• Wel of niet lezen

    De afgelopen jaren ben ik geïnteresseerd geraakt in gedwongen migratie en de daarmee samenhangende problemen. Het levert soms stress op. Er lijkt een tsunami aan literatuur over me te worden uitgestort. En dan denk ik vooral aan romanciers die het als thema kiezen. Het idee vliegt me wel eens aan: hoe hou ik dat allemaal bij?
    In zijn nieuwste roman Zuivering van Tom Lanoye neemt hoofdpersoon Gideon Rottier een Syrisch vluchtelingengezin in huis. Moet ik dus lezen. Van mezelf. Het zal er nog wel van komen, al is het maar omdat ik Lanoye om zijn taal graag onder ogen heb.

    Ik heb het over dit boek vanwege een recensie in De Groene door Kees ’t Hart (die zelf in De keizer en de astroloog in zekere zin ook over een vluchteling schreef, maar dan van een heel ander type). Hij vraagt zich af wat Lanoye eigenlijk wil met zijn roman: ‘Moet ik aan het denken worden gezet over kwesties waarover ik het al lang met hem eens ben?’ En even verder: ‘In romans hoop ik altijd op rare invallen, een krankzinnig idee, een overdreven visie die nergens op slaat, een verwoestende blik (…) Ik hoop op romans waarin het erom gaat ongelijk te krijgen’.

    Het deed me denken aan de falsificatietheorie van Karl Popper, die kritisch onderzoek eist: is datgene waarover we het eens lijken te zijn wel houdbaar? Maar ik greep ook terug naar een passage die ik me herinnerde van Bohumil Hrabal in zijn Praags ironie. Hij blikt daarin terug op wat hij in zijn leven schreef: boeken boordevol reflecties en metaforen, maar ook boeken met kale zinnen. Boeken waar hij doodsbang voor was en boeken waarom hij moest lachen. Bellettrie naast journalistiek werk. Boeken waarin zijn levenslot besloten lag maar ook boeken die louter vermaak beoogden. Ik hou van Hrabal en ik weet dat ik me bij diens passage afvroeg of ik dat allemáál zou willen lezen.

    Kees ’t Hart stelt een boeiende persoonlijke onderzoeksvraag. Waarom zou ik de nieuwe Lanoye willen lezen? Wat is het precies waarom ik van Hrabal hou? Op deze vraag heb ik wel een antwoord (hoewel ik lang niet alles van deze Tsjech ken): hij voert me mee op gedachtestromen die me voortdurend confronteren met mijn eigen wijze van denken. Hij biedt mij vooral ‘de rare invallen’ waarover ’t Hart het heeft. Hij blijft nog steeds nieuw voor me.
    Het is lastiger om dat van Lanoye (ook van hem las ik niet alles) te zeggen. Een taalvirtuoos, dat is hij zeker. Hij weet me te vangen. Maar hij verrast me niet altijd. Zijn Gelukkige slaven vond ik spannend, geraffineerd opgezet. Maar ben ik er veel wijzer van geworden over stroperij, jacht op neushoorns, illegale handel en fraude?
    Ik zal Zuivering waarschijnlijk lezen. Maar ik hoop wel – weer in de woorden van Hrabal – ‘achter dingen van de wereld te komen die ik niet weet…’


    Adri Altink recenseert voor LiterairNederland en heeft belangstelling voor (cultuur)geschiedenis. Hij werkt als vrijwilliger met vluchtelingen. Zijn ervaringen daarmee deelt hij in zijn columns.

  • Nieuwe norm

    In de week waarin er zoveel op sociale media speelt dat je bijna zou vergeten dat waar het om gaat vooral buiten gebeurt, op straat en in cafés en slaapkamers, in het openbaar vervoer, er is zoveel meer dan internet – in die week denk ik vooral na.
    Op de middelbare school waar ik zat, kon je kiezen of je bij de rapportvergaderingen aansloot. Deelnemen was geen optie, de docenten bespraken de leerlingen en jij hield je mond, maar je kon eventueel horen wat het team over je te zeggen had. Nooit zat ik erbij. Luiheid, angst?
    Wat zou er gebeuren als we, in het kader van die vreselijke hashtags (vreselijk omdat ze even nodig als onvolledig zijn), rapportvergaderingen zouden houden? Ik stel het me voor: een klaslokaal, een kring docenten, de leerling in kwestie aan de zijlijn. En dan de anekdotes.

    ‘Die keer in de kroeg dat hij maar toespelingen bleef maken over mijn decolleté.’

    ‘De hand op mijn bil.’

    ‘De zoen op mijn wang die steeds op mijn mond terechtkwam.’

    Het zijn wellicht niet de grootste misdrijven maar daar gaat het niet om, het gaat om de volledigheid per individu, want in alles wat er nu in kranten en op het web gezegd wordt, dreigen we in algemeenheid te verzanden. De ervaringsverhalen zijn belangrijk maar lijken op elkaar en worden weinig tastbaar voor wie ze leest – ‘o, dat gaat duidelijk niet over mij’, is dan  een makkelijke gedachte.
    De mannen op het schavot, de mannen die beloven vanaf nu op te letten en in te grijpen, zelfs de mannen die in stilte worstelen met herinneringen die in ander licht komen te staan – zouden ze die verhalen, die wel over henzelf gaan aankunnen?
    Op de radio vertelde een man hoe hij een hele avond, naar zijn idee, signalen kreeg van een vrouw dat de interesse wederzijds was. Ze was aanrakerig, vrolijk, flirterig. Op het einde van de avond zoende hij haar. Ze werd woest. Aan de luisteraars de vraag: deed de man het verkeerd?

    Daaronder liggen nog zoveel vragen, vragen die ik, met twee opgroeiende tieners in mijn buurt, te belangrijk vind om te negeren. Want als er zoveel niet mag, wat mag er dan wel? Hoe leer ik die jongens waar de grens ligt tussen een vrolijk ‘ik probeer het gewoon!’ en opdringerig, eng gedrag?
    Misschien kunnen wij, vrouwen, op onze beurt ook eens aan die zijlijn gaan staan en horen wat mannen over ons te zeggen hebben.

    ‘Toen je de hele avond tegen me aan stond te dansen, kreeg ik echt de indruk dat je mij leuk vond.’

    ‘Als je naast me zit en steeds over mijn arm wrijft, dan doet dat iets met mijn verwachtingen.’

    ‘Ik weet niet meer wanneer ik iets mag proberen.’

    Ik zeg dit niet om een schuld bij vrouwen te leggen. Ik denk alleen dat lezen, wat zo veilig afstandelijk is, niet genoeg is. Misschien schiet zelfs luisteren tekort. We moeten in gesprek, en met elkaar een nieuwe norm bepalen. Maar wie durft?

     


    Marijn Sikken mijmert en schrijft in haar columns over lezen, verhalen en literatuur en over dingen die haar bezig houden. Haar debuutroman, ‘Probeer om te keren’ (2017) verscheen begin dit jaar bij Uitgeverij Cossee.

     

  • Op de plaats onrust

    Bijna iedereen in de boeken die ik bij me heb is onderweg. Sipko Melissen begeeft zich naar Norderney, nadat hij eerst in Venetië en Merano geprobeerd heeft Franz Kafka zo dicht op de huid te zitten, dat hij zich voor kan stellen hoe het geweest is om Franz Kafka te zijn. Gerda Dendooven stuurt twee naamloze personages, een vrouw en een man, met onbekende bestemming weg uit het leven dat ze leiden in de hoop dat ze elders rust vinden. Een psychiater die verdacht veel op António Lobo Antunes lijkt, laat tijdens een rit van de Algarve naar Lissabon zijn gedachten de vrije loop en belandt zo in zijn turbulente verleden. Alleen de man die zich verschanst heeft in een tuin verplaatst zich nauwelijks, al koestert hij een diepe wens die tuin – waar hij in een mum van tijd een zee van kan maken – te verlaten.

    Zelf zit ik inmiddels aan een tafeltje met uitzicht op een zuidelijke zee. Een meisje met rood haar en een streng knoflook om haar nek kijkt mij aan. Hoe, dat weet ik niet precies. Degene aan wie het tafeltje toebehoort waaraan ik zit te werken, associeerde haar blik ooit met onschuld en dapperheid. Ook dat meisje heeft overigens een hele reis achter de rug. Eerst maakte ze een grote sprong westwaarts. Daarna zakte ze af naar het zuiden.
    Mijn zitten is maar schijn: zonder dat iemand het ziet, spring ik van hot naar her. Door de tijd en door de ruimte. Ik orden het verleden van iemand die op haar beurt structuur aanbracht in het geschiedenis van twee anderen om vervolgens een roman te schrijven op basis van die geleende levens.

    Ik struin rond in hun echte levens, en in dat van de schrijfster voor, tijdens en na het schrijven van het boek. Wie mij ziet zitten, gelooft niet dat ik in amper een uur tijd het Duitse dorpje aandoe waar de vrouw die model stond voor een van de protagonisten in haar jeugd verschrikkelijk vernederd werd; me suf zoek naar de datum waarop de eerste zinnen op papier gezet werden – de schrijfster schreef toen nog met de hand – en tijdens een Frankfurter Buchmesse getuige ben van de avant-première van de roman die pas een paar weken later officieel ten doop zal worden gehouden.

    Het is vandaag de vijfde dag dat ik volstrekt niet vrijblijvend surf tussen toen, nu, hier en daar. De tegenwoordige tijd begint te dringen. Aan het eind van de week moet het materiaal overzichtelijk in mapjes zitten. Bovendien heb ik zin om zelf weer wat te schrijven. Ik wil literaire verbanden leggen tussen Fresh Up en Tabac en het over Kafka hebben. Kafka van wie we dankzij een fabulerende Nicole Krauss weten dat hij na 1924 nog lang en gelukkig leefde als tuinman in Palestina. Kafka die Sipko Melissen het hoofd op hol brengt.
    De dingen beginnen danig door elkaar te lopen. Het is tijd om naar huis te gaan. Laat het meisje met de rode vlechten en de streng knoflook maar een tijdje op iemand anders neerkijken.

     

    Ik ging op reis en nam mee:

    Tabac – Gerda Dendooven
    Reis naar het einde – António Lobo Antunes
    Tuin – Vincent van Meenen
    Kafka op Norderney: essays – Sipko Melissen

     


    Liliane Waanders komt wel eens ergens, ontmoet wel eens iemand en leest wel eens wat. Als dat met literatuur te maken heeft, schrijft ze er columns over.

  • Terug naar Poelgeest

    In Oegstgeest staat het kasteel Oud-Poelgeest. Het is in trek als vergaderlocatie of partycentrum en er heeft ook wel eens een bruiloft of condoleanceplechtigheid plaats. Oud-Poelgeest is in de Nederlandse literatuur bekend als het decor van enkele episodes in het proza van Jan Wolkers. Het is dan ook toepasselijk dat, nu Wolkers’ biografie dezer dagen verschijnt, in het sfeervolle Oud-Poelgeest enig beeldend werk van Wolkers wordt getoond – dat is dus even ‘Terug naar Oegstgeest’. Het is een kleine tentoonstelling en van korte duur (18 t/m 26 oktober).

    Er zijn tekeningen en enkele documenten te zien die betrekking hebben op Wolkers, Oegstgeest en Oud-Poelgeest, m.n. uit de oorlogsjaren. Veel ervan zijn al eerder gereproduceerd in boeken als Werkkleding (1971), Jan Wolkers schilder beeldhouwer (1986) en het Wolkers-schrijversprentenboek Tijd bestaat niet (1996). Er zijn enkele recente schilderijen te zien evenals enige glassculpturen. Werk uit de jaren 1950 t/m  1980 ontbreekt geheel. De toegangsprijs van de expositie is 5 euro, wat redelijk is maar toch een beetje ongebruikelijk voor een verkooptentoonstelling. Want ja: veel van het getoonde werk – ook tekeningen uit de beginjaren van Wolkers’ loopbaan – is te koop voor bedragen van enkele duizenden tot ca. tienduizend euro.

    Grootste attractie van deze kleine tentoonstelling is de unieke combinatie van het getoonde werk met de locatie, waarmee het zo innig verbonden is. Tekeningen die Wolkers als zoekend kunstenaar maakte tijdens de Tweede Wereldoorlog, schetsen van het park rondom het kasteel, en dat alles ín het kasteel zelf te zien…. Mooier kan het niet.

    Een daar is warempel ook het befaamde tillenbeest, de kleine hardstenen sfinx uit het gelijknamige verhaal, uit Wolkers’ debuutbundel Serpentina’s petticoat (1961). Het beest zelf is te zien (als onderdeel van een zwaar gedecoreerde schoorsteenpartij), als ook een foto van Wolkers met de sfinx en een deel van het typoscript van het betreffende verhaal. Waarbij dan wel weer opvalt hoe slecht de auteur ditmaal heeft gekeken. Hij schrijft namelijk: “Op de voorpoten rusten een paar volle borsten”, terwijl in een oogopslag duidelijk is dat de borsten een fier en eigenstandig bestaan leiden en in het geheel niet rusten, zeker niet op de voorpoten. De sfinx was in de oorlogsjaren door Wolkers uit het kasteel meegenomen, maar is door de familie na vele decennia weer teruggegeven. Het prijkt nu als sieraad op de schoorsteenmantel in de fraaie ontvangstkamer. De tweede sfinx, die aan bod komt in de roman Kort Amerikaans is nooit teruggevonden. Het andere exemplaar dat we in Oud-Poelgeest op de schoorsteen kunnen zien is dan ook niet echt, maar een replica.

    Buiten beheerst de herfst de natuur. Het zonlicht, de kleurenpracht en het bos dat de wandelaar bedwelmt met geuren van het najaar, vormen een geheel dat de verbeelding in vervoering brengt. Men kan zich levendig voorstellen dat het Jan Wolkers ooit inspireerde. Voor wie er dan nog niet genoeg van heeft: in Oud-Poelgeest kan men zelfs overnachten met het speciale Jan Wolkers arrangement. Wat er bij het diner op het menu staat is de vraag. Hopelijk geen Gifsla … dan liever De perzik van onsterfelijkheid en voor toe Turks fruit.

     

     

    Zie ook: kasteeloudpoelgeest – jan-wolkers-expositie

     

     

  • Ritme

    Op het immens drukke plein voor het Amsterdamse Centraal Station loopt een lange heer met de klep van zijn pet voor zijn ogen getrokken. Als extra bescherming tegen de zon en wat al niet meer doet hij ook nog eens zijn hand voor de zijkant van zijn gezicht. Een fractie later haalt hij met een vuist uit naar mensen om zich heen. Daarbij maakt hij passen als stond hij in een boksring. Iedereen wijkt verschrikt uit en de man vervolgt zijn weg. Ik heb niet meer gekeken op wat voor manier.
    Een dag later kwam ik bij mij in de buurt een kleine man tegen met een aangelijnde al even kleine, witte poedel. Hij had een ouderwets transistorradiootje bij zich waaruit zachtjes vrolijke muziek klonk,

    muziek waar we veertig jaar geleden op dansten:
        een bas die vier maten herhaalt en herhaalt

    aldus Martin Reints in zijn bundel met gedichten en beschouwingen, Wildcamera.

    Later zat ik in de bus achter een mijnheer die de stang voor zich angstvallig omklemde, een aktetas op schoot stevig vasthield en heen en weer wiegde. Opeens viel het kwartje of kwam ik althans op het idee van wat het zou kúnnen betekenen, de boksende en wiegende man, mij ingegeven door een interview met de filosoof en psychiater Paul Moyaert.
    Moyaert zou de boksbewegingen van de lange heer ongetwijfeld beschrijven als een omgang met zijn waanzin, als het op zijn manier meedansen met het leven. En de muziek van de kleine man zou hij zien als diens wijze om met zíjn problemen om te gaan. Hij zou hem in ieder geval zien als iemand met autisme.

    Op grond van een gebeurtenis die Artur Japin beschrijft in zijn roman Vaslav denk ik verder. Kyra, de hoofdpersoon van dit boek, komt op een gegeven moment in contact met een jongen van een jaar of achttien die aan luchtdirigeren doet. En dat niet alleen, de jongen bracht zelf ook muziek voort, ‘inventief en eigenaardig, uit alle hoeken en gaten van zijn eigen lichaam.’ Hij zoemde en piepte, fluitte, trommelde en knarste ‘voor een publiek van zotten dat er niet van op- of omkeek.’
    Hieruit concludeer ik dat niet reageren ook voor ons, een publiek van zogenaamde ‘normalen’ op het drukke plein voor het Amsterdamse Centraal Station, na de eerste schrik, wellicht de beste reactie was.
    De oproep van beide mannen op straat, van de man in de bus en de jongen van achttien bij Japin is denk ik met Moyaert dan ook niet: ‘Help mij’, maar: Geef me de ruimte. ‘Die neuriënde, waggelende, wiebelende mensen proberen in hun ritme te komen. Dat is wat het is’ aldus Moyaert. Dat moeten wij niet verstoren.

     


    Els van Swol leest alles wat los en vast zit en slaat als het even kan geen toneelvoorstelling van Shakespeare over. Ook bezoekt zij regelmatig het concertgebouw waarbij zij in haar observaties het publiek niet vergeet  waar ze dan weer over schrijft in haar columns.

     

     

     

  • Handreiking

    Onderzoeksnota’s zijn vaak geen vlot leesbare literatuur. Maar er zijn uitzonderingen. De Handreiking voor ondersteuning van Eritrese Nieuwkomers bij hun integratie is er een. Een nota van 67 pagina’s uit augustus van het Kennisplatform Integratie &Samenleving, een adviesorgaan voor overheden en hulporganisaties. Het bevat een plezierige hoeveelheid tips en ervaringen die in het hele land zijn opgedaan met vluchtelingen uit Eritrea. Maar de inleidende hoofdstukken zijn niet alleen interessant voor wie persoonlijk met Eritreeërs werkt. Ik las er onder andere in hoe belangrijk de plaats van het geloof is in het dagelijks leven (overheersend), hoe het onderwijs in elkaar steekt (pover) en hoe groot schaamte kan zijn en de geneigdheid tot toedekken van fouten. Maar wat kun je daarmee in de praktijk?

    Soms word ik er door in verlegenheid gebracht. De Eritreeërs die ik wat beter ken dan van een vluchtige groet, zijn op één hand te tellen. De meesten trekken zich terug in de eigen groep. En er is er maar één met wie ik regelmatig persoonlijk contact heb. Die appte mij kort geleden dat hij opnieuw was gezakt voor zijn inburgeringsexamen. Toen ik hem opzocht stond de tv op het NOS Journaal. Op de laptop lagen prints van taaloefeningen, vol gekliederd met invullingen en potloodstreepjes. IJver kan ik hem niet ontzeggen. Zijn lening van DUO was bijna op en hij had twee maanden om opnieuw examen te doen. Sinds ik een paar keer toetsen met hem heb doorgenomen, weet ik hoeveel moeite de lessen hem kosten. Hij is laaggeschoold en kan de examenvragen niet aan in de tijd die er voor staat. Nu komt daar nog de grotere druk van het geld bij. Hij vertelt dat hij wel eens lessen mist omdat de busreis ernaar toe te duur is. Ik kijk hem verwonderd aan omdat ik weet dat hij een ov-kaart heeft. ‘Ja’, zegt hij, ‘maar alleen voor het weekend’.

    Mijn verwondering groeit. Hij legt uit dat hij die keus heeft gemaakt om op zondag naar de diensten van zijn christelijk-orthodoxe kerk te kunnen. Die zijn in Eindhoven, een dik uur reizen heen en terug. Ik mompel iets over meerijden; over keuzes en zelfs dat hij de ov-kaart heeft om hier de weg gemakkelijker te vinden. Hij kijkt me glazig aan. Ik gun hem natuurlijk zijn geloof en weet intussen hoe die vieringen eruit zien en hoe belangrijk ze zijn voor hem en zijn landgenoten. Maar toch, is het nu niet even belangrijker om te zorgen dat je hier voet aan land krijgt? Hij is niet te vermurwen. Tegelijk kan ik niet boos op hem worden. Ik weet dat hij het Journaal niet expres heeft aangezet en die papieren niet met een bijbedoeling op zijn laptop heeft liggen. Niet omdat ik langs kom. Hij is echt gemotiveerd. Hij doet alles om Nederlands te leren. Maar wat moet ik ermee dat zijn geloofspraktijk zo’n hoge prioriteit heeft?

     


    Adri Altink recenseert voor LiterairNederland en heeft belangstelling voor (cultuur)geschiedenis. Hij werkt als vrijwilliger met vluchtelingen. Zijn ervaringen daarmee deelt hij in zijn columns.

  • Morbide experimenten

    Op internet stuit ik op de aankondiging van een debuutroman waarin, zo meldt de aantrekkelijk bedoelde flaptekst, hoofdpersoon met broertje onder meer morbide experimenten uitvoert met dieren. Toevallig is het in dezelfde week waarin ik een passage lees, ook in een debuut, over muizen die in benzine worden gedoopt en aangestoken. De hele week denk ik over die passage na: niet zozeer omdat het zo’n gruwelijk beeld is, maar vooral omdat ik me afvraag wat de functie ervan is.
    Is het belangrijk voor het plot? Nee. Voegt het toe aan een bepaalde sfeer, het decor van het boek? Misschien. Toch zie ik steeds het beeld voor me van een redacteur die de schrijver in de nek hijgt: je moet verder gaan, meer durven, harder zijn.
    Ondertussen denk ik aan Lize Spit – of nee, specifieker, aan het stuk dat Christophe Van Gerrewey over Het smelt schreef in De Gids. Hierin schrijft hij, na een opsomming van alle gruwelijkheden die in Spits debuut plaatsvinden: ‘Niets in dit boek heeft meer dan één functie, en de smerigheid moet maar één ding opleveren: aandacht.’

    Dat is stevige kritiek. Het smelt staat al maanden op mijn twijfellijstje: ik ben nieuwsgierig en vind het interessant om te lezen wat mijn collega-schrijvers en generatiegenoten uitbrengen. Tegelijkertijd is er dat, ja, het experiment, de dieren, de gruwel. Hoe bepaal je wat je wel en niet leest – en hoe bepaal je of je overwegingen daarin zuiver zijn?
    ‘Het is altijd rare dingen met seks of rare dingen met dieren,’ verzuchtte een andere schrijver laatst. En dus dacht ik aan Wij van Elvis Peeters, die opent met de verkrachting en verdrinking van een kat. De scène zegt niet zozeer iets over het plot, maar is een aankondiging, een waarschuwing wellicht: weet waar je aan begint. Vervolgens stapelen de morbide experimenten zich op. Als roman over de gevaren van verveling is hij zeker geslaagd, maar ook hier de vraag: had dit onderzoek anders uitgevoerd kunnen worden? Met, bijvoorbeeld, minder?

    Ik noem nog twee voorbeelden: The wasp factory van Iain Banks en The End of Alice van A.M. Homes. Waar Banks ieder detail, iedere wending, iedere brandende wesp of hond in dienst stelt van het verhaal, van de psyche van de verteller en die van de broer, lijkt het alsof Homes de hele tijd die stem in haar nek hoorde hijgen: dat ze meer moest durven, dat ze alle grenzen over moest. Wat is toch die fascinatie met, in dit geval, seksueel geweld tegen kinderen en daar zo plastisch mogelijk over schrijven?
    Na het zoveelste vervolg op de film Saw werd gesproken over ‘martelporno’: geweld om de heerlijkheid van dat geweld, alles in dienst van het shockeren, niet meer en minder. Doodbeu ben ik dat geshockeer.
    Natuurlijk weet ik niet hoe het zit met die experimenten in het aangekondigde debuut, of en wat de functie ervan is. Hopelijk schrijft Christophe Van Gerrewey er een stuk over. Tot die tijd zijn er nog genoeg andere romans die op me wachten.

     


    Marijn Sikken mijmert en schrijft over lezen, verhalen en literatuur. Ze zit in de redactie van de Optimist en  in 2013 studeerde ze af aan de Schrijversvakschool. Haar debuutroman, ‘Probeer om te keren’ (2017) verscheen begin dit jaar bij Uitgeverij Cossee.

     

     

  • Elsie

    Een boek kan zomaar aan betekenis winnen of verliezen door een achteloze opmerking van de schrijver. Dat de interpretatie van die opmerking zeer persoonlijk is, ligt voor de hand. Ik wil, en ik weet niet waarom, of het moet zijn dat ik zelf worstel met teksten, dat schrijven a hel of a job is. Als een schrijver achteloos opmerkt dat hij een boek, dat ik met bewondering heb gelezen, in exact 90 dagen geschreven heeft, is voor mij de romantiek eraf en daalt mijn waardering voor dat boek. Ja, beetje belachelijk eigenlijk. Maar goed, onlangs zag ik Jeanette Winterson op een stormachtige vrijdagavond. De wind joeg langs de ramen van de oude Lutherse kerk aan het Spui waar de trams met ijzeren regelmaat voorbij jengelden. Binnen was het cosy and warm. Winterson stond klein en felbesnaard onder het spreekgestoelte, de kerk was vol. Ze was het wel gewend, zei ze, kerkpubliek als gehoor.

    Als lagere schoolkind schreef ze al gepassioneerde diensten waarmee ze zelfs zieltjes won. Nu sprak ze van anarchie en van perfect days (even daarvoor had Lou Reeds Perfect day door de kerk geklonken). Ze sprak van moeders, echte en aangenomen en hoe ze in haar debuutroman, Sinaasappelen zijn niet de enige vruchten, Elsie erin had geschreven omdat ze iemand naast zich wilde. Ze liet het zich achteloos ontvallen. Haar woorden reikten, even achteloos, tot achterin de aula, waar ik met mijn rug tegen de muur zat. Zo simpel kan een verhaal dus aan inhoud winnen. Winterson bracht Elsie als een noodzakelijke aanwezigheid.  Ze had haar erin geschreven ‘because I needed some one next to me’. Alsof ze, schrijvende aan haar werktafel, om zich heen had gekeken, Elsie zag aankomen en haar mee nam haar verhaal in. De behoefte aan een hand om in te knijpen als het leven pijn doet. En ook had ze Elsie nodig om haar te laten zeggen ‘dat verhalen je hielpen om de wereld te begrijpen’.

    En om de sinaasappelen – het enige fruit dus dat haar moeder haar liet bezorgen toen de Jeanette uit het boek in het ziekenhuis lag – te delen met haar. Om met Elsie van de sinaasappelschillen een iglo te bouwen op de dekens van het ziekenhuisbed. Zonder Elsie zou het kind Jeanette in het boek in zichzelf gesloten zijn gebleven. Door dat ‘because I needed some one next to me’ zag ik de kwetsbaarheid van een schrijver die aan alle kanten uitstraalde ‘ik heb niemand nodig’. Later werd ze geïnterviewd maar ze verdroeg de vragen niet. Ze kapte af, zei dat het genoeg was, de interviewster fronste haar wenkbrauwen.  De schrijver had al zoveel gezegd het moest maar eens klaar zijn. Het was confronterend maar ze miste Elsie naast zich. En ach, missen we niet allemaal een Elsie die ons vorm en volume geeft?

     


    Inge Meijer is een pseudoniem en wil dat nog wel even blijven. Zij schrijft over boeken als steunpilaren van het leven en over de ontdekkingen die zij doet in de marges van de literatuur.

     

     

     

     

  • Het graan, de republiek en het geld


    ‘Weet u wat het is met dat boek?’ Hij heeft dik grijs haar en daaronder een knoestig gezicht. ‘Dat boek is te goed. Iedereen herinnert het zich als een mooi boek. Dat zei u toch ook daarnet? Maar weet u wat het is met De graanrepubliek? Een boek kan ook te mooi zijn, waardoor je vergeet hoe erg het was. De mensen hier waren arm, straat- en straatarm. En weet u hoe dat voelt?’

    Hij verwacht geen antwoord en gaat zitten op een bankje bij de Reiderhoeve, een informatiecentrum over dit gebied. Over de Dollard, de Wadden en de polders die een hoofdrol spelen in het boek van Frank Westerman. Hij draagt een schort, niet dat van een kok maar meer van iemand die vuil werk doet. Hij vertelt dat elke strook land die aanslibde voor de eigenaar was. ‘Rijkdom verkreeg je per opstrekkende meter, meneer, en dat waren heel wat meters.’ Hij glimlacht en overdenkt wat hij net gezegd heeft.

    ‘Het is niet zo mooi als het lijkt, meneer. De herenboeren, vaak hoogopgeleid, bij een aantal van hen heeft de klei nooit onder hun nagels gezeten, die dronken thee met hun pink in de hoogte en lieten huizen bouwen waar nu nog iedereen zich aan vergaapt.

    Schoonheid, noemen we dat. Maar wat mooi is, is misleidend. Dat zei ik al, geloof ik. En dan gingen een aantal herenboeren in het geniep op cursus en vervreemdden zich van waar ze vandaan kwamen. En weet u wat de stad was waar ze naartoe gingen om bij te leren? Moskou meneer, op vijfjaren-plannen-les, ja zo heette dat, bij Stalin gingen ze op les. Dat vinden we nu toch lichtelijk krankzinnig.’ De man veegt met de buitenkant van zijn hand zijn snor af.

    Ik moet denken aan een scène uit De graanrepubliek waarin Frank Westerman op bezoek gaat bij een zekere Koert. In 1970 werd die de eerste CPN-gedeputeerde in de provincie Groningen. Westerman staat voor zijn boekenkast. ‘Zoek je Das Kapital?’ vraag Koert. ‘Dat heb ik in het Duits. Het is mijn bijbel.’
    De man lijkt na te denken. Ik vertel hem dat ik onder de indruk ben van de lage horizonnen, de hoge luchten en de boomgroepen rond de hoeven. ‘U zei bomen, meneer? Elke boom moest weg. Ja echt, elke boom. Alleen die een praktisch nut hadden bleven staan. Wel handig bij dikke mist, je wist dat bij de derde boom jouw land begon.’

    We praten over de visserij. Dat wat hier nog aan visstand was door de aanleg van de Afsluitdijk in de war gegooid werd. ‘Niets dan armoede. Elke dag maar duwen tegen de slikslee om de vangst uit de netten te halen.’ De opkomst van Delfzijl werd de redding, veel mensen kregen een vaste baan. ‘Maar toen kwam de crisis, meneer. Fabrieken moesten sluiten, de werkloosheid spoot omhoog.’

    Onverwacht staat hij op. Met een armgebaar relativeert hij alles wat hij zonet gezegd heeft, lijkt het. Hij recht zijn rug. ‘Ja het is een mooi boek, meneer, een mooi boek.’ Hij wijst naar boven, daar is een uitkijkpost op het dak van het informatiecentrum. ‘Daarbinnen is een trap,’ zegt hij terwijl hij zijn handen aan zijn schort afveegt. ‘Daar kunt u rondkijken over het landschap, over die enorme ruimte. Het waait nu lekker, dan wuift het graan. Iets mooiers vind je niet.’

     


    Hans Muiderman reist graag langs de Wadden. Hij bezoekt niet alleen de eilanden maar ook de kustgebieden tot waar de zeeklei ophoudt en het hogere land begint. Zijn reizen gaan van de Kop van Noord-Holland tot het midden van Jutland in Denemarken. Hij reist niet in die volgorde maar ‘springt heen en weer’.

     

    foto’s: Anneke van Kroonenburg

     

     

  • Een stom gedicht

    Het was in de Renaissance een van de meest geliefde bezigheden van Leonardo da Vinci en Michelangelo: een partijtje artistiek worstelen om te bepalen welke kunstvorm het belangrijkst was. Schilderkunst, beeldhouwkunst, of toch de poëzie? Waarbij de laatste geen hoge oogen gooide, ondanks de vaak geciteerde Simonides, die poëzie een sprekend schilderij en een schilderij een stom gedicht noemde. Maar dit kon niet voorkomen dat de poëzie het aflegde tegen de beeldende kunsten. Zoals bij Leonardo, die de schilderkunst de ‘moeilijkste wetenschap’ noemde, ‘die met de meeste waarachtigheid de werken der natuur kon weergeven’.
    Ik moest aan deze wedijver tussen de verschillende disciplines in de kunsten denken, toen ik tijdens beeldhouwles aan een nieuw project begon. Het zou nu eens niet de zoveelste vrouwenfiguur worden, maar een kudde nijlpaarden in het water. Ik had zo’n  in brons gegoten kudde in de etalage van een kunstgalerie zien staan en was meteen verkocht.

    Nu valt het ‘waarachtig weergeven van de natuur’ in de praktijk tegen. Althans in mijn geval. Zelfs een prachtige foto van een kudde badende nijlpaarden van Frans Lanting als inspiratiebron mocht niet baten. Ik kon de klei maar moeizaam in het keurslijf dwingen dat ik voor ogen had. Mijn gedachten dreven regelmatig af en ik begon mezelf af te vragen waarom in de beeldende kunst de natuur zo opgehemeld wordt en in de geschreven kunst niet. Want laten we wel wezen, waar in de beeldende kunst de natuur de hoofdrol kan opeisen, is dat in de literatuur haast nooit het geval. De IJsbeer van François Pompon of De bedreigde zwaan van Jan Asselijn kent in de literatuur geen evenknie. Natuurlijk komt ook in boeken natuur voor, maar altijd in een bijrol, als achtergrond voor het verhaal van deze of gene mens. Ja, zelfs als je denkt dat in een boek natuur de hoofdrol speelt, zoals in Waterschip Down van Richard Adams, Animal Farm van George Orwell of Barkskins van Annie Proulx, blijkt die literaire natuur vaak niet meer dan een vrijbrief om het toch weer over de mens te hebben, in al zijn onhebbelijkheden.

    Nee, in literatuur is de natuur altijd bijzaak, dus waarom zou ik me daar zo druk om maken? Kon ik toch niet beter weer een menselijke figuur gaan maken? Terwijl ik aan het einde van de les mijn eerste poging nog eens goed bekeek begon ik een beetje mee te voelen met Simonides. Mijn eerste beeldhouwpoging van een kudde nijlpaarden was niet verder gekomen dan een stom gedicht. Maar ik geef het nog niet op. Want de waarachtigheid in de natuur wil ik blijven zoeken. Volgende week is er weer een les. Eens kijken of ik dan wat poëzie uit de klei kan halen.

     

     

     

  • Een wandelaar

    Soms moet je tot middelen overgaan die je eerder wantrouwde. Niet alleen een goed boek scherpt de geest maar ook meer pit in het eten kan de boel wakker schudden. Dus voegde ik deze week een stukje gele peper, Madamme Jeannette aan de pompoensoep toe. En terwijl ik Madamme Jeanette erdoor roerde dacht ik aan mezelf als een wandelaar en fietser. Waar die gedachte vandaan kwam kan ik niet verklaren, maar met de gedachte kwam het besef dat het maanden geleden was dat ik verder had gewandeld dan naar de buurtsuper om de hoek en dat het weken geleden was dat ik had gefietst. Zo hield ik mezelf door een gedachte in stand. Na de soep sprong ik op de fiets en stopte pas in een stadje aan de IJssel waar ik me op een terrasje zette met Godin, held van Gustaaf Peek. Onderwijl noterend wat zoal om me heen gebeurde in een klein zwart (nee, geen moleskine) boekje.

    Op het vrijwel lege terras zaten een man en een vrouw met een glas bier voor zich. Beslist geen Tessa en Marius, het stel uit Godin, held. Dit echtpaar had zijn beste tijd gehad gezien hun zwijgzaamheid. ’s Avonds was er in het stadje aan de IJssel niets te beleven, de straten waren verlaten. Je zag de verslagenheid van eeuwige pech op hun schouders rusten. Wel keken ze geregeld achterom, naar waar ik zat, en opzij naar het terras van een nabijgelegen eethuisje. Ik keek met ze mee naar dat naastgelegen eethuisje. Het was daar aanzienlijk drukker. En hé, er zat een uitgever uit Amsterdam. Het omgekeerde van wat Van der Laan in Zomergasten had benadrukt ging door me heen; kleine steden zijn ook van Amsterdammers. De uitgever zat aan een tafeltje met een oudere man met wit haar die wel wat weg had van de schrijver waarmee Adriaan van Dis ooit in de clinch lag in zijn programma ‘Hier is Adriaan van Dis’, maar dan een vriendelijker versie daarvan.

    Terug naar het echtpaar voor me. Ik schreef in het kleine boekje dat ze ‘zwijgend communiceerden’. Toen kwam de gedachte ontdekt te worden – zoals een zanger in het park of op een steiger al zingend ontdekt wordt – door een schrijver van een belendend terras. Dat het geluid van je pen over het papier en het gedreven ritme van het schrijven hem influisterde dat hier iets gebeurde wat niet onopgemerkt mocht blijven. Dat hij vroeg te mogen lezen wat je daar zoal opschreef want hij was een expert in het ontdekken van echte schrijvers. Ondertussen at de schrijver – die vertaler bleek van een bekend Russisch schrijver – van een zoutloos gerecht, zoals de serveerster zijn bestelling noemde. Ik dacht aan hoge bloeddruk en dat het beter is geen zoethoutthee te drinken al wilde ik hem daarvoor niet waarschuwen. De enige drank die de vertaler gebruikte was rode wijnsaus over zijn steak. Wellicht om er wat pit aan te geven.

     

     

  • Tesseltje

    Het is een kleine tentoonstelling in het Stedelijk Museum Alkmaar maar mijn fantasie ging meteen met me op de loop. Dichter bij Maria Tesselschade heet de expositie met ‘nieuwe vondsten van een bewogen leven’, zoals de ondertitel luidt (tot en met 29 oktober a.s.). Met z’n drieën lagen ze in ’t midden: een mooi schoentje, fragmenten van een door haar gegraveerd glas en een diamanten ring. Allemaal gevonden in de beerput van het perceel in Alkmaar waar Maria Tesselschade Roemer Visscher (1594-1649) na haar huwelijk woonde. De schok kwam op ’t laatst: een flintertje perkament met een tabulatuur, de muzieknotatie voor een tokkelinstrument.

    We weten dat Tesseltje cister speelde, een soort platte luit met frets en metalen snaren. Caesar van Everdingen maakte een schilderij van zo’n cister spelende vrouw, dat dateert uit dezelfde tijd als waarin Maria Tesselschade leefde. De vrouw die de cister bespeelt, heeft net zulke pronte blote borsten als de drie engelen onderaan het rugwerk van het orgel in de Grote Kerk van Alkmaar, die ook in dezelfde tijd werden gesneden. Zo rol je van ’t een in ’t ander. Het bijschrift bij het stukje perkament luidt: ‘Wellicht heeft zij deze compositie in haar huis in de Langestraat gespeeld.’ Ja, wie weet. Maar wat als ze dit stukje zelf zou hebben gecomponeerd? Dan ontstaat er pas een volledig beeld van een vrouwelijke uomo universale, een renaissance-vrouw die veel kende en kon.  Maria Tesselschade kwam uit de geletterde Amsterdamse familie Roemer Visscher en groeide op in een mooi gebouw aan de Geldersekade, waar een plaquette aan de buitenmuur aan herinnert. Ze graveerde glazen, dichtte, kon goed tekenen, borduren en zingen en speelde naast de cister nog meer muziekinstrumenten.

    Beroemde tijdgenoten zoals Vondel, Huygens en Barlaeus, waren onder indruk hiervan – en van haar uiterlijk. Waarom zou ze ook niet hebben gecomponeerd? Dat zou toch zomaar kunnen? Ik denk dat het dan een beetje in de stijl van Sweelinck zal zijn geweest, die ze ongetwijfeld in de Oude Kerk heeft gehoord, op een steenworp afstand van de Geldersekade. In deze kerk ligt zij ook begraven. Ik ben niet de eerste die zo lekker aan het fantaseren slaat; Ro van Oven schreef een meisjesroman over haar waaraan ik de titel van deze column ontleende: Tesseltje. Volgens een recensent in De residentiebode (1 december 1939) is de hoofdpersoon van dit boek een echte vrouw, ‘ondanks haar (voor dien tijd) vrije opvoeding.’ Want, meent de recensent van het Algemeen Handelsblad van een dag later, het levensverhaal geeft ‘onze jonge meisjes (…) een kijk op het huiselijk leven in vroeger dagen.’
    Ik denk dat – hoewel mijn bibliotheek het heeft en het ook nog antiquarisch is te verkrijgen – ik dit gedateerde boek maar niet ga lezen en liever verder droom aan de hand van een flintertje perkament dat zóveel oproept.