• Recensentenborrel in Amsterdam

    Het was de warmste dag van November sinds 1848, bleek later. Zaterdag 1 november, de stad was vergeven van de toeristen. Op straathoeken en trottoirs, waar maar een tafeltje kan staan of alleen wat stoelen, geniet men, de toerist, van koffie, salades, borrels en elkaar. Het lijkt wel lente, zo bruist de liefde voor alles en iedereen door de straten van Amsterdam. Ik ben op weg naar Antiquariaat Egidius aan de Haarlemmerstraat, voor een recensentenborrel van Literair Nederland.

    Eerst had ik een afspraak met oudste Zoon om de stad te doorkruisen. We liepen onafgebroken en spraken over wat ons zo bezig houdt. Eerst naar –  en toen door Oud-West. Later rustten we uit op een trapje aan de Brouwersgracht. Zoon at een harinkje uit een servetje. Connie Palmen liep voorbij met een boodschappentas. Ze werd in de drukte door niemand herkend, maar Zoon zag haar. Ik had het nakijken, hoe ze richting Prinsengracht ging. Aan haar rug te zien, wist ik dat zij het was. Zoon ging, na een week vakantie in Nederland, weer terug naar Londen.  Hij liep de Brouwersgracht af terwijl ik hem nakeek. Waarna ik de Herenmarkt doorstak naar de Haarlemmerstraat. Daar zat een man op éénhoog in kleermakerszit in een open venster dingen te roepen waar je van opkeek. ‘Hé, schoonheid!’ Of, ‘Dag lieverd.’ Soms alleen maar: ‘Héééé…! Of Buhhh! Ook dan werd er omhoog gekeken. Wanneer je keek, zag je de man zacht heen en weer wiegen. Een wankel evenwicht dat zich steeds ten goede herstelde.

    Bij het Antiquariaat staat een tafel, vlak bij de ingang, waardoor het winkelend publiek misschien denkt dat er een besloten feestje gaande is Maar zo ging dat niet. Er  stonden flessen wijn en bier en allerlei hapjes. Er was muziek en het publiek, de toeristen, voelden zich vrij om binnen te komen. Sommigen dronken een wijntje mee. In Amsterdam kan alles, zullen ze gedacht hebben. De winkel bleef open tot ver na sluitingstijd. En doorbrak daarmee de stilte in de verder gesloten en donker wordende Haarlemmerstraat.

    De recensenten vermaakten zich voortreffelijk. Er werd gedronken, gelachen, recensies doorgesproken. Titels en auteursnamen vlogen over en weer. Er werden boeken genoemd die toch echt gelezen moesten worden (Zonsopgangen boven zee). Er werden tips gegeven voor als je vastloopt met een recensie. Of als je het boek niets vindt. Dat je er boven moet staan als recensent, werd er geleermeesterd. Enkelen hadden elkaar direct herkend als recensent. Een enkeling vergiste zich en sprak een klant aan. Andersom gebeurde dat een klant een recensent aansprak. ‘Hello, I’m from Manhatten. I wonder if you could help me …. Antiquriaat Egidius verkoopt veel (originele) prenten en oude stadsplattegronden. Een mooie collectie. Uit de lange wand met boeken zochten de recensenten drie boeken naar keuze terwijl een violist, een cellist en accordeonist muziek van Astor Piazzolla speelden. De wijn werd nog eens bijgeschonken. Waarna iedereen, voor even gelouterd en bemoedigd, weer op huis aanging.

     

  • Rituelen

    Hoewel een reeds gemaakt plan omgooien, of het compleet veranderen van de indeling van onze woning me gelukkig maakt, verdraag ik geen verstoring van een dagelijks ritueel. In het etablissement waar ik elke ochtend mijn koffie drink en de krant doorneem, zat een vrouw bij het raam die ik niet eerder had gezien. Ook zag ik dat De Trouw en De Volkskrant niet op de gewone plek lagen. De vrouw bij het raam was niet gekleed om op een hoge kruk aan een verhoogd tafeltje bij het raam met een espresso in de hand de krant te lezen. Maar ze deed het wel. Met haar crèmekleurig blouse met opstaand kraagje onder een donkerblauwe blazer, paste ze heel goed in een zeshoekig gebouwde serre met uitzicht over een rivier. Haar haren waren hoog opgestoken waardoor ze sowieso geen vrouw leek die gewoon was een krant te lezen. Maar men kan zich vergissen.

    De serveerster bracht me een cappuccino en een glas water. Ik keek nogmaals zoekend de ruimte rond. Nee, het kon niet anders dan dat zij, daar bij het raam, beide kranten had. Een bron van verontwaardiging werd in mij aangeboord. Ze zat statig rechtop, het opgestoken haar triomfantelijk omhoog stekend. Precies zoals één van mijn zussen het vroeger droeg. Mijn vader noemde het een suikerspin. De vrouw van de bakker, in de stad waar ik opgroeide, droeg tot het einde der dagen zo’n kapsel. De bakker overleed nogal onverwacht waardoor de bakkersvrouw er alleen voor stond. Ze bleef met haar blonde, hoog opgestoken kapsel vanachter de toonbank de klanten bedienen. Haar kapsel hield haar op de been, leek het wel. De keren dat ik er nog wel eens kwam, om de lekkerste puddingbroodjes die ik gekend heb, oogde ze steeds kleiner en fragieler. Op een dag bleven de rolluiken van de winkel gesloten.

    Ondertussen had ik nog geen krant gelezen en voelde me onthand. Op tafel lag enkel nog het Volkskrant magazine van het afgelopen weekend met een interview met Peter Buwalda. Ik houd niet van Buwalda, niet van zijn boek (‘boeken’ zijn het nog niet) en niet van zijn columns. Maar ik moést iets lezen dus ik las over Buwalda. Dat hij geen relatie en geen kinderen wil maar sinds hij Suzy kent, dit allemaal verleden tijd is. En dat hij nog twee jaar nodig heeft om zijn boek af te schrijven waar hij al jaren aan werkt. Knap vind ik dat. Ondertussen zag ik dat de vrouw bij het raam de kranten achteloos naast zich in de vensterbank legde. Waar niemand erbij kon! Toen ontstond er spontaan een soort van ‘Etiquette voor het krant lezen in openbare gelegenheden’ in mijn hoofd. Ik noteerde:

    Eigen je niet alle kranten in een openbare ruimte toe; Deel de katernen; Lees niet alle artikelen van A tot Z: Los nooit de puzzel op (tenzij het de krant van gisteren is); Leg de kranten na lezing terug op de centrale plek. Zo, dat luchtte op. Nu de krant nog en de dag kon zijn gang weer gaan.

     

  • Geen weg terug (2)

    Een kamermeisje uit Luxemburg

    En zo waren we in Luxemburg aangekomen. Hm, Luxemburg. Nu, vooruit. Omdat het aan de late kant was, we moe waren en er Belgische frieten langs de kant van de weg verkocht werden, legden we ons er bij neer. Al wisten we niet wat we in Luxemburg te zoeken hadden. Wat ik een tekortkoming van onszelf vond. Denkend aan Frankrijk, waarheen we op weg waren, breekt er een stroom aan informatie in mijn hoofd los: slag bij Verdun, invasie Normandië; stad Rouen, waar Flaubert vandaan komt en waar zich een pesthuis, in originele staat, dat nu dienst doet als Kunstacademie en een ‘Bibliotéque’ met de naam Simone de Beauvoir bevindt. De Beauvoir hoort bij Sartre, Sartre was bevriend met Camus die het veelgeroemde boek La peste schreef. De Beauvoir had overigens een oogje op Camus maar dat is nooit iets geworden. Dan weet ik nog dat Sartre in oorlogstijd in de Elzas choucroute (zuurkool) had ontdekt. Dit, ongetwijfeld omdat Mijn Lief er dol op is.

    In België had ik Manneken Pis, Elsschot en De Standaard, bij de hand. Iets minder spontaan Frank Van Passel. Die een film van Manneken Pis en Villa des Roses maakte. Van Luxemburg borrelt er niet eens zoiets als het equivalent van de Eiffeltoren in me op. Wat wist ik nu meer over Luxemburg dan dat het een Groothertogdom is en dat er in drie talen: Luxemburgs (Letzebuergesh), Frans en Duits gesproken wordt?
    Dat één op de zes inwoners van Luxemburg Portugees is, wisten we van Google. Dat gaf ons net dat zetje waardoor we er een overnachting op waagden. Eens woonden we in Portugal, aan de voet van het gebergte Serra de Estrella hadden wij voor zeven jaar ons onderkomen. Op vrije dagen bezochten we Lissabon (stad van Fernando Pessoa, cafe Brasileira, José Saramago). En nu, wanneer wij Portugees horen spreken, stroomt ons hart over. De Portugezen zeggen: Saudade is een sentiment dat wanneer het niet in het hart besloten ligt, het via de ogen zijn weg naar buiten zoekt.

    In een lunchroom, (de regen viel ondertussen met bakken uit de lucht), serveerden ze het beroemde Portugese gebakje: pastéis de nata. Een taartje van room, suiker, eidooiers en bladerdeeg. We gingen de straat weer op. Bij de Hema, jawel, de Hema, kochten we paraplu’s. Daarna liepen we een Zweedse kledingwinkel binnen voor truien, sokken en waterdichte schoenen. Bij de kassa werd Portugees gesproken. Wij schoven snel aan in de rij. Voor en achter ons Nederlandse gezinnen, die ook niets anders te doen hadden dan in Luxemburg kleding te kopen. Wij zwegen in alle talen. Even later raakten Zoon en Dochter met de verkoopster in een geanimeerd gesprek verwikkeld. Joana was een Luxemburgse Portugese. Familie van haar woonde in Rotterdam. Dat het in Luxemburg veel regende vertelde ze ook. Dat geloofden we wel. Joana wilde wel in Nederland wonen. Zoon en Dochter wel in Portugal. Saudade, saudade.

    Weer thuis herinner ik me de eerste editie van 2014 van De Parelduiker. Daarin stond dat Emmanuel Bove’s moeder kamermeisje in Luxemburg was geweest voor ze met haar man naar Parijs vertrok. Uit niets bleek dat ze er ooit naar terugkeerde.

     

    Lees ook hoe Inge Meijer in Luxemburg terecht kwam, Geen weg terug.

  • Masterclass

    Zondagnacht lag ik er wakker van dat ik die zaterdag daarvoor in aller vroegte op weg was gegaan naar een pand aan de Raamgracht in Amsterdam. Aldaar zou ik een Masterclass volgen, geheel vrijwillig en ik betaalde er, ook geheel vrijwillig, een flink bedrag voor. Ik had me goed voorbereid op dit weekend. Toch raakte ik aan het dwalen op de Wallen. Ik was er niet om rond te kijken maar zag veel. Terwijl ik over de Zeedijk richting Nieuwmarkt liep, overviel me plotseling het verlangen daar deel van uit te maken. Van dat leven waarvan geen dag zeker is hoe de afloop zal zijn. Weg met de conventies. Een stap opzij doen, weg van de zekerheden die voor me liggen. Een van die illustere cafés induiken waar voor tien uur ‘s morgens het bier al op tafel staat. Maar die Masterclass kostte me een rib uit mijn lijf dus spoedde ik mij voort. Er werd op mij gewacht.

    Toen ik een half uur te laat binnenkwam, was de (zelfbenoemde) ‘Master’ die – dat begreep ik later want hij is ook columnist voor Trouw en schreef er een column over – zichzelf niet serieus neemt, aan het woord. Ik schoof schielijk aan bij een getourmenteerd schrijfster, een recensielezer, een schrijvende bibliothecaresse, een zelden schrijvende computervrouw, een in het zwart geklede man, een postmodernistische dame, het meisje met de rechte rug en de neergeslagen ogen en een paar deelnemers die de hele class zwijgend doorstonden. Wat op zich nogal knap was. We hadden de verhandeling ‘Against Interpretation’ (1964), van Susan Sontag gelezen. Alsook een nog niet gepubliceerde roman van een schrijver die alleen maar over zichzelf schrijft, (zo oordeelde de gastdocent, recensent Vrij Nederland) die zondagmiddag langs kwam, en waarover wij een recensie moesten schrijven. De Master vroeg wat we van het stuk van Sontag vonden. De getourmenteerde schrijfster riep dat ze het er niet mee eens was. Dat ze het regelrechte onzin vond wat Sontag beweerde.

    ‘Hum’, humde de Master en vroeg wat we van de roman vonden van de schrijver die alleen maar over zichzelf schrijft. Er was er één die het wel een leuk boek vond. Verschillende deelnemers noemden wat ze geschreven hadden, een boekverslag. De getourmenteerde schrijfster vond het een irritant boek, evenals de in het zwart geklede man. Ikzelf vond de roman een vermakelijke klucht, waarbij er nog net geen lijk uit de kast viel.

    Wat we leerden was dat een recensent zich dient af te vragen: a) Wat bedoelt de schrijver, b) Slaagt hij daarin en c) Wat vind ik daar van. En dat je niet moet vergeten te laten weten wat een roman met je doet. ‘Dus als het me irriteert, zei de getourmenteerd schrijfster, dan kan ik dat gewoon opschrijven.’ En een titel is ook belangrijk, ‘doet dat de redactie dan niet’ zei de in het zwart geklede man met het Groningse accent. Het meisje met de rechte rug en de neergeslagen ogen glimlachte een verholen glimlach. Steeds weer, op momenten dat ze ermee instemde met wat er gezegd werd, plooide die glimlach zich rond haar lippen. Het was van een schoonheid waar ik mijn ogen niet van af kon houden. De Master zag het meisje met de neergeslagen ogen niet zitten. Ik voelde me bevoorrecht. Toen zei de Master: ‘Oh ja! We hebben het nog niet over het perspectief gehad. Vanuit welk perspectief een roman geschreven is.’ En toen verlangde ik naar de borrel die ook op het programma stond.

     

     


    Inge Meijer is een pseudoniem en een onophoudelijk lezer.

     

     

  • Geen weg terug

    Rudy Kousbroek prees in een van zijn essays in De archeologie van de auto, de 2CV als een wagen die gespeend was van elke pretentie, een vervoermiddel gelijk aan de eenvoud van een keukentafel, bed of koelkast.

    We waren nog nooit zo zorgeloos op vakantie gegaan, er was niets hoog te houden, het was wat het was. Op die laatste mooie zomerdag in augustus stonden we om vijf uur op. Sjorden de koffer op het bagagerek op de kofferklep van de 2CV en zochten met onze voeten een plaats tussen de plastic kledingzakken, proviand en onder stoelen weggestopte slaapzakken. We vertrokken en vroegen ons niet af of het huis goed was afgesloten, of alles wel meegekomen was.  Zoon plugde de minispeakers in op zijn iPhone. Terwijl we de snelweg richting Arnhem opreden vulde David Bowie’s , Ground control to Major Tom de ruimte van het Eendje. ‘Ik heb de landkaart op tafel laten liggen, riep plots de Dochter, kunnen we nog terug?’.
    ‘Er is geen terug.’ zei de bestuurder, en duwde het pookje naar de vierde versnelling.

    Take your protein pills and put your helmet on (gitaarslag: djungdjungdjungdjungdjung), zongen en djungden we. Het geluid van de klapperende raampjes, het wapperende doek boven ons hoofd versterkten het gevoel van onoverwinnelijkheid; For heeeere am I sitting in a tin can. In Maastricht  zochten we naar een NL sticker voor op de Eend. We dwaalden wat en kwamen uit bij Boekhandel De Tribune in de Kapoenstraat. Metershoge boekenkasten langs de wanden, boekentafels in het midden en overal waar een tafeltje kon staan, stond er een. Een grote collectie kunst- en fotoboeken en veel originele Engels-, Frans- en Spaanstalige uitgaven van onder meer Celan, Marques en Woolf. Ik schoof langs de kasten terwijl Mijn lief met een boekverkoper onderhandelde: ‘Kun je er niet een máken dan’. Waarop het onzekere lachje van de boekverkoper klonk: ‘Nu? Ja, Dat zou wel kunnen.’  Van een afstand zag ik hem plaatsnemen achter een computer. Mijn Lief ging, nog net niet in zijn nek hijgend, pal achter hem staan. Hij begon aanwijzingen te geven waarop gegoogeld zou kunnen worden.

    Ik moest iets doorbreken en riep: ‘Dan moet je er wel een boek bij kopen.’ Dat liet ie beter aan mij over, zei hij.
    Ik snakte ondertussen naar een groot literair werk maar raakte verward en koos voor een werkje van een schrijfster die door haar man ‘De schrijver’, aan de kant was gezet. Daar had ze een boek over geschreven. Het was zoiets als op een verjaardag een gebakje moeten kiezen en dan maar een slagroomsoes neemt, die er het smakelijkst uitziet maar nogal kleverig blijkt.

    ’s Avonds misten we bij Bastogne in België een afslag en reden Luxemburg binnen waarvan we nog zo gezegd hadden dat we daar niet heen wilden. De dag daarop begon het te regenen en het hield maar niet op. Regenwater sijpelde door de kieren boven het dashboard en bij de deuren naar binnen. Maar het gaf niet. We hadden een NL sticker en niets te verliezen.

     

  • Vergeten schrijver

    Laatst was ik toevallig op Tirade.nu verzeild geraakt, (hóe toevallig dat ik  daar verzeild raakte weet ik eigenlijk niet, zo nu en dan beland ik daar en vraag me altijd weer af waarom ik niet vaker, zeg maar dagelijks, hier voor een moment of meer verpozing zoek). Elke dag wordt daar een blog geplaatst van wisselende bloggers die lezen als een goed-begin-van-de-dag-verhaaltje. Er staan inmiddels honderden blogs op van meer dan twintig schrijvers.

    Ook Wim Brands schreef een serie blogs voor Tirade.nu. Waaronder een stuk over de journalist en schrijver Eelke de Jong (1935-1987). Een schrijver waarvan gezegd kan worden dat hij niet het soort schrijver is die na zijn dood nog voortleeft. Ik bedoel, zijn boeken worden niet meer herdrukt en in geen enkel literair circuit (met uitzondering van de ingewijden) hoor je meer over hem. Het was goed te lezen dat Brands hem niet vergeten is, (hoewel hij onmiskenbaar tot de ingewijden behoort). Brands beschouwt Eelke de Jong als een van de betere naoorlogse Nederlandse schrijvers. Dat is mooi. Hij had gehoord dat Eelke de Jong eens een verhaal schreef over Jan Arends. En dat dat verhaal door een misverstand in een verhalenbundel van Jan Arends zelf terecht kwam en dat niemand dat ooit opmerkte.

    Dat voorval noemt Brands typerend voor het talent van Eelke de Jong. Al begreep ik niet direct wat hij daar mee bedoelde. Misschien dat Eelke de Jong in de luwte leefde, er niet van hield in het zicht te staan, inwisselbaar bleek. Niet voor niets trok hij zich in de jaren zeventig terugtrok als schaapherder bij Hoog Buurlo. In 1984 (hij woonde inmiddels weer onder de mensen) had ik me ingeschreven voor een schrijfcursus bij Eelke de Jong. De cursus vond plaats in de kelder van een café in het centrum van (off all places) Raalte.

    Eelke de Jong was een boomlange man met een onwaarschijnlijke snor. Hij rookte de ene sigaret na de andere, na afloop werd er steevast nagepraat met een borrel aan de bar. Tijdens die zes avonden dat de cursus duurde, heb ik hem nooit die bar zien verlaten. Wanneer de cursisten aanstalten maakten te vertrekken, plaatste hij nog een bestelling en liet ons met een vriendelijke blik en een knikje van zijn hoofd de late avond ingaan. Ik kan me zomaar voorstellen dat hij daar nog steeds zit. Sigaret in de mond, dichtgeknepen ogen tegen de rook, een borrel voor zich.

    Op de laatste avond dat ik hem zag, zei hij ‘het te laten weten wanneer ik wat af had’. Ik had nooit wat af en kon toen niet weten dat hij er drie jaar later niet meer zou zijn dan alleen nog in mijn boekenkast, waar hij vertegenwoordigd is met De verhalen en De kunst van het lassowerpen. Inderdaad, hij is een van de betere Nederlandstalige kortverhaal schrijvers die ik ken.

     

     


    Inge Meijer is een pseudoniem. Zij schrijft over boeken als steunpilaren en over ontdekkingen die zij doet in de marges van de literatuur.

     

  • Romeinse koorts

    Ik was alleen in mijn zolderkamer met mijn koortsaanvallen. Wanneer de koorts voor een moment geweken was, nam ik de dingen om me heen waar met een klaarheid die ik in het dagelijkse leven ontbeerde. De gordijnen voor het raam, een karaf water naast mijn bed, een drinkglas, een boek; Romeinse koorts van Edith Wharton. Alles lag en stond precies waar het staan en liggen moest,  ik hoefde er niets aan te veranderen. En daar, in dat perfecte beeld, stapte de dokter, die nooit ons huis bezocht, op stevige wandelschoenen mijn zolderkamer binnen.
    Hij stak mij zijn hand toe en zei: ‘Ha, Romeinse koorts. Dat heeft mijn vrouw ook. Goed Boek?’, beide woorden met hoofdletters uitsprekend. Ik zei: ‘Het is Meesterlijk’. Omdat ik het een mooie geste vond, opende ik het boek en las hem, slechts met een enkel kuchen onderbroken, de openingszin van het titelverhaal voor:

    Twee al wat oudere, maar goed verzorgde Amerikaanse dames liepen van het tafeltje waaraan zij de lunch hadden genoten naar de overkant van het imposante terras van  het Romeinse restaurant, waar ze, leunend op de balustrade, elkaar even aankeken en toen met eenzelfde blik van onbepaalde maar welwillende goedkeuring uitzagen over de uitgestrekte pracht van de Palatijn en het Forum.

    ‘Hm, hm,’ humde de dokter, ‘prachtige zin,’ waarna hij zich vervolgens afvroeg hoe een blik van ‘onbepaalde maar welwillende goedkeuring’ er uitziet. ‘Ja’, zei ik, ‘dat kunt u zich nu wel afvragen maar het mooiste is om je bij zulke zinnen niets af te vragen. Ze er gewoon te laten zijn.’ ‘Ah, ik zie het al, zei de dokter. Dit is duidelijk een geval van grensvervagende observaties.’ Het duizelde me  en ik liet me achterover in de kussens zakken. De dokter greep mijn koortsige hand en telde mijn polsslag waarna hij vervolgde: ‘Niemand geniet van lange openingszinnen. Ik voor mijzelf, ik houd er wel van. Mijn vrouw ook, vermoed ik, maar in mijn praktijk en kennissenkring ken ik niemand die het heeft op lange zinnen. Het moet tegenwoordig allemaal kort en vooral niets verbloemend zijn. Zodat er aan eigen beeldvorming niets hoeft te worden overgelaten.’ Hij nam Romeinse koorts ter hand en las me op zijn beurt een passage voor,… tot ik door slaap overmand werd.

    Ik ontwaakte opnieuw toen Mijn lief binnenkwam met een kommetje yoghurt. Ik vertelde hem over de lange vriendschap tussen twee oudere Amerikaanse dames. Dat ze die hele vriendschap lang een ernstig geheim, ieder voor zich, met zich meegedragen hadden. Dat het verhaal zo Meesterlijk goed in elkaar zat. En dat een lange zin je de tijd geeft om het beeld dat opgebouwd wordt en weer  verandert, waar heden, verleden en toekomst in verborgen zit, in eigen tempo kunt laten ontstaan. En dat de vrouw van de dokter ook Romeinse koorts heeft…. Hij legde een koud washandje op mijn voorhoofd en vroeg: ‘Welke dokter?’

     


    Inge Meijer (een pseudoniem) schrijft over boeken als steunpilaren in haar dagelijkse bestaan en over ontdekkingen die zij doet in de marges van de literatuur.

     

     

  • Joseph Roth en de wachtkamer

    ‘Wie leest, doet geen kwaad’, of, ‘elke dag zonder lach is een verloren dag’. Oneliners van mijn vader. Daar moest ik aan denken toen ik in de wachtkamer van de afdeling dagbehandeling in het ziekenhuis zat. Wachtend op mijn kleine vriendin die een ingreep moest ondergaan, (waar ik het verder niet over kan hebben), waarvoor ze onder volledige narcose moest. Voor ik de deur uitging, pakte ik nog snel het boek Job, het verhaal van een simpel man, van Joseph Roth uit de kast. Om het wachten wat te helpen. Het was een komen en gaan in de wachtkamer. Mensen namen plaats, waarna ze om beurt werden opgehaald en gehuld in en lichtblauw operatiehesje in een bed op wieltjes plaatsnamen en richting OK gingen. Er kwam een door de zon gebruind en gelooid echtpaar met vriendelijke gezichten en grijze krullen de wachtkamer binnen. Het leek of ze hun verblijf in een van de zuidelijk gelegen pensionado gebieden even hadden onderbroken voor een opname op de dagbehandeling in eigen land. De gebruinde vrouw nam plaats en wilde het duidelijk wél over haar ingreep hebben. Net als de anderen die in de dagbehandelingswachtkamer zaten.

    Alleen mijn kleine vriendin niet. En dat prees ik in haar. De gebruinde man roffelende met zijn vingers op de leuningen van zijn stoel terwijl hij de ruimte met weidse blik rondging. Zijn vrouw merkte met een schok dat ze de tijd vergeten was en of hij die bij zich had. De gebruinde man roffelde: ‘Waar geen tijd is, is geen haast.’
    Ik moest aan mijn vader denken. Hij kon een rappe versie van De Radetzkymars van Johan Strauss met zijn vingers roffelen: tadadam tadadam tadadamtamtam… Zijn neiging tot vingertrommelen was verworden tot een hardnekkig deuntje dat hij niet meer uit zijn vingers kreeg. Die andere Radetzkymarsch van Joseph Roth uit zijn boekenkast was sinds een jaar of tien in mijn bezit. Mijn vader was een stille man die een met zijn boeken was.

    In de roman Job, het verhaal van een simpel man wordt Mendel Singer voortdurend door zijn vrouw op zijn kop gezeten. De liefde tussen hen was zo koud als de winters in die tijd. Mendel verliest alles, zijn vrouw en zijn vier kinderen. Leven in een wereld waarin wat je deed, nooit genoeg was. Mijn vader had het tenminste goed voor elkaar door aan een boekenkast te bouwen waarachter hij zich verschuilen kon.
    Een verpleger kwam me halen om mijn kleine vriendin van de OK op te halen. Ik stopte Job in mijn tas, liep door de klapdeuren de steriele ruimte binnen. Toen ze me zag aankomen, vertrok haar gezicht tot een smartelijk huilen. Waarna ze prompt begon te lachen, te lachen… zo blij was ze mij te zien, en dat het voorbij was. Ook deze dag was weer gewonnen.

     

     


    Inge Meijer is een pseudoniem. Zij schrijft over boeken als steunpilaren van het leven en over de ontdekkingen die zij doet in de marges van de literatuur.

  • Liefdesgedicht

    Vrouwen en de liefde zijn niet eenvoudig te verenigen. Ze zijn kritisch, of noem het onzeker. Dat doet de liefde geen goed. Ik dacht er alles van te weten. Ik wist niets van degene die al die kritische noten (je drinkt teveel, je verrast me nooit, snurkt en dus: je houdt niet van me) moet zien te kraken. Het zijn nogal veel noten die in het vrouwelijke liefdeslied verwerkt zijn. Maar eerst was ik op weg naar een gesprek met een psycholoog. Nadat ik driemaal had aangebeld, er verder niets gebeurde, begreep ik dat ik mij in de week moest hebben vergist. Ik stak het marktplein over, zag onder ogen dat ik nog een week moest zien door te komen met ongelukkig zijn.

    Toen had ik de nieuwe Tirade nog niet gelezen. Waarin Ilja Leonard Pfeijffer die andere kant, de bekritiseerde kant, verwoordt in een liefdesgedicht. Met: ‘Wat ik je eerder eigenlijk had willen zeggen’, begint het gedicht waarin de hij ‘als radeloos ontvolkt gehucht kapotgeschoten’ achterblijft.  In dezelfde editie verklaart Maartje Wortel dat zij niet gelooft in de liefde. En dat beschrijft ze zo liefdevol  dat je de liefde zo bij het grof vuil wilt zetten. Maar dat had ik allemaal nog niet gelezen.

    Ik stond inmiddels in een Koffiebranderij waar ik maar niet kon kiezen tussen een pond Java bonen (zwaar, aromatisch) of Nicaragua bonen (licht, mild). Naast me, aan een cafétafeltje, hoorde ik een doorrookte stem zeggen: ‘’Ik mag het eigenlijk niet zeggen. Maar ik weet dat er subsidie voor is.’ Er zaten twee vrouwen aan het tafeltje. Die met de doorrookte stem had een flink ontwikkelde neus. Tegenover haar een tengere vrouw in een onmogelijke jas van aan elkaar gelapte stukjes bont. Een serveerster met dienstbare glimlach nam hun bestelling op. Toen ze zich verwijderd had, zei de ontwikkelde neus, terwijl ze een vaasje met tulpen resoluut opzij schoof, handen over de tafel naar voren stak: ‘Kunnen we samen niet iets doen. ‘ Met de nadruk op ‘doen’. Ze keek de Koffiebranderij rond alvorens verder te gaan. ‘Er was een zwakbegaafde vrouw die een kind kreeg en het in de kast legde, voor later. Het was geen opzet. Het kind ging dood. Ze werd veroordeeld tot negen jaar gevangenisstraf.’ Beiden weken iets naar achteren toen koffie en scones werden bezorgd door de dienstbare glimlach. Het stellige, ‘Kunnen we dáár niet iets mee’, overlapte de aarzelende opmerking van de onmogelijke jas: ‘Meen dat het negen maanden waren…’. En toen, ‘Oké’, piepte. Waarop  de ontwikkelde neus uitriep: ‘Zullen we gaan brainstormen!’

    Ik schrok ervan, koos prompt voor de Nicaragua bonen. Aan het tafeltje werden suikerzakjes opengescheurd, tikten lepeltjes door koffiekopjes, werden scones gehalveerd, met room en jam bedekt, vingertoppen afgelikt. En gezwegen. Wat Pfeijffer, (in het gedicht waarin hij verlaten wordt door zijn lief en dat ik vond toen ik thuis kwam), altijd nog had willen zeggen was niet dat hij van haar houdt, want dát had hij al gezegd. Wat hij had willen zeggen was: ‘Sorry. Ik voldoe niet aan je beeld van mij. (…) Jij hebt mij verkeerd verzonnen.’ Ik had opeens behoeft aan een brainstorm, met mijzelf. Dacht aan Maartje Wortels, visie. Dat liefde niet bestaat, dat geluk en liefde nu eenmaal niets met elkaar gemeen hebben. 

     

     

  • De bijna knipoog

    Het was in Utrecht dat ik hem wel eens tegenkwam. Steeds deed ik mijn best hem niet te herkennen door weg te kijken op het juiste moment en zelf niet herkend te worden. De eerste keer was in Lombok, in de Kanaalstraat. Er liep een kind aan zijn hand mee. Wij hadden net vanillevla gekocht, mijn dochter, net student aan, en ik. Er werden vluchtige blikken uitgewisseld en ik boog naar mijn dochter en zei: ‘Die ken ik!’ Maar ik kende hem natuurlijk niet echt. Bevriend op Facebook maakt nog geen kennis, laat staan een vriend. Er waren nooit handen geschud of namen uitgewisseld.

    De tweede keer was tijdens een festival. Onze wegen kruisten elkaar in een stroom van mensen die op weg waren naar een lezing. Ik vermoedde dat hij op weg was naar een optreden van de dichter Stephen James Smith. Daar kon ik me wel iets bij voorstellen, de vrijmoedige Ierse dichter en deze Facebookvriend. Onze blikken botsten nu, bij wijze van spreken, voor een moment tegen elkaar op. Waarop ik mij plotseling omdraaide naar mijn buurvrouw van twee deuren verder die mij vergezelde. Alsof we in een conversatie verwikkeld waren. Die was er niet maar ik begon er snel een. Zo moeilijk is dat niet. Je draait je naar de ander toe en begint te praten. Ik zei, een beetje druk, dat wel: ‘Zeg, zullen we eerst even wat te drinken halen. En moet jij ook naar het toilet?’ Dat was afdoende om te doen alsof je iemand niet had gezien. Tegelijk was het dodelijk en ik stelde me voor wat mijn Kleine Vriendin in zo’n geval zou doen. Ze zou iemand die ze van Facebook kende en in het echt zou tegenkomen, met stralende ogen tegemoet treden alsof het haar lievelings-neef was die ze lang niet had gezien. Er zou een grote lach op haar gezicht verschijnen en de kuiltjes zouden in haar beide wangen glippen. Ze zou: ‘Héé, halloo! Hoe gaat het?’, roepen. Maar goed, ik had niet van die stralende ogen. Ik was ook niet zo van ‘Héé halloo hoe gaat het’.

    En nu hadden onze blikken zich aan elkaar vergrepen. Er was aan zijn linkeroog iets van een knipoog te zien. Gek genoeg voelde ik dat mijn oog ook licht toegeknepen werd, als een reflex op zijn (net niet) knipoog. De derde keer was nadat ik in een winkeltje Egyptisch aardewerk had gekocht en waarvan de eigenaresse met een Kroatisch accent me meedeelde dat er alleen maar intelligente mensen in haar winkel kwamen. En dat, omdat ik over dagblad De Telegraaf, waarmee ze het aardewerk inpakte, had gezegd dat deze krant zeer  geschikt was als inpakpapier. Waarop ze luid lachte met een zwaar, Kroatisch volume. Ze vertelde in één adem door dat Arduur Gapin (Arthur Japin? Ja, Arduur Gapin) laatst bij haar in de winkel was geweest en dat ze wel een uur met hem had gesproken, want ook zij schreef aan een boek. Gevleid door zoveel verheffende mededeelzaamheid, ging ik de straat weer op. En daar fietste hij me in een rood jasje tegemoet en vervolgens voorbij. Had ik die bijna knipoog van zijn linkeroog waargenomen.

     

     

  • Kiespijn

    Het was maandagmorgen en de lente maakte veel goed, zo niet alles. Ik was op weg naar de tandarts, gedreven door kiespijn. Aan de overkant van de straat scheen uitbundig de zon, daar liep een man op de stoep die moeizaam vooruit kwam. Hij droeg een grijze wollen trui, een afhangende spijkerbroek. Het schurende geluid van stugge spijkerstof dat over de ruwe stenen sleepte, bezorgde me rillingen. Ik zette mijn fiets tegen de muur, bleef even staan, om de man aan de overkant op de rug gezien, na te kijken. Hoe hij daar voortging, traag, verslagen. Nu wreef hij met beide handen over zijn gelaat. Heftig, alsof er een boze droom verdreven moest worden. De man aan de overkant had vast alles en iedereen die hij liefhad verlaten. Zomaar, omdat hij niet anders kon. Mijn tandarts kende ik nog niet.

    Sinds ik in het dorp dat aan de rand van de Veluwe ligt, woon, had ik hem nog nooit bezocht. In het weekend had ik zijn stem op zijn antwoordapparaat gehoord. Een wat rochelende stem, die klonk alsof hij zijn keel moest schrapen. Hij deed zijn best het niet zover te laten komen. Hij sprak zijn boodschap, met steeds schordere stem, helemaal uit. Ik begreep dat ik niet bij hem terecht kon, of ik moest een noodgeval zijn. Maar dat was ik niet. Ik hield de kans een ‘noodgeval’ te worden op afstand door me terug te trekken in mijn werkkamer. Door in Rug aan rug van Julia Franck te lezen (dat me in een trance-achtige staat bracht), geregeld een paracetamol te slikken, meer glazen wijn dan ik gewoon was te drinken. Ik hield het wel uit. Tot maandagmorgen. Gek genoeg bracht het wrange verhaal over de twee aan zichzelf overgelaten Duitse kinderen in een uiteengeslagen land van kort na de oorlog, me een bepaald soort sereniteit.

    Het schuren van spijkerstof over de ruwe stoeptegels, verergerde de zenuwpijn. Het leven van de kinderen Thomas en Ella, die zonder enige bescherming opgroeiden in het communistische Oost-Berlijn eind jaren vijftig, maakte de pijn draaglijker. Alles kon altijd nog erger. Als een doekje tegen het bloeden, pijn gestelpt met ellende en pijn van anderen. De tandarts ging op blote voeten in klompschoenen. Of waren dit nu crocs? Op zijn neus groeide een plukje haar. Hij had een mooie neus en dat plukje misstond hem niet eens. Terwijl hij schrapend en borend met metalen werktuigen mijn kies bewerkte, dacht ik aan de man in de grijze slobbertrui die in die  stille straat in het zonlicht had gelopen. Zo je al overgevoelig kunt zijn voor elke mate van geluk, dan was deze man het wel. Dat had ik aan zijn smalle rug gezien. Toen werd ik afgeleid door het plukje haar op de neusrug van mijn tandarts. Het leidde me af van de reden waarom ik hier was.

     

  • Ik dacht, ik moest…

    Het was zondag en ik moest naar Zwolle. Tenminste, dat dacht ik. Ik liet een mooie verzameling vuile vaat op de keukentafel en het aanrecht achter en drukte mijn dochter, mijn kleine vriendin en haar huisgenoot op het hart de achterdeur goed af te sluiten voor als ze van plan waren nog ergens heen te gaan. Ik trapte, met wind tegen, negen kilometer naar het dichtst bijzijnde station. Onderweg alleen een paar fietsende gezinnen, een enkele auto, ongetwijfeld op weg naar vrienden of familie, voor een zondagse borrel en vermaak voor de kinderen. Maar ik moest naar Zwolle, tenminste, dat dacht ik. Het was de laatste dag van de Boekenweek en ik had er nog niets aan gedaan.

    Niet met Tommy Wieringa in een bootje de IJssel afgevaren terwijl hij voorlas en niet op het boekenbal voor lezers in Leeuwarden geweest. Benali en Van Dis was ik nergens tegengekomen. En voor Maartje Wortel, die met Franca Treur in de bibliotheek van Wageningen wachtte, was het al te laat. Dus ging ik naar Zwolle want het was vrij reizen. Ik dacht aan Boekhandel Waanders die de Broerenkerk had ingenomen. Er zouden wellicht een handvol dichters uit eigen werk voordragen, al had ik op internet niet zo snel iets daarover gevonden. Bij de boekenkiosk op het station koos ik willekeurig, of nee, eigenlijk deed de afbeelding van The Russian Tea Room van Beryl Cook op de cover, me het boek pakken, Gigengacks reizen, van Nelleke Noordervliet. Daarbij kreeg ik op de valreep van de Boekenweek, het boekenweekgeschenk. Op het perron vermaakte ik me direct al met mevrouw Gigengack die zich heeft voorgenomen het leven een stap voor te blijven. ‘Reizen’ zegt mevrouw Gigengack pertinent, ‘is uitstel van ouderdom’. Een mooie variant op ‘wie veel in beweging is, blijft  jong’.

    In de trein wisselde ik Gigengacks reizen in voor Een mooie jonge vrouw toen de conducteur naderde. De conducteur liep langzaam, haast statig en knikkend met zijn hoofd naar links, en naar rechts en weer naar links. Zonder problemen naderden we Zwolle. Daar liep ik langs de gracht, ging via de Sassenpoort en de Walstraat naar het Broerenkerkplein. De stad toonde zich verlaten. Een lichte windvlaag ging voor me uit, door lege straten. Een fietser, erop uit gestuurd met een kind voor in het stuurzitje, fietste over het plein. De Broerenkerk was gesloten. Geen boek, geen dichter zag ik. Door naar de Blijmarkt, waar Paleis Museum De Fundatie in volle glorie aan de stoep lag. De gastvrouw achter de ontvangstbalie staarde vermoeid langs me heen, terwijl ze het geld in ontvangst nam en  me het toegangsbewijs overhandigde. Terwijl ik van Turner naar Appel liep, en langs de landschappen van Jan Voerman, hoorde ik twee suppoosten verzuchten dat er die dag 2000 bezoekers het museum waren binnengekomen. Dat het gekkenwerk was en dat ze hoopten dat ze allemaal om vijf uur stipt het museum weer hadden verlaten. Want het was zondag, en ze hadden het wel gehad.  Ik wist opeens niet meer waarom ik zo nodig naar Zwolle moest.