• Bananendoos

    De reclameslogan ‘Van boeken krijg je nooit genoeg’ is bij mij altijd in vruchtbare aarde gevallen. Een leus die je geestelijk en fysiek kunt interpreteren. De honger naar nieuwe kennis en nieuwe interpretaties van de oude, bij voorkeur verpakt in bezielende literatuur, zal wel nooit overgaan. Maar de geestelijke honger stuit onvermijdelijk op capaciteitsprobleem. Het dwingt me tot strenge beslissingen, telkens als de stapels op de grond vóór de boekenkast datgene wat er keurig achter gerangschikt staat weer aan het zicht beginnen te onttrekken. Er móét het een en ander weg.

    Dat snoeiwerk is soms van een grote intimiteit. Ik weet van vrijwel alle boeken waaróm ik  ze heb, ook al las ik niet alles. Toch neem ik zelfs van literatuur die me matig kon boeien moeilijk afscheid. Deze keer stuit ik op een verrassing: een bundel gedichten in zwarte omslag met daarop de naam van de auteur, Yahya Hassan. Ik sta er wat beduusd mee in mijn handen. Ik kan me niet herinneren dat ik het heb gekocht of gekregen. Ik kan me evenmin voorstellen dat ik het ooit geleend zou hebben, want de naam Yahya Hassan zegt me volstrekt niets. En toch is er een hele vage herinnering als ik de met louter kapitalen gevulde bladzijden zie: legde ik het niet ooit meteen weg omdat dat geweld van hoofdletters me afschrikte?

    Tot mijn verbazing zie ik dat het boek zelfs gesigneerd is, al kan ik uit de weidse krabbel onmogelijk opmaken of die uit de pen van de dichter is gevloeid. Dat lijkt me bovendien kras. Want Hassan is een Deense dichter en ik heb een Nederlandse vertaling uit 2014. Hassan blijkt in Denemarken meer dan 100.000 keer over de toonbank zijn gegaan. Let wel: een dichtbundel. In een land met amper 5,5 miljoen inwoners! Yahya Hassan is de zoon van Palestijnse vluchtelingen, lees ik op de achterflap. Maar Denemarken was toch het land dat vorig jaar schermde met sluiten van zijn grenzen voor vluchtelingen en het afpakken van geld van ze? En daar lezen 100.000 mensen deze gedichten vol gruwelijkheden, geweld en verdrukking van mensen die hun land verlieten vanwege een oorlog?

    HIJ [vader] KOMT THUIS VOOR GEBED / MOEDER ZIJ KENT DE WEG / VAN HET KEUKEN NAAR HET SLAAPKAMER / HIJ DOET DE DEUR OP SLOT / EN MIJ IK WEET DAT HIJ ZAL SLAAN OF NEUKEN

    Regels uit de herinneringen van een kind. Geen wonder dat Yahya een probleemjongere werd die in een inrichting terecht kwam. Waar hij tot zijn redding de literatuur vond. Wat een mooie parallel overigens met de prachtige roman Alleen met de goden van Alex Boogers, waarin eveneens een jongen uit de goot wordt gered door de literatuur.

    Hoe heeft deze bundel aan mijn aandacht kunnen ontsnappen en verweesd in mijn kast terecht te komen? Op het moment dat hij op de nominatie stond om in één van de bananendozen te worden afgevoerd, klampte hij me nog even aan. Hij mag blijven, sterker: hij gaat nog even niet terug in de kast.

     

     

  • Ziekenhuisromans

    De afgelopen vier weken breng ik meer tijd in ziekenhuizen door dan in de afgelopen drie jaar bij elkaar. Omdat ik geen rust meer vind in vrouwenbladen draag ik iedere keer weer een teveel aan romans mee. Ik heb weinig ziekenhuisromans gelezen. Daarmee bedoel ik boeken die zich grotendeels afspelen in ziekenhuizen, die verder gaan dan observaties als ‘het ruikt naar ontsmettingsmiddel/de dood/oude mensen’, hoe langer ik erover nadenk des te minder titels ik kan bedenken.

    Wat ik fijn vind aan verhalen is dat ze me onderdompelen in een wereld die ik niet ken. Zo biedt De Uitweer van Amy Liptrot het leven en de natuur van de Schotse eilanden, ik wissel het lezen af met zoeken naar afbeeldingen van de vele vogels die in het boek voorkomen. Maar ziekenhuizen ken ik – ik ken de taal en ben er het soort patiënt dat vermoeiende dwingelanderigheid probeert (…) af te wisselen met een afwachtende houding. Als er een plek is waar ik me op mijn gemak voel – puur omdat ik er de weg weet –  dan is dat in een ziekenhuis.
    Afgesloten sociotopen zijn vruchtbare literaire grond: als de arena begrensd is, staat alles op scherp; de rollen zijn verdeeld en het drama is – zeker in het geval van ziekenhuizen, waar niemand voor zijn lol komt – steevast urgent. Eilanden zijn ook afgesloten sociotopen, zelfs als je er naar believen weg kunt. Wat is het drama in De Uitweer – onveilige jeugd, vroeg alcoholisme, gezeur? Laten we het angst noemen.

    Aan het begin van mijn tienertijd las ik twee jeugdboeken die ook, maar niet alleen, over ziekte gingen. Het een verhaalt over een meisje dat vanaf haar middel verlamd is. Franny, of Fanny, heeft niet lang meer te leven. Haar karakter – het veeleisende en het koppige, maar ook het krachtige – bleef me bij omdat ik het later in mijzelf en zoveel andere patiënten terugvond. Het boek is oud en praktisch onvindbaar: zelfs op de site van uitgeverij Lemniscaat hebben ze geen idee meer weer schrijver Susan Sallis is. Zolang het nog kan, de vertaalde titel van het veel mooiere Only love, blijkt zich grotendeels in een verpleeghuis/verzorgingstehuis af te spelen.
    Verhalen over verzorgingstehuizen zijn er genoeg sinds men massaal over aftakelende moeders ging schrijven – het is echt iets anders. Ondertussen moet ik nog honderd bladzijden herstellende Amy Liptrot. Naast Franny valt dat drama een beetje tegen.

    Het andere tienerboek laat zich al even moeilijk vangen. Ik herinner me een meisje dat wordt geopereerd aan haar hart, de voorbereidingen pijnlijk en vervelend, ze ligt op een afdeling met andere kinderen – ’s nachts omzeilen ze de verpleging en gaan op avontuur. Haar ervaringen leken op de mijne, niet qua ziektebeeld maar wel het gedeelte waarin zieke kinderen ook kinderen blijven. Na tweeënhalf uur wachten – op schoot de tas met lenzenvloeistof, schone sokken, De Uitweer – blijkt mijn operatie niet door te gaan. Net voor ik naar buiten loop, kom ik op de titel van dat andere boek: Het blijft geen pijn doen.

     


    Marijn Sikken mijmert over lezen, verhalen en literatuur en schrijft daar columns over. Haar debuutroman, ‘Probeer om te keren’ (2017) verscheen bij Uitgeverij Cossee.

  • Rugtitels

    Waarom herlees ik boeken vroeg ik me af toen ik een van mijn boekenkasten opnieuw indeelde. Een dag eerder had ik die kast leeggehaald en de boeken in dubbele rijen, als een soort van vesting op de eettafel gestapeld. Er moest een plafond gewit en een boekenkast geschilderd. De neiging me achter die boekenstapels te verbergen (zoals de kat onder een kussen op de bank kruipt om zich te hervinden in het kat zijn) was groot. In een zijwaartse gedachte overwoog ik zelfs even ze daar voor altijd te laten staan. Maar dan zou Mijn Lief de boekenkast voor niets hebben geverfd. Dus toen alles klaar was zette ik de boeken er weer in en terwijl ik de ‘F’ tot en met de ‘R’ rangschikte, vroeg ik me af waarom er nooit een boek van Philip Roth of John Fante uitging.

    Bij elke herindeling van de boekenkast sneuvelen er wat exemplaren maar nooit een van Roth of Fante. Alleen al het lezen van hun rugtitels roept een sfeer op waar ik (of juist niet; zoals In Shylock van Philip Roth, wat toch wel een naargeestig boek is) weer in wil duiken. Maar toch, ook naargeestige boeken moeten herlezen worden om bijvoorbeeld de aard van die naargeestigheid te onderzoeken. Lezen over levens die afstoten, moeten herlezen worden; nieuwsgierigheid wordt opnieuw geprikkeld, verwachtingen getart en de uitkomst altijd net anders dan ik me herinnerde.

    Fante beschreef met voelbare woede maar ook met consideratie over zijn afkomst; zijn leven als kind van Italiaanse emigranten tijdens de armoedige jaren twintig in Colorado. In een voorwoord bij een herdruk van Wacht tot het voorjaar, Bandini (1938), schreef hij bijna vijftig jaar nadien, dat hij dit boek niet kan herlezen zonder verdwaald te raken in zijn verleden. Wat me nogal een dreiging lijkt, dat je eigen verleden nog steeds onvoorziene aspecten kent en je te grazen kan nemen. Maar hij schreef ook: “Niets van mijzelf is daar nu nog, alleen de herinnering aan vroegere slaapkamers, en het geluid van moeders pantoffels op weg naar de keuken.” Alleen al hierom herlees ik Fante dan weer.

    Roth hanteerde zijn pen als een fileermes, niets en niemand ontziend, inclusief zichzelf niet. Hij zei hierover: ‘Als schrijver ben ik iemand anders. (…) niet belast door trouw en loyaliteit, decorum en discretie. (…) vrij om een dieper en duisterder perspectief te kiezen dan dat van een zoon, echtgenoot of broer. Een schrijver is dat allemaal niet, een schrijver is een schrijver.’
    Het lef waarmee hij schreef is jaloersmakend. Wat dan weer een fijne brandstof is om mee vooruit te komen. En dat is wat ik zoek, iets om mee vooruit te kunnen, boven de dagelijkse besognes uit te stijgen. Dus blijf ik de boeken koesteren en herlezen van alle schrijvers die me iets nieuws toonden tot ik er ben.

     

     

  • Ondergang en opstand

    Het was een fantastische week, de week voor Pasen. Hoewel ik van hot naar haar vloog (met trein en fiets) las ik alsof mijn leven ervan af hing. Ik las een roman van een dichteres, de tweede roman van een debutant, twee vertaalde romans waarin ik halverwege was en een roman die met de post binnenkwam en dan ook nog elke dag de krant, nu ja, stukjes daaruit. O ja, en nog wat verhalen uit Teveel geluk, die ik al eerder las, van Alice Munro. Mijn lief vroeg me waar ik de tijd vandaan haalde, ik wist het ook niet. En of ik al die verhalen niet door elkaar gooide. Zodat je de protagonist uit het ene verhaal laat zitten met de keuze van die uit het andere verhaal. Dat zou dan weer een nieuw verhaal kunnen opleveren. Wat een van de redenen is waarom ik lees; verhalen voor mezelf te laten spreken.

    Zo kun je in het verhaal Dimensie van Munro blijven zoeken naar de betekenis, naar een verhaal dat uit dat verhaal komt. Er is iets vreemds met dat verhaal. Jong meisje krijgt relatie met een veel oudere man. Kort achter elkaar krijgen ze vier kinderen. De man, Lloyd,  blijkt een potentaat; heer en meester over zijn kleine gemeenschap van vrouw en kinderen. Zoals veel personages in de verhalen van Munro, lijkt het meisje niet zo met het leven dat haar geboden wordt (en zich in dit geval behoorlijk vreemd ontwikkeld) – te zitten. Als ze voor het eerst een nacht niet thuis komt, vermoord Lloyd hun kinderen. Hij verdwijnt in een inrichting. Zij gaat hem daar opzoeken. Waarom doet ze dat?

    Betekenissen hangen bij Munro boven de tekst; je voelt dat ze er zitten maar kunt ze amper pakken, alsof je betoverd wordt. Boven dit verhaal hangt een sfeer waardoor je wilt uitroepen: ‘Het is niet normaal zoals hij je behandelt; maak dat je wegkomt.’ Ik moet het opnieuw lezen om te weten wat het is dat me de adem beneemt.

    Is haar gedachte: “Wie behalve Lloyd zou zich nu nog de namen van de kinderen herinneren, of de kleur van hun ogen.” de reden om hem te bezoeken? Als ze voor de zoveelste keer onderweg is met de bus naar  de inrichting, steekt een pick-up onverwachts de weg over. Een jongeman vliegt uit de auto. De bus stopt, zij snelt zich eruit en knielt bij de jongen neer. Plotseling herinnert ze zich alle eerste hulp handelingen die Lloyd – om in geval van nood haar kinderen te kunnen redden – haar heeft geleerd. Potverdorie, het kan niet dieper gaan. Eigenlijk  is het ongelofelijk wrang dat zij het leven redt van die jongen dankzij de man, die haar eigen kinderen vermoordde. Zou Munro dat beoogd hebben vraag ik me dan af. Of was het verhaal haar ontglipt, was het een voor zichzelf sprekend verhaal geworden. Na dit voorval bezoekt ze Lloyd niet meer. Hoe meer ik over dit verhaal nadenk, hoe meer betekenissen er uit voortkomen.

    .

     

     

  • Wegvaren

    Rome is een stad waar ik geen genoeg van krijg. Eeuwig als zij is, is een verblijf daar goddelijk. Elke dag dat ik niet daar ben, voelt diep in mij een beetje als een zeurderig ongemak. Nu, in de toekomst, en in het verleden. Vooral die ene dag, gelegen in het verleden toen de beeldhouwkunst opnieuw werd uitgevonden.

    Op 14 januari 1506 werd in een wijngaard bij Rome een oude beeldengroep ontdekt. Paus Julius II stuurde zijn belangrijkste kunstexpert Giuliano da Sangallo er onmiddelijk heen en deze herkende in de groep: Laocoön met zijn twee zonen, beschreven en bejubeld door Plinius de Oude. De Trojaanse priester is met zijn zonen in doodstrijd gewikkeld met twee slangen, die uit zee gekomen waren om te voorkomen dat Laocoön het Paard van Troje tegen zou houden. De priester verloor, en een dag later Troje ook. Maar de wereld kreeg er de Laocoön-groep voor terug, een klassiek Grieks meesterwerk van in marmer gestolde beweging en beklemming.

    Volgens Michaïl Sjisjkin leveren schrijvers eenzelfde strijd. Want, zo schrijft hij In een op de wand gekrast bootje, één van de verhalen uit De kalligrafieles, ‘De schrijver wordt als Laocoön, zelfs als hij nog niets heeft geschreven, in een wurggreep gehouden door de taalslang’. Volgens Sjisjkin een onmogelijke wurggreep, omdat taal ‘een vat vol onbegrip’ is. ‘Correcte woorden, die de geest hebben gegeven, kunnen van alles en nog wat betekenen, alleen niet datgene wat je bedoelt te zeggen.’ Iets dat nog eens verergerd wordt doordat een taal alleen bestaat door lezers van de moedertaal waarin deze is opgetekend. Want ‘je kunt woorden vertalen maar niet de lezer’. Hij ontdekte dit toen hij Russisch Zwitserland in het Duits liet vertalen en erachter kwam dat dit boek pas door zijn Russische lezers bestond.

    Omdat de Russische taal Sjisjkin te veel deed denken aan het totalitaire regime, ontvluchtte hij Rusland om in eenzaamheid de Russische literaire taal – waar hij wel van hield – opnieuw te kunnen creëren. Literaire taal als een ark, ‘een eilandje van woorden, waar de menselijke waardigheid bewaard moet worden’. Een ark die Sjisjkin vulde met de mooiste verhalen en zinnen. Waarvan ik net zo geniet als Rome en de Laocoön-groep. Het laat me voor even de alledaagsheid ontvluchten. Een vluchtweg die, zo lees ik bij Sjisjkin – de schrijver bewust of onbewust creëert – want: ‘Iemand die schrijft is een schakel tussen twee werelden: tussen de irreële wereld van het leven – waar alles vloeiend, vluchtig en dodelijk is en waar alles spoorloos verdwijnt als een zojuist weggetikte seconde of als duizend weggetikte generaties – en de wereld van de geloofwaardige woorden’.
    Een wereld als een bootje waarmee je weg kunt, ‘weg te varen uit dit solitaire leven naar een plek waar we allemaal liefdevol worden verwelkomd’. Een virtuositeit waar ik geen genoeg van krijg.

     

     

  • Puttertje en lier

    Afgelopen week zat ik in de zon in een bushokje te wachten op de bus toen mijn oog op een vogelkooitje viel dat aan een verkeersbord hing. Daarin zat een Pietje luidkeels te zingen. Een meneer met boodschappentas bleef stil staan en liep daarna, wat verbaasd weer verder. Een mevrouw die naast me kwam zitten en  mijn verbazing opmerkte, begon te vertellen dat je dit in Amsterdam Zuidoost ook ziet. Een gewoonte die is meegenomen vanuit Suriname, waar heuse zangvogelwedstrijden worden gehouden en waar het gewoon is om mensen met een vogelkooi over straat te zien lopen.

    Ik vond het leuk te horen, maar geneerde me ook een beetje voor mijn onkunde. Ik had wel aan de Vogelvanger uit Mozarts Zauberflöte gedacht, maar kon geen boek van een Surinaamse schrijver bedenken waarin iemand voorkwam die aan zo’n wedstrijd meedeed of met een kooi over straat liep. En moest denken aan een examinator van een HBO opleiding waar ik examen deed en blijkbaar op een vraag van haar alleen iets met muziek kon ophoesten, wat me op een reprimande kwam te staan. Ten onrechte, vond ik toen. Maar nu? Ik was nog niet veel verder gekomen. Misschien kon ik alleen nog het Puttertje van Fabritius in het Mauritshuis eraan toevoegen.

    Maar eerlijk is eerlijk: ik kan ook op de proppen komen met de Jozefromans (Jozef en zijn broers) van Thomas Mann. Een beetje erg Europees moet ik toegeven na de laatste aflevering van Made in Europe van Dimitri Verhulst, waarin ook uitgebreid op De toverberg was ingegaan. Maar het kon minder. Mann beschrijft ergens een scène in het paleis van de farao van Egypte. Hij heeft een instrument op schoot, dat Mann binnen één alinea achtereenvolgens een luitenspel, een luit en een lier noemt. Het lijkt of hem eenzelfde soort verwarring was overvallen als de mijnheer met de boodschappentas.

    Bij nader inzien denk ik – met dank aan mijn ervaring in het bushokje – dat er iets anders aan de hand was. Wat Mann wilde uitdrukken, zo midden in de Tweede Wereldoorlog met zijn raszuiverheid – toen hij het laatste deel van zijn romancyclus schreef – is een voorbeeld van eenzelfde soort acculturatie als in een Amsterdamse buitenwijk. Een verrijkende ervaring, temeer daar hij het schriftteken voor luit (het Egyptische nofert) vertaalt met ‘gratie’ en ‘goedheid.’ Het instrument – later een lier genoemd – was meegenomen door een zeevaarder uit Kreta. En zo komt de aap uit de mouw: niets zuiverheid, maar onderlinge beïnvloeding en acculturatie! Zou Mann dát er niet mee hebben willen zeggen?

    Ik moest denken – met excuus aan mijn oud-examinator – aan de lier op de nok van het Amsterdamse Concertgebouw, door veel mensen ‘harp’ gedoopt. ‘De lier op het dak: een musisch baken in het geliefde stadsbeeld’, staat er in een prentenboek voor donateurs van het (nog niet Koninklijk) Concertgebouworkest uit 1964. En: ‘Onder dit dak creëren mensen schoonheid in klanken ter genieting door andere mensen.’ Zoiets als het Pietje in een kooitje op straat en de lier op schoot van de farao. In donkere tijden, toen en nu. Ter lering en vermaak.

     

     

  • Kernachtig

    In het tijdschrift Onze Taal van deze maand staat een gesprek met de Rotterdamse burgemeester Aboutaleb. Hij vertelt dat het op muziek zetten van gedichten in de Arabische cultuur veel normaler is dan bij ons. Poëzie behoort in die landen meer tot de traditie. Grappig in het interview, is zijn verwijzing naar de verschillen in beeldspraak. Wat wij ‘de grijze golf’ noemen, zijn in Marokko ‘mensen van wie het haar vlam heeft gevat.’ Wat is er nu duffer dan die onbestemde kleur grijs en die op gevaar duidende golf, denk ik dan? Dan is die Marokkaanse versie toch heel wat kleurrijker en energieker!

    Een bijzonder prikkelende bijvangst van mijn werk met nieuwkomers in Nederland, is dat mijn belangstelling voor taal alsmaar nieuwe voeding krijgt. Kort geleden vroeg ik aan een jongen uit Eritrea met wie ik veel contact heb, om een bericht – geschreven door mij – om te zetten in Tigrinya, de moedertaal van veel van zijn landgenoten. Mijn tekst besloeg ongeveer vijfentwintig regels. In zijn vertaling werden die bijna gehalveerd. Verwonderd vroeg ik hem of hij alles wel had overgenomen. Spontaan bood hij me aan me zijn vertaling woord voor woord toe te lichten – ik moet wel eens geduld hebben met hen, maar zij hebben dat ook met mij. Hij liet me zien hoe ongelooflijk veel kernachtiger Tigrinya is dan het Nederlands.

    Met uitzondering van het Grieks heb ik me nooit verdiept in talen met een andere schriftuur, zoals Japans, Chinees, Hebreeuws of Arabisch. Maar vanaf het eerste moment dat ik persoonlijk een Afghanistaanse Farsi zag schrijven en een Syriër Arabisch, trof me de ongelooflijke sierlijkheid van het schrift. En de zorg waarmee de letters worden neergeschreven. Toen ik dat eens opmerkte tegen een inburgeringsdocente die Arabisch studeert, adviseerde zij me Het Arabische alfabet van Nicolas Awde en Putros Samano eens te lezen. Het boekje (in 2006 uitgekomen bij Van Gennep) is maar 142 pagina’s dik, met bovendien veel wit op de bladzijden, maar het bleek zeer onderhoudende kost.

    Ik leer er onder andere uit dat het Arabisch een ongelooflijk doordachte en systematisch samenhangende taal is. Meer dan het Nederlands. Bij ons zijn bijvoorbeeld schrijven, schrift, schrijver en het hiervoor gebruikte schriftuur verwant aan elkaar. Maar de relatie met boek, verslaggever of klerk is ver te zoeken. Zo niet in het Arabisch. Daar kun je aan woorden voor dicteren, boek, kantoor, brief en zelfs abonnee zien dat het gaat om produceren, consumeren of gebruiken van schrijfwerk. Schrijven is in het Arabisch (in transcriptie) kataba. De medeklinkers k, t en b keren terug in elk woord dat ook maar iets met schrijven te maken heeft. Kitaab is een boek, maktab is een kantoor, mukaatib is een verslaggever, maktuub is een brief.

    Ik moet overigens niet te zeer romantiseren. Er zijn ook gevallen waarin je het bos wordt ingestuurd. Katiiba bijvoorbeeld bevat de medeklinkers k, t en b, maar het betekent eskadron. Daarin wordt in de regel niet de pen als wapen gehanteerd. Maar wat is het een bijzonder leuk boekje!

     

     

  • Verhalenonrust

    Er zit geen fictie in mijn tas. Zoals sommige vrouwen altijd lippenstift en een extra panty bij zich hebben (een mate van voorbereid zijn die ik waarschijnlijk nooit zal bereiken), zo heb ik altijd een boek bij me. Dat ik geen roman of verhalenbundel heb meegenomen was een weloverwogen keuze, ik ben maar één nachtje weg en heb geen tijd veel te lezen want ik ben niet alleen, dus stopte ik twee essaybundels in mijn tas: overzichtelijke, niet al te lange stukken voor tussendoor. Heerlijke boeken ook, Genoeg nu over mij van Marja Pruis en Onze lieve vrouwe van de schemering van Willem Jan Otten.

    Dan is het er ineens, de verhalenonrust. Ik heb altijd een groot talent gehad om niet in het hier en nu te leven. Ergens zitten met een perfect uitzicht en toch wiebelig worden, het missen van houvast die zijn oorsprong vindt in de behoefte aan verhalen. Op mijn leeslijstje staat Handen van Darian Leader, over hoe moeilijk mensen het vinden om met lege handen te zitten, hoeveel rust het geeft als we letterlijk iets in onze handen hebben. Inderdaad ben ik altijd jaloers geweest op rokers, hoe die altijd wat te doen hebben met die sigaretten. Ter compensatie ben ik – nooit een roker geweest en toch behoeftig – vergroeid met mijn iPhone.

    Nu blijkt de meegenomen non-fictie slechts een e-sigaret, komt het niet in de buurt van wat ik nodig heb. Is dit wat verslaafden ervaren? En als verslaving altijd vluchten is – waarvoor ren ik dan weg als ik lees – waar ben ik naar op zoek? Misschien heeft het te maken met wat ik wel bij me heb. Zowel Marja Pruis als Willem Jan Otten bezit de gave van de aanstekelijkheid. In een stuk over ijdelheid hoeft Pruis maar een titel van een essay te noemen of ik ben na haar laatste zin zoet met het zoeken naar het betreffende stuk (online, dus op de iPhone – o de ironie!). Willem Jan Otten, die me in zijn Droomportaal al diverse filmtips gaf, is hierin de koning. Keer op keer kan ik zijn stuk ‘Harry is dood’ lezen en denken: had ik niet ook ergens nog zo’n Potterboek liggen?

    Opvallend, want Harry Potter wist mij nooit helemaal voor zich te winnen. Misschien is iets soms gewoon te populair en maakt nieuwsgierigheid plaats voor vermoeidheid – ik kom er later wel een keer aan toe, als ik zin heb. Maar zoals Willem Jan Otten over de kracht van schrijver J. K. Rowling praat enzijn eigen leeservaringen op papier weet te verbinden aan zijn geloof en de wereldliteratuur (en aan mij, nukkige lezer) is waanzinnig knap. Ik krijg zin om het weer te proberen. Of: ik krijg zin om verhalen te lezen. Maar ja, niets bij me – en zeker geen Harry Potter. Mijn laptop heb ik wel mee. In hetzelfde stuk heeft Otten het ook over The Matrix. Nooit gezien, die film. Vanavond in het hotel eens kijken of ik hem ergens kan vinden.

     

     

     

  • Sporenzoeker

    Gisteren werd Wim Brands herdacht in de Rode Hoed. Er kwamen veel mensen op af. Brands kende veel mensen, veel meer mensen kenden hem, waaronder ikzelf. Hoewel kennen? Van zijn radioprogramma’s dan toch. De Avonden met Wim Noordhoek in de jaren negentig. Later – toen ik na zeven jaar Portugal weer terug in Nederland was – Boeken met Brands. Het werd mijn favoriete radioprogramma. Toen wist ik dat ik zulke dingen – buiten de Hema en nog zo wat Hollandse eigenaardigheden – al die jaren vreselijk gemist had; Brands over boeken en zijn interviews met schrijvers, de lange adem gesprekken die spontaan leken te ontstaan.

    Hoe hij schrijvers interviewde had wel iets weg van een forensisch onderzoek, een sporenzoeker. Ook in zijn gedichten werd dat ‘onderzoek’ herkend. In 2014 vertelde hij in een wederzijds-interview met Kees ’t Hart in het Letterkundig Museum in Den Haag, dat hij bioloog had willen worden. Dat was nadat ’t Hart had opgemerkt dat hij in zijn gedichten iets herkende van een ‘sporenzoeker’. In plaats van bioloog werd hij dichter. Dat kwam omdat zijn eerste ingestuurde gedicht gelijk werd geplaatst. Die middag in Den Haag ging het over zijn laatste bundel ’s Middags zwem ik in de Noordzee.

    Ik kende hem ook als docent poëzie, toen ik een korte wijle de schrijversvakschool bezocht. Ik was een schrijfstudent die vooral niet wilde opvallen, vond het maar lastig mijn werk – waarvan ik wist dat het niks was – in zijn bijzijn voor te lezen. ‘Toe maar’, sprak hij bemoedigend terwijl hij met zijn stoel op twee poten steunend achterover leunde, zijn knieën onder de tafelrand klemmend en het aanhoorde. ‘Er is geen goed en geen fout’, zei hij ook altijd. Jaren nadat ik de schrijversvakschool verlaten had kwam ik hem tegen bij bovenstaand interview met Kees ’t Hart in Den Haag. Na afloop kocht ik zijn bundel aan het tafeltje waar hij ook signeerde. Nadat hij een gesigneerd exemplaar teruggaf aan degene die voor me stond, zag hij me en zei: ‘Ha’, en stak zijn hand uit. Terwijl ik zijn hand schudde zei ik – in de veronderstelling dat hij mij niet kon kennen – mijn naam. ‘Weet ik toch,’ zei hij.

    Een mens bestaat uit vele aspecten. Verschillende vrienden en mensen die met hem gewerkt hadden, brachten woord bij woord, herinnering bij herinnering, anekdote bij anekdote een beeld voor het voetlicht van een man die veel weg had van een ontsnappingskunstenaar maar het werd vooral een prachtig voegwerk waaruit de dichter ontstond die Wim Brands bovenal was. Deze verhalen die, ondanks de nuchterheid die Brands voorstond, vertederen door zijn directheid en no nonsens instelling, zijn gebundeld in het boekje Alles komt goed (Uitg. Balans). Een verzameling van Brands’ eigen werk werd uitgegeven als Verzamelde gedichten (Uitg. Van Oorschot), maar bevat ook verschillende van zijn blogs en brieven. Een uitgave die ik verdomd graag had willen hebben maar moet nog even wachten. Zo stel ik mijn verdere onderzoek naar deze bijzondere dichter nog even uit.

     

     

  • Buitenstaanders

    Een jaar geleden overleed Wim Brands. Overmorgen wordt in de Rode Hoed te Amsterdam zijn Verzamelde gedichten gepresenteerd. Ik ga erheen om een bijzondere man te gedenken, die eigenlijk bijna in weerwil van zijn eigen weerbarstigheid aardig werd gevonden door een hoop mensen. Hij ademde en leefde een literaire vorm van overlevingsdrang. Iemand die buiten het domein van de literatuur en de cultuur waarschijnlijk een nog moeizamer leven zal hebben geleid wanneer hij had moeten leven zonder poëzie in het hoofd en boeken in de hand.

    En zo geldt dat denk ik voor veel meer mensen op deze wereld, en niet alleen in deze tijd en op deze plek op aarde. Net buiten de kudde heeft de non-conformistische mens het in principe altijd lastig. En je moet een sterk mens zijn om er buiten te vallen en dan toch in de mainstream te kunnen en moeten meedraaien. Kijk ook naar outsider-projecten als het kunstenaarsdorp Ruigoord, in de haven van westelijk Amsterdam. Steeds meer ingesloten door de havenindustrie waar enorme opslagtanks en loodsen de kleine gemeenschap naderen. Het buitenstaandersschap wordt opgeslokt door de economie. Het is ook te zien in de kunsten. Kunstenaars moeten culturele ondernemers zijn om – met een slinkende subsidiepot – hun bestaan als creatieve geest in de maatschappij te kunnen volhouden. Terwijl het in de creatieve sector juist niet gaat, of in elk geval niet alleen, om geldelijk gewin.

    Vandaar dat politieke partijen als de VVD en de PVV het mes willen zetten in ondersteunende maatregelen voor kunst en cultuur. Elke menselijke activiteit wordt bij hen teruggebracht tot een instrumentele, rationale handeling ten bate van onze welvaart en welzijn. Maar ons welzijn is juist niet enkel te verhogen met materialistische doelen. Dat vind ik een karig bestaan. En dus is een samenleving rijker als er mensen zoals Wim Brands en andere dichters en schrijvers en kunstenaars langs de randen van het conformistische bestaan mogen wandelen en gewaardeerd worden om hun status van outsider. Al ben ik er zelf te weinig creatief voor en met het vooruitzicht dat het gevecht met de binnen de lijntjes kleurende maatschappij niet makkelijk zou zijn, ik was toch graag een literaire outlaw of kunstzinnige buitenstaander geweest. Verstandige rebellen zijn hard nodig.

     

     

  • Olieverf

    Ik hou ervan als de ene kunst over de andere spreekt, het is een mooie manier om de intensiteit van het verhaal dat is beschreven of uitgebeeld te laten groeien. Wat mooi te zien is bij Johannes Vermeer of Oscar Wilde. Niemand kan inniger lezen dan Vermeer’s Brieflezende vrouw en geen enkel geschilderd portret is zo gelaagd als Wilde’s Portrait of Dorian Gray. Twee meesterwerken die desalniettemin in bepaalde opzichten overtroffen worden door Charles Dickens’ Little Dorrit. Omdat Dickens hierin met het woord een schilderij citeerde.

    Het schilderij dat Dickens citeerde is The fighting Temeraire van William Turner uit 1838. Op het doek had Turner op ongeëvenaard indringende wijze het einde van de macht van oorlogszeilschepen vastgelegd. De Temeraire had met zijn achtennegentig kanonnen tijdens de Slag van Trafalgar Nelson’s vlaggenschip ontzet en daarmee een cruciale bijdrage geleverd aan de overwinning van de Britse marine. Maar de komst van stoom luidde het einde in van deze grootse oorlogsbodem. Een lot dat Turner vereeuwigde door de Temeraire ontdaan van zeilen tegen een geel-rossige zonsondergang naar haar laatste sloopplaats te laten slepen. Door een kleine stoomsleepboot nog wel, symbool voor de nieuwe tijd.

    LN20170402 The fighting TemeraireHet schilderij maakte diepe indruk op Dickens. Wat opvallend is, aangezien we van Dickens’ jongste dochter weten dat haar vader geen fan was van de late Turner omdat hij in de klodders rood, geel en blauw nooit de werkelijkheid kon herkennen. Maar de The fighting Temeraire vond Dickens geweldig. Zo geweldig zelfs dat hij er een kopie van had. Misschien wel vanwege het krachtige maar weemoedige beeld van dat grote onttakelde slagschip dat door een klein onooglijk sleepbootje definitief uit de tijd gesleept wordt. Een beeld dat Dickens ‘letterlijk’ in woord vertaalt als hij in hoofdstuk XIII de held van zijn roman, Arthur Clennan, de op geldbeluste Patriarch (Mr. Casby) en zijn assistent Pancks ontmoet. Een ontmoeting die Dickens even kleurrijk beschrijft als Turner schildert. Clennan ziet de Patriarch met zijn glimmende schedel op zich afkomen;

    “And that, much as an unwieldy ship in the Thames river may sometimes be seen heavily drifting with the tide, broadside on, stern first, in its own way and in the way of everything else, though making a great show of navigation, when all of a sudden, a little coaly steam-tug will bear down upon it, take it in tow, and bustle off wit hit; similarly the cumbrous Patriarch had been taken in tow by the snorting Pancks, and was now following in the wake of that dingy little craft”.

    Turner’s visie op de Temeraire krijgt zo – als citaat in Dickens’ roman – een tweede leven. Het op sleeptouw genomen slagschip is niet langer louter uitbeelding van de teloorgang van de zeilmacht, maar evenzeer van de snuivende assistent die zijn baas dweperig vooruitsnelt. Olieverf is woord geworden.

     

     

  • Klein geluk

    Ik was in de Deventer Schouwburg. Op het toneel bracht Urban Myth, We hadden liefde, we hadden wapens, naar het boek van Christine Otten. Een voorstelling over een beladen onderwerp. Er werd gezongen, er werden namen geroepen. Namen van gekleurde mensen die als gevolg van rechteloos geweld waren omgekomen: Michael Brown, Christian Taylor, Tamir Rice, Eric Garner, Akai Gurley, Trayvon Martin en Mitch Henriquez.

    Die laatste naam bracht het beladen onderwerp zeer dichtbij (alsof alles wat ver weg speelt niet ernstig genoeg is). Vanaf het toneel werd geroepen: ‘En het houdt niet op.’ En je wist: het houdt niet op. Gekleurde mensen in verdachte omstandigheden blijkt een reden tot grof geweld. Relativering is nodig om veranderingen en chaos het hoofd te bieden. Stefan Ruiters beschreef in zijn blog van deze week  hoe het heden vanuit een ander perspectief bekeken kan worden door het verleden te bezien: ‘De actualiteit kan minder indringend of verwarrend worden ervaren als je met enig historisch besef het heden beleeft en vervolgens beziet.’ Een mooi besef.

    De voorstelling ging over Robert F. Williams (1925-1996), een actief strijder voor rassengelijkheid in het Zuid-Amerika van de jaren vijftig en zestig. In de geschiedschrijving van Amerika komt hij niet voor. Christine Otten hoorde over hem toen ze in 2008 naar Amerika ging voor het NRC, om verslag te doen van de presidentverkiezingen. Ze ontmoette daar de weduwe van Williams, Mabel.

    ‘We hebben geleerd ons koest te houden en hij wilde alles veranderen’, zei de weduwe. ‘Verandering is goed’, zei de rassengelijkheidsstrijder, ‘verandering is nodig.’ Maar niet alles moet veranderen. Het zou wel eens rustig zijn als je een keer wegkijkt’, zei de weduwe, daarmee een traditie van angst en onderdrukking in ruil voor klein geluk voorstaand.

    Rassenongelijkheid heb ik nog nooit zo indringend ervaren als tijdens deze voorstelling. Natuurlijk kende ik het lied Strange fruit  van Billie Holyiday. ‘Southern trees bear strange fruit/ Blood on the leaves and blood at the root’. Als vijftien jarige zat ik huilend in de bioscoop. Maar soms wil je de dingen niet weten. Een film is vast erger dan de werkelijkheid kan zijn, dacht ik. Maar de werkelijkheid blijkt erger, want in tegenstelling tot een film, komt er geen einde aan.

    Williams zag geweld, anders dan Marin Luther King, soms als noodzaak. ‘Het is altijd een onvervreemdbaar recht geweest van de Amerikanen, dat, als de staat het recht niet wil handhaven, de burger gewapend mag en kan ingrijpen als hij zichzelf moet verdedigen tegen rechteloos geweld,’ schreef hij in zijn boek Negroes with Guns (1962).

    Ik las dat als je wel eens liegt er in je hersenen een stofje, dat ervoor zorgt dat je de waarheid vertelt, minder wordt aangemaakt. Dat de neiging tot liegen groter wordt naarmate dat stofje minder wordt aangemaakt. Ik denk dat er ook een stofje in de hersenen bestaat dat ervoor zorgt dat zwarte en witte mensen elkaar gewoon vinden. Dat we vergeten zijn dat stofje te activeren. Als we onszelf nu trainen in de gedachte dat verschillen normaal zijn. Dan wordt dat stofje vast aangemaakt en blijken we gewoon mensen van allerlei huidskleuren, geloven en ideeën te zijn. Niets om bang voor te zijn.