• Twee taartjes

    ‘Je koopt bij de slager twee biefstukjes – twee, omdat je je schaamt alleen te zijn.’ Zo opent Adriaan van Dis zijn nieuwste boek, In het buitengebied. Ik vroeg me af of ik mezelf ook voor de gek zou houden als Mijn lief me verlaten had en ik alleen bleef.
    Bij de slager kom ik nooit en vegaburgers koop ik zonder tussenkomst van een winkelbediende in de supermarkt. Misschien bij de bakker, een taartje voor mezelf  en dat ik er dan toch – in een impuls – twee van maak omdat het zo zuinig lijkt. Ja, dan denkt de bakker vast dat ik dat taartje doormidden snijd om te delen met degene die ik liefheb. Niemand die weet dat je de taartjes thuis allebei gaat opeten. Maar goed, ik koop nooit taartjes. Ik ben van het zelfbak type, en van grote verlangens en aan niemand verantwoording te hoeven afleggen. Elke dag snak ik ernaar, de hele dag door, mijn hele leven en elke dag opnieuw. Soms breng ik dagen (in bed) op mijn zolderkamertje door en benijd ik de zonderlingen onder ons maar weet dat dit net zo naïef is als geloven dat het gras bij de buren groener is.

    Binnenkort verschijnt er een boek over de zeer bewonderde interviewster, Bibeb (1914-2010). Ze interviewde (ik wilde schrijven ‘sprak’ maar dat is niet waar: ze liet de ander spreken) Martin Luther King, Jerzy Kosinski, Pablo Picasso en vele, vele bekende Nederlanders. Het leek me zo dat Bibeb een zolderkamertje bewoonde waar niemand kwam: voor altijd niet storen en dan al die interviews uit schrijven. Met de hand vermoed ik en daar moet je wel een zolderkamertje voor betrekken.
    Laatst vond ik bij een kringloopwinkel het boek Bibeb Interviews 73/77. Achttien interviews, waaronder met Wim Hora Adema (1914-1998). Waarvan ik dacht dat het een man was. Maar haar volledige naam is: Wilhelmina (Wim) Remelia Hora Adema. In 1972 richtte ze met Hedy ‘d Ancona het tijdschrift Opzij op.

    Bij de interviews van Bibeb val je midden in het verhaal van de geïnterviewde. Daar houd ik van. Het interview met Hora Adema begint zo: ‘Ik denk niet dat het kan (..),’ en je zit erin. Hora Adema promootte het alleen zijn:

    t Klinkt gek maar ik ben een alléner. Ik ben het gelukkigst als ik alleen ben. (…) Zalig. Het walgelijk gedram dat je van jongsaf moet aanhoren, dat alleen zijn zo vreselijk is… Als je niet uitkijkt krijg je er een complex van. In ’t begin dacht ik ook wel es jezus… (…) ik zou nooit met talentvolle vrouwen die ik ken willen oversteken. Omdat geen van die vrouwen echt alleen is. Ze hebben allemaal wel een man of een vriend, of een kind, ze hebben allemaal wel wat.’

    Ja, we hebben allemaal wel wat. Gedoe om kinderen, om afspraken, om ouders, om liefde en de vuilnisbak. Gedoe ook omdat je nooit meer alleen bent om twee taartjes op te mogen eten.

     


    Inge Meijer is een pseudoniem en wil dat wel zo houden. Zij schrijft over boeken als steunpilaren van het leven en over de ontdekkingen die zij doet in de marges van de literatuur.

     

     

  • Flessen en kruiken

    Vorige week bezocht ik in Bologna het moderne kunstmuseum en bekeek er meer dan zeventig schilderijen en tekeningen van Giorgio Morandi. Op vrijwel alle schilderijen en tekeningen stond hetzelfde: een stuk of wat flessen en kruiken. Van een steeds grotere eenvoud.

    Wat drijft een kunstenaar om voortdurend dezelfde flessen en kruiken te schilderen? En dan ook nog eens in hetzelfde kamertje, in de flat waar hij zijn hele leven zou wonen. Waarschijnlijk omdat herhaling meesterschap brengt, wat duidelijk in zijn schilderijen naar voren komt. Want in alle eenvoud bleek perfectie te gedijen, zonder dat het monotoon werd. Wat gezien Morandi’s geboorteplaats eigenlijk volstrekt logisch is, want waar anders dan in Bologna kun je leren wat de kracht van eenvoud is? Bologna excelleert in culinaire eenvoud, de eenvoud van simpele gerechten. Daar is deze stad groots in, van de lekkerste mortadella en salami tot de heerlijkste tagliatelle al ragu en tortellini in brodo. Je kunt het allemaal tot in de kleinste steegjes proeven, in de Italiaanse trattoria’s en ostaria’s. Het enige nadeel is dat je er al snel teveel van neemt en na een paar dagen begint te ontdekken dat Bologna niet voor niets La Grassa wordt genoemd, ‘De Vette’. Een combinatie van eenvoud en perfectie die ik uiterst smakelijk vind, zoals ik dat ook bij Morandi waardeer.

    Toch was mijn favoriete restaurant in Bologna niet Bolognees maar Siciliaans. En dat was helemaal geen straf; ook Sicilianen kunnen prima koken, zij het dat eenvoud hier wordt vervangen door extravagantie. Zoals door Tomasi de Lampedusa onovertroffen is geboekstaafd in de Tijgerkat, waarin de Prins van Salina een feest geeft om zijn jaarlijkse verblijf op het platteland in te luiden. De Lampedusa’s beschrijving van de culinaire rijkdom van de Salina’s doet je  watertanden: ‘De goudbruine korst en de geur van suiker en kaneel die deze verspreidde, waren slechts voorboden van de heerlijkheden die van binnenuit tevoorschijn kwamen, toen het mes de korst doorstak: eerst kwam er een naar specerijen geurende damp van af, daarna kwamen kuikenlevers, hardgekookte eieren, plakken ham, kip en truffel in een overvloed van gloeiend hete, glinsterende maccheroni, waaraan het braadvocht van het vlees de geraffineerde kleur van gemzenbont gaf.

    Ik heb eens geprobeerd zo’n maccheroni-timbaal als die van de Prins van Salina te maken. Het resultaat was prachtig, maar toen ik er het mes inzette, bleef het orgastische effect uit de Tijgerkat volledig achterwege. De literair-culinaire strapatsen van De Lampedusa waren voor mij te hoog gegrepen. De volgende keer maakte ik maar weer een eenvoudige pastaschotel. Die net als Morandi’s kunst prima beviel. Want ook in eenvoud schuilt perfectie.

     

     

  • Dat zal wel

    Wie op reis gaat, raadpleegt de online ‘reisplanner’ om onvolkomenheden tijdens de reis te kunnen vermijden. Maar zo zit ik niet in elkaar – route uitstippelen inclusief oponthoud – dat werkt ontmoedigend. Liever laat ik me verrassen. En om het beetje avontuurlijke dat er nog is te beleven in dit overvloedig georganiseerde land, is het aan te bevelen onvoorbereid op reis te gaan. Onder het motto: alles komt goed (ergens zal het goed komen, hoe dan ook). Laatst moest ik naar Utrecht. Na 25 minuten onderweg te zijn geweest met de sprinter werd de reis op een klein station onderbroken. Ik wist van niks en liet ik me als een schaap, dat van de kudde was afgedwaald, naar de bus voeren.

    We dromden met de hele treinbezetting tegelijk tegen de bussen op – waarbij rond de deuropeningen een verheviging van op een kluitje gedrukte reizigers ontstond. Bang als we waren niet mee te mogen. Ik eindigde vrij dicht bij de ingang, vanuit de lengte van de bus opkomend, net in de bocht naar de deuropening toe. Nu dromden er ook reizigers rechts van me tegen de bestaande rij op. Het was  nu zaak standvastig te zijn en niemand te laten invoegen. Naast me drong een vrouwtje met kunstmatige krullen waardoorheen de hoofdhuid schemerde, zich tegen me aan. Ik herkende haar als de vrouw die eerder deze ochtend instapte in het treinstel waar ik zat, toen haar telefoon ging. En dat ze zei: ‘Altijd als ík de trein instap wordt ik gebeld.’ Alsof iemand het erom deed. Iemand die haar van bovenaf in de gaten hield en telkens, wanneer zij haar voet op de trede van een treinstel plaatste om in te stappen, haar belde. Van de jongeman met de tatoeages die achter haar de trein instapte vermoedde ik dat het haar zoon was.

    Eenmaal in de bus bleek al dat dringen voor niets. Ik zette mijn tas naast me neer en bladerde de krant open waar ik was gebleven. Achter me namen het vrouwtje en de getatoeëerde jongeman plaats waarbij het vrouwtje direct zeurde: ‘Nou, de volgend keer neem ik gelijk de bus wel.’ De jongeman snoof luidruchtig. Ze morrelden wat met opmerkingen naar elkaar toe, tot het vrouwtje overstapte op een soort van converseren: ‘Ik heb nog een tas van jou gekregen.’ ‘Welke dan,’ reageerde de jongeman alsof hij gebeten werd. ‘Die ene,’ moedigde zij hem aan. ”k Weet nergens van,’ wilde hij zich ervan af maken. Waarop het vrouwtje zei: ‘Als ik thuis ben, zal ik m je laten zien en als je m ziet dan zeg je: Oh die.’  ‘Ja, dat zal wel,’ schimpte de jongeman en snoof opnieuw – ik vermoedde dat het een tik was – luidruchtig. Ik schudde mijn krant nog eens en wist van niks.

     

     

     

  • Drieluik

    Op de tentoonstelling Ed van der Elsken – de verliefde camera in het Amsterdamse Stedelijk Museum – die nog tot 22 mei te zien is – hangen ze als een drieluik naast elkaar: foto’s van drummer Kenny Clarke tijdens een Jazz from Carnegie Hall-concert (1958). In het boek Jazz van J. Bernlef en Ed van der Elsken (1981) staan ze ónder elkaar afgebeeld. Naast elkaar valt de nadruk op het feit dat ze pal na elkaar zijn gemaakt: Clarke in extase, nog net in extase, met de ogen half open gericht op wat was en wat zo weer voorbij dreigt te zijn, en Clarke die nageniet van het moment. Als een horizontaal gebeuren in de tijd. Verticaal afgedrukt valt de aandacht op iets dat van buiten leek te komen en het de drummer overkwam. Het effect is er niet minder om, maar anders.

    Het drieluik is uniek binnen het oeuvre van Van der Elsken: close ups van één  musicus, zonder mede-musici, zonder band,  zonder publiek. Het drumstel fel uitgelicht, de achtergrond donker. Dat was Van der Elsken óók, met oog voor wat de muzikant bewoog en een trefzekere vinger om dat heel kort na elkaar, en zonder flits (wat een technische beheersing in die tijd!) vast te leggen. Het zijn ook unieke foto’s omdat ze – in tegenstelling tot wat Bernlef als kenmerkend voor de meeste jazzfoto’s van Van der Elsken omschrijft – in werkelijkheid juist niet ‘een tikje aardser en grover maakte dan zij al was’. Door die serie van drie besefte ik óók opeens waarom Bernlef wél van de rationele cooljazz hield en niet van de emotionele bebop van Clarke die hieraan vooraf ging.

    De foto’s vormden een sleutel die me binnen liet in de binnenkamer van jazzliefhebber Bernlef. Ik wist het ook eigenlijk wel, want schreef hij in zijn gedicht Conservatorium (Raster, 89/2000) niet: De ramen van het conservatorium staan wijd open / daarbinnen vergrijpt iemand zich aan eeuwenoude gevoelens / de vleugel jammert en klaagt Bebop was in zijn ogen niet alleen te emotioneel, maar ook onvolmaakt, met zijn breaks waarin opeens maten worden toegevoegd aan een standaard bluesschema. Want, zo dichtte hij niet zozeer verrast als eerder wat teleurgesteld (Het ontplofte gedicht, 1978): Sonny Rollins in Londen /
    begon met een blues / die geen blues bleek te zijn

    Muziek moest in de ogen van Bernlef even ‘cool’ en overdacht zijn als de opbouw van een gedicht. Niet emotioneel en extatisch. Dat maakte het drieluik van Ed van der Elsken in combinatie met de gedichten van Bernlef op één of andere manier nog eens haarscherp duidelijk.

     

     

  • Duivelskunstenaar

    Onlangs kreeg ik van reclamemaker, kunstenaar en boekenverzamelaar Erik Kessels zijn laatste boek cadeau: The Many Lives of Erik Kessels. Zijn veelzijdigheid is jaloersmakend. Hij moet een enorme gedrevenheid hebben om dit allemaal te kunnen bedenken en uitvoeren en daarnaast doodleuk een reclamebureau te runnen, KesselsKramer, gevestigd in een oud nonnenklooster aan de Amsterdamse Lauriergracht. Kessels moet het geheim hebben gevonden om 48 uur in een dag te kunnen stoppen. Wat hij dagelijks en in het echt doet, doe ik in mijn gedachten. Ik ben in gedachten een schilder, beeldhouwer, fotograaf en graficus. In mijn atelier ben ik druk bezig met het maken van litho’s, etsen en houw ik grote blokken steen in rudimentaire vormen die vaag doen denken aan menselijke gedaantes.

    Ik kreeg een aantal oude kunsttijdschriften in handen uit het jaar 1985, waaronder het Italiaanse Tema Celeste, waarin afbeeldingen staan van werkende kunstenaars in hun atelier. En de verfspatten knallen van de pagina’s af. Al bladerend, droom ik weg van mijn computer naar een groot, leeg industriegebouw waar het licht van de ramen van boven naar beneden valt op doeken met verse verf op canvas, ui de speakers klinkt de staccato gitaarriffs van metalband Metallica. Het busje staat al klaar waarin de nog druipende serie schilderwerken worden vervoerd naar het bedrijf waar de doeken komen te hangen. Een van de vele opdrachten die ik krijg van bedrijven om hun grote kantoren te behangen met mijn lyrisch-expressieve schilderkunst. Ha! Das war einmal.

    Er zijn van die personen die het grote gebaar echt (waar) maken. Kessels dus. Die naast kunstenaar, reclameman, directeur en groot-collectioneur van kunst- en fotoboeken ook nog eens vader van drie kinderen is. Hij doet me denken aan andere – jongens in de kunsten – duivelskunstenaars die niet alleen schilderen en beeldhouwen, maar ook nog muziek maken en gedichten schrijven, zoals Armando. Ook zo’n held.
    Aan het einde van de zomer tot in het najaar heeft Kessels in het Duitse Düsseldorf een grote overzichtstentoonstelling, waar alle ruimtes van het gebouw van Kunstsammlung Nordrhein-Westfalen worden gevuld. Zijn – op gevonden beelden (familiealbums) en fotografie gebaseerde kunst – is een aansporing om, ondanks het bombardement aan info en beelden, juist beter naar die foto’s te kijken. Wat Kessels doet – in de grote gang van de geschiedenis – is het persoonlijke, individuele verhaal laten zien, de toeristen in gekke poses, in zwembaden en op de kermis in een schiettent. Ik ga graag weer naar mijn favoriete land deze herfst en droom nu even verder over een nieuwe serie etsen, op grote platen van 1 bij 1 meter.

     

    The Many Lives of Erik Kessels
    New York, Aperture, 2017
    576 p. Ills. Hardcover in slipcase.

     

  • Matras

    Yaser uit Syrië woont ruim een jaar in mijn woonplaats. Ik sprak hem af en toe maar nooit diepgaand. Een paar weken terug kwam ik hem tegen op straat. Hij omhelsde me uitgelaten. Hij zag er anders uit, verzorgder. En toen ik zag hoe licht zijn ogen waren, realiseerde ik me pas hoe verlegen en in zichzelf gekeerd hij was tijdens die paar keer dat ik hem had gesproken. Reden van zijn opgetogenheid was de hereniging met zijn vrouw en twee kinderen.

    Een paar dagen later kreeg ik een mail van een kennis die weet van mijn contacten met vluchtelingen. ‘Ik heb een tweepersoons matras over. Kan ik er iemand blij mee maken?’ Het bleek een matras van hoogwaardige kwaliteit. Yaser, dacht ik al snel. Ik belde hem; wat aarzelend, want ik had het matras niet gezien. Maar hij hapte meteen toe. Hij en zijn vrouw sliepen nu op een provisorisch bed, vertelde hij, in afwachting van wat beters. ‘Het is wel een matras zonder ombouw’, zei ik. ‘Geeft niet. We leggen het op de grond. Later bouw ik wel een bed.’

    Mijn kennis had aangeboden het met zijn auto te brengen omdat het een log geval was. Toen het aankwam, zei Yaser meteen: ‘ik draag het wel. Ik woon vlak bij.’ Tijdens zijn vlucht heeft hij voor hetere vuren gestaan. Hij schoof het 1.60 bij 2.00 metende geval tot ver over zijn hoofd, zijn armen breeduit eronder. Ik tilde het laaghangende stuk om te voorkomen dat het over de grond zou slepen. We hadden 800 meter te gaan. Onderweg moest ik Yaser tot twee keer toe vragen even stil te staan omdat mijn armen verkrampten. Toen we beiden bezweet aankwamen, nodigde hij me uit voor koffie. Zijn vrouw was er niet. Ze bezocht haar zus die tien maanden geleden naar hier kwam. We praatten luchtiger deze keer. Het ging nu meer over de toekomst. Ondertussen bedankte hij me diverse keren voor het matras. Ik ben daar altijd wat verlegen mee. Ik wil geen hulpverlener zijn, maar elk ‘dankjewel’ wrijft me die rol in.

    Waar ik naar op zoek ben in deze contacten is de verwantschap. Zo verschillend als we zijn herken ik in het vluchtelingenbestaan iets dat appelleert aan ervaringen uit mijn eigen leven. Ik ben benieuwd naar hun verhaal omdat het, hoe onduidbaar dat ook is, iets losmaakt in mezelf: ontheemd zijn, je onveilig voelen, de verrukking over iets moois, je een vreemde in de wereld voelen, geluk om een weerzien. Is het iets dergelijks? Als ik even later naar huis ga, denk ik aan een scène uit Het kleine meisje van meneer Linh van Philippe Claudel, waarin vluchteling Linh en de dikke Bark op een bankje in het park zitten. Ze vertellen elkaar hun levensverhaal. Jij bent als lezer de enige die het te horen krijgt. Linh en Bark missen die informatie: ze verstaan elkaars taal niet. En toch begrijpen ze elkaar. Ik geloof dat ik een beetje Bark zou willen zijn. Liever dan hulpverlener.

     

     

  • Alle begin is moeilijk

    In het eerste jaar van de opleiding aan de Schrijversvakschool kreeg ons klasje de opdracht om de eerste bladzijde van een roman te schrijven. Het hoefde niet per se iets te zijn waarmee je door wilde gaan, het ging om het openen van een (groter) verhaal.
    Geen idee meer wat ik destijds deed, het is alweer een laptop geleden, de opdracht was vooral bedoeld om stil te staan bij wat zo’n eerste pagina behoeft. Wat is er nodig om een verhaal in te komen?

    Op Instagram postte iemand een foto van de eerste pagina uit Caribou Island van David Vann, het onderschrift luidde: ‘En dan moet het nog beginnen.’ Vann is een interessante schrijver, zelfmoord zijn drijfveer, hij is een uitmuntend stilist maar zijn werk behoorlijk zware kost – niet moeilijk om te lezen, wel veel om emotioneel te bevatten. Toch begreep ik het bericht: hoe deprimerend ook, toch kun je zin hebben in zo’n boek (of film of liedje). Ik kijk al jaren naar Grey’s Anatomy, puur om te kunnen huilen. Een andere oefening van de opleiding: het grote raad-de-begin-zin-spel. Inderdaad, we moesten een reeks beginzinnen uit de Nederlandstalige literatuur koppelen aan hun schrijver.

    Caribou Island begint met: ‘My mother was not real.’ Een schokkende herinnering volgt, de lezer wordt er bijna ingeslagen, in het verhaal dus, net als de andere toehoorders van die herinnering. Het stukje over de moeder wordt door Irene uitgesproken, haar man Gary en dochter Rhoda luisteren ernaar, dit alles in een kleine scène waarin de volledige belofte van het hele boek huist: de pijnlijke strijd tussen man en vrouw; tussen een droom om na te jagen en de straffe realiteit van het echte leven; de grilligheid van de natuur; de afstand tussen de personages. Ik herinner me het als een boek waar ik ondanks alle ellende erg van genoot.

    Een beginzin die ertussen zat, bij dat raadspel, was van Gerbrand Bakkers Boven is het stil. ‘Ik heb vader naar boven gedaan.’ Het is een zin waar heel veel inzit, afstand vooral, ook hier volgt in enkele pennenstreken genoeg om de lezer een belofte te geven: dit is waar het over gaat.

    Precies die belofte zorgt er waarschijnlijk voor dat ik slecht reageer op dromen. Daar ben ik niet de enige in. Het openen van een boek of film met een droom en een ontwaken, frustreert veel lezers en kijkers die zich in de maling genomen voelen. En terecht: op basis van die eerste pagina’s, die eerste scènes, baseer je je verwachting. Als dan iemand ineens het luik onder je voeten opent – ‘en toen werd hij/zij/ik/wakker’ – kun je daar kwaad om worden.
    Een verhaal van een jonge schrijver kwam op mijn pad. Het begon met een liefdesgedicht, daarna een personage dat hardop over dat gedicht denkt: ‘Nee, dat is stom.’ Dat zinnetje had hetzelfde effect op me als een droom: het luik werd onder me weggetrokken. Denk aan de belofte, had ik tegen die schrijver moeten zeggen.

     

     

  • Collectioneurs

    Als ik net een partij ‘nieuwe’ boeken heb ingekocht, bel ik altijd een paar personen die zichzelf omschrijven als ‘aasgieren’. Als zij de aasgieren zijn, wat ben ik dan? Mijn werk is om deze hongerige wolven te voeden. Ik ben de dierlijke mens die ze naar de prooi, het aas, hun boekenkarkas leidt. Ik doe dat uiteraard met veel plezier. Deze mannen – ook hier weer zijn eigenlijk alleen mannen de verzamelaars van antiquarische boeken – zijn de ware liefhebbers. Ik heb hen lief. Niet alleen om de verkoop, maar ook om hun verhalen heb ik ze graag bij me over de vloer. Wat ze meemaken op hun boekentochten zijn de verhalen en anekdotes van mensen die naar zelden betreden oorden gaan.

    Ze komen bij andere verzamelaars over de vloer, bij schrijvers en kunstenaars, buitenlandse boekhandels en musea en maken daar de gekste rituelen mee die de kunst, een boek of een collectie een betekenis, een waarde geven. Is het een heel exclusief duur boek, dan worden de rituelen hermetischer en geheimzinniger dan bij een goedkoop boek. Zo is een collectioneur eens een dag lang uitgehoord door een assistent, over zijn kennis van een bepaalde kunstenaar voordat hij in de vertrekken van een villa mocht rondkijken naar boeken en kunst van diezelfde, net overleden kunstenaar. Maar de waarde in geld is niet alles wat voor hen telt. Ook de mate van vervolmaking van een te verzamelen onderwerp is belangrijk.

    Als je van een kunstenaar of schrijver alle boeken verzamelt, dan wil je ook die ene lezing nog bezitten die in kleine oplage door een eenmansdrukker is vervaardigd. En omdat je van een bepaalde schrijver alles koopt, wil je ook van zijn of haar grote voorbeelden, boeken in huis hebben. Zo ontstaat een voor de verzamelaar coherent labyrint van titels en namen. Vandaag had ik weer zo iemand over de vloer. Ik smste dat ik verse boekendozen uit een aankoop had staan. Twee uur later stond hij in de dozen te kijken of er iets van zijn gading bij was. En hij haalde er weer een mooie stapel foto- en kunstboeken uit. Morgen komt de  volgende ‘aasgier’. Ik blijf ze voeden.

     

     

  • Knipoog

    Sommige schrijvers geven de voorkeur aan symboliek boven klaarheid. Ook Harry Mulisch, totdat hij Twee vrouwen schreef, een voor zijn doen ongebruikelijk toegankelijke roman over een liefde tussen twee vrouwen. Om de eenvoud van zijn verhaal kracht bij te zetten besloot hij om een schilderij uit Siena op de omslag te zetten – wat uiteindelijk een fragment werd – drie dansende figuren in lange jurken. Ongetwijfeld als verbeelding van de liefde tussen de vijfendertigjarige museumconservator Laura Tinhuizen en de twintigjarige kapster Silvia Nithart.

    De figuren komen uit een frescocyclus over het verschil tussen goed en slecht bestuur van Ambrogio Lorenzetti in het stadhuis van Siena. In de slecht bestuurde stad overheerst donkerte, ziekte en narigheid, terwijl in de goed bestuurde stad alles licht en helder is, de huizen luxueus zijn en in het centrum jongedames vrolijk door de straten dansen. Waarvan Mulisch er dus drie adopteert voor zijn omslag. Maar schijn kan in schilder- en schrijfkunst bedrieglijk zijn. Want in 1991 heeft de kunsthistorica Jane Bridgeman aangetoond dat Lorenzetti’s dansende jongedames helemaal geen jongedames zijn, maar mannen. Ze ontberen bijvoorbeeld de lange haren en borsten waarmee Lorenzetti de andere dames op zijn frescocyclus tooide. Nee, Lorenzetti zette in zijn fresco over de gevolgen van goed bestuur geen jongedames maar mannen centraal en liet hen een symbolische dans uitvoeren ter verheerlijking van het goede bestuur. Omdat alleen mannen kunnen verheerlijken.

    Het is een omslagkeuze die lijkt te onderstrepen dat Mulisch’ Twee Vrouwen eigenlijk over twee mannen gaat, een these die het boek al sinds de eerste druk achtervolgt. Mulisch koos zijn omslagontwerp weliswaar een paar decennia voordat Bridgeman aantoonde dat Lorenzetti’s dansers man waren, maar die these zal niet helemaal uit de lucht zijn komen vallen. En het moet de viriele Mulisch toch zijn opgevallen dat de dansers geen borsten hadden. Dus alhoewel Mulisch Lorenzetti’s fresco niet met naam en toenaam noemde, moet ik glimlachen bij de gedachte dat er vast en zeker een betekenisvol verband bestaat tussen de dansende mannen en Mulisch’ Twee vrouwen. Dit is echt te mooi en te Mulischiaans om niet te kloppen! Ik geloof dan ook dat Mulisch willens en wetens louter mannen op de omslag van zijn boek over een vrouwenliefde zette. Wat niet zo raar is voor een schrijver die in Twee vrouwen een andere schrijver (of zichzelf) laat zeggen dat vrouwenrollen bij de Grieken natuurlijk altijd door mannen werden gespeeld. Omdat liefde tussen mensen uiteindelijk alleen tussen mannen bestond, zoals bij Lorenzetti ook alleen mannen eer konden bewijzen aan het goede bestuur. Een vette, male-chauvinistic knipoog van Mulisch aan de lezers van zijn ‘simpele’ vertelling over een lesbische liefde, die bij nader inzien helemaal niet zo simpel blijkt en vanaf de omslag stijf staat van de symboliek.

     

     

  • Een koe

    Er riep een koe door de nacht. Het was een mooie roep; donker en dwingend. Het riep herinneringen op aan momenten dat je in de ochtendnevel van een feest naar huis fietste. Die koe in de nacht wekte net als de nachtelijke misthoorn van een trein het verlangen wekt om weg te trekken, zomaar ergens heen. Mijn lief sliep, zuchtend en stoom afblazend, waarbij de lucht zijn mond met een pfffff-end geluid verliet, als een band die leegliep. Het is niet erg wakker te liggen zei ik tegen mezelf en draaide op mijn andere zij. Maar ik had ook nog José Eduardo Agualusa in mijn hoofd. En iets uit Bekentenissen van een nieuwsgierig mens van Maarten Asscher. Waarin hij schrijft hoe irritant het is als een Portugese José wordt uitgesproken als een Spaanse José. Een Portugese José spreek je als ‘zjosé en niet als het harde Spaanse ‘gossé’. Dat het pedanterig is om dit te corrigeren, betweter die je dan bent. En dat ik laatst in Paradiso bij leesclub Le Monde was, waar een boek van Agualusa besproken werd en waar de moderator, ‘Gossé’ Eduardo Agualusa zei en ik me (dankzij Asscher) inhield.

    Weer riep een koe door de nacht, urgenter nu. Het leek me een andere koe dan de eerste. Daardoor kwam ik in een staat van alertheid. Alsof ik straks verantwoording zou moeten afleggen over dat verschillend klinkende boegeroep en vanaf welk weiland dat dan kwam. Dat die koeien dan voor de nachts gemuilkorfd zouden worden. En of ik dat wilde; nee, dat wilde ik niet, dus laat die koeien nu maar. En ik probeerde niet naar koeien te luisteren. Maar Agualusa was er nog. Ik draaide me op mijn rug en dacht aan Een algemene theorie van het vergeten. Waarin zoveel verhalen zitten als het leven zelf. Het verhaal van de hoed, dacht ik, zit verweven door de roman. Dat ging zo (geloof ik):

    Er lag een hoed naast een vuilcontainer. Iemand vertelt dat een man in de grond is verdwenen, precies op de plek waar de hoed ligt. Dat hij met eigen ogen zag hoe de man er het ene moment was en het volgende alleen zijn hoed. Zo ontstond het verhaal van de man die in de grond verdween. Ik moest denken aan een Angolese jongeman bij Leesclub Le Monde. Hij zei: ‘Ik lees niet.’ Hij zei niet: ‘Ik lees nooit’. Het was op aandringen van zijn Nederlandse vriendin dat hij het boek heeft gelezen. ‘Een knap boek’, vond hij het, want: ‘Niets is moeilijker dan orale verhalen opschrijven.’ In de stilte van de nacht begreep ik waarom hij ‘Ik lees niet’ zei.  Dat als je met verhalen, zoals in het boek van Agualusa, bent opgegroeid, niet hoeft te lezen. Ik nam me voor, vanaf morgen verhalen te vertellen waarin de waarheid een schier onopvallend aspect zal zijn.

     


    Inge Meijer is een pseudoniem. Zij schrijft over boeken als steunpilaren van het leven en over de ontdekkingen die zij doet in de marges van de literatuur.

     

  • Herinneringen

    In een recent boek van Marli Huijer, oud-Denker des Vaderlands, staat een paragraaf over ‘Materiële cultuur.’ Het is een term die  de relatie tussen mensen en voorwerpen aanduidt. Zij stelt daarin dat als materieel erfgoed wordt verwoest, alle afbeeldingen daarvan worden gewist, de kans bestaat dat ook de verhalen en herinneringen aan dat erfgoed het niet overleven.

    Ik waag het te betwijfelen en moest daarbij denken aan wat me jaren geleden in Bologna overkwam. Op een zondagochtend was ik iets te vroeg voor het Morandi museum openging, en liep de San Petronio binnen op het moment dat de mis begon. Als toeristen mochten we achter in de kerk naar het orgel luisteren. Ik werd bevangen door een klank die zó apart, zo uniek was, dat deze zich in mijn gehoor nestelde. Zo dacht ik.
    Toen ik jaren later een cd van de orgels in Bologna kocht – instrumenten die dateren uit 1471-1475 – en hem in de cd-speler had gelegd, bleek dat mijn herinnering in de loop der jaren was vervormd. Dat, zeg maar, mijn zogeheten echoïsche geheugen (auditieve geheugen) me in de steek had gelaten.

    Heeft Huijer daarmee dan het gelijk aan haar kant? Zoals vaker heeft niet de filosofie maar de literatuur (deels) de wijsheid in pacht. Ruth Cole, een personage uit John Irvings Weduwe voor een jaar, troost me met de gedachte dat ‘de zuiverheid van de verbeelding boven de herinnering gaat.’ Ik heb nog altijd spijt die cd te hebben gekocht, maar deze troost rest.

    Pas als de orgels in Bologna in vlammen zouden opgaan, de cd ervan niet meer af te spelen is en geen achterblijvers meer leven die erover kunnen verhalen, is de klank van de instrumenten werkelijk uitgedoofd. Alsof alle registers langzaam zijn ingeduwd en de lucht uit de pijpen definitief is verdwenen. ‘Een afwezig object’ schijnt zoiets te worden genoemd, lees ik in het redactioneel van Dana Linssen in De Filmkrant van april: het niet meer met anderen kunnen delen van herinneringen aan indrukwekkende films of – in dit geval – de klank van unieke orgels.

    En dan nóg bestaat de hoop dat er een orgelbouwer opstaat die zich de unieke klank en technische zaken als de mensuur en legering van de pijpen wél herinnert, zodat hij aan de wederopbouw van de instrumenten kan beginnen, zodat ze als een Phoenix uit de as herrijzen. Net als de schrijfster Eva Meijer, die in de Jonge Schrijvers Gids van Vrij Nederland zegt dat ze misschien wel begon met schrijven omdat ze alles wilde bewaren, gebeurtenissen en herinneringen. Maar het kan echt niet, zegt ze Huijer haast na. Nee – en daarom zal het een nieuw instrument worden, zoals ook schrijven volgens Meijer ‘iets nieuws maken is met wat er is.’ Bouwen met woorden. Of met orgelpijpen. En op basis van herinneringen. Misschien zit het gewoon zo.

    www.filmkrant.nl/TS_april_2017

     

     

  • Mysterie

    Er zijn van die dagen en weken dat het lastig is om je goed te voelen. Anderhalve week geleden hoorde ik van een klant dat een collega-antiquaar uit Deventer zelfmoord heeft gepleegd. Financiële nood en een onverwerkt trauma uit zijn jeugd hebben hem steeds meer in de hoek gedreven waaruit blijkbaar geen uitweg meer was voor hem. Bij dergelijk afgrijselijk nieuws kan ik alleen maar een poos heel stil zijn en in mijn gedachten peinzen over het waarom. Maar ik kom er nooit uit.  Het mysterie blijft.

    Ik denk aan de momenten dat ik Jos Wijnhoven sprak, eind maart nog tijdens een boekenmarkt in De Hallen in Amsterdam. Hij was altijd behulpzaam, duwde je kar vol met boekendozen een stukje mee en de hartelijkheid waarmee hij me elke keer begroette maakt het gegeven van een dergelijk levenseinde onbegrijpelijk. Maar ik ben een buitenstaander, een collega die hem niet echt persoonlijk kende. Maar ook de – kennelijk – geestelijke machteloosheid is mij tot nu toe vreemd. Al zal ik de zelfmoordenaar nooit veroordelen om zijn daad. Daarvoor weet ik te goed dat dit leven mooi maar ook genadeloos kan zijn als het tegenzit.

    Materieel, maar vooral ook mentaal. Knok je maar eens uit een dal. Vaak zal je dat alleen moeten doen. Ook al is er een omgeving die je steunt. Ook dan kunnen er dus momenten zijn die te overweldigend zijn om te kunnen overwinnen. En toch, als intimus, het enige dat je kunt doen is iemand in nood steunen, en hopen dat het weer goed zal gaan. Het taboe op zelfdoding heeft ook als doel een dergelijke handeling niet als gangbaar of gewoon te gaan zien en dat is vanwege zijn extremiteit ook nodig. Laten we vooral vragen blijven stellen aan elkaar hoe het gaat, in de hoop lang bij elkaar te mogen blijven.