• Een toevalsboek

    Soms kom je een boek tegen waarvan je nog geen idee hebt dat het enorm veel met je gaat doen. Zo’n boek kies je niet per se zelf uit, je loopt er tegenaan, iemand geeft het je of je vindt het op een rommelmarkt waar je het koopt omdat er een ander boek ligt dat je erg graag wilt hebben en er een bordje hangt met ‘twee voor de prijs van een’.

    In de winkel waar ik als tiener werkte kwamen meer sigaren dan boeken binnen en was het haalbaar alle binnengekomen titels te bekijken. Op een ochtend stuitte ik op Het monsterverbond, dat ik direct afrekende en in mijn tas stopte. Een middag later kwam een jonge vrouw het ophalen.

    ‘Ophalen?’
    ‘Jazeker,’ zei ze. ‘Ik heb het vorige week besteld.’

    Gelukkig kon ze erom lachen toen bleek dat ik in mijn enthousiasme was vergeten te kijken of het boek gereserveerd was. In mijn lunchpauze fietste ik naar huis om haar exemplaar op te halen, voor mezelf bestelde ik het opnieuw. Vele jaren later staat Carolien Roodvoets boek over destructieve relaties nog steeds in mijn kast – De aantrekkingskracht van foute mannen – is de ondertitel.

    Op Utrecht Centraal, wachtend op de man met wie ik een heleboel bier ga drinken, duik ik de gratis minibieb in om er weer uit te komen met The Color Purple van Alice Walker. Op de valreep van het jaar wordt dat een van mijn favoriete boeken.

    Ik blader online het aanbod e-books door en kom een roman tegen met de titel: Het regende vogels. Alles klinkt mooier in het Frans, zo ook deze titel van de roman van Jocelyne Saucier, Il pleuvait des oiseaux, maar ik heb als dwarse puber Frans laten vallen zodra ik de kans kreeg en daar pluk ik nu geen vruchten van. De vertelling over de Canadese bosbranden van begin twintigste eeuw, over recht op zelfbeschikking, over ergens bij horen, is echt een aanrader.

    Tijdens de volle twee weken waarin ik op andermans huis pas, trek ik uit lome nieuwsgierigheid een Graham Greene uit de kast en blijk Een opgebrand geval geniaal te vinden.

    Door het trefwoord ‘katten’ in te toetsen op de zoekmachine, kom ik een autobiografische roman tegen van een Franse actrice die haar jeugdtrauma dankzij haar huisdieren weet te overleven. Onbegrijpelijk dat de Nederlandse titel Mensenkatten is en niet ‘Toevalskatten’, de term die Duperey zelf hanteert voor de bijzondere beesten die haar door het leven hebben geloodst. Oorspronkelijke titel: Les chats de hasard. Het boek eindigt met de conclusie dat Dupereys huidige katten geen toevalskatten zijn. En dat dat niet erg is, de poezen vermaken haar, maken haar aan het lachen, ze is dol op ze. Maar misschien ooit, mijmert ze, tref ik er weer een.

    Zo is het met mij en de boeken. Ik lees er een heleboel, ze vermaken me, sommige maken me aan het lachen, veel ervan vind ik goed. Soms zit er een toevalsboek tussen. Ik ben benieuwd naar de volgende.

     

     

  • Gewoon door

    Ik heb bewondering – die grenst aan adoratie – voor mensen die in stilte hun werk doen, gewoon omdat ze er goed in zijn. Zoals schoenlappers in Coimbra die achter een open venster in de muur zitten te kloppen en tikken op lederen vormen en daarmee een degelijk product weten neer te zetten. Of de tuinman die de leibomen onder handen neemt, hoog op zijn ladder staand, snoeit waar gesnoeid moet worden. Het is de aandacht voor de klus die ze onder handen hebben, wat me bekoort. De trefzekerheid waarmee ze het doen, secuur en kundig. De schoenmaker met de spijkertjes die in de zool geslagen moeten worden tussen zijn lippen, er telkens een uitnemend, op de juiste plaats aanbrengend, erin tikken met de hamer en zo door.

    Schrijvers die van niets anders willen weten dan schrijven, liefst met potlood in schriftjes waarin met regelmatig handschrift zinnen worden opgeschreven die gevormd werden door gedachten en beelden die voor het geestesoog van de schrijver verschenen. Die  scheppende interactie tussen geest en papier, waar alles voor wijken moet. Daar is waar mijn adoratie ontstaat; dat alles er voor moet wijken. Dat je alleen nog maar kunt leven in je boeken zoals Slauerhoff schreef ‘In mijn gedichten wil ik wonen’. Dat is het hoogste wat je als schrijver kunt bereiken. Leven als schrijver is schrijven in alles.

    Dat zou ik ook wel willen, me op zolder of in een schuurtje terugtrekken met alleen een stoel en een ruwhouten tafel. Mijn lief en kinderen laat ik achter in het huis, daar vermaken zij zich wel. Af en toe steek ik mijn neus om de hoek voor een verschoning of een boterham. Geen andere uitstapjes dan naar boekhandels en kringloopwinkels voor leesvoer en schrijfgerei.

    En dan zeggen: ‘Ik deugde nergens voor, toen ben ik maar gaan schrijven.’ Bij veel schrijvers die dit zo stellen, klopt het; zij zijn voor het schrijverschap bedoeld. Ze zetten er alles voor in, een goed huwelijk past daar niet bij. Niet bij de schrijvers die ik voor ogen heb. Jeroen Brouwers dus, die ook ergens in een interview zei dat hij nergens geschikt voor was en toen maar is gaan schrijven. Van Brouwers geloof ik het meer nog dan van enig andere schrijver.

    In de jaren tachtig was mijn adoratie voor deze schrijver zo nijpend dat ik naar de boekpresentatie van De zondvloed moest. Ik hield niet van boekpresentaties. Ik meed ze als zijnde gênante vertoningen waarbij de schrijver wordt ingezet als USP (unique selling point) wat beneden hun waardigheid is. Er was een podiumpje op het trottoir waarop Brouwers wat ongelukkig van zich afkeek. Later vormde zich een rij voor de signeersessie. Met verkrampte glimlach en het zweet op zijn voorhoofd keek hij steeds opnieuw op en signeerde zijn boek. Beter was het dat de schrijver – gelijk een koning – na gedane arbeid gewoon thuis bleef en een wandelingetje maakte in zijn tuin of omliggende landerijen en zich daarna voor de haard een goed glas wijn liet serveren. En dan gewoon door.

     

     

  • Worsteling

    Ik kijk naar buiten, de sneeuw die deze ochtend is gevallen begint langzaam weg te dooien. Een paar uur lang heb ik kunnen genieten van een idyllisch stadswinterlandschap. De bruine en grijze kleuren en de kale bomen zullen straks weer overheersen. Ik zie een overeenkomst met een gedachte die al een tijdje door mijn hoofd spookt. Een gemoedstoestand waarin ik al een paar dagen verkeer. Een somber beeld. Ik schreef er vorige week al over. De politiek en de internationale betrekkingen maken me niet vrolijk. Daardoor is een vraag vol vertwijfeling in me gevaren: wil ik nog wel verder met het verkopen van boeken als, zo lijkt de maatschappelijke tendens toch uit te wijzen in tijden van iPads en digitalisering, minder mensen en vooral, minder jongeren, lezen en vooral ook verzamelen? De verzamelaar is langzaam aan het verdwijnen. Tenminste, de verzamelaar van het tweedehandse, antiquarische boek. Ik merk dat vooral op boekenmarkten en -beurzen.

    Waar sta ik als antiquaar over 10 jaar? Doet mijn werk, mijn expertise van boekhandelaar, er dan nog toe? Wil ik niet iets anders gaan doen? Misschien wel, maar wat dan? Het liefst wil ik door gaan in de hoek waar ik nu zit, in de kunsten, de literatuur, de culturele wereld. Daar ligt mijn hart. Maar die wereld wordt bevolkt door de momenteel zo vervloekte elite. Elitair mag je niet meer zijn, zo vindt menig politicus en ook medeburger. Zij vinden dat kennis, wetenschap en kunst en cultuur tot iets nutteloos is geworden. Dat vonden heel veel mensen altijd al, in een wereld van alternatieve feiten, maar met social media kan iedereen dat luid rondtoeteren. Ook een Radio-1-presentator als Ghislaine Plach vraagt vaak: ‘En wat hebben we er nu aan?’ als er een wetenschappelijke vondst is gedaan.

    Die licht minachtende toon als het gaat over niet direct aantoonbaar nuttige zaken, stoort me zeer. Het zegt iets over de gangbare opvattingen als het gaat over de voortbrengselen van wetenschap en kunst.
    Misschien ben, of denk ik vaak te idealistisch en is het simpelweg de realiteit dat het meestal wel goed gaat en dat het af en toe gewoon wat minder loopt. Financieel, maar ook mentaal. De fantasie, de verbeelding, het literaire en kunstzinnige wordt wel eens weggedrukt door de economische, dagelijkse realiteit. In een politiek land waarin kunst er minder toe doet dan voorheen, zo lijkt het met Trump, de VVD en de populistische tendensen, is het weleens een worsteling die waarden en idealen hoog te houden.

     

     

  • Dromen najagen

    Het is fascinerend. Iemand die zijn dromen achterna jaagt, ze realiseert, of toch maar niet. Je ziet het vaak in de kunst. Soms drukken schilderijen pure verwachting uit en lijken ze tegelijkertijd een in olieverf gestolde ongewisheid. Een voorbode van wat nimmer komen zal. Zoals Vincent van Gogh’s Terrasse du café le soir, geschilderd in september 1888. Van Gogh woonde toen een half jaar in Arles en leek zijn draai gevonden te hebben. Hij schilderde ‘s avonds een paar mensen op een vrijwel leeg terras, met daarnaast enkele flaneurs. De sterren sprankelden hoopvol aan het firmament.
    Verwachtingen kunnen ook in gesproken woorden stollen, in boeken opgeschreven of gezongen. Zoals in de prachtige en voor een Oscar genomineerde songteksten van de vrolijk-trieste musicalfilm La La Land.

    City of stars
    are you shining just for me?

    zingt Sebastian (Ryan Gosling) als hij verliefd door  lege straten dwaalt. En ook al hoor je lichte twijfel in zijn stem, hij lijkt toch te denken dat zijn droom uit zal komen.

    I don’t care if I know
    Just where I will go
    Cause all that I need is this crazy feeling
    A rat-tat-tat on my heart
    Ik denk dat Van Gogh datzelfde rat-tat-tat door zijn aderen voelde stromen toen hij in Arles nieuwe kleuren zag en op het Place du Forum zijn nachtcafé schilderde. Hoe kon hij anders zo’n prachtig, verwachtingsvol schilderij maken? Of het vibrerende Sterrennacht dat hij zo’n negen maanden na Terrasse du café le soir schilderde? Om zichzelf weer een jaar later uiteindelijk een kogel door het hart te schieten.
    Het is fascinerend. Al is de droom nog zo nabij, de realiteit achterhaalt hem vaak. Zoals bij de onbegrepen gebleven Van Gogh, zijn ambities ingehaald zag door de onmogelijkheid van het bestaan. En daar zijn wrange conclusies aan verbond. Zoals dat ook gebeurt in La La land, zij het minder absoluut. Daar jagen de verliefde Mia en Sebastian elk hun ambities achterna, om uiteindelijk te constateren dat hun beider succes een prijs vraagt. Realisering van die ene droom vraagt om afscheid van de andere. Een prijs die ze bereid zijn te betalen en die deze HollyBollywood film zijn charme verleent. Want een voorspelbaar eind-goed-al-goed had deze film van zijn schittering ontdaan.
    Het is blijkbaar belangrijker dromen te hebben dan ze  te bereiken. En het zijn kunstenaars die ons daar voortdurend mee confronteren en zo ons leven verrijken.

    So bring on the rebels
    The ripples from pebbles
    The painters, and poets, and plays

    zingt Mia (Emma Stone) tijdens haar laatste auditie in ‘La La land’. “A bit of madness is key”, zingt ze ook nog, “to give us new colors to see”. Om zich daarna op haar droom te storten en succes te boeken. Tegen een prijs, dat dan weer wel.

     

     

     

  • De (on)geschikte jongen

    Ik dacht dat er op deze wereld wel eens één iemand zou kunnen zijn die heel erg behoefte heeft aan iets moois, iets schoons, iets helders iets prachtigs. Aan woorden die kloppen en niets anders teweeg brengen dan zachtheid, compassie en mededogen nadat er al teveel woorden als verzengende lava over de wereld werden uitgebraakt en waar iedereen als door een zika-mug gestoken op reageerde. Die iemand wordt op zijn vrije zaterdag gebeld door verontwaardigde wereldleiders, die niet snappen waar je mee bezig bent. Dat je weer moet uitleggen: ‘Ik ben met meerderheid gekozen en het was heel druk bij mijn inauguratie’. Als antwoord verbreken ze botweg de verbinding. En daar zit je dan. Constant worden afgerekend op wat je zegt en doet, gaat je niet in de koude kleren zitten. Op een gegeven moment weet je ook wel dat je niet zo slim bezig bent maar dat kun je  niet toegeven want dat ligt nu eenmaal niet in je aard. Dan is er iets nodig van een geheel andere orde.

    Zelf had ik een nogal mokkende week achter de rug omdat niemand echt meedeed met wat ik wilde. Mijn lief maakte een vermoeide indruk als hij mij zag en van ingehouden woede kon ik de slaap niet vatten. Op een nacht sloeg ik het dikste boek dat ik had en steeds maar bewaarde – zoals sommige mensen het lekkerste hapje op hun bord voor het laatst bewaren, zo schoof ik dat boek  steeds opzij – open. Het was een boek van Vikram Seth, De geschikte jongen en telde 1357 – met kleine drukletter bedrukte, dunne bladzijden. Maar wat een mooie bladzijden! Het begon al met de inhoudsopgave, wat een compleet gedicht bleek.  Ik las het en was betoverd, wenste dat iemand aan mijn bed kwam zitten en me deze regels zou voorlezen. Dat ik even niet hoefde te morren, niet de baas zijn en zeggen dat ik de grootste ben. Iemand naast mijn bed, mijn hand vasthoudend en met zachte stem de inhoudsopgave aan me voorleest:

    ‘1 Twee jonge mensen raken aan de praat.
    Een moeder mokt; een souvenir vergaat.
    2 Een courtisane zingt koel haar zwoele lied.
    Vol hoop koopt een aanbidder een parkiet.
    3 Een paartje laat zich steels op de baren wiegen.
    Een moeder vreest haar hoop te zien vervliegen.
    4 Twee mannen lopen warm voor ’t schoenenvak.
    Een ander snijdt twee broques, met groot gemak.
    5 Er vloeit bloed in een steeg: in ’t parlement.
    Haalt een harpij uit naar haar opponent.
    6 Een baby schopt; een boze radja gromt.
    Een jongen kiest de goot; een vader bromt
    (…)
    14 Ook in de strijd blijft de premier en heer.
    Oprecht bewijzen zoons hun doden eer.’

    Bezwerende regels om bij weg te dromen, het grote weten te laten stromen. Betoverd raken, flabbergasted, denken What the …!  Dan moet het verhaal nog beginnen, zoals ik al zei, 1357 bladzijden aan prachtige beschrijvingen, gedachtenspinsels, koloniale geschiedenis. Ik dacht, lees die ene, die niet weet wat ie doet elke avond een paar van deze regels voor.

     

     

  • Ondertiteling

    Vriendelijk vroeg ik de oudere heer een paar stoelen op te schuiven omdat hij op ‘mijn’ plaats zat. Morrend deed hij dit en zei: ‘Dat zei die mevrouw daarachter net ook al.’ Het voorprogramma begon en terwijl hij de Filmladder nauwkeurig bestudeerde, stampte hij met één voet het aanstekende ritme van Ne na na na van Christel Samson mee. Ik hoorde twee dames achter me overleggen wat ze met hem aan moesten als hij dit onder de voorstelling ook bleef doen. Ze slaakten een zucht van verlichting toen hij pal voor de film begon, aankondigde dat hij verkeerd zat en weg beende. Maar zo vroeg op de ochtend draait er nog geen andere film, zodat hij binnen een mum van tijd, nog steeds even kwiek, weer terugkeerde.

    De film begon. Frantz was het. Ik hield mijn hart vast, want de film opent met een muziekkorps dat door de straten marcheert. Gelukkig, zullen ook de twee dames achter me hebben gedacht, stampte hij niet de maat mee. Sterker nog: kort daarna hoorde ik gesnurk rechts van me. Dat was opgelost. Tot hij op een gegeven moment wakker schrok en lachte om een bepaalde scène. En klikte met de tong om uiting te geven aan zijn empathie. De dames achter me hielden zich stil. Eigenlijk is het best leuk zo’n meelevende bioscoopbezoeker. Voer voor sociologen. En dan niet als er in een film een hondje of zo doodgaat, want dat brengt een hele zaal altijd in beroering, maar gewoon – bij andere dingen die niemand koud laten.

    Ik moest denken aan een openbare repetitie twee jaar geleden van de adaptie van Shakespeares King Lear door Tom Lanoye tot Queen Lear, voor Toneelgroep Amsterdam. Het was interessant om een stuk vorm te zien krijgen, en een ster als Gijs van Scholten Asschat in een setting als deze te zien zoeken hoe het nóg beter zou kunnen.
    Twee mensen voor ons voorzagen het gebeuren op het toneel, waar we met ons neus opzaten, van commentaar. Degene met wie ik de repetitie bezocht, vroeg op een gegeven moment nogal hard: ‘Stoor jij je aan dat gepraat?’ Waarop ik – recalcitrant als ik soms ben – al even hard én gemeend antwoordde: ‘Nee, ik vind het juist leuk te horen wat mensen ervan vinden.’ Ze hield prompt haar mond en de bezoekers voor ons gingen onverstoorbaar verder.

    Waarschijnlijk had ik het niet meer leuk gevonden als ze dat commentaar onder een ‘echte’ voorstelling hadden gegeven. Al schijnt dat authentiek te zijn; ik hoorde regisseur Nina de la Parra – onder meer assistent bij Toneelgroep Amsterdam – onlangs zeggen dat dit in de tijd van Shakespeare heel gewoon was. En bij concerten was dat ook lang zo; er stonden in het Amsterdamse Concertgebouw zelfs tafeltjes. Maar zó authentiek hoeft het voor mij nu ook weer niet. Een met zijn voet stampende, tong klikkende en op z’n tijd lachende meneer tijdens een film en commentaar leverende mensen bij een openbare repetitie is op z’n tijd leuk, maar niet altijd.

     

     

  • Verbeelding aan de macht

    Trump heeft de wereld in zijn greep. Dat blijkt uit heel veel dingen. Zet de radio aan en het gaat om de haverklap over de man en zijn decreten. Ik merk het ook aan de bestellingen die ik de laatste weken krijg. Dat zijn er dus een stuk minder sinds de nieuwe president is gekozen en helemaal sinds hij aan de macht is. Een jaar nadat we onze winkel in de Hartenstraat begonnen, kregen we de aanslagen van 11 september 2001. Ook toen merkten we dat klanten wegbleven en dat er veel minder boeken werden gekocht. Een WK of EK, ook evenementen waar een groot aantal mensen hun aandacht bij hebben, zorgen meestal voor een dip in de verkoop van boeken. In elk geval, de boeken die bij ons te koop zijn. Zou er ook bij bol.com een neergaande lijn te bespeuren zijn na een aanslag of tijdens een groot evenement? Als een wereldomspannende, of landelijke gebeurtenis  zoals verkiezingen de aandacht van veel mensen vasthoudt. De kredietcrisis van 2008 en de jaren erna waren ook zeker geen prettige tijden voor de boekenverkoop. Macro-economische of mondiale ontwikkelingen, zo is mijn overtuiging en ervaring, zorgen ervoor dat de lezende medemens zich even wat minder met boeken bezig houdt en blijkbaar dan ook minder boeken koopt en leest. Tijd en energie worden gestopt in het bijhouden van de actualiteit (en de beurskoerzen?).

    Ik wil dus niet elitair overkomen, maar die Trump maakt me wel heel droevig. Niet alleen vanwege de tijdelijk inkakkende boekenverkoop, maar vooral ook door waar Trump voor staat. Het druist in tegen alles waar ik zelf voor sta. En een hoop mensen met mij. Ik hoef niet op te sommen wat Trump wel en vooral niet wil (zoals een kind), want dat weten we intussen wel. Er kan bijna geen romanpersonage tegen deze man op vrees ik, maar dat is wel gelijk een mooie opdracht voor onze schrijvers, een tour de force, om in het Trump-tijdperk verbeelding aan de macht te laten komen. Een verbeelding die aait en zacht is, warm en verzoenend.

     

  • Bang voor de politie

    Beste Anwar,

    Op 29 december beschreef je in een column in De Gelderlander dat je in Arnhem zag hoe twee politiemensen een paar dronkenlappen oppakten. Het viel je op dat die agenten rustig bleven en dat de dronkaards agressief waren. Je was het in Syrië anders gewend. Daar trad de politie gewelddadig op en was je doodsbang voor ze.

    Ik kreeg je column vorige week onder ogen en dat paste op een rare manier in mijn dagen. Op maandag bladerde ik in een boekje dat me was toegestuurd: Altijd de gordijnen dicht van Marjan van der Heide. Ze is coördinator van Steunpunt Vluchtelingen in Friesland en heeft verhalen verzameld van asielzoekers die nog maar kort in Nederland zijn. Zoals van een Eritrese man die zich drie jaar voor het leger verstopte in de bergen. Hij werd uiteindelijk gepakt maar wist weer te ontkomen. Lopend trok hij via Soedan naar de Libische grens vanwaar een smokkelaar hem naar Tripoli bracht. Daar werd hij ontdekt en gevangen gezet, maar ook daaruit wist hij na drieënhalve maand te ontsnappen. Nu voelt hij zich veilig in Nederland en ziet mogelijkheden voor zichzelf.

    Ik onderbrak mijn lezing van dat boek om de krant door te bladeren en zag paginagroot een brief van onze minister-president. Hij schrijft niet over mensen als jij en de Eritreeër – zegt hij – maar er blijkt uit die brief dat hij geen hoge pet op heeft van jullie. Eigenlijk komen jullie volgens hem rotzooi trappen. Jullie moeten ‘normaal’ doen. Ik werd boos dat hij jullie over één kam scheert en zelfs verwart met tuig waar jullie niks mee te maken hebben, maar vooral omdat hij zijn eigen norm ‘normaal’ noemt. Onze premier heeft politieke vijanden waar hij jaloers op is, maar ook politieke vrienden die zijn mening delen: Jos van Rey, Loek Hermans, Ton Hooijmaijers, Opstelten, Teeven, Van der Steur en zo meer. Je zult ze niet kennen, maar google ze maar eens. Ik hoop niet dat jij ooit zo ‘normaal’ gaat doen als zij, maar het is goed te weten dat dat óók Nederland is.

    Ben je wel eens op Het Binnenhof geweest? Je kunt er lekkere haring eten aan een kraam bij één van de ingangen. Moet je eens doen. Beschouw het als onderdeel van je inburgering. Als je dan naar het gebouw van de Tweede Kamer wandelt kun je gaan zitten op een verhoging. De Grondwetbank is dat. De tekst die daarop staat zou onze premier moeten kennen. Dan zou hij niet zo denken in categorieën van Wij en Zij. Maar misschien leest hij hem niet zo vaak omdat de ingang naar zijn ivoren torentje verderop ligt.
    Je begrijpt wel dat mijn literatuur van vorige week en de tekst van de premier slecht op elkaar aansloten. Jouw column echter, sloot wonderwel aan. Jij was in Syrië bang voor de politie? Ik moet je bekennen dat ik in Nederland bang ben voor lieden als onze premier.

     

    Hartelijke groet van een
    Welwillende. Nederlander.

     

    Lees hier de column van Anwar.

     

  • Het ultieme loslaten

    Overlijden op de dag dat je nieuwe roman verschijnt, misschien heeft dat iets poëtisch: het eeuwige terugtrekken op het moment van de grootste verwachting, het ultieme loslaten. Ach, waar heb ik het over, mijn eerste roman komt bijna uit en dat zou ik voor geen hemel willen missen. En toch. Toen mijn oma destijds op 31 december overleed, het was 2004, troostten wij ons met wat er op de rouwkaart stond: ‘Op de laatste dag van het oude jaar begon zij aan een nieuw leven.’ Je boek loslaten, misschien is dat ook een nieuw begin. Poëzie verzacht de pijn, maar geneest hem niet. Dat mijn boek eraan komt en oma daar niet bij is, vind ik na al die jaren nog steeds eeuwig zonde.

    Met de Boekenweek voor de deur is het wellicht een idee om mijn favoriete roman van Robert Anker onder de aandacht te brengen, een die mijns inziens perfect aansluit bij het komende boekenweekthema – verboden vruchten. Als tiener geloofde ik hartstochtelijk in het idee dat de ware liefde altijd verboden moest zijn, ik kon niet wachten om mezelf in een dergelijk romantisch ravijn te storten. Een van mijn lievelingsromans destijds was Hajar en Daan, een liefdessprookje tussen geschiedenisleraar Daan Hollander en zijn Marokkaanse leerling Hajar Nait Sibaha. Deze gecompliceerde liefde, dit taboe, vond ik waarachtiger dan Nabokovs Lolita – al was het maar om de doodsimpele reden dat die kleine nimf een behoorlijk vervelende meid was.

    Gek genoeg kwam ik Hajar en Daan onlangs weer tegen, een dag voor Ankers overlijden begon ik er weer in te lezen. De tiener in mij had daar wellicht een boodschap in gezien, een teken, de volwassene die ik ook ben dacht vooral: ach, wat zonde. Was het slim om die roman opnieuw te lezen? Wat als het tegenviel?
    Dit is hoe het begon: ‘Toen Daan Hollander, leraar geschiedenis aan het DataCare college in Amsterdam, Hajar Nait Sibaha, uit vijf vwo, voor de eerste keer neukte, hield zij haar hoofddoek om – op zijn verzoek.’ En net als toen – ik vijftien of zestien, snel verveeld, vlug boos en altijd hopeloos verliefd – vond ik het ook nu, bij herlezing, weer fantastisch. Natuurlijk, die Daan was een beetje een ei en op Hajar was ook wel een en ander aan te merken (die liefdesbrieven bijvoorbeeld, niet te verteren zo zoet), maar o, de onvermijdelijkheid van deze liefde! Opnieuw genoot ik van de beschrijvingen van het schoolleven, de vrolijke manier waarop het wezen van lesgeven werd gefileerd – god, wat moet Anker een plezier hebben gehad in het schrijven van deze roman! En hoe knap is het wanneer je dit plezier als een verfbom in het gezicht van je lezers weet te smijten, pagina na pagina.

    Als sterven het ultieme loslaten is en je je boek loslaat op het moment dat het de wereld in gaat; als liefde overgave is en niets anders, dan schreef Anker destijds een van de mooiste slotzinnen die ik ooit in een roman las: ‘Overweldig me en maak me vrij.’ Hulde.

     

     

  • Leesclub 3

    Hoe eenvoudiger de uitstraling, hoe doordachter het vaak in elkaar steekt. Denk aan een fietswiel waarvan elk onderdeel precies op de juiste plaats zit maar de lengte van elke spaak wiskundig berekend is. Je staat er gewoon niet bij stil als je een fiets alleen maar gebruikt om je te verplaatsen. Zo zijn ook boeken middelen om je te verplaatsen in tijd, ruimte en persoon.

    We hadden met acht vrouwen Het hout van Jeroen Brouwers gelezen. We maakten een rondje. Wat vonden we ervan: ‘Afschuwelijk verhaal. Zo bedompt dat leven in een klooster, en dan die zware, schurende kleding! Ik kreeg het er benauwd van.’ Nou, nee, zei de volgende, Ik vond het prima hoor, (alsof ze voor hetere vuren had gestaan). Nee hoor, ik had er geen moeite mee’, waarbij ze haar hoofd schudde. ‘Ik wist niet dat het er zo aan toe ging. Dat zal toch niet overal zo zijn geweest’ zei iemand lichtelijk geschokt, waarop we allen zeiden: ‘Nee hoor, er zullen heus wel katholieke gemeenschappen zijn geweest waar dit niet voorkwam.’ ‘Ik vond het nogal een eenvoudig verhaal, klonk het opeens gevat, alsof er een bedrieger ontmaskerd werd. ‘Ik dacht dat dit een groot literair schrijver was, maar ik vind het een verhaaltje van niks.’ Waarna verontschuldigend, ‘Nou ja, ik ken hem verder niet hoor.’

    De verbijstering woekerde voort. Niet te geloven hoe die Eldert – docent Duits en verteller in Het hout – onder de plak was komen te zitten van het kloosterleven onder leiding van een reusachtig man, die ook nog eens dik, overal behaard, met knijpoogjes en omhoogstaande neusgaten waar je zo in keek, beschreven werd. Deze man moest als een varken gezien worden, en dan ook nog Duits, werd er geroepen. ‘Jaja, zei ik, overdrijving is een goed schrijver niet vreemd en heeft zijn noodzaak.’ En Eldert mocht dan wel aardig voor die jongens zijn maar hij deed er niks aan, was de mening. Hij was medeplichtig aan de terreur waaronder de jongens van die katholieke kostschool leden. Onverdraaglijk dat hij niet ingrijpt of er vandoor gaat (het maakte zo’n indruk dat er in tegenwoordige tijd werd gesproken). Was het niet in elke onderdrukte samenleving zo dat er altijd waren die de regels en protocollen stipt naleefden en er waren – om degenen die leden onder die regels – te ondersteunen en bemoedigen?

    En die vrouw, die Patricia uit het dorp, is dat niet raar dat zij, in het Limburg van de jaren vijftig in lange broek gekleed ging? Dat was toen toch niet zo. En dat hij het regime binnen die school met de Nazi’s vergelijkt, vindt ik wel erg ver gaan hoor.’ Tot, na de zoveelste opmerking hoe overdreven dit alles was, de genialiteit van de schrijver doordrong. Zagen we opeens hoe wiskundig berekenend Brouwers de verhaallijntjes, als de spaken in een wiel, in elkaar had gezet. De nazi’s als equivalent om te laten zien hoe de mens vernederd wordt. Hoe er soms groot ingezet moet worden om klein leed te begrijpen.

     

     

     

  • Proeve van hardop denken

    Op de snijtafel ligt een gedicht van Chr. J. van Geel uit de bundel Onverzamelde gedichten.

    Ik spreek vanuit een donker bos
    waarin geen boom, geen tak, geen knop,
    waarin onstaan tot brandhout wordt
    gehakt, door niemand ooit gezien.

    Zag u het meteen? Er staat geen ‘ontstaan’ maar ‘on*staan’. Lastig. Moderne poëzie is bij uitstek het genre waarin je heel moeilijk kunt vaststellen of iets een toevallige druk- of taalfout is dan wel opzet. Toch is mijn eerste indruk dat het een drukfout moet zijn. We doen gewoon alsof die T er wel staat, elke regel bevat dan vier jamben.

    Maar wat is de betekenis als we ‘ontstaan’ lezen, dus mét T? Hoe kun je een abstractie als ‘ontstaan’ verbinden met zoiets concreets als ‘hakken’? Bij de woorden ‘bos’, ‘boom’ en ‘tak’ is dat geen probleem, die dingen laten zich inderdaad hakken. Maar ‘ontstaan’? Dat heb je met ‘onstaan’, zonder T, natuurlijk net zo goed. Dat woord bestaat niet eens.

    Wacht even: ‘door niemand ooit gezien’, dat kán natuurlijk op ‘ontstaan’ slaan. Wordt hier dan iets piepkleins in de kiem gesmoord, een allereerste aanvang? Maar ‘door niemand ooit gezien’ kan net zo goed op ‘brandhout’ slaan, of op de mededeling dat het bos ‘donker’ is. Hier schieten we dus niet mee op. Trouwens, hoe lang kun je eigenlijk bij bomen spreken van ‘ontstaan’? Is een eikje van drie meter een eik die nog steeds aan het ontstaan is? Een woudreus in wording? Maar ho: er staat juist ‘geen boom’.

    Nee, de lezing ‘ontstaan’ brengt ons niet verder. Als we ‘onstaan’ accepteren, gewoon zoals het er staat, dan verschuift het woordaccent en komt de klemtoon te liggen op ‘on’, net als bij ‘onzin’, ‘onbegrip’, ‘onrechtvaardig’ en zo. Maar daarmee raakt het metrum van slag. Wacht even… ‘van slag’, past dat niet uitstekend bij ‘hakken’? Jawel, bij een eigenaardigheid in de vorm van een gedicht moet de lezer alert zijn op een corresponderend element in  de betekenis. ‘Iconiciteit’ heet dat: ‘Pietje kan niet spellen, alles schrijft hij faudt’, dat idee. Dus hier hebben we misschien zo’n geval van iconiciteit: waar gehakt wordt, valt het metrum om.

    Grappig trouwens dat er geen werkwoorden zijn met het voorvoegsel ‘on-’, alleen andere woordsoorten. Het wordt bij werkwoorden meteen ‘ont-’. Nooit beseft. Maar let op, dat betekent in veel gevallen iets totaal anders dan het ‘on-’  in woorden als ‘onzin’. Denk maar aan ‘ontwaken’, ‘ontspringen’, ‘ontvangen’. Daarin betekent ‘ont-’ zoiets als ‘beginnen met’, net als in ‘ontstaan’ dus. Natuurlijk bestaan er zat werkwoorden waarin het wél hetzelfde betekent als ‘on-’, bij voorbeeld ‘ontdekken’, ‘ontvouwen’, ‘ontmannen’. Daarin is sprake van het opheffen van de betekenis van het hoofdwoord dat op het voorvoegsel volgt: ‘onbegrip’ is juist geen begrip en ‘ontdekken’ is ‘blootleggen’. Moeten we ‘onstaan’, zonder T, dan maar opvatten als het tegenovergestelde van ‘ontstaan’? ‘Beginnen met’ tegenover ‘teniet doen’?

    Hee, ‘ontstaan’ wordt door menigeen uitgesproken als ‘onstaan’, zonder de eerste T, let er maar eens op. Zo’n opeenstapeling van medeklinkers als NTST, dat bekt nu eenmaal niet lekker. Heel goed mogelijk dat Van Geel dat is opgevallen en dat hij geboeid werd door het verschijnsel dat je bij het uitspreken van dit woord eigenlijk het tegenovergestelde zegt. Twee voor de prijs van één als het ware: begin en einde, geboorte en dood, samen in één woord. Zoals je ‘vernielen’ kunt verstaan terwijl iemand ‘vernieuwen’ zegt. Misschien hebben we hier de kiemcel van het gedicht te pakken, de zandkorrel in de oester waaromheen de parel zich heeft gevormd.

    Wat ook denkbaar is: ‘onstaan’ is zijn leven begónnen als drukfout en daarna door Van Geel als zinvolle variant geaccepteerd. Over zulk dichterlijk opportunisme heeft Cees Buddingh’ het gedicht ‘Zo zijn ze wel’ geschreven:

    Auden schreef in ‘Journey to Iceland’:
    “and the poets have names for the sea”

    Het ging naar de drukker, die ervan maakte:
    “and the ports have names for the sea”

    Zo staat het nu in alle boekjes:

    dichters zijn dankbare mensen

    Verder. Wat heeft het spreken van ‘ik’ te maken met de rest van het gedicht? En wat betekent ‘Ik spreek vanuit een donker bos’ eigenlijk?

    Let op, die eerste zin is ambigu. Je kunt hem opvatten als een incidentele mededeling: ‘Luisteraar, ik bevind me in een bos en daar vandaan richt ik nu het woord tot u om u te vertellen dat …’. Een beetje zoals een verslaggever dat zou doen. Je kunt de zinsnede echter ook in algemene zin opvatten: ‘Altijd als ik spreek komen mijn woorden uit dat bos waar ik me in bevind…’.

    In de eerste interpretatie van regel 1 heeft de inhoud van het gedicht betrekking op het bos en wat daar volgens de spreker aan de hand is, en in de tweede lezing heeft de inhoud betrekking op het spreken. Die tweede lezing wordt nog versterkt doordat het hele gedicht één enkele volzin is. Syntactisch zit hij eenvoudig in elkaar: onderwerp – gezegde – bepaling. De bepaling begint bij ‘vanuit’ en bevat op zijn beurt weer verschillende beknopte zinnen die iets vertellen over het bos. Even kijken: óf de bepaling slaat op het onderwerp, dus op ‘ik’, dat is dus de spreker, óf hij gaat over het gezegde: het spreken.

    Gek beeld eigenlijk: ‘spreken vanuit een bos’. Staat daar iemand met een megafoon? We kennen natuurlijk uitdrukkingen als ‘Ik spreek vanuit de veronderstelling dat…’ en ‘hij sprak ons moed in vanuit de verwachting dat…’.

    In dit soort formuleringen betekent ‘spreken vanuit’ zoiets als ‘spreken op grond van dit of dat uitgangspunt’, spreken dus waarin wordt voortgebouwd op een premisse. Er is als het ware een fundament gelegd waarop, retorisch of logisch, wordt voortgebouwd. Nog ruimer geformuleerd: er is een bodem en er is iets wat daaruit voortkomt.

    Geeft de dichter ons hier een beeld van zijn innerlijk? Gaat het om de voedingsbodem van het dichterschap? Het poëtische magma, waarin van alles ontstaat en weer onstaat, de brandstof van het dichterlijke vuur, waarvan de vlammen oplaaien naar het bewustzijn. Van Geel gaat aan de slag, hij warmt zich aan het vuur, hij neigt zijn oor naar vreemde stemmen en noteert elke variant die bij hem opkomt. De dichterziel als composthoop; het dichterschap als dienstbaarheid; dichten als ambacht. Denk aan de etymologie van ‘poëet’ (maker) en ‘troubadour’ (vinder).

    Hoe kunnen we het gedicht parafraseren? Misschien zo: ‘Mijn poëzie ontspruit aan een mij onbekende bron, waar ik mij aan moet overgeven.’ Hm, ik zou er mijn hand niet voor in het vuur durven steken. Een andere lezing zou kunnen luiden: ‘De dichter is spreekbuis voor een stem die niet de zijne is.’

    We weten nog steeds niet of ‘onstaan’ een drukfout is. Maar mocht dat zo zijn, dan is het een fout die vrucht draagt, want hij zet de lezer aan het denken en voegt mogelijk een betekenis toe aan de mogelijke interpretaties. Iets gaat kapot en draagt vrucht – ook dat is misschien het onderwerp van dit gedicht. In de woorden van Leonard Cohen: ‘There is a crack in everything, that’s how the light gets in.’

     

     

  • Kunst aan de keukentafel

    Vorige week zondagochtend liep ik met mijn 9-jarige dochter het Rijksmuseum in om de tentoonstelling van Hercules Segers (1589/1590-1633/1640) te gaan bekijken. Bleek het net te zijn afgelopen! Ach, er is nog genoeg te zien, zei mijn dochter. En dat is ook zo. Toch moest ik even mijn teleurstelling verbijten, om daarna hand in hand met dochterlief naar de Nachtwacht door te lopen. ‘Die wil ik nog een keer zien hoor, pap.’ En de andere Rembrandts en Van Goghs. Snel voordat de Chinezen komen, zeiden we tegen elkaar. Ik had me wel erg op Segers verheugd, al een paar maanden eigenlijk. Tja, dan had ik dus eerder moeten gaan. Gebeurt wel vaker helaas. Om het passieve enthousiasme om te zetten in een actie, ergens daar tussenin strand ik vaak.

    Zo liep ik ook de expositie van Jan  Weissenbruch (1822-1880) in het Teylers Museum te Haarlem mis. Kwam ik achter toen een collega vertelde dat ze nog net de laatste dag ervan hadden kunnen meepikken. En ze hadden ook nog het laatste gebonden exemplaar van de tentoonstellingscatalogus kunnen aanschaffen aldaar. Wat fijn is het dan om als antiquaar dan een paar dagen later alsnog de catalogus met schilderijen en aquarellen van deze Vermeer van de 19de eeuw tijdens een inkoop aan te treffen. Wel in paperback, maar toch, fijn. En, jeuh, in de stapels boeken ook een catalogus van Het Rembrandthuis over Hercules Segers, de schepper van de minimale landschappen en zijn invloed op andere kunstenaars. Het boek staat vol kunstwerken die geënt zijn op de vroege meester en zelfs met regelrechte verwijzingen  naar de beroemde rotslandschappen, de hangende bomen met sliertige takken die de etsen en schilderijen bevolken. In de kunst van Segers zijn weinig mensen te bekennen. Alsof Segers op een andere planeet dan de onze vertoefde.

    Ook Rembrandt was een vroege fan van Segers’ monochrome werk. Hij kocht een aantal werken van Segers, die ook nog een IMG_0585vriend werd. Ik moest denken aan de prachtige, weemoedige novelle over het leven van Segers: De bergreis van Theun de Vries (Querido, 1998). Waar je bij Weissenbruch baadt in het licht van een mooie zomerse dag vol menselijke activiteit aan de rivierbedding, zo word je bij Segers een vaal, vuil, leeg berglandschap in gezogen. Twee kunstenaars, twee gemoedstoestanden. Prettig om tussen die twee heen en weer te pendelen met een paar bewegingen van handen en ogen, zittend aan de keukentafel thuis, met een op zijn huiswerk zwoegende zoon naast me. Dat is weer het mooie aan boeken: de wereld gevangen tussen twee kaften. Er staat nog een expositie op de verlanglijst: Tinguely in het Stedelijk Museum Amsterdam. Daar ga ik zeker naar toe!