• Advies

    Een paar jaar geleden was ik op Vilm, een klein eiland in de Baltische Zee, ruim de helft kleiner dan Rottumerplaat en een van de stilste en meest verlaten plekken van Duitsland. Dit eilandje was in de DDR-jaren dé vakantielocatie voor Communistische apparatsjiks. Ik sliep er dan ook in een bed waarin voorheen misschien wel Erich Honecker of Leonard Brezjnev hadden gelegen en voelde me een bevoorrecht mens (aan de juiste zijde van de geschiedenis).

    Het meest bijzondere aan Vilm was overigens niet zijn communistische geschiedenis maar de natuur, en dan vooral het bos. Een bos zoals een bos moet zijn: groen, grillig en bemost, zodat je eigenlijk overal trollen, kabouters en bosnimfen verwacht. Van een sprookjesachtige schoonheid zoals ik nog nooit had gezien en die terug te voeren is op het feit dat het bos decennia lang geen mensenhand meer had gezien. Niet zo vreemd dus dat het al sinds de jaren dertig van de vorige eeuw een beschermd natuurgebied is (en evenmin vreemd dat dat voor de leiders van de DDR het perfecte vakantie-uitje was).

    Maar niet alleen de apparatsjiks waardeerden de bossen van Vilm. Ook kunstenaars deden dat, in groten getale. De afgelopen 200 jaar schilderden ruim 350 Duitse landschapsschilders de natuur van het eiland. Een mooi voorbeeld daarvan is Eiken aan zee van Carl Gustav Carus (ca. 1834). Eiken zoals eiken moeten zijn: groot, grillig en majestueus, met een zacht ogend grasveld aan zijn voet, zodat je niets liever wil dan jezelf er neer vleien voor een subliem rustmoment.

    Ik moest aan Vilm en de bomen van Carus denken toen ik de Oogst van de week op Literair Nederland las. De nieuwe Nederlandse uitgeverij Bint heeft John Steinbeck’s klassieker To a God unknown uit 1933 opnieuw in Nederlandse vertaling uitgebracht. Die sublieme roman waarin, net als op Vilm en Carus’ schilderij, de eik de hoofdrol opeist. In mijn kast staat nog een licht beduimelde Penguin-Twentieth-Century-Classic-versie van deze roman. Ik heb het verschillende keren gelezen en wordt iedere keer weer gegrepen door de sage die Steinbeck hier spint, waarin de relatie tussen mens en natuur centraal staat en de levensfilosofie van de kolonist Joseph Wayne lijkt voort te komen uit een onderhoudende potpourri van heidense, Griekse en Bijbelse verhalen. Met dat onbeschrijfelijk mooie einde dat ik het liefste zou willen citeren, maar niet doe omdat je dat uiteindelijk het beste zelf kunt ontdekken. Dat einde waarin man en boom één worden en zo het Leven redden. Dat einde dat een mustread is voor iedereen die van literatuur houdt. En dat kan nu dus weer in het Nederlands. Alhoewel uitgeverij Bint alle lof verdient voor deze uitgave zal ik deze zelf niet kopen. Ik zal binnenkort domweg voor de zoveelste keer mijn Penguin-klassieker ter hand nemen. Voor wie dit boek nog niet bezit, ligt mijn advies overduidelijk voor de hand.

     

     

     

  • Het gat waar ze insprong

    Iedereen heeft zijn eigenaardigheden. Iets om rekening mee te houden. Zo heb ik nog geen van de boeken van Elena Ferrante gelezen alleen maar omdat er zo veel over te doen was en is. Ik sta te popelen, maar eerst moet niemand meer weten wie ze is en kan ik mijn gang gaan. Een eigenaardigheid waar je niet perse gelukkiger van wordt. Of je nu uit Europa of Azië komt, we willen het allemaal ‘selluf doen’, op eigen kracht, eigen initiatief. Het geloof dat je kunt vliegen gaat bij kinderen vaak gepaard met de overtuiging dat je het kunt.

    Toen iedereen naar de kleedkamers ging, wist niemand of alle kinderen er waren. Er was niemand die riep: ‘He, ik mis er een.’ Die om zich heen keek en dacht; Er was toch … Hoe heette ze ook weer. ‘Salam’ schoten de kinderen te hulp, en je riep: Jongens waar is Salam?’ En natuurlijk werd er direct in het water gekeken, want dat doe je. Als je met een kind bij water bent en je bent het kwijt; dan kijk je als eerste naar de diepte van het water, en wanhoopt, altijd die wanhoop; ze zal toch niet? En dan je hoofd schudden; waarom het ergste denken, daar moet je eens mee ophouden. ‘Jongens, vooruit naar de kleedkamers’ en sluit de deuren.

    Het eigenaardige is dat je niet wist of ze je kon verstaan. Maar goed, ze was al maanden in Nederland, en kinderen leren snel. Je hebt het haar in ieder geval gezegd, dat ze niet bij het diepe mocht. Dat moeten ze weten, dat je het wel gezegd hebt. Gezegd dat het diepe bad voor haar verboden is. En je hoopte dat ze het verstaan had, tegen beter weten in.
    Er waren mazen in het net geweest, ze hadden ze niet gezien, maar ze waren er. Ze hadden niet gezien dat ze met elkaar een uitnodigende opening in dat net van veiligheid hadden gecreëerd door te denken dat de ander…, en in dat gat sprong ze.

    De film ‘I’m Not Your Negro’ naar het (onvoltooide) boek van schrijver James Baldwin, vertoont beelden van de vijftien jarige Dorothy Counts, die in 1957 als enige zwarte naar een blanke school in Noord Carolina gaat. Ze wordt op die beelden vernederd en uitgelachen door witte leerlingen en hun ouders. Het zien daarvan vervult je met woede over zoveel domheid. Baldwin wist: ‘Some one of us should have been there with her!’

    Tien minuten op de bodem van het zwembad. Je zag nog de luchtbubbels door het water opstijgen naar het licht. Bubbels zo vrolijk en bruisend als de blijheid die je voelde toen je hoorde dat je zou leren zwemmen. Er was iets dat je zou moeten weten. De badmeester had het gezegd, maar al die korte klanken, die ee en aa’s en ghghghgg’s en sissers werden geen woord dat je kende. En dan, tien minuten. ‘Waar was de wereld in die tien minuten?, vroeg haar moeder zich af.

     

     

     

  • Blonde schaduw

    Het vroege zonlicht trilt in de cypressen,
    Drijft als een blonde schaduw over ’t gras
    En stroomt, huiv’rend in ’t hooge vensterglas,
    In ’t blank boudoir der grijzende comtesse.

    Het zou zomaar een beschrijving van een schilderij van David Hockney kunnen zijn, van wie een overzichtstentoonstelling te zien was in Tate Britain, maar het is het begin van ‘Mozart’, een gedicht van Martinus Nijhoff. Hockney gaat door als een schilder van de ‘sun’ en ‘fun’ in Californië, waarnaar hij in 2013 terugkeerde. Sommige werken van Mozart wekken eenzelfde indruk, zoals bijvoorbeeld de Symfonie in A grote terts KV 201.

    Op het eerste gezicht. Op het eerste gehoor. Want er ligt een schaduw overheen. Soms letterlijk, zoals op Portrait of an artist (1972) of van een stapeltje boeken (Christopher Isherwood and Don Bachardy, 1968), vaak meer figuurlijk. Zo is de symfonie van Mozart uiteindelijk ook niet de bevallige rococosymfonie waarvoor hij wordt versleten, of zoals Wouter Paap het in een boek over de componist zo mooi omschreef: ‘Doordat alle ernst en zwaarte uit de weg is gegaan, maakt zij de indruk van een onbewolkte geluksdroom.’ De indruk – maar er is méér: een blonde schaduw over ’t gras, een grijzende comtesse in zichzelf verzonken.
    Je kunt je afvragen of Robert Hughes (in The shock of the new) gelijk had, toen hij schreef dat Hockney geen Mozart is maar een Cole Porter. Op z’n minst is een nuancering op zijn plaats, die nota bene begint met de constatering dat Porter wel de Mozart van de lichte muziek wordt genoemd! Dat zal ongetwijfeld te maken hebben met de vermeende lichte toets van beider muziek.

    Maar niemand verwijt toch ook Tintoretto’s sprezzatura (vakkundig maar moeiteloos tot stand gebracht)? Nee, de op een soortgelijke manier geschilderde teckels Boogie en Stanley van Hockney, die Mensje van Keulen beschreef als ‘aandoenlijk’ en ‘mooi’ (in het korte verhaal ‘Laatste wens’ uit: Een goed verhaal) waren in Londen niet te zien, maar wel de vergelijkbare, rake en diep getroffen tekeningen van bijvoorbeeld Andy Warhol en W.H. Auden. Je kunt je afvragen waarom die nooit in Nederlandse musea te zien zijn – in tegenstelling tot de teckels, die in 1995 in Boijmans Van Beuningen werden geëxposeerd –; ze vormen ‘het meest complete tegendeel’ van ‘sun’ en ‘fun’ zoals Huub Beurskens terecht concludeerde in zijn artikel ‘Ik ben geen camera’ (De Gids, 1999). Ze betoveren volgens hem niet de kijker, maar laten iets trillen in de mensen die Hockney tekende. Dichter bij de mens Warhol kun je misschien wel nooit komen. Ik heb er geruime tijd gefascineerd naar staan kijken.

    Je kijkt (op)nieuw naar Hockneys werk en ontwaart die blonde schaduw en die grijzende comtesse, als in de muziek van Mozart. En je hoort Mozart sardonische lach zoals in de film Amadeus: Ik had je beet, is het niet?

     

     

  • Sensatie van verlies

    De Eritreese jongeman die ik regelmatig spreek, was erg bedroefd. Hij was bezig geweest zijn vrouw en kind te laten overkomen. Dat was mislukt. Ik probeerde uit hem te krijgen waarom, maar het werd een onduidelijk verhaal. Zijn verzoek was door Nederland niet afgewezen, meende ik te begrijpen. Maar de werkelijke reden wilde of kon hij me niet vertellen. Wil zijn vrouw niet meer naar hem? Staat ze misschien onder druk van de Eritreese dictatuur? Kan hij haar overkomst niet betalen?

    Hij is iemand die niet snel vertrouwen schenkt, maar volgens mij is dat het probleem niet tussen ons. Toch durf ik die vragen niet te stellen. Ik cirkel erom heen, maar voel dat er compartimenten hermetisch gesloten blijven. Hij is bijvoorbeeld altijd erg terughoudend over de reden van zijn vlucht. Ik heb in de loop van de gesprekken slechts een vermoeden gekregen: hij had een tuinderij, die hij moest opgeven omdat hij gedwongen werd voorgoed in militaire dienst te gaan voor een regiem waar hij tegen is.
    Zonder dat ik er op aan stuur komt het gesprek op zijn groentekwekerij. Hij ontdooit. We dwalen van zijn bedrijf naar de groenten die hij verbouwde, naar de markten waar hij ze verkocht en naar de verwerking in gerechten. Hij vertelt steeds enthousiaster, vooral als we plaatsnamen, markten en groenten en fruit via Google laten illustreren. Hij vergeet bijna dat hij matig Nederlands spreekt en bloeit op. Even. Maar als we uiteen gaan, zakt zijn hoofd weer. Hij zwaait losjes als hij de deur uitgaat. Een dag of wat later zie ik hem opnieuw. De grauwsluier is terug.

    Ik moest aan dit voorval terugdenken toen ik de afgelopen dagen Exit West las van Mosin Hamid. Het is een ontroerende, poëtische roman over een verliefd stel dat hun (niet nader genoemde) land in het Midden-Oosten ontvlucht voor oorlogsgeweld. Wat me er zo aan boeide was naast de gevoelvolle, bijna tedere, beschrijving van de relatie tussen Saïd en Nadia (namen die mij onbedoeld steeds aan Saïdja en Adinda van Multatuli doen denken) en de verteltrant van Hamid. Hij schrijft vanuit de gedachtewereld van de hoofdpersonen. Maar vooral: hij heeft het niet over gruwelijkheden (op één geval na) maar over sensaties van verlies, ontheemd zijn maar ook nooit los komen van je wortels, het zoeken naar houvast in een (nieuwe) identiteit. Bijzonder mooi is ook zijn metafoor om migratie voor te stellen als het openen van deuren die je in andere werelden brengen. Het zijn niet alleen vluchtdeuren; ze worden ook in omgekeerde richting gebruikt. Op die manier weeft Hamid een web van migratie als gevolg van de globalisering. Uiteindelijk blijken we allemaal migranten, van cultuur naar cultuur, én in de tijd, in fasen van ons leven.

    Maar het verleden blijft ons volgen. En dat is urgenter voor degene die gedwongen vertrok. Zijn familiebanden, de gehechtheid aan het moederland. Onuitwisbaar. Een pijn om verloren geliefden, verloren land en een verloren droom. Levenslange pijn. Zoals  van de jonge Eritreeër die ik ontmoet.

     

     

  • Bovendrijven

    Een van mijn oudste en dierbaarste vriendinnen (we zijn allebei jong maar op zeker moment, in een zucht, volwassen geworden) opent haar eerste expositie. Het zijn foto’s, een zoektocht naar vrijheid in beeld. Ik vind uiteraard al jaren iedere scheet die ze laat briljant, maar zie ook haar groei en ontwikkeling terug in haar werk, het worden van wie je bent door wat je doet.
    De overeenkomsten tussen schrijven en fotograferen zijn gauw gevonden en misschien iets te makkelijk om hier te herhalen, dat eeuwige kijken, het kaderen, anderen hebben dat vast al eens veel ingewikkelder geformuleerd.
    Laten we zeggen dat we ons allebei in een overvol zwembad bevinden. We willen allebei bovenkomen en blijven drijven, maar met ons nog zoveel anderen – het is zo druk in dat bad, we moeten zo ontzettend dringen.

    Op hetzelfde moment vindt er een boekpresentatie plaats – al heb ik het idee dat er altijd, op elk moment, wel ergens een boekpresentatie plaatsvindt – het is net als met die cijfers over hoe er om de paar seconden wel ergens iemand sterft of wordt geboren. Dichter debuteert met roman. Heel spannend en mooi natuurlijk, ik neem me al jaren voor iedereen alles te gunnen, zeker wanneer het – zoals mijn opa zou zeggen – jaartaarten betreft. Ondertussen watertrappelen we.

     

    Binnenkort schuif ik aan bij een programma, goddank op de radio, om het over mijn romandebuut en over debuteren in het algemeen te hebben. Vooral dat laatste vind ik lastig. Hoewel ik veel Nederlandstalige romans lees, lees ik lang niet alles en lang niet alles wat ik lees vind ik even goed. Moet ik dat dan zeggen? Wie schiet daar iets mee op?
    Waar ik tijdens het praatje van mijn vriendin aan moest denken is dat je verwachtingen niet alleen kunt hebben maar je het ook kunt zijn: in verwachting van een baby, van nieuws, van een expositie of een boek – echt zo’n zin die bij nader inzien niet zo diep gaat als je hoopt, maar u begrijpt waar ik naartoe wil. Iemand heeft ergens zoveel tijd en energie aan besteed en presenteert zijn of haar werk aan de buitenwereld. En die buitenwereld is, zoals bekend, genadeloos. Snoeihard.

    Misschien geef ik daarom geen sterren op Goodreads aan boeken van mensen die ik bij een biertap tegen zou kunnen komen, al is dat ook flauw. Waarom zou die griet van dat feministisch pamflet dat ik zo ruk vond dat ik er één ster aan gaf niet ook af en toe op Goodreads zitten? Zou haar laptop mijn commentaar (‘ik wil graag mijn vijf euro terug’) niet ook automatisch vertalen?
    Om kort te gaan: omdat ik kritisch kan denken, moet ik het dan ook doen?

    Van foto’s weet ik niets, dus kan ik ongegeneerd alles mooi vinden, trots zijn, mijn favorieten aanwijzen. Mijn vriendin straalt, vooralsnog blijft ze boven water, net als ik. Misschien moet ik het daarover hebben, bij die uitzending: de verwachting, het drukke bad en hoe we allemaal niets anders willen dan blijven drijven.

     

     

  • Kus me

    De zonovergoten dagen, de picknicks, zwemmen in het meer, een terrasje en ’s avonds tot laat bij de vuurpot met stukken overgebleven pizza en bietensalade (ja, de combinatie zie ik ook nu pas) kon de oorzaak zijn geweest. Ook waren er hier ten huize  drie verjaardagen in één week te vieren. Oh, we deden ons best maar wat verlangde ik naar gewone dagen waarin de enige verleiding bestond uit de wijn bij het avondeten. Steeds zei ik tegen beter weten in ‘ja’ waar ik ‘nee’ dacht. Daar kon geen hoofdpijn, die ik niet nader wil benoemen, omheen. Geen migraine, dat legt de boel maar vast en ontneemt me het geloof dat ik er niet aan lijd. Hoofdpijn dus.

     
    In een verduisterd kamertje onttrok ik me aan de dag – ijscompressen zouden helpen maar er was niemand die eraan dacht – met een hoofd dat voor het komende etmaal even nergens bij aan zou schuiven. Het enige wat ik nog kon was lezen. Als niemand het zag. Anders zou het lijken of ik simuleerde; want hoe leg je iemand uit, die geen ervaring heeft met een zichzelf misdragend hoofd dat scheef staat van het bonzen en gonzen, dat lezen de enige redding is die je voor het wegzakken naar de diepste regionen in jezelf behoedt? Als ik de trap hoorde kraken lag ik amechtig achterover, Kus me, Straf me van Marja Pruis samenzweerderig op het tafeltje naast mijn bed. Ik wilde niet eten, niets drinken, geen mensen zien. Na ‘alle dagen feest’ vond ik mezelf weer terug met het lezen van Marja Pruis’ teksten over fictie en non-fictie en over haarzelf en daar weer een menging van. Verhalen ook, karakterschetsen ter illustratie van haar beschouwende stukken. Ik las en hoefde niets te begrijpen. Ik las om me met belangrijker materie bezig te houden dan gekraakt te worden door een hoofdpijn; voorbij gaan aan de dingen. Dat is ook wat Pruis deed op een dinsdag in 2001.

     
    Ze had een afspraak met Anthony Mertens in café Scheltema, 16.00 uur in de middag. Er was iets met die dag. Er zaten een jongen en een meisje, ‘als een stel zombies’, onafgebroken naar de tv te kijken.
    ‘Ik was de hele week nerveus. (…) Ik was te vroeg, (…). Wat zich op het scherm afspeelde zag ik wel en niet. (…) hoe ik ook krantenkoppen wel en niet kan zien. Hoe groter de kop, hoe minder ik ‘m zie. (…) Gehaast en een beetje krom kwam hij binnen (…). bestelden de eerste lading bier en bitterballen (…) Af en toe werden we lastig gevallen door de ober die een uiterst somber wereldbeeld ontvouwde. (…)  knikten instemmend en bogen ons weer over belangrijker materie.

    Ze worden steeds gestoord door die ober, door een paar studenten die hun mening willen over het wereldgebeuren. Ze geven beiden niet thuis, wimpelen af en steken de kop in de literatuur waardoor de wereldschokkende gebeurtenis op 11 september 2001 finaal aan hen voorbijging. Dat bracht herkenning. De dingen voorbij laten gaan.

     

     

     

  • Ochtendritueel

    In het antiquariaat is schatzoeken een heerlijke activiteit. Tussen een partij boeken net die ene titel vinden die erg gezocht is of zeer zeldzaam. Afgelopen zaterdag was het een onverwacht soort schat die ik aantrof. Op een onvoorzien moment ook. Ik pakte de krant uit de brievenbus en vond er een gekreukt A4tje in. Het was een ‘wijklijst’. Een lijst van adressen die de krantenbezorger bij zich heeft om ervoor te zorgen dat de krantenlezer ’s ochtends niet voor niets naar de brievenbus sloft. Want, helaas, het is mij  wel eens gebeurd. Dat je heel af en toe toch enigszins gepikeerd in een leeg postvak staart. Ai, daar gaat je ochtendritueel, van ontbijt maken, krant doornemen, koffie zetten, krant lezen en dan aan het werk. Althans, zo gaat het bij mij tijdens de eerste wakkere uurtjes van de dag.

    De krant liet ik links liggen, want ik raakte onmiddellijk gefascineerd door deze ‘wijklijst Amsterdam Slotermeer’. Ik telde het aantal krantenlezers in deze wijk. Dat blijken er rond de vijftig te zijn. Zeven adressen hebben alleen de krant op zaterdag. Voornamelijk zijn het Telegraafabonnees, de Volkskrant komt – op grote afstand – op de tweede plek en dan een handjevol AD-lezers, Trouw en NRC Next. Hoeveel mensen wonen er in deze wijk? Ik gok tweeduizend huishoudens. En dan 50 abonnementen. Middagkranten als NRC Handelsblad en Het Parool zullen mogelijk ook eenzelfde aantal abonnees hebben. En dan hebben wij zelfs 1/25 van de abonnementen, want we hebben twee ochtendkranten. Redelijk krantengek, zeg maar papiergek zijn we hier.

    Twee jaar geleden werd ik – als nieuwkomer – geïnterviewd voor een boek over dit stadsdeel. Ik maakte deel uit van een beweging die zich vanuit het centrum van de stad naar de periferie bewogen. Verhuist van de binnenstad naar een in veel opzichten totaal andere stadswijk. Ik wist dat deze wijk als een sociaal en economisch redelijk achtergestelde buurt geldt. Laag opleidingsniveau, hoge (jeugd)werkloosheid, lage lonen, veel mensen met een migratie-achtergrond. De boeken langs de muren in mijn werkkamer aan de straatkant wekken vaker de lachspieren of verbazing op – kijk daar, boeken? –  dan interesse. Ik ben een absolute Fremdkörper en dat bevalt me wel. Het wringt maar ook, het voelt goed. Die combinatie van licht ongemak en een mild non-conformisme geeft me energie om te blijven zoeken en ogen open te houden voor kleine en soms grote schatten die je soms gewoon voor de voeten worden geworpen.

     

     

     

  • In de zevende hemel

    De allereerste handtekening die we kennen, is tegelijkertijd de eerste schildering. In bruinrode verfspatten op de muur van een grot in Spanje toont zich de hand van de maker. Letterlijker kan een handtekening niet zijn. Ouder ook niet. Ik vond dat altijd een soort van kunsthistorische grap. Het oudste kunstwerk dat we kennen heeft een handtekening, terwijl de kunstwerken die daarna zouden volgen nooit werden gesigneerd. Nou ja, tot pakweg de laatste vijf tot zeshonderd jaar van onze geschiedenis dan. Maar dat is in verhouding tot die eerste handtekening die ongeveer tweeëndertigduizend jaar oud is, eigenlijk pas sinds gisteren. Toen de klassieke oudheid herboren werd deed ook de handtekening weer meer en meer opgeld in de kunst. Al moest het wel in het geniep gebeuren. Zo kon het dat een jonge Michelangelo in de nacht met hamer en beitel door de Sint-Pieter dwaalde om zijn Pietà te signeren. Hij had namelijk horen vertellen dat iemand anders zijn beeld gemaakt zou hebben. Om die vergissing voor eens en altijd de wereld uit te helpen bewerkte hij Maria’s sjerp: Michael Angelus Bonarotus Florent Facibat (Michelangelo uit Florence heeft dit gemaakt), zijn eerste en enige signatuur. Zo ongebruikelijk was dat toen.

    Nu zijn we daar een stuk soepeler in. Sterker nog, we zouden het raar vinden als we bijvoorbeeld een boek kopen waar niet bij staat wie de schrijver is. Dat staat dus pontificaal op de omslag. Als een soort van authenticiteitskeurmerk. Geen naam, geen waarde lijkt de ongeschreven regel tegenwoordig te zijn. De overtreffende trap daarvan zie je in de gewoonte boeken te signeren. Het geeft het boek een zweem van nog meer echtheid mee. Een bewijs dat de schrijver het boek niet alleen geschreven heeft, maar ook heeft aangeraakt. Soms sta je er uren voor in de rij, schuifelend en licht zenuwachtig of opgewonden dat je straks oog in oog met de schrijver van het boek in je handen staat. Soms haal je zo’n gesigneerd boek gewoon van een stapel in de boekhandel. ‘Auteursexemplaar’ staat er dan op, alsof de niet gesigneerde boeken niet van hem of haar zijn.
    Persoonlijk vond ik die dubbele signatuur van boeken nogal overbodig. Op de titelpagina stond immers al wie het boek geschreven had. Tot ik mijn eerste auteurshandtekening ging halen, op 11 maart 1993 in de Leidse Schouwburg. Ik weet het nog als de dag van gisteren. Mijn schrijver was de rokerige boekhandels (die je toen nog had) allang ontgroeid. Hij signeerde zijn boeken liever op een podium, na een interview waarin hij weinig meer van zichzelf blootgaf dan het gestileerde beeld dat we al van hem kenden. Maar waar we in grote getale gretig op af kwamen, omdat we de schrijver toch wilden horen. En, misschien ook wel, omdat we die handtekening wilden bemachtigen. Die persoonlijke aanraking van de schrijver van het boek. Me in de zevende hemel wanend, liep ik naar buiten.

     

     

  • Schriftje

    Ik heb een onwrikbaar beeld van schrijvers. Denk ik A.L. Snijders, dan zie ik hem zitten in een tochtig schuurtje – met een peervormige gloeilamp boven zich. De hele dag bezig met het schrijven van zkv’s en af en toe voedert ie de kippen, veegt het erf of haalt iemand van het station, maar verder zit hij achter een brede plank – zijn schrijftafel – en schrijft. Philip Roth net zo. Die zie ik staand achter zijn schrijfaltaar waar hij onverdroten aan een boek werkt. Ook nu hij niet meer schrijft, zie ik hem zo. Dat kan natuurlijk niet, een schrijver die alleen maar schrijft. Hoewel, als ik aan A.F.Th. van der Heijden denk – in zijn schrijfkantoor met al die werktafels –  dan klopt het: een schrijver die alleen maar schrijft. Gek genoeg krijg ik Adriaan van Dis niet achter een tafeltje geplaatst waar hij zijn noeste schrijfwerk verricht; hem zie ik in de moestuin en bij de geiten.

    In Deventer was De avond van Eus in het Burgerweeshuis. Daar was Adriaan van Dis om te praten over Het buitengebied. Dat zich ergens rond Deventer bevindt. Eus is de schrijver Özcan Akyol. De avond(en) van Eus zijn avonden die ergens over gaan. Daar zorgde Ellen Deckwitz voor – die heeft wat Eus niet heeft – zij trok lering uit de gesprekken, gaf na elk gesprek stante pede een scherp resumé waardoor je dacht: ‘Ah, zó doe je dat!’ Maar zou het jezelf nooit lukken. Nico was er ook, Dijkshoorn. Zat in een zwart poloshirt langs het gangpad. De wat gebogen rug –  schrijverssrug – en zijn blote armen waardoor de gedachte kwam: van schrijven krijg je geen spierballen. Voor hem zat een jonge vrouw met lang blond haar en een blote rug. Nico en de mooie vrouw waren met elkaar aan de praat geraakt. Zij achterstevoren op haar stoel, luisterde aandachtig als hij sprak. Hij lachte wat beschroomd  als zij sprak, zich ondertussen afvragend hoe ie in godsnaam in Deventer was terechtgekomen, stelde ik me zo voor.

    Terwijl Eus, Beatrice de Graaf ondervroeg over het kwaad – dat terug is – dacht ik aan schrijvers in het wild. Wat moet je ermee. Als ik nu een mooi schriftje had waarin ik handtekeningen verzamelde. Dan liep ik op ze toe en zei: ‘ik verzamel handtekeningen’, en dan zetten ze hun handtekening gelijk met een opdracht erbij. In de loop der jaren zou ik bekend staan als die vrouw met haar schriftje, stelde ik me zo voor. Maar ik houd niet van handtekeningen verzamelen en een mooi schriftje had ik ook niet.
    Beatrice bekende ondertussen dat haar eigen kwaad in haar ongeduld schuilt. Dat haar dochtertje eens een boom wilde tekenen voor opa, dat het Beatrice te lang duurde en ze het potlood pakte en zei: ‘Kijk, zo teken je een boom.’ Ja, dat is inderdaad niet aardig.

    Het ging er vrolijk aan toe in het Burger Weeshuis in Deventer  met Özcan Akyol die volledig naturel publiek en genodigden bespeelde en waarvan ik geen idee heb waar hij is als hij schrijft.

     


    Inge Meijer is een pseudoniem. Zij schrijft over boeken als steunpilaren van het leven en over de ontdekkingen die zij doet in de marges van de literatuur.

     

     

  • Feest op de toetsen

    Je zal maar Schubert heten en als beeldend kunstenaar ook nog eens een serie kunstwerken maken onder de titel A four hand piano piece (nog tot 3 juni te zien in de galerie van Gerhard Hofland in Amsterdam).
    Het persbericht werkt uiteindelijk toe naar de clou van de vier vlakken op de verschillende doeken. Eerst gaat het over gebalanceerde, abstracte composities van een bijna meditatieve aard. Dan over de vredige en rustige werkmethode van de Duitse kunstenaar, die klassieke materialen gebruikt, zoals ei tempera. Vervolgens zwenkt de blik naar de toeschouwer van wie concentratie en doorzettingsvermogen wordt gevraagd. De cyclus blijkt uiteindelijk bedoeld te zijn om dingen vanuit een verschillend gezichtspunt te bekijken. Zowel de bedoeling van de kunstenaar als de receptie van zijn werk door de toeschouwer spelen een even belangrijke rol.

    Enkele jaren geleden was er een concert in TivoliVredenburg in Utrecht. Twee pianisten, een Hongaarse en een Nederlander, speelden met orkest het Concert voor twee piano’s en orkest KV 242 van Wolfgang Amadeus Mozart, die het werk zelf in Wenen had gespeeld met zijn leerlinge Josepha von Auernhammer.
    De twee in Utrecht waren zowel leerling en oud-docent als, vermoedde ik toen ik ze na het concert zag lopen, geliefden. Ze speelden niet alleen prachtig; het was ook een genot om naar ze te kijken. De pianiste jutte haar pianopartner op om nóg meer te geven, wat minder introvert te spelen maar er helemaal voor te gaan. Je zag en hoorde hoe hij probeerde hier gehoor aan te geven, maar helemáál lukte het hem niet. Wat ook niet erg was, want zo bleven het – gelijk de doeken van Daniel Schubert – verschillende gezichtspunten. Dan weer een donker vlak onder aan het doek, of in de laagte van de ene piano, dan weer een licht in de rechter bovenhoek, of in het hoogste register van de andere piano.

    Iemand die mooi formuleerde hoe dat zit met zo’n duo, in zijn geval net als bij Schubert quatre-mains op één piano, is Christiaan Weijts in zijn gelauwerde debuutroman Art. 285b. Over Sebastiaan, een pianoleraar en zijn Italiaanse leerlinge Rosetta: ‘Iedereen die wel eens quatre-mains heeft gespeeld, kent de gewaarwording: de wonderlijke duplicatie waardoor jouw handenpaar zich uitbreidt met dat van een kloon waar je geen controle over hebt, maar die toch dingen doet die wonderwel blijken te passen bij wat jij speelt.’

    De duplicatie zie je bij de expositie met werk van Daniel Schubert, – de dingen die wonderwel blijken te passen hoorde ik in het concert in Utrecht: ‘Het paar stuwt elkaar (…). Nu is het feest op de toetsen en staat niets het paar nog in de weg om los te breken en los te zijn en de razendsnelle klim te maken.’ Prachtig. Om te zien en te horen. En over te lezen.

     

     

     

  • Generaliseren

    Generaliseren, ik hou er niet van. Toch betrap ik me zelf er ook geregeld op. Ik dacht eraan toen ik deze week het boek Ontmoetingen met Syriërs van Eveline van der Sande en anderen doorlas. De schrijvers geven een beeld van het leven van Syriërs in hun land en hun ervaringen in Nederland. Dat allemaal aan de hand van een soort keukentafelgesprekken. Hoewel het aardige literatuur is, stoorde me iets in dit boek. De schrijvers zullen niet gekozen hebben voor een titel als Ontmoetingen met de Syriër. Toch voelde ik bij lezing dat me gemeenplaatsen opgedrongen werden die ik vanuit mijn persoonlijke contacten met Syriërs niet herkende. Ik praatte veel met Syriërs en leerde ze niet alleen te zien als lid van een bepaalde bevolkingsgroep of als vluchteling, maar als dorpsgenoot. Waarbij de een me sympathieker was dan de ander.

    Ik ben geneigd te concluderen dat mijn contacten met Syriërs gemakkelijker wederkerig worden dan met Eritreeërs. En hup: daar heb ik weer een generaliserende opmerking gemaakt. Eritreeërs verschillen evenzeer van elkaar als Syriërs en Nederlanders. Het is een gedachte die ik al veel langer koester. Sinds Het zijn net mensen van Joris Luyendijk verscheen. Toen ik dat boek las kon ik niet meer vol vertrouwen kijken naar bijvoorbeeld Marieke de Vries, die vanuit Bejing bericht over gebeurtenissen in Zuid-Korea. Hoe zou ik vanuit Limburg moeten berichten over een incident in Friesland? Als me dat al niet lukt met een afstand van een paar honderd kilometer, hoe veel moeilijker kan dat zijn over hemelsbreed duizend kilometer? En op microniveau: wat mag ik voor conclusies trekken uit één gesprek met een Syriër, of met twee, of meer?

    Dat wringt voor mij aan Ontmoetingen met Syriërs. Vrijwel alle gesprekken in het boek zijn gevoerd met mensen die goed opgeleid zijn én in Nederland een plek hebben verworven als muzikant, filmer, rechter, sociologe of als architect.
    Het is een informatief boek, maar ik vraag me tijdens het lezen voortdurend af wat ik er mee kan. De Syriërs met wie ik omga, zijn vaak al twee jaar in Nederland. Ze zijn aan het inburgeren, hebben geen baan en zitten soms nog op gezinshereniging te wachten. Ze hebben wel wat anders aan hun hoofd dan koketteren met cultuurverschillen. Het gebeurt wel, maar mondjesmaat.

    Het boek past wel in ons geknuffel met Syriërs. Hoeveel boeken zijn er verschenen over Eritreeërs en hun omgang met onze cultuur en die van ons met de hunne? Ik zocht het op in de catalogus van de landelijke bibliotheken Picarta. Eén treffer in het Nederlands. Een onderzoeksrapport uit 1993. Gelukkig schoot Google te hulp om aan te tonen dat het zo triest nu ook weer niet is. Daar vond ik ook nog Wachtkamer Havenstraat van Tanja te Beek. Een recensie op ‘www.Majella.nl’ heeft als kop De Eritreeërs waren er ook. Het generaliserende ‘De’ vergeef ik ze. De titel is heel toepasselijk: alsof de auteur zich verontschuldigt vanwege de aandacht voor een minder geknuffelde groep. Ik moet het maar eens gaan lezen.

     

     

  • Fijn griezelen

    Als tiener keek ik de ene na de andere horrorfilm. Het kon me niet eng genoeg zijn en de bloederigheid van het genre nam ik voor lief tot ik op een dag, tijdens het zoveelste deel van Saw, begreep dat het genoeg was. Sindsdien verdraag ik geen enkel gruwelijk beeld meer en kijk ik uitsluitend spookfilms, van die vertellingen waarbij plots de paranormale pleuris uitbreekt – al heb ik de helft van de tijd mijn handen voor mijn ogen en roep ik dingen als: ‘Nee joh, ga weg’.
    Ik griezel dus graag, maar walgen staat me tegen. Om die reden stopte ik, kotsmisselijk in een intercity, voortijdig in Elementaire deeltjes van Michel Houellebecq en word ik alleen al bij de samenvatting van Edgar Allen Poe’s The cat licht in mijn hoofd. Maar ik lees die samenvatting wel.

    Waarom mensen het zichzelf aandoen, met films of springend uit een vliegtuig, weet ik niet. Wat ik wel weet, is hoe moeilijk het is om bepaalde gevoelens op te wekken via papier. Iemand met woorden fysiek aan het rillen krijgen, is knap. De spanning die ik in heel mijn lijf voelde toen ik als kind de boeken van R.L. Stine las, wanneer heb ik dat tegenwoordig nog? Gebeurt er tijdens het lezen nog iets fysieks – hartkloppingen, kippenvel?
    Minstens zo moeilijk als het gedoe met die nekharen is humor. Veel boeken die ik lees zijn met droogkomische toon geschreven, de observaties scherp en de dialogen ad rem, ik kan daar erg van genieten. Maar genieten is iets anders dan lachen. En als ik zou optellen hoe vaak ik in chats reageer met ‘hahaha’ en iets heus wel grappig vind maar niet zo grappig dat er echt een geluid uit voortkomt, zou ik wellicht tot de deprimerende conclusie moeten komen dat ik een sociaal aangepaste leugenaar ben.
    Misschien hecht ik er teveel waarde aan. Aan de andere kant las ik onlangs Geen Jalapeños van Thomas Beijer en barstte ik tijdens een passage over postduiven en emoji hardop in lachen uit, een gevoel dat zo vrolijk en bevrijdend is dat Beijer alleen daarom al een prijs verdient.

    In een interview zei een schrijver dat ze ‘het’ met porno niet kon, ze had woorden nodig om opgewonden te raken. Eerst vond ik dat maar aanstellerij, nu denk ik: waarom niet? Wanneer heb ik eigenlijk voor het laatst gehuild bij een boek?

    Ik kom hier allemaal op door de verhalen van Mariana Enriquez. Haar verhalen in de bundel Dingen die we verloren in het vuur lezen als horrorsprookjes, met een moddervette vertelstem en bloederige details die ik maar net aankan, haar werk doet denken aan jaren tachtig teen slashermovies. Van de schrijver weet ik niets, meestal houd ik dat liever zo, maar in het geval van Enriquez stel ik me graag voor dat ze haar lezingen in donkere ruimtes houdt, met een zaklamp die vanonder haar kin naar boven schijnt, of in gezelschap van een kampvuur. Met haar verhalen komt het fijne van griezelen weer terug. En hoe.