• Troost gezocht

    Ik zat op een rode driezitsbank in een van de gefingeerde woonkamers bij Ikea en dacht aan Leo Vroman. ‘Bij zijn leven kon hij zo over de dood schrijven dat je er bijna zin in kreeg’. Een zin waarmee Rob Schouten de dichter Vroman op treffende wijze memoreerde in een van zijn columns. Een tijd geleden zag ik met Mijn lief, die nu even Mijn lief niet is maar morgen vast weer wel, naar de documentaire over het leven van het echtpaar Vroman. We keken in gezegende stilte. Alsof we weer kind waren en een sprookje voorgeschoteld kregen waarin dingen gebeuren die je niet voor mogelijk houdt. En na afloop verzuchtten we: ‘Zo oud te worden.’

    Een behoefte sterker dan mezelf had me naar Ikea gedreven. We gingen samen onderweg, ik en Mijn lief, die nu even Mijn lief niet is, want we belandden in een belachelijke woordenwisseling. Ik visualiseerde me een plaatje uit de catalogus van Ikea. Een bank en plafondhoge boekenkasten met glazen deuren, een keuken met wit porseleinen spoelbakken en glimmende kranen. Ik liet me afzetten op de parkeerplaats en keek niet meer om. Bij de ingang stuitte ik op een bak vol met langwerpige witte plastic dingen met gekartelde ronde openingen; een organizer voor plastic zakken. Dat iemand daarover had nagedacht vond ik opmerkelijk.

    Thijs Wolzak zoekt wekelijks, voor de fotorubriek Binnenkijken in het NRC, naar design uit ‘de woonwinkel die een oplossing weet voor alle woonproblemen’. Er is weleens een lamp, een eettafel of staande afwasborstel op een aanrecht gespot. Op de standaardvraag: ‘Wat van Ikea’, wordt niet zelden ‘Niets’ ingevuld. En dat staat er dan, zo trots als een pauw. De verleiding steeds weerstaan. Waarbij soms, als opnieuw naar het plaatje gekeken wordt, het vermoeden rijst, dat er heimelijk iets weggeborgen is, voordat Wolzak zijn foto kwam nemen.

    Ondertussen zat ik nog steeds op die rode bank en zag aan de andere kant van het gangpad hoe een man de rugleuning van een eettafelstoel stevig vastpakte en eraan begon te duwen en te trekken. Waarna hij erop ging zitten, wiebelde met zijn bovenlijf woest heen en weer. Een vrouw, wat wel zijn vrouw moest zijn, probeerde hem ervan af te houden. Gegeneerd liep ze achter hem aan een volgende eethoek binnen. Ik kan me niet voorstellen dat Vroman en zijn Tineke ooit ruzie hebben gemaakt, of zich voor elkaar geschaamd hebben. Steeds zag je dat lieve tussen hen, dat krachtige zachtmoedige dat nooit wee werd.

    Vorig jaar waren ze, via skype, te zien tijdens de Nacht van de Poëzie. De hoofden naar elkaar toegenegen, dicht op de webcam, terwijl hij haar liet kiezen welk gedicht hij zou voordragen. Over en moordenaar ging het, die het leven niet gekend had, en over een levensvrije toekomst en ‘mijn dood ligt veilig achter mij’. Waarop gevraagd werd ‘hoe het dan met het leven moest’. En Vroman licht schouderophalend  zei: ‘Nou, gewoon. Leven.’ Troost was wat ik nodig had.

     

     

  • Het was niets

    Ik kom altijd met een boek thuis. Ook als ik  kleren of andere dingen nodig heb, kom ik met een boek thuis. Het is iets dat met me op de loop gaat en dan is het beter thuis te blijven. Maar deze februari-ochtend, moest ik de deur uit omdat mijn kleine vriendin een nieuwe werkplek had gevonden en ze de weg erheen nog niet kende. Toen we vanuit het station de stad inliepen regende het, een zwaar wolkendek hing boven de huizen. Mijn kleine vriendin zette er flink de pas in, niet om de regen, die leek haar niet te raken, maar omdat ze zich verheugde op wat het ‘nieuwe’ haar zou brengen. Ik kon haar amper bijhouden. We kwamen op tijd aan, ze ging naar binnen. Ik mocht wel gaan. Dicht langs de gevels van de stad, om uit de regenval te blijven, liep ik over donker glimmende stoeptegels tot ik moest uitwijken voor een geopend kelderluik. Een man in een geribd colbert droeg een zware boekendoos vanuit een auto de kelder in. Ik vroeg of er nog iets bijzonders tussen zat en of ik even mocht kijken. ‘Ga je gang’, zei de man en ik daalde de trap af, de kelder in.

    Langs de vochtige muren stonden schragentafels met boeken. Ik werd aangetrokken door een in zwart en wit gecoverd boek met de titel Nada, van Carmen Laforet. Een vertaalde roman met een Spaanse titel, waarvan ik de schrijfster niet kende. De gebonden uitgave liet zich met een lichte tegendruk  openvouwen, ik las de eerste zin, Vanwege moeilijkheden op het laatste moment om kaartjes te bemachtigen kwam ik rond middernacht in Barcelona aan, met een andere trein dan ik had aangekondigd, en er stond niemand op me te wachten.’
    Eenzaamheid, maar ook doortastendheid spraken uit deze eerste zin. Een roman over het leven van de wees en adolescent Andrea, in het jaar direct na de Spaanse Burgeroorlog (1936-1939). Een ontwikkelingsroman vol rauw verzet waarin geluk geen optie is. ‘Dit boek heb ik nodig’, zei ik tegen de man in het geribde colbert. Hij vroeg er drie euro voor.

    Het meisje van de lege lunchroom, nam mijn bestelling op. In afwachting bekeek ik de mooie rokende vrouw op het omslag van Nada. Toen kwam er een man met donkere krullen en een intelligent gezicht de lunchroom binnen. Met een krachtige, indringende blik keek hij me verwachtingsvol aan, alsof hij me naar zich toe wilde trekken. Opeens leek de lunchroom te klein, ik wist niet waar ik kijken moest, sloeg het boek op een willekeurige plek open, en las ‘Román glimlachte naar me en streelde me over mijn wangen; daarna verliet hij rustig de kamer (…).’ Toen ik weer opkeek, stond het meisje van de lunchroom voor me. Ze glimlachte, zette een cappuccino voor me neer. En ik dacht, het is niets.

     


    Inge Meijer is een pseudoniem, rommelt met boeken en schrijft over ontdekkingen aan de randen van de literatuur.

  • What’s in a name

    Vanmorgen liep ik een boekhandel binnen. Ik had geen paraplu nodig, of leesbril. Ik zocht een boek. Dat kon gelukkig in deze boekhandel. Het winkeltje lag aan een rustige winkelstraat waar, op het uitwaaierende geroep van voorbij fietsende scholieren en het rammelen van de winkeldeur die ik opentrok, verder niets te horen was. Bij binnenkomst stond daar als een blok de toonbank, vol papierwerk, boekjes, boeken, folders en een hoge kassa. Links lag de winkel als een open boek voor me. Boeken aan mijn voeten en boven mijn hoofd. Daartussen een smal pad dat langs boeken voerde die op kuithoogte lagen. Achter me een hoog opgetaste boekentafel. Rustig aan nu. Denk, denk om de rugzak. Draai met beleid en stoot nergens tegen aan. Bukken om, naar zal blijken, de zesde druk van Sylvia Plath’s De glazen stolp, naar me toe te halen.

    Vanuit een nis onder de trap die zich halverwege de winkel bevindt, klinkt een goedemorgen. En of ik het vinden kan. ‘Jaja, neenee’, zeg ik en sla het boek van Plath open. De boekhandelaar treedt uit zijn nis naar voren. Een echte boekhandelaar, beetje raar haar, plat op zijn hoofd, bril op zijn neus, niets bijzonders. ‘En, vraag ik, bent u blij dat het doek voor Polare gevallen is?’ Gelijk ik de naam uitspreek wordt er in mijn hoofd een gitaar aangeslagen. ‘Kreeg u zoiets als: eigen schuld dikke bult en ik had het wel gedacht?’ ‘Tjsa’, zei de boekhandelaar die een echte romanticus bleek: ‘die groots opgezette boekhandels kijken naar kopers maar vergeten de lezers. Deze stad kent geen Polare’, vervolgde de boekhandelaar grijnzend. Een hese stem zong in mijn hoofd: ‘Volare oho, cantaré oho ho ho’. Ik kon er niets aan doen. Zo gauw ik Polare hoor, denk of een vestiging binnenloop, gaan de Gipsy Kings los in mijn hoofd. Niet dat het er iets mee te maken heeft. Die opzwepende vurigheid bezat Polare helemaal niet. What’s in a name? In die van Polare dus niets. Echte boekenwinkels varen wel onder namen als Someren & Ten Bosch, Lovink, Nawijn & Polak, Athenaeum, Schimmelpennink. En daar staat dan Boekhandel voor, of achter. Weet je gelijk waar je aan toe bent.
    Ik stond nog met De glazen stolp in mijn handen en las de eerste zin die een hoop in me losmaakte:

    ‘Het was een merkwaardige snikhete zomer, de zomer dat ze de Rosenbergs elektrocuteerden, en ik was in New York, en wist niet wat ik er deed.’ De hitte was voelbaar, blote voeten over smeltende teerwegen en de dreiging van het onbevattelijke. En dat je dan niet weet wat je daar doet. Maar ook niet weg gaat. Bij de kassa zei de boekhandelaar, nog steeds grijnzend: ‘Een klant vertelde me laatst dat als hij bij Polare rondliep, hij subiet niet meer wist wat hij er deed. Merkwaardig niet?’ Volare, oho, cantaré oho ho ho, ging het in mijn hoofd terwijl ik toekeek hoe de boekhandelaar het boek met papier omwikkelde en vakkundig dichtplakte.

     

  • De getergde dichter

    Laat ik het hebben over een vergeten stad waar een getergde dichter woont (die liever muzikant was), die op een scooter zijn reisfobie tracht te overwinnen en van dit alles poëzie maakt. En over de groupie in mij die achter de getergde dichter aansurft tijdens zijn tour langs virtuele podia. Geen sex, drugs & rock ‘n’ roll groupie die steevast eindigt in de porno-industrie (volgens wikipedia) maar de eigentijdse. Surfend van blog naar blog waar de bundel Ademhalen onder de maan van hand tot hand ging en nu in enigszins beduimelde staat bij mij op tafel ligt. De sporen van bewondering en teleurstelling zijn gelegd, het oordeel is geveld.

    Als bundel werd het werk van de getergde dichter vergeleken met de uitstraling van een gemeentefolder of juist geprezen om dat ene gedicht dat nu net niet van de getergde dichter zelf was. Een ander prees zijn bundel als perfect waarna het verwijt (waarom niet eerder zo gedicht, was de getergde dichter soms te lui, te ongeduldig geweest?) direct toesloeg. En ach, de getergde dichter werd steeds getergder en zoals het een goed dichter betaamt schreeuwde hij met opeengeperste lippen: ‘Jullie begrijpen er helemaal niets van, laat me met rust’. Maar toen hij zijn lippen van elkaar deed en zijn mond opende kwam daar het verraderlijk vage: ‘Waarschijnlijk zit er wel wat in je kritiek’.

    Als groupie ter plaatse had ik hem een flinke borrel geschonken en hem het zelfvertrouwen van een klassiek dichter laten ervaren. Wat dit dan ook mag inhouden, zeker is dat aan ondermijnende kritiek, hoe licht ook, niet werd toegeven. De dichter hoeft niemand te vriend te houden. Een getergde dichter moet een beetje sarren en stoken. Dat is goed voor het vuur.

    De getergde dichter schreef een bundel vereenzamende en tevreden makende poëzie. Tevredenheid en eenzaamheid  gaan hand in hand, een fijn koppel. In eenzaamheid kan de groupie in mij een volstrekt tevreden staat van zijn bereiken. Daar komt geen drugs & rock ‘n’ roll aan te pas. Poëzie waarover een dergelijk fijn sluier van vervreemding ligt dat eenzaamheid zich des te sterker laat gelden, is mij genoeg. Dat is  niet dramatisch. De poëzie van de getergde dichter is aan de werkelijkheid ontleend en daar bevindt zich geen drama in. Zijn werkelijkheid gaat zo diep als hij nodig heeft om te (over)leven. Elke bundel steeds moeilijker te doorgronden. Waar vanuit een haast meditatief schrijven de schrijnende zaken des levens belicht worden; waar doen we het  voor en wat is het doel van dit al.

    Dan wordt het tergender. De bundel wordt geprezen om het gedicht dat niet door de getergde dichter zelf is geschreven maar vertaald. Dat doet denken aan een scène uit het liedje ‘De eerste klant’ van Wim Sonneveld. Over twee geliefden die een winkel
    beginnen maar geen klandizie oogsten. Toen ze ten einde raad waren en hun liefde verbleekte, ‘Toen kwam er een meisje naar binnen/ Een briefje van tien in haar hand/ Die vroeg of de baas dat kon wis’len/ En dat was hun enigste klant.’ De groentewinkel gebruikt als wisselkantoor en de bundel van de getergde dichter als doorgeefluik van een andere dichter.

    Tragisch het lot van de getergde dichter in zijn vergeten stad die verlangd naar (…) roken op bankjes met lotgenoten, roken / wat ik maar tussen vloeipapier kan krijgen, roken / tot elke gedachte is verdampt (…) Je bent zo moe. De wereld is groot / en vol geheimen. Het nest is het beste./ Pas op want ik blijf.’
    Waarmee de reisfobie gesublimeerd wordt en ik, als groupie hem vanachter mijn tafel op de voet zal volgen.

     

     


    Inge Meijer is een pseudoniem, schrijft over ontdekkingen aan de randen van de literatuur.

     

     

  • Superieur gemopper van een nietig mens

    In het tweede deel van De kaart en het gebied wandelt Michel Houellebecq zijn eigen roman binnen. De manier waarop hij zichzelf introduceert, is een knipoog naar glossy interviews waarin ‘de mens achter de beroemdheid’ gretig wordt uitvergroot:

    ‘Hij belde aan, wachtte een halve minuut en de auteur van Elementaire deeltjes kwam opendoen, op pantoffels, gekleed in een ribfluwelen broek en een comfortable kamerjasje van ongebleekte wol. Hij nam Jed lang en nadenkend op en richtte zijn blik toen op het gazon met een mijmerende, droefgeestige uitdrukking die hem leek aan te kleven.’

    Houellebecq beschrijft zijn romanversie als een schurftige, eenzame man met een drankprobleem. Die introductie van zichzelf binnen het kader van een roman roept associaties op met Summertime, de quasi-biografie van Coetzee waarin hij een kritisch beeld van zijn overleden zelf laat schetsen. Maar waar Coetzee’s zelfportret adembenemend menselijk is, lijkt Houellebecq in eerste instantie vooral een lange neus naar de wereld – de Franse media in het bijzonder- te maken.

    ‘De wereld heeft genoeg van mij. En ik al evenzeer van haar’. Dit citaat van de dichter Charles d’Orléans koos Houellebecq als motto voor zijn boek. Het laat aan duidelijkheid weinig te wensen over.

    In De kaart en het gebied  heeft de kunstenaar Jed Martin bekendheid verworven met een fotoserie van Michelinkaarten. ‘De kaart is interessanter dan het gebied’, was de titel van de bijbehorende tentoonstelling. Inmiddels werkt hij al geruime tijd aan een serie geschilderde beroepsportretten. In deze fase van zijn leven waarin hij worstelt met zijn laatste werk, (Damien Hirst en Jeff Koons verdelen onderling de kunstmarkt), zijn combiketel en zijn herinneringen, vraagt Martin de schrijver Michel Houellebecq een inleiding bij zijn catalogus te schrijven.

    Hun eerste ontmoeting vindt plaats in Ierland waar de schrijver op dat moment woont.  Na een avond in zijn gezelschap te hebben doorgebracht, besluit Martin een portret van Houellebecq te schilderen. Wanneer hij de schrijver een paar maanden later opzoekt met een fles dure wijn, treft hij ‘de auteur van Weerbaarheid’ in een zekere staat van verwaarlozing aan:

    ‘”Eén fles maar?” vroeg de auteur van Het streven naar geluk, terwijl hij zijn nek strekte naar het etiket. Hij stonk een beetje, maar minder dan een lijk; het had al met al slechter kunnen gaan.’

    Na de tentoonstelling die hem puissant rijk heeft gemaakt, gaat Martin nog één keer bij de schrijver langs, dit keer om hem zijn portret te overhandigen. Houellebecq is inmiddels teruggekeerd naar Frankrijk en heeft zijn intrek genomen in het huis op het Franse platteland waar hij zijn kinderjaren heeft doorgebracht.

    Zoals Martin al voorvoelt, is het hun laatste ontmoeting. Niet lang daarna zal de schrijver bruut aan zijn einde komen en samen met zijn hond Plato gefileerd tot kleine stukjes vlees als Action Painting op de vloer van zijn huiskamer door de plaatselijke gendarmerie worden aangetroffen. Jed Martin stopt met schilderen en richt zich in de laatste jaren van zijn leven op het filmen van afgedankte computermoederborden.

    Deze schrale plot lijkt niet meer dan een alibi voor de schrijver om uitgebreid te fulmineren en te filosoferen. Die schraalheid betreft ook de geschakeerdheid van de (mannelijke) personages die de roman bevolken. Zonder uitzondering zijn het opzichtige pendanten van de schrijver: bordkartonnen Houellebecqjes die zich mensen- en relatiemoe uit de wereld hebben teruggetrokken.

    Maar steeds als de eenkleurigheid van zijn personages gaat tegenstaan, volgt er weer een onverwachte geestigheid die veel goedmaakt. ‘Ik ben teruggevallen… Ik ben qua charcuterie helemaal teruggevallen.’ laat hij Houellebecq ergens sip constateren.

    Wat mij wel voor de mannen van Houellebecq inneemt, is hun eeuwige geaarzel dat zelden gaat over hoe zij zouden moeten handelen, maar altijd over wat zij zouden mogen verwachten van het leven. Toch mept Houellebecq ons keer op keer weg bij zijn personages. Steeds wanneer een karakter al te menselijke trekken vertoont, volgt er weer een ironisch, afstand scheppend intermezzo. Iemand ziet de siliconenborsten van zijn vrouw als haar grootste kwaliteit. Er wordt superieur gejammerd over een lievelingsparka die niet meer in productie is. De arts van de euthanasiekliniek die Houellebecqs vader heeft geholpen, krijgt een muilpeer en de commissaris die belast is met het onderzoek naar de moord op de schrijver, betreedt de plaats delict uiteraard op Maigreteske wijze:

    ‘Zodra hij het portier van de Safrane opendeed begreep Jasselin dat hij voor een van de ergste momenten van zijn loopbaan stond. Op een paar passen van het hek zat luitenant Ferber lethargisch met zijn hoofd tussen zijn handen in het gras, volmaakt onbeweeglijk.’

    (…)

    ‘Langzaam, als een jongen die straf krijgt, keek Ferber op en wierp hem een klaaglijke, verbitterde blik toe.

    “Is het zo erg?” vroeg Jasselin zacht.

    “Nog erger. Erger kun je je niet voorstellen. Degene die dit heeft gedaan…zou niet mogen bestaan. Hij zou van de aardbodem moeten worden weggevaagd.”

    “We krijgen hem wel, Christian. We krijgen ze altijd.”‘

    Op de grafsteen van de vermoorde schrijver staat de afbeelding van een möbiusband. Het is alsof de auteur van Platform wil benadrukken dat we in ons leven ogenschijnlijk ergens naar toe gaan, maar dat aan het eind van onze rit de weg die we bewandelen gewoon de andere zijde blijkt te zijn van het pad waar we ooit begonnen.

    Dit duizeligmakende principe vlecht Houellebecq met steeds weer andere ballorige vondsten door zijn verhaal. Zo laat hij de schrijver aan het eind van zijn leven weer slapen in zijn oude kinderbed, en blijkt zijn doodskist een kinderkist van slechts 1.20m lang. Door zijn gefileerde toestand is hij ‘niet meer dan een klein, compact hoopje van veel geringere omvang dan een normaal menselijk lijk.’

    De kaart is interessanter dan het gebied. Kunst is belangwekkender dan de mens. Houellebecq kan er met zijn bladzijdenlange uitweidingen over kunst en zijn gemopper op de nietigheid van de mens geen genoeg van krijgen om dit te benadrukken. Tegelijkertijd ondermijnt hij met zijn geschmier, zijn treiterige cursiveringen en wikipedia-feitjes voortdurend het gewicht van zijn werk.

    ‘Ik denk dat ik het wel zo’n beetje gehad heb met de wereld als verhaal- de wereld van romans en films, de wereld van muziek ook. Ik interesseer me alleen nog maar voor de wereld als nevenschikking – de wereld van de poezie, van de schilderkunst’, verzucht de schrijver vlak voor zijn dood. Misschien is De kaart en het gebied niets anders dan de bewuste onttakeling van een roman.

     

     

  • Het spellingsspoor bijster

    Op sommige dagen overvalt mij een vreselijke lusteloosheid. Helaas voor de bezoekers van Literair Nederland is dit zo’n dag. Alle ingrediënten voor een off-day zijn aanwezig: het is maandag, het is buiten grauw en mistroostig, en de kat heeft net de vaas met lelies, waarvan de geur mij weliswaar tegenstond, omver gegooid. Bij het dweilen van de vloer en het herschikken van de bloemen hebben de meeldraden onverwijderbare vlekken op mijn lievelingstrui achtergelaten. De kat ligt inmiddels weer luid spinnend op een proef die ik moet corrigeren, en waarvoor ik me zojuist even verdiept heb in de nieuwe spellingsregels die eind volgend jaar als de officiële gelden, maar die door sommige uitgeverijen voor het gemak meteen zijn doorgevoerd. En daar wordt een mens ook niet vrolijk van.

    Denk je net het Groene Boekje, inclusief bijbehorende leidraad, volledig te beheersen en onder de knie te hebben, acht de Taalunie het nodig een aantal drastische wijzigingen door te voeren. Omdat er enkele tientallen [sic!] brieven zijn verstuurd waarin oplettende lezers, neerlandici en andere welwillende meedenkers blijkbaar met grote overtuiging hebben weten te pleiten voor herziening van de spellingsregels. En het gaat daarbij echt niet alleen om de tussen-n. Zo schrijven wij vanaf  augustus 2006 ‘appelrechter’, waarmee niet gedoeld wordt op het ronde hoofd en de blozende wangetjes van deze magistraat, maar waarmee de vroegere ‘appèlrechter’ bedoeld wordt. In het concertgebouw klinkt voortaan een ‘basaria’, in plaats van een ‘bas-aria’, ‘privé-onderwijs’wordt ‘privéonderwijs’, maar om het geheel logisch te houden vervalt het tussenstreepje niet overal, sterker nog, bij andere samenstellingen plaatsen we nu wél een streepje waar voorheen geen streepje stond, en wordt het ‘ikgevoel’een ‘ik-gevoel’.
    Zucht.

    ‘Middenklassegezin’ wordt ‘middenklassengezin’, waaruit ik concludeer dat de middenklasse als zodanig niet meer bestaat, men behoort vanaf volgend jaar tot de middenklassen. De eskimo’s, bosjesmannen en vikingen krijgen hun beginkapitaal terug, maar dat betekent natuurlijk wel dat de Jap, de Fransoos en de Aussie deze moeten inleveren. In juli 2006 kunnen we nog barbecuen, maar daarna gaan we barbecueën, kopen we bij de bakker geen duivekater maar deuvekater (zonder tussen-n!) en is men niet langer ideeënloos, maar ideeëloos. Echt waar.
    Need I say more? Schiet mij maar uit de kerstboom. Euh… of is het Kerstboom?

     

  • Opgespoorde wonderen

    Ik beken: Ik had iets tegen Rudy Kousbroek. Uit wat ik van hem gelezen had (heel weinig) had ik me een beeld gevormd van een francofiel met een neiging tot sentimentaliteit, zelfingenomenheid en een overdreven vertoon van eruditie. Het toeval wilde dat iemand die het goed met mij voor heeft mij Rudy Kousbroeks Opgespoorde wonderen cadeau deed. Over het verband tussen vriendschap en boeken is op deze plek al eens geschreven, maar daar wil ik nog iets aan toevoegen, namelijk dit: Hoe beter de vriendschap hoe groter ook de druk om het gekregene te lezen. Er zat dus niets anders op. Ik zou me over mijn vooringenomenheid heen moeten zetten (of die bevestigd zien worden).

    Opgespoorde wonderen
    bevat 68 door Kousbroek uitgezochte zwart-wit foto’s. Die foto’s zijn op een paar na niet van bijzondere artistieke kwaliteit. Ook zijn ze niet bijzonder mooi afgedrukt. Het gaat dus in zekere zin niet om de foto’s en in zekere zin ook weer wel. Kousbroek heeft deze foto’s uitgezocht omdat ze hem raakten, zijn fantasie prikkelden of zijn nieuwsgierigheid wekten (er zijn nog meer varianten mogelijk). De foto’s hebben veelal als onderwerp: dieren, plaatsen in Frankrijk en Indië (of in landen die Kousbroek aan plaatsen in Frankrijk en Indië doen denken), erotiek en machines. Wat de foto’s gemeen hebben voor Kousbroek is dat ze gaan over het ongrijpbare: omdat wat je erop ziet niet kan, of omdat het verdwenen is. ‘Alles verdwijnt, behalve wat gefotografeerd is’, zo merkt hij – overigens onterecht – op. Wat Kousbroek heeft gedaan, is zijn associaties, gevoelens en herinneringen de vrije loop laten bij deze foto’s.

    In eerste instantie werden mijn vooroordelen bevestigd. Alles wat ik vermoed had aan te treffen, was aanwezig: de rabiate francofilie, het (in mijn ogen) onnodige vertoon van belezenheid, de sentimentele hang naar het verleden: ‘Maar helaas, niet lang meer, het einde is nu naar het schijnt in zicht; zoals naar het schijnt alles wat mooi, lief en kwetsbaar is de nek wordt omgedraaid door de commercie.’ En dit slechts naar aanleiding van het verdwijnen van de aangeklede ezels van het Ile de Ré, iets wat Kousbroek, die toch dierenliefhebber is, vreemd genoeg verdriet. Het aantal keren dat Kousbroek ‘overspoeld’ wordt door emoties, ’tot tranen geroerd’ wordt, ‘besprongen’ wordt door herinneringen en de term ‘hartverscheurend’ in de mond neemt, is niet te tellen. Al levert die ontroering af en toe ook mooie vergelijkingen op, zoals bij een bepaalde foto die Kousbroek ‘ontroerend’ vindt ‘als teruggevonden speelgoed’.

    De gedachten die hij al associërend heeft, zijn niet heel verrassend: dierenlevens zijn ook heilig, een foto bewaart alles, met een bril ziet iemand er intelligenter uit, het leven gaat als een flits voorbij. Kousbroek treedt in dit boek in het strijdperk als beschermer van dat wat dreigt te verdwijnen, van dat wat kwetsbaar is dus. Zijn nostalgie bestrijkt álles wat niet meer bestaat, van hydraulische liften, tot Nederlands-Indië tot een bepaald soort auto’s. Maar zijn ontroering – hoe overdreven ook – is echt. De zachte, vertederende verbazing, de milde ironie en ‘de onderstroom van erotisch verlangen’, waarvan zijn gemijmer doortrokken is, overtuigden – op den duur.

    Toen ik begon te lezen, stoorde het mij dat deze mijmeringen vaak niet rond waren en niet logisch. Ook leek het mij dat het hoogstpersoonlijke bij Kousbroek belangrijker was dan de stijl. Alsof hij alles wat hij te vertellen had, ook kwijt móest en zóu.

    Maar gaandeweg het boek begon Kousbroek mijn hart te veroveren met zijn fantasie en zijn humor en met vragen als: ‘Hoe hoog kan een krokodil uit het water springen?’, ‘Hoe ziet het paradijs eruit?’, ‘Wat denken dieren?’, ‘Wat is een wonder?’, ‘Hoe ontstaan ruïnes?’ en ‘Hoe breng je paarden de schoolslag bij als je ze niet eerst hebt leren praten?’. Een paar stukken gaven ten slotte de doorslag: de stukken ‘Het meisjeseiland’ en ‘Nestblijver’.

    In ‘Het meisjeseiland’ beschrijft Kousbroek met veel overtuiging, fantasie en jongensachtig plezier zijn bezoek aan het door hem gedroomde Meisjeseiland, een paradijselijk eiland met alleen maar lieftallige, naakte jonge vrouwen (en Kousbroek als enige (jonge) man natuurlijk). ‘Nestblijver’ is mijns inziens nog mooier. De foto op de rechterbladzijde toont een golden retriever tussen een stel takken. Je kunt niet zien waar die takken zich bevinden. Kousbroek opent: ‘Bij de vogels heb je nestvlieders en nestblijvers. Nestvlieders zijn vogels die meteen na hun geboorte kunnen lopen; ze zijn al snel in staat hun eigen kostje op te scharrelen. Nestblijvers daarentegen komen naakt en blind uit het ei en moeten nog lang worden gevoed door de ouders. Wat wij op deze foto zien is duidelijk een nestblijver.’ En vervolgt even later: ‘Met welke vogel hebben wij hier te maken? Het afgebeelde dier is geen Holgersongans, geen Turkse koperwiek, geen zangekster. Hij lijkt wat op de drieteen strandloper, maar de geoefende vogelkenner ziet zonder moeite het verschil: het is een van onze grotere trekvogels: de golden retriever.’ Om verder uit te weiden over de verschillende eigenschappen van deze soort: zijn manier van vliegen, zijn overwinteringsgedrag etc.

    Hierna moest ik me wel gewonnen geven, al mijn bevestigde vooroordelen ten spijt.

    Conclusie: Wie over de sentimentaliteit en tegenstrijdigheden heen weet te lezen en zich open stelt voor de speelse wereld van het grote kind Kousbroek, vindt in Opgespoorde wonderen een prachtige en – ik durf het woord bijna niet meer te gebruiken – ontroerende verzameling stukken. En voor wie daar wel van houdt (sentimentaliteit en tegenstrijdigheden): des te beter.

    Opgespoorde wonderen
    Rudy Kousbroek
    Uitgeverij Augustus
    isbn 9045703718
    € 19,95