijdschrijft Awater is een bedrag van 500 euro verbonden. De winnaar werd gekozen door negenentwintig beroepslezers die een top 3 van de dichtbundels maakten die in 2016 zijn uitgekomen.

     

    Foto Ester Naomi Perquin: Lenny Oosterwijk

     

     

     

  • Lawaaidichter en lawaaimakers

    ‘Radeloos’ en ‘betoverd’ zijn te sterke woorden voor de nieuwste bundel van Pat Donnez. Maar de tegenstelling tussen beide uitdrukkingen is wel passend: de lezer is lichtelijk verward, maar toch ook gefascineerd door wat hem wordt voorgeschoteld. En niet altijd ten voordele. De gedichten in Radeloos en betoverd lijken op het eerste gezicht onderhoudend maar zijn verrassend confronterend; de dichter brengt zijn woorden op overtuigende wijze over het voetlicht. Alleen in vorm en stijl laat hij het afweten.

    Gedachtenflarden
    Schrijver en radiomaker Donnez heeft zijn bundel in drie hoofdstukken onderverdeeld: liefde, taal en leven. Uit de benoeming van deze delen spreekt het grote gebaar, dat tegelijkertijd kenmerkend is voor de toon van de gedichten die erin staan. De verzen zijn onmiskenbaar als gedachtenflarden op papier gezet, waarna er nog een lichte hand van verzorgende esthetiek overheen is gegaan. Er is nauwelijks rijm, het spaarzame enjambement giet de tekst in een poëzie-achtige vorm en de afloop is vrijwel altijd een ontknoping met een twist.

    In de liefdessectie, onder de titel ‘Ex amore’, wordt het woord gegeven aan een gepijnigde minnaar die zijn verloren liefde herinnert en bezingt. De machteloze stem laat zich horen in weemoed, verlangen en vooral rancune.

    Vraagje

    Je zegt dat ik ons contract heb verbroken
    en de stilte die om ons hing
    Maar ging je uiteindelijk daarom weg
    of was je gewoonweg
    horendol
    zoals is gebleken toen je met die
    kobold
    op de proppen kwam

    Onevenwichtig
    Dat liegt er niet om. Is de dichter bewust op zoek gegaan naar een vorm van middenrijm met de woorden ‘horendol’ en ‘kobold’? Een geforceerde keuze, want beide begrippen lijken in hun wezensvreemdheid geheel te zijn verdwaald in deze regels. Het zal de kracht van de overdrijving zijn die hij heeft willen laten klinken, met als resultaat een soort luidruchtige poëzie die Donnez door de hele bundel heen laat horen. Hier slaat de dichter wild om zich heen, terwijl hij een pagina verder in heel wat fijnere bewoordingen zijn gevoel uitstort. In Ga niet lief en zonder wrok zomaar van me heen vindt hij het onverdraaglijk om zonder verbaal geweld uit elkaar te gaan. Een strofe die qua klank en ritme, nog afgezien van de meeslepende inhoud, heel goed op zichzelf kan staan:

    Ga niet lief en zonder wrok zomaar van me heen
    Oude liefde moet furieus en ziedend doven
    Raas, raas, of beter hak dat blok nu van je been

    Lawaaimakers
    De gedichten in het tweede deel hebben alles met taal van doen. Hier vindt de wat gekunstelde vormgeving een inhoudelijke bron, zoals in het gedicht Stiltemanifest. Donnez laat, met veel gevoel voor actualiteit, weten hoe we hedendaagse lawaaimakers de mond kunnen snoeren. Ons ‘zaligmakend zwijgen’ zal de sfeer ten goede doen keren:

    Weerloze weekdieren aller landen
    Nu er geen stilte meer is
    laten wij het kabaal dan stalken
    Het dazen en het razen een koekje
    van eigen deeg geven

    Tijd voor een nauwelijks hoorbare
    maar absoluut onoorbare kakofonie
    van gelispel en gewhisper
    We bezetten deze plek
    met lege wimpels en plakkaten
    Toeters en bellen
    blijven achterwege
    We slaan hiaten in hun aangeregen
    kladderadatsch van
    gebrul en gebral

    We krijgen ze monddood met
    ons zaligmakend zwijgen

    Ironie en humor
    De ironie wil dat juist deze dichter het kabaal aanwendt om gehoord te worden. Het is opnieuw die opgewonden toon die wordt toegepast om de woorden kracht bij te zetten, in de ‘kladderadatsch van gebrul en gebral’. Maar ironie en humor zijn dan ook volop aanwezig in deze bundel. Donnez is een observator met een grote eigenwaan, maar ook een flinke dosis zelfspot. Opvallend genoeg is zijn vertrekpunt vrijwel altijd de ik-vorm. Die spottende houding kan tegelijkertijd omslaan in venijnige afkeer, zoals in het gedicht Schuwstress tot uiting komt. Het is een onsymphatiek vers in zowel klank als betekenis en in het geheel niet als grap op te vatten:

    Op de trein zit bij het raam een jonge vent
    met talent voor ADHD
    Hij wiebelwobbelt contrapuntisch
    met de kadans op het spoor
    Vrijwel de hele rit kijkt-ie naar buiten
    Als we zijn gearriveerd wacht
    hij tot de laatste man om
    uit te stappen
    Ik heb me verborgen
    achter een reclamebord en
    zie nu ook zijn gezicht
    Het lijkt op een met aambeien
    dichtgeplakte kont
    Eerlijk, was ik zijn plaats
    ik nam de auto
    Veel relaxter

    Geen nuance
    Nogmaals, dat liegt er niet om. Een dergelijk schrijfsel opnemen in een dichtbundel getuigt van een zelfingenomenheid die, samen met nog een aantal andere verzen, de impact van deze uitgave direct doet kantelen. Ook hier lijkt de actualiteit een grote rol te spelen in de beleving van de dichter: de hooghartige profilering van de medemens krijgt een dermate cynisch karakter dat een vergelijking met het huidige maatschappelijke klimaat voor de hand ligt.

    Donnez gebruikt grote woorden, heeft een dubieuze opvatting over humor en is kort gezegd een lawaaiige dichter. Zijn hoekige en bonkige verzen ontberen iedere vorm van nuance: de dichter probeert veel te zeggen maar de woorden willen maar niet vloeien. De sporadisch aanwezige schoonheid in de taal wordt overdonderd door een breed palet aan bombastische grootspraak. Als een schaduwbokser, die constant op zijn hoede denkt te moeten zijn, probeert hij de juiste poëtische snaar te raken. Nu en dan haalt hij uit om met een ferme klap zijn woorden de ruimte in te slingeren.

     

     

  • Ongrijpbare gedichten

    Ongrijpbaar. Dat is het woord dat zich opdringt bij het lezen van de gedichten van Roland Jooris. De gedichten zijn niet lang en de dichter gebruikt geen moeilijke woorden. De situaties of plaatsen die Jooris soms in enkele woorden oproept zijn eenduidig. Maar wat de dichter met zijn gedichten wil uitdrukken blijft ongrijpbaar. Misschien moet men iets kennen of kunnen of weten om deze poëzie te lezen en te verstaan. Misschien is deze poëzie juist wel steengoed door de bloedwarme ‘ongrijpbaarheid’. Het leven zelf is ook vaak onbegrijpelijk. Toch?

    Kroonjaar
    Voor de Vlaamse dichter Roland Jooris was 2016 een kroonjaar. Hij vierde zijn tachtigste verjaardag. Het was zestig jaar geleden dat hij debuteerde. Het was veertig jaar geleden dat hem de tweejaarlijkse poëzieprijs van De Vlaamse gids werd toegekend. En zijn bundel Bladgrond verscheen, de zestiende bundel sinds zijn debuut in 1956.
    Bladgrond bestaat uit een kleine veertig gedichten, die zijn verdeeld over zeven afdelingen. Uit de afdeling ‘Basaal’ bijvoorbeeld komt het volgende gedicht:

    Het drijven van
    ondergrond

    Het bezonken gelaagde

    De klaarte van het wachten
    op een kier

    Uit de afdeling ‘Oponthoud’ komt TAK:

    TAK
    Het nog even bewogen
    buigzaam uiterste   

    Het bijna losgeraakte
    hulpeloze

    Het beven dat zich
    tekent

    Het ongrijpbare zelf benoemt Jooris dikwijls expliciet. In de bescheiden hoeveelheid tekst die de bundel Bladgrond feitelijk behelst is een overdaad aan te treffen van zinsneden als ‘het niet bestaande’, ‘buiten elk bereik’, ‘als iedereen weg is’, ‘onder aan de verte’, ‘veraf in de nacht’, ‘uit zijn evenwicht’, ‘niet te duiden’, ‘alles lost op’, tijdloos getrappel’. Daarnaast is vaak sprake van ‘nevel’, ‘mist’, ‘het wazige’, ‘verwarring’, ‘vervagen’, ‘oeverloos’, ‘bewolken’, ‘in de war’, …

    Nieuwe kleren van de keizer
    Roland Jooris schrijft stille poëzie. De gedichten bestaan uit woorden van een waarnemer, die met intense overgave kijkt, bewust sensaties ondergaat, deze tot een soort eigen, karige, vage essentie terugbrengt en verwoordt. Maar … Wat is dat toch met mannen van een zekere leeftijd? De dichter is zo zuinig. Zijn woorden lijken aan een stijf dichtgedraaide kraan te zijn ontwrongen, met geweld bijna. Vandaar ook die notie van het essentiële. En natuurlijk is het de muziek die de dichter openbreekt – ‘verbeten schor’ weliswaar, maar toch. Zie bijvoorbeeld het gedicht SOLO:

    Je slikt je zingen in

    Je kijkt naar wat je meent
    te weten

    Een onthutst gerucht
    komt uit vervagen
    tevoorschijn

    Het onmogelijk absolute
    ligt eigenzinnig op de punt
    van je tong

    Als op een cello
    schrijnt
    verbeten schor
    je hardnekkige
    geslotenheid

    Ook in het gedicht ‘Ingeving’, waarin sprake is van strijkers, benoemt Jooris opeens de precisie ‘die het onverklaarbare in zijn heelal openbaart’. Andermaal is het muziek die harmonie schept. Voor de een zullen de gedichten van Roland Jooris in hun ongrijpbaarheid van een veelzeggende pracht zijn, want juist daardoor zijn ze o, zo herkenbaar of poëtisch. Voor de ander zijn het misschien, ook na herhaaldelijk lezen en proeven, de nieuwe kleren van de keizer. De lezer mag het zeggen. Jooris biedt daarvoor alle ruimte.

     

     

  • Reis door het leven

    Het hoeft geen verwondering te wekken dat Myrte Leffring voor haar bundel De tere bloemen van het verstand als motto een citaat van Gorter heeft gekozen: waar hij de dichter van het licht genoemd kan worden, speelt datzelfde licht ook een belangrijke rol in deze bundel van Leffring. Zo is de titel van het eerste deel Wankelend licht en ook een aantal gedichten beginnen met een regel waarin het licht wordt beschreven: ‘Het licht leek van vloeipapier’ en ‘Het licht wankelde / die ochtend, onbeheersbaar / en naakt’.

    Zwart / wit
    Vogels, licht, de kleuren wit en zwart zijn de terugkerende elementen die deze cyclus van gedichten op een sprookje doen lijken, evenals het onderwerp: een vrouw wier naam onbekend blijft, maakt een reis en komt daarbij voor een brug te staan. Deze brug als archetype betekent een keerpunt in haar leven: blijft ze staan of zal ze hem oversteken? Zoals de titel een verre echo laat klinken van Baudelaires Les fleurs du mal, zo roept de inhoud van deze bundel een herinnering op aan Tellegens Brieven aan Doornroosje: het is onzeker of de prins wel ooit bij Doornroosje zal aankomen en het blijft ook in het ongewisse of de vrouw besluit de brug daadwerkelijk over te gaan. Dat is uiteindelijk ook niet belangrijk: niet het einddoel, maar de reis ernaartoe vormt het onderwerp.

    Leffring heeft ervoor gekozen om op de linkerpagina het verhaal over de vrouw in de verleden tijd te vertellen, waardoor het nog meer op een sprookje lijkt, ook zonder dat de woorden ‘er was eens’ letterlijk gebruikt worden. Op de rechterpagina staan – tegenwoordige tijd en cursief gedrukt – de gedachten van de vrouw en de herinneringen aan haar vroegere leven: deze twee benaderingswijzen vullen elkaar aan en geven zo een gelaagd beeld van de mythische reis van de vrouw.

    Deze reis heeft geen begin: in het eerste deel staat, zoals gezegd, een vrouw voor een brug. Er wordt niet vermeld waarom, vanwaar ze komt of wat haar tot deze reis heeft aangezet. Haar gedachten gaan over haar jeugd en haar vriendschap met een man, die later uitgroeit tot een liefdesrelatie. Ze zijn verliefd, ze krijgen kinderen, ze zijn gelukkig. De kleuren wit en zwart transformeren tot de felle kleuren paars, geel en lila van bloemen, ‘de tere bloemen van het verstand.’ Kleuren en bloemen worden gebruikt als metaforen om de liefde te beschrijven. Maar de voorbode van een verandering valt al te bespeuren:

    Dat je dacht dat
    je alles had en
    dat het nooit
    voorbij kon gaan
    dat je ergens wist
    dat het te mooi om
    waar te zijn
    […]

    Op de linkerpagina’s lezen we hoe de vrouw aarzelt, twijfelt, niet weet wat te doen. Ze ontmoet verschillende mensen, onder wie een jongen die haar aanraadt te stoppen met zoeken, ‘want je bent er al’, en een man die belooft voor altijd bij haar te zijn, maar ‘[…] na een jaar vertrok hij en / nam alle vogels mee’. Ze worstelt met Spijt en Schaamte en vecht ’tot ze haar nagels kapot geklauwd had’. Het zijn gepersonifieerde begrippen die van deze gedichten een allegorie maken en de naamloze vrouw tot een Elckerlyck verheffen die symbool kan staan voor iedereen. Zo krijgt ze twee kinderen die ze Lot en Noodlot noemt en die ze na vijftien jaar samen te hebben gelopen, wegstuurt: ‘zo is het voorbestemd, sprak ze / en maakte duwende gebaren / als om kippen voor zich uit te jagen’.

    Veel later is het Vergiffenis die haar benadert: vergiffenis kwam in de buurt, / keek welwillend en sloeg de vrouw / met een takkenbos om de oren.

    Het tweede deel, Iemand is een brug bestaat uit slechts één (sleutel)gedicht dat in enkele veelzeggende strofen vertelt over instortende bruggen. Zo is de bundel opgedeeld in een gedeelte voor de burg, de brug zelf en wat er achter de brug ligt.

    niemand luistert naar een ander
    bruggen storten in

    ik ben iemand

    Het derde deel, Totdat ook de nachten verdwijnen doet vermoeden dat er niet veel overblijft. De gedachten van de vrouw geven aan dat eerst de liefde aan het verdwijnen is:

    En er waren de nachten
    dat we wakker lagen
    niet in elkaar maar vanwege

    en scherp was de wijn en
    scherp waren de woorden
    waarmee ik hem moedwillig kwetste
    scherp waren de randen van
    de borden op de grond

    Leffring heeft weinig woorden nodig om een beeld te schrijven dat op je netvlies blijft. Haar beschrijvingen zijn raak en origineel, haar taalgebruik is schijnbaar eenvoudig. Achter wat zij schrijft is steeds weer een andere laag te ontdekken en alle elementen die ze telkens laat terugkomen – licht, vogels, kleuren – zijn symbolen die veranderingen markeren en verbindingen tussen de gedichten tot stand brengen.

    Opvallend zijn naast het licht vooral de vogels: nu eens is het een kraai, die als voorspeller en onheilsbrenger voor de voeten van de vrouw landt, dan weer zijn het negen zwanen, die veranderen in ‘zakken met dons en botten’ als in het sprookje van Grimm. En altijd is er sprake van veren; op de laatste pagina staat zelfs een kleine tekening van een veer waaruit vogels wegfladderen.

    Ondertussen wordt het landschap ruiger en onherbergzamer, er steken stormen op, de droogte regeert. De gedachten van de vrouw worden verwarder en ze vergeet steeds meer: alleen haar jeugd staat haar nog haarscherp voor ogen. Ze denkt aan haar vader en moeder en aan het meisje dat ze zelf eens was. Ze wordt oud en vergeetachtig, haar woorden worden gestamel. Ze keert terug naar de basis van het menselijke bestaan met alleen de essentiële dingen om zich heen: vogels, licht, lucht, waarin ze uiteindelijk opgaat en verdwijnt. Of ze al dan niet de brug is overgegaan, wordt niet nader aangeduid en lijkt niet meer van belang te zijn.

    Myrte Leffring is niet alleen dichter, maar ook voordrachtkunstenaar. Woorden en taal zijn voor haar even belangrijk als muziek: vier maal per jaar organiseert ze een salon, Dichter aan de vleugel, waar ze gedichten voordraagt bij pianomuziek. Ook deze bundel leent zich goed om voor te dragen: de muzikaliteit van de klanken, het ritme en de beelden laten zich goed vertolken in muziek. Met deze gedichten heeft Leffring een klein epos geschreven waarin de reis van de vrouw een heel leven duurt, een reis van de wieg tot aan het graf, met alle hoogte- en dieptepunten die het leven kenmerken.

     

     

     

  • Observaties van een voorzichtige optimist

    Van de gedichten uit deze bundel word je in eerste instantie niet vrolijk: de regen lijkt er altijd in te miezeren, de kleur van de omgeving is overwegend grijs, de buitenwijken zijn van grauw beton en vooral de menselijke onvolkomenheid is alom. De voornaamste drijfveer tot dichten schijnt voor Steven van der Jagt het verwoorden van de alledaagsheid te zijn en de ‘ondraaglijke sneuheid van het bestaan’, zoals de titel luidt van een interview van het Humanistisch Verbond met genoemde dichter. Toch gloort er bij nadere beschouwing licht aan de horizon en is het niet allemaal ellende wat Van der Jagt te bieden heeft.

    Deze bundel met zijn absurdistische titel is het debuut van Van der Jagt die in het dagelijks leven als begeleider van verstandelijk gehandicapten bekend moet zijn met het opnieuw definiëren van de realiteit, zoals hij dat ook in zijn gedichten doet. Zijn indrukken en observaties van de wereld om hem heen zijn gedurende twaalf jaar als foto’s in een album ondergebracht en laten een momentopname zien zonder dat daar een waardeoordeel aan gehecht hoeft te worden:

    ‘Kale takken houden
    -zonder schijn van wanhoop-
    plastic tassen in hun greep

    Nostalgische gedichten
    De gedichten zijn verdeeld in drie afdelingen: het eerste deel Decorstukken heeft als thema de mens en zijn omgeving, waarbij de dichter baadt ‘in herinneringen / van bossen, velden, modder en vuur’. Maar in het dorp van vroeger werden kroeg en kerk vervangen door flatgebouwen met ‘galerijen vol met grijze kinderen’ en ook de natuur heeft het moeten afleggen tegen de oprukkende hordes van uniforme nieuwbouw. De nostalgie die uit de gedichten spreekt, heeft niet alleen betrekking op wat geweest is, maar vooral ook op wat had kunnen zijn. Aan het eind van het gedicht ‘Vinex Resort’ constateert Van der Jagt echter:

    ‘Ver- en ontvreemding verwekken elkaar
    in deze nieuwe Hof van Eden
    We moeten het er maar mee doen’

    Het is vooral dat laatste schouderophalen van een opgewekte pessimist die de teneur van de hele bundel kenmerkt: wat niet te veranderen is, kun je beter verdragen dan vervloeken. In heel wat gedichten zwakt Van der Jagt de troosteloosheid af door er een flinke scheut humor aan toe te voegen om zichzelf en de lezer te bemoedigen en een hart onder de riem te steken:

    ‘Af en toe
    valt er een steen op je borst
    terwijl je wakker het plafond afstaart
    Ik verwijder hem want
    een vrouw laat ik niet tillen’

    Nietze geciteerd
    Zo kan de dichter ook in de meest grauwe situaties een sprankje zonlicht ontwaren, waardoor de alledaagse, saaie werkelijkheid een beetje kleur krijgt. Zijn eigen versregel ‘Maak er iets van’ waarmee het openingsgedicht van de bundel eindigt, schijnt daarmee de levensfilosofie samen te vatten van deze voorzichtige optimist.

    Eén tilapia van de eindstreep verwijderd is het tweede deel, dat een citaat van Nietzsche als motto meekrijgt waarin ‘vrolijk wantrouwen’ en spotlust aangeduid worden als tekenen van gezondheid: dat wijst al op de invalshoek van waaruit deze gedichten geschreven zijn. Ze lijken gericht te zijn aan een vroegere geliefde als monologen van een teleurgestelde minnaar, waarin hij zijn gewezen partner ironisch een trap na geeft en in gedachten wraak neemt:
    ‘Ik mis je bloed,
    je leugens, kleine knievalletjes
    Ik mis ze, mis je stank en drankloos nepgelach’

    om een ander gedicht te besluiten met:

    ‘Maar dat terzijde,
    want jij vermaakt je wel’

    In het gedicht Hersenzweet dat de indruk wekt een beschrijving van een nachtmerrie te zijn, komt dan eindelijk de intrigerende tilapia uit de titel aan bod, maar zonder nadere toelichting omtrent de betekenis:

    ‘Tussen nu en jou kleeft het prikkeldraad
    Eén tilapia van de eindstreep verwijderd,
    een glibbervis te veel’

    Het is een van de de ondoorzichtigste versregels uit de bundel en het is daarom een raadsel waarom juist deze regel gekozen is als titel van het gehele werk, want tenzij de titel ook een staaltje is van de ironie en de spot van Van der Jagt, is deze tilapia volstrekt willekeurig en had er voor de lezer net zo goed palmboom of schroevendraaier kunnen staan.

    Inspiratiebron
    Het derde deel is getiteld Homo homini merx, een variatie op het bekende ‘Homo homini lupus’ van de Romeinse dichter Plautus: de mens is een wolf voor zijn medemens. De variant van Van der Jagt zou volgens zijn blog De nagemaakte gek (waarvan de naam ontleend is aan een song van Spinvis, die door Van der Jagt genoemd wordt als zijn grootste inspiratiebron) vrij vertaald betekenen: ‘De mens is voor de mens een merk/handelsartikel.’ Hiermee wordt bedoeld dat de mens tegenwoordig beschouwd wordt als handelswaar en dat hij zichzelf dient te verkopen als een product om deel uit te kunnen maken van de moderne samenleving.

    De gedichten spreken van mensen die zichzelf opofferen aan de wens om te behagen en die er alles voor over hebben om in de smaak te vallen bij anderen, maar ook over de andere partij die gebruik maakt van de zwakheden van deze mensen om zichzelf daarmee beter in de markt te prijzen. Het is een verbeten spel van aantrekken en afstoten, waarin oppervlakkig uiterlijk vertoon belangrijker is dan innerlijke verdieping. De waarde van een mens wordt bepaald door wat anderen van hem denken. Dit zijn de bitterste gedichten uit de bundel waarin zelfs humor niet meer bij machte is de hardheid te verzachten:

    ‘Spreid uw benen in deze stad
    Het is zien en gezien worden
    […]
    Voor jou tien anderen’

    Het is niet de aantrekkelijkste afdeling uit deze bundel, maar Van der Jagt weet op doeltreffende manier de draak te steken met de hypes en de modegrillen in de maatschappij en dat levert een aantal vermakelijk boosaardige gedichten op.

    De indeling van de bundel is doordacht: de melancholie, waarmee de gedichten uit het eerste deel doordrenkt zijn, is beeldend verwoord en voert via de ironie in het tweede deel de lezer naar de verharde wereld van het derde gedeelte. Alsof je Dante leest in omgekeerde volgorde: van het paradijs naar de louteringsberg, om vervolgens uiteindelijk in de hel terecht te komen. Een eindstreep waarvan we allemaal één tilapia verwijderd hopen te blijven.

     

     

     

    ,
  • Twaalf lofliederen op lichamelijke schoonheid

    Voor iemand die zichzelf als ‘de ongelukkige minnaar’ omschreef had het  voor de hand gelegen de vrouw van zijn dromen in een rijdende trein aan zich voorbij te zien snellen. De Franse dichter, prozaïst en kunstcriticus Guillaume Apollinaire (1880-1918) had op 2 januari 1915 in Zuid-Frankrijk echter het geluk aan zijn zijde toen hij in de trein de 22-jarige Madeleine Pagès ontmoette. Hij ging terug naar het front., zij keerde na een vakantie huiswaarts naar Algerije. Er werden adressen uitgewisseld. En weldra kwam een correspondentie op gang gedurende welke de dichter haar, zonder elkaar een tweede maal ontmoet te hebben, om haar hand vroeg. Bijna een jaar na hun eerste ontmoeting zocht hij haar in haar woonplaats Orhan, Algerije op. Toen Apollinaire in maart 1916 een hoofdwond opliep door een granaatscherf, bekoelde zijn liefde voor haar. Uiteindelijk zou hij in hetzelfde jaar als waarin hij aan de Spaanse griep zou sterven met een andere vrouw trouwen.

    Relatie in brieven
    Al met al hebben Apollinaire en Madeleine elkaar anderhalf jaar lang intensief bestookt met brieven. Zij werd zijn muze aan het front waarvoor Apollinaire zich vrijwillig had aangemeld. Als kind van een Pools-Russische moeder en een Italiaanse vader had hij zelf geen vaderland om voor te sterven. In de brieven ging het er zo vurig aan toe dat zelfs in Frankrijk, dat zich graag mag laten voorstaan op zijn rijke libertijnse traditie, deze pas in 2005 en in ongecensureerde vorm, het licht mochten zien. In die briefwisseling zaten de twaalf Geheime Gedichten ( Poèmes secrets), die geschreven zijn tussen september en december 1915 en die Paul Claes – een eeuw later – voor het eerst integraal in het Nederlands heeft vertaald.

    Voordat Apollinaire bekendheid verwierf als dichter had hij zich – onder een schuilnaam – aan erotische lectuur gewaagd: de satire Elf duizend roeden uit 1907 en het sprookje De liederlijke avonturen van een jonge Don Juan 1911, waarin het onmogelijke mogelijk wordt. Zijn eigen liefdesleven viel er bij in het niet, want dat was niet arm aan mislukte affaires, gefnuikte verlangens en bijbehorende afwijzingen. Maar in de wereld van de kunst en schone letteren stond hij z’n mannetje. Hij had zich opgeworpen als steunbetuiger van moderne kunststromingen als het fauvisme en kubisme. In zijn korte leven wist hij zich omringd door kunstenaars (o.a. Picasso, Braque, Matisse en De Vlaminck) en vakbroeders die het niet aan eeuwige roem zou gaan ontbreken.

    Taal en verf
    Een tikkeltje afgunstig schreef hij naar aanleiding van Picasso’s schilderij Demoisselles d’Avignon uit 1907 dat hij zich als dichter gebonden wist aan de taal, waarin woorden vastgeketend lagen aan hun betekenissen. Terwijl een schilder als Picasso zich een nieuwe vormentaal kon kiezen. Zowel qua vorm als door zijn beeldspraak lukte het Apollinaire wel degelijk de poëzie te vernieuwen. In zijn debuut Alcools uit 1913 is de interpunctie afgezworen en in het beroemde gedicht Zone ademt de geest van de moderne tijd met al zijn uitvindingen en nieuwigheden door de metaforen en symbolen heen. Er komen al overlopende regels met zich vermengende beelden voor, veelal ontleend aan de moderne wereld van auto’s, vliegtuigen en affiches. Ongebruikelijke vergelijkingen en kosmische metaforen en alles opgediend in diverse stijlen. Maar daarnaast stuit men ook op beduidend traditionelere versvormen en conventionelere symboliek. Apollinaire is dan ook nooit avant-gardist pur sang geweest, hij sneed de banden met het verleden nooit definitief door. Maar de vernieuwingsdrang zette zich in de bundel Calligrammes (1918) verder door. Daarin werden typografische experimenten ingezet om tot synthese van verschillende kunstvormen te komen.

    Dichterlijk vrijmoedigheid
    De Geheime gedichten betreffen twaalf lofliederen op de lichamelijke schoonheid van de geliefde. Het put uit de traditie van de ‘blasonpoëzie’, waarin het vrouwelijk lichaam van kop tot teen wordt bezongen. De rijkdom aan beeldspraak heeft het gemeen met het Bijbelse Hooglied, waarin de schrijver zich onuitputtelijk heeft getoond in beeldspraak om zijn geliefde in woorden te vangen. Apollinaires ongebreidelde verbeelding gaat in deze geheime gedichten all the way. Hij kan met zijn geliefde tot kosmische proporties ophemelen:

    ‘Jij bent de vrouwelijke gedaante van het levende heelal met andere / woorden jij bent alle bekoring alle schoonheid van de wereld’. Hij kan, aardser, regels lang een vagina omschrijven om tot de slotsom te komen: ‘Ja, woud vol hunkering dat voortdurend kloven doet groeien dieper dan het paradijs’.

    Madeleines tanden:

    ‘die vlucht meeuwen o tanden op de geurende Middellandse Zee van je mond’. Ook de wenkbrauwen komen aan bod: ‘Grasperken waarin de liefde hangt als maneschijn’ en ‘riethalmen gespiegeld in het heldere waterdiep van haar blikken’. Intussen zijn de rollen wel duidelijk verdeeld. De ik is heer en meester, de geliefde zijn slavin: ‘En mijn mond is ook het Bevel dat jou tot mijn slavin maakt / En mij jouw mond geeft Madeleine / Ik neem jouw mond Madeleine’

    Deze bundeling geheime gedichten is niet bepaald illustratief voor het vernieuwendste wat Apollinaire in dichtvorm te bieden had. De interpunctie mag zo goed als afwezig ogen, typografisch is het conventioneel en met figuren als Pan, Tovenaar Merlijn en Memnon is de symboliek voornamelijk in de Oude Wereld geworteld, niettegenstaande een enkel modern beeld als: ‘En onze monden worden twee batterijen die elkaar beantwoorden’. Maar wat treft is de dichterlijke vrijmoedigheid om met de meest uiteenlopende beelden, van ‘panter’ tot ‘Pan’, zijn geliefde te bejubelen. In deze gedichten is alle macht aan de verbeelding. De oorlog kiert zo nu en dan prozaïsch door de regels heen: ‘Hoor de zang o zwijmelende Madeleine / Hoor de zang en de keerzang / Van de verscholen nachtegaal  / De kou komt terug de gruwelijke kou / Onder tentzeilen / En ik schrijf je mijn gedicht dat ik onder het schrijven zing / En ik schrijf het terwijl ik lig op de grond / De kou komt terug, de kou zonder vuur / Want wij hebben geen hout’.

    Fraai verzorgd
    Het laatste gedicht is ‘een symfonische liefdeszang’ die ‘ruist in de schelp van Venus’. In deze symfonie rijmen de ‘liefdeskreten van door goden verkrachte mensenvrouwen’ met ‘het gedonder en geschut dat in de obscene vorm van kanonnen de verschrikkelijke liefde tussen de volkeren voltrekt’. Liefde in tijden van oorlog, en geliefde als een veroverde oorlogsbuit. In het wonderlijke beeldenarsenaal van Apollinaire heeft alles zo zijn eigen logica. Als een dirigent heerst de dichter in zijn eigen symfonie die in prachtige poëzie zijn finale krijgt:

    Er is de kreet van de Sabijnse Maagden als ze worden geschaakt
    De bruidszang van de Sulammitische
    Ik ben mooi maar ik ben zwart
    En het kostbare gehuil van Jason
    Toen hij het vlies vond
    En de sterfelijke zang van de zwaan toen zijn dons tussen de blauwige dijen van Leda drong
    Er is de zang van alle liefde ter wereld
    Er is tussen jouw aanbeden dijen
    Madeleine
    Het gerucht van alle liefde wanneer de gewijde zang van de zee overal in de schelp ruist

    De bundel is fraai en verzorgd uitgegeven. Met een kort woord vooraf van vertaler Paul Claes. Meer heb je als lezer ook niet nodig om je over te geven aan de bruisende verbeelding van Apollinaire die iedere zin als een golfslag over de lezer heen laat spoelen.

     

     

     

  • Romantiek en bikkelharde realiteit in prozagedichten

    Een spook waart door Parijs – het spook van Keto Stiefcommando en de ontketende kaste der verschoppelingen. Eenmaal per jaar laat deze Keto Stiefcommando met zijn gevolg van geesten het spoken in Parijs met de opvoering van een danse macabre, waarin twee volkeren lijnrecht tegenover elkaar staan: de deftige, witte Parijzenaren versus de klonkies, de veelal Afrikaanse onderklasse van de Franse metropool. Maar de strijd wordt in de verbeelding beslecht. Even lijkt in Parijs de verbeelding waarlijk aan de macht.

    Stemmenspel
    In het vierdelige stemmenspel Daedalea, waarin poëzie en proza met elkaar vervlochten zijn, viert de symboliek hoogtij. Dichter en romancier Lieske (1943) laat acht Afrikaner ‘klonkies’ op straat in Parijs een stemmenspel opvoeren rond Mosje – die ‘van gestolen moment naar verloren ogenblik’ leeft. Dagelijkse voert hij bij de bushalte een schier onbegrijpelijk ritueel uit met zorgvuldig verpakte balen oud papier die hij omzichtig verplaatst en steeds opnieuw in zwart plastic verpakt.
    De rollen voor het spel zijn verdeeld door Keto Stiefcommando, die van het ‘dooienveld’ is teruggekeerd. In het spel zijn de verworpenen der aarde voor even ontheven aan alle wetten en regels. Zij zijn ware hoogvliegers in het rijk der verbeelding. ‘Wij vallen niet; wij veren overeind en terug.’ De klonkies, ’leden van die swarte rasse’, vertegenwoordigen ook de hoeren, de sjouwers, ‘kartonnendozenhandelaars’, de Roma en het slavenvolk dat in het oude Egypte de stenen bakten voor de piramides.

    Ze wanen zich niet slechts een onmisbare factor voor ‘s lands economie, maar zelfs kinderen van ‘het uitverkoren volk’. Te weten: het Joodse volk dat in het oudtestamentische Bijbelboek Exodus wist te ontsnappen aan de overheersing van het machtige Egyptische rijk van de Farao. De ‘Egyptenaren’ zijn dan ook hun tegenstanders, ofwel het ‘Parijse foie gras- en gratinvolk’, met hun ‘champenoise’. Die twee werelden, twee tijdlagen schuiven voortdurend naadloos over elkaar. En zo kan er dan ook een Egyptenaar tronen in het Elysée. Het verhaal krijgt van lieverlee trekken van het Exodusverhaal. Zo is Mosje, net als Mozes, te vondeling in het water gelegd om uiteindelijk te worden opgevist en aan het hof van de farao terecht te komen. Het is hem zelfs gelukt de liefde van de jongste dochter van de farao te winnen, die al badend elegant wordt beschreven: ‘zij zeilt met haar ideeën / tussen de geparfumeerde eilanden van haar knieën door.’

    Beloofde land
    Maar dwars door die romantische hofmakerij schemert op zowat iedere pagina de bikkelharde realiteit van het leven in de Parijse achterbuurten, waar een anonieme Pakistaan op straat kan sterven zonder dat er een ambulance wordt gebeld of medemensen te hulp willen schieten. ‘Wij hebben nooit geweten hoe Pakistanen sterven’. Het is de grote droom van Mosje zijn volk te bevrijden en mee te voeren naar het Beloofde Land. Daartoe is een uit afval opgebouwde ark in de Seine in gereedheid gebracht. De aanzet tot die ‘ingenieursachtige constructie’ van wrakhout en waslijnen die als een ‘wolkenstoel’ moet zweven boven de golven, is gegeven door Keto Stiefcommando. Die zelf boven het verhaal uit zweeft. Een jaar eerder was deze populaire souteneur een raadselachtige dood gestorven. Hij ‘spreidde zijn armen / in een wereldwijd gebaar, zette zijn lippen in een verzamelgrijns’ en bezweek vervolgens aan een ‘cocon van enthousiasme’. Zijn faam is sindsdien alleen maar gegroeid. Hij wordt geroemd als‘architect, de uitvinder. Á la Daeladus, Daedalea’.

    Daedalea
    Niet alleen wordt daarmee verwezen naar de mythologische figuur die uit het labyrint wist te ontsnappen met zijn zelfgemaakte vleugelpaar ingesmeerd met bijenwas. Maar ook naar de schimmel Daedalea die het gemummificeerde lichaam van farao Ramses II zou hebben aangetast. Het verhaal zit dan ook boordevol voor de hand en minder voor de hand liggende symbolen en bij eerste lezing kan het de lezer gaan duizelen. Zo vinden Jeanne d’Arc, Jan Steens schilderij ‘Mozes en de kroon van de farao’ en Giscard d’Estaing in dit verhaal moeiteloos onderdak. Maar parallel aan de verbeelding raakt ook de taal op drift en daarvan valt in dit stemmenspel het meest te genieten.

    Stonden Lieskes gedichten altijd al garant voor eigenzinnige beeldspraak en een zinnelijke, exuberante toon in Daedalea dient de taal als glijmiddel van het verhaal. Van sappig Afrikaans ‘ek het’n snaakse droom gedroom’ jongleert hij in ongeëvenaarde taalschwung van prozagedicht naar poëtischer taal: Het is een zinderende hutspot van straattaal tot verheven poëzie. Lieske legt verantwoording af dat hij voor wat betreft het Afrikaans gebruik heeft gemaakt van verklarende woordenboeken, romans en gedichten. Bij die overmacht van de taal lijkt het verhaal nog enkel bijzaak. Als na enige, effect sorterende oudtestamentische plagen tot slot het bal van de clochards volgt, denkt Mosje aan de plicht die op hem wacht van de zwarte rommelbalen, ‘voor eeuwig en voor nu en later’. Hij heeft maar een stem vertolkt. ’Want wie niets heeft, droomt zich een farao te zijn’. Maar de taal ervan is blijvend en zal hergenietbaar blijken.

     

     

     

  • Niets is wat het lijkt

    Wie Eva Gerlach wel eens heeft zien optreden of horen voorlezen, bewaart misschien ook de herinnering aan iemand die kwetsbaar oogt en klinkt, en tegelijkertijd in haar poëzie iets kan laten doorklinken van onverzettelijkheid, kracht en hardheid. Dat dwingt respect af maar schept ook afstand. Die afstand maakt het soms hachelijk om deze gedichten te ‘beoordelen’. Bovendien stelt Gerlach hoge eisen. Ontsnappingen maakt deel uit van een drieluik getiteld Labyrint. Het drieluik is echter nog niet in z’n geheel verschenen. Als we dus een deel van Labyrint lezen en bespreken, doen we dat zonder het gehele ‘labyrint’ te kennen. Ziedaar, een enigma. Dat past wel bij deze soms zo duistere – om niet te zeggen labyrintische dichteres. De gedachte aan het befaamde credo van Harry Mulisch dringt zich op: “Het beste is, het raadsel te vergroten.”

    Anderzijds: poëzie van Eva Gerlach lezen en bespreken… er is niks hachelijks aan. Zij heeft in de poëtische eredivisie al jaren een solide koppositie. Haar werk is sinds haar debuut in 1979 met enthousiasme begroet, in het jaar 2000 verwierf zij de hoogste literaire onderscheiding van ons land: de P.C. Hooftprijs.

    Ontsnappingen dan. De bundel bestaat uit negen afdelingen, die elk weer vijf of zes gedichten omvatten. In de eerste afdeling ‘trein’ ontsnapt iemand door in slaap te vallen:

    […]
    Herinnering maakt de wereld,
    kijk ze zweeft over de sloot
    en de koeien staan woest en leeg zonder gedachten
    terwijl tegenover je nu
    het volmaakt bespikkelde meisje haar schoenveters losknoopt,
    een mandarijn eet, in slaap valt.

    De afdeling ‘Meneer Touba’ verwijst naar de bekende briefjes die wij allen wel eens in de brievenbus vinden. Zij betreffen de bemoedigende beloften van exotische dokters die elke kwaal kunnen genezen en aan elke ongewenste situatie een eind kunnen maken.  Valt er aan de geneeskracht van meneer Touba te ontsnappen?

    Hoe ziet de wereld eruit er is niets veranderd
    gewoon de slingerwereld van altijd,
    ik raak iets aan, het draait zich om en geeft mee,

    alles ook putdeksels de fietsen,
    zacht als mijn moeders vel dat alles vergeet.
    […]

    De afdeling ‘helder’ is zo vol van liefde, zo vol van tederheid en warmte dat juist ‘ontsnappingen’ niet gewenst lijken. Heet daarom het eerste gedicht ‘Anders’?

    Als je hem kon zien voorbij de halte
    TIJD IS GROEIEN VAN MOS OVER ALLES, hoe hij
    thuiskomt, melk drinkt bij de koelkast, hij  

    staat daar en hij heeft die ogen altijd,
    waarom is deze avond anders dan alle andere?
    Omdat hij elke avond anders hij

    Neemt me in zijn armen en hij neemt me
    in zijn armen en hij. Zo veel

    dagen en nachten: alle.

    Het mooie van de poëzie van Eva Gerlach is dat niets is wat het lijkt. Daarmee zijn de gedichten van deze begenadigde en gelauwerde dichteres ook zelf weer ‘ontsnappingen’, ontsnappingen aan een labyrint – nog vóórdat het voltooid is. Het bevestigt de vluchtige tijdelijkheid. Niks meer kwetsbaarheid of kracht: Gerlach ontsnapt zelf aan het oordeel, aan de lezer en aan ‘de wereld’, en haar gedichten ontsnappen navenant – wie weet ook wel aan de schrijfster zelf, want ook een gedicht kan je ‘ontsnappen’. En begrijpen we iets niet? Klopt … we zijn immers aan het ont-snappen, aan het niet-meer-snappen? Voilà.

    De mooiste woorden in de bundel ten slotte zijn die van meneer Touba, en Eva Gerlach heeft ze zelf voor ons uitgekozen:

    Alles is altijd hier, zegt meneer Touba, doet u
    gewoon wat ik zeg en alles komt bij u terug.  

     

  • Michel daagt de wereld uit

    In deze verzamelbundel zijn vijf dichtbundels van Michel samengebracht met als ondertitel Alle gedichten tot nu toe. Maar op deze explicite bewering volgde nauwelijks twee maanden later zijn allernieuwste bundel Te voet is het heelal drie dagen ver: de tijdsbepaling ’tot nu toe’ dient dan wel heel letterlijk genomen te worden. Een grapje van de dichter? Wie door de inhoud van het boek bladert, komt al gauw tot de conclusie dat die vraag gerechtvaardigd is, want humor is Michel zeker niet vreemd. Ten dele komt dat ook tot uitdrukking in de titel Speling zoeken, die ontleend is aan een regel van Breyten Breytenbach uit diens boek
    n Seizoen in die paradys: ‘Ik speel niet, ik zoek speling.’ Michel vatte dit volgens zijn schrijven aan Rutger Kopland op als ‘het zoeken naar bewegingsruimte in de etiquette van de taal, in de codes die voorschrijven hoe het hoort; met als doel om bewegingsruimte te creëren, om even diep adem te kunnen halen.’

    K. Michel (pseudoniem van Michael Kuijpers, dat hij vormde door de eerste letter van zijn achternaam als initiaal te nemen en van zijn voornaam zijn achternaam te maken) debuteerde in 1989 met de bundel Ja! Naakt als de stenen, een verzameling gedichten gelardeerd met een overvloed aan uitroeptekens en imperatieven, waarmee een schuimende overmoed uitdrukking geeft aan een ‘Sturm und Drang’- periode, die door niemand ooit beter omschreven werd dan door Marsman met zijn ‘Groots en meeslepend wil ik leven / hoort ge dat, vader, moeder, knekelhuis!’. Geheel in deze geest daagt Michel de hele wereld uit: ‘Bwoehoeoe! / Grote boze wereld!  […] / Bwoehoehoeoeoe! /  Mij pakken ze niet meer’

    Optimisme en blijmoedigheid voeren de boventoon in deze bundel: de titel ‘a capella’ die aan het eerste deel is gegeven, duidt er al op dat het leven een feest is dat bezongen moet worden:

    Yaaa!
    Het leven voorbij de namen.
    Yaaa!
    De liefde die danst.
    Yaaa!
    Duizend miljoen seringen.

    Alleen het hier en nu lijkt van wezenlijk belang te zijn, al wordt er in Jeugdherinneringen even teruggeblikt op het verleden, maar ook hier alleen lichtvoetigheid en speelsheid. Deze dichter put niet uit de bron van een ongelukkige jeugd, dat mag duidelijk zijn: water, licht, zon en kleuren zijn de hoofdbestanddelen in deze feestelijke eerste bundel. Dit is poëzie waar je blij van wordt.

    De vijf opgenomen bundels laten een ontwikkeling zien van jeugd naar volwassenheid: al in de tweede bundel Boem de nacht wordt de toon ernstiger en nadenkender. Waar in de voorgaande afdeling alle gedichten iets vertelden over de dichter zelf, hoeft het onderwerp van de gedichten  niet meer het persoonlijke ik te zijn, maar kan nu ook een derde persoon beschreven worden:

    Ze is een jaar of veertig
    haar kinderen zijn op de jongste na
    allang het huis uit
    en haar man, ander onderwerp

    De wereld is groter geworden en de dichter beperkt zich niet alleen tot zijn directe omgeving. Toch lijkt Michel zich in deze verzamelbundel steeds de vraag te stellen wie hij is in verhouding tot dat wat hem omringt en zoekt hij voortdurend naar de samenhang van patronen en processen. Hij probeert de ordening van de dingen te begrijpen om tot het wezenlijke te komen, ontdaan van alle franje. Wat daarbij het meest opvalt, zijn de grillige ideeën en de speelse, originele invallen die hij gebruikt: zo wordt de dichter letterlijk opgevoerd als een fossiel, kunnen bomen praten, laat hij gras dromen en wordt in het gedicht Ook de vissen de Haagse Hofvijver rechtstandig overeind gezet ‘als een majestueuze wand van water’. Ook in zijn beeldgebruik komt een heel eigen kijk op de dagelijkse dingen naar voren: zo schrijft hij in het gedicht Op weg naar de koelkast : ‘Ik voel me beroerd, een gebroken ei / een blote dooier schommelend in een glazen kom’. Wie wel eens gekeken heeft naar zo’n dooier, weet dat de vergelijking van Michel niet treffender kan zijn: je zou er zelf nog beroerd van worden. Verderop worden saaie sanseveria’s – toch niet het grootste geschenk van Moeder Natuur aan de mensheid –  verrassend vergeleken met ‘Een rij groene chorusgirls / die één been hoog de lucht in gooien.’  Michel goochelt met woorden op een ogenschijnlijk vanzelfsprekende, gemakkelijke  manier en laat de lezer met de achterkant van de dingen kennismaken, waardoor eenvoudige objecten plotseling vanuit een heel nieuw perspectief bekeken kunnen worden: zo krijgen de alledaagse, vertrouwde dingen een andere interpretatie.

    Niet alle gedichten zijn even sterk: sommige zijn zo zeer een verwoording van de innerlijke gedachtewereld  van de dichter dat het voor buitenstaanders niet langer begrijpelijk is en tot wartaal verwordt. Soms spreekt hij vanuit een droom zijn gedachten uit en ook dan is het voor de lezer moeilijk om hem te volgen. Ook waar namen genoemd worden: bijvoorbeeld ‘Als Ans er niet geweest was!’ in het al eerder genoemde gedicht Jeugdherinnering, voegt dat voor de lezer niets toe. Ook zijn er gedichten die zo raadselachtig zijn van inhoud, dat de schouders ophalen en verder bladeren het enige is dat er voor de lezer opzit. Andere gedichten doen sterk denken aan Toon Tellegen of ook wel aan Ted van Lieshout en het verhaal van de man die op de leeftijd was dat hij ‘liever een sprekende kikker [had] dan een prinses’ is verre van oorspronkelijk. De verwijzingen van Michel naar andere auteurs en hun werken duiken overigens vaak op in zijn gedichten, echter zonder hieraan een speciale nadruk te geven.

    Elke opgenomen bundel lijkt beter dan de vorige: naast de filosofische visie op de dingen sluipt er een melancholische sfeer door de gedichten, zonder dat er iets aan de speelsheid en originaliteit verloren gaat. De gedichten worden complexer en indringender, zoals in het mooie gedicht ‘Lieve’, waarin een schetterende megafoon aankondigt dat de chemokar in de straat is. Het simpele ophalen van chemisch afval wordt tot een: ‘luguber […] klinken […] voor hen die kanker hebben’. Dit leidt tot een bijbelse vervloeking van de dichter: ‘Moge de wind opsteken / en de regen een vuist maken / de luidspreker platslaan’. Het verschil met de gedichten uit de eerste bundel kan nauwelijks groter zijn. Wat niet betekent dat Michel zijn humor is verloren:  de beginregel ‘Marx ging naar Zaltbommel om zijn oom te zien’ behoeft nauwelijks toelichting. Ook humor door zelfspot treedt regelmatig op en steeds weet hij het komische met het plechtige element te verweven. Het gedicht ‘Indringend lezen volgens dr. Drop’ is daar een schitterend voorbeeld van.

    Michel ontdoet de daagse dingen van hun zwaarte zonder ze daarmee aan kracht en betekenis te laten inboeten. Hij geeft aan zijn gedichten een speelsheid die dwars tegen logica en realiteit ingaat, maar het kost geen enkele moeite om hem op zijn kronkelige pad te volgen. ‘Al dat gepuzzel, man, alsof niemand weet / dat het allemaal draait om vertalen / het halen van adem, het eten van brood’.