• Worteltaart en boekhandels

    Er was nogal wat over Boekhandels en Literatuur deze week. Daar waar de weerstand zit, is iets te onderzoeken. Veel mensen laten bij de minste weerstand hun rug zien (of slaan het boek dicht) en laten het afweten. Aan deze mensen is literatuur (wat wel eens de grondgedachte van de verkopers bij Boekhandel Athenaeum aan het Spui geweest zou kunnen zijn) niet besteed. Want je geeft ook niet graag een met zorg gemaakte pracht van een bonbon in handen van een visboer (waarom eigenlijk niet?). Wat goed is, moet met kennis van zaken en inzicht behandeld worden. Nou ja, zoiets. Want schrijven is een zaak van ambities hebben en een lezer zou ook wel ambities mogen tonen betreffende het leesaanbod. Ambities om kennis te nemen van geschiedenissen en inzichten die niet de jouwe zijn maar wel een deur openen waar je anders nooit achter gekeken zou hebben (hm, niet te mindfulnessachtig?).

    Een Boekhandel binnenlopen kan dus een precaire zaak zijn. Er is de barrière van de boekhandelaar zelf te nemen. Of hij weet heel veel en overrompelt je daarmee, (‘Waarom komt u hier als u dat niet eens weet.’), dan ben je zo weg. Of hij heeft geen zin dat er aan zijn boeken gesnuffeld wordt, (doet u dat thuis maar) of hij heeft zijn dag niet omdat hij niks verkoopt, waarbij het hem niks kan schelen dat dit deels veroorzaakt wordt door eerder genoemde dingen. Joris van Casperen schreef er het prachtige en vermakelijke boek Is u bekend met het alfabet? Verhalen uit de boekhandel over.
    Ik begreep opeens de schroom die me wel eens overviel als ik bij de Boekhandel aan het Spui ‘zomaar’ even binnenliep wanneer ik in de buurt was. Alleen een literair tijdschrift of het soort boeken als van Voskuil en Vogels kocht ik daar (misschien voelde ik me wel gedwongen die te kopen door de uitstraling van het personeel bedenk ik me opeens!). Ha, ze gaven je dan wel weer het gevoel alsof je ergens bij hoorde. Waarover Arjen Fortuin deze week in zijn column schreef dat er tegenwoordig niemand meer lid van wil zijn: van de Literatuurclub. 

    Het beste is dan ook deze ogenschijnlijk ondoordringbare vestingen die Boekhandels kunnen zijn, te nemen in de ochtend. Vlak na openingstijd. Dan is de boekhandelaar op zijn kwetsbaarst en hoor je nog wel eens wat. Over een onverkoopbaar boek, of over die ene lastige klant. In de boekhandel in het oosten van het land, waar ik laatst zo onopvallend mogelijk met de handen op de rug langs de boekenkasten (met een werkelijk prachtige verzameling literatuur en poëzie) schoof, was er sprake van een klant die steeds naar hetzelfde boek vroeg maar het niet wilde bestellen.

    Een piepjonge verkoper, die ik daar nog niet eerder had gezien, zei: “Net als in die mop van dat konijn dat bij de bakker komt en steeds vraagt: ‘Hebt u ook worteltaart?’ Waarop de bakker: ‘Nee.’ zegt. Die bakker denkt op een gegeven moment: ‘Ik zal je hebben’, en bakt een worteltaart. Als het konijn weer komt zegt de bakker: ‘Ja, die heb ik.’ Waarop het konijn zegt: ‘Vies hè.’ en wegloopt.”
    ‘Ah, zei de boekhandelaar gevat, dan zullen we maar geen worteltaart voor onze lastige klant bakken.’
    ‘Haha, neenee,’ werd er besmuikt gelachen en ik verschool me bukkend achter een boek van (Hee, kijk nou
    . Is dit niet Judas van  de zus van Holleerder?) en bladerde er nieuwsgierig doorheen.

     

     

  • O, kom er eens kijken!

    Ik droomde dat ik nog in Sinterklaas geloofde en m’n schoen mocht zetten. Oh to be young again… Ik wist meteen wat er op m’n verlanglijstje moest: al die boeken die te lang op zich hebben laten wachten.

    1. Martinus Nijhoff, geboorten van literatuur. De langverbeide biografie. Vanzelfsprekend bovenaan mijn lijst, want ik word oud dus de tijd dringt. De auteurs, Dorleijn en Van den Akker, hebben eerder al een nieuwe editie van de Verzamelde Gedichten verzorgd en enkele studies gepubliceerd. Nu dan de kroon op hun werk.

    2. Het nieuwe boek van Carl Friedman. Eindelijk! Wordt het een roman? Verhalen? De uitgever houdt ons nog in spanning. Na de successen van Tralievader, Twee koffers vol en De grauwe minnaar – de eerste twee werden verfilmd – is het te lang stil gebleven. Autobiografische verwikkelingen zouden daar debet aan zijn. De liefhebbers van haar werk hadden haar wel willen toeroepen wat Toergenjev ooit schreef aan Tolstoi: ‘Mijn vriend, keer terug tot Uw literaire arbeid! Die gave hebt u immers van waar ook al het andere komt. Ach, wat zou ik gelukkig zijn als ik kon denken dat mijn verzoek die uitwerking op U zou hebben!’ Dezelfde brief besloot hij overigens met ‘Ik kan niet meer, ik ben moe’ en vijf weken later stierf hij.

    3. De verzamelde correspondentie van W.F. Hermans en Gust Gils. Opnieuw een brievenboek van Hermans, en dit keer niet zo’n dunnetje als de briefwisseling met Bordewijk. Uit dat enorme Hermans-archief moet natuurlijk veel meer te halen zijn. Zal ik het nog beleven?

    4. De ‘Amerikaanse’ romans van de in 2012 overleden Gore Vidal. Zijn historische romans over de ontwikkelingsgang van de Verenigde Staten zijn onovertroffen. Ook zijn talloze vijanden erkenden de kwaliteit van Burr, 1876, Lincoln, Empire, The Golden Age en Washington D.C. Wie deze meeslepende boeken leest, krijgt een uitstekende geschiedenisles en kijkt voortaan met andere ogen naar wat zich in de VS afspeelt. Eindelijk is de reeks nu compleet in het Nederlands verkrijgbaar, en in welk een mooie uitgave! Compleet met noten, kaarten en inleidingen van prominente amerikanisten. Zes delen in cassette, heerlijk. Mijn kennis van het Engels taant en mijn ogen gaan steeds verder achteruit; nu kunnen die armoedige pocketjes bij het oud papier.

    5. Simon Carmiggelt: Verzameld Werk. Commentaar overbodig, behalve misschien: hèhè, waarom hebben we hier zo lang op moeten wachten?

    6. Wat is hiervan de bedoeling? Deze pil bevat een selectie uit het epistolaire vuurwerk van Nicolien Mizee en Ger Beukenkamp, de schrijver wiens roem kort geleden nog werd bezongen door Mark Rutte. In ‘Zomergasten’ vertelde onze premier hoe hij in zijn lessen maatschappijleer gebruik maakt van scènes uit Den Uyl en de Lockheed-affaire (een van Beukenkamps prijswinnende televisie-series): ‘Wat een meesterlijke scenarioschrijver!’ Beukenkamp is de onverstoorbare goeroe, Mizee is de gedreven leerling die en passant de kroniek van haar leven schrijft.

    7. De Grote Jos Ruting Omnibus. Rutings werk werd een halve eeuw geleden al verramsjt en de boekjes die ik toen als tiener kocht, vallen uit elkaar. Maar nu is er deze kloeke verzameling proza, inclusief In de mierenrijken, plus een selectie uit de tekeningen en het grafische werk. Veel vogels, bloemen en vissen. Ruting, die nog heeft samengewerkt met Vroman en met Van Geel, was niet voor niets bioloog.

    Ik werd wakker en noteerde de droom. Wat zou mijn psychiater ervan vinden? Ik wreef me de slaap uit de ogen en dacht: anders maar een boekenbon.

     

     

  • WC boeken

    Als ik boeken heb ingekocht en ze komen op mijn werkplek uit hun dozen, dan zijn er een aantal bestemmingen voor. De boekenkast, op onderwerp, literatuur, geschiedenis, kunst, architectuur of filosofie bijvoorbeeld. Nadat ze een boekbeschrijving hebben gekregen en in mijn online-boekenbestand en website zijn opgenomen, kunnen ze uit de kast gehaald worden en naar u worden verstuurd, mits u dat boek bij mij bestelde.

    De net ingekochte boeken kunnen ook op de trap belanden. De trap naar boven, naar mijn woonkamer waar mijn eigen verzameling staat. Sommige boeken komen niet verder dan de eerste paar treden, want soms/vaak/ regelmatig besluit ik ze uiteindelijk niet op te nemen in mijn eigen boekenverzameling, en ze toch voor de verkoop te bestemmen. De schoorsteen moet roken, niet waar? Van die sortering boeken die naar boven gaan, stuur ik een paar verder door.  Naar nog een etage hoger, alwaar bed, lamp en nachtkastje ons opwachten. Maar er is ook een aantal boeken dat beneden blijft en onmiddellijke aandacht vereist. Die gaan mee naar de wc. Op een richel boven de wc heb ik een wisselende collectie staan. Ik leid een versnipperd bestaan op de wc. Al druk doende begin ik daar elke dag wel in een nieuw boek.

    img_5336Laatste beginnetje: Ontroeringen. Essays van Bernlef over de relatie poëzie-politiek en Albert Speer en Kurt Schwitters. Er gaan daar werelden voor mij open. En eigenlijk niet alleen daar. Want wat is het prachtig-lastig om temidden van al die boeken – ongeveer vijfduizend – standvastig te blijven en een boek helemaal uit te lezen, terwijl de stapel nog te lezen boeken hoger wordt en dan verandert mijn interesse en aandacht weer – van filosofie naar essays naar architectuur, van poëzie naar biografie. Intussen heb ik me er wel mee verzoend hoor. En heus, ik lees wel boeken uit, zoals laatst Het bestand van Arnon Grunberg of De bruid van Duchamp van K. Schippers. Maar als een boek me uiteindelijk niet meer boeit of, reëler, als een boek wordt weggeduwd door andere, te verorberen en naar onbekende smaken proevende boeken, dan is dat maar zo. De pagina’s die ik dan toch heb gelezen, hebben hun geestelijke missionarissenwerk gedaan en me verder gestuwd in de caleidoscopische wereld van het boek en de geletterde delta van mijn boekhandel.

     

     

  • Public relations en ontwikkelingshulp

    Deze maand is bij de VPRO de vierdelige serie De Trek te zien over de migratiestromen in Afrika. Voorafgaand aan de eerste aflevering stond in NRC Handelsblad van 5 november een artikel van Bram Vermeulen, de maker van de serie. Daarin trof me onder andere de volgende passage: ‘De deal tussen Afrika en Europa over het terugnemen van migranten berust op een belangrijk misverstand. Ontwikkelingshulp stopt migratie niet (…) Ontwikkelingshulp jaagt migratie aan. In het oosten van Senegal zag ik voor ieder dorp een woud aan borden van ontwikkelingsprojecten, gefinancierd door Europese donoren. (…) Senegal is een donor darling.

    Niet de bewering op zich raakte me, maar het riep een herinnering bij me op aan De crisiskaravaan van Linda Polman, dat ik in 2008 las en dat me toen volkomen lam sloeg. Het schetst een gevecht van belangen die achter hulpverlening in crisisgebieden schuil gaat. In het derde hoofdstuk van het boek vertelt Polman over Murray Town Camp, een kamp in Sierra Leone dat tijdens de burgeroorlog in de jaren ’90 uitpuilde van geamputeerden; hun ledematen waren afgehakt door rebellen en soldaten. Het was een gangbare methode om tegenstanders uit te schakelen in deze gruwelijke oorlog die lang schimmig bleef voor de buitenlandse pers. Tot Murray Town Camp ontdekt werd. ‘Als pitbulls op een kleuterklas, storten journalisten uit de hele wereld zich op het verhaal van de geamputeerden’, schrijft Polman.

    Kort daarna werd de grootste humanitaire hulpoperatie tot dan toe op touw gezet: ‘Ongeveer driehonderd INGO’s [International non-governmental organisations] repten zich naar het landje. Ook organisaties die niet speciaal voor de geamputeerden kwamen, gebruikten foto’s van de arm- en beenloze bewoners van Murray Town Camp in hun fondsenwervingscampagnes.’
    Er ontstond een waar gevecht tussen concurrerende belangen. Aan de ene kant de geamputeerden, die zich splitsten in real amputees (slachtoffers van rebellen) en war wounded (mensen die om geneeskundige redenen waren geamputeerd na oorlogsverwondingen). De ‘echte’ vonden dat ze meer recht op geld hadden dan de ‘onechte’, want de donaties stroomden binnen dankzij de foto’s die van hén gemaakt waren.

    Aan de andere kant een strijd tussen de INGO’s. Die present wilden zijn op de plek waar de meeste camera’s flitsten. Want je bord in beeld betekent dat je thuis weer giften op kunt halen voor je eigen organisatie. Je moet ter plekke zijn, of je nu adequaat hulp kunt verlenen of niet, omdat je gezien moet worden. En wat je met je verblijf daar investeert, moet ook weer worden terugverdiend. Ontmoedigend vond ik destijds vooral dat Murray Town Camp maar één van de vele voorbeelden is die Linda Polman geeft in haar boek. De ruim 200 pagina’s bevatten nog veel meer misstanden. Die beschreef ze acht jaar geleden.

    Ontmoedigend is dan ook dat Bram Vermeulen in 2016 voor ieder dorp weer een woud aan borden ziet staan van Europese donoren. Opnieuw symbolisch voor een hulpindustrie die zijn public relations uitvecht over de ruggen van slachtoffers?

     

     

     

  • Boeken en koffiepraat

    In een essay van Roel Weerheijm op de website van Tzum staat in een tussenzinnetje: ‘net als boekpresentaties lijken literaire polemieken op de koffieautomaat van een kantoor’. Het stuk gaat over recensies, belangenverstrengeling en wat er allemaal speelt op die vierkante centimeter die de literaire wereld van ons landje behelst. Zeer prettig proza over een onderwerp waarvan ik zo min mogelijk probeer te vinden omdat ergens-iets-van-vinden me vaak helemaal niet helpt.

    Ik heb geen kantoor. Thuis ben ik de enige die koffie drinkt, van een automaat geen sprake, bovendien ben ik zo’n zeurderig type dat uitsluitend biologische decafé in een cafetiere zet en dan aan het aanrecht wacht tot het water heeft gekookt en precies genoeg is afgekoeld, u kent het wel, dan kan ik eens rustig nadenken over al die zaken waarover ik geen mening heb (intussen schrijf ik geen woord). Wel ben ik onderdeel van een groep schrijvers die op woensdagen in de centrale bibliotheek aan eigen werk werkt. Na urenlange overwegende stilte – het gezucht en gedempte getik op de toetsenborden van meegebrachte laptops, het heen en weer lopen naar het toilet, de rook- en lunchpauzes – bespreken we waar we mee bezig zijn. Soms leest iemand voor en vraagt om commentaar, soms gaat het over randzaken: dingen die niet letterlijk over het schrijven gaan, maar juist alles daaromheen. Dus recensies en hun recensenten, prijzen en hun jury’s, uitgevers en redacteuren, romans en dichtbundels, boekhandelaars en, zoals Roos van Rijswijk fijntjes opmerkt in haar stuk Afleidende bijzaken op de site van Tirade.nu, het Literaire Internet. Koffiepraat, inderdaad.

    Nu ik een paar weken niet ben geweest, mis ik het. Wel bezoek ik de laatste tijd veel boekpresentaties. Heel vaak heb ik mensen horen zeggen dat je hen op elke willekeurige begrafenis aan het huilen krijgt. Of ze de overledene nu kenden of niet, die tranen komen er toch wel. Dat lijkt me niet vreemd: naast oprecht mededogen met andermans verlies roept hun verdriet eigen verdriet op, dus huil je, naast die ander, ook om jezelf. Bij boekpresentaties ervaar ik iets vergelijkbaars. Of ik de schrijver van het gepresenteerde boek nu goed ken of niet, ik bevind mij hoe dan ook in opperste staat van ontroering. Komt dat doordat ‘het’ bij mij binnenkort ook gaat gebeuren? Waarschijnlijk. En evengoed omdat ik blij word van boeken.

    Bij de presentatie van De Ruiter van Jan van Mersbergen denk ik terug aan dat zinnetje over die koffieautomaat. Strikt genomen gaat de koffie niet over het werk zelf, maar het is wel belangrijk. Die koffie betekent contact, betrokkenheid bij De Zaak en alles wat (en iedereen die) daarbij hoort. Zo is het met presentaties ook. Het grote schrijven is geweest, het boek is af, dat mag gevierd worden. Het gaat tegelijkertijd wel en niet over schrijven maar draagt allemaal bij aan De Zaak, aan lezen en literatuur. Daar geniet ik van. En dan weer aan het werk, stilletjes, met af en toe een uitstapje naar het aanrecht en de cafetiere.

     

     

  • Geïnspireerd raken

    De dood en verkeerde keuzes zijn de definitieve punt achter alles wat nog enigszins een belofte inhield. Ik lette even niet op, ik was er niet. Had mijn spullen gepakt en vertoefde ergens anders. En alsof ik gestraft werd voor mijn afwezigheid stierf er een schrijfster waarvan ik nog wel een boek verwachtte, overleed de zanger die mijn eerst verliefdheid belichaamde en is de democratie in Amerika in een terminaal stadium geraakt. Leonard Cohen overleed nadat hij een nieuwe plaat had uitgebracht en  geopperd had toch wel 120 te willen worden. Helga Ruebsamen had nog een vervolg op haar roman Het lied en de waarheid willen schrijven. Het had er nog van kunnen komen, maar de dood haalde haar belofte onderuit.

    In de jaren zeventig leerde ik een jongen kennen die enkel wilde samenwonen met een zwart geklede schone. Op zijn zolderkamer luisterden we tot diep in de nacht naar Songs of Love and Hate van Leonard Cohen. Door het donkere stemgeluid van de Canadese bard en zijn ondoorgrondelijke teksten werd ik verliefd op die jongen. Een jongen als een belofte. We gingen dat jaar samen naar een concert van Leonard Cohen in de Doelen in Rotterdam. We gingen met een bus en een groep vrienden die alles kenden van deze poëtische zanger. Blowend legden we de reis af.

    Dat hoorde bij de muziek van Leonard Cohen, een flinke joint  deed je alles begrijpen. Ik werd misselijk van de belofte van die avond en van de ongrijpbaarheid van liedjes als The Sisters of Mercy of Famous Blue Raincoat: ‘And what can I tell you my brother, my killer / What can I possibly say? /I guess that I miss you, I guess I forgive you / I’m glad you stood in my way.’ Nog weet ik niet waar het eigenlijk over gaat maar de uitwerking is zo sterk dat ik – telkens als ik er naar luister – de realiteit uit het oog verlies en geïnspireerd raak, tot wat dan ook.

    Zoals het met de democratie in Amerika nooit meer goed zal komen, is het met mij en die jongen niks geworden. Ik was niet die in het zwart geklede schone. Dat het nummer Chelsea hotel een elegie voor Janis Joplin was, weet ik pas sinds kort. En dat Cohen een affaire met haar heeft gehad ook. Achteraf, als beloften niet meer meespelen, kom je altijd meer te weten, is alles helder en blijft er niks over. Yes and lover, lover, lover, lover, lover, lover, lover Come back to me.

     

     

  • Tangomuziek op de achtergrond

    Misschien danst ze tango in een te rode jurk
    gelakte pornoschoenen een kwabje hier en daar
    stappen iets te groot, net of niet op maat

    dichtte Florence Tonk in haar Gemeen gedicht, in het midden latend of die schoenen net niet de goede maat hadden of dat haar stappen niet in de maat van de muziek waren.
    Het was voor zover ik me kan herinneren geen rode jurk, laat staan een te rode jurk die de danseres aan had die het Koninklijk Concertgebouworkest voor een Spaanse avond had ingehuurd. De schoenen verdwenen achter het orkest, de stappen waren in de maat. En toch heb ik me in tijden niet zó verveeld tijdens een concert. Het spijt me dat ik het moet zeggen en er is niets aan te doen. Volgende keer beter.

    Wel vermaakte ik me kostelijk met het bestuderen van het orgelfront in de Grote Zaal van het Amsterdamse Concertgebouw. De orgelkas is gebouwd door A.L. van Gendt, die ook het Concertgebouw zelf ontwierp. Hoog rijst het symmetrische gevaarte boven het podium uit. De pijpen links en rechts worden bekroond door koepeltjes die doen denken aan bijvoorbeeld de Kathedrale Basiliek St. Bavo in Haarlem. Geen vreemde keus voor de rooms-katholiek Van Gendt.
    Aan de onderkant van de kleinere pijpen ontwaar ik aan weerszijden boogvormen. In gedachten ben ik opeens in het Alhambra in Granada. En dat komt niet alleen door de Spaanse muziek die ik aan me voorbij laat gaan. Er schiet me ook een regel van de architect van de Bavo te binnen, die het had over de ‘Spaansch-Arabische motieven’ van zijn schepping. Toch zal het onbewust wel door de dans komen dat niet alleen allerlei beelden maar ook allerlei zinnen over elkaar heen buitelen.

    Het meest daarvan beklijven die van de jonge Frederico García Lorca, die in zijn Impressies van Spanje de Moorse wijk Albaicín in Granada beschrijft. Ook bij hem vechten sacrale en profane uitingen om voorrang. Hij hoort uit een klooster orgelklanken komen, terwijl op straat een man hartgrondig staat te vloeken. Hij heeft het over ‘een lucht geladen met gitaararpeggio’s.’
    Ik kijk niet verbaasd op, dat op het moment dat ik weer met beide benen op de grond sta, er opeens een gitarist op het podium zit. Voor even vertoefde ik in de heerlijke najaarszon bij het Mozarabische Alhambra. Met tangomuziek op de achtergrond.

     

     

  • Ik zeg het maar zo jongen

    Gisteravond heb ik gefascineerd gekeken naar de documentaire over Boudewijn Büch op NPO. Büch heeft me altijd geboeid. Zijn verbale enthousiasme, verzameldrift en barokke manier van leven sprak me altijd zeer aan zonder gelijk zijn voorbeeld te willen volgen. Er werd in de docu vooral ingezoomd op zijn liefdesleven. Dat boeit me eigenlijk maar matig. Ik hield erg van zijn reisprogramma’s en zijn boeken over reizen, cultuurgeschiedenis, schrijvers en verzamelingen.

    Net als Büch vind ik atlassen geweldig en boog me er in mijn jeugd vaak overheen. Rijk aan schatten en een wonderschone, grafische ingang tot het rijk der verbeelding. Terra incognita, hinc sunt leones, prachtige termen die je gegraveerd ziet in een gebied op een landkaart dat nog onbekend en onbereisd is. Boudewijn Büch voelde zich op zijn gemak in delen van de wereld die  door weinig mensen bezocht waren. Op de vlucht voor het gemaniëreerde en deels ook leugenachtige leven dat hij zelf had vormgegeven, zo werd geponeerd in de documentaire. Ik denk dat dat waar is.

    Ik miste helaas wel de duiding van het geestesleven van Büch gevormd door zijn jeugd, achtergrond, gezin en ouders. Samen met  Theo van Gogh, was Büch een van de markante figuren die ik in mijn studententijd leerde kennen. Ze vormden de intellectuele entourage van mijn nieuwbakken stadsleven. De briefwisseling (Wassenaarse brieven) tussen Van Gogh en Büch op de achterpagina van het studentenblad Propria Cures begin jaren negentig, vormden voor mij een wekelijks literair hoogtepunt. Dat Büch na zijn dood vrijwel onmiddellijk werd weggezet als een fantast en middelmatige verzamelaar, vond ik heel minnetjes. En zo Nederlands. Bewonderen kunnen we in dit natte landje maar matig. Iemand die zijn leven in het teken van de literatuur stelt en langzaamaan in zijn eigen ideale, literaire denkwereld de hoofdrol gaat spelen en erin gaat geloven, dat is, naast dat het uiteraard ook veel complicaties geeft, toch prachtig? ‘Ik zeg het maar zo jongen: Hemel en hel zijn in het hart van de mensen.’ (Boudewijn Büch: De hel. Novelle. 1990, p. 75).

     

     

  • Te waar om mooi te zijn

    De relatie tussen werkelijkheid en kunst is altijd een ongemakkelijke. Kunst is per definitie een selectie en interpretatie, die net zomin ‘echt’ is als de kaart van ons land Nederland is. Sterker nog, hoe dichter kunst de werkelijkheid benadert, des te banaler en oninteressanter ze wordt. Goede kunst houdt daarom altijd afstand tot de werkelijkheid, omdat in die afstand de betekenis wordt geboren.

    Je ziet dat mooi bij portretten, waarin – hoe naturalistisch en gelijkend ze ook zijn – vaak een forse dosis interpretatie zit. Afstand tot de werkelijkheid omdat dat noodzakelijk is voor een goed begrip van wie iemand is of waar hij voor staat. Dus toen Bernini, één van de beste portrettisten uit de geschiedenis, in 1665 de Zonnekoning portretteerde gaf hij hem een extra groot voorhoofd en reukorgaan mee, omdat dat volgens de beeldhouwer sinds Alexander de Grote, kenmerkend is voor grootse heersers. En het was voor Bernini belangrijker dat zijn portret de gewenste grandeur van de koning toonde dan dat het daadwerkelijk op Lodewijk XIV zou lijken.

    Je vraagt je af hoe zo’n begenadigd portrettist de nieuwe president-elect van de Verenigde Staten zou portretteren. Hoe zou Bernini hem grandeur geven? Zou hij zijn neus net zo groot maken als die van Alexander en zijn haardos net zo flamboyant als die van de Zonnekoning? Zou hij hem mooier maken dan hij in werkelijkheid is, of zou dat bij deze heerser-in-de-dop niet werken omdat niemand zou geloven dat dat echt is? Want als de waarheid lelijk is, wordt het ongeloofwaardig als je hem probeert te pimpen.

    Volgens Frank Westerman komt dat omdat iets soms ‘te waar is om mooi te zijn’. Hij sprak deze woorden tijdens zijn Verweylezing in Leiden, waarin hij uitlegde waarom hij liever non-fictie schrijft dan fictie. Omdat je volgens hem met feitenliteratuur bestaande, moeilijk grijpbare zaken beter bij de kladden kunt pakken, zonder dat ze losraken en afdrijven van het hier en nu. En omdat je met feitenliteratuur tegenwicht kan bieden tegen het alomtegenwoordige fabuleren. Tegen de simplistische ‘waarheden’ die ons dankzij internet tegenwoordig waar je ook maar kijkt in de media boven het hoofd dreigen te groeien.

    Feitenliteratuur? Is dat wat we nodig hebben om de onwerkelijke verkiezing van president-elect Trump te kunnen begrijpen? Of heeft Bernini toch gelijk en schiet de werkelijkheid uiteindelijk te kort voor een goed begrip? En moeten we die werkelijkheid een beetje geweld aan doen om haar te begrijpen, door er hier en daar wat bij te verzinnen? Ik denk dat de tijd nog niet rijp voor een antwoord op deze vragen. De werkelijkheid is nog te waar om kunst te zijn. Want kunst is interpretatie en interpretatie vraagt afstand. Daarin wordt betekenis geboren. Ook, of misschien wel juist, als die ongemakkelijk is.

    Zie hier een afbeelding van de Zonnekoning

     

  • Te mooi voor woorden

    Het was op tv: de twintigste eeuw is nu bijna afgelopen! Het Journaal bracht het terloops, het nieuws zat verstopt in een kunst-itempje.
    Een museumdirecteur, uiterlijk tot in de puntjes verzorgd, stond besmuikt een schilderij te prijzen. Het ging om een kleurrijk historiestuk van Alma Tadema, van wie het Fries Museum momenteel een overzichtstentoonstelling brengt. Victorianen in klassieke gewaden, ooit de succesformule van de schilder, lange tijd verguisd, nu opgediept uit de opslag en toe aan herwaardering. Fryslân boppe! ‘Ja, toen ik studeerde werd hier alleen maar om gelachen’, vertelde de museumdirecteur, ‘maar moet je toch eens zien: wat een techniek!’ Alsof technisch kunnen niet het minimum is wat je van een kunstenaar mag verlangen.

    Hij zei niets over compositie of kleurgebruik, niets over historische betrouwbaarheid en ook niet dat hij het mooi vond. Ha! Het begrip ‘schoonheid’ is sinds lang uit het kunstzinnig discours gebannen. Je mag zeggen dat iets ‘spannend’ is of dat iets ‘schuurt’, er ‘kantelt’ regelmatig iets en dat is ‘confronterend’. Ook mag je spreken over de ideeën die het kunstwerk geacht wordt te verbeelden, maar niet dat je geraakt bent of ontroerd. ‘Schoonheid heeft haar gezicht verbrand’, dichtte Lucebert kort na de Tweede Wereldoorlog. Met die uit z’n verband gerukte opvatting zitten we nog steeds opgescheept, getuige het feit dat in heel Nederland zegge en schrijve één werk van Henk Helmantel zich in een museumcollectie bevindt. Terwijl Lucebert toch na dat verbrande gezicht nog iets anders ook over de schoonheid zei, namelijk:

    (…) de mens verschrikt zij
    en treft hem met het besef
    een broodkruimel te zijn op de rok van het universum

    De esthetische ervaring als epifanie, kom er eens om. Gek eigenlijk, die museumman zag er op en top verzorgd uit: modieus kapsel, gebeeldhouwde baard, fraai pak, überhip brilmontuur. Wat zou hij ‘s ochtends hebben gedacht toen hij voor de spiegel stond? ‘Hmm, interessant’? Of toch gewoon het m-woord?

    De negentiende eeuw eindigde volgens velen met het begin van de Eerste Wereldoorlog. Een ‘breukvlak van twee  eeuwen’ houdt zich niet aan de kalender. Werd Christus niet geboren vóór het begin van onze jaartelling? En nu dan de twintigste eeuw, niet geëindigd in 1989, toen de muur viel, of in 2001, toen de Twin Towers neerstortten, maar any day now. In het jaar onzes heren 2016 staan we, gezien het eerherstel voor Alma Tadema en godbetert een lofzang op de schildertechniek, op de drempel van een nieuwe eeuw.
    Het werd tijd. Nu alleen ‘schoonheid’ nog terug als artistiek begrip en we kunnen de rampzaligste aller eeuwen achter ons laten.

    Ooit schreef Jacques Perk (1859-’81) de volgende variant op het Onze Vader:

    “Schoonheid, o gij, wier naam geheiligd zij,
    Uw wil geschiede; kóme uw heerschappij;
    Naast u aanbidde de aard geen andren god!

    Dat was een beetje veel van het goede. Maar met de dominantie van alles wat maar modern heette (Dada werd honderd jaar geleden geboren en nog steeds zijn er mensen die dat boeiend vinden) ging er iets mis, getuige het kwatrijn ‘Kunst’ van Gerard Reve, uit 1973:

    De schildert Aldert K., te R.,
    werkt overdag, voor het Bestel, abstrakt.
    Des nachts, in het geheim,
    schildert hij figuratief.

    Die tijd is voorbij. In Amsterdam hebben we op de tentoonstelling Opwinding in het Stedelijk Museum, nog eens kunnen zien welke monsters de twintigste eeuw heeft gebaard, dus nu óp naar Leeuwarden, waar de deur naar een heerlijk nieuw tijdperk op een kier is gezet.

     

     

  • Secundair lezen

    Tijdens mijn studietijd voorzag mijn moeder me jarenlang van opinietijdschriften. Zij werkte mijn hele jeugd en studententijd in een drogisterij en elke week nam ze Vrij Nederland, Elsevier en HP/De Tijd voor mij mee. Ik las de artikelen, maar vooral de interviews. Sindsdien houd ik van interviews, of beter nog, van interviewbundels. Interviews op tv, ook boeiend, vooral als het een paar uur duurt, zoals bij Zomergasten of de wetenschappelijk-filosofische projecten van Wim Kayzer. Of dagelijks op Radio 1, een uur lang Kunststof. Of vroeger Een prettig gesprek van Theo van Gogh op AT5. Nog meer houd ik van het uitgeschreven gesprek. In tijdschriften, kranten, of nog beter, in boeken. Gebundelde gesprekken met schrijvers, schilders, filosofen, en soms politici.

    Vermaarde interviewers als Bibeb, Ischa Meijer, Frenk van der Linden. Bibeb was voor mijn tijd, interviewster voor Vrij Nederland, maar in het Amsterdamse antiquariaat kwam ik haar bundels vaak tegen. De vox populi vind ik vervelend. De man of vrouw in de winkelstraat hoef ik niet te horen oreren over een onderwerp dat zo groot is als bij voorbeeld de Europese Unie waar ze helemaal geen verstand van hebben. Daarover wil ik van een politicus in een interview over horen. Ik wil kenners aan het woord over hun vak en hun leven. Nu lees ik bijvoorbeeld in Verf, van Hans den Hartog Jager (Athenaeum-Polak & Van Gennep, vijfde druk, 2011). Gesprekken met Nederlandse schilders en kunstenaars als Ger van Elk en Armando over de praktijk van het creeëren. Den Hartog Jager noemt in zijn voorwoord als grote voorbeeld: Interviews with Francis Bacon door David Sylvester. Ik heb dat boek al eens gelezen, want Bacon is een van mijn eerste grote helden van de schilderkunst.

    Zo volgen lezer en schrijver elkaars spoor van fascinatie in het najagen van biografische verhalen, de originele bronnen wat kunst en cultuur betreft. Vaak heb ik meer over het leven van bepaalde schrijvers en hun schrijfproces gelezen dan van hun ‘echte’ werk. Dat secundaire lezen doe ik graag. Het domein van de echte literatuur betrad ik in mijn tiener- en twintigerjaren via de ingang van het essay en de memoires of de biografie. Van de reeksen Privé-domein (autobiografie, memoires) en Open Domein (biografie) van de Arbeiderspers las ik menig deel voordat ik aan de roman of een verhalenbundel begon. Eerst Het roer kan nog zesmaal om van Maarten ’t Hart en daarna pas De jacobsladder. Lezen over een leven dat veraf van het mijne staat, dat heeft me altijd geïntrigeerd. Zo staan me ook nog interviews bij van rechtse politici als Wim van de Camp (CDA), Frits Bolkestein (VVD) of rechtse denkers als Gerry van der List. Lees dus ook van Rob Hartmans Vaarwel dan! Over rechtse intellectuelen. Al was ik links in gedachten, conservatieve, rechtse mensen fascineren mij enorm. Ik las in mijn studententijd alle boeken van Pim Fortuyn! Van linkse politicus tot rechtse populist. Het houdt mijn bevooroordeelde geest zo onbevangen mogelijk.

     

     

  • Watertaal

    Politiek is niet alleen het maken van beleid. Het is ook het aanpassen van woordgebruik ter verhulling van onvermogen om tot beleid te komen. Onze premier vond zichzelf waarschijnlijk kordaat toen hij ‘Pleur op!’ zei tegen de hier wonende Turken die zich liever beroepen op Turkse dan Nederlandse normen. Het verhulde dat hij eigenlijk niet goed weet hoe het probleem aan te pakken. Vorige week besloten het CBS en de WRR de termen allochtoon en autochtoon niet meer te gebruiken. Ze zijn te stigmatiserend en niet precies genoeg. Ze worden vervangen door ‘inwoners met een migratieachtergrond’ en ‘inwoners met een Nederlandse achtergrond’; een gruwel lijkt me voor tekstschrijvers die deze groepen vaak moeten benoemen. En is een kind van een Turkse vader en een Nederlandse moeder, dat hechte banden met haar Turkse familie wenst te onderhouden, straks een inwoner met een Nederlandse achtergrond? Ik hoor al roepen dat haar liefde voor haar vader wordt miskend. Stigmatiserend! Niet precies genoeg! Maar vooral verhult de nieuwe benaming de onmacht en verlegenheid.

    Onlangs woonde ik een lezing bij van Marlou Schrover, hoogleraar Migratiegeschiedenis aan de Leidse Universiteit. Zij vergeleek de huidige vluchtelingenstroom met golven immigranten uit het verleden. Benamingen die een aardig detail vormden in haar betoog. ‘Watertaal’ noemde ze het. Het is een tendens om over de problematiek te spreken in metaforen die aan water zijn ontleend. Zegswijzen als ‘vluchtelingenstroom’, een ‘vloedgolf’ van illegalen, een ‘tsunami’ van moslims, die ons ‘overspoelt’ en waartegen ‘dijken’ moeten worden opgeworpen, zijn zozeer ingeburgerd dat we niet beseffen dat ze vrij nieuw zijn. Een woord als ‘vluchtelingenstroom’ kennen we sinds de Tweede Wereldoorlog; een ‘vloedgolf van illegalen’ duikt rond 1980 in de media op; en om een ‘tsunami van moslims’ ingang te doen vinden waren eerst een Aziatische zeebeving in 2004 en de beeldspraak van een extreem rechtse politicus zo’n tien jaar later nodig.
    Haar gespreide handen voor zich uit strekkend, beeldde Marlou Schrover iemand uit die probeert het water tegen te houden. Zo maakte ze duidelijk dat watertaal staat voor machteloosheid. De politiek voelt zich overstroomd en kan zich nauwelijks staande houden. Watertaal verhult een gebrek aan oplossingen.

    Allochtoon en autochtoon zijn eveneens bedacht in 1989. Maar verrassender vond ik dat het woord ‘asielzoeker’ pas sinds het midden van de jaren ’80 wordt gebruikt. Ook deze benaming verhult in zekere zin een onmacht. Eeuwenlang noemden we ‘vluchteling’ iemand die probeerde te ontkomen aan levensbedreigende situaties in eigen land. Maar het werden er zoveel, en we wisten zo slecht wat we ermee aan moesten dat we een blokkade opwierpen. Iemand die zijn land had verlaten en hier bescherming zocht, moest eerst maar eens bewijzen dat hij vluchteling was.

    Opvallend is dat we sinds de tachtiger jaren zo overhoop liggen met onze terminologie. Omdat er ineens veel meer vluchtelingen kwamen? Nee. Feitelijk zijn er, in verhouding tot het verleden, helemaal niet zoveel gekomen, zelfs niet in de afgelopen twee jaar. Dat bleek vooral uit het verhaal van Schrover.
    Eenmaal weer thuis, pakte ik het boek Komen en gaan (2008) uit de kast. Ze schreef het met haar Leidse collega Herman Obdeijn. Hoewel het dateert van vóór de ‘stromen’ van de laatste jaren, heeft het aan actualiteit niets ingeboet. Bij gebrek aan kennis van de feiten en van de geschiedenis zien we nu reacties en angstreflexen die al sinds eeuwen opkwamen. Wie meer wil begrijpen van onszelf in anno nu: lees dit boek.