• Klassiek verveelt

    ‘Daar ga je geen punten mee scoren,’ zegt mijn vriend. ‘Bij mij, in elk geval niet.’
    Het punt is dat ik gestopt ben. Na een veelbelovend begin, waarin ik een paar keer gniffel om de schone maar vileine beschrijvingen en met enige regelmaat op het pad der pagina’s halt houd om van het uitzicht te genieten, sluipen de eerste scheurtjes in mijn leeservaring: af en toe een zucht, soms een verveeld doorbladeren – hoe lang duurt dit hoofdstuk nog? Het boek is me al jaren door diverse mensen, mijn vriend voorop, aangeraden. Kennelijk moet ik dit gelezen hebben. Maar als Emma op zeker moment vertelt hoezeer zij lijdt, blijkt het klaar: op pagina 137 sla ik Madame Bovary dicht. Volgens mijn vriend kan ik dit beter voor mezelf houden.

    Het is niet erg om niet mee te voelen met een personage. The Wasp Factory van Iain Banks kent een van de meest angstaanjagende vertellers ooit. Tijdens het lezen voelde ik niets voor deze figuur, toch legde ik het boek niet weg.
    In het romandebuut van Miranda July, waarin de lezer ook weer (!) zo’n vervelende verwende vrouw volgt, stoorde de hoofdpersoon me enorm. Eigenlijk stoorden alle personages, ieder in diverse mate kunstmatig ongemakkelijk en koket kierewiet, me enorm – zoals ik boeken over ontwapenende autisten behoorlijk beu ben. Toch las ik The First Bad Man binnen een dag uit.
    De verloren vrouw in Willa Cathers A Lost Lady is zelfs vergelijkbaar met Flauberts beroemdste creatie. Maar waar ik A Lost Lady dermate geniaal vind dat ik het geregeld opnieuw in de winkel koop en aan iemand cadeau geef, zo weet Flauberts roman me niet te betoveren. Nee, daar scoor ik geen punten mee.

    Mijn grootste bezwaar zit dus in Emma, die bij mij weinig anders dan irritatie oproept. Dat ik kwaad word om een personage is goed, dan ben je als schrijver geslaagd. Kennelijk roept Emma veel bij mij op. Maar moet ik, omdat de hoofdpersoon me op mijn zenuwen werkt, het boek dan ook uitlezen? Misschien sta ik minder open voor het leed van verveelde huisvrouwen, fictief bovendien, wanneer er ook zoiets speelt als Aleppo. Is dat flauw? Natuurlijk is dat flauw, Gustave Flaubert kan er niets aandoen dat de wereld van vandaag in brand staat, Emma Bovary al helemaal niet. Het kan ook iets anders zijn.
    Misschien zijn voor mij, als ik alle rokken van de ui heb afgepeld en tot de diepste kern van mijn leeswezen ben gekomen, het verhaal en de karakters in dat verhaal nog wel het belangrijkste in een boek. Verkies ik, als het er echt op aankomt, personages boven stijl. ‘Het is niet omdat een boek gemakkelijk wegleest, dat het een goed boek is. Het moet ook nog ergens over gààn,’ stelt recensent Mark Cloostermans in een interview met Indruk Magazine. Iemand anders zei dat het leven te kort is voor slechte boeken. Dat Madame Bovary geen slecht boek is, wil ik zeker geloven. Ik zal het alleen nooit zeker weten, want ik las het niet uit.

     

     

  • Hindernissen

    Het is 7 uur in de ochtend, je hebt een afspraak waarvoor je de trein van 09.44 uur moet halen en er moet nog een stukje geschreven worden. Je denkt dat wel te redden in die tijd. Maar er mist iets in je ochtendritueel (jij die van verandering houdt en geregeld de structuur van een huisleven omzet, is van slag als de krant niet in de bus zit). De krant die niet meer wordt geleverd sinds een dag of wat. Omdat de rekening niet was overgemaakt. Wacht, wel overgemaakt maar naar het verkeerde nummer. Daar moet nog over gebeld worden. Maar je zit in bed met een maag waarin het maagsap tekeer gaat omdat het niets te verteren heeft. Je denkt aan koffie. Dan zal je je bed uit moeten. Je kijkt naast je. Op het tafeltje ligt Zilah, van K. Schippers en Four Stories van Alan Bennett. Honestly, je was in die laatste column niet helemaal eerlijk geweest. Want je was niet zonder boek vertrokken uit de Broadway Bookshop. Je had je laten troosten door Alan Bennett. Er zijn altijd alternatieven die gegrepen moeten worden om op nieuwe sporen te geraken.

    Er is een film: The Lady in the Vann met Maggie Smith, gebaseerd op Bennetts autobiografische verhaal over een oude dame die 15 jaar lang in een busje op zijn oprijlaan leefde. Een alternatief voor sociaal wonen. Je denkt nu aan een alternatief voor deze ochtend. Je wilt verstek laten gaan, afspraak afzeggen. Trein gemist (dat weet je nu al), van de onderste traptrede gegleden (gaat gebeuren), pasje kwijt (is normaal), net als dagelijks bril kwijt. Maar nee, zoiets vereist eerlijkheid, geen smoesjes. Dus: to be honest, er wacht een boek op me. Een boek is als een hindernis nemen. Je moet het gewoon doen en is echt beter dan hardlopen of estafette zwemmen. Beter dan de deur uit gaan.

    Dan: De traptreden kraken, stappen op de overloop, de deur gaat open en daar komt een kop koffie met een citaat uit Bennetts roman De ongewone lezer binnen:
    “Als men haar had gevraagd of het lezen haar leven had verrijkt, had ze dat ongetwijfeld moeten beamen, al had ze er met stelligheid aan moeten toevoegen dat het haar leven tegelijkertijd van ieder doel had beroofd. Ooit was ze een zelfverzekerde, vastberaden vrouw geweest die wist waar haar plichten lagen en vastberaden was deze zo lang ze kon te vervullen. Nu werd ze maar al te vaak bekropen door twijfel. Lezen was niet hetzelfde als iets doen, dat was het probleem. Ze noteerde: ‘Je stopt je leven niet in boeken. Je vindt het daar.”
    Je weet niet waar je vandaag terechtkomt, maar dat The Lady in the Van, een van de verhalen is in Four stories, zegt genoeg.

     

     

  • Zonder gekheid

    Mijn moeder hield van Buziau, mijn vader van Chaplin. Ze zouden hun hart hebben opgehaald aan een kleine tentoonstelling over de eerste in Museum Rijswijk, en aan de musical Chaplin. En wellicht ook met bewondering hebben gesproken over de Syrische clown Anas al-Basha uit Aleppo, hoofd van ‘Space for hope’, die onlangs bij een bomaanslag werd gedood.

    In het fraaie boekje dat ter gelegenheid van de tentoonstelling verscheen, staat als laatste zin: ‘Zij zijn alleen maar zichzelf. Tijdloos.’ Een zin die blijft haken. Gaven de komieken ook niet allebei een tijdsbeeld van de periode voor de Tweede Wereldoorlog? Het verschil zit hem er misschien in dat Buziau ‘opwellende tranen en hartverscheurende wanhoop, schrijnende pijn en diepe schaamte’ opriep om de Franse schrijver Michel Quint aan te halen, die overigens een schitterende novelle over een clown schreef: De tuinen van de herinnering. En dat Chaplin, nog steeds volgens Quint, ‘vooral van liefde stierf.’

    Op de één of andere manier bestond er eenzelfde gevoel van verstandhouding tussen mijn moeder en Buziau als tussen de ik-figuur en een clown in het verhaal van Quint. Een verstandhouding over zowel het uiterlijk als het innerlijk van Buziau. Hij had de borstelige wenkbrauwen die mijn vader van nature ook had. Wee je gebeente als de kapper ook maar opperde of hij deze maar eens wat zou uitdunnen. Buziau had net als mijn moeder, en de vader van de ik-figuur bij Quint, een enorme klap van de oorlog opgelopen. Na de oorlog trad Buziau niet meer op. Het ging gewoon niet meer.

    Volgens Mischa Andriessen in een al even fraai (en gratis) boekje bij de tentoonstelling How the world occurs van Craigie Horsfield in het Centraal Museum Utrecht (nog t/m 5 februari 2017), lijken circus en variété, die nogal eens in zijn werk opduiken, ‘relikiwieën uit het verleden, door de tijd ingehaald.’ Dus ze zouden niets tijdloos hebben, zoals het boekje in Rijswijk meende. Terecht, schrijft Andriessen, heeft Horsfield zich echter steeds weer verzet tegen dat idee. Aan de ene kant zijn circus en variété volgens Horsfield ‘moderne rituelen’ en aan de andere kant ‘een waarschuwing voor achteloosheid.’

    Dat laatste rijmt dan weer op het slot van De tuinen van de herinnering van Michel Quint: ‘Morgen heb ik grote, zwartomrande ogen en witgepleisterde wangen. Ik zal proberen, papa, al diegenen te zijn van wie de lach bij zonsopgang in de beukenbossen, in het kreupelhout is opgehouden te bestaan, en die jij weer tot leven hebt pogen te wekken. Ik zal ook proberen jou te zijn, jij die nooit de herinnering verloren hebt laten gaan. Zo goed ik kan. Ik zal naar beste weten de clown uithangen. En misschien lukt het me daardoor de mens uit te hangen, uit naam van iedereen. Zonder gekheid…!’

    Misschien heeft Chaplin voortgezet waar Buziau na de oorlog niet meer toe in staat was. Niet door de tijd ingehaald, maar als doorgaande waarschuwing voor achteloosheid. En ook nog eens tijdloos. Tot op de dag van vandaag. Zeker tot op de dag van vandaag.

     

     

  • Gerrit Komrij

    Gerrit Komrij was een graag geziene gast in de winkel in de Hartenstraat. Al vrij snel na de opening van JOOT in de 9 straatjes kwam Komrij binnenlopen. Als hij in Nederland verbleef, overnachtte hij in het Pulitzer Hotel aan de Prinsengracht, zo ongeveer om de hoek.

    Sommige bekende, beroemde en gelauwerde schrijvers brachten in hun aanwezigheid nogal eens gebakken lucht en opgepompte praatjes mee naar binnen. Ondanks onze bewondering die we voor hun schrijven hadden (en hebben) en de licht idolate vreugde vanwege hun binnenkomst, ontstond toch wel eens een zeker gevoel van afkeer. Het feit dat je een grote jongen of  mooi meisje in het land der letteren bent, hoeft nog niet uit te monden in een arrogante, neerbuigende houding richting de letterknechtjes zoals wij, de boekenverkopers. Helaas was dat wel eens het geval. En nog verdrietiger vond ik het als je als lezer en boekkoper eenzelfde dedain ten deel viel als je een boekhandel binnenstapte. Vooral bij Athenaeum op ’t Spui kreeg ik dat gevoel geregeld. Er zal wel iets met mij zijn, dacht ik vaak, na een bezoekje aan deze Apollinische tempel, zo leek het dan. Vooral vooraan bij de kassa, met de Nederlandse literatuur en de nieuwe aanwinsten, voelde het aan als vijandig gebied. Snel fietste ik er dan, vaker zonder een boek, weer vandaan.

    Deze omweg moest ik maken om weer bij Gerrit Komrij uit te komen. Want bij Komrij was helemaal niets van dit alles te bespeuren. Als hij de winkel binnenstapte deed hij dat of heel stilletjes – snel door naar de antiquarische bandjes  – of heel guitig lachend met een hartelijke begroeting. Dan vertelde hij even snel waarom hij nu weer in dit landje moest zijn – een nieuwe roman, of een tv-uitzending – en dan, hup, door naar de boeken. De ene keer kon hij maar kort een blik werpen, een ander moment bleef hij wel uren zitten, of bij de dichtbundels of bij de antiquarische uitgaves. Het ging hem vaak om de verrassing, het plotselinge opduiken van een titel of een boek dat zijn aandacht trok en zijn interesse kreeg. Iets wat hij nog niet kende. En die verwondering, daar was hij heel genereus in, zo blijkt ook wel uit de enorme boekenverzameling die hij in zijn huis in Portugal had staan. Geregeld kregen we ook een email met een bestelling van Komrij uit Vila Pouca da Beira, zijn Portugese standplaats met de kreet: Graag opsturen weer! En dat van de eerste Dichter des Vaderlands. En de schrijver die met Verwoest Arcadië (1980) een van de mooiste delen uit de reeks Privé-domein schreef. Op weg naar de deur was het vaak, tas met boeken in de hand, met die uniek-lijzige stem: ‘Dag jongens, tot ziens weer’. En jongens waren we weer even.

     

     

  • Wreedheid en schoonheid

    Drie jaar geleden was ik in Napels op vakantie om te genieten en me op te laden aan de genoegens van het leven. En om een beeldhouwwerk te zien dat ik alleen uit de boeken kende: de Farnese Stier. Een verblindend loodwitte berg van marmer uit de klassieke oudheid. Gehakt uit een enorm blok van ruim negen kubieke meter, dat toen de beeldhouwer eraan begon zo’n slordige 80 ton moet hebben gewogen. Wat in de oudheid – zonder heftrucks en kranen – een verzoeking moet zijn geweest. Maar verzoeking of niet, het resultaat is verbluffend. Een pastoraal tafereel, met een imposant steigerende stier die in bedwang wordt gehouden door de tweeling Amphion en Zethus, terwijl hun moeder Antiope de verrichtingen van haar zonen rustig gadeslaat. Maar hoe langer je kijkt hoe meer de wreedheid van het beeld zich openbaart. Onder de opgeheven voorpoten van de stier ligt Dirce, de tante van Antiope, die haar ooit gruwelijk behandelde en daarvoor nu de rekening krijgt gepresenteerd: haar achterneven binden haar aan haar haren vast aan de horens van de stier en bezegelen zo Dirce’s lot. Maar hoe wreed dit lot ook is, de verbeelding ervan is een streling voor het oog.

    Dat de grens tussen wreedheid en schoonheid vaak flinterdun is bewijst ook Elena Ferrante’s Napolitaanse romancyclus. Het eerste deel daarvan (De geniale vriendin) las ik toen ik in 2013 in Napels was. Inmiddels heb ik me opnieuw op het Napels van de hoofdpersonen Lina en Lenù (of Elena) gestort en ben vrijwel door de gehele romancyclus heen. Wat net zo’n plezierige onderdompeling is als het bekijken van de Farnese Stier uit de klassieke oudheid. Met net zo’n voortdurend heen en weer springen tussen bewondering en afgrijzen. Want in de volkswijk waar Lila en Lenù opgroeien, wisselt grauwheid voortdurend met de schittering van hoop. De hoop bijvoorbeeld van Lenù, dat ze als Elena Greco een leven buiten de wijk van haar geboorte kan opbouwen; een leven zonder dialect en criminaliteit. Een hoop die echter steeds weer ijdel lijkt.

    Alhoewel grenzen voortdurend vervagen verdwijnen ze nooit. Geld lijkt geld, maar het verschil tussen goed en slecht geld, tussen dat van de maffiose familie Solara en Elena’s sjieke schoonfamilie Airota, is onoverbrugbaar. En het lot van beide families lijkt net zo bezegeld als dat van Dirce in de Farnese Stier. Waardoor Elena Greco’s pogingen om zich te ontworstelen aan haar wortels waarschijnlijk net zo vruchteloos blijven als Dirce poging om aan de stier te ontkomen. Althans daar lijkt het op nu ik aan het afsluitende deel van de romancyclus ga beginnen. Maar dat geeft niet, want hoe gruwelijk het verhaal ook is, echte schoonheid drijft altijd boven. Of, zoals Elena het zegt: ‘De warrige wolken kwamen buitelend in diepgrijze massa’s op ons af. Maar verderop, tussen zee en wolken, trof een lange streep licht de paarse schim van de Vesuvius, een wond waaruit verblindend loodwit droop.’ Een verblindend loodwit waar ik me graag nog even aan overlever.

    Farnese Stier.

     

     

  • William Trevor

    Zo hoogmoed voor de val komt, komt geloof voor de teleurstelling. Ik was in Londen en verheugde me op Broadway Bookshop in Hackney. Ik ben trouw als het gaat om boekwinkels. Ik haalde er eerder al werk van George Orwell, John Berger, Patti Smith, Laurie Lee en de biografie, Virginia Woolf van Alexandra Harris.  Meestal laat ik me verleiden door een schrijversnaam, een titel. Deze week kwam ik voor de verhalenbundel A Bit on the Site van William Trevor. In 2014 uitgegeven door uitgeverij Meulenhoff als Heilige beelden. William Trevor stierf op 20 november op 88 jarige leeftijd. Heilige beelden had ik vorig jaar gelezen en ik was gecharmeerd van de schrijver. Dat vroeg om een origineel werk.

    Ik verbeeldde me dat de boekverkoper me begroette als de vrouw die in de tijd van anderen leefde. Met zijn rossige baard knikte hij me vanachter zijn boekentafel toe. Een hoofdknik en een ‘Good Afternoon Dear’. Ik mompelde: ‘Goodafternoon’, en verdiepte me snel en met de rug naar hem toe in de plank links bij de ingang van ‘New Arrivals’. Daar stond de nieuwste van Rachel Cusk Transit en My Name Is Lucie Barton van Elisabeth Strout. Zou het niet fantastisch zijn die ook in het origineel te lezen? Maar ik sprak mezelf toe dat als ik nog iets wilde zijn, ik een vrouw met een voornemen moest zijn. Ik nam de zeven – met Perzisch tapijt – beklede treden naar de lager gelegen boekafdeling.

    Ik wist waar de poëzie een plek had, waar de reisboeken (aanzienlijke hoeveelheid) stonden opgesteld en dat culinair getinte uitgaven er niet te vinden waren. Ik wist de ‘novels’ te vinden, de biografieën maar in welke hoek, in welke kast stonden de korte verhalen? Ik besloot de boekverkoper met de rossige baard te vragen naar werk van William Trevor. Vertelde erbij dat de schrijver vorige maand was overleden. Zo wist hij dat ik niet helemaal in andermans tijd leefde. Dat ik op de hoogte was van wat hij zeker wel zou weten. Hij keek me aan zoals je naar iemand kijkt die een andere taal spreekt, andermans taal. Nu ja, hij wist niet wie William Trevor was. Ik zei dat hij zo’n beetje de beste ‘Short Story Teller’ van Ierland en Engeland was en dat hij 20 november is overleden. Hij zocht snel op internet en zei dat hij not realized had dat de Writer Deceased.

    Hij bewoog onrustig op zijn kruk heen en weer. Excuseerde zichzelf verschillende keren, en ik die in deze Bookshop geloofde, was zwaar teleurgesteld dat mijn rossige boekverkoper een kans voorbij had laten gaan. De kans om Trevor in zijn schappen bij te zetten. De schrijver die vijfmaal genomineerd werd voor de Booker Prize. De schrijver die ooit zei: ‘Mijn werk belicht aspecten van het menselijk bestaan,’ en wat voor aspecten. Ach, wat was ik teleurgesteld. Hij wilde wel een titel van hem bestellen, maar dat wilde ik niet. Want dan was ik al weer terug, in mijn eigen tijd.

     

     

  • Dubbeltalenten

    Waarom weet ik niet precies, maar dubbeltalenten hebben vaak mijn interesse. Vorige week schreef ik over Dirkje (William D.) Kuik, grafisch kunstenares en schrijver. Toen ik begin van dit millennium met mijn compagnon JOOT begon, hadden we in ons bedrijfsplan opgenomen dat we extra aandacht aan dubbeltalenten wilden geven. Hoe wisten we nog niet, maar we vonden het blijkbaar een fascinerend fenomeen. En dat is natuurlijk ook zo. In het algemeen word je al een beetje raar aangekeken als je bij voorbeeld schrijver of filmmaker bent, want: ‘En wat voor werk doe je dan echt?’ Blijkbaar is ‘echt werken’ in veel gevallen niet schrijven of films maken. Lijkt me dus niet makkelijk om te antwoorden op de vraag: ‘Wat brengt bij jou nou brood op de plank?’ met: ‘Ik ben dichter en daarnaast ben ik ook fotograaf.’ Dan ben je natuurlijk een beetje gek. En misschien is dat ook wel zo. Al zullen de dubbeltalenten waarschijnlijk gewoon niet anders kunnen. Woekeren met je talenten, dat moet heerlijk zijn. Het heeft me altijd heerlijk geleken om bij voorbeeld je eigen verhalen beeldend te kunnen begeleiden. Of, als gitarist ook nog eens te kunnen zingen en je eigen poëzie – songteksten – te kunnen schrijven. Prachtig vond ik het dus dat Bob Dylan de Nobelprijs voor literatuur kreeg dit jaar.

    Een ander dubbeltalent waar ik altijd enorm door word geraakt is Armando (1929). Schilder, beeldhouwer, tekenaar, dichter, verhalenschrijver, documentairemaker, violist. Ik ben vast nog een  van zijn talenten vergeten. De Nederlander met zijn onhollandse voorkomen, unieke verteltrant en mediterrane pseudoniem spreekt in elk geval zeer tot mijn verbeelding. Armando’s echte naam is Herman Dirk van Dodeweerd, dan begrijp je de keuze voor een sluipnaam. Dat hij eind jaren zeventig meen ik Nederland verruilde voor Berlijn, dat begrijp ik wel. Nederland is letterlijk klein, maar vaak ook, daardoor misschien, in de geest klein, kleingeestig dus. De verbeelding krijgt hier maar weinig ruimte. Zo ontvluchten de schrijvers en kunstenaars als Campert, Vinkenoog, Van der Elsken en Karel Appel na de Tweede Wereldoorlog Nederland ook al, vooral naar Parijs.  De kunstzinnige émigré is een terugkerend thema in de geschiedenis. Intussen woont Armando al weer jaren in een appartement in Amstelveen, stug doorwerkend aan zijn schilderijen. Het musiceren is een tijd geleden al opgehouden, maar de korte verhalen is hij blijven schrijven. Als ik af en toe eens een doek beklad met verf en ik zie enkele vegen of vlakken die me vaag doen denken aan het werk van Armando, dan ben ik een blij mens.

     

     

  • Voorbijgangers

    Vanaf de eerste keer dat ik in de hoofdstad kwam – er echt voor mezelf kwam, als jonge vrouw die hier dingen te doen had in plaats van als kind mee met een uitje – wist ik: dit is waar ik moet zijn. Een vriend, globetrottend wereldburger, immer nieuwsgierig en nog ongeaard, niet-honkvast, vond het ietwat beperkt. ‘Er zijn wel meer plekken waar ik zou kunnen wonen,’ zei hij, en noemde er een paar. Uit een andere mond had dat minachtend geklonken, bij hem niet, hij is er te aardig voor.
    Ergens kunnen wonen, het willen, ik zag het mezelf op weinig plekken doen, en zei wat ik altijd zeg wanneer het over de aard van het al dan niet rondtrekkende beestje gaat: ‘Ik ben geen reiziger.’
    Amsterdam dus. Nadat ik me de stad routegewijs eigen maakte, niet meer via Centraal Station van Rembrandtplein naar de Reestraat fietste omdat die ingebouwde TomTom bij mij nooit met succes wilde opstarten (en dit nog net het pre-Googlemaps op je smartphonetijdperk was), begon ik dingen te herkennen. Eerst op tv. De Dam natuurlijk, het Vondelpark, the usual suspects, ik begon ineens overal het Amstelveld te zien. Later in de literatuur.
    In een van zijn prachtige teksten in de verzamelbundel ‘Het volmaakte kleine stukje’ noemde Kees Fens de Witte de Withstraat. Ik, amper twintig en misschien net iets minder blue dan eerst, realiseerde me twee dingen: 1) Dat ik wist waar dat was, er zonder problemen naar toe zou kunnen fietsen, hooguit een straatje te vroeg zou afslaan. 2) Dat mijn man zo’n beetje naast de Kees Fensbrug woonde. Fens was nog nieuw voor me, zoals de stad dat eerst ook was, zoals de liefde waaraan ik moest wennen, nog nieuw was.
    Alles viel op zijn plaats.

    Vanmorgen, in bed nog, las ik Het jasje van Luis Martin uit. Sindsdien ben ik volkomen bedroefd tevreden. In een recensie over de nieuwe roman van Gilles van der Loo kwam de kritiek dat de lezer de echte Gijs, om wie het net zo goed gaat als om de charmante Spanjaard, nooit echt leert kennen. De verteller, Issa, doet dat ook niet, dat is nu juist het punt, de schoonheid ook, dat je elkaar kruist maar nooit kent, nooit tot op het bot – dat je, zoals Thomas Verbogt schrijft, voorbijgangers blijft. Voor dat soort inzichten lees ik, ben ik schrijvers als Verbogt en Van der Loo dankbaar.
    Leert “Fred” Holly Golighthy echt kennen, of Nick Carraway Jay Gatsby? Misschien is er een verschil tussen kennen en alles van iemand weten. Naar mijn idee kende Issa Gijs wel degelijk, zoals iemand Amsterdam kent zonder alles van de stad te hoeven weten. De hoofdstad wordt in deze roman met net zoveel aandacht beschreven als al die personages waarvan ik in minder dan 250 pagina’s ben gaan houden. De wegen die Gijs en Issa fietsen, de wandelingen die Issa maakt, de horeca, ik ken het allemaal. Lezend viel ik opnieuw verliefd voor de stad. En de literatuur. Wat een dankbare combinatie.

     

     

  • Het station

    Van de werkelijkheid is bekend dat je die het best op afstand houdt. Dat kun je doen door literatuur te lezen, dan vormen zich beelden over welk probleem dan ook (liefde, relaties, de dood) en lijkt alles overzichtelijker, niet zo prangend. Mijn vader was een groot lezer van Russische en Amerikaanse literatuur. Derhalve was hij altijd afwezig.
    Het was in het jaar, ergens tussen de schokkende dood van Theo van Gogh en de vloedgolf die op tweede kerstdag Sumatra trof, dat ik  aankwam op het station uit mijn jeugd en daar mijn vader zag zitten. Om redenen die niet meer te achterhalen zijn, zagen mijn vader en ik elkaar niet meer. Nu was hij daar, op het perron, terwijl ik onderweg was naar elders. Een kleine man met warrig krullend haar, zijn handen (waarvan in één, een sigaret) steunend op zijn bovenbenen, keek hij naar de treinen. Naar de ijzeren wielen van de treinstellen, naar de verbindingen van de wielen onderling. Hij keek naar de deuren van de trein, die zich automatisch openden en sloten, hij keek naar de conducteur, naar het uniform. Hij keek naar de treinschema’s op het perron, hij keek naar het ontkoppelen van een treinstel. Hij keek naar dingen die hem niet te na konden komen.

    Vorige week las ik eindelijk Het station, van Joris van Casteren dat ik al een jaar in huis heb. Toen ik er eenmaal in was begonnen, kon ik niet meer stoppen. Het is een prachtig portrettenboek. Van loketmedewerker tot toiletjuffrouw, van zwerver tot verkeersleider, van omroeper tot kluisjesmederwerker en meer. Hij spreekt mensen aan, trekt een tijdje met ze op en schrijft daarover. Regelt een slaapzak voor een zwerver die hij dan niet meer terug vindt (die zwerver) en schrijft daarover. Leert de toiletjuffrouw kennen, die het werk van haar moeder overnam, en die weer van haar moeder en schrijft daarover. Hij beschrijft een station vol mensen die nooit de trein nemen. Het ijzeren geluid van de rijdende treinen over het spoor, de fluitsignalen en de omgeroepen berichten, reizigers die voorbij snellen, het is voor hen genoeg. Zoals voor mijn vader het leven genoeg was door naar het station te fietsen om daar een dag afwezig te zijn.

    Een voorzichtig man op een verlaten stationsbank. Met een zweem van onrust omdat hij straks, als hij thuiskomt iets uit te leggen heeft. Waar hij geweest is, of hij gerookt heeft. Ja, zo ging dat in het leven van mijn vader. Van Casteren zou er een verhaal uit hebben gekregen, uit de man die nooit begrepen heeft wat het leven van hem verwachtte. Het was beter hem te laten. Het fluisterde in mijn hoofd: ‘Laat hem. Laat hem nu maar.’ En ik liet hem. Dat beeld van die man op een bank op het perron, zat verborgen in mijn herinneringen en kwam boven toen ik Het station, las.

     

     

  • De steen in het water

    Een paar weken geleden hoorde ik bij de Volksuniversiteit Amsterdam een mooie lezing van architectuurhistorica Suzanne Roelofs over de in maart van dit jaar overleden Brits-Iraanse architecte Zaha Hadid.
    In vogelvlucht behandelde Roelofs Hadids visionaire ontwerpen, met de nadruk op haar iconische werken en minder op de gebouwen waarin ze zichzelf volgens Roelofs een beetje begon te herhalen.
    In Nederland kennen we Hadids werk van haar, samen met Rem Koolhaas gerealiseerde uitbreiding van de Tweede Kamer in Den Haag en het paviljoen dat tijdens het Holland Festival 2010 was geplaatst in de Gashouder in Amsterdam. Een hedendaagse vorm van een salon waarin Jean-Guihen Queyras toen cellosuites van Bach speelde. Een paviljoen dat de tand des tijds niet heeft doorstaan, want inmiddels kan het niet meer worden opgebouwd.

    Eén van die grootste gebouwen van Hadid is het Guangzhou Opera House  in China. De haast onmogelijke opdracht was om hier een operahuis neer te zetten waarin zowel Chinese als Westerse opera’s tot hun recht zouden kunnen komen. Het gebouw ligt aan de Pearl River en je zou de twee stenen die Hadid tot uitgangspunt voor de vormgeving nam, denk ik kunnen zien als symbolen voor het Oosten en het Westen. Het is een beetje zoals Edzard Mik in zijn In memoriam schreef (De Groene Amsterdammer, 14-04-’16): ‘Geologische verschijnselen (…) probeerde ze aan de aarde los te weken en aan de lucht prijs te geven, als een fata morgana van oneindige mogelijkheden. Dat aardse en dat stromende, zwevende, schiepen een spanning die zich niet liet oplossen.’

    Net als Roelofs in haar lezing eindigde ook Mik in zijn artikel met een lofzang op Hadids werk: ‘Wat een moed om zich door een visioen te laten leiden en het aan te durven dat visioen tot architectuur te maken. Daarbij past geen gezeur over uitbarstingen [woede uitbarstingen, EvS] of mislukkingen [niet gerealiseerde projecten, EvS]. Daar past alleen ontzag, diep ontzag.’

    Ik heb geloof ik nog nooit een lezing meegemaakt waarin dat ontzag voelbaar werd en soms ook hardop werd geuit met ‘Ohs’ en ‘Ahs.’ Ikzelf kon gaandeweg de beelden alleen maar denken aan de betekenis die Bram Vermeulen in zijn lied over De steen aan een steen hechtte:

    Ik heb een steen verlegd in een rivier op aarde
    Nu weet ik dat ik nooit zal zijn vergeten
    Ik leverde ’t bewijs van mijn bestaan
    Omdat, door het verleggen van die steen
    de stroom nooit meer dezelfde weg zal gaan.

    Die steen is Hadid zelf. Na haar zal de architectuur nooit meer dezelfde weg kunnen gaan. Met twee stenen tegen elkaar aan slaand is, zoals in het Guangzhou Opera House  en in de poppenvoorstelling Brave Hendrik van Jouke Lamers, het vuur van de sterren ontstoken. Dat die sterren, diva of niet, nog maar lang licht mogen geven! En dat wij, bezoekers van opera’s en concerten, maar vaak in het licht daarvan mogen vertoeven en genieten van zoiets onvergankelijks als de cellosuites van Bach!

     

    Kijk hier voor paviljoenbezichtiging met lezing.
    En hier de Guangzhou Opera House

     

     

  • Dirkje Kuik

    Een paar jaar geleden kocht ik een prachtig etsje van Dirkje (voorheen William D.) Kuik (1929-2008), voorstellende, naar ik meen, een stadsgezicht van Venetië.  Maar helemaal zeker weten doe ik niet, want het rechthoekige grafiekwerkje bevindt zich ergens in een lade, maar welke lade? Wel deed het werk me denken aan de etsen van de 18de-eeuwse Italiaanse kunstenaar Giovanni Battista Piranesi, bekend van zijn etsen van Rome en de ondergrondse gewelven. Ook het papier waarop de ets is gedrukt had al een verkleuring en wat roestplekjes waardoor beeld en papier elkaar versterken. Ik herinner me een gondel met mensen erin en eromheen de majestueus hoog oprijzende barokke gebouwen langs het water.

    Al jaren wist ik dat hij, die een zij werd in 1979, naast beeldend kunstenaar, ook schreef. Telkens als haar bundels – door De Arbeiderspers uitgegeven – door mijn handen gingen, dacht ik: ‘Ja, jou moet ik eens een keer gaan lezen.’ Tot gisteren kwam het er niet van. Maar na twintig jaar is het er toch van gekomen. Ik las in, hoe toevallig zeg, de verhalenbundel Piranesi en zijn dochter (1994) het verhaal van een Utrechts meisje dat heel graag tekent en al varend over de Kromme Rijn tekeningen en schetsen maakt en droomt over een toekomst waarin ze zich tekenares weet. In het tweede deel van het verhaal is de ik-figuur oud en een bekende kunstenares en dan kijkt ze via een ontmoeting en een gesprek met een curieuze man terug op een specifieke, wonderlijke gebeurtenis in haar jeugd. Net als op de ets heeft een boot en het water in dit verhaal van Kuik een centrale rol. Ik moest even wennen aan Kuiks wat naïeve schrijfstijl, maar dat werkt juist voor de inleving in het meisje voor de lezer zeer goed. Waarom dit verhaal zo in me kroop komt, denk ik, door het verlangen iets te zijn en te worden wat je nog niet bent of misschien wel nooit gaat zijn. Maar toch. De jeugdige dromen die je mogelijk later gaat leven, is even zo prachtig verwoord in, ik schreef het al eens, in Vestdijks Anton Wachter-romans.

    Snel maar eens zoeken naar dat etsje van Dirkje Kuik. En maar weer eens een volgend verhaal van haar lezen. Op www.dirkjekuik.com kun je zien wat voor kunst ze maakte en mogelijk is er ook nog wat te koop.

     

     

     

  • Vruchtbare Kunstwerken

    Soms baart een kunstwerk nageslacht. En dan bedoel ik geen kopie, of kleine replica’s. Nee, ik bedoel dat een kunstwerk echt een ‘kindje’ krijgt, dat een zelfstandig leven leidt. Auguste Rodin is hier een meester in. Voor hem was elk kunstwerk nimmer het eindstation, maar louter beginpunt voor een volgende generatie kunstwerken. Als geen ander zette hij onderdelen van zijn kunstwerken op een zelfstandig podium, of combineerde ze met elkaar tot nieuwe werken. Met als mooiste voorbeeld het nageslacht van zijn Hellepoort. Deze poort, waarover ik al eerder schreef in de column Verhalende beelden, is waarschijnlijk één van de meest vruchtbare kunstwerken ooit. Er kwamen bijna honderd kinderen uit voort, waaronder de Denker, Danaide, Kariatide met steen, De Kus, Ugolini en zijn kinderen, Drie Schaduwen, Fugit Amor, Paolo en Francesca, Meditatie, De Oude courtisane, Eeuwige lente, Vallende man, Adam en Eva. Niet slecht voor een sculptuur die zelf de volmaaktheid niet bereikte. Rodin zou de Hellepoort immers nooit zelf tot bronzen volwassenheid brengen; dat gebeurde pas met behulp van zijn assistenten na zijn dood.

    Ook literaire kunstwerken baren soms nageslacht. Zelfstandige literaire pareltjes, die ook als ze de moederschoot niet verlaten, eigenlijk wel een eigen leven verdienen, zoals De Parabel van de Gouden Muur uit De Ontdekking van de Hemel (Harry Mulisch, 1992). Dit ‘ongeboren’ kindje beschrijft hoe de wereld in feite uit twee werelden bestaat, die worden gescheiden door een gouden muur. De eerste wereld is die van de gewone man uit de straat, van Henk en Ingrid en al die anderen die geregeerd worden en hun tijd doorbrengen in de “luidruchtige chaos van het dagelijkse leven”. Waarin zij berusten omdat ze ervan uitgaan dat het achter de gouden muur allemaal anders is en daar de orde en tucht van koningen en ambtenaren heerst. Totdat ze er in slagen een blik te werpen in dat vermeende paradijs van paleizen en ministeries en de ontdekking doen die Mulisch zo aanstekelijk beschrijft dat ik hem al jaren gebruik als intro op lezingen over mijn werk als beleidsmaker: “Wie mocht ontdekken – wat vrijwel onmogelijk is – hoe beleid wordt gemaakt, die zal zijn verdere leven moeten slijten met een fundamenteel gevoel van onveiligheid.”

    Waar de Parabel van de Gouden Muur nog niet echt op eigen benen staat heeft De verdrinking (Roger Martin du Gard, 2008) zich wel weten te ontworstelen aan het ouderlijk huis. Dit dertiende hoofdstuk van de onafgemaakte roman Luitenant-kolonel de Maumort werd als zelfstandige novelle uitgebracht. Met daarin dezelfde angstaanjagende scène die ook voorkomt in Luitenant-Kolonel de Maumort, waarin de zeventienjarige bakkersknecht Yves de rivier overzwemt, naar sergeant De Balcourt toe. Een overtocht die zoals de titel van de novelle reeds verraadt niet goed afloopt. “Hij was ver, ik kon hem niet goed zien. Een kleine blonde vlek, half weggezonken in het water… Hij verdween, kwam weer boven, verdween opnieuw, om nog één keer boven te komen.” Maar voordat Yves wegzinkt in het troebele water is hij door Martin du Gard aan de vergetelheid ontrukt. Zoals Rodin de Lente tweemaal eeuwigheid verleent, schenkt Martin du Gard de bakkersknecht Yves tweemaal het leven. Omdat een kunstwerk soms nageslacht baart.

     

    Verhalende beelden