• Steeds hetzelfde boek

    Er zijn schrijvers op wie ik wacht. Herman Koch, Douglas Coupland: zodra ze met een nieuw boek komen, voelt het alsof ik een beetje jarig ben. Dus toen Worst. Person. Ever enkele jaren geleden in de winkel lag, maakte ik nog net geen vreugdedansje. Een nieuwe Coupland, wat heerlijk! Wild enthousiast nam ik zijn jongste mee naar huis. ’s Avonds, in bed, opende ik het boek. Ik las een hoofdstuk, nog een, zuchtte en legde het weer weg. Wat een teleurstelling. Coupland, die naar mijn idee telkens heerlijke variaties op hetzelfde boek schrijft, verveelde me.

    Is het bezwaarlijk wanneer een schrijver steeds hetzelfde boek schrijft? Dat ligt eraan. Schrijvers die steeds hetzelfde verháál vertellen, zij het in een iets andere vorm, zullen zichzelf op zeker moment achterhalen. Interessanter wordt het wanneer een schrijver telkens hetzelfde onderzoek doet. Zo is Toni Morrison altijd bezig met de onderdrukte en achtergestelde mens, maar de wijze waarop zij haar thema’s in haar literatuur behandelt, verschilt – vergelijk bijvoorbeeld Home met Beloved.

    Stephen King zou eens hebben gezegd dat hij zijn personages in extreme situaties laat belanden en kijkt hoe ze daarop reageren. Ik kan natuurlijk de juiste quote niet meer vinden, vermoedelijk komt het uit On Writing, maar die gaf ik weg – het enige wat me spijt is dat ik het nog niet opnieuw kocht. De vraag is: schrijft King met deze werkwijze steeds hetzelfde boek? Naar mijn idee niet: vergelijk Carrie met boeken als The Shining en Pet Sematary of The Green Mile, Cujo als je wilt. Het zijn allemaal extreme situaties en er komen veel bovennatuurlijke elementen in voor. Maar waar King in Carrie over anders-zijn en pesten schrijft, over de kracht van ‘nu ga je te ver’, verhaalt The Shining over de gekte van isolatie; Pet Sematary en Cujo gaan ieder op hun eigen manier (onder meer) over ouderschap en het meer dan briljante The Green Mile behandelt goed en kwaad. Ondanks de typische King-elementen zijn de boeken niet zomaar met elkaar te vergelijken.

    Marlen Haushofer is ook zo iemand met een hardnekkige onderzoeksvraag. Telkens lijken haar personages, veelal vrouwen, tussen verlies en overleven te zitten – zie De Mansarde, De Wand, Wij doden Stella, lees de verhalen in Ontmoeting met de onbekende, in het bijzonder I’ll be glad when you’re dead. De wereld glijdt uit hun handen of staat op het punt dit te doen, maar de personages zijn niet bij machte er iets tegen te doen. Geen moment denk ik: dit heb je me al eens verteld.

    Natuurlijk moet een lezer niet te hard zijn. Als ik het mijn man vergeef dat hij melkchocolade koopt in plaats van puur (hallo?!) dan moet ik Coupland een misser kunnen vergeven. En dus sta ik opnieuw te kirren bij de kast in de boekhandel als ik de bundel Bit Rot zie staan: essays en korte verhalen. Thuis begint het bekende ritueel: in bed, kat en man aan mijn zij, leeslampje aan. Mocht ik Couplands bundel halverwege beu zijn, dan wacht me nog altijd de nieuwe Herman Koch.

     

     

  • Lege kamers

    In mei van dit jaar overleed Jenny Diski. Ze publiceerde romans, reisboeken en essays. In haar jeugd woonde ze een aantal jaren bij Doris Lessing – schrijver van meer dan tachtig romans en verhalen – in huis. Lessing kende ik van het Golden Notebook. Ik las het eind jaren tachtig, toen de romancyclus De jaren des onderscheids van Sartre in bepaalde kringen relaties op scherp zette. Het Golden Notebook was voor de vrouwen die zich van die opscherp gestelde relaties hadden losgemaakt, en overgingen tot een enigszins ingewikkelde zelfontplooiing. Want het was een ongelooflijk complexe roman. Met veel perspectiefwisselingen en alter ego’s. Ik kwam er niet doorheen, maar mijn bewondering voor haar als schrijver nam een vlucht. En ik begreep: niet alles wat geschreven is, hoeft te worden doorgrond. Er zijn boeken die alleen maar in de boekenkast dienen te staan. Om niet te vergeten dat ze er zijn.

    Lessing verliet op vijftien jarige leeftijd het ouderlijk huis. Dertig jaar later – toen Jenny Diski vijftien was, een verknipte jeugd en een opname in een psychiatrische kliniek achter de rug had – liet Lessing haar weten dat Diski bij haar en haar zoon kon komen wonen. In datzelfde jaar was ik acht, pleegde Sylvia Plath zelfmoord en dacht ik er serieus over van huis weg te lopen. Ergens droomde ik toen van een vrouw als Doris Lessing die me op een briefje liet weten dat ik bij haar kon komen wonen. Omdat ze een groot huis had en er kamers leeg stonden.

    In In Gratitude van Jenny Diski – een bundeling dagboekaantekeningen die ze schreef voor de London Review of Books – beschrijft ze hoe ze in dat huis van Lessing ronddwaalde. Die dagboeknotities begon ze te schrijven nadat in 2014 longkanker bij haar was geconstateerd. Een derde deel van In Gratitude is getiteld Doris and me. Haar leven begon werkelijkheid te worden vanaf het moment dat Doris Lessing haar in huis nam. Ergens schrijft Jenny Diski dat Lessing haar geleerd heeft te schrijven. Niet door schrijflessen, maar door te leven bij iemand die voor alles schreef. Diski begreep dat schrijver zijn niets meer of minder is dan: getting on with it.

    Iemand in een lege kamer achter een gesloten deur weten. Ritselende schrijfgeluiden of tikkende aanslag van een typemachine doordringen de atmosfeer. Leven in een huis waar de helderheid van het geschreven woord voorop staat, leek me wonen als in een huis waar je op wolken liep en waar de zon als een bundel strijklicht over de plankenvloer schijnt.
    Lessing hield niet van Sylvia Plath herinnerde Diski zich, maar wel van ‘Poor Ted’. Dat was in het jaar dat ik ongemerkt al op zoek ging naar een groot huis met lege kamers.

     

     

     

  • Bovenaardse E

    In het prachtige boek Revival van Stephen King komt een soort mantra voor: ‘De E was bovenaards, Schakelen tussen a-mineur en E (…) doet altijd dreigend onheil vermoeden’. In ieder geval staan volgens hoofdpersoon Jamie Morton de beste popsongs in deze toonsoort. Het is in ieder geval één van de eerste akkoorden die een popgitarist leert. En niet alleen popmuziek, ook de mooiste klassieke muziek die ik ken staat in E. Neem alleen al het openingskoor van Bachs Matthäus Passion.  Meer hoef ik toch niet te zeggen?

    Allerlei componisten en muziekwetenschappers hebben zich in het fenomeen ‘ E’ verdiept. Volgens Mattheson, een tijdgenoot van Bach, staat de toon(soort) voor ‘dodelijke droefheid’, maar volgens zijn tijdgenoot Rameau is het ook geschikt voor vrolijke liederen. Quantz meent dat je er ook woede mee uit kunt drukken. Anderen verbinden de klankkleur met de kleur geel. Met levensvreugde en vroomheid. Kortom: je kunt er veel kanten mee op.

    Hoe het ook zij: ik herken wat Kings hoofdpersoon zegt, want ik heb zelf ook wat met die toon. Hij zakt niet in de diepte weg, maar neigt ook niet naar de hoogste, schrille regionen. Hij zit er tussenin: een beetje aards en donker, en een beetje bovenaards en licht. En geel, ja: dat is toevallig ook mijn lievelingskleur, en – las ik in zijn nagelaten werk – ook van Frans Pointl.

    Zou de voorliefde voor een bepaalde toonsoort iets over iemands karakter zeggen, net zoiets als een blik in de boekenkast dat kan doen? Ik denk het wel, al schieten geleerden als Mattheson en consorten alle kanten op. Nu pas meen ik te begrijpen waarom sommige kennissen en vrienden hun mails ondertekenen met alleen de eerste letter van hun voornaam – niet uit gemakzucht om hun hele naam te moeten typen, want daar bestaan automatisch te genereren handtekeningen voor. Maar omdat het tevens hun lievelingstoon(soort) is!

    Als het met een voornaam niet lukt, kom je met een achternaam soms ook een heel eind. De volledige achternaam van Bach (op zijn Duits gespeld) leende zich zelfs voor hele composities: Bes – A – C – B; als je ‘BACH-motief’  in Google intypt, krijg je een overigens verre van volledig lijstje voorgeschoteld.

    Ik heb inmiddels geprobeerd wat de uitwerking is van het ondertekenen van mijn naam met louter een E. Er kwam geen enkele reactie; ligt het zo voor de hand? Dat ik daar dan niet eerder op ben gekomen!

     

  • Literaire handelaar

    Er schijnt meer dan 900 kilometer file te staan op deze herfstachtige dinsdagavond. Mijn bed en woonkamer bevinden zich in hetzelfde pand als de boeken die ik verkoop. Gelukkig, ik sta dus niet vaak in de file. Ook hoor ik dat er steeds meer stress op het werk wordt ervaren. Ook dat ken ik eigenlijk vrij weinig. File, stress, pesten op het werk – ook zoiets – ik ben er van gevrijwaard. En zou niet iedereen ervoor moeten kunnen zorgen te werken onder de meest prettige omstandigheden. Een utopisch idee, ik weet het. Toch verbaas ik me erover dat zoveel mensen werken of leven in een situatie die voor hen onprettig is. Ook dat is weer een verwende gedachte, ik weet het.

    Maar ik heb me vrij vroeg in mijn leven gerealiseerd dat ik geen leven kan leiden dat niet dichtbij staat bij wie ik wil zijn. En er zullen genoeg mensen zijn die heel goed kunnen werken in een sector of een beroep hebben waarvan ze denken: ‘Mwah, eigenlijk past het niet bij mij. Maar ja, ik moet toch ergens van rondkomen.’ Dat heb ik als jongvolwassene ook even gedaan. Na mijn studie Culturele Studies aan de UvA ging ik – heerlijk pretentieloos – bij mijn vader werken als magazijnmedewerker in een – prachtig woord – bevestigingsartikelengroothandel. Ik was de enige academicus in het hele bedrijf. Mijn collega’s begrepen niet dat ik liever beneden in het magazijn wilde werken dan boven – waar de afdelingen administratie – sales en management waren gevestigd. Dat leek me een vreselijk vooruitzicht.

    Ik zag mijn toekomst eerder in de culturele, kunstzinnige wereld dan in de commerciële handel. Maar helaas, ook van de kunstwereld, of de literaire echelons, had ik weinig kaas gegeten. En een netwerk vanuit huis of een besef van het belang daarvan, had ik als 24 jarige import-Amsterdammer bepaald nog niet. En de autonomie van geest die ik nu wellicht heb – twintig jaar later –  had ik toen nog niet. Kunstenaar of schrijver worden. Het leek en lijkt me prachtig, het is een ideaal. Maar ik ben het niet en zal het ook niet worden. Iets dat daar dichtbij in de buurt staat dan maar: boekenverkoper, handelaar in literaire en kunstzinnige boeken. Ik drijf handel met de kunstzinnige verbeelding of literaire fantasieën van anderen en daar ben ik de kunstenaars en de schrijvers dankbaar voor.

     

     

  • Serieuze aangelegenheid

    Kunstkritiek is een serieuze aangelegenheid, of het nu gaat over beeldende kunst of literatuur. Je matigt je een oordeel aan over het bloed, zweet en tranen van een ander, wat mag en goed is. Maar wat je niet lichtzinnig moet doen. Daar mag je dus best een beetje over nadenken. Dat is wat Charles Baudelaire (1821-1867), dichter, essayist en misschien wel bekendste kunstcriticus van zijn tijd, ook deed.

    Volgens Baudelaire wordt goede kritiek ‘geboren in de baarmoeder van de kunst’. Een stellingname waaraan ik denken moest toen ik vorige week een masterclass recenseren volgde. Literair criticus Arjen Fortuin vertelde hier over de ‘Tien geboden voor de criticus’, die hij een paar jaar geleden als literair-kritische gimmick heeft opgesteld. Met een knipoog weliswaar, om het al te overmatig serieuze eraf te halen, maar desalniettemin met een ondertoon die net zo serieus is als de kunstkritiek zelf. Dat blijkt al direct uit het eerste gebod: ‘Gij zult onderscheiden wat kunst is en wat niet.’ Alsof je de echo van Baudelaire hoort. En de toon is meteen gezet. Of je nu positief of negatief bent; kritiek moet altijd gaan over iets dat ertoe doet. Dat het waard is besproken te worden. Anders hoeft het niet in de krant of op de website van LiterairNederland gepubliceerd te worden.

    In zijn achtste gebod stelt Fortuin dat een literair criticus in de eerste plaats zelf ook goed moet schrijven, omdat anders niemand gelooft dat je kunt lezen. Je moet de lezer bij de kladden grijpen, zoals Baudelaire dat natuurlijk als geen ander kon. Met een duidelijk eigen visie, authentiek en prachtig geformuleerd: ‘De ware schilder is de schilder die het leven van alledag zijn heldhaftige kant weet af te dwingen, die ons met zijn verf of zijn tekenstift leert bevatten hoe groots en poëtisch wij zijn met onze stropdassen en laklaarzen.’ Waarbij dat ‘leven van alledag’ voor Baudelaire overigens cruciaal was. Hij vond dat kunstenaars zich moeten uitdrukken in een (beeld)taal die de tijd waarin ze leven spiegelt. En dat de moderne tijd waarin hij zelf leefde, met al zijn veranderingen en industrialisatie, vroeg om een nieuwe techniek, die de luchtigheid van het moment beter zou vastleggen dan de traditionele kunst deed. Een wens die een aantal jaren later door de impressionisten zou worden ingewilligd.

    Deze relatie tussen kunstcriticus Baudelaire en de kunstenaars om hem heen illustreert ook dat goede kritiek niet alleen de lezer beroert, maar ook de maker van het kunstwerk zelf. En het is een perfect voorbeeld dat goede kunstkritiek ook bijdraagt aan de ontwikkeling van de kunst. Omdat een goede kritiek als het ware een betekenis toevoegt aan een boek of schilderij, die de schrijver of schilder er misschien niet heeft ingelegd, maar die wel door de criticus gezien wordt. Wat mag, mits je het goed beargumenteert. Want kunstkritiek is een serieuze aangelegenheid.

     

     

  • Zaken om te overdenken

    Wat je moet doen als het je teveel wordt. Pak een boek van een schrijver die als enige ambitie heeft een verhaal te willen vertellen. Een schrijver die met woorden een beeld schetst zoals een schilder een glooiend landschap opzet met daarin een stervende zwaan of een ingezakte schuur. Het is het beeld van de vergankelijkheid dat troost biedt. Verhalen waarin je wordt meegevoerd en toch op veilige afstand blijft, scheppen ruimte voor beschouwingen. Natalia Ginzburg (ik weet het) is zo iemand, en Updike en Steinbeck (ook al vaker over gehad) en Sherwood Anderson. In zijn verhalen in Winesburg, Ohio doen de mensen wat ze moeten doen. Een man een man een woord een woord. Zoiets.

    Ergens schrijft Anderson over vier broers die als ‘bezetenen’ werken en op zaterdagmiddag naar het dorp gaan. Waar ze in een winkel rond een kachel gaan staan en min of meer praten met andere boeren. ‘Ze hadden overalls aan en in de winter droegen ze daar zware jassen overheen die vol modder zaten. De handen die ze naar de gloed van de kachel uitstrekten waren rood en gekloofd. Praten viel hen niet gemakkelijk, daarom zwegen ze meestal.’ Een meesterlijk beeld waar ik uren naar kan kijken. Naar die kachel, waaromheen gestaan wordt. Ik zie een niet al te grote ruimte met een vloer van uitgesleten planken en een grote kachel waar mannen met stugge haren en ongemakkelijke lijven om heen staan. Die drinken en roken en van zich af spugen. Dan krijg ik ook zin om van me af te spugen. Het leek me zo op te luchten om van je af te kunnen spugen zonder te hoeven denken aan hoe de vloer daardoor bevuild zal worden. Wie dat dan weer schoon moet maken.

    Van de week had ik het boodschappen doen steeds uitgesteld. Dat krijg je als alles je teveel is, dan vertoon je uitstelgedrag. Ik moest het doen met een restje yoghurt, wat droge crackers en Sherwood Anderson. Lezen is altijd een goede reden voor wat dan ook. Ik ritste tussendoor met scheurend geluid stroken papier van de ongelezen kranten en stopte die in de kachel. Dat kan. Dat je een dag voor de kachel doorbrengt met de gebroeders Bentley, die alle vier sneuvelden in de Burgeroorlog. Tot overmaat van ramp overleed ook hun moeder nog. En de vader kon het niet meer aan en verwaarloosde de boerderij. Toen moest de jongste zoon Jesse, die in de stad studeerde, naar huis komen en de zaak overnemen. En door hem loopt het allemaal niet goed af. ‘Jesse Bentley was een fanaticus. Hij was in de verkeerde tijd en op de verkeerde plaats geboren, daar leed hij onder en liet hij anderen onder lijden.’ Zijn vrouw stierf in het kraambed. Jesse haalde er zijn schouders over op en werd een man die in een stoel zijn zaken overdacht. Ach, dat leek me ook wel wat. In een stoel zitten en mijn zaken overdenken en alles aan me voorbij laten gaan.

     

     

  • Boekenmarkten

    Afgelopen zondag stond ik met mijn boeken in de passage van De Hallen in Amsterdam. De Hallen is een gerenoveerde tramremise waar alle hippe trends samenkomen. Er is een Denim Lab, een Local Goods Store, een bioscoop die de Filmhallen heet, een hal met eettentjes genaamd de Foodhallen, enzovoort. De plek is prettig om te staan. Lekker binnen, behaaglijk in deze koudere tijden van het jaar. Het publiek dat langs de kraam komt is een mengeling van de ‘oude bekenden’ die je eigenlijk bijna bij elke boekenmarkt tegenkomt. De boekenzoekers die je ook op ’t Spui treft tijdens de wekelijkse vrijdagmarkt, die recent zijn 25ste verjaardag vierde met wijn en nootjes.

    Naast de well-to-do stadse gezinnetjes op weg naar de film of het eten, passeren er ook genoeg geïnteresseerden die – voor of na een goede film of lekkere koffie – langs de boekenkramen schuifelen op zoek naar een eerste druk van de rauwe Rotterdamse Cor Vaandrager (1935-1992) of een nummer van het literaire tijdschrift Gard Sivik (1955-1965), de literaire pendant van de Nul-beweging in de beeldende kunst. Niet fictie maar de harde werkelijkheid diende te worden weergegeven. Twee weken geleden nam ik deel aan een antiquarische boekenbeurs in de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten in Antwerpen. Naast jonge kunstenaars prezen antiquaren uit Duitsland, België en Nederland hun beste boekenwaar aan. De bezoekers waren talrijk en er werd goed gekocht. In België blijken ze makkelijker een mooi bedrag neer te leggen voor boekjes en ephemera – posters, uitnodigingskaarten, gelegenheidsgrafiek – van conceptuele kunstenaars dan in Nederland.

    Ik nam eens naar een Nederlandse boekenmarkt een stapel dunne uitgaafjes mee van bijvoorbeeld de vermaarde Marcel Broodthaers of James Lee Byars. Niemand die deze kunstenaars leek te kennen of zich geïnteresseerd toonde in dit soort publicaties. Verschil moet er zijn. Nederlandse kopers hebben altijd meer oog voor literatuur dan voor kunst, zo is gebleken. En in België weer andersom.  Ik hoop in het voorjaar van 2017 in Duitsland deel te nemen aan een kunstboekenbeurs. Eens kijken hoe het daar gaat. De volgende boekenmarkt in de Hallen in Amsterdam Oud-West is op zondag 27 november. Of kom eens naar Boeken in de Bavo te Haarlem, zaterdag 12 november.

     

     

     

  • Twee geboortes, twee verhalen

    Hoe gaan we om met keuzes van vluchtelingen die tussen ons zijn komen wonen? Bij mij in de buurt woont een gezin uit Damascus. Man, vrouw en twee puberkinderen. Ze vluchtten in 2015 naar Turkije. Vandaar trok de man door Europa en kwam in Nederland terecht. Na een jaar kreeg hij een verblijfstatus en kon hij zijn vrouw en kinderen laten overkomen. Dat ging moeizaam. Twee keer werd zij met haar kinderen in Turkije weer teruggestuurd naar het opvangcentrum omdat de papieren niet in orde zouden zijn. De derde keer, het was inmiddels mei 2016, konden ze wel het land uit. De man heeft me al een paar keer zijn filmpje laten zien van hun weerzien in Nederland nadat ze een jaar van elkaar gescheiden waren.

    Ik heb bewondering voor ze. Ze zijn een voorbeeld van bereidheid tot integratie. Ze zochten, al voor de inburgeringscursus begon, hulp om Nederlands te leren. En de man zocht en vond vrijwilligerswerk, in het besef dat hij zijn nieuwe land het best leert kennen door zich onder de bevolking te begeven. Twee maanden na hun vestiging hier was de vrouw zwanger. Ik schrok er een beetje van. Mijn hemel. Heb je na zo’n barre tijd niet alle energie nodig om je hier in je nieuwe land te settelen? Toch is het, als je alle ratio loslaat, zeer voorstelbaar hoe hun emotionele ontmoeting zoals ik die op het filmpje had gezien, in bed een hartstochtelijk en euforisch vervolg zal hebben gekregen waarvoor een nieuwe geboorte het symbool mocht worden. Mag ik het dan onverstandig vinden? Ik ga straks ieder geval op kraamvisite.

    Rond dezelfde tijd hoorde ik van een andere familie, gevlucht uit Eritrea. De vrouw was al zwanger toen ze het land verliet. Ik ken het gezin niet persoonlijk, maar ik ontmoet af en toe wel hun taalcoach. Het echtpaar spreekt alleen Tigrinya, de taal van hun geboortestreek. Ze leren moeizaam Nederlands, vertelde ze. Daardoor voelt het echtpaar zich geremd om contact te zoeken met andere straatbewoners, allemaal Nederlanders. Een paar maanden geleden kregen zij hun eerste kind. De taalcoach had een idee: we maken geboortekaartjes en stoppen die bij alle buren in de brievenbus en is er een leuke aanleiding om kennis te maken. Maar na het kaartje bleef het stil. Er werd niet aan de deur gebeld. Er kwamen geen cadeautjes. Er kwam zelfs geen felicitatiekaartje. Twee geboortes. Twee verhalen.

     

     

  • Koudwatervrees

    Wat ik heb geleerd sinds ik bijhoud wat ik lees (titel en datum van uitlezen noteer ik in een krakkemikkig schriftje) is dat mijn leeslijst zich in beperkte mate laat afdwingen. Boeken die ik uit de bieb heb gehaald, die ik heb gereserveerd of waarvoor ik speciaal naar andere filialen ben gefietst, blijven treurig onaangeroerd op mijn bureau liggen. Romans die ik cadeaus kreeg, sommige al enkele verjaardagen terug, verliezen ongelezen hun nieuwigheid.
    Van tijd tot tijd test ik het water. Ik open Mijn heldere afgrond van Christian Wiman, ervan overtuigd dat het nu gaat lukken. Nu ga ik het lezen. Te koud – al bij het eerste contact begin ik te rillen. En ik weet zeker dat ik dit boek wil lezen, dat het me zal helpen. Maar natuurlijk, zodra je verwacht dat een boek je gaat helpen, doet het allesbehalve dat. Ik bedoel maar dat verwachtingen onuitgepakte teleurstellingen zijn (krom hier gerust uw tenen, doe ik ook).

    Ondertussen worstel ik al weken met de nieuwste Don Delillo, ook een verjaardagscadeau dat nog even op zich liet wachten: twaalf boeken las ik sinds ik de roman eind augustus kreeg.
    Er valt veel te genieten in Nulpunt. Een man die met zijn liefde mee de dood in wil, besluit daar toch vanaf te zien, worstelt, komt erop terug. Zijn zoon kijkt toe, zit met eigen vragen en gedachten. Wat komt er na de dood? Wie ben je na de dood? Middenin de roman, flarden uit een hiernamaals in een monoloog die nog duisterder is dan die van Addie Bundren in Faulkners As I lay dying.
    Toch zijn er steeds momenten waarop ik afhaak. Dat begint met een oorwurm op de achterflap: ‘…zijn zoon, die met volle teugen van het leven geniet.’ Als er iets is wat de zoon naar mijn idee niet doet, is dat het wel. Hij is eerder afwachtend, kijkt en denkt vooral, het duurt lang voor hij ergens toe komt. Is dat genieten? Is dat leven? Hoogstens in passieve vorm.
    Ook de dialogen zorgen voor gedachten die ik tijdens het lezen liever niet heb. ‘Romanpersonages leuteren niet,’ zei Renate Dorrestein eens. Maar wat de personages in Nulpunt doen, is wel het andere uiterste. Hoe vader en zoon elkaar in gesprek aanvullen, ontwijken, bijna afsnoeven in taal, hoe de mensen van de Convergentie zoveel zeggen dat het bijna niets meer is, dat ze alleen nog maar taal oreren, is dat de manier van converseren die Kees Fens bedoelde in zijn essay ‘Over de kunst van het gesprek?’ Misschien is het een kunst waarvan ik de schoonheid niet begrijp. Misschien lees ik de roman op het verkeerde moment.

    Wat lees ik na Delillo? Mijn heldere afgrond ligt nog altijd te wachten op mijn bureau. Af en toe pak ik het op, raak ik het aan, open ik het. Ik test het water. De temperatuur is vanzelf goed. Tot die tijd is het boek onderdeel van een stapel die me soms beangstigt, maar meestal verheugt. En verheugen is, godzijdank, iets anders dan verwachten.

     

    Foto: Sterre Meurs

     

  • Leesclub 2

    Elke club heeft zijn gemeenschappelijke ding. Bij voetbal is dat de bal en bij een leesclub het boek. Om met dat gemeenschappelijke ding (de bal, het boek) als groep om te gaan is een hele kunst. Na zo’n tien boeken die we lazen en bespraken was er deze keer iets van een ontdekkingstocht naar de structuur van een boek en de motieven van de schrijver ontstaan. We zaten met zijn zessen, (vrouwen, waarvan ik nog steeds niet weet welke naam bij wie hoort en zij mijn naam ook vergeten zijn), rond de tafel in die zeer goede boekenhandel in Arnhem. Dat van die namen stoorde ons niet. Belangrijker was het boek voor ons op tafel. Dit keer was het Als de winter voorbij is van Thomas Verbogt. Waarvan werd gezegd dat het zijn meest autobiografische roman was. En dat maakte het nogal delicaat.

    We vonden unaniem dat alles zo goed opgeschreven was (met uitroepteken) dat, als je het las, dacht: ‘Wat staat dat daar fijn beschreven.’ We hadden de complexiteit van gevoelens en gedachten, waar de Thomas in het boek zeer aan lijdt, nog nooit zo goed beschreven zien staan. We gingen onszelf er in sommige opzichten beter door begrijpen. Door die complexe dingen heen zagen we een man die geen geluk verdragen kon. Dat kwam, zoals zijn moeder hem eens zei: ‘Dat het geluk naar hem toekwam. Hij hoefde er niets voor te doen.’

    Ook bleek dat we allemaal en afzonderlijk van elkaar, bij dezelfde passage eruit geslingerd waren. Het boek was niet chronologisch opgebouwd, we sprongen van de ene naar de andere gebeurtenis, maar soit. Het was een mooi geschreven boek. Op bladzijde 145 raakten we er dan toch uit. De Thomas in het boek werd door een crimineel opgesloten in een leegstaand winkelpand. Waar een Laura aanwezig is. We hadden ieder voor zich op zeker moment zoiets geroepen als: Huhhh?’ Er waren veel namen van vriendinnen voorbij gekomen maar geen Laura. We bladerden terug naar een aanknopingspunt. We zaagden door over de betekenis van dit stuk dat ons zo vervreemdde van het boek. Iemand haalde er een recensent bij die had gezegd dat dit stuk een stijlbreuk was, dat het er niet inpaste. We waren geneigd mee te knikken tot iemand riep: ‘Maar er hing toch een affiche van Kafka in de wc van dat pand waar hij opgesloten zat.’

    ‘Aha’, wacht eens even,’ riepen we. En bladerden ons het boek weer in naar die betreffende passage. Er ging ons plots een licht op. ‘Het proces’. Natuurlijk. Het was een absurdistische gebeurtenis die als zo zijnde bedoeld was. En opeens bewogen we heen en weer in het verhaal van zijn leven op het punt wat wel een scharnierpunt genoemd wordt. Het was een hele beleving. En al hadden er twijfels geklonken of zijn huidige relatie zou standhouden –  omdat de man het geluk niet zoekt – wisten we opeens klip en klaar dat dit boek één grote liefdesverklaring was aan zijn vriendin Aimee.

     


    Inge Meijer is een pseudoniem en schrijft over boeken en de ontdekkingen die zij doet in de marges van de literatuur.

     

  • Iets om nooit te vergeten

    ‘Vrouw Garrigue slaakte een kreet en als antwoord zette de harmonika buiten het op een draf’, schrijft Henk Romijn Meijer in zijn roman Mijn naam is Garrigue. Een omschrijving die mij terugbracht naar een cursus in 2000, over de joodse godsdienstfilosoof Martin Buber, bij de Internationale School voor Wijsbegeerte in Leusden.

    De docent had als onderdeel ‘Klezmer als chassidische uiting’ opgevoerd, waarbij hij zelf accordeon speelde. Ik zal het nooit vergeten. Hij kwam langzaam op gang en begon steeds sneller te spelen. Misschien wilde hij in extase raken, wie zal het zeggen. Zijn hoofd bewoog steeds sneller mee op de muziek. Een beetje eng vond ik het. Wat zou er gebeuren als hij letterlijk en figuurlijk over z’n toeren raakte?

    Zoiets als bij de Tacoma Narrows Bridge gebeurde? Bij bepaalde windkracht begon de brug te deinen. Toen het op een dag echt stormde, ging het wegdek golven. Steeds heviger en door zijn eigen beweging nog meer aangewakkerd dan door de storm zelf. Zorgwekkend. Uiteindelijk stortte de brug in. Zou de accordeonist ook instorten als ’t te gek werd?

    De dansers van tarantella’s hebben er wat op gevonden. De achtergrond van de tarantella is een fabel uit Zuid-Italië. Men geloofde (ten onrechte, schijnt) dat de beet van een tarantula-spin erg giftig was, en dat het slachtoffer er alleen vanaf kon komen door net zo lang en opzwepend te dansen tot (het was meestal een vrouw) ze instortte.
    Als je op YouTube tarantella dansende vrouwen (en mannen) opzoekt, valt op dat ruim voor het moment suprême de danser(es) wordt afgelost door iemand uit de groep die eromheen staat.

    Je kunt hier twee dingen uit afleiden: dat het er niet om gaat dat een danser, of musicus, in extase raakt en/of dreigt in te storten. En als het eerste wel voorkomt, zoals ik eens meemaakte tijdens een concert door klavecinist Gustav Leonhardt in Leeuwarden, en de musicus dit louter ten dienste van de muziek en de luisteraars weet aan te wenden, dan gebeurt er iets om nooit te vergeten.

    En dan realiseer  ik me opeens dat het niet alleen eng was, die accordeonist tijdens die cursus, maar wat vooral indruk maakte, was dat hij zo eenzaam overkwam. Zoals hij daar zat in het midden , en niet te midden van zijn gehoor. Hij maakte er geen deel vanuit, had geen contact met ons. Vooral dát voelde niet goed.

    Ik ben benieuwd wat de toehoorders zullen ervaren bij de concerten die tenor Marco Beasley deze maand samen met een luitist en gitarist in het land gaat geven. Op het programma staan enkele tarantella’s …

     

     

  • Herkenning in de kunst

    Gezien door de ogen van deze tijd lijkt de strijd tussen de kunsten in de Renaissance, de paragone, een ordinaire ruzie tussen alfamannetjes. Maar dan wel een tussen de crème de la crème van de artistieke alfamannetjes, met als hoogtepunt de schermutselingen tussen Leonardo da Vinci en Michelangelo Buonarroti. Waarbij de eerste de schilderkunst boven de beeldhouwkunst stelde, vanwege het intellect dat nodig is om een voorstelling geloofwaardig in het platte vlak uit te beelden, en de tweede de beeldhouwkunst, omdat de drie dimensionaliteit van beelden de werkelijkheid veel dichter zou benaderen.

    Afgelopen zaterdag toonde Wim Pijbes zich in het Gemeentemuseum in Den Haag een ware volgeling van Michelangelo. Hij bekende bij de opening van de tentoonstelling ‘Van Rodin tot Bourgeois; Sculptuur in de 20ste eeuw’, dat voor hem beeldhouwkunst absoluut op nummer 1 staat, omdat je je er als mens zo mooi toe kunt verhouden. En dat blijkt voor Pijbes een cruciaal element van kunst te zijn. Hij vindt dat je je als toeschouwer moet kunnen vereenzelvigen met de kunst die je aanschouwt. Iets dat hij onderstreepte door beeldend kunstenaar Antony Gormley (1950) aan te halen: ‘kunst gaat tegenwoordig niet meer over macht en prestige, maar over participatie’. Voor Pijbes is er geen betere kunstvorm om in te participeren dan beeldhouwkunst, omdat die bijna altijd over mensen gaat. Of je er nu vlak voor staat, er omheen cirkelt of een beeld vanuit de verte aanschouwt; je herkent jezelf altijd onmiddellijk in een beeld. Een stelling die je nu in het Gemeentemuseum kunt toetsen met en weergaloos overzicht van topbeelden uit de twintigste eeuw.

    Als beeldhouwkunst de ultieme participatieve vorm van beeldende kunst is, dan is muziek dat misschien wel voor literatuur. Muziek is immers een literaire vorm die je meer nog dan romans of poëzie tot deelname uitnodigt. Luidkeels meezingend of zachtjes neuriënd. Op de fiets, als je aan het koken bent, of onder de douche. Zingen kan je altijd en overal.

    In het licht van Gormley’s stelling is het dan ook niet meer dan logisch dat de Nobelprijs voor de literatuur eindelijk eens aan een songwriter is toegekend. Want als ook literatuur tegenwoordig draait om participatie, dan is het tijd dat die prijs naar het gezongen woord gaat, de meest participatieve literaire kunstvorm. Ook al omdat je niet kunt ontkennen dat er geweldig goede, literair hoogstaande songteksten zijn, waaronder die van Bob Dylan, die tot de absolute top van het muzikale woord horen. Daar zijn vriend en vijand het wel over eens.

    Dus waarom is er dan zoveel rumoer sinds bekend werd dat Dylan met de hoogste eer ging strijken? Is dat omdat Gormley’s stelling toch niet opgaat voor de literatuur? Dat macht en prestige daar nog immer voorop staan? Of omdat velen het gedrukte woord intelligenter vinden dan het gezongen woord? Zoals Leonardo de schilderkunst hoger achtte dan de beeldhouwkunst? Als dat zo is dan hoop ik dat er snel een Michelangelo uit de muziek opstaat.