• Zonder gemis

    In mijn kamer hangen twee zeefdrukken van Ron van der Werf, Mysterie I en II (2003). Twee abstracte werken die ontegenzeggelijk een duo vormen, want de kleurstellingen zijn duidelijk op elkaar afgestemd en de composities komen in hoofdlijnen overeen. Blijkbaar wilde Van der Werf tweemaal een vergelijkbaar verhaal vertellen, met hier en daar een andere insteek. Of beter gezegd, vanuit een iets gewijzigd innerlijk vertelt hij tweemaal hetzelfde of op zijn minst een vergelijkbaar beeld. Waardoor ik me altijd afvroeg of de zeefdrukken elk voor zich dezelfde zeggingskracht zouden hebben. Kunnen ze het ook op eigen kracht, of heeft de een de ander nodig? Soms probeer ik het weleens en dan kijk ik heel lang naar een van beide zeefdrukken, om er dan achter te komen dat het altijd een geamputeerd beeld oplevert, alsof er iets ontbreekt. Een onbewust gemis.

    Datzelfde heb je soms met boeken. Het overkwam me laatst toen ik Old Filth had uitgelezen (Een onberispelijke man), Jane Gardam’s boek over Sir Edward Feathers, gepensioneerd rechter uit een ander tijdperk. Feathers is geboren en opgegroeid in het verre Oosten, naar Engeland teruggestuurd om naar school te gaan, in de oorlog verder ontworteld geraakt en na de oorlog naar het Oosten teruggekeerd om in Hongkong een gevierd rechter te worden. Maar na zijn pensionering gaat hij terug naar Engeland  om daar zijn oude dag te slijten. Dit leven van Feathers ontvouwt zich in Old Filth langzaam, steeds door zijn ogen gezien. Toen ik het boek uit had zat ik nog met allerlei vragen, onduidelijke passages of gaten in het leven van Feathers. Niet omdat het slecht was geschreven of opgezet. In tegendeel, maar de gaten waren er desalniettemin, wat ik overigens niet heel vervelend vond, omdat dat ook een beetje het leven is. Maar het knaagde wel, dat gebrek aan volledigheid. Een beetje een soortgelijk gevoel als het kijken naar een van de twee Mysteries van Van der Werf.

    Pas toen ik Old Filth had uitgelezen kwam ik erachter dat het het eerste deel is uit een literair drieluik. In The man in the wooden hat kan je het verhaal nog eens beleven, maar dan door de ogen van Betty, Edward Feather’s echtgenote. Waarschijnlijk in grote lijnen vergelijkbaar, met hier en daar natuurlijk de persoonlijke inkleuring van Betty. En in Last Friends krijg je zelfs een derde kans om het verhaal te herbeleven, maar dan vanuit het gezichtspunt van Terry Veneering, Feather’s professionele rivaal en kortstondige minnaar van Betty. Nu heb ik nog twee mooie boeken te gaan, met alle gelegenheid om de gaten uit Old Filth gevuld te krijgen, zodat ik een completer beeld krijg van het verhaal dat Gardam te vertellen heeft, zonder gemis.

     

     

     

  • City of Literature

    Ik liep door een stad die zich opmaakte om voortaan als City of Literature door het leven te gaan. De zon blakerde de daken en langs de stoep stond vuilnis in grijze plastic zakken te wachten om afgehaald te worden. Ik liep er met twee andere vrouwen op weg naar een terras onder hemelhoge en zacht ruisende platanen. Er was van alles te bespreken. We namen er een cappuccino, een muntthee en een latte macchiato bij. En water. Zittend rond een tafeltje met de stadsgeluiden die zo nu en dan onze stiltes overnamen. We waren bedacht op onverwachte kantjes, een teleurstellende opmerking – verwachtingen steken altijd onverwacht de kop op – en wie het ongelijk dan zou opheffen, het evenwicht herstellen. Maar de vragen verdroegen het gesteld te worden, meebewegende vragen waarin verwachting en nieuwsgierigheid school. Waarna zich nieuwe verhalen en ideeën  ontvouwden en bovenal mogelijkheden toonden. We dronken onze cappuccino, muntthee en macchiato, de koekjes bleven liggen, hoewel, ik kon het niet laten ze bij de twee anderen weg te nemen en op te eten.

    Later, toen het middaguur verstreken was, gingen we terug naar het station. Want er was meer te doen dan in gefilterd zonlicht onder platanen te zitten. We staken de Nieuwegracht over en een van de drie vrouwen nam afscheid. Toen waren we nog met zijn tweeën. De ander (of ik) zei: ‘Hee, kijk nou.’ En ik (of de ander) zei ‘Wat.’ Toen zagen we het. Dozen vol boeken, buiten in een vensterbank. We zeiden: ‘Zullen we?’ En we zeiden: ‘Ja, vooruit, nu we er toch zijn.’
    Boeken voor 1 euro per stuk, stond er met zwarte viltstift op een stuk karton geschreven. We graaiden en schoven elkaar exemplaren toe van kijk hier en ‘hé’ kijk daar. Waarbij ik het geluk had een exemplaar van Konijn van J.M.A. Biesheuvel in handen te krijgen, (of was het de ander). Een hand geschreven verhaal met tekeningen van de schrijver, A4 formaat met slappe kaft. Een wonderlijk intrigerend exemplaar, zoals de schrijver zelf. Iets dat je hebben moet, als je van Biesheuvel houdt. Een uitgave die bij het antiquariaat € 22,50 doet. Ik speelde het boekje de ander toe die het weer naar me terug speelde en ik wilde niet flauw doen en kocht het voor die ene euro.

    Later schuifelden we langs de boekenwanden, rugtitels voor ons uit mompelend en af en toe zei de ander (of ik), ‘Oh, dit is zo’n mooi boek’. En zei ik (of de ander) alles gelezen te hebben van bijvoorbeeld Simone de Beauvoir. Je had nooit gedacht dat ze verloren zou gaan, dat niemand  meer naar haar taalt. We lazen de titels van plafond tot de vloer en weer terug. Was het niet: zeg me wat je leest en ik zeg je wie je bent? Nou ja, zoiets was het in de stad die het in zich had City of Literature te worden.


    Inge Meijer is een pseudoniem en wil dat wel zo houden. Zij schrijft over boeken als steunpilaren van het leven en over de ontdekkingen die zij doet in de marges van de literatuur.

     

     

  • Lezen

    Ik heb zo mijn tradities waar ik naar uitzie. Een daarvan is dat ik elk jaar in de zomer een orgelconcert bezoek in de Haarlemse Grote of St. Bavokerk. Dit uitstapje ligt nog in ’t verschiet. Van verleden jaar herinner ik me nog dat ik op een plek zat vanwaar ik zicht had op een stuk in de houten vloer waarin ik, met een beetje fantasie, een hoofd zag afgebeeld. Op de één of andere manier kon ik mijn ogen er niet vanaf houden. Het gezicht leek een beetje op een van de maskers die je nu in het Circustheater in Scheveningen kunt zien bij de opvoering van de Disneymusical The Lion King.

    In deze musical aait een wijze vrouw op een gegeven moment over de bast van het soort boom waaruit in de Haarlemse kerk de plankenvloer is gelegd. En ziedaar: het gelaat van Mufasa – de koning van de dieren – verschijnt aan zijn zoon Simba. Als een geestverschijning, zoals in het begin van Shakespeares Hamlet (waarop de musical is gebaseerd) de geest van Hamlets vader opdoemt en tot diens zoon spreekt.

    Deze twee ervaringen, de Haarlemse en de Scheveningse, brachten bij mij nog iets boven: een gedicht van Ingmar Heytze, uit Alleen mijn kat applaudiseert. Een prachtig gedicht over lezen, over stemmen die de stilte niet doorbreken, zoals de plank in de vloer. Het zijn de bomen die uiteindelijk spreken – letterlijk of figuurlijk – en zo méér zijn dan zomaar dood hout. Ruisende werelden op zich zijn het, zoals het wandelende bos in een ander stuk van Shakespeare: Macbeth.

    Lezen

    Mijn boeken zijn meer
    dan gebundeld papier
    zoveel meer
    dan een paar glazen inkt
    op dood hout

    het zijn stemmen
    die nimmer
    de stilte doorbreken

    ruisende werelden,
    plaatsen van rust

    het zijn bomen
    die weer zijn begonnen
    te spreken.

    Zoals ook de houtsculpturen van Omer Gielliet, die op 7 mei van dit jaar overleed. Hij luisterde naar wat de natuur in zich had om te vertellen, naar wat de vluchtelingen die hij in huis nam hem vertelden. Zelfs noodde hij eens een vriendin en mij binnen. Wij hadden in zijn tuin in Breskens naar zijn fascinerende, uit boomstammen gemaakte werk staan kijken. Gewoon, op de thee, met een chocolaatje. Ik zal aan hem denken, wanneer ik komende zomer weer in Haarlem naar een orgelconcert ga en in de planken op de vloer een gezicht ontwaar: ‘Het zijn bomen / die weer zijn begonnen / te spreken.’  In boeken, beelden, verbeelding en herinnering.

     

     

  • Niet allemaal genieën alstublieft

    Over een verband tussen xenofobie en eugenetica heb ik hier al eens geschreven: de verbetering van de kwaliteit van het eigen volk en het tegengaan van degeneratie ervan door vermenging met vreemd bloed. Dat verband wordt momenteel niet snel openlijk gelegd, maar in de geschiedenis gebeurde dat wel degelijk.
    Velen moeten bij de toepassing van eugenetica denken aan het nazisme, maar al eerder vonden de ideeën in brede kring gehoor. En bovendien in de hoofden van mensen van wie we dat maar moeilijk kunnen accepteren. Ik althans. Het is voor mij elke keer weer danig schrikken als ik er de voorbeelden van tegenkom. Dat gebeurde me de afgelopen maanden vier keer toen ik kennis nam van Het verboden boek van Ewoud Kieft, Oorlogsenthousiasme van dezelfde auteur, Wat is fascisme? van Robin te Slaa en Zie de mens van Linda Roodenburg. Het laatste is uit 2014, maar ik vond het nu pas in de ramsj.

    Ze halen allemaal de Britse grondlegger van de eugenetische beweging, Galton, aan die in 1865 al schreef dat we een wereld van genieën zouden kunnen creëren als we een twintigste deel van het geld dat we in de paardenfokkerij staken zouden besteden aan verbetering van het menselijke ras. Dat van Galton wist ik al langer, maar het is toch weer een dreun als je, vooral bij Kieft en Te Slaa, leest welke gerespecteerde personen dat idee serieus hebben overwogen. Wie bijvoorbeeld vond het verschrikkelijk dat zieken die totaal niet werkten en alleen maar noodlijdende kinderen op de wereld zetten, er beter maar niet konden zijn? Jawel: H.G. Wells. Wie wilde risicovolle groepen laten steriliseren? Jawel: Churchill als Minister van Binnenlandse Zaken in 1910. Wie schreef in haar dagboek dat verstandelijk gehandicapten beter ter dood gebracht zouden kunnen worden? Jawel: Virginia Woolf. En wie vond dat alleen een eugenetische religie onze beschaving nog zou kunnen redden en dat een groot aantal mensen beter gedood kon worden omdat het voor anderen tijdverspilling is om voor ze te zorgen? Jawel: George Bernard Shaw. Meer van soortgelijke beweringen zijn er van Keynes en Roosevelt.

    In Amerika en een paar Europese landen kwamen daadwerkelijk wetten tot stand die gedwongen sterilisaties mogelijk maakten,  en de grenzen sloten voor immigranten uit bepaalde landen uit angst voor gemengde huwelijken en dus degeneratie van het eigen volk. Wie de feiten kent moet vrezen dat achter de kreten van Trump, Wilders, Le Pen wn Orban een diepere angst zit dan een aanslag op onze trots en vrijheid.
    Roodenburg ziet in haar boek een parallel met honderd jaar geleden: de toenemende angst dat een vreemde meerderheid de eigen minderheid kan gaan domineren. Maar zij vertelt ook dit: de  Duitse naturalist Blumenbach classificeerde rond 1800 de menselijke rassen. Exotische volken zette hij lager in de ontwikkelingsboom van ‘autochtones’. Daarmee bedoelde hij, volgens Roodenburg, ‘de oorspronkelijke, door God geschapen, perfecte mens’. Ook daar schrok ik van. Goed dat we de term autochtoon hebben afgeschaft.

     

     

  • Een kik geven

    De New York Times berichtte over het overlijden van Margaux Fragoso, achtendertig jaar en schrijfster van Tiger, Tiger, een geschiedenis van een jeugd waarin zij vanaf haar zevende seksueel werd misbruikt door een man met wie ze een relatie zou onderhouden tot zijn zelfmoord. Dat is vijftien jaar later. In haar bespreking vroeg Kathryn Harrison zich destijds al af: waarom zou je zoiets willen lezen?
    Over schrijven over jezelf is al veel geschreven, daar voeg ik weinig aan toe. Wel zie ik hoe ik me in mijn dagboek, dat onder onopvallende schuilnaam en met een onmogelijk wachtwoord in een tussenmapje op mijn laptop staat, al bewust ben van eventuele lezers – ik perform, wil ik maar zeggen, zelfs in dat kleine bestandje dat alleen voor mij bedoeld is. Is dat schrijver-eigen, narcisme of een schrijver-eigen narcisme?

    Tegelijkertijd zijn er weinig mensen van wie ik alles wil weten – misschien alleen van de mannen waarop ik verliefd was. Alles? Ja, alles. Toch lees ik veel autofictie, autobiografische non-fictie, memoires. Zo pakte ik Haar laatste dood van Susanna Sonneberg en Onder volwassenen van Sophie Dahl uit de kast. Beide boeken gaan over verstoorde moeder/dochterverhoudingen, over vrouwen met een persoonlijkheidsstoornis. Net als De uitweer van Amy Liptrot – over het alcoholisme van de jonge schrijver – moesten deze persoonlijke geschiedenissen geschreven worden om de auteurs verder te kunnen laten gaan. Daar is niets mis mee. Ik wil er alleen wel literatuur voor terug.
    Ook las ik Ariel Levy’s autobiografische The rules do not apply. Ik genoot van de humor en wijsheid die me in Female Chauvinist Pig al had aangetrokken, maar vroeg me evengoed af waarom ik dit nieuwe boek interessant vond – vanwege mijn miskraam, het herkenbare van alles willen maar erachter komen dat niet alles kan, of omdat Levy gewoon een verdraaid goede schrijver is?

    Mijn beter ik van Renate Rubinstein, het boek dat ze schreef over haar verhouding met Simon Carmiggelt (en dat pas na zijn dood verscheen) is het meest ontwapenende dat ik tot nu toe in dit genre las – alleen het begin al is schitterend. ‘In een opzicht verschilde Simon Carmiggelt niet van veel andere mannen: bij zijn dood liet hij twee weduwen achter. Met de ene was hij getrouwd. De andere ben ik.’
    Rubinstein vertelt hun geschiedenis, door het verbodene vermoeizaamd, in montere stijl. ‘Als het ooit uitgaat, schrijf ik in de krant: God is niet dood. Hij is getrouwd en zijn vrouw neemt de telefoon aan,’ schrijft ze. En toch, als er toch over je geschreven wordt zoals Renate over haar Simon deed – wow. Op het eind staat er: ‘Alles zou verloren zijn gegaan, vergeten worden, tot stof weergekeerd als ik het niet vastgelegd had. Zonder een kik te geven zou het grote sterven zijn ingezet. Maar ik heb een kik gegeven.’

    Een kik geven, dat deden al die andere autobiografen ook. Tiger, tiger was Fragoso’s enige boek. Maar voor haar, en voor een heleboel andere slachtoffers van seksueel misbruik, schreef ze misschien wel alles.

     

     

  • Red me

    Dromen over de prins op het witte paard, daar heb ik als kind wel last van gehad. Zingend als Julie Andrews in The  Sound of Music,  heuvels en dalen nemend met de armen in spreidstand alsof ze vloog. Had ik ook last van. Ik groeide op met een beeld van zingende en zwevende gebeurtenissen en geloofde dat de wereld zo in elkaar stak. Daarom moet je kinderen geen sprookjes voorlezen,  niet meenemen naar lichtvoetige musicals  – want hoe zwaar het onderwerp ook, door het te bezingen, wordt de ernst van het leven onnodig geromantiseerd. Na The Sound of Music, ik was en jaar of elf, dacht ik nog lang dat je do-re-mi zingend de oorlog in ging. Wat ik wel weer romantisch vond. Een wereld van mooie plaatjes waar musicals en sprookjes aan lijden. Dat soort geluk bestaat niet en er was geen prins op een wit paard die mij kon redden van het leven dat ik nu lijd. En als ie – stel dat – zou komen opdagen, dan zou ik weigeren me met zulk in de schoot geworpen geluk in te laten.

    Deze week las ik in een interview met Matt Haig (van Redenen om te blijven leven (2015)) in The Guardian: ‘I think that books can save us and I think they sort of saved me.’ Alsof ik een zielsverwant gevonden had. Want dat is waar ik wél in geloof. Dat een boek je leven kan redden in plaats van die prins op het witte paard. Een boek om bij te schuilen. Achter een opengeslagen boek  mag je gepermitteerd afwezig zijn en al lezende verzamel je een schat aan kennis waar je in het dagelijkse leven nog wat aan kunt hebben.

    In diezelfde week zag ik een vriendin die ik lang niet gezien had. Het was in een vluchtig voorbij gaan – nu ik erover nadenk, beende ze door de supermarkt – waarbij haar lange linnen jas achter haar aan zwierde. Voor ik het wist, was ze weg. Ik had nog net gezien dat een deel van haar blonde haren, blauw waren. Een dag later passeerden we elkaar, zij op weg naar de stad, ik op weg naar huis, op de fiets. Ik riep, zij riep, ik keek achterom maar weg was ze. Ik zag nog dat haar blonde haar nu met zwart bedekt was. Wanneer ze dagelijks van haarkleur veranderde, was er een crisis gaande.

    Toen ik haar dan weer zag op de markt bij een groentekraam – het haar nu deels roze – waar ze gebogen stond boven een krat avocado’s, begroette ik haar, “Hé, gaat het?’ en moest denken aan Richard en Cynthia uit, Dit boek redt je leven van A.M. Homes. Ze zei, net als in het boek, ‘Laat me met rust’. Ik zei: ‘Ik ben het, weet je nog?’ Ze keek me aan en ik zei: ‘Ik heb nog een goed boek liggen.’ Ze begon te stralen en zei: ‘Red me, lees me voor.’ En dat deed ik.

     

     

     

  • Het huis van een schrijver

    De schrijver heeft al vaak gezegd dat ze tijdens het schrijven geen mensen in huis duldt. Dat het schrijven van een roman een opperste vorm van concentratie vergt. Dat zij dan onaangenaam gezelschap is. Ik wist dus wat me te wachten stond, toen ik een uitnodiging kreeg om voor onbepaalde tijd te komen logeren. Dat ik de uitnodiging ondanks dat aanvaarde, had alles met schrijven te maken. Ook ik moest de komende tijd het nodige produceren.
    In het huis met drie verdiepingen en een kelder, woon en werk ik wel vaker op de bovenste verdieping. Niet eerder maakte ik mee dat er onder mij aan een roman werd gewerkt. Ik ben een gewaarschuwd mens, maar hoe ik mij in deze situatie dien te gedragen weet ik niet precies. Ik maak mezelf zo klein mogelijk. Wacht ’s morgens tot ik de vloer hoor kraken voordat ik naar de wc ga. Spring onder de douche als ik beneden water hoor lopen. Ontbijt als ik zeker weet dat zij uitgegeten is. Koffie drink ik alleen als de omstandigheden het toelaten.

    Terwijl de muziek, die de schrijver in de stemming houdt door het hele huis klinkt, werk ik aan wat een essay, een artikel dan wel een column moet worden. Het antieke bureau, met daarop een al even antiek inktstel, dat hier lang alleen voor de sier gestaan heeft, is voor mij de ideale werkplek. Het schrijven vordert zonder grote afleiders als internet en telefoon gestaag. In een vreemde verte staren, blijkt ook heel inspirerend.
    Het liefst zou ik de dagen van ’s morgens vroeg tot ’s avonds laat schrijvend doorbrengen, maar halverwege de middag zit de werkdag van mijn gastvrouw erop. Dan komt ze tot leven. Wil ze wandelen.
    Ik leef en wandel mee. Merk dat het verhaal en haar personages nooit ver weg zijn. Alle gesprekken staan in het teken van het boek, al mag ik nog niet weten waar het boek over gaat. De wereld en de werkelijkheid spelen een bijrol. Zo ken ik haar niet. Zo geconcentreerd. Zo in dienst van.

    Na het eten wil ze ontspannen. Niet nadenken. Niet meer afgeleid worden. Ze gaat vroeg naar bed. Ik trek mij terug in mijn slaapkamer, waar niet veel later en vroeger dan normaal het licht uitgaat. Ook ik moet de volgende dag de draad van een verhaal zien op te pakken.
    Dat er in dat huis in het Grote Hazelaarsbos vier romans geschreven werden, maakte bij het bepalen van de waarde helemaal niets uit. De mensen die het kochten, vielen voor de charme van het ‘maison en meulière’ en de vier linden die er trouw de wacht houden. De naam van de schrijver zei hun hoogstwaarschijnlijk niets.

    Nooit zal er een plaquette aan de gevel van nummer 17 prijken. De kans dat het huis van de schrijver een museum wordt, is nihil. Wat in het dorp veel meer tot de verbeelding spreekt is dat er ooit, ver voordat het verbouwd en daardoor twee keer zo groot werd, een taxichauffeur met vrouw en zeven kinderen woonde.

     

     

  • De kracht van de roos

    Als je weet dat mijn vrouw Roos heet, zal je begrijpen dat ik altijd geroerd word als ik rozen zie bloeien. Zo’n acht jaar geleden bevond ik  me in het Groninger Museum voor een prachtig schilderij – waarop een frêle schoonheid met geloken ogen in een grijsblauw gewaad, leunt tegen een muur onderwijl ruikend aan een roze roos – van John William Waterhouse. Heel voorzichtig, om zich niet aan de doornen te bezeren. Het schilderij is zo intens dat je haast door de geur van de roos bedwelmd wordt. Ik was betoverd en, om Tennyson te citeren, ‘de ziel van de roos ging open in mijn bloed’. Waterhouse leende deze woorden van de dichter uit het gedicht Maud als titel voor zijn schilderij en noemde het De ziel van de roos. Hij schilderde het ruim een eeuw geleden, in 1908,  in hetzelfde jaar dat tuinarchitect Thomas Mawson het ontwerp maakte voor de tuin van het Vredespaleis.

    Een tuin waar scherpe doornen geweerd werden, zo leerde ik dit weekend tijdens het struinen door Haagse tuinen. Want in een tuin die het Vredepaleis zou omzomen, moest je gevrijwaard zijn van pijn en het licht moest overheersen, zo meende Mawson. Daarom plantte hij rondom het Vredespaleis zoveel mogelijk bomen en struiken met kleine bladeren en vermeed hij alles wat doornen had. Nou ja, op de roos na dan, want voor de roos had Mawson, net als ik nu, een bijzonder plekje in zijn hart ingeruimd. Hij besloot dat rozen ondanks hun doornen volop in de vredestuin mochten bloeien en liet er zo’n vijfendertig soorten in grote getale planten. Tot op de dag van vandaag kun je ze zien, de duizenden rozen in het rosarium van het Vredespaleis. Mawson’s eerbetoon aan liefde en vrede.

    Geen betere plaats om in te verpozen dan in zo’n prachtige tuin waar je kunt dwalen, dromen en rusten. Het liefst met een boek waarin een tuin een belangrijke rol speelt. Zoals in Giorgio Bassani’s boek over de tuin van de familie Finzi-Contini, het toevluchtsoord voor de Joodse gemeenschap in Ferrara in een tijd dat de vrede ver te zoeken was. Een boek dat me voortdurend heen en weer slingerde tussen plezier en ontzetting. Plezier om het genieten van de Finzi-Contini’s in hun tuin en ontzetting over hoe oorlog en vervolging het leven op zijn kop zet. Maar ook een boek dat de bescherming en kracht van een mooie tuin goed illustreert. Zelfs (of misschien wel juist) als de doornen buiten de tuin even alle aandacht naar zich toetrekken.

     

     

  • Mijn Portugese kat

    Ik verkeer de laatste tijd nogal in Portugese gedachtesferen, het zal wel te maken hebben met de warme dagen waardoor het leven zich tot de basale levensbehoeften beperkt. Het is heerlijk hoor, maar het voelt ook als een vergeefs teruggrijpen in de tijd. Want wat geweest is, is geweest, over en uit. Wat blijft zijn herinneringen die op onverwachte momenten opduiken. Wonderlijk genoeg laten ze je altijd een andere kant van de betekenis zien dan die je aan een bepaald moment hechtte. Keer op keer. Herinneringen kunnen zich, als een tentakel die vanaf het plafond hangt, je in de kraag grijpen wanneer je te dicht in de buurt komt en je omhoog halen, zodat je in zwevende toestand het onderliggende vloerkleed met zijn ingewikkelde patronen kunt aanschouwen. Gek genoeg komt dat kleed je opeens vreemd voor en je denkt: hé, verdomd leuk vloerkleed, eenvoudige patronen, sprekende kleuren! Je zou het wel willen hebben.

    Dat is de grap van herinneringen, alles van voorbije tijden lijkt, hoe rot het ook was, altijd mooier, eenvoudiger. Maar goed, nu ik er bij stil sta, (herinneren is stilstaan) zijn die Portugese gedachtesferen begonnen toen de kat met drie poten ons huis binnenkwam. Het was altijd de taak van de kinderen ervoor te zorgen dat er levende have in huis kwam. Maar opeens bemoeide ik me ermee. Er was een oproep via social media dat een kat met drie poten een huis zocht in een buitengebied. ‘Klik’, zei het ergens in  mijn herinneringen. Het is natuurlijk een beetje gek, maar we hadden eens een driepotige hond. De kat kwam uit Portugal (klikklik… de hond ook) en woonde op een Amsterdamse bovenwoning. Zonder enige ruggespraak met Mijn lief, reageerde ik direct, als was ik bang dat iemand me voor zou zijn. Nou ja, het kan je bezielen soms.

    Het katje kwam een week later met grote verhalen binnenlopen. Het kletste me de oren van het hoofd, en ik begreep dat, want dat doen ze in Portugal, eindeloze verhalen vertellen. Het maakt dus nogal geluid.Vanaf het moment dat je ’s ochtends de woonkamer binnengaat, (soms al wanneer ze de trap hoort kraken), pakt ze de draad van de dag daarvoor moeiteloos op en  hoef je alleen te zeggen: ‘Aha, tudo bem, simsim’ (u begrijpt, deze kat verstaat alleen Portugees). Of ze start een klaagzang: ‘saudade, saudade’ en dan is het goed haar even in de armen te nemen. De litanieën van de kat sloten moeiteloos aan bij Violeta en de engelen dat ik weer gepakt had omdat ik in Portugese gedachtesferen verkeerde. Dulce Maria Cardoso vertelt in één lange zin het verhaal van Violeta’s leven. Een roman die begint en eindigt met het woord ‘onverwacht’. Daartussen de herinneringen van Violeta als het aaneenrijgen van kralen aan een snoer, van een leven waarin alles ongepast leek. Waarin witregels de enige adempauzes zijn, zoals de nachten voor mijn Portugese kat. Wie ook in Portugese sferen wil verkeren, lees Cardoso, of Lobo Antunes en niet te vergeten, Saramago.

     

     

     

  • Dissonanten

    In de rubriek ‘Mijn favoriet’ (NRC) las ik over iemand die een kunstwerk van Hugo Tieleman kocht. Bij zijn aankopen let hij er altijd op, scheef hij, of het werk harmonie heeft, ‘zoals muziek geen dissonanten mag hebben.’ Oké, dat is zijn opvatting. Maar net zomin als het leven altijd harmonieus verloopt, net zo goed mag – of misschien moet – muziek op z’n tijd dissonanten hebben om dit te kunnen uitdrukken.

    Deze opvatting speelde door m’n hoofd. Eerst bij een grote boekwinkel in de stad, waar tussen de ramsj een piano stond, met een zitje ernaast – om wat te lezen, te mijmeren of naar de piano te luisteren. Een sjofel uitziende, oudere heer in regenjas, stijl Carmiggelt, nam achter de piano plaats en probeerde wat toetsen in allerlei registers uit. Over de hele omvang van het klavier: ping, ping, ping. Als een atonale melodie.

    Het schijnt dat Beethoven altijd ritueel met zijn handpalmen over de toetsen wreef voor hij begon,
    en daar is wel wat voor te zeggen. (Christiaan Weijts)

    En toen, opeens, toen ik de hoop al een beetje had opgegeven, speelde hij vloeiend achter elkaar enkele jazznummers. Bijna was hij uit het dagelijks leven gevallen, maar hij hernam zich, zonder acht te slaan op de mensen om hem heen.

    Ik ben niet mooi meer,
    ik heb in het gesticht gezeten,
    mijn vingers staan stijf van de medicijnen,
    en toch ga ik een blues spelen op de piano
    (Rogi Wieg)

    Ik verliet de boekwinkel en liep naar het theater waar studenten van de Theatervooropleiding Amsterdam een stuk van Shakespeare zouden spelen: Troilus en Cressida. Eén van de studenten zat in een ochtendjas met tijgerprint achter een piano en speelde erop, tussen de bedrijven van zijn rol als Hector door; zoals we van oorlogsmisdadigers weten dat ze graag piano speelden. Tegen het einde van het toneelstuk zegt hij dat zijn dagtaak erop zit, de avond goed doet: Zwaard, rust, je bent verzaad van dood en bloed.

    Met een klappertjespistool wordt Hector gedood. Hij valt van de pianokruk, random wat toetsen aanrakend. Wanneer hij uit de tijd valt, de eeuwigheid in, klinkt weer een atonale melodie. Ping, ping, ping.

    de rest zijn
    afgevallen noten
    die aan het

    behang zijn
    blijven plakken
    (Henk Knibbeler)

    Dissonanten. Zoals het leven op z’n tijd zelf. Het bestaat wel, een geluidloos, teder akkoord / dat alle dissonanten samenvoegt
    (Peter Handke)

    Dat is een moment van stilte in verbondenheid. De mooiste muziek die er is, alles is op zijn plaats, in voorbeeldige harmonie
    (Wisława Szymborska)

     

     

  • Tijdreizen

    Boeken reizen op een vreemde manier door de tijd. Soms blijven ze gewoon zichzelf, soms krijgen ze extra gewicht door de omstandigheden waarin ze gelezen worden.

    Deze bewering las ik in een essay van Julian Barnes – dat oorspronkelijk verscheen in The London Review of Books – in De Groene van 1 juni jongstleden. Barnes legt op een vinnige manier een verband tussen de Brexit en xenofobie. Het essay leverde me een curieus voorbeeld op van de waarheid van deze constatering. In de inleiding schrijft Barnes dat hij twintig jaar geleden Chez Krull, één van de romans durs van Simenon, cadeau kreeg en waarin hij nooit verder kwam dan het eerste hoofdstuk. Hij had er niks mee. Tot hij onlangs het boek oppakte en er wel door werd gegrepen. Het gaat over ‘de rusteloze dynamiek tussen autochtoon en immigrant, vooral als er iets misgaat (…) als de immigrant niet hard werkt, is hij een bietser; als hij wel hard werkt, is hij alleen maar uit op geld en gierig’. Het bracht hem bij de Brexit.

    Ik moest denken aan hoe iets dergelijks me overkwam met een boek van Julian Barnes zelf, Een geschiedenis van de wereld in 10½ hoofdstuk. Dat boek las ik na verschijning van de Nederlandse vertaling in 1991. Ik vond het (anders dan de ervaring van Barnes met Simenon) meteen geweldig. Maar vorig jaar bleek dat ik het niet ten volle begrepen had. Kleinkunstenaar Jan Beuving vertelde dat toen hij zijn theaterprogramma Raaklijn voorbereidde, hij zich bij de opbouw ervan had laten inspireren door de manier waarop Barnes verschillende hoofdstukken in die roman verknoopt. Raaklijn werd overigens vorige week genomineerd voor de Neerlands Hoopprijs en oogstte lof om zijn schitterende liedteksten. Het verhaal van Beuving trof mij persoonlijk door zijn omgang met PVV-aanhangers en linkse intellectuelen die deel uitmaken van zijn dagelijks leven.

    Daardoor ging ik Barnes herlezen en besefte opeens dat ik het als een verzameling op zichzelf staande verhalen en essays had gezien. Niet als een roman. Terwijl dat wel met koeienletters op het omslag staat.
    Maar er gebeurde nog iets. Enkele hoofdstukken in de roman gaan over de ondergang van het fregat De Medusa in 1816. De overlevingsstrijd van de opvarenden vormt het beroemde doek Het vlot van de Medusa van Théodore Géricault dat in Het Louvre hangt. Daarover schreef Barnes in zijn essaybundel In ogenschouw. Van Een geschiedenis bleek me nog veel bij te staan, maar omdat ik dat boek las in een tijd dat ik met vluchtelingen werkte, kon ik die hoofdstukken niet los zien van de ervaringen van de bootvluchtelingen die ik de laatste jaren heb gehoord. Inderdaad: ‘Boeken reizen op een vreemde manier door de tijd’.

    Ondertussen heeft Barnes door zijn stuk in De Groene mijn belangstelling gewekt voor Chez Krull van Simenon. Ik ging ervan uit dat alles van deze auteur in het Nederlands is vertaald. Maar dat blijkt niet te gelden voor Chez Krull uit 1939. Of heb ik het mis? Wie me aan een Nederlandse editie kan helpen zal ik diep dankbaar zijn.

     

     

  • Vader en dochter

    Over twee jaar wordt mijn vader zestig. Natuurlijk weet ik al wat ik hem dan ga geven. Dat ga ik hier nog niet vertellen (leuk geprobeerd, pa) maar het feit dat ik mijn cadeau al weet zegt niet alleen iets over onze band, maar ook over wat voor ontvanger mijn vader is. Voor sommige mensen is het makkelijk om een cadeau te verzinnen, ik weet niet helemaal waar dat aan ligt, mijn vader is er zo een.

    Ondertussen nadert Vaderdag (cadeau al lang onderweg) en staan mijn internetadvertenties weer vol aanbiedingen. Iemand prijst een lijstje met boeken aan voor Echte Mannen: tips met verslagen over kerels die wekenlang als vos langpootmuggen van het gras likken, voetbalbiografieën en allerhande hippe analyses van onze recentere geschiedenis. Als er in de Intertoysgids blijmoedig bij ‘speelgoed voor haar’ een kleine meisjes-uitvoering van een stofzuiger wordt aangeprezen, buitelt men over elkaar heen in een wedstrijd om het hardst roepen dat dit allemaal niet kan. Over Echte Mannenboeken hoor je nauwelijks iemand.

    (Tussen de betrekkelijke veiligheid van deze twee haakjes zal ik de hand in eigen boezem steken en toegeven dat ik mijn eigen roman vorige maand op sociale media heb aanbevolen onder de noemer Ideaal Moederdagcadeau. Waarom? Omdat het, onder meer, over moeders en dochters gaat. We doen het, kortom, nooit goed met zijn allen). Terug naar Vaderdag.

    Als lezende dochter van een lezende vader ben ik altijd extra ontroerd door vader-dochterverhalen. Een van mijn lievelingsromans gaat dan ook over de bijzondere band tussen de getroebleerde jonge vader Cor en zijn doodzieke dochter Merel. Waar ik de taal en retoriek roemde noemde iemand anders De vaders van de gedachte incestueus, maar zo lees ik deze novelle van Nanne Tepper niet: de dialogen, de interactie tussen ouder en kind, de flauwe grapjes, ik vind het allemaal geloofwaardig en zuiver.

    Een ander voorbeeld is Het land van Melk en Honing, een prachtige roman van Grace McCleen over rouw en religie. Ik gaf het boek tijdens een boekenruilborrel aan iemand anders mee, gunde haar mijn leeservaring, maar het verhaal bleef rondspoken in mijn hoofd. De vader, bitter van zijn geloof gevallen, blijft zijn dochter Judith onvoorwaardelijk steunen in haar religieuze rituelen – hoeveel liefde en mentale rekbaarheid is daarvoor nodig?

    Nog een voorbeeld: de liefde die Liesel voelt voor en ontvangt van haar aangenomen vader Hans in De Boekendief (Markus Zusak), nog steeds een van de romans waar ik het hardst om heb gehuild. En dan is er nog Vader en dochter van Michael Dudok de Wit, dat eerst verscheen als animatiefilm en later uitkwam als prentenboek. Zijn dit Echte Mannenboeken? Wat zijn dat in godsnaam?

    Het mooiste aan mijn band met mijn vader vind ik hoe weinig we nodig hebben. Een auto, een radio, een snelweg – of, thuis, een paar stoelen en een glas wijn. Soms praten we over boeken, over andere dingen. Vaak zeggen we bijna niets. Dat is heel gezellig. Maar probeer dat maar eens in woorden te vangen. Of schrijf er een echt mannenboek over.