• Vrijheid

    er waren eens twee meisjes,
    die heetten fien en pien.
    maar waaraan kon je nu toch zien,
    wie pien was en wie fien?
    (Dick Bruna)

    Er belandt een nieuw boek in mijn brievenbus om te recenseren voor Literair Nederland. Het is altijd een verrassing wat er in de envelop zit. Dit keer is het Vrije radicalen van Carolina Trujillo, een roman. Tamelijk aan het begin blijven mijn ogen hangen op de zin ‘Bloedverwanten en musici, weet je … de een wist al wat de ander ging doen voor die het had bedacht.’
    Soms zijn ze het in één: bloedverwant én musicus. Zoals de pianospelende zussen Labèque en broers Jussen, Sister Sledge (‘We are the family’) en ga zo maar door. Soms lijken de uitkomsten van bloedverwanten echter helemaal niet op elkaar, zoals bij de de componistenfamilies Andriessen en Bach.

    Gelukkig worden de Jussens al enige tijd niet meer ‘de broertjes …’ genoemd. In de nieuwe seizoenprogramma’s van de concerten in 2017-’18 die zo’n beetje tegelijkertijd met de roman Vrije radicalen van Trujillo in mijn brievenbus rolden, heten ze bijvoorbeeld terecht ‘Broers en toppiansten’ (Het Zondagochtenconcert). En ze zijn ook afzonderlijk te horen, zoals Lucas die een ‘jong pianogrootmeester’ wordt genoemd (Nederlands Philharmonisch Orkest). Het snoezige is eraf.

    Waarom het lijkt te draaien, wanneer bloedverwanten samen en apart  optreden, komt prachtig tot uitdrukking in een andere, wat oudere roman: De pianostemmer van de Zwitserse schrijver Pascal Mercier, vooral bekend door het boek (en de film) Nachttrein naar Lissabon.  De pianostemmer gaat over de tweeling Patrice en Patricia – van een pianostemmer – die zoekt naar harmonie.
    Aan de ene kant wil de tweeling zich ontdoen van een incestueus verleden, door hun relaas in schoolschriftjes op te schrijven en daarna met elkaar te delen. Aan de andere kant beseffen zij dat juist door dit te doen, hun onderlinge band sterker zal worden. De vraag die opdoemt, is wat dan wel de vrijheid, waarnaar ze verlangen, zal opleveren.

    Allerlei oplossingen passeren de revue: zou zwijgen niet beter zijn? Het antwoord staat tussen haakjes (niet voor niets, want het is nog maar de vraag of dit ‘de’ oplossing is): blikken zijn veelzeggender dan woorden. Verderop in het boek, wanneer het thema zwijgen wordt hernomen, staat: ‘Je kunt elkaar al zwijgend tot zo dicht naderen dat je gedachten en gevoelens die van de ander tenslotte raken. Er zit dan niets meer tussen.’
    Het is de kleine, woordarme Paco die Patrice leert dat je eerbied moet hebben voor hetgeen je niet kent en zelf ervaart. Patrice overschrijdt in dat opzicht een grens, wanneer hij zegt dat hij de regen op de hand van zijn tweelingzus kan voelen, terwijl hij met zijn hand de druppels op zijn eigen arm aanraakt.
    Dan valt er tot sneeuw geworden regen, die blijft liggen. Daarin ligt het antwoord van Mercier: aanvaard wat is dat is, door het te laten gebeuren zonder het per se te willen delen. Met de sneeuw daalt een stilte neer van vóór het ontstaan van de taal en de klanken die de pianostemmer aan zijn instrumenten ontlokt. Er ontstaat afstand en er is de mogelijkheid tot ontsnappen. Is dat uiteindelijk niet het bevrijdende gevoel waar Patrice en Patricia naar op zoek waren?

     

     

  • Andere tijden

    Eigenlijk zou ik me met de boekenweek moeten bezig houden. Als tweedehands boekhandelaar, maar ook als boekenkoper en lezer laat ik me er evenwel nooit mee in. Voor een boekenweekgeschenk die bij honderdduizenden tegelijk wordt gedrukt, ga ik niet speciaal naar de boekhandel toe. Aankomende zomer zal het boekje van Herman Koch wel in een partijtje boeken zitten bij een inkoop van boeken. Het boekenweekgeschenk van Joost Zwagerman uit 2010 is een van de weinige die ik heb gelezen, omdat het over een museumdirecteur en kunstroof ging. Dat boeit me. Over het algemeen vind ik de thema’s die aan de boekenweek verbonden wordt niet bijster interessant. Andere tijden begint me steeds meer en steeds weer opnieuw te boeien. Langzaam glijd ik de negentiende eeuw in de afgelopen dagen. Mijn interesse voor die eeuw is al langer aanwezig.

    De schilderijen van Willem Witsen of Van Gogh, de schotschriften van Friedrich Nietzsche, de dagboeken van Vincent van Gogh en ook die van een schrijvende en schilderende voorganger, Gerard Bilders, deden me vaker terugvallen naar 1885 of 1860. Geregeld grijpt de ijzeren eeuw me bij mijn kladden. Vooral de tweede helft heeft me vaak in zijn industrialiserende greep. Maar de eerste helft juist weer door de stroming die in de literatuur en de kunsten de ‘Romantiek’ wordt genoemd. En die we vooral in de ons omringende landen hebben zien gebeuren met de nadruk op het individuele, het verhevene van concepten als nationalisme en de overweldigende ervaring van de nietige mens temidden van de bulderende krachten van de natuur. En juist die combinatie van natuurbeleving, de mechanische en wetenschappelijke versnelling van die eeuw, boeien me. Auke van der Woud heeft dat voor Nederland mooi beschreven in Het lege land, over de ruimtelijke orde in de eerste helft van de 19de eeuw in ons nog drassige landje.

    Je hoeft niet nostalgisch en met je rug naar de huidige tijd te staan om historisch geïnteresseerd te zijn. Dat gaat juist prettig samen. De actualiteit kan wat minder indringend of verwarrend worden ervaren als je met enig historisch besef het heden beleeft en vervolgens beziet. Voor hoeveel mensen in de 19de eeuw zou hun wereld er een van verandering en onzekerheid zijn geweest? Je zou denken voor veel, maar leefden de mensen toen niet in bijna permanent onzekere tijden, met oorlogen, ziekten en schaarste? In de huidige tijd denken we alles te kunnen beheersen. Van financiën tot en met migratiestromen, planologie en persoonlijkheidstrainingen; we komen er achter dat de wereld juist daardoor nog minder beheersbaar is dan we zouden willen, we willen steeds meer grip hebben. De idee van de veiligheidsutopie belooft ons een zekere mate van zekerheid en maakt ons tegelijk bang voor wat nog gaat komen. Misschien zijn we zelfs wel banger dan de mensen uit de 19de eeuw. Ik probeer me niet over te geven aan een schimmig soort vrees voor de  toekomst door de krant te lezen, nieuws te volgen door al lezend stappen te zetten in een boeiend, onbekend verleden dat ons weerbarstige bestaan van nu relativeert.

     

     

     

  • Een stem krijgen

    Het kon niet uitblijven of de stroom vluchtelingen van 2015 en 2016 moest de literaire kunsten binnenkomen. Al in 2015 verschenen diverse theaterstukken over het thema. Net uit is de roman De dood van Murat Idrissi van Tommy Wieringa. Vorige week zag ik Wende Snijders in haar overdonderende voorstelling Mens het aangrijpende lied De wereld beweegt zingen met de regels: ‘Er vallen mensen uit de hemel / Zet de vangnetten uit / Er vallen mensen in het water / Zet de vangnetten uit (…) Haal die mensen uit het water / Leg je blote handen open / Laat ze niet liggen en verdommen’. En in april gaat de Annie M.G. Schmidtprijs misschien wel naar Kiki Schippers. Ze zong afgelopen jaar in de theaters Er spoelen mensen aan, met de confronterende regels ‘duw ze terug in het water / duw ze terug in de zee / duw ze terug in de golven / want wij zijn de vrijheid voorbij.’

    Het zijn allemaal voorbeelden van kunstenaars die niet onbewogen kunnen blijven bij wat ze zien. Maar de vluchtelingen zelf krijgen ook een stem. Sinds begin dit jaar is Amal Karam, in 1996 gevlucht naar Nederland, stadsdichter van Nijmegen. Rodaan al Galidi, in 1998 in Nederland aangekomen na een lange vlucht uit Iran, is met liefst vier gedichten vertegenwoordigd in zijn bloemlezing van de Nederlandse poëzie van de 20ste en 21ste eeuw van Ilja Leonard Pfeijffer. Bovendien is hij opgenomen in Dichters van het nieuwe millenium van Jeroen Dera c.s.

    Ik lees niet veelvuldig poëzie, maar sinds een paar maanden steek ik af en toe een klein handzaam boekje bij me van Daan Bronkhorst. Hij publiceerde voor Amnesty International over mensenrechten en China, maar bezorgde ook een paar thematische anthologieën van werk van dichters over de hele wereld. Het nieuwste boekje heet Hoop met als thema ‘grenzen’. Daarin veel mooie regels van vluchtelingen. Het kan in de binnenzak van een colbertje en ik heb het soms bij me als ik de kans loop ergens te moeten wachten, bij de kapper, op het station, bij de dokter.

    Ik lees er willekeurig in. Het gedicht Vluchtelingen van de Bulgaarse Kapka Kassabova begint zo:

    Kijk: de armoede van regen
    dat we hem opvangen in een vingerhoedje van geduld
    en uitgieten in de modder

    en eindigt met:

    Kijk: dit is de wereld die we hebben
    te arm om je te verbergen,
    te donker om te begaan, te alleen om te vergeten

     

     

     

  • Steeds meer worden

    ‘O, ik vind dit zo jammer.’ De verloskundige zucht.
    Met zijn drieën – man, ik, verloskundige – kijken we naar het scherm. Daar is mijn baarmoeder te zien, compleet met vruchtzak. Maar waar een foetus zou moeten zitten, ongeveer ter grootte van een kers, is het zwart. Alleen in een hoekje zit iets kleins, misschien een rijstkorrel. Tien weken zwanger maakt plaats voor een vruchtje dat weken eerder gestopt is met groeien, het moet er alleen nog uit. Een missed abortion, heet zoiets. Dat klinkt als een landmachtoperatie.
    De foto van de echo neem ik mee naar huis en stop ik in een lade. Soms kijk ik ernaar, de helderheid van het beeld stelt me gerust: het is echt gestopt, hier, zie maar. Een paar dagen later krijg ik pillen om de miskraam op te roepen.

    De cijfers over miskramen variëren van kansen van een op vijf tot 10% in het eerste trimester. Feit is dat het heel vaak voorkomt en niet iedere vrouw merkt dat ze er een heeft – soms menstrueert ze zonder dat ze weet dat zij zwanger is. Of was, dus.
    Man en ik wisten het wel, van die zwangerschap. Mijn groeiende borsten, de honger (puddingbroodjes!), de misselijkheid – alles was aanwezig. Kraakhelder waren de streepjes op de tests. Ook nu we weten dat het niet goed zit, blijken die symptomen gewoon door te gaan. Mijn lichaam, dat me zo trots maakte door zwanger te zijn, is een onbetrouwbare verteller.
    Thuis doen de pillen hun werk. De miskraam doet zeer, zoals voorspeld, en duurt ook lang.

    Willem Jan Otten schreef in zijn essay De schok van herkenning over de film Broken Flowers, waarin het personage van Bill Murray te horen krijgt dat hij een zoon heeft. Murray begint een zoektocht, maar er wordt niemand gevonden. Waar het Otten om gaat, is dat het personage van Murray ‘steeds meer een vader is geworden’. Daar denk ik veel aan.
    In de afgelopen weken ben ik steeds meer een moeder geworden, mijn man (opnieuw) een vader en mijn ouders opa en oma – een ontwikkeling die ik bijna literair zou noemen. Wat gebeurt daarmee op het moment dat het misgaat?

    Een jaar geleden publiceerde dichteres Maartje Smits over haar miskraam op Hard//hoofd. Prachtig schrijft ze over het lege gevoel dat achterblijft na de miskraam, hoe dat lege gevoel voor haar genoeg zei. Voor mij zei bloed genoeg. Nu voelt mijn lijf leeg, maar stroomt mijn hoofd over.
    Een kind verliezen doe ik niet, wel een verwachting. Dat is groots. Hoe sterk onze kinderwens is, blijkt nu man en ik daar langer op moeten wachten. Ondanks de teleurstelling heeft dat iets moois. Ik koester het gevoel dat ik steeds meer een moeder ben, hij weer een vader, mijn ouders opa en oma. Het komt wel.

    ‘Er bestaat een verlangen dat je kunt wiegen,’ staat er aan het einde van Toni Morrisons meesterlijke roman Beminde. Dat is zo. In mijn armen wieg ik het verlangen tot het plaatsmaakt voor een baby.

     

     

     

  • Broodje kroket

    ’s Morgens fiets ik naar de dichtstbijzijnde stad voor een kop koffie. Met slecht weer ga ik niet. Ik kan de trein nemen, maar er naartoe fietsen vergroot het genot van het moment dat ik de koffie in mijn mond proef.

    De buurman neemt geregeld de trein naar de dichtstbijzijnde stad voor een broodje kroket bij de snackbar op het station. De keren dat ik de trein nam, zag ik hem daar. Hij wendt zich altijd af van de mensen die zich in het station heen en weer begeven, zijn hoofd voorover buigend naar zijn voor de borst gehouden hand  (alsof hij iets te verbergen heeft) waarin een broodje kroket, en daar neemt hij dan een grote hap van. Flink kauwend heft hij zijn rode hoofd op en kijkt genotvol om zich heen. Daarbij loopt hij met grote rustige stappen rondjes voor de ruimte van de snackbar. Alsof het een voorwaarde is om een broodje kroket te kunnen eten; drie grote stappen in het rond om een hap van het broodje weg te werken. Ik wist dat zijn vrouw zich zorgen maakt over zijn huidproblemen en ik beloofde mezelf dat ik tegenover haar nooit iets zou loslaten over zijn snackbar bezoek.

    Vanmorgen pakte ik mijn fiets uit de voortuin om naar de stad te fietsen toen de buurman voorbij kwam op weg naar het station. Hij vond het maar niks, groette hij mij. Dat ik in mijn vorige column had geschreven dat ik vrouwen met een hoofddoek mooi vind. Hij zei dat vrouwen met een hoofddoek de kloof in onze samenleving groter maken. Ik vroeg, welke kloof. Hij zei, die van de angst en het niet begrijpen. Ik zag een gapende geul vol onbegrip en kolkende vrees tussen de voeten van mij en de buurman ontstaan, een verstikkende modderstroom. Gelukkig stond de heuphoge heg in de voortuin tussen ons in.

    Hij zei dat zijn vrouw vanmorgen vertrokken was. Hij vroeg wat ik daar van vond. Ze had een koffer meegenomen, de poes eten gegeven en was de deur uitgegaan. Hij zei dat het door zijn huid kwam, waarvan roodgloeiende warmte afstraalde terwijl hij me met zijn kleine oogjes aankeek. Ik zei dat het me speet en ik wilde hem te eten vragen nu zijn vrouw weg was maar deed het niet. Ik reed mijn fiets de voortuin uit, rakelings langs zijn pantalon waaronder ik de vuurrode huid van zijn benen vermoedde. Hij zei, of ik wel wist dat vrouwen met hoofddoeken onderdrukt werden. Ik zei, dat vrouwen met een hoofddoek zelf moeten weten wanneer ze er tegen willen opstaan. Ik zei dat er vrouwen zijn die er voor kiezen een hoofddoek te dragen, en dat we niet vooruit kunnen lopen op de keuze van een ander.

     

     

  • Levensfase

    Gisteravond rond acht uur reed ik vanuit de periferie Amsterdam binnen. Het regende ongenadig hard. Op de grachten was het donkerder dan op een normale, droge, stadse avond. Bijna niemand waagde zich op straat. Behalve een paar doorweekte toeristen en ik. Ergens op de Herengracht had ik afgesproken om naar kunstboeken te komen kijken. De dame in kwestie runde ooit een galerie aan huis met grafiek van, toen, hedendaagse kunstenaars. Het grachtenpand was een aaneenschakeling van ruimtes en via trappen en gangetjes kwamen we ergens achterin bij de kamer met boeken. Aan de wanden en overal waar ik keek, zag ik kunst.

    Niemand wil meer de stad in komen door onder andere het hoge parkeertarief, zei de oud-galeriehoudster. En daardoor verdween haar clientèle uit zicht. Ik vermoedde dat het internet als marktplaats en handelsplek haar klanten ook deels zullen hebben weggehouden. Maar ook, zo vertelde ze, verkochten de kunstenaars hun kunst nu allemaal vanuit hun eigen atelier direct aan de klant. En daarmee verdween nog een bestaansreden van de galerie. ‘De galerie is ten dode opgeschreven.’ Ik moest denken aan Paul Andriesse, van de gelijknamige galerie, die nog geregeld voor mijn boekenkasten staat. Hij is de helft van zijn tijd op kunstbeurzen te vinden: Tefaf, Art Basel, Paris Photo en laatst nog in Los Angeles. Daar lopen nu de kunstliefhebbers met de goed gevulde portemonnees, uit Dubai, Rusland en China.

    Ik realiseerde me dat het waarschijnlijk ook met een levensfase te maken heeft. Als je in de zeventig bent, dan pak je niet meer zo snel een nieuwe trend op die je mogelijk wel weer klanten en dus omzet kunnen geven. Toen ze in de dertig waren, deden ze wel een slimme zet. In de jaren zeventig was Amsterdam een stad vol krotterige panden en armoedige wijken, zoals de Jordaan.  ‘Iedereen ging de stad uit, niemand wilde hier wonen, maar wij kochten toen dit grachtenpand en hebben er heerlijk 40 jaar gewoond. We hebben het ongelooflijk zien veranderen. Vroeger zaten hier gewoon de groenteman en de slager in de tussenstraatjes. Nu alleen nog maar kledingwinkels. En we  willen wel kleiner wonen hoor.’ Maar het pand verkopen blijkt moeilijker dan gedacht. Iedereen wil een gevel met drie ramen, zegt ze. Dat heeft meer allure, meer status. ‘Dat betekent dus dat er een ander soort grachtengordeldier aan het ontstaan is?’ vroeg ik. ‘Dat klopt. Minder kunstgericht, meer business, grote bedrijven.’

    Intussen nam ik een paar goede kunstboeken mee, van de beeldhouwer Brancusi, de schilders Hockney en De Kooning, van Shinkichi Tajiri en nog een paar. Ook kocht ik nog wat boeken over Amsterdamse architectuur en nam afscheid. In de regen reed ik terug en dacht: de mensen, zij gaan, maar de kunst die blijft (vita brevis, ars longa).

     

     

  • Lente

    ‘Een nieuwe lente en een nieuw geluid’ dichtte Herman Gorter eind negentiende eeuw. Met als belangrijkste ambitie de schoonheid van de Nederlandse natuur en het leven te verheerlijken, in een mythisch gedicht vol elfen, saters en goden. Wat hij niet alleen meeslepend maar ook vernieuwend deed door zijn epos niet op te hangen aan een stoere mannelijke oorlogsheld, maar aan het gevoelige meisje Mei, dochter van de zon en de maan.
    Zo’n slordige vier eeuwen eerder had Sandro Botticelli de schoonheid van de natuur en het leven al net zo mythisch en vernieuwend bezongen door La Primavera te schilderen, waarop hij voor het eerst sinds eeuwen de klassieke goden op groot formaat een podium bood. Dat had men sinds de Romeinen niet meer gezien! Wie dat tot zich door laat dringen beseft dat Botticelli’s schilderij bij zijn tijdgenoten vreemd moet zijn overgekomen. Want wie waren die wonderschone dames, die grijpgrage hulk, die wat afwezige edelman en dat schietgrage engeltje in godsnaam?

    LN20170319 Botticelli-primaveraHet is een vraag die kunsthistorici al zo’n vijf eeuwen lang zonder definitieve overeenstemming van de straat houdt. Al lijkt de hoofdlijn wel duidelijk te zijn: Helemaal rechts vergrijpt de god van de wind Zephyros zich aan de nimf Chloris. Door de angst die Chloris daardoor bekruipt komen er bloemen uit haar mond en verandert ze in Flora, de godin van de lente en de bloemen, die Botticelli in een prachtige bloemrijke robe voor haar uit laat schrijden. En dat alles speelt zich af onder het goedkeurend oog van die godin der godinnen, Venus. Die overigens niet voor niets in een boomgaard vol sinaasappelen staat, het symbool van de Medici. Het schilderij was immers naar alle waarschijnlijkheid een huwelijksgeschenk voor één van die Medici. Ter viering van het leven, de liefde, het geluk en ter meerdere eer en glorie van het toekomstige nageslacht van deze roemrijke bankiersfamilie. Al met al een magistrale aankondiging van een nieuwe tijd, door klassieke goden weer eens op een groot podium te laten schitteren.

    Dat het een gegarandeerde succesformule is, wist Donna Tartt vijf eeuwen later ook toen zij net als Botticelli de klassieken op het podium hees om haar eigen lente in te luiden. Een lente die één van de meest succesvolle debuutromans aller tijden voortbracht, The secret history, die begint met een moord maar desalniettemin net als Gorter’s Mei en Botticelli’s La Primavera vooral een viering van schoonheid is. Waarbij dood en schoonheid in elkaars verlengde blijken te liggen. Want “beauty is terror”, schrijft Tartt. “Whatever we call beautiful, we quiver before it.” Maar daarover niet getreurd. Want als schoonheid door angst gegrepen wordt komt er alleen maar meer schoonheid uit voort. Dat leren we immers van La Primavera, waar Chloris – als Zephyr haar grijpt – verandert in de godin van de lente en zo een nieuw begin inluidt. Zoals in de natuur de dood uiteindelijk altijd een nieuw begin inluidt. “Een nieuwe lente en een nieuw geluid”.

     

     

  • Echtheid

    Ik vind het mooi hoor, vrouwen en hoofddoeken. Een vrouw met een hoofddoek heeft iets zorgvuldigs. Al kan het ook wat onbenaderbaars hebben, maar dat is niet erg. We mogen elkaar best  wat minder benaderen; afstand neigt tot respect. En knoopten onze moeders niet ooit ook een hoofddoek om hun hoofden alvorens zij de deur uitgingen? Er wordt gezegd dat het niet betrouwbaar is een hoofddoek. Dat daarmee iets wordt uitgedragen waar anderen zich door afgewezen, bedreigd kunnen voelen. Tijdens het uitvoeren van een functie kun je dus beter geen hoofddoek dragen. Of dat ook echt zo is moet misschien eens geturfd worden om zodoende de werkelijkheid aan vermoedens te kunnen staven.

    Er was ook een tijd van wandelstokken, waar de mannen mee naar buiten gingen op zondag. En vrouwen dan die hoofddoek, of een hoedje. Het stond ergens voor, je wist waar iemand vandaan kwam al had religie er niet altijd mee te maken.

    Deze week spraken Mijn Lief en ik weer eens af (mijn idee) om een week geen wijn te drinken. We zouden onze relatie ermee oppoetsen (dacht ik). We houden er wat geld aan over (zei ik). En dat we dan niet meer elke avond onderuitgezakt op de bank zouden eindigen en na afloop van een of andere serie – waarvan we steeds net een aflevering teveel kijken – verveeld naar bed gaan (hoopte ik). De derde avond van de week moest ik weg. Toen ik thuis kwam stond er een fles aangebroken wijn in de keuken. Ik zei: ‘Hee, heb je gedronken?’ en vond dat waardeloos van hem.  Hij had er zin in gehad, zei ie. En ik zei. ‘Ja maar.’ En we hadden woorden met elkaar, Mijn Lief en ik.

    Later bedacht ik dat een verbod niet werkt. Dat de keuze, iets te doen of te laten uit jezelf moet komen. Dat alles wat wordt opgelegd niet echt is en geen waarde heeft. Nou ja, ik vond het knap vervelend maar begreep Mijn Lief (maar zei niets).

    Ik dacht; als het nu verboden wordt lipstick te dragen omdat zekere lieden daar onzeker van kunnen worden. Dat rode lippen agressief overkomen, te zelfverzekerd. Dat er een verbod komt tijdens het werk lippenstift  te dragen. Wat zou ik doen? Ik zou aan mijn lippen gaan pulken, velletjes lostrekken, op mijn lippen gaan bijten. Ik zou het erop aan laten komen maar uiteindelijk zou ik mij niets laten verbieden.

    Deze week stonden er twee prachtige interviews van Jeroen Brouwers – naar aanleiding van de verschijning van De laatste deur –  in Trouw en Volkskrant. Een schrijver waarvoor schrijven, schrijven met de hand betekent. Na enkele herseninfarcten die zijn schrijfhand verlamde, ging hij door. Hij liet zich niets verbieden. Hij bleef oefenen en schreef Het hout. Met een luchtpijpprothese in zijn hals rookt hij er lustig op los en twijfelt niet over de kwaliteit en juistheid van zijn werk. Eigenzinnig moet je willen zijn. En na een gesprek over zelfmoord zeggen: ‘Maak je het niet te zwaar (…)?’

     

     

  • De charme van Misha Mengelberg

    Een keer presteerde ik het om bij een concert door het orkest van de Muziekschool in Amsterdam tegelijk met de dirigent op te komen: hij door de deur rechts, ik door de deur links. De dirigent, Kees de Wijs, en ik werden er koud noch warm van, maar mijn vader was kwaad. Achteraf verkeerde ik in goed gezelschap: de op 3 maart jl. overleden jazzpianist en componist Misha Mengelberg had er een handelsmerk van gemaakt. Door de verkeerde deur opkomen terwijl zijn orkest of band al zat. En dan liefst ook nog met een rammelend kopje koffie. Het behoorde tot zijn charme.

    Maar wat er dan óp dat podium gebeurde …. De laatste keer dat ik de pianist live hoorde – in oktober 2011 bij de boekpresentatie van Het Idee ICP in de Openbare Bibliotheek van Arnhem – had Mengelberg al Alzheimer. Hij liep rusteloos heen-en-weer van en naar zijn piano. Tijdens de uitvoering aaide hij wat over de toetsen, sloeg af en toe een akkoord aan. Toen gebeurde het: in een rustmoment van de andere musici speelde hij één toon, ergens in het middenregister van de piano.  Je zou het ‘de’ toon kunnen noemen, die ene toon uit dat hele spectrum aan tonen dat de piano kent. Op het juiste moment gespeeld. ‘Ping’. Niet meer en niet minder. Adembenemend en onvergetelijk was het. Alsof hij alle andere tonen was vergeten. De cirkel was rond, want in 1961 won hij, nog tijdens zijn studie, de Gaudeamusprijs voor zijn Musica per 17 strumenti, een compositie waarin elke speler één noot krijgt toebedeeld.

    Het doet denken aan dat ene lied dat de hoofdpersoon, Rosalie Van Beveren, uit het schitterende verhaal Onze-Lieve Vrouwen (uit Print is dead) van de hand van de Vlaamse schrijver en wetenschapper Sarah De Mul telkens zingt, ‘toujours.’ Altijd maar weer hetzelfde lied: ‘Liefde gaf U duizend namen’.
    Een Marialied waarin de dochter van de hoofdpersoon, Maaike, Maria wil aanroepen, maar dat niet (meer) kan. Ze wilde als haar moeder zijn, die nog maar één lied kon zingen, de hele dag door. Of misschien zoals Misha Mengelberg die éne toon o zo raak speelde. Met dit verschil dat die toon niet tot in den treure werd herhaald.

    Toen ik met iemand sprak over Misha Mengelberg en mijn ervaring in Arnhem, reageerde ze wat lacherig: o ja, die controversiële man. Dat had ze althans uit een In memoriam in de Volkskrant opgemaakt. En die ene toon deed haar denken aan wat ze ooit over het Nederlands Kamerkoor had gehoord. Het koor moest, in avondkleding, alleen maar opstaan en ‘Poeh poeh’ zeggen. Om te gillen. Onbewust sloeg ze de spijker op z’n kop, het kwam dicht in de buurt van dada- en Fluxuskunstenaar Misha Mengelberg.

    Ik kan het mis hebben, maar die ene toon kwam naar mijn idee nóg dichter bij Mengelberg in de buurt dan alle omschrijvingen van zijn kunstenaarschap bij elkaar. Een landelijk dagblad had eens een rubriek over die ene toon die bekende Nederlanders had geraakt. De ene toon van Mengelberg had zeker een plaatsje in die rubriek verdiend. Dat eerbetoon geef ik hem nu. Postuum en ter nagedachtenis.

     

  • Dikke pillen lezen

    Met meer dan voor mij normale belangstelling heb ik de verkiezingscampagnes van de afgelopen maanden gevolgd. Zeker sinds het najaar – na Brexit en Trump – ben ik benieuwd wat de Nederlander in het stemhokje rood maakt. Het is een prachtige dag om te stemmen. Dat is het altijd op verkiezingsdag, want als je je laat leiden door het weer of je wel of niet gaat stemmen, dan kun je misschien maar beter laten uitschrijven als stemgerechtigde. Dan ben je je niet bewust welke plicht je als burger van dit land hebt om de democratie te vieren. Maar het kan ook zijn dat je je afkeert van de hedendaagse prestatiesamenleving of dat het je weinig kan schelen, omdat je stem er niet toe doet. Ik ken ook al deze varianten, heb er zeker mee geworsteld, maar uiteindelijk ben ik altijd gaan stemmen. Dat ga ik straks weer doen. Dan mag ik in een school iets verderop, gebouwd in de naoorlogse jaren in een mooi lokaal met vele en grote ramen mijn burgerplicht doen.

    Met de verhevigde aandacht voor de politiek, ontstond er de voorbije maanden een andere verhevigde gedragsuiting. Ik ging steeds vroeger naar bed. En al overdag intensiveerde het verlangen ernaar. Mijn vriendin zat alleen in de woonkamer, tv te kijken, te appen, te werken. Maar ik ging naar boven. Want ik ging, in tegenstelling tot voorheen, ineens dikke pillen lezen. De verhalen van Frans Kellendonk, Het complot tegen Amerika van Philip Roth, Pier en Oceaan van Oek de Jong. Ik vond het heerlijk om na een dag met de actualiteit te hebben geworsteld, weg te zakken in een bad van taal en de verbeelding aan de macht te laten komen. Deze week lig ik met Dina Houttuyn in bed. De tobbende hoofdfiguur uit Pier en Oceaan. Wat een schitterende, literaire evocatie van de naoorlogse jaren heeft De Jong uit zijn pen gekregen zeg. De Jong weet je de jaren en de personen die hij beschrijft zeer nabij te brengen. En dat zal de reden zijn dat ik steeds vroeger naar boven sloop. Ik voelde me, zoals Friedrich Nietzsche in een brief schrijft, ‘afgemat als een eendagsvlieg bij avond’, na het dagelijkse info-bombardement. En dan liet ik me meeslepen door Ludwig Unger naar Engeland, in Tommy Wieringa’s Caesarion of naar het Amerikaanse Newark door Philip Roth in Het Complot tegen Amerika.

    Straks op naar het stemlokaal, de zon in, naar buiten, het voorjaar tegemoet. Benieuwd of ik daarna weer de korte baan pak, het verhaal, het gedicht en het essay. U hoort van mij. En … stem wijs!

     

     

  • Emigreren of blijven

    Beiden waren naast wetenschapper literair auteur. Beiden waren Jood en publiceerden tot op hoge leeftijd. Beiden waren getekend door de oorlog en emigreerden naar een land waarvan ze het staatsburgerschap aannamen. Beiden schreven zowel in hun moedertaal als in die van hun nieuwe land. Er is ook een belangrijk verschil. De één emigreerde vrijwillig. De ander vluchtte. Voor mij zijn ze verbonden door vier woorden die dat verschil verwoorden.

    Leo Vroman (1915-2014) aanvaardde kort na de oorlog een baan als hematoloog in de VS. Hans Keilson (1919-2011) ontvluchtte in 1936 de opkomst van Hitler en vestigde zich in Nederland als psychiater. In Indian Summer dichtte Vroman over Nederland: ‘Men schrikt er van iedere lach / nabijheid verwarrend met haat. / Neen, zelfs tastend om heide en strand, / – en al sluit ik krampachtig de oren / om nog Hollandse stormen te horen – heb ik toch liever heimwee dan Holland’.

    Keilson publiceerde in 1987 in De Gids een essay over zijn eerste vijftig jaar in Nederland. De ondertitel ervan werd ook de titel van een bundeling van zijn gedachten en herinneringen die Van Gennep in 2012 uitgaf: Liever Holland dan heimwee.
    Natuurlijk dacht hij daarbij aan de uitspraak van Vroman. Hij was de eerste trouwens niet die diens dichtregels omdraaide. In 1961 verscheen Het leven is vurrukkulluk van Remco Campert. Daarin zegt Boelie op de vraag waarom hij uit Argentinië terug kwam: ‘Ik verlangde naar Holland. Liever Holland dan heimwee.’ En op 3 december 1973 schreef Frans Kellendonk uit Birmingham aan Jacques Dohmen een brief die hij afsloot met: ‘Mijn gedachten gaan uit naar U, mede-Bataven. Liever Holland dan heimwee. Hoezee!’ Maar dit zijn, met alle respect voor Campert en Kellendonk, luchtige woordspelingen die geen stempel op de Nederlandse Letteren drukken.

    Het was dan ook wat riskant van Keilson om in 1987 de wending nog eens te gebruiken. Toch schuurt hij bij hem wel. De grap van Campert en Kellendonk is totaal afwezig. Achter het gebruik door Keilson, die ook humoristisch kon zijn trouwens, zit teveel leed en deernis met het land dat hij verliet om alleen een frivool woordgrapje te lezen in zijn omkering van Vromans tekst. Hij was in staat anders te kijken naar Nederland, dat hij dankbaar was, omdat het oude land nog in zijn vezels zat. Daardoor kon hij in het stuk in De Gids de mooie zin schrijven: ‘Door de afstand kijkt men misschien met ‘vreemde’ ogen, maar door de vervreemding ziet men scherper.’
    Wat zou Keilson in de huidige jaren nog een scherp commentaar kunnen leveren op onze reacties op de komst van vluchtelingen? En, zo realiseer ik me bij herlezing van Vromans Indian Summer ineens: wat zag híj daar in de VS het Holland van nu al scherp in de regel ‘nabijheid verwarrend met haat’.

     

     

  • Het juiste moment

    Het eerste wat ik dacht toen bekend werd dat Arjen Fortuin zijn functie als literair recensent bij NRC neerlegde, was: wat knap van hem. Daarna dacht ik aan die keer dat iemand me vertelde over het lezen van de Slush Pile voor een grote uitgeverij. Mijn gesprekspartner bekende al het vertrouwen in de literatuur kwijt te raken – nee, niet alleen het vertrouwen, maar ook het plezier. De stapel werd in zijn ogen steeds groter, er kwam geen eind aan, het was alsmaar zoeken naar waarom ook dit manuscript weer net niet goed genoeg was. Hij werd er cynisch van.

    Cynisme is een stopteken, lijkt me. En dus stopte deze lezer met lezen. ‘Vrijwilligerswerk doe je voor jezelf,’ zei de dame van de intake. Dat is me altijd bijgebleven – zoals de meeste dingen die echt waar zijn je bijblijven. Vervolgens deelde ze me in op de Intensive Care, waar ik de rol van gastvrouw zou vervullen: ik had geen enkele medische kennis, ik wist alleen de weg naar de juiste units en de goede koffieautomaten.
    Ik was daar niet de enige, het ziekenhuis kende een heleboel vrijwilligers. Er waren er die zoveel mogelijk diensten draaiden, waar dan ook, geen afdeling was hen te gek. IC? Prima. Kinder-IC? Draai ik mijn hand niet voor om. Kinder-Oncologie? Geen enkel probleem. Ik werd maar nerveus van die types, hoe graag ik ook wilde geloven dat de mens liefst goed doet. Als je met het grootste gemak rondloopt op kinderoncologie, leek me dat niet gezond. Als je het aankunt, prima, maar als het je niets doet moet je wegwezen. Waarschijnlijk gaan filantropie en voyeurisme onvermijdelijk hand in hand. Is dat cynisch?

    Misschien is het moeilijk (ik moest gelijk aan Lord of the rings denken) om de beker van je lippen te trekken zodra je hebt geproefd van de macht, de invloed van je schijnbaar onmisbare betrokkenheid. Als recensent bij een van de grootste kranten van Nederland heb je invloed, als gastvrouw op een dramatische afdeling in het ziekenhuis ben je in staat mensen rustig binnen te laten komen, een uitvaartleider is degene die zorgt dat jij goed afscheid kunt nemen van je dierbare. Misschien is zo’n rol verslavend. Het andere is ook mogelijk: dat dergelijke beroepen en taken afstompen.

    Een leraar die een hekel krijgt aan zijn leerlingen? Vervroegd pensioen! Een kapper die zich ergert aan eenieder die voor een knipbeurt komt? Omscholen. Een mental coach die geen geduld meer kan opbrengen voor de zoekende zielen die zich bij hem of haar melden of een arts met minachting voor zijn patiënten? Help jezelf en vertrek.
    Ik heb begrepen dat er inmiddels uitgeverijen zijn die helemaal niet meer met de Slush Pile werken. Het duurde even, maar de manuscriptlezer leest weer voor eigen plezier. Mijn vader zit in de uitvaart. Wanneer moet hij daarmee stoppen: als het hem te veel wordt, of juist als het hem niets meer doet? Ik denk het laatste. Dat Arjen Fortuin de beker neerzet, getuigt van grote klasse.