• Jerry

    De nieuwe jongen in onze klas heette Jerry. We waren veel gewend, maar geen Jerry. Jerry was zwart, maar dat was niet het belangrijkste. Jerry kon zijn bovenste oogleden binnenstebuiten keren. Voor hem was dat een fluitje van een cent. Ons lukte het never nooit. Terwijl hij het vaak genoeg in slow motion voordeed. Jerry was ook degene die revolutionaire knikkertechnieken op het schoolplein introduceerde, waarvan ‘duimpje druk’ de meest ontwrichtende was. Er schoten heel wat duimen uit de kom voordat Jerry voor de eerste keer door één van ons op zijn discipline werd verslagen.

    Toen ik afgelopen zomer op het voormalige schoolplein stond – van school en plein ontbrak elk spoor, alles was gras – dacht ik geen moment aan Jerry, maar hij schoot me onmiddellijk te binnen toen Osei Kokote zijn opwachting maakte in Nieuwe jongen van Tracy Chevalier. Osei – [O-see-ie] – is diplomatenkind en gewend om steeds opnieuw te moeten beginnen. Hij is inmiddels toe aan zijn vierde school, in dit geval een witte in Washington. Op de eerste schooldag gebeurt er veel: hij valt in de smaak, en is ook meteen het middelpunt van een hetze. In no time is de klas in kampen verdeeld en eist de een na de ander een rol op in een complot met min of meer dodelijke afloop. Het lijkt wel een Shakesperiaans drama, en dat is het ook. Nieuwe jongen is Othello in een nieuwe jas.

    Tracy Chevalier is de vijfde schrijver die zich in het kader van The Hogarth Shakespeare aan een van Shakespeare’s toneelstukken waagt. Ook aan haar de schone taak om heel veel poppetjes een plek te geven. Want daar ontkom je niet aan als je Shakespeare her-vertelt. Als baas van het spul voelde hij zich verantwoordelijk voor zijn spelers. Daardoor zijn zijn stukken soms behoorlijk overbevolkt en niet altijd even functioneel ingewikkeld.
    Omdat ze haar opdracht goed begrepen heeft en Shakespeare recht wil doen, kan Tracy Chevalier niet anders dan kiezen voor een omgeving die meer dan één hoofdrol, een heleboel bijrollen en het nodige gedoe garandeert. Een school in tijden van racistisch turmoil is dan het ideale decor.

    Terug naar Jerry die, realiseer ik me nu, geen Jerry maar Albert heette. Er zat wel een Jerry op school, maar die had Molukse wortels (en een broertje: Tommy). Ook Albert wachtte een eerste schooldag, maar onze school was minder wit dan die van O-see-ie in Washington. Wij wisten allemaal wat het was om ergens anders opnieuw te moeten beginnen, al waren onze vaders geen diplomaten maar soldaten die met de regelmaat van de klok overgeplaatst werden. En toch keken we op van Albert, die godzijdank niet bang was. Hij moet geweten hebben dat hij met zijn binnenstebuiten oogleden en knikkervaardigheid troeven in handen had.

     

     

  • Klein en lokaal

    Tegenwoordig laven wij ons aan het grote, het internationale, het mondiale. Ook ik maak me daar veelvuldig ‘schuldig’ aan. Dat werd mij weer eens duidelijk toen ik van de zomer met vrouw en dochter op het Griekse eiland Lefkas verbleef. Op het terras van een restaurant aan een prachtige baai bestelden we iets te drinken. We wilden wat zoetigs, iets van Fanta of Sprite. De restaurateur wees ons op een lokale drank die wel wat weg had van Sprite. Het smaakte zacht zoetig, een prettig drankje. Waar we ook kwamen nadien, vroegen we om Lous, het lokale drankje dat ons even bij de Grieken deed horen. Het voelde, naast de prettige smaak, ook goed om kleine initiatieven en merken te steunen. Dat zouden we vaker moeten doen, dacht ik. Het bevordert de lokale economie: door die impuls en stimulans en oplopende consumptie, ontstaat dan hopelijk een variëteit aan lokale smaken waaruit wij als consument kunnen kiezen. De lokale bierbrouwerijen varen in ons land al wel bij deze ontwikkeling. Laten we dan ook de kleine boekhandel weer eens vaker bezoeken, zeg ik.

    Zo loop ik geregeld bij boekhandel Minotaurus, vlakbij de Amsterdamse Nieuwmarkt, binnen. Benieuwd naar welke nieuwe, kleine publicaties die ze me kunnen aanbieden. Uitgaves die je niet zomaar elders of in een reguliere boekhandel kunt vinden, maar gelimiteerd uitgegeven titels, door kleine drukkers, op een handpers gemaakt, in oplages van 10 of 25. Het liefst genummerd en gesigneerd door dichter, tekenaar of drukker.
    Hans van Daalen, de mede-eigenaar van Minotaurus en bibliofiel in hart en nieren, schoof Stroom en Woud onder mijn neus. Voltreffer. Gedichten van de Oost-Duitse schrijver Johannes Bobrowski (1917-1965), vertaald door de Nederlandse dichter C.O. Jellema (1936-2003). Gedrukt door René Hesselink van het Utrechtse antiquariaat Hinderickx en Winderickx in een genummerde oplage van 65 exemplaren.

    De thematische verwantschap met bijvoorbeeld Armando is aanwezig, het verleden dat in het landschap huist. De stijl is zeker lyrischer, maar de toon is eveneens donker en refererend aan oorlog, verlatenheid, vluchtigheid en verlies. Met ook nog de laatste publicatie van Léon Hanssen over Mondriaan van uitgeverij De Buitenkant in de tas, liep ik tevreden naar buiten.

    ’s Avonds keken wij uit/ op een stenig dal. De havik zweefde/ rond de brede koepel./ Zagen de stad, oud, wirwar van huizen/ omlaag tot aan de rivier./ Zul je over de heuvel/ gaan? De grauwe kolonnes/ – grijsaards en dikwijls de jongens -/ sterven daar. De helling/ lopen zij op, voor de jakkerende wolven uit. (Uit: gedicht Kaunas 1941 van Bobrowski). Stroom en Woud van Johannes Bobrowski, te koop voor 35 euro bij Boekwinkel Minotaurus te Amsterdam  bel 020-6227748 of stuur een email naar minotaurus@xs4all.nl.

     

     

  • Kunst

    Op een van de laatste mooie avonden van augustus zat ik op de Place Général de Gaulle in Lille aan het bier toen uit de Rue Neuve het geluid aanzwol van trommelaars. Om de hoek verscheen een groep van ongeveer honderd betogers, bijna allemaal Afrikanen zo te zien. Ze scandeerden een leuze die ik niet goed verstond, maar het spandoek dat ze meedroegen maakte duidelijk dat ze clementie eisten voor migranten zonder papieren. Vrijwel meteen vroeg ik me weer af of de mensen die over hun hart zouden moeten strijken zich daar ook maar iets van gaan aantrekken. ‘Weer’, want eerder die dag had ik hetzelfde toen ik op het Kunstenfestival in Watou, in de brouwerij had gesteaan voor Ceinture à Munition van de Palestijnse migrant Taysir Batniji: een munitiegordel waarin alle kogels waren vervangen door scherp geslepen potloden. Het beeld van pen in plaats van wapen is vaker gebruikt, onder andere in spotprenten, maar toch raakte het me opnieuw. En juist die herkenning van dat beeld riep bij mij tegelijk machteloosheid op. Welke wapenhandelaar, terrorist of belligerente malloot wordt hierdoor tot bezinning gebracht?

    Ik herken mijn gedachten uit eerdere situaties. De prachtige novelle Al te luide eenzaamheid van Hrabal gaat over de papierpletter Haňt’a, die uit de bakken oud papier die in zijn kelder worden gestort alle wijze boeken redt. Hij heeft het gevoel dat hij zich, al lezend, ‘in het diepste hart van de waarheid’ bevindt. Stinkend naar het afval gaat hij elke avond naar huis, ‘maar ik ben één en al glimlach, want ik heb boeken in mijn aktetas waarvan ik verwacht dat ik daaruit ’s avonds iets over mezelf te weten zal komen wat ik nog niet weet’. Dat is de kracht van kunst, die ik herken. Maar bereikt die ook de lieden die het voor het zeggen hebben?

    In het kabinet Rutte I hakte Halbe Zijlstra, staatssecretaris van Destructie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, zo met de botte bijl in op de kunsten dat hij voor mij de ultieme papierpletter is die ’s avonds naar huis gaat met een aktetas zónder boek, omdat hij zich er wel voor hoedt iets te weten te komen over zichzelf dat hij nog niet weet. Ik denk dat ik er niet ver naast zit als zijn vakliteratuur bestaat uit De Telegraaf en het clubkrantje van de VVD en dat hij tijdens zijn vakanties hooguit met een spannende detective vergetelheid zoekt. Zijlstra c.s. denken er nu nog steeds zo over. Maar er is hoop. De kracht van kunst is niet alleen wát ze te zeggen heeft, maar ook dat ze zich steeds weer opricht. In dezelfde novelle van Hrabal zegt Haňt’a dat alle boekverbrandingen tevergeefs zijn geweest: ‘als die boeken iets zinvols te melden hadden, dan kon je ze op de brandstapels in hun vuistje horen lachen, want een degelijk boek verwijst altijd ergens anders heen en naar buiten.’ Ga door, Batniji! Lees eens een boek, alle Zijlstra’s. Onderga kunst!

     

     

     

  • Hoop en leven

    Toen bekend werd dat schrijver Renate Dorrestein ernstig ziek is, was ik bezig in twee boeken. Het een, 99 stories of God van Joy Williams, is een bundel die precies doet wat het belooft: negenennegentig zeer korte verhalen, variërend van twee pagina’s tot twee regels, waarin het zoeken naar god is. Soms komt Hij letterlijk aan het woord, soms sluimert er iets op de achtergrond, de verhalen lezen als literaire ‘Waar is Wally’s’s. Zo bestaat er een verhaal alleen uit de zin, ‘When God abandoned the Aztecs, He turned their chocolate trees into mesquite’. Bijzonder is niet alleen het gebrek aan paginanummers, maar ook dat de titel onder het verhaal staat, waardoor het gelezen verhaal postuum een ander licht krijgt.
    Ondertussen las ik weer een Coupland. Waar ik dacht alles van hem te kennen, bleek dit bij nader inzien niet zo te zijn, wat voelde alsof verlate verjaardagscadeautjes een voor een binnenkwamen en geduldig wachtten tot ik ze uitpakte. Ik kocht Girlfriend in a coma in vertaling en lang na de laatste bladzijde dacht ik nog over het hysterische einde na. Misschien is dit boek Couplands meest religieuze roman, een uitspraak waar ik uiteraard voorzichtig mee moet zijn, maar het komt door het idee dat het leven, de ander, serieus genomen moet worden.

    Rudy Kousbroek, nog zo’n favoriet, geloofde heel stellig niet in God nadat hem duidelijk werd gemaakt dat dieren niet naar de hemel zouden gaan – een gedachtegang waar ik volledig in mee ga, al ga ik er vanuit al mijn vorige huisdieren na mijn overlijden weer te zien, evenals mijn oma’s, opa en iedereen die er niet meer is. Toch kreeg ik bij het lezen van Kousbroeks essays heel sterk het vermoeden van een religieus denker: iemand die erg aansloot bij de wezens en de wereld om hem heen. Is dat niet ook geloven, je verbonden voelen met dat wat – of hen die – je niet kunt verklaren?
    Dorrestein bleef maar in mijn hoofd zitten.

    Sommige schrijvers, zoals Grunberg en Houellebecq, werken vanuit een idee en alles staat in functie van dat idee. Anderen schrijven vanuit het personage. Stephen King bijvoorbeeld plaatst zijn personages in extreme omstandigheden en kijkt dan hoe ze reageren. Ook Renate Dorrestein is zo’n schrijver. Als vroege lezer kwam ik erachter dat de methode personage, om het zo maar even te noemen, mij het meest aanspreekt – misschien vanuit het idee dat het leven, de ander, serieus genomen moet worden. Dat laatste is iets waar Dorrestein, met of zonder gebruik van ironie in haar proza, in excelleert.
    Ik heb 99 stories nog niet uit, dagelijks lees ik enkele verhalen. Schrijft Williams vanuit het idee of vanuit haar personages? Ik weet het niet zeker, al sluit ik duidelijk ergens op aan. Met regelmaat blader ik terug, misschien zoek ik wat Dorrestein al blijkt te hebben gevonden. In een interview zegt ze: ‘Alle geloof is hoop, hoor.’ Hoe heetten die twee prachtige romans van haar ook alweer? O ja: Zolang er hoop is en is er leven.

     


    Marijn Sikken mijmert over lezen, verhalen en literatuur en schrijft daar columns over. Haar debuutroman, ‘Probeer om te keren’ (2017) verscheen bij Uitgeverij Cossee.

  • Onzichtbaarheids-waanzin

    Vanuit het kleine kader onderaan de voorpagina van de krant keek de schrijver me aan. Licht ironisch glimlachend waarbij het scheef gehouden hoofd een koketterende onbezonnenheid suggereerde. Hij keek met een blik van, ‘kom maar op’ en ‘ik maal er niet om’. Met die houding kon ik me wel vereenzelvigen. Al zou er beweerd worden dat de boeken – die hij  schreef onder de naam waarmee hij in 1943 in het geboorteregister van Saviano werd ingeschreven – door zijn vrouw geschreven zouden zijn, dan zou hij dat noch bevestigen, noch ontkennen, zo zag hij eruit op dat fotootje ter grote van een pasfoto ; ‘Je mag zeggen wat je van me vindt, me de duimschroeven aandraaien (wat de uitgever een beetje deed met het plaatsen van dat fotootje met de tekst: De literaire sensatie uit Italië) maar het doet me niks.’

    Het is behoorlijk sensationeel om ontmaskerd te worden als schrijver van de succesvolle Napolitaanse romans. Maar wat, als je het wel bent. Waarom zou je het toegeven, je hele wereld die je rondom je andere zelf hebt opgebouwd, zal instorten. Dat wil je toch niet? Ik begrijp dat wel, van een eenmaal ingeslagen weg kom je nu eenmaal niet snel terug. Dat zit niet in onze natuur. En daarbij, wie heeft geen eigen pseudoleven? Nooit iets in je zak gestopt terwijl je bij een vriendje speelde, of een boek van je beste vriendin, dat ze zelf nog niet eens gelezen had ongevraagd geleend? Ik  heb wel eens, in een vlaag van onzichtbaarheidswaanzin, bij een uitgeverij een boek uit de kast getrokken en bij me gestoken. En dat je dan thuis niet weet wat je ermee aan moet, dat je het dan maar verdringt. Schrijvers en lezers zijn rare mensen.

    Dus als iemand al meer dan een decennia gelooft dat hij een vrouw is die boeken schrijft over twee vrouwen waarvan de lezer denkt dat het wel autobiografisch moet zijn, dan zou ik dat maar zo laten. Zelf wist je ook niet hoe dit zou aflopen, en van iets wat je niet weet, daar zeg je al gauw ‘nee’ tegen. Dus dan zeg je: Ik. Ben. Het. Niet. zoals de schrijver op het pasfotootje op de voorpagina van de krant. En dat geloof ik wel, dat je zegt die iemand niet te zijn, want je bent die persoon niet. Je deed maar wat in een vlaag van onzichtbaarheidswaanzin. En hoe je dit thuis nu weer moet verantwoorden.  Je vrouw, waartegen je tientallen keren hebt gezegd dat je geen weet hebt van geen enkel pseudoniem. Terwijl je volgens haar al je tijd in je werkkamer doorbracht maar de uitgever relatief weinig manuscripten van je ontving. Het zou zo gegaan kunnen zijn. En dan toch, blijf ontkennen. Niet toegeven dat je degene bent die je was. Een van de kenmerken van onzichtbaarheidswaanzin is dat je er heilig in gelooft dat niemand je in je bezigheden kan waarnemen. En dat wil je graag zou houden.

     

     

  • Spijt

    De bladzijden zijn van flinterdun vezelrijk papier waar je bijna doorheen kunt kijken. Overal schemeren woorden door. En niet alleen woorden, ook de plaatjes zie je van tevoren aankomen. Die plaatjes hadden van de schrijver overigens niet gehoeven. De schrijver – die dit keer dichter is – gaf de voorkeur aan zo eenvoudig mogelijk. Alleen zijn tekst. Het gedicht dat hij voor zijn vrouw schreef. De plaatjes waren het idee van de uitgever. Hij wilde de zes grafisch vormgegeven werken van evenzovele kunstenaars.
    Dat ze de tekst niet domineren is te danken aan de manier waarop de woorden van de dichter gezet zijn. Aan het lettertype dat de uitgever koos. Aan het drukken zelf. De woorden hebben de ruimte en lijken in het papier gehamerd.

    Ik blader heel voorzichtig, hoewel het wel wat kan hebben. Het oogt kwetsbaarder dan het is. Alles komt me bekend voor. De aarden tinten. De tekst in blokken die over de bladzijden dansen. De beelden die weinig goeds voorspellen.
    Hier en daar lees ik regels, strofen. Wat de dichter bezielde weet ik niet. Op papier nadert het einde, terwijl alles net nog modder was. Als hij het leest, klinken de woorden kalm en berustend. Zelfs de laatste dertien: ‘One day my words may comfort you, as yours can never comfort me.’

    Next to Nothing van Paul Bowles. Ik pikte het er meteen uit, al had ik het nooit eerder in het echt gezien. Dat ik het ooit zelf in handen zou houden, had ik niet durven dromen. Daar leek het me te zeldzaam en te gewild voor. Paul Bowles heeft een cultstatus. Wie hem eenmaal in huis heeft, laat hem nooit meer gaan. Dat soort bewonderaars heeft hij. Ik ben er een van. En toch liet ik Next to Nothing liggen…

    Vond ik dat de boekhandelaar te veel vroeg? Absoluut niet. Er zijn er maar vijfhonderd van. Het is handwerk, in Kathmandu gemaakt. De prijs leek mij alleszins redelijk – een snelle check op internet bevestigde dat – maar het is wel veel geld voor één boek. Paul Bowles zelf maakte zich drie jaar na verschijnen zorgen over de prijs, en stuurde aan op een herdruk: ‘I thought it was time it had another edition, since the present one is now listed at $150, according to a rare-book catalogue I received a fortnight ago.’
    Wat zeker meespeelde, was dat ik niet op Next to Nothing voorbereid was. De mogelijkheid het te hebben, overviel me. Blijkbaar stond het in mijn ‘systeem’ als onbereikbaar geclassificeerd en had ik me al bij het ontbreken neergelegd.

    Maar ik wilde Next to Nothing wel! En toch kocht ik het – zelfs nadat ik het nog een keer uit het beschermende hoesje had gehaald en nog een keer, en daarna nog een keer, doorbladerde en alles dat in het voordeel van Paul Bowles en Next to Nothing sprak op een rijtje had gezet en hardop had uitgesproken – niet.
    Daar heb ik spijt van, heel veel spijt.

     

  • Ze kweekten lammetjes

    Ik verlang soms hevig naar iemand die zegt dat het allemaal wel meevalt. Dat schuldgevoel net zo nutteloos en overbodig is als ‘sorry buiten dienst’ op een streekvervoerbus zetten die zijn dienst erop heeft zitten. Iemand die me uitlegt hoe goed het is de dingen net even anders te bekijken. Iemand die me uit mijn  gewoontevorm lostrekt (nee, niet weken) om tot een alles omvattende vorm van begrip te komen. Niet het vage: ‘Jaja, ah oké, dus zo…’ dat me makkelijk afgaat, maar het begrijpen dat me sprakeloos maakt en waardoor ik terstond een lang weekend moet onderduiken, om al mijn aannames te herzien.

    Toen ik deze week, na maanden geroepen te hebben dat ik de strijk ging doen, daadwerkelijk de strijkbout ter hand nam, zette ik daar een podcast bij aan. ‘Nooit meer slapen’ met de Surinaamse schrijfster Cynthia Mc Leod. Terwijl ik boorden, mouwen en plooien in rokjes streek zei ze dingen als, dat Suriname, Suriname niet geworden was als er geen slavernij was geweest. Ze zei, dat je je achtergrond moet kennen om je toekomst te kunnen bepalen. ‘Alleen dan kan je verder.’ Ze zei ook – op een toon alsof ze het voor de zoveelste keer moest uitleggen – tegen Pieter van der Wielen, nadat hij gezegd had dat er Nederlanders zijn die zich schuldig voelen over de slavernijperiode: ‘Geen enkele Nederlander hoeft zich schuldig te voelen. Jij hebt het niet gedaan. Jij was er niet bij. Wij doen vandaag ook dingen die mensen over 200 jaar verschrikkelijk zullen vinden.’ Dit klonk zo waarachtig dat ik haar meteen geloofde.

    Ze deed er nog een schepje bovenop: ‘Denkt u meneer! Meneer wat denkt u, dat over tweehonderd jaar mensen nog vlees eten?’ Waarop ze direct haar eigen vraag beantwoordde: ‘Nee hoor, niemand eet vlees over 200 jaar. Dan zijn kippen en lammetjes lieve vriendjes, als huisdier. Gaan ze over ons zeggen: Weet je (op zachte toon alsof ze een sprookje vertelt) wat die mensen toen deden. Ze kweekten die lieve lammetjes en hadden slachthuizen en dan kon je bij de slager dat vlees zien hangen en dan wees je aan wat je wilde hebben en dan kocht je het en thuis at je het op.’

    Het klonk als een voorspelling gedaan door iemand die de geschiedenis kent en weet hoe de toekomst eruit ziet. Ik geloofde haar, voelde opluchting en was stiekem blij omdat ik geen vlees at. Dat ik niet zo iemand was die bij de slager een stuk vlees haalde om thuis op te eten. Toen wist ik dat er ten tijde van de slavernij ook Hollanders moeten zijn geweest die het niet eens waren met de slavernij, dat die zich er ongemakkelijk bij voelden. Zoals ik me ongemakkelijk voel bij die hele vleesindustrie maar tegelijkertijd niet in staat ben daar een einde aan te maken. Dat daar tijd voor nodig is. En dat we daarbij de boeken van zo’n wijze vrouw als Cynthia McLeod kunnen gebruiken. Lezen dus.

     

    Podcast ‘Nooit meer slapen’: Cynthia McLeod.


    Inge Meijer is een pseudoniem. Zij schrijft over boeken als steunpilaren en over de ontdekkingen in de marges van de literatuur.

     

  • Stilte

    Moge het altijd stil in ons zijn
    het diepste contact met ons zelf
    vindt in stilte plaats

    Ver van pijn en geweld
    waar vrede heerst
    liefde, wijsheid, stilte

    Deze laatste twee strofes van het gedicht ‘Stilte’ dat Simon Vinkenoog schreef als Dichter des Vaderlands ad interim, droeg hij op 4 mei 2004 voor de KRO-microfoon voor. Hij had in die tijd, samen met Edith Ringnalda, een tuinhuis genaamd Eden op Buitenzorg in Vogeldorp (Amsterdam). Vogeldorp is vanaf 1997 een monument en Buitenzorg bestaat dit jaar honderd jaar. Volgens iemand die wel eens op dit terrein is geweest, waart Vinkenoogs geest er nog steeds rond. Ik moet er geregeld aan denken als ik één keer in de week aan de overkant van de straat meedoe aan een meditatie voor de vrede. Maar dat niet alleen, ook aan een uitspraak van Leo van der Lek, mijn oud-hoboleraar en destijds althoboïst van het (toen nog niet Koninklijk) Concertgebouworkest.

    Hij zei eens dat stilte de mooiste muziek is. Ik dacht dat ik hem snapte. Tot het moment dat ik in de prachtige fotofilm Ascent van Fiona Tan, die ik een uurtje na een meditatie zag. Na enkele stills van oorlogsgeweld valt opeens een oorverdovende stilte. Zo moet het geweest zijn nadat de bommen op Hiroshima en Nagasaki waren gevallen. Tot het moment dat in Caribisch gebied de ene orkaan de andere opvolgde, en je met recht kunt spreken van ‘stilte voor de storm.’ Tijdens een meditatie is het nooit zo stil als na de bommen of voor een storm; je registreert het geluid van een kraan die open wordt gedraaid, van een rolluik dat wordt opgehaald en van een auto die start. Aangename, vertrouwde geluiden die je met beide benen op de grond houden.
    Geluiden die doen denken aan wat de meditatief aangelegde Amerikaanse componist John Cage a silent piece noemde: 4’33”. Een musicus zit op straat achter een piano zonder ook maar een toets aan te raken. Je hoort geen muziek, maar verkeersgeluiden, gekuch, voetgeschuifel van de toehoorders.

    Ik snap inmiddels Van der Lek wat minder en Cage wat meer. En ben David Van Reybrouck en Thomas d’Ansembourg dankbaar voor hun boekje Vrede kun je leren. Alle criticasters ten spijt die al dat mediteren voor vrede maar naïef vinden, omdat er geen aandacht zou zijn voor ‘complexe politiek-maatschappelijke en economisch-culturele structuren.’ Het is niet gemakkelijk, stilzitten. Dat heb ik ondertussen wel geleerd. Het maakt je bewust hoe geweld ook in jezelf zit én wat je daaraan kan doen. Een klein begin, maar toch.
    Misschien is het wel gewoon zo: dat vredesactivisme en meditatie twee kanten van dezelfde medaille zijn. Zoals geluid en stilte niet zonder elkaar kunnen om te worden ervaren.

     

     

  • Boekwinkelen

    Jammer genoeg was er niemand bij toen ik na jaren zoeken een exemplaar van A Little Original Sin: the Life and Work of Jane Bowles van Millicent Dillon op de kop tikte. Ook toen ik de eerste druk van Nathan Sid van Adriaan van Dis verwierf, waren daar geen getuigen bij. Jammer, want het waren memorabele momenten. De blijdschap en de voldoening moeten in beide gevallen van mijn gezicht af te lezen zijn geweest. Van opluchting was geen sprake: ik wist in beide gevallen zeker dat ik ooit zou vinden. Dat rotsvaste vertrouwen in het toeval van de markt maakt dat ik, terwijl anderen steeds meer gebruikmaken van webwinkeltjes, de voorkeur blijf geven aan struinen met een zekere kans van slagen. De vraag is hoe lang ik dat nog vol kan houden.

    Twee weken geleden zocht ik voor het eerst heel bewust mijn toevlucht tot de digitale boekenhandel. Ik had mijn zinnen gezet op James Ensor: een biografie van Eric Min. Toen de zoveelste boekhandelaar nee verkocht en een ervaren antiquaar bekende het boek nog nooit in handen te hebben gehad, vreesde ik echter het ergste.
    Een eerste online verkenning maakte duidelijk dat het wel eens heel lang zou kunnen duren voordat ik deze Ensor ergens spontaan tegen het lijf zou lopen. Wilde ik het boek binnen afzienbare tijd in mijn bezit krijgen, dan moest ik het toeval een handje helpen. Er zat niets anders op dan mijn principes opzij te zetten en boekwinkeltjes.nl te raadplegen.

    Wat ik me op dat moment realiseerde, was dat het uitblijven van zoekresultaten definitiever zou zijn dan het niet aantreffen van een boek in een winkel of een kraam. Een beetje antiquariaat zet zijn aanbod immers op een verzamelsite. Digitaal nul op het rekest krijgen, zou betekenen dat ik de biografie beter uit mijn hoofd kon zetten. Ik stak mijn kop in het zand en keek elke dag een keer of tien.
    Tot mijn verbazing heb ik al na vier dagen beet. Waar de dagen ervoor nog ‘geen resultaten voor deze zoekopdracht’ verscheen, popt een exemplaar van James Ensor: een biografie op. De verkopende partij blijkt zelfs een oude bekende. Ik maak mijn belangstelling voor het boek kenbaar en schrijf dat hij zich de moeite van het opsturen kan besparen: ‘Ik kom het wel halen als ik volgende week in de stad ben.’

    Vijf dagen later word ik hartelijk ontvangen in zijn gloednieuwe winkel in de Zwolse Papenstraat. We drinken koffie en halen herinneringen op aan de keren dat ik een krakende trap beklom en eenmaal boven oog in oog stond met deze boekverkoper.
    Terwijl James Ensor inmiddels klaarligt bij de kassa snuffel ik. Trek hier en daar een boek uit een kast, maar zet ze bijna allemaal weer terug. Alleen James Joyce van Italo Svevo en Wir sind Utopia / El Greco malt den Großinquisitor  van Stefan Andres (vanwege de tweede novelle) mogen met Ensor mee naar huis.
    Vinden zonder op zoek te zijn: dat kan alleen in een boekwinkel van steen en bloed.

  • Reiziger in de geest

    Een week of wat geleden werd ik gebeld door een Nederlandse schrijver. Hij had opgeruimd. Of ik die boeken kon komen ophalen. Hoeveel dozen zijn het? Een doos of twintig, dacht ie. Hij bleek op een paar kilometer van mij vandaan te wonen. Jaren geleden woonde hij nog in het welvarende deel van Amsterdam, waar ik ook al eens een partij boeken bij hem en zijn, toenmalige, vrouw had weggehaald. Nu woont de schrijver in Rollator City, zoals hij zijn nieuwe buurt in een van zijn laatste boeken noemt. Het bevalt hem daar, zei hij. Geen poeha hier. Ik herken dat wel. Al is kunst, literatuur en cultuur soms ver te zoeken in deze contreien voorbij de Amsterdamse ringweg.

    Op een zaterdagmiddag laadden we 2 auto’s vol en op maandag nog een halve. Ik pakte de dozen een voor een uit. Wat een weelderige boekenwereld zeg. Zoals zijn oeuvre, zo is zijn boekenverzameling. En zijn huis, dat vol hangt met kunst en verrassende beelden, is ook al overweldigend. Encyclopedisch, caleidoscopisch, wauw wat een diversiteit. Wat zit er allemaal wel niet in het hoofd van deze man? Hoeveel pagina’s zijn er wel niet door zijn handen gegaan en hoeveel zinnen zal hij wel niet allemaal tot zich hebben genomen? Boeken over vissen, over de Friese taal, over graafschappen, over schrijvers, over medische onderwerpen, over atlassen, kunstenaars, over fietsen en schaatsen, sport, het houdt niet op. Ik moet nog een doos of 10 bekijken, maar het is allemachtig veel en veelzijdig. Ik kan me geen weldadiger werkuren bedenken dan deze, vol verrassingen en tot dat moment niet voorstelbare studies. En, dat is wel eens anders, hij heeft ze nog gelezen ook, met als bewijs hier en daar een aantekening of een zwierige potloodstreep in de kantlijn.

    Ik was even een paar zomermaanden klaar met boeken en de pretenties van kennis, lezen en de verantwoordelijkheid en de tegenwoordigheid van de geest en de commercie die er mee gemoeid is. Maar deze boekeninkoop heeft me weer energie gegeven. Deze schrijver heeft me weer aan het lezen gekregen. In drie van zijn boeken ben ik aan het lezen en ze brengen me in het Denemarken van nu, het Brussel rond 1830 en het Friesland van 50 jaar terug. De reiziger in de geest is weer op pad.

     

     

  • Papieren vluchtelingen

    De vluchtelingenstromen en migratiebewegingen over de hele wereld zijn zichtbaar in de kunst van de laatste jaren. Al snel nadat in 2015 vloten gammele bootjes de Middellandse Zee en eindeloze drommen ontheemden op Griekse en Italiaanse eilanden dagelijks de journaals vulden, confronteerden theatermensen, musici, filmers, schrijvers, zangers en beeldend kunstenaars hun publiek met onontkoombare vragen. Ik was er vaak van onder de indruk, maar voelde ook argwaan. Werd soms niet al te gemakzuchtig meegelift op een actualiteit die veel publiek trekt? Misbruikt een enkele kunstenaar de migratiecrisis om zichzelf en zijn werk in de kijker te zetten? Maar: ik ben zelf ook niet afwezig in mijn manier van kijken. ‘Beauty is in the eye of the beholder’, inderdaad. ‘History’ ook.

    De afgelopen zomer bezocht ik in Den Bosch de installatie Uncertain Journey van de Japanse Chiharu Shiota. Een overrompelende ervaring, die verbeeldt hoe we als individuen, waar ook ter wereld, uiteindelijk aan dezelfde levensdraden hangen. Bloedrode. Ik weet niet zeker of de bootjes waaruit ze omhoog rijzen verwijzen naar de massale volksbewegingen van deze jaren, maar voor mij voelde het wel zo. Enkele weken daarna stond ik op de expositie Paper Art in Apeldoorn voor een landkaart van Zuid-Amerika, samengesteld uit honderden uiterst dunne papieren draadjes. Aan de wand ertegenover een stoet mensen die met dezelfde techniek was uitgebeeld. Ik heb niet veel met papierkunst: knap; wat een eindeloos geduld; zoiets denk ik vaak. Tot ik zag dat deze werken, getiteld Uncertain routes (bijna net zo als het werk van Shiota) en Via dolorosa, zoveel meer waren dan knappe weefsels. Maakster Miriam Londoño, een Colombiaanse migrante, laat thema en artistiek medium samenvallen. Ineens herkende ik in die eindeloze tere draden van papierpulp de kwetsbaarheid van vluchtelingen.

    Maar er gebeurde nog iets. Is het alleen mijn persoonlijke betrokkenheid bij vluchtelingen die maakt dat het onderwerp zo onontkoombaar is? Het lijkt me overal waar ik kijk en luister voor de voeten te worden geworpen. Zouden anderen dat ook zo ervaren? Is het geen hype, die overtrekt? Die vraag kwam bij me op omdat ik in de dagen tussen de exposities het boek Europeana (uit 2011) van Patrik Ourednik las. Een bijna impressionistische ideeëngeschiedenis van de 20ste eeuw. Ourednik laat alle interpretaties aan de lezer over door alleen nevenschikkende zinnen te gebruiken (ze beginnen bijna allemaal met ‘En…’), maar toch ga je zelf verbanden leggen. Ik was er een beetje van ondersteboven. En toch liep de schrijver een deukje op toen er, staande voor die Via dolorosa, ineens door me heen flitste: Ourednik besteedt geen woord aan vluchtelingen. En ik herinnerde me het verzet tegen noodopvang voor Syriërs in de afgelopen jaren, toen hun aantal nog lang niet de omvang had bereikt van die uit het voormalige Joegoslavië in de vroege jaren ’90. Waren we die alweer vergeten? Waren ze bij Ourednik in 2001 alweer ‘weg’? Zijn 2015 en 2016 over tien jaar weer ‘weg’? Een hiaat in ‘the eye of the beholder?’

     

     

  • Deelpret

    Mijn stiefzoon, vijftien en stoer, ontdekt Stephen King. Nadat hij eerst Joyland uit de bibliotheek haalde en in een ruk uitlas, vermaakt hij zich inmiddels met twee romans die King onder het pseudoniem Richard Bachman schreef: Rage en The Long Walk. Dat zijn toevallig mijn favorieten. Ondertussen volgen we Under the Dome, waarvan ik begin dit jaar de vuistdikke roman las, en beginnen we aan de miniserie It, zodat we de versie uit mijn geboortejaar kunnen vergelijken met de nieuwe verfilming, nu in de bioscoop. En daarna, ik heb gretig een lijstje samengesteld, wachten onder meer The Green Mile, Shawshank Redemption, The Shining en Carrie. Natuurlijk hoop ik de jongen eerst en vooral aan de boeken te krijgen, maar samen alle verfilmingen bekijken heeft ook wel iets.

    Als iemand iets leest, kijkt of luistert dat jij hem of haar aanraadde, is dat net zo precair als wanneer je iemand je lievelingsmop vertelt. Je begint te vertellen en moet halverwege al zo hard lachen dat de ander er niets meer van verstaat en met opgetrokken wenkbrauwen wacht tot het voorbij is – de verwachting, niet voor niets een onuitgepakte teleurstelling, is zo groot dat het alleen nog maar kan tegenvallen. Hoe vaak heb ik niet mijn allerfavorietste liedje voor iemand opgezet die niet eens zijn of haar best deed om te verhullen dat het niet overkwam? Sinds ik besloot alleen boeken cadeau te doen die ik zelf goed vind, zit ik nooit meer om een cadeau-idee verlegen, maar als de ontvanger het dan niets vind, is dat extra jammer. Ik moet mijn enthousiasme temperen voor het de jongen weerhoudt de dingen die ik aanreik helemaal te omarmen.

    Over Stephen King is het makkelijk zeggen dat het een platte schrijver is, want ergens heeft het idee postgevat dat schrijvers van spannende verhalen zich niet bezighouden met taal, een idee zo hardnekkig als hoofdluis in een peuterspeelzaal – dit terwijl King uiterst zorgvuldig met stijl omspringt. Zijn timing is precies, zijn herhalingen bezwerend en zijn werk zit vol schitterende details. Vaak denk ik zomaar terug aan het stierenmasker uit Rose Madden, of aan Churchill, de kat in Pet Sematary – of aan vieze kussentjes.
    ‘Wat ik zo goed vond, is dat stukje over dat meisje met het lange haar.’
    Mijn stiefzoon kijkt me aan, Rage ligt opengeslagen op schoot.
    ‘Halverwege het begin.’ Ik wijs op het boek. ‘Charlie loopt door de gang naar zijn klaslokaal en passeert een meisje met een pokdalig gezicht. Als ze elkaar voorbij zijn, draait hij zich om en denkt: ja hoor, van achter had het Miss World kunnen zijn.’
    ‘Dat je dat onthoudt.’
    Natuurlijk onthoud ik zoiets, die observatie zegt immers alles over Charlies karakter. Daarin zit Kings kunnen. Maar dat zeg ik niet tegen de puber, die laat ik rustig verder lezen. Er is iets moois gaande: dankzij een van mijn lievelingsschrijvers zie ik in huis een lezer geboren worden. Ik plof naast hem op de bank met mijn eigen King: It. Benieuwd wat hij daar straks van vindt.

     


    Marijn Sikken mijmert over lezen, verhalen en literatuur en schrijft daar columns over. Haar debuutroman, ‘Probeer om te keren’ (2017) verscheen bij Uitgeverij Cossee.