• De voyeur

    Ik keek naar vier badende vrouwen en voelde me een voyeur. Eentje wreef onder water over haar knieën, terwijl een ander zichzelf afsponsde. Ik genoot. Twee andere vrouwen leken in gesprek, en op de achtergrond keuvelden aan de rand van het zwembad nog eens vier andere vrouwen. Een laatste vrouw bracht op een dienblad de handdoeken. Ik schrok wakker uit mijn overpeinzingen en deed een stap achteruit. Mijn ogen gleden nog even over het kleine, geschilderde paneeltje voor me. Ik was overdonderd. Wat kon die sir Lawrence Alma-Tadema schilderen. Deze voyeuristische ervaring overkwam me enkele weken terug in Leeuwarden, bij de prachtige overzichtstentoonstelling van sir Lawrence Alma-Tadema. Meer dan honderd werken zag ik er, waaronder zijn verbeelding van een klassiek Romeinse badhuis. Alles leek uit het leven gegrepen te zijn, ook al was het allemaal verzonnen. Ontsproten aan Alma-Tadema’s brein, maar met behulp van zijn fijnschilderkunstige penseelvoering zo goed uitgebeeld dat het lijkt alsof je naar de realiteit kijkt.

    Toen ik een paar dagen geleden genoot van een dagje welness moest ik hier weer aan denken. Mijn setting was weliswaar minder extravagant dan Alma-Tadema’s “Een bad”, met minder marmer en tattoos in plaats van fresco’s. Maar verder waren er verbazingwekkend veel overeenkomsten. Het deed me deugd maar ook een beetje pijn, omdat het me op een ongemakkelijk waarheid wees: alles wat ik doe is al eens gedaan. Niets is nieuw. We herbeleven in ons leven datgene dat anderen voor ons al ontelbare keren gedaan hebben. Met een lichte frustratie sloeg ik het boek dat ik aan het lezen was weer open. ‘My theme is memory’, las ik, ’that winged host that soared about me one grey morning of war-time’. Ook in dit boek stond blijkbaar dat wat reeds eerder gebeurd was centraal. Maar het bleek voor Charles Ryder, de hoofdpersoon en verteller van Brideshead Revisited van Evelyn Waugh, geen frustratie op te leveren, maar juist houvast. ‘For we possess nothing certainly except the past’.

    Hoe verder ik las des te meer ik me bewust werd van de parallel tussen Alma-Tadema en Charles Ryder. Beiden leefden in Engelse adellijke kringen een leven van voorbije grandeur, waarin hun huizen Huizen waren en hun vakanties een Grand Tour. En beiden waren succesvol schilder. Met natuurlijk dat verschil dat de één een persoon van vlees en bloed was, die werkelijk bestond en meer dan honderd schilderijen schilderde die ik kon bewonderen, en de ander een verzonnen romanfiguur, waarover ik weliswaar kon lezen, maar die nooit zo tastbaar kon worden als Alma-Tadema’s schilderijen. Alhoewel. Ik dompelde me weer onder in de wereld van Charles Ryder en gaf me over aan zijn liefde voor Lady Julia Flyte. Ze kwamen onder de geweldige fijnschrijverige penvoering van Evelyn Waugh tot leven. Als twee geliefden in een schilderij van sir Lawrence Alma-Tadema. Opnieuw voelde ik me een voyeur.

     

  • Running mate

    Zing bid huil lach en bewonder. Mijn lief zit spinnend achter een spinnewiel en luistert naar de sprookjes van Godfried Bomans en ik vond een nieuwe liefde. Zo kunnen de dingen die onmogelijk lijken zomaar samenvallen. Ik moet het er eigenlijk maar gelijk in knallen: ik ben verliefd op Elizabeth Warren! Trump vindt haar een’ verschrikkelijk mens’ wat aangeeft hoe geweldig ze is. Gewoon om het feit dat iedereen van wie Trump zegt dat ze verschrikkelijk zijn, Fake nieuws verspreiden, hun werk doen binnen de maatstaven die daarover afgesproken zijn. Wie zich daar niet aan houdt, maakt er een zooi van en schuift  de dingen naar het randje van de afgrond.

    Maar daar was Elizabeth Warren, de liberaal Democratische senator van Michigan en een klasse apart als debater. Warren die de tot Secretaris voor Onderwijs voorgedragen miljardair Betsy DeVos ( zus van Erik Prince, geheim adviseur voor het Trump-team op intellegentie zaken, wat daar de inhoud ook van moge zijn)  doorzaagde over haar kennis in- en ervaring met de baan die haar te wachten staat.

    Zo doortastend en goed opgebouwd. Alsof je naar een toneelstuk kijkt, Warren in de rol (met verve gespeeld) die van de hoed en de rand weet. Met een goed doorwrochte tekst waarin elk woord zijn doel nooit mist. Al moet ze haar vraag soms herhalen omdat de antwoorden te fluffy en ontwijkend zijn. Betsy DeVos als tegenspeler, die zonder tekst het toneel is op geschoven en het op een haperend improviseren zet. Alsof Warren een kind bevraagd, de tijd dringt en de waarheid moet boven tafel komen om aan te kunnen tonen of iemand capabel is of niet voor de taak waar een natie afhankelijk van zal worden.

    Ik keek het filmpje keer op keer terug. De wijn smaakte er nog beter door, ik voelde me gevleugeld (door de wijn en haar optreden), wilde haar haren strelen en dacht: ‘Ha, we zullen ze eens wat laten zien.’ Al moet ik mijn rol hierin nog verzinnen. Ik keek en zag opnieuw hoe ze geen  geduld heeft voor flauwekul. Hoe ze sneller spreekt en meer tongstruikelende woorden dan Matthijs van Nieuwkerk gebruikt. Ik kijk naar haar mooie slanke handen die af en toe vloeiend maar beheerst meebewegen als ze spreekt. Haar mooie mond die ik zou willen zoenen na elk woord dat over haar lippen komt.
    En ik verzin, dat als ze voor het presidentschap was gegaan, ik haar running mate was geworden. Nou ja, als je verliefd bent slaat je hoofd op hol. Zing bid huil lach  (kijk hier hoe ze het doet) en bewonder.
    En Mijn lief luistert nog steeds naar Bomans, over de Koning die niet dood wilde en laat het spinnewiel draaien terwijl een fijne draad tussen zijn vingers verschijnt en de koffie pruttelt. Dat laatste verzin ik maar de rest is waar en ook dat ik iemand die spinnen kan, bewonder.

     

     

     

  • Het vogelconcert

    Een van de bijschriften bij een schilderij van Melchior de Hondecoeter – op de tentoonstelling Hollandse meesters uit Boedapest in het Haarlemse Frans Halsmuseum – bracht Het vogelconcert van deze schilder uit de Gouden Eeuw in mijn herinnering. Een uil, wiens bril van de neus is gevallen, zit met één poot dirigerend boven op een stuk bladmuziek. Allerlei vogels om hem heen tjilpen en fluiten dat het een lieve lust is. Of krassen, want de meeste zijn kraaiachtigen, of stoten ‘kukeleku’ uit. Een beetje de geluiden die Max Porter omschrijft in een kort hoofdstukje over de naar Crow, van Ted Hughes gemodelleerde vogel in zijn debuut Verdriet is het ding met veren. Crow in vertaling van Saskia van der Lingen:

    Kop naar de grond, waggel, scharrel.
        Kop naar de grond, fladder op, dwarrel.
        Kijk op. ‘ALARM. HARDE, SCHORRE EN
            VERONTWAARDIGHDE KRASGELUIDEN’
            (Vogelgids van Europa, blz. 330).
    Kop naar de grond, kroonkurk, krabbel.

        Kop naar de grond, afvoerput, zwabber.
        Hij zou een hoop van me kunnen leren.
        Daarom ben ik hier.

    De uil bij De Hondecoeter staat – verwijzend naar Aesopus De uil en de vogels – voor de wijze die waarschuwt voor de gevaren van mistletoe, die lijm produceert, en vlas, waar vangnetten van  gemaakt worden. Allebei niet fijn voor een vogel. Maar ze luisteren niet.
    Het is gissen welke melodie de schilder heeft afgebeeld. Ook een boekje als Music in paintings of the Low Countries in the 16th and 17th centuries van mijn oud-docent Pieter Fischer geeft geen uitsluitsel. Pieter Goderie vermoedde naar aanleiding van een tentoonstelling van het schilderij in museum Sypesteyn (2012), dat de melodie links wel eens een Gregoriaanse melodie zou kunnen zijn, en die aan de rechterkant wellicht een strijdlied ‘of gewoon een schunnig lied.’

    Dat brengt mij bij de schrijfster Zadie Smith, die de huidige burgers, de vogels zeg maar, eens met een complex muziekstuk vergeleek, complexer dan bij de meester uit de Gouden Eeuw. Een dirigent, de uil zeg maar, kan besluiten een bepaalde melodische lijn uit te laten komen en een andere meer op de achtergrond te houden. Het probleem is alleen dat melodieën die aan strijdliederen of schunnige liedjes doen denken, nu de boventoon voeren. Degene die zich een fijnere melodie weten te herinneren (bijvoorbeeld een Gregoriaanse, zoals links op het doek van De Hondecoeter), zou volgens Smith moeten proberen deze te spelen of te zingen en andere vogels aansporen om mee te doen.

    Een wijze les. Op z’n minst even wijs als die van Aesopus.

     

     

  • De jaagster

    De afgelopen week ben ik gefascineerd geraakt door het fenomeen de jacht. Niet uit mezelf, alhoewel ik door de landschappelijke context, altijd wel romantische noties bij het jagen heb. Toch – door mijn vroeg-volwassen geworden pacifisme, begonnen in de jaren ’80 – waren wapens en alles wat daarmee te maken heeft, geweld, oorlog, wapenhandel, en zo voorts, niet bepaald iets waar ik affiniteit mee kreeg. Dat werd flink op de proef gesteld door het boek Buit. Een jachtjaar (2016) door Pauline de Bok. Nomen est omen. De schrijfster lijkt een voorliefde voor morbide onderwerpen te hebben. Ze schreef eerder al over doodsberichten en begraafplaatsen. En over ontheemden. Ik begrijp haar fascinatie wel. En dus ook de stap die ze vorig jaar zette om een jaar lang te verblijven in haar omgebouwde koeienstal in het voormalige Oost-Duitsland.

    Samen met haar man, Boom (!) geheten, komt ze al jaren op deze plek. Maar nu wil ze er alle seizoenen meemaken. En ook als jager, met jagersakte op zak. Het boek is een verslag van een langzaam vergroeien met deze nieuwe omgeving – natuur, wild, weer, Duitsers, jagers – al merkt De Bok dat ze een buitenstaander zal blijven. En toch is dit wat ze wil. Een mooi, maar ook wel weer wrang existentieel principe. De outsider die niet anders kan zijn dan dat, maar toch ook zoekt naar aansluiting bij een inheemse gemeenschap. De schrijfster heeft zelfs de vluchtelingen uit Syrië door de velden van Mecklenburg-Vorpommern zien lopen. De buitenstaander die nog meer ontheemde mensen voorbij ziet trekken. En vlakbij haar onderkomen en haar jachtgebied lag de grens tussen Oost- en West-Duitsland. Ook al heeft De Bok zich vrijwillig teruggetrokken uit het stadse, drukke leven, nieuwe en oude sporen van de geschiedenis lopen om haar heen.

    Ik zag een paar maanden terug op televisie ster-kok Jamie Oliver zichzelf de opdracht geven om zelf een dier te doden dat hij zelf zou villen, slachten, bereiden en opeten. Hij sneed de keel van de geit met zichtbaar afgrijzen door. Maar, stelde hij, wat is er puurder en oprechter en natuurlijker dan dit? Ook Pauline de Bok vertelt in geuren en kleuren over de regels en de verschillende methodes van de jacht. Het aanzitten, schieten, slachten (ontweiden) en bereiden van het dier. De drijfjacht. Het jagen om te eten en het jagen om de wildstand te beheersen. En ook de aarzelingen en overpeinzingen die een modern mens – net als ik onthecht van de natuur en haar wetten, balend van een kapotte laptop, snel naar Berlijn! – heeft als het aankomt op deze essentiële zaken van leven en dood. Fascinerend. Snel haar roman De jaagster (2014) bestellen en lezen.

     

     

  • Geen slecht mens

    Meteen na onze binnenkomst barst de man naast mij uit in een waterval van woorden. Hij vindt het bar weer. Het schaadt zijn werk. Hij was loodgieter, zo verneem ik, maar sinds het bedrijf van zijn baas failliet ging, is hij voor zichzelf begonnen. Als klusjesman. Dan heb je het niet gemakkelijk met al die regels, legt hij ongevraagd uit. En dan is er nog de hebzucht van de banken. Het is allemaal de schuld van onze slappe regeerders. Zijn verhaal dijt uit, zonder dat ik er tussen kan komen, naar de wereldproblemen: ‘Ik voorspel dat we over drie jaar weer een wereldoorlog hebben.’ Het wordt tijd voor een sterke man, ook in Nederland, vindt hij: ‘Inderdaad: Wilders.’

    Ik krijg steeds meer last van plaatsvervangende schaamte vanwege de plek waar ik me bevind. Mijn vrouw en ik zijn op kraamvisite bij een Syrisch gezin dat sinds een jaar in ons dorp woont. Waarom tref ik uitgerekend hier deze man met zijn tirade. Quasi-grappend zeg ik hem dat het me verbaast dat hij hier op de bank zit. ‘Je weet toch dat Wilders niks moet hebben van die vluchtelingen binnen onze landsgrenzen?’ probeer ik. ‘Ja, dat klopt. Maar dit zijn heel vriendelijke mensen.’ Hij blijkt een paar huizen verder in de straat te wonen.
    Wijzend op de puberzoon van het gezin zegt hij: ‘Ik ga hem gitaar leren spelen, hè!’ Hij grijpt het instrument van achter onze zitplek en tokkelt een eind weg. De zoon, die zijn pasgeboren zusje de fles zit te geven – een boekje van Nijntje voor hem op tafel als bescheiden begin van Nederlands boekenbezit – grinnikt terug. ‘Ik heb de gitaar over en hij mag hem hebben. Maar je gaat wel leren spelen, hè. ’Na een kwartier stapt hij op, bij het weggaan nog altijd pratend.

    ‘Sorry’, zegt de vrouw lachend tegen ons: ‘ik had gezegd dat jullie kwamen, maar hij blijft altijd zo lang hangen.’
    ‘Ik schrok een beetje van hem’, reageer ik. ‘Die mond staat niet stil. En wat hij te zeggen heeft is wat meer Nederlanders over vluchtelingen denken. Krijgen jullie daar geen onbehaaglijk gevoel van?’
    Ze lacht nu breeduit en wuift het weg. ‘Hij is heel aardig, hoor. Hij helpt ons vaak.’
    Na een uurtje knuffelen met de baby en praten over rituelen rond een geboorte gaan we naar huis. Daar kijken we met een lichte ontroering terug op de klusjesman: iemand die luidruchtig zijn angsten probeert te bezweren. Een kleine machteloze man tegenover de boze dreigende buitenwereld. Maar geen slecht mens.

     

     

     

  • Het onderzoek

    Van het een op het andere moment – ik bedoel zonder dat er een voornemen, actief besluit of zelfs maar een gedachte aan voorafging (hoewel mijn ambassadeurschap bij de J.M.A. Biesheuvelprijs zeker, zij het onbewust, een rol zal hebben gespeeld) – stort ik me weer op de verhalen. Zo las ik My mother’s dream van Alice Munro. Van Munro kende ik alleen The bear came over the mountain, wat ik prachtig vond. My mother’s dream kwam minder binnen: te plat en te direct, besloot ik tijdens het lezen, te veel een op een overgedragen informatie, tot ik de laatste zin las en direct weer opnieuw kon beginnen.
    Ook las ik Three early stories van J.D. Salinger. Deze verhalen waren, zo blijkt uit het nawoord van Auke Hulst, niet bedoeld voor herpublicatie. Had ik, als het nawoord een voorwoord was geweest en deze informatie me eerder was toegekomen, de verhalen ook gelezen? Het is misschien ijdel om te denken van niet.

    Salinger was tijdens het schrijven van deze drie verhalen een stuk jonger, hij was nog in de groei, dat is te zien – zoals die enorme kiem van talent evengoed al aanwezig was, vooral in Once a week won’t kill you. De vraag is of deze uitgave de mythe omtrent Salinger compleet maakt of juist uitholt, alsof de gewaande god een halfgod blijkt – of, erger nog, een mens. Waarom dan toch deze verhalen opnieuw uitbrengen. Voor de volledigheid?
    In het interview met VPROBoeken presentatoren Carolina Lo Galbo en Jeroen van Kan noemt die laatste het gevaar van een auteur in één keer, of achter elkaar tot je nemen. Het risico van overkill en verveling is mij bekend, toch las ik vrij vlot na Het jasje van Luis Martin de verhalenbundel waarmee Gilles van der Loo debuteerde: Hier sneeuwt het nooit. Niet alle verhalen hierin zijn even sterk (in welke bundel wel?), maar de schrijver was duidelijk vastbesloten allerlei registers open te trekken en dat leverde een kleurrijke bundel op. Belangrijker nog is dat Van der Loo al in zijn debuut zijn materiaal heeft gevonden. De verhalen met de thema’s die ik herken uit Het jasje van Luis Martin – de charismatische maar ongrijpbare vriend, de afwezige vader – vind ik het sterkst.

    Betekent dit dat Van der Loo zich herhaalt? Allerminst. Hij doet denken aan David Vann, wiens roman Caribou Island volgde op de verhalenbundel Legend of a suicide. Ook in deze boeken is er sprake van grote themaoverlap (namelijk: zelfmoord). Vann wist, net als Van der Loo, al vroeg wat zijn gereedschap was en waar het lag. Het is niet zozeer dat de korte verhalen van beide schrijvers toewerken naar hun romans, eerder juist dat ze met andere middelen dezelfde kern opzoeken. Het een staat dus niet in dienst van het ander, maar dient allemaal ter volledigheid van ‘Het Onderzoek’ van hun schrijven. Hiermee bedienen zowel Vann als Van der Loo de grote als de kleine eters – zoals J.D. Salinger zich van indrukwekkende veelzijdigheid bewees. Dat is bovenmenselijk knap.

     

     

  • Adil uit Basra

    Adil, heet hij, en komt uit Irak. Er werd op het raam geklopt en toen ik vanachter mijn pc naar buiten keek, zag ik hem staan, baseballpet op, fiets aan de hand. Hij wenkte me en toen ik de deur ontgrendelde gaf hij me een hand en zei me zijn naam. Op zachte toon vertelde hij zijn verhaal. Hij was uitgeprocedeerd en vanuit Eindhoven was hij op weg naar Ter Apel, het centrale meldpunt voor asielzoekers, waar hij een slaapplaats zocht. Een treinkaartje kostte ongeveer 25 euro, zei hij. Ik twijfelde eigenlijk geen moment, misschien één moment, maar zijn zachtaardig voorkomen en ongelooflijk goede Engels, deed me besluiten deze man te geloven. ‘I will give you the money for the train ticket,‘ zei ik. Toen hoorde ik mezelf ook nog zeggen: ‘Would you like to have a coffee?’ Dat vond hij aardig van me en besloot op mijn uitnodiging in te gaan.

    Boven aangekomen, gingen we aan de eettafel zitten. Mijn vriendin Sophie maakte koffie. Ik was nieuwsgierig naar zijn verhaal en zoals altijd denk ik, als het over vluchtelingen gaat: deze mensen help je gewoon en je staat voor ze open. Dat kan ook door een luisterend oor te zijn of ze iets te geven waardoor ze weer verder kunnen, in dit geval ook echt, door naar Ter Apel. Zijn moeder en zus verblijven in Denemarken en hadden 9000 dollar betaald aan mensensmokkelaars in Aman, Jordanië, om ze naar Europa te krijgen. Hij had hun huizen verkocht in Basra waar ze vlakbij elkaar woonden en zodoende konden ze vluchten. Adil vertelde dat je niet weet naar welk land je gaat als je hebt betaald, dat bepalen de smokkelaars en het vliegveldpersoneel aldaar.

    Adil landde dus op Schiphol. Hij werd opgenomen in de asielprocedure en 15 uur ondervraagd. Hij zei dat hij te aardig was geweest door eerlijk te vertellen dat hij niet levensgevaarlijk bedreigd werd maar dat hij uit voorzorg zijn familie op een veiligere plek wilde hebben. Zijn vader was daarvoor gestorven en nu moest hij als enige zoon over zijn familie waken. En door de waarheid te vertellen, kreeg hij drieënhalf jaar later geen verblijfstatus. Nu moet Adil dus binnen afzienbare tijd het land uit. Waarheen, dat weet hij nog niet, Nederland mag hem niet terugsturen naar Irak. Zijn advocaat adviseerde hem naar Roemenië te gaan. Daar maakt hij mogelijk nog kans om in een procedure te komen waardoor hij weer een paar maanden in Europa kan blijven. Uiteindelijk wil Adil terug naar Irak, over anderhalf jaar, als er nieuwe mensen aan de macht zijn waar hij meer vertrouwen in heeft. Om weer wiskundeleraar te kunnen zijn in Basra.

    Toen moest hij ineens weg. De fiets terugbrengen die hij geleend had en hij was al te laat nu eigenlijk. We omhelsden elkaar en hij vroeg om een e-mailadres. Wie weet horen we wat van hem. Het liefst met goed nieuws uit Basra: ‘Adil is thuis en veilig.’

     

     

  • Verbindende literatuur

    Dit jaar is het honderd jaar geleden dat het tijdschrift en de gelijknamige Nederlandse kunststroming De Stijl het levenslicht zag. Het tijdschrift had een enorme impact, die tot vandaag de dag en tot ver buiten onze landsgrenzen voerde. Met als onbetwist stijlicoon de Rietveldstoel van Gerrit Rietveld, een ietwat oncomfortabel ogende, oorspronkelijk ongeverfde houten stoel. Maar dat oncomfortabele was volgens Rietveld geen probleem: ‘Zitten is een werkwoord, als je moe bent ga je maar liggen.’ Een sales-pitch die potentiële kopers niet echt overtuigde; de verkoop van de stoel kwam pas op gang toen Rietveld zijn stoel in de primaire kleuren schilderde die hij had afgekeken van schilder Bart van der Leck. Kleuren die de stoel zouden verankeren in ons, nee, in het Europese culturele DNA. Het is dan ook logisch dat de vorig jaar overleden Pieter Steinz de Rietveldstoel heeft opgenomen in zijn illustere overzicht van ‘de kunst die ons continent bindt’. Samen met onder andere de klassieke Griekse vaas, gotische kathedraal, Déesse van Citroën en Ulysses van James Joyce. Allemaal Made in Europe, een inzicht dat volgens Steinz een welkom tegengif is voor de continentale verdeeldheid die zo alomtegenwoordig lijkt te zijn.

    Een prachtig tegengif dat ik graag tot me neem, ook al is die continentale binding niet nieuw voor mij. Zeker in literair opzicht, wat weer duidelijk bleek toen ik eind 2016 de balans opmaakte van mijn lezerij dat jaar. Ik had alleen Europese ,of beter gezegd West-Europese boeken gelezen, een enkel uitstapje naar het Oosten daargelaten. De tweeëntwintig boeken die ik had gelezen kwamen uit slechts zes landen: Duitsland, Engeland, Frankrijk, Italië, Nederland en Rusland. Blijkbaar hadden deze landen mij in 2016 alles te bieden wat mijn lezershart begeerde. Ik kon dan ook, om een oude stadsgenoot van me te parafraseren, eigenlijk maar tot één conclusie komen: ‘zoo ik ièts ben, ben ik een Europeaan’.

    Maar alhoewel ik in 2016 literair gezien verre van een globetrotter ben geweest verveelde ik me geen moment. Ik las soms een kleinood van nipt honderd pagina’s, maar ook uitschieters met een tienvoudige omvang. Waaronder prachtige boeken, over moeders (Nederland en Engeland), de Tweede Wereldoorlog (Frankrijk en Duistland), de ondoorgrondelijkheid én onvermijdelijkheid van een volksaard (Rusland en Italië), die diepe indruk op me maakten. Allemaal ‘Made in Europe’ dus.

    Toch knaagt het licht aan mij. Is die Europese eenkennigheid niet te beperkt? Moet ik niet weer eens voorzichtig over de grenzen van ons continent gaan kijken? Philip Roth misschien, of Gabriel García Márquez of Kobo Abe? Of misschien iets van een hedendaagse Amerikaanse, Afrikaanse of Aziatische auteur? Het zou mijn wereld vast verruimen. Maar als ik dan mijn ogen laat glijden over De bekeerlinge van Hertmans, dat ik nu aan het lezen ben, besef ik dat ik daar nog niet aan toe ben. Ik dompel me weer onder en geniet van een ongemakkelijke mengeling van kruistochten, pogroms en een verboden liefde. Het verhaal zelf is niet het mooiste dat ons continent heeft voortgebracht, maar de roman scoort daarbij wel hoge ogen. Europeser dan dit kan een boek bijna niet zijn.

     

  • Sombermansochtend

    De atmosferische stilte van nieuwjaarsdag kwam me zo blanco voor als de ongereptheid van een pasgeboren baby. Na het obsessieve lijstjes afwerken (niet gelukt), de goede voornemens (lijstjes voorkomen) en gedreven huis opschonen, lijkt de boel gedaan en af. Maar bij het wakker worden komt het besef dat ‘iets’ nooit ‘af’ is. Wat bij mij het verlammende gevoel, ‘is het dan nooit klaar’ teweeg brengt. De lege drankflessen op de keukenvloer, halfvolle glazen in de vensterbank, een schaal aangevreten oliebollen als aangeschoten wild koud en stijf op het aanrecht. Bij uitstek een Sombermans-ochtend. Een nieuw jaar in beweging brengen is het moeilijkst wat er is. Liefst kruip ik voor een week in de voorraadkast, om zo alle plichtplegingen die een nieuw jaar met zich meebrengt, te ontduiken. Als de telefoon gaat, roep ik: ‘Ik ben er niet!’

    Tot Mijn lief op de vierde dag van dit jaar ingreep. Ik moest er weer eens uit, zei hij, en we togen naar de Kringloopwinkel. Daar gaf hij me een grote rieten tas, stopte me wat geld toe en zei: ‘Ga maar, ik zie je straks in de koffiecorner.’ En ik ging. Beklom de zevenentwintig treden naar de boekenafdeling en wist dat het goed zou komen. Direct bovenaan links wachtten de kasten me op. Alsof ik de boeken scande, ingesteld op ja, op wat eigenlijk, liet ik mijn ogen langs de boekruggen gaan. Vanzelf springt dan een titel of naam naar me toe en die moet ik hebben. Meer kan ik er niet over zeggen. Bij de C was het al raak. CaMu, alle columns uit 2001, mooi exemplaar. Voor wie Campert spaart moet alles waar hij in voorkomt verzamelen, en legde het op de bodem van mijn tas. Bij de D maakte mijn hart een sprongetje. Daar stond E.L. Doctorows Ragtime. Ik voelde me als een visser die een onverwacht soort vis naar boven haalt maar er wel altijd van droomde die te zullen vangen. Gelezen in de jaren zeventig en de zin: ‘Het toeval wilde dat het onverwachte bezoek van Houdini de coïtus van Vader en Moeder had onderbroken.’, zette voor mij de fascinerende toon voor heel het boek.

    Dan zie ik Strikt van Minke Douwesz die ik al heb maar de zendeling in mij wil ook wat. Verder o.a. nog Eelke de Jongs Alle verhalen (niet te missen) en als laatste pik ik Pieter Waterdrinkers Een Hollandse romance (2003) eruit. Op twitter uitte hij zijn (bittere) teleurstelling over het niet vermelden van zijn boek Poubelle, op het beste boekenlijstje van het jaar in het NRC. Hij werd bozer en bozer en tweette daarover. Wilde nooit meer in het NRC besproken worden. Hij stond in de kast van 1 europrijs boeken, het voelde als een vondeling die niemand meer wil omdat ie te oud is of een te grote mond heeft. Ik streek over mijn hart. Het paste nog net in de tas die ik, naar één kant overhellend door het gewicht, met me meezeulde naar de koffiecorner. Gelukkig nieuwjaar!

     

     

  • Stoorzenders

    Het is makkelijk om cynisch te doen over hoe mensen reageren op het overlijden van sterren. Ook ik ben niet onschuldig: de hysterische berichten over het overlijden van het ene na het andere muzikale kanon irriteren me, de wedstrijd om het hardst schreeuwen hoe vreselijk 2016 was vind ik dodelijk vermoeiend. Tegelijkertijd snap ik het mechanisme heel goed, ik doe het zelf ook. Op de radio klinkt het nieuws van Richard Adams’ overlijden, ik hoor het tijdens de Top2000. Direct wordt er een stukje uit Bright Eyes gedraaid, de door Art Garfunkel gecomponeerde soundtrack van Watership Down – u weet wel, de wereldberoemde, nachtmerrieachtige verfilming van Adams’ bekendste boek. Het gaat bij de berichtgeving over zijn overlijden op de radio dus niet zozeer om Adams zelf, maar om de ‘oorwurm’ die zijn roman opleverde. Dat stoort me: ik vind het een prachtig nummer, een geweldige film, Adams een briljante schrijver die zoveel meer was dan alleen die schrijver van dat konijnenverhaal.

    Er is nog een boek van zijn hand verfilmd, The Plague Dogs. Jaren geleden stuitte ik op de titel in een blog over de meest duistere tekenfilms ooit gemaakt. Ik zocht de film op, bestelde het boek en inderdaad: het verhaal over Rowf en Snitter, twee honden die uit een dierproevencentrum ontsnappen en worden opgejaagd omdat buurtbewoners bang zijn dat ze de pest bij zich dragen, is een van de zwaarste dingen die ik ooit tegenkwam. Adams was niet vies van moralisme, bij zowel Watership Down als The Plague Dogs ligt het er behoorlijk dik bovenop allemaal. De pas verschenen film I, Daniel Blake is ook zo’n recht-in-je-gezicht-voorbeeld: vanaf de eerste minuut is al duidelijk hoe het gaat aflopen en de achterliggende gedachte wordt vet en met uitroeptekens in het gezicht van de kijker gesmeerd. Wegkijken is geen optie. Het werkt uitstekend.

    Dat geldt ook voor de verhalen van Richard Adams en voor de verfilmingen ervan. In een tijd waarin kunst zo subtiel mogelijk moet zijn, alles tussen de regels moet gebeuren en ‘moraal’ een vies woord is, vond ik het heel inspirerend om werk tegen te komen dat volledig in dienst staat van wat de maker ermee wil zeggen – zeker als die boodschap zo urgent is. Richard Adams werd 92 jaar, een mooie leeftijd voor een inspirerend schrijver. Ik zal er geen traan om laten, maar het raakt me wel. Daar is makkelijk cynisch over te doen. Maar waarom zou ik? Misschien voelen we ons graag verbonden met de wereldberoemden, of met het drama, misschien hangen we onze kleine levens graag op aan dat van de groten. Is dat erg? Ik weet het niet. Wie zegt wanneer een reactie oprecht is – of terecht? Wanneer eigen je je een dood toe en wanneer overtreed je daarmee de regels? Wie bepaalt die regels eigenlijk? Muzikanten eer je door naar hun muziek te luisteren, acteurs door het (her)zien van hun mooiste films, schrijvers eer je door te lezen. Ik pak The Plague Dogs uit de kast en wapen me voor wat komen gaat.

     

     

  • Even weg

    In deze dagen van turbulentie wil ik weg van hier, en dus ga ik – met vriendin en kinderen – een paar dagen naar de bergen. Ik kan me niet engageren in deze populistische en terroristische tijden, maar ik distantieer me eerder in deze momenten van onrust. Het besef dat de rampen die vaker elders dan hier waren, nu toch ook weer na decennia van relatieve rust, deze kant op komen, is geen fijne gedachte. Ik wens niemand rampspoed toe, ook niet hij of zij die mij als vijand ziet, en evenmin mezelf. Onbarmhartige, maar o zo menselijk-dierlijke gedragingen duwen de gedachte van een beschaafde, bedeesde, bedachtzame wereld steeds verder weg. En toch hoop ik dat we met kerst, met het zonnewendefeest, met het begin van een nieuw jaar weer een frisse start zullen maken, koppies leeg, schouders eronder en doorlezen maar!

     

     

     

  • Wereldwijd lezen

    December. Lijstjes. En dan vooral die van boeken. Ik snuffel ze elk jaar weer door. Maar eigenlijk is er iets vreemds mee. Ik doe er niet zozeer inspiratie mee op als wel teleurstelling. Dat zal deze keer weer zo zijn met ‘De beste boeken van 2016’. Ze lijken wel bedoeld om me onder de neus te wrijven hoe onverantwoord ik me gedragen heb door al die genoemde titels ongelezen te laten. Een kort ogenblik schaar ik het lekkers dat ik verwaarloosde onder mijn voornemens voor volgend jaar. Maar het vuurwerk is nog niet uitgeknald of dat voornemen is in rook opgegaan. Er staat een nieuw jaar voor de deur. Daarin voelt het al weer snel belangrijker om niet de achterstand goed te maken, maar om het me niet wéér te laten gebeuren dat boektitels me over twaalf maanden vanuit lijstjes verwijtend aankijken.

    Een veel vrolijker vooruitzicht van de jaarwisseling is voor mij het traditionele Nieuwjaarsconcert van het Nederlands Blazersensemble (NBE). Het staat al in mijn agenda: 1 januari, 19:15 uur, NPO 2. Een bijzonder programma waarin elk jaar drie jonge componisten naar voren worden geschoven en niet-westerse immigranten me verbazen in een fantastische show van beeld en geluid. Ik maakte eerder dit jaar een optreden het NBE mee van met de Iraanse zanger Mohsen Namjoo. Hij kan niet meer terug naar zijn geboorteland; hij zal er worden opgepakt omdat hij ooit Koranverzen in zijn liederen verwerkte. Daarvoor is hij in 2006 veroordeeld tot vijf jaar gevangenis.

    Ik vind het al jaren een feest om te zien hoe exotische muziek en het NBE elkaar omarmen. Maar ik hield aan het optreden van Namjoo nog een andere mooie herinnering over. Hij gaf vooraf een lezing  waarin hij veel vertelde over muziek in zijn land en in woord en zang duidelijk maakte wat de Iraanse liederen en de Amerikaanse blues gemeen hebben. En dus: hoe ze elkaar kunnen versterken. Wat een inspirerend perspectief! Het is juist de reden waarom ik het Nieuwjaarsconcert niet wil missen. Ik krijg er energie van en, nog mooier, hoop; mijn wereld wordt ineens weer groter.

    Ik moet misschien ook de boekenlijstjes loslaten als ze me alleen maar met een gevoel van tekortschieten opzadelen. Laat ik naar inspiratie voor de toekomst kijken. Een lijstje dat me de afgelopen weken onder ogen kwam past hier dan ook bij. Een lijstje dat net als de aanpak van het NBE, me het gevoel geeft dat ik verbonden ben met iets groters dan mijn eigen boekenkast en de beschuldigende ‘het beste van 2016’ lijstjes. Hier vind je wat mensen (studenten uit 28 landen) inspireert: Kadare in Albanië. Andrić in Bosnië en Servië, Nog altijd Khayyam in Iran. Tijdloze boeken. Boeken die verbinden. Bij dit lijstje krijg ik geen schuldgevoel, maar nieuwe energie.

    Wereldwijd lezenlijstje