• Huishouden

    Met de vakantie was ook gelijk de zomer voorbij. De regen stroomde als hield god een douchekop recht tegen de keukenramen. Vrouwelijke stormen raasden over de aardbol en de koffie was op. Voor elke kop koffie draaien we hier gebrande koffiebonen knerpend door een aftands, maar zeer goed werkend rood koffiemolentje heen. De geur die vrijkomt als de bonen vermalen worden tussen het ijzeren maalsysteem, is een opwekkend begin van de dag. De winkel – waar we de koffiebonen van betrekken – ligt 9 km van ons huis. Radeloos ben ik als mijn ochtendritueel is verstoord. Mijn kop bleef zeuren om koffie. Ik bladerde door de krant waarmee ik een vorm van controle probeer uit te oefenen op de dag. Het moet wel overzichtelijk blijven, dus lees ik niet alles. Het was donker, en die regen… niets kon me in beweging brengen.

    Of het moest zijn dat Irma flink had huisgehouden op Sint Maarten. Vrouwen heten goed te zijn in huishouden, maar het moet niet te gek worden. Ik kan ook behoorlijk huishouden, dan blijft niets dan de houtkachel en het keukenblok op zijn plaats. Als je flink aan het huishouden bent, vergeet je de tijd en denk je niet aan anderen. Ik las: ‘Het wreedste monster dat Sint Maarten ooit passeerde.’ Ik vond dat nogal een overdreven aangezette toon die de krant aansloeg. Irma had er geen weet van wat ze aanrichtte. Een orkaan met een naam communiceert beter dan ze bij hun coördinaten te noemen bedachten ze lang geleden. Eerst waren dat alleen vrouwennamen; Catharina, Maria, Nora, Irma, er bestaat een procedure voor hoe ze tot naamgeving komen en dat is dan meestal voor een jaar of zes. Feministen vonden het onzin dat alleen vrouwen brengers van slecht weer zouden zijn, waarna ook mannen dit mochten doen. Nu wordt ene José vanavond verwacht op Sint Maarten. Voor zover bekend komt hij langs waardoor er ‘van enige verplaatsingen’ niets terecht zal komen.

    Met mij was ondertussen geen huis te houden. Hadden we ook nog afgesproken een tijdje geen wijn in huis te halen (wie heeft dat bedacht!?). Gewoon om te kijken of het leven er leuker op wordt. Wijn drinken blijkt net als die zak chips; ligt ie binnen handbereik eet je de hele zak leeg, is het er niet, taal je er niet naar. Tot vandaag dus. De regen kletterde, de poezen, nog in zomerstand dus gewend in de tuin te zijn, draaiden jammerend om me heen. Ik had zo’n zin in een koel glas wijn. Stiekem gaf ik Mijn lief de schuld van het ontbreken daarvan. Hij had ermee ingestemd (wat hij nooit eerder deed) om voor een periode geen fles wijn in huis te halen. In gedachten ging ik er al op uit. Maar de straat stond blank en de gootsteen borrelde een teveel aan water omhoog. Nee, ik bleef maar binnen en voelde me een onberekenbare vrouw, gelijk Irma.

     

     

     

  • Lezen zonder last en ruggespraak

    Het kan geen kwaad als ik af en toe duidelijke leesafspraken met mezelf maak. Doe ik dat niet, dan loopt een boek dat onverdeelde aandacht verdient het risico dat het gezelschap van verwante titels moet dulden. Voor de duidelijkheid: ik ben geen lezer die meer dan één boek tegelijk leest. Ik kan alleen de verleiding moeilijk weerstaan als het ene boek het andere uit de kast lokt.
    Omdat ik de bui al zag hangen, sprak ik mezelf streng toe voordat ik in De haas en de regenboog van Paul Claes begon. Onder het mom van ‘deze roman moet voor zich spreken’ verbood ik mezelf ook maar één boek van of over Arthur Rimbaud uit de kast trekken.

    De haas en de regenboog gaat over de Londense periode van de dichters Arthur Rimbaud (de regenboog) en Paul Verlaine (de haas). Zij onderhielden een vriendschap met homo-erotische trekken die met een knal eindigde. Verlaine schoot Rimbaud in zijn arm, werd veroordeeld (niet vanwege het schieten, maar vanwege de tegennatuurlijke aard van zijn omgang met de minderjarige Rimbaud) en belandde in de gevangenis. Het kwam tussen de twee nooit meer helemaal goed.
    De feiten zijn mij bekend sinds ik in 2004 op de tentoonstelling Arthur Rimbaud (1854-1891). Een seizoen in de hel in het Paleis voor Schone Kunsten in Brussel de processtukken inzag. Ik zou me tijdens het lezen tot die feiten en wat weetjes beperken en voor de rest vertrouwen op wat literatuur zoal vermag.

    Ik weet niet meer precies vanaf welke bladzijde ik excuses begon te verzinnen om op mijn voornemen terug te kunnen komen, maar na verloop van tijd wilde ik toch weten waar in deze historische roman de werkelijkheid ophoudt en de verbeelding begint. (Het viel vervolgens helemaal niet mee de betreffende periode in Arthur Rimbaud, de biografie van Enid Starkie, te traceren).
    Door al die strofen die Paul Claes citeert, kreeg ik bovendien heel veel zin in Rimbaud zelf, en zo zat ik nog voordat ik De haas en de regenboog goed en wel uit had al met Een seizoen in de hel – het prozagedicht dat bij verschijnen een experiment heette te zijn, maar tegenwoordig een meesterwerk gevonden wordt – op schoot.

    Paul Claes heeft Een seizoen in de hel vertaald en met veel kennis van zaken geannoteerd, maar wel zo gedetailleerd dat het nog maar voor één uitleg vatbaar lijkt. Die aantekeningen sloeg ik over. Ondanks De haas en de regenboog hoopte ik Een seizoen in de hel redelijk blanco te kunnen herlezen.
    Dat lukt natuurlijk niet, want de roman van Paul Claes leest als één lange voetnoot bij het prozagedicht van Rimbaud. Nu ik net heb gezien en gehoord dat Arthur Rimbaud en Paul Verlaine in Londen allesbehalve liefdevol samenleefden, en gelezen hoe radicaal Rimbaud brak met literaire conventies en in Een seizoen in de hel alles op alles zette, kan ik onmogelijk doen alsof dit boek niets te maken heeft met het leven van de negentienjarige die het schreef. Ik is niet altijd een ander.

     

     

  • Boekenkeuze

    Kun je op basis van iemands voorliefde voor een bepaald schilderij voorspellen welk boek hij graag leest? Deze vraag spookte door mijn hoofd toen ik het boek voor de ‘heerenleeschclub’ aan het lezen was. Een fascinerend boek, dat na elke pagina meer doet denken aan een favoriet schilderij van één van de leesclubgenoten, een echte bibliofiel. Altijd door boeken omringd en scharrelt wekelijks rond in zijn favoriete boekhandels, op zoek naar mooie boeken, waarbij hij een aantal duidelijk voorliefdes heeft. Net als in de schilderkunst. Een groter fan dan hij van Jeroen Bosch-fan, is er niet. Hij bezocht onlangs niet alleen de grote tentoonstelling in Den Bosch, maar trok daarna ook nog tweemaal naar Madrid, voor een kleine tentoonstelling in het Escoriaal, een grote in het Prado, om tot slot nogmaals naar het Zuiden af te reizen om de drie doeken uit Venetië ter plaatse te bewonderen. Kortom, een fan in hart en nieren. Op het idolate af.

    Deze leesvriend had zich in de leesclub hard gemaakt voor Machten der Duisternis, de vertaling van Anthonie Burgess’ Earthly Powers. Dat zouden wij de eerstvolgende keer maar moeten bespreken, zo bepleitte hij fervent. Nu wijzen de voorkeuren in de club vaak uiteen en is de boekkeuze altijd wel een dingetje. Machten der Duisternis is met zijn 750 pagina’s nou niet een boek dat je even tussen de bedrijven door leest. Bovendien wordt de vaak bejubelde openingszin ‘Het was de middag van mijn eenentachtigste verjaardag en ik lag in bed met mijn schandknaap toen Ali meldde dat de aartsbisschop me was komen opzoeken‘ niet door iedereen op waarde geschat. Dus de keuze voor Burgess was geen vanzelfsprekende, maar hij kwam (gelukkig) wel door de selectie heen. Met als gevolg dat ik nu ben ondergedompeld in de wereld van Kenneth Toomey, de gewezen homoseksuele schrijver die de aartsbisschop van Malta moet helpen don Carlo Campanati, de latere paus Gregorius XVII, heilig te laten verklaren.

    Nu moet ik eerlijk zeggen dat ik het na die openingszin best lastig vond om mijn draai te vinden in Toomey’s wereld. Maar het lezen wordt steeds plezieriger, waarbij het gekke is dat ik bij iedere pagina die ik vorder meer aan Jeroen Bosch moet denken. Want net als Bosch’ schilderij is Machten der Duisternis een aaneenschakeling van verschillende lusten, die net zo vrolijk en beeldend worden opgediend als op de Tuin der Lusten. Zodat het lezen van al die kleine en grote ondeugden in Machten der Duisternis enorm lijken op het genieten van de details op dat geweldige altaarstuk van Jeroen Bosch. Waarbij ik er steeds meer van overtuigd raak dat je op basis van iemands voorliefde voor een schilderij, inderdaad kunt voorspellen welk boek hij leuk vindt.

     

     

  • Fladderen

    Opeens was er sprake van het hart. Ik wist dat ik er een had maar stond er nooit bij stil, zoals je er ook niet bij stil staat dat er een slot in je voordeur zit dat je dagelijks moeiteloos doorgang verschaft. Tot het slot weigert, dan besef je pas dat er een mechaniek in de deur zit. Mijn hart begon met een licht rondfladderen als van een vleermuis, onrustig in het wilde weg.  Lastige dingen gaan soms, als je er geen aandacht aan besteedt, vanzelf voorbij. Ik sliep er een nachtje over, en nog een. Ik had dingen te doen. Toen gedroeg het zich als een duif met plompe vleugelslag die zich met roffelend vertoon wilde bevrijden. Ik wist niet beter dan het toe te spreken, als was het een zeurend kind dat om aandacht vroeg.

    Dat ik de tijd nog rekte met, ‘Wacht, wacht, ik ben zo klaar. Laat me dit even afmaken, en nog even dit. Nog vijf minuutjes,’ was vanuit een geloven dat er niets aan de hand was. Maar het gefladder verhevigde, kroop tot in mijn keel omhoog. Ik wist, als ik nu mijn mond zou openen, het eruit zou vliegen. En ik mompelde, met opeen geklemde lippen, ‘Jaja, wat is er dan. Kom eens hier. Zullen we wat lezen?’ Ik pakte Over reizen, rust en rendieren van Jenny Diski. Een reisboek over thuisblijven. Een rustgevend boek waarin Diski zichzelf onderzoekt, reizend over innerlijke grenzen. Ze vindt bijvoorbeeld dat ze lui is en gaat wandelen (en stopt er weer mee). Ze schrijft over vallen (waar ze goed in is), over schuilhouden (waarin ze me overtreft) en over leegte waarover ze schrijft: ‘Ik kan maar heel moeilijk geloven dat er iets onder mijn huid zit. Ik beschouw mijn lichaam als het omhulsel: dat wat ik kan zien en kan kleden.’ Precies, zo zag ik het ook!

    Tot het fladderen begon en er een dokter aan mijn bed stond dat niet het mijne was en me uitleg gaf over het eigengereide gefladder in mijn borstkas. Hij zei iets dat klonk als epibreren. Ik moest lachen, en misschien leek het dat ik hem uitlachte maar het was omdat ik aan iets zou lijden dat geen betekenis heeft, wist hij dat niet? Carmiggelt verzon dit niet bestaande werkwoord in de jaren vijftig en gebruikte het in een column waarin hij door een gemeentefunctionaris aan het lijntje werd gehouden. Als hij voor de zoveelste keer aan het loket komt om een persoonlijk document af te halen en het nog niet klaar ligt, en de beambte ook niet meer weet wat hij zeggen moet, excuseert hij zich door te zeggen dat het document nog geëpibreerd moet worden.
    ‘Ach zo,’ zei Carmiggelt, en droop af. Toen hij buiten stond, dacht hij, ‘Epibreren’. Wat is dat eigenlijk?

    Het was geen epibreren maar ‘fibrilleren’ wat de dokter zei. ‘Ah’, zei ik en knikte meteen begrijpend, ‘Fibrilleren van de boezem.’ Hoewel het me even betekenisloos voorkwam als het epibreren van een document.

     

     

  • Adembenemend moment

    Patricia Werner Leanse en Yve du Bois hebben er een handje van: de kunst om ergens, op of nabij de gulden snede van een film, de kwintessens ervan tot uitdrukking te brengen. Ook in hun recente filmportret van de Nederlandse componiste Marjo Tal (1915-2006) gebeurt dat. De komende weken wordt het, met nog twee andere portretten, in Amsterdam vertoond. Een clown in de Parijse straten loopt opeens, haast elegant, door het beeld, achtervolgd door een politieagent. Het heeft alles en niets met Tal te maken, die onder meer teksten van Jacques Prévert (een van mijn lievelingsdichters) op muziek zette: een combinatie van humor, ernst en symboliek. Zoals diens A Paris.

    Het adembenemende moment doet denken aan dat plekje op een schilderij van Sam Drukker waar de verf dun  is aangebracht: Een dunne huid heet dan ook  een boek over zijn werk. Tijdens de Biënnale Heilige Driehoek, van 16 september tot en met 22 oktober in Oosterhout, zal ik daar eens op letten. Drukker zelf vergelijkt het in dat  boek met een prachtige passage uit een cantate van Joh. Seb. Bach: ‘Het summum zijn (…) die momentjes waar je bij het luisteren op wacht.’
    Ik moest, toen ik dit las, denken aan het openingskoor uit de cantate BWV 8, Liebster Gott, wenn werd ich sterben in een uitvoering onder leiding van Gustav Leonhardt. Op een gegeven moment houdt traverso-speler Frans Brüggen – een doodsklokje imiterend – even in, een ‘Luftpause’ alvorens hij verder speelt; een adembenemend moment, telkens weer wanneer ik ernaar luister. Het is zoiets als iemand die soepel de noten van een toonladder achter elkaar doorspeelt, en even, voor hij de laatste noot inzet stokt, niet omdat hij emotioneel wordt, maar omdat hij dat gevoel wil overbrengen, hetgeen je met Adriaan van Dis (in een recent interview) kunt vergelijken ‘met een timmerman die een zwaluwstaartje wil maken dat ontroert. Als hij tijdens het maken ervan tranen in zijn ogen krijgt, slaat hij op zijn duim. Ik moet dus als een koele architect te werk gaan’, zoals Brüggen speelt.

    Niet alleen in de film van Werner Leanse en Du Bois, een schilderij van Drukker of een cantate van Bach komen die adembenemende momenten voor, ook bij het lezen van gedichten – juist in gedichten – lichten ze op: een adembenemend moment, op of nabij de gulden snede van een gedicht. Lloyd Haft heeft er een handje van in zijn bewerking van de Psalmen. Een regel als ‘Er is een zien: een vrede’ tegen het midden van Psalm 12 bijvoorbeeld.
    Het is zoals op een blaadje van een oude Loesje-scheurkalender eens stond te lezen: ‘Leven draait niet om ademhalen maar om de adembenemende momenten.’ Het blaadje staat in een lijstje op een plank in een van mijn boekenkasten; wel een toepasselijk citaat lijkt me voor iemand die astma heeft en leeft bij adembenemende momenten in films, gedichten, schilderijen en muziek. Een moment waarop je je adem even inhoudt en je hart een sprongetje maakt.

     

     

  • Overleden tijdens lezen van dit boek

    De man of vrouw die op 15 juli 1977 Hebdomeros van Giorgio de Chirico kocht of kreeg, wachtte daarna nog bijna anderhalf jaar voordat hij of zij in het boek begon. Dat maak ik op uit wat er geschreven staat op de franse titelpagina van de Nederlandse vertaling uit 1973 die ik gisteren op het Waterlooplein kocht: ‘de Chirico overleden / nov. 1978. / tijdens lezen / van dit boek.’
    Het was weliswaar de naam van de schrijver die mijn aandacht trok, maar het waren deze slordig geschreven woorden die mij over de streep trokken. Dat het boek maar één euro kostte, speelde geen rol.

    Giorgio de Chirico… Schilder die op zijn vroege doeken de leegte alle ruimte gaf. Zo ben ik naar hem gaan kijken sinds Niet verder vertellen van K. Schippers. Dat hij ook schreef, was ik blijkbaar even vergeten. Vandaar mijn ingetogen aha-erlebnisje, waar overigens niemand aanstoot aan nam.
    Die De Chirico overviel met zijn dood een lezer. Een lezer die door de verkopende partij middels een zwart balkje onherkenbaar is gemaakt, maar gezien het handschrift denk ik dat hij een zij is.
    Waarom liet zij Hebdomeros anderhalf jaar ongelezen in de kast staan of op een stapel liggen? En wat maakte dat ze er uitgerekend vlak voor de dood van De Chirico in begon? Zag ze zijn werk hangen en herinnerde ze zich toen dat ze dat boek gekocht had nadat ze hem al eerder ergens zien hangen?

    Ik vraag me af of ze wist wat haar te wachten stond. Hebdomeros is geen gewoon boek, ook al oogt het als een roman (maar dan een zonder dialogen). Hebdomeros (‘hoe zei u dat hij heette?’) is een man met opvattingen, die zich op een geheel eigen wijze door de wereld beweegt. Hij onderscheidt morele en immorele spijzen; kan het goed vinden met rolgordijnen en twijfelt niet aan het bestaan van centauren (maar dat kun je hém niet kwalijk nemen: zijn schepper werd geboren in Volos en daar komen centauren heel veel voor).
    Echte actie ontbreekt en gedreven door een plot wordt Hebdomeros ook niet. Daar kijkt tegenwoordig niemand meer van op, maar in 1929 was het boek van De Chirico ‘apart’. Behalve voor wie geloofde in surrealisme en metafysica.

    Was de anonieme eigenaresse van Hebdomeros al zo ver dat ze ook iets kon vinden van de roman op het moment dat De Chirico stierf? Onduidelijk is of ze Hebdomeros uitgelezen heeft. Misschien belandde het boek van schrik wel weer in de kast om er vervolgens nooit meer uit te komen. Het zal je ook maar gebeuren dat de schrijver van het boek dat op je nachtkastje ligt de geest geeft. Ook al is die schrijver op dat moment negentig.
    Dat brengt me op de vraag hoe en waarom deze Hebdomeros op het Waterlooplein belandde. Wat is er gebeurd met de vrouw die ‘de Chirico overleden / nov. 1978. / tijdens lezen van / dit boek.’ het vermelden waard vond?

     

  • Bakkie doen

    Statushouders – erkend als vluchteling en beschikkend over een verblijfsvergunning – brengen naast hun geschiedenis ook hun karakter mee. Hun openheid of juist hun nukkigheid. En zij moeten vertrouwen in jou krijgen voor ze het hunne durven geven.
    Ik herinner me nog goed dat zo’n vertrouwen er meteen wederzijds was toen ik voor het eerst de Syrische Roula en haar gezin ontmoette. Ze hadden net een woning betrokken na vier maanden in een azc. Als gezin wel te verstaan, want de man was al een jaar eerder gevlucht.
    Die eerste keer werd op een heel eenvoudige manier het ijs gebroken. Ik noemde mijn voornaam en meteen was de reactie: ‘die komt in Syrië ook voor’. Roula had haast. Ze had haar eerste afspraak voor een les Nederlands, maar was in het verkeerde gebouw. Ze wist nauwelijks de weg in haar nieuwe woonplaats. Ik liep daarom een paar honderd meter met haar mee. Onderweg keuvelden we wat in het Engels. Ze leek me leergierig. En sterk. Gretig om geen tijd verloren te laten gaan: Ik ben hier nu en ik wil mijn plek veroveren.

    Dat is nog maar ruim een jaar geleden. Sinds die tijd heb ik meer contact gekregen met het gezin. De kinderen hebben het in een jaar tijd in de Internationale Schakelklas (ISK) zo goed gedaan dat ze nu naar het reguliere middelbare onderwijs kunnen. Vader is actief in verenigingen en Roula heeft diverse Nederlandse contacten opgebouwd.
    Een maand of twee geleden kreeg ik een alleraardigst boekje toegestuurd met de titel Bakkie doen. Het is uitgebracht door VluchtelingenWerk Nederland. Iedereen die een donatie doet krijgt het cadeau. Het bevat verhalen en koffierecepten van vluchtelingen en een column van Ronald Giphart. Mooie koffierituelen uit Ethiopië, Eritrea, Afghanistan, Sri Lanka en Syrië. Met op pagina 8 een prachtige foto van de vrouw over wie ik het hier heb: Roula Ammar: ‘Soms komen er herinneringen aan Syrië boven. Alleen de mooie jaren, de ellende willen we vergeten’, lees ik.

    Het is een nieuwe blijk van haar wens zich volop te laten zien. Ik feliciteer haar onmiddellijk, waarna ze schaterend vraagt: ‘Kom je ook gauw weer een bakkie doen?’. Een paar dagen later zitten mijn vrouw en ik in de tuin met het gezin. Roula heeft Syrische koek gebakken en zet een schaal heerlijke dadels neer. Opnieuw gaat het anderhalf uur lang vooral over ambities, aanpakken, Nederlands leren. Maar zij, haar man en kinderen, vragen ook meer dan ze ooit deden, naar óns leven. Ze willen na de taal ook de Nederlanders zelf en hun verhalen leren kennen.

    En juist als we praten over Damascus en de geboorte van hun kinderen daar, dendert er een F16 van de vliegbasis Volkel over. Even denk ik op het gezicht van haar man een zenuwtrek te zien. Het klopt. ‘Bij dit lawaai zie ik weer de rookwolken van bombardementen. Daar denk ik liever niet aan’, zegt hij. Ze koesteren liever de mooie jaren. Maar die hebben diepe wonden.

     

     

  • Zelfzorg

    Goed voor jezelf zorgen is weten wat je nodig hebt en wanneer: in vriendschap en andere sociale relaties, in voeding en nachtrust of in tijd. Zo geef ik altijd gehoor aan mijn wens om de zee te zien. Niets brengt me terug op aarde zoals het ruisen van de Noordzee dat doet: de schuimkragen op de golven; die ondefinieerbare kleur (is het blauw of groen of grijs of toch iets daartussenin) en het gevaar dat dit ondiepe water met zich meebrengt – want de zee is onvoorspelbaar en hoeveel mensen zijn er dit jaar weer verdronken? Het heeft iets verslavends. Gezond eten heeft dat niet.
    Grappig genoeg weten mijn katten evengoed wanneer ik ze nodig heb: hoe mijn eigen lijf bij pijn snakt naar de warmte van hun harige lijven; het monotone gebrom van hun spinnen; hoe Haggis bijvoorbeeld met al haar gewicht op mijn borst gaat liggen. Rust komt duidelijk van wezens waar ik niets van begrijp. En, natuurlijk, van boeken.

    Er is een reden waarom ik jaarlijks Beminde van Toni Morrison herlees, ik schreef er al eerder over, het is een boek waarvan ik, ondanks alle ellende en de eenzaamheid, gelukkig word: misschien zit het in de afloop, ik weet het niet, misschien zit het in de taal. Een gelukkig boek, zou Kees ’t Hart het noemen.
    Een tijd lang volgde ik een site waarop alleen positief nieuws werd gepubliceerd: vliegtuigen die een noodstop maakten omdat de verwarming in het ruim was uitgevallen en er een hond dreigde dood te vriezen, dat soort dingen. Ik kon me uren laven aan alle online gepubliceerde liefde en vrolijkheid, het was wat je noemt bemoedigend nieuws. Dat had ik kennelijk nodig.
    Nu is de schrijver van het fijnste jeugdboek uit de Nederlandse literatuurgeschiedenis, Madelief, een van de twee redenen waarom ik nog op Twitter zit (de ander is de Toto Africa-bot, een geautomatiseerd account dat tot in het oneindige de songtekst van Toto’s monsterhit de wereld in knalt). Van Madelief herinner ik me weinig anders dan dat ik het verhaal van die oma zo mooi vond: Krassen in het tafelblad – wat een schitterende vondst. Als dat geen gelukkig schrijven was, dan was het wel gelukkig lezen.

    Dat gelukkige lezen vind ik terug op het Twitteraccount van de schrijver. Guus Kuijer is grappig, wijs en sympathiek en als ik lusteloos door de tijdslijn scroll maken zijn uitspraken me vrolijk zoals die berichten op de positief-nieuws site dat deden. ‘Liefde is houden van het verschil,’ schrijft hij ergens. Zo’n zin kan enorm flauw zijn, bij hem werkt het.
    Weten wat je nodig hebt is: op de juiste momenten je vrienden bellen (of je moeder), salade maken voor jezelf en je lief of juist pizza bestellen, soms is het gewoon jezelf de vernieling indrinken – het komt nauw kijken en is voor iedereen weer anders. Voor mij is het momenteel achter elkaar in Hoe word ik gelukkig van Guus Kuijer lezen alles onderstrepen wat ik mooi vind. Uiteraard met een kat op schoot – of aan zee.

     

  • Behoorlijk overschat

    Een kind van twee leert zo’n tien woorden per week. Tegen de tijd dat het volwassen is, kent het gemiddeld zo’n 10.000 woorden. Wie veel leest kan dat aantal verdrievoudigen. Die woorden worden niet dagelijks gebruikt maar zitten ergens opgeslagen om op een moment van sprakeloosheid of in nood verkerend om een uitdrukking, op de voorgrond te treden. Zo’n vergeten woord zegt dan min of meer: ‘Alsjeblieft, hier ben ik, neem mij, ik stond al te lang in onbruik in je lexicon en popel om deel uit te maken van je dagelijkse woordgebruik.’ Zo kwam het dat ik opeens nogal van veel dingen vond dat die schromelijk overschat waren.
    Ik had veel in de tuin gezeten, gelezen en nog meer gelezen, met verre vrienden gegeten en weer gelezen. Een vuur ontstoken, gesprekken gevoerd, verder gelezen en daar was het opeens. Op een ochtend, de zon hoog aan de hemel en in gesprek met de postbode (wie praat er nog met de postbode?), zei ik dat ik vakantie een behoorlijk overschat tijdverdrijf vond. Ik hoorde het mezelf zeggen en dacht: ‘Hoe kom ik daar nu bij: Overschat?’

    Het was een last minute beslissing dat we thuisbleven. Geen rugzak inpakken, meten en wegen wat wel/niet mee kan. Geen katten en tuin die op de zorg van anderen aangewezen zijn. Wat op zich ook een overschatting is; dat als je op vakantie gaat je de katten goed kunt achterlaten. Een kat is bij afwezigheid van weken van zijn baasje zeer ontevreden, onze katten in ieder geval wel. Onder welke condities we ze ook achterlaten, bij terugkomst wendden ze zich immer met een hautaine hoofdbeweging van ons af als hadden we ze achtergelaten bij de eerste de beste kattenviller. Een kat vindt ’trouw’ ook beslist een overschat iets.
    Er was een Armeense moeder die na negen jaar, terwijl haar kinderen ergens anders speelden, werd uitgezet. Er waren meer dan tweeduizend varkens verbrand, en er was de keuze om honderdduizenden kippen de kop af te hakken (of anders wat?) omdat er een eiergifschandaal was. Kabinetsvorming, mensenrechten, compassie en gezond verstand, kwamen me als bovenmatig overschat voor.

    Koken vond ik ook opeens zo’n schromelijk overschat item. Nog nooit zo goed gegeten als deze vakantie. De courgettes, die en masse de achtertuin bevolkten en die nu geoogst konden worden voor ze de vorm van een zeppelin hadden aangenomen, stonden dagelijks op het menu. Gegrild, geraspt, geroerbakt, in de soep, we kregen er geen genoeg van. Dat courgettes smakeloos zijn is een overschat idee.
    Hoe ik er terecht kwam weet ik niet meer maar op de site van Hollands Diep las ik een interview met een schrijver waaraan onder meer gevraagd werd wat het meest overschatte boek was. Deze schrijver antwoordde: ‘Alles van Philippe Claudel.’ Wat een kitsch.’ voegde hij eraan toe, om te benadrukken dat het hem menens was. Dat vond ik dan weer een behoorlijk overschatte mening. Nu de vakantie voorbij is, zoek ik naar een ander nog niet gebruikt woord in mijn lexicon.

     

     

  • Dichtbij de schrijver

    Heeft het zin om als lezer de voetsporen van een schrijver te volgen? Die vraag drong zich bij me op toen ik vorige week in Haworth was, de plaats waar de gezusters Brontë halverwege de negentiende eeuw literatuurgeschiedenis hebben geschreven. Ik wilde er de ‘woeste hoogten’ in de omgeving gaan verkennen, maar toog eerst naar het huis van de schrijvende zusters. Daar viel ik met mijn neus in de boter en werd onderdeel van een geweldig literair kunstproject. Twee keer per dag nodigt de kunstenares Clare Twomey mensen uit om het verloren gegane manuscript Wuthering Heights te herscheppen. En ik viel (net als mijn vrouw) in de prijzen. Mijn dag kon niet meer stuk. Ik zou die dag niet alleen het voetspoor van Emily Brontë volgen, maar ook letterlijk haar schrijfspoor.

    Het volgen van Emily’s schrijfspoor mocht volgens Twomey niet te licht worden opgevat. Het re-creëren van een manuscript is een uiterst serieuze zaak. Ik kreeg de opdracht, terwijl ik achter het bureau zat, eerst tot rust te komen (mind you, in de kamer die ooit de werkkamer van Charlotte was geweest) en dan mijn ‘innerlijke Emily te verkennen’. Pas dan zou ik klaar zijn om een goede bijdrage te kunnen leveren aan het nieuwe manuscript.

    Dat een zekere rust wel een vereiste was, werd me overigens onmiddellijk duidelijk. Want de dame voor mij had zich door de zenuwen wat al te veel literaire vrijheden veroorloofd en in Emily’s origineel ‘would’ verandert in ‘was’. Wat natuurlijk niet de bedoeling was. Mijn eerste taak was daarom deze fout herstellen, om daar vervolgens de volgende woorden op te schrijven: “… be to play in, if we removed the table; and I asked … ”. Voor wie het wil weten: het zijn de woorden van de vijfde regel op pagina 284, waar de jonge Catherine Earnshaw opbiecht zich tegen de zin van haar vader al enkele dagen stiekem Wuthering Heigths te bezoeken om zich er te verpozen met Linton Heathcliff en Hareton Earnshaw.

    Het voert wat ver om te zeggen dat ik al schrijvende mijn innerlijke ‘Emily’ voelde, maar het deed me wel wat. Want daar zat ik dan, anno 2017, in de oude werkkamer van Charlotte, opnieuw de woorden op te schrijven die haar zus tweehonderd jaar geleden voor het eerst publiceerde. In de wetenschap dat volgend jaar ‘mijn’ woorden ten toon worden gesteld in het kader van de viering van de tweehonderdste sterfdag van Emily. Veel dichter kon ik voor mijn gevoel niet bij het werk van een schrijver komen.
    Later die dag struinde ik door de woeste veengronden die de beide Catherines uit Emily’s roman zo graag doorkruisten. Wat achter het bureau nog niet gebeurde, gebeurde daar wel. Omringd door de ‘wuthering heights’ boven Haworth voelde ik aarzelend een beetje ‘Emily’ door mijn aderen stromen.

    ‘… be to play in, if we removed the table; and I asked …’

     

     

     

  • Oostende, de vergane glorie voorbij

    Een uitnodiging voor de opening van een tentoonstelling in de Venetiaanse Gaanderijen leek acht jaar geleden de aangewezen gelegenheid om eindelijk naar Oostende af te reizen. Griep stak daar destijds een stokje voor. Vandaar dat ik pas vorige week ging.

    Ik houd van vergane glorie en ben in dat opzicht het een en ander gewend, met als voorlopig hoogtepunt een Day Trip to Bangor (‘Didn’t we have a lo-ve-ly day, the day we went to Bangor’) toen ik een week in het door weer, wind en tijd toegetakelde Llandudno verbleef, waar je overigens destijds nog wel een kopje thee kon drinken in een hotel dat ooit het vakantiehuis van de ouders van Alice uit Wonderland was.

    Natuurlijk was ik erop voorbereid dat in de voormalige ‘Koningin der Badsteden’ niet alles oude luister zou zijn, maar de stralende schoonheid van weleer is in Oostende wel heel ver te zoeken. Dat er bommen vielen, is wat mij betreft geen excuus. Geschiedenis is een kwestie van geven en nemen. Een roemrijk verleden verplicht, maar het duurzaam dichten van de gaten die in het aanzien van de stad geschoten zijn, lijkt in Oostende weinig prioriteit te hebben.
    Het gevolg van het verdonkeremanen van alle grandeur was dat ik me nauwelijks kon oriënteren en zo goed als tevergeefs zocht naar sporen van illustere inwoners en emigrés die de stad Oostende naam en faam bezorgden.

    Op de grote troeven van Oostende – het licht en de zee – kregen tijd en autoriteit godzijdank geen vat. Je hoeft geen James Ensor te heten om de waarde van deze natuurlijke rijkdommen te zien: de zee en het licht compenseren alle vergane glorie. Ensor liet zich louter lovend uit over de ‘wonderbaarlijke wateren van Oostende’ en het licht dat stad en omgeving in alle tinten en toonaarden kleurde, maar degenen die het aangezicht van zijn Oostende verminkten, gaf hij er verbaal van langs: ‘En wat te zeggen van de nog veel gevaarlijker ontijdige architecten, vol oneindige aanmatiging, nivellerende beulen van onze mooie plekjes. Onbehouwen lelijkerds die in naam van de edele moderniteit op neusverstopte projecten zitten te kauwen.’
    James Ensor had recht van spreken. Toen hij begon met het vangen van het licht was Oostende nog niet eens de mondaine badstad waar ik het over had, maar een vesting in de duinen die hooguit twee maanden per jaar toeristen moest dulden.

    (Dat ik nooit eerder in Oostende was, is trouwens niet helemaal waar. Een paar jaar geleden voorleeswandelde ik met mijn demente moeder bovenlangs het strand. Het was eb en ergens in de verte lag de zee. Als we goed keken, konden we haar zien. We hadden de zee niet per se nodig om te genieten: er zwierden meeuwen genoeg.
    Het was herfst. Er hing een man aan een lantaarnpaal te wapperen. Zo hard waaide het. Even later werd het voorjaar en zagen we een peuter modder maken. Terwijl een jongen het zand toetakelde, waadden wij door grijs-paarse plassen – of waren ze toch appelblauw-zeegroen – naar Engeland. We waanden ons onbespied, maar misschien heeft iemand ons gezien.)

     

    Voor de gelegenheid las en herlas ik:

    Met zicht op zee. Aan zee: veertig jaar later – Eric De Kuyper
    De geheime wereld van James Ensor – John Gheeraert
    Koetsier Herfst – Charlotte Mutsaers
    Ensor op hoge poten – Bert Popelier
    Oostende, de zomer van 1936 – Mark Schaevers

    CityTripS bracht mij ook naar Londen, Lissabon, Venetië, Heraklion, Parijs, Rotterdam en Brussel.

     

  • In de koffer van Els

    De meningen verschillen: neem je nu Ilja Leonard Pfeiffer mee als je op vakantie gaat naar Genua of juist niet? Christiaan Weijts heeft er als antwoord de term ‘contrapuntisch lezen’ voor bedacht: stop het Winterlogboek van Paul Auster bij voorkeur in de koffer als je in de zomer naar een snikhete plaats gaat. Dus geen La Superba als je van plan bent naar Genua te reizen.

    Bij mij schuurt zoiets. Ik zou niet op het idee komen in Londen, waar ik laatst was, een Duitse roman te gaan lezen, of omgekeerd een Engels boek in Kassel, waar ik een paar dagen op de documenta rondliep. Toch moet het nu ook weer niet al te dicht bij elkaar liggen, het boek en de vakantie-ervaring. Er moet een zekere ruimte tussen zitten. Zo nam ik geen originele Shakespeare mee naar een studieweekje over hem (voor mij is dit een heerlijke vorm van vakantie vieren: een denkvakantie). Of de Bijbelse Psalmen naar het Psalmenfestival van het Nederlands Kamerkoor in het kader van het Festival Oude Muziek in Utrecht. Zelfs niet de bewerking van Lloyd Haft. Maar in beide gevallen wel iets dat er tegenaan ligt, om in de mood te blijven.

    Naar het Shakespeare-weekje ging Heksengebroed van Margaret Atwood mee, naar Shakespeare’s The tempest. Het verscheen oorspronkelijk in The Hogart Shakespeare Series van Penguin Random House, waarvan ik op deze site eerder een vertaald deel besprak: Azijnmeisje van Anne Tyler. Een kostelijk initiatief en ik verheug me op de vier delen die nog komen. In Nederlandse vertalingen om tot nu toe u tegen te zeggen.
    In mijn koffer naar Utrecht stop ik het boek over Martin Buber dat onlangs verscheen van de hand van Theo Witvliet, van wie ik al eens eerder een prachtig boek las. Kwaliteit van leven heet het nieuwe boek, en ik verwacht er op grond van enkele interviews met de auteur veel van.

    Naast het lezen van de grote geesten als bovengenoemden, lees ik er met liefde nog een dichtbundel naast. Ik denk dat het Wildcamera, de zesde bundel van Martin Reints wordt, dat naast gedichten ook nog eens korte prozastukken belooft over beeldende kunst, Martin Luther King en Wallace Stevens. Mooi meegenomen wanneer na de zomer in de Amsterdamse Nieuwe Kerk een tentoonstelling valt te zien over Gandhi, King en Mandela.
    Volgens Piet Gerbrandy, die een recensie over de bundel schreef, begint de poëzie van Reints ‘pas te spreken zodra je luistert naar de stilte eromheen’, zoals het joodse denken volgens de joodse mystiek begint in het wit in en om de Hebreeuwse letters. Misschien is dat ook wel het geval met het denken van Buber – we gaan het aan de hand van het boek van Witvliet ontdekken.
    Als ’t even lukt ontstaat er op die manier ook een ‘contrapuntisch lezen’, alleen op een andere manier dan Weijts bedoelt, maar dat mag niet hinderen.