• Leed als destiny

    In de Verdieping van Trouw wisselden filosofen Bas Haring en Marli Huijer deze week hun mening uit of het ethisch wel zo’n goed idee is om voorafgaande aan conceptie, je genen te testen om eventueel en naar gelang de uitkomst, te besluiten wel of geen kind op de wereld te zetten. Haring is kort gezegd van mening dat mensen hun onvolkomenheden moeten leren accepteren in plaats van alles te willen repareren. Huijer vreest dat door minder leed te ervaren, mensen niet echt gelukkiger zullen worden: ‘(…) de ervaring van leed is nodig om geluk te ervaren.’ Net als de dag bij de nacht hoort, er geen wit zonder zwart is, hoort leed bij het leven. ‘E a vida’, en daar is niets tegenin te brengen. Zo dichtte Rutger Kopland in het gedicht waarin hij als een gelukkig kind aan de vijver staat met God en zijn grootvader aan zijn zijde, dat geluk gevaarlijk is. Hij verloor beiden, God en zijn grootvader.

    Ik las een boek over geluk van Maggie O’Farrel (1972). Ze schreef zeven memorabele romans en onlangs verscheen haar eerste non-fictie boek. In Ik ben ik ben ik ben, zeventien keer rakelings langs de dood, beschrijft ze de keren dat ze bijna het leven liet. Zeventien keer. En dan rekent ze alleen de keren die ze zich herinnert. Ze herinnert zich niet die keer dat ze bloedvergiftiging had of het moment dat ze als driejarige peuter haar hoofd in de kofferbak van de auto stak op het moment dat haar moeder de klep dicht gooide (die haar net op tijd kon wegtrekken). Ze herinnert zich hoe ze als achttienjarige, tijdens een wandeling alleen in de natuur, aan een moordenaar ontsnapte. Een week nadien werd in datzelfde gebied een meisje vermoord; zij had het kunnen zijn.

    Ze zit in een vliegtuig dat neerstort waarbij de passagiers door de cabine worden geslingerd. Net voor de te verwachten crash, herpakt het vliegtuig zich weer. Ze beschrijft die keer dat ze in de Indische Oceaan dobbert, vol vertrouwen in zichzelf en de natuurelementen. Tot ze door een vloedgolf onder water wordt meegesleurd en gemangeld.

    Wat er door haar heen gaat op de momenten dat haar leven op het spel staat, is als een soort retrospectie waardoor een handeling, een inzicht uit het verleden haar verbindt met zichzelf op het moment dat ze in gevaar is. Ze is stoer en onverschrokken. Als ze door de oceaan gebutst en bebloed op het strand gesmeten wordt roept haar vriend:

    ‘Godallemachtig, wat is er met jou gebeurd?’
    De zee, hakkel ik, en plof neer. Een golf.’
    ‘Gaat het?’
    ‘Ja hoor.’ Ik pak een hoekje van de handdoek en dep het bloed op. ‘Prima.’

    Stel je voor, je valt van de trap, net niet pal met je gezicht op de punten van een hark die om onverklaarbare redenen onder de kapstok staat (je had wel dood kunnen zijn!). Zeventien keer overkwam het O’Farrel. Adembenemende momenten. Prachtig geschreven.

     


    Inge Meijer is een pseudoniem. Zij schrijft over boeken als steunpilaren van het leven en over ontdekkingen die zij doet in de marges van de literatuur.

  • Dagboek: vingeroefening of volwaardig genre

    ‘Het hoort natuurlijk toch bij mijn werk, omdat het in die tijd niet lukte met fictie.’ Dat hoorde ik Mensje van Keulen vorige week halverwege een gesprek met Marcel Möring over Neerslag van een huwelijk: dagboek 1977 – 1979 zeggen. Meer dan twaalf jaar geleden, toen Mensje van Keulen met Alle dagen laat: dagboek 1975 voor het eerst dagboekaantekeningen prijsgaf, vroeg zij zich deze keer tijdens het uittikken af: ‘Waarom doe ik dit?’ Eigenlijk wist ze dat wel: ze had het beloofd, en ze wilde ook niet dat iemand anders het na haar dood zou doen. Dus tikte ze dapper door.

    Als haar huwelijk goed geweest was, was Mensje van Keulen nooit een dagboek bij gaan houden. Maar na twee romans en een verhalenbundel –  Bleekers zomer (1972), Allemaal tranen (1972) en Van lieverlede (1975)stokte het schrijven door de huiselijke omstandigheden.
    Hans Warren, Heere Heeresma én haar uitgever adviseerden: ‘Als je wilt blijven schrijven, moet je vingeroefeningen doen. Houd dan een dagboek bij. Vandaar dat ik er met de nodige tegenzin aan begon.’
    Het is logisch dat iemand die zoveel reserves heeft over het bijhouden van een dagboek pas na enig aandringen bereid is om haar dagboeken als onderdeel van haar oeuvre te beschouwen.

    Hoewel de bedenkingen van Mensje van Keulen alleen met de ontstaansgeschiedenis van de dagboeken te maken lijken te hebben, is het niet uitgesloten dat er nog iets anders meespeelt. In haar terughoudend toegeven klinkt ook twijfel door over de statuur van haar dagboeken. Zijn ze wel literair genoeg om een eigen plek op te eisen naast haar romans, verhalen en kinderboeken?

    Mensje van Keulen hoopte dat het bijhouden van een dagboek haar op ideeën zou brengen voor een volgende roman. Publiceren was niet aan de orde, ook niet op de lange termijn. Haar dagboeknotities waren hooguit voorbestemd om secundaire literatuur te worden. Zo iemand al kennis zou nemen van wat ze over zichzelf schreef, dan pas na haar dood, en dan nog alleen in het kader van onderzoek naar het leven en werk van de schrijfster Mensje van Keulen.

    Schrijvers houden doorgaans geen dagboek bij om dat vervolgens integraal te publiceren. Zelfs Het Achterhuis zou waarschijnlijk nooit in dagboekvorm verschenen zijn als Anne Frank de oorlog had overleefd.
    Wie zoals Mensje van Keulen haar dagboeken alsnog prijsgeeft aan een publiek maakt zichzelf kwetsbaar. Oké, de schrijver kan zich wapenen. Zij kan proberen de waarheid zo mooi mogelijk op te schrijven. Haar opzettelijk mooier maken dan zij zich haar herinnert, is uit den boze. Maar ze heeft enige speelruimte, want ‘dagboek’ suggereert dan wel authenticiteit, maar ‘het bedrieglijke aan de narratieve belofte van dagboeken, logboeken, memoires en autobiografieën, is dat ze eerlijk zijn, dat ze de waarheid vertellen’ (dat laatste schrijft Connie Palmen in het zorgvuldig gecomponeerde Logboek van een onbarmhartig jaar, waarin 2011 een schrikkeljaar is).

    Voor de fictieschrijver die Mensje van Keulen is, kan de eigen naakte waarheid, zoals mooi maar vrij meedogenloos opgetekend in Alle dagen laat en Neerslag van een huwelijk, hard aangekomen zijn. Misschien zat dat haar dwars en maakte dat haar aan het twijfelen over de toegevoegde waarde van haar dagboeken.

     

    Neerslag van een huwelijk: dagboek 1977-1979 van Mensje van Keulen werd voor Literair Nederland besproken door Els van Swol.

     



    Liliane Waanders komt wel eens ergens, ontmoet wel eens iemand en leest wel eens wat. Als dat met literatuur te maken heeft, schrijft ze er columns over.

  • Een andere wereld

    Zelfs hij, die alle muziek
    bij naam en toenaam kende,
    wist niet wie zongen,
    noch de componist.
    Toch kende hij het stuk.

    Dit dichtte Willem Jan Otten in ‘De ene tel’ uit zijn nieuwste bundel Genadeklap. De hij is Ottens vader, blokfluitist Kees Otten, die bijkwam uit een coma, ‘volgend op gestorven zijn / en weer pneumatisch teruggebeukt.’ Hij had ‘daar’ een koor gehoord.
    Iets soortgelijks overkwam mij onlangs, ‘gewoon’ met twee benen op de grond, twee keer achter elkaar. De eerste keer hoorde ik op de radio een muziekstuk dat ik niet (her)kende, hoewel ik het overduidelijk leek te kennen. Een rare gewaarwording was dat. De tweede keer gebeurde het bij de als ‘muziek, geluidsontwerp’ omschreven toonband bij de toneelopvoering van Oedipus door Toneelgroep Amsterdam.

    Het eerste stuk, op de radio, bleek de eerste van zes Enigma’s te zijn op tekst van Leonardo da Vinci voor koor a cappella van de mij tot dan onbekende Oostenrijks-Zwitserse componist Beat Furrer (1952). Maar zoals dat gaat; eenmaal gehoord, kom je zijn naam daarna opeens overal tegen. Zo zal hij op 8 november dit jaar als dirigent van Klangforum Wien een eigen werk leiden in het Amsterdamse Muziekgebouw aan ‘t IJ. De radio zond dit ene Enigma uit in een uitvoering door het Helsinki Kamerkoor onder leiding van Nils Schweckendiek, ter gelegenheid van het feit dat Furrer de Ernst von Siemens Musikpreis 2018 had gewonnen, zeg maar de Nobelprijs van de muziek.
    Het tweede stuk, bij Oedipus, bleek muziek van de in Londen wonende sound designer Tom Gibbons te zijn, een naam die ik tot dan toe evenmin kende al klinkt er natuurlijk wel die van een collega-componist, Orlando Gibbons, in mee.

    Beide composities, van zowel Furrer als Gibbons, klonken nieuw en toch ook weer niet, alsof Mnemosyne haar werk had gedaan, de Griekse godin van het geheugen. En meer dan dat: alsof in het heden zowel verleden als toekomst meeklonken. Het werk van Furrer ademde tenslotte ook nog zoiets als het gedicht ‘Mondnacht’ van Joseph von Eichendorff:

    Es war, als hätt’ der Himmel
    Die Erde still geküßt.

    Muziek kan je immers, zoals Christien Brinkgreve in haar recent verschenen studie Het raadsel van goed en kwaad meteen aan het begin al schrijft, ‘meevoeren naar een andere wereld waar een gevoel van geluk heerst, van tijdloosheid, van bestaan en, tegelijk, opgaan in iets groters.’ Voor haar zijn dat Bachs Goldbergvariaties. Voor mij de afgelopen weken even de muziek van Beat Furrer en, in diens slipstream, Tom Gibbons.

     


    Els van Swol leest alles wat los en vast zit en slaat als het even kan geen toneelvoorstelling van Shakespeare over. Zij bezoekt regelmatig het concertgebouw waar ze dan weer over schrijft in haar columns.

  • Stand by your man

    Het is tijden geleden dat ik naar het Songfestival heb gekeken, de laatste keer was toen Sandy Shaw had gewonnen met ‘Puppet on a string’. Nu Waylon meedoet is er een soort reuring ontstaan die me erbij trekt. Waylon had genoeg van de negatieve berichtgeving over zijn optreden, met name over de dansers rond zijn nummer: dat hij dat niet moest doen, niet nodig had. Zijn liedje gaat over rebellie die, volgens Waylon, in iedereen schuilt: ‘Ik sta ergens voor, ik hou mijn poot stijf. Precies dat zit in die dans.’ Daarom wilde hij niets meer met de betreffende kranten te maken hebben die hem negatief bekritiseerden. Zou ik ook niet willen. Het moet verdorie ook maar eens gewoon genomen worden zoals je het brengt.

    Een beetje rebellie kunnen we wel gebruiken. Maar hoe doe je dat, rebelleren?
    In de nieuwste Tirade – een bloemlezing van vijftig blogs die sinds 2009 online verschenen zijn –  las ik het blog van Thomas Heerma van Voss ‘De uitnodiging’, uit 2014. Hij was gevraagd voor een openbaar gesprek over zijn werk als schrijver in een stad waar hij zelden kwam. De interviewster, die hij niet kende, googelde hij op de ochtend van vertrek. Hij vond een boekensite waarop zij boeken bedeelde met vier en vijf sterren, zonder uitzondering. Alleen voor hem niet, zijn debuut kreeg één ster en de roman die daarop volgde twee. Verdwaasd vroeg hij zich af waarom hij was uitgenodigd.

    De interviewster begroette hem in de stad waar hij zelden kwam met een ferme handdruk en liet an passant weten zijn nieuwste boek niet te hebben gelezen. In het gesprek noemde de interviewster zijn personages ‘stumperds’ en verging de schrijver de lust tot antwoorden. Er vielen ongemakkelijke stiltes. De onderhuidse rebel in hem bleef steken ’tussen hoffelijkheid en lafheid’.
    Was ik erbij geweest en het onrecht aangevoeld, was ik spontaan ‘Stand by your man’ van Tammy Wynette, gaan zingen. Die ene line, als een mantra. Voor ‘man’ kun je ‘self’ of ‘point’ zingen. Het heeft mij al door menig geval van onrechtvaardige bejegening geloodst. Dan zou de schrijver de interviewster ten afscheid een ferme handdruk geven en zeggen: ‘Leuke boekensite schrijf je trouwens voor.’

    Ik ben er overigens van overtuigd dat als Tammy Wynette ooit met dit liedje had meegedaan aan het songfestival, ze ongetwijfeld gewonnen zou hebben. En als Waylon nu zijn ‘poot stijf houdt’ en die dansers gewoon laat doen wat hij wil dat ze doen, dan zou hij in de finale nog wel eens hoge ogen kunnen gooien.

     


    Inge Meijer is een pseudoniem. Zij schrijft over boeken als steunpilaren van het leven en over ontdekkingen die zij doet in de marges van de literatuur.

  • ‘Hertalen die handel!’

    Lang was Marita Mathijsen faliekant tegen het hertalen van boeken die kunnen bogen op een canonieke status in de Nederlandse literatuur. Ze zag niets in het inwisselen van door een schrijver weloverwogen gekozen woorden voor hedendaagse equivalenten. Hertalen deed in haar ogen geen recht aan het origineel. En het inkorten van een verhaal ook niet. Inmiddels is Marita Mathijsen om. ‘Liever een luie lezer dan geen lezer. Hertalen mag. Het is de enige manier om literatuur uit het verleden te redden van de vergetelheid’, liet ze zich vorige maand in een interview ontvallen.

    Ik snap haar oorspronkelijke bedenkingen. Waar Marita Mathijsen bang voor was, is dat literaire meesterwerken teruggebracht worden tot simpele verhaaltjes. Als literatuur staat of valt met de stem en de stijl van de schrijver wordt met het hertalen en/of inkorten van een tekst iets wezenlijks geamputeerd. Ik snap ook waarom ze terugkwam op wat ze vond. Ze wil dat Vondel, Multatuli, Couperus en al die andere voortreffelijke schrijvers uit het verleden gelezen en gewaardeerd worden door nieuwe generaties lezers. Taal mag wat ze te vertellen hebben niet in de weg staan.

    Het belang en de zeggingskracht van letterkundige werken van voor negentienhonderdnogwat wordt in Nederland onderschat. Of het ontbreken van een hertaaltraditie daar de oorzaak of een gevolg van is, laat ik in het midden. Maar betreurenswaardig is het ontbreken van die traditie wel.

    Een tekst die stevig in zijn schoenen staat, kan heel wat hebben. Neem nou Hamlet. Ik hou van Hamlet en die liefde werd tijdens mijn meeste recente verblijf in Londen bekroond met vier versies voor mijn verzameling die inmiddels meer dan honderd exemplaren telt. In lang niet al die exemplaren wordt het toneelstuk van William Shakespeare op de voet gevolgd. Sommige ver- en hertalers veroorloven zich heel veel vrijheden. Maar Hamlet blijft Hamlet. Als Hamlet het kan hebben dat hij grondig onder handen genomen wordt, waarom zouden Gijsbrecht van Aemstel, Max Havelaar en Eline Vere dat dan niet verdragen?

    Nederland is het bewerken van haar eigen klassiekers niet gewend, maar helemaal onbekend is het fenomeen hier ook weer niet.
    Eerstegraads docente Nederlands en schrijver van de roman Darko’s lessen Michelle van Dijk pakte de door Marita Mathijsen én Ronald Giphart – ‘hertalen die handel!’ is zijn motto – toegeworpen handschoen op en treedt daarmee in de voetsporen van onder andere Ivo de Wijs, Daniël Mok en Gijsbert van Es, die zich ontfermden over De geschiedenis van Woutertje Pieterse, De kleine Johannes en Max Havelaar. Michelle van Dijk maakt zich sterk voor Louis Couperus’ Van oude menschen, de dingen, die voorbij gaan. Haar hertaling die het origineel uit 1906 trouw volgt, is werk in uitvoering en verschijnt als feuilleton op haar blog.

    PS. Anders dan Marita Mathijsen suggereert is hertalen niet de enige manier om klassieke literatuur nieuw leven in te blazen. Verstrippen is ook een optie. Kijk maar naar Dick Matena en Viktor Hachmang. Hachmang werkte ruim drie jaar aan de graphic novel Blokken: de mislukking van een heilstaat en gebruikte daarbij gewoon de woorden van F. Bordewijk.

     

     



    Liliane Waanders komt wel eens ergens, ontmoet wel eens iemand en leest wel eens wat. Als dat met literatuur te maken heeft, schrijft ze er columns over.

  • Krooshekreiniger

    Een heel jonge schrijver had mijn eerste boek gelezen. Hij zei: ‘Mooie verhalen. Maar ik vind je wel hard. Ik mis een beetje de liefde.’ Ik nam een slokje van mijn spa. ‘Oh,’ zei ik. ‘Maar Arnon Grunberg heeft anders gezegd dat ik heel liefdevol mijn personages naar hun noodlottig einde leid. En dat gevoel heb ik zelf ook wel een beetje. Ik heb er best wat liefde in gestopt.’
    Hij knikte. ‘Arnon Grunberg. Ja. Bij hem heb ik de liefde eerlijk gezegd ook nooit zo gevoeld. Misschien een heel klein beetje bij Tirza. Maar verder… Misschien delen jullie daarin een bepaalde afwijking, een soort vervormd beeld van wat liefde is. Alsof het liefdevol is om heel afstandelijk en precies te beschrijven hoe iemand de afgrond in verdwijnt. Misschien verwarren jullie afstandelijke precisie met liefde. Of jullie zijn verliefd op je eigen genadeloosheid en jullie verwarren die verliefdheid met liefde voor degenen die het allemaal moeten ondergaan.’
    ‘Maar het is toch ook heel genadeloos wat er allemaal gebeurt in de wereld?’ zei ik.

    ‘We hebben het hier niet over wereld. We hebben het over jouw verhalen. En daar ben jij toch echt zelf verantwoordelijk voor, Gerda Blees. Ik bedoel, die vrouw op dat dak met die windvlaag. Zoiets doe je toch niet? En dat jongetje met die machine, die bulldozer of wat is het…’
    ‘Een krooshekreiniger.’
    ‘Krooshekreiniger. Maakt ook niet uit. Je laat hem gewoon grijpen.’
    ‘Maar daar kan ik toch niets aan doen?’ zei ik. ‘Zo ging het verhaal nou eenmaal.’
    ‘Ja, maar dat had niet gehoeven hè? Je had het ook anders kunnen laten eindigen. Met een beetje hoop ofzo.’
    ‘Nee,’ zei ik, ‘het spijt me. Dat kon echt niet.’ Ik dacht even na. ‘Je kan het ook zo bekijken: als ik niet de moeite genomen had om al die mensen te verzinnen, hadden ze überhaupt nooit bestaan. Dat kan je toch wel als een soort van liefde zien.’

    ‘Ja hoor,’ zei de heel jonge schrijver. ‘En als je vlees eet dan worden er dankzij jou ook ontelbaar veel dieren geboren die anders nooit hadden geleefd. En dat is ook allemaal uit liefde voor de dieren, dat iedereen aan de barbecue gaat zodra de zon begint te schijnen.’
    ‘Maar ik hield wel echt van ze,’ zei ik. ‘Ik hou van ze, van allemaal, of ze nou doodgaan of niet. Dat moet je toch terug kunnen lezen.’ Hoopvol keek ik de heel jonge schrijver aan, maar hij keek terug met de blik van een schoolmeester die nu echt geen smoesjes meer accepteert. Te laat is te laat. Genadeloos is genadeloos.
    ‘Goed,’ zei ik. ‘Oké dan. Ik zal er nog eens naar kijken, of het misschien beter kan qua liefde, in de toekomst.’
    ‘Mooi zo,’ zei de heel jonge schrijver. Hij stond op. ‘Ik ga nog een biertje halen. Blijf je zitten? Ik ben zo terug.’

     


    Foto: fotoBuffel

    Gerda Blees schrijft als gastcolumnist  tot september voor Literair Nederland tweewekelijks een column. Ze debuteerde in 2017 met de verhalenbundel ‘Aan doodgaan dachten we niet’. In april debuteerde ze met de dichtbundel ‘Dwaallichten’.

  • Geen alledaags beroep


    Als een vrouw berooid achterblijft nadat haar man is overleden, plaatst ze een advertentie waarin ze zichzelf aanbiedt als voorlezer: ‘prettige stem, komt u voor het slapen instoppen en voorlezen’. Voorlezen, daar is ze goed in. Het wordt een succes; de behoefte aan een verhaaltje voor het slapen is namelijk groot. Ze vertelt niets aan haar uit huis wonende kinderen (voor wie ze alleen maar een moeder en echtgenote is), dat ze elke avond met een huissleutel de woningen van vreemden binnengaat terwijl die in bed op haar liggen te wachten. ‘Dit werk is mijn geheime tuin, pas als hij in bloei staat, beslis ik of ik het hek openzet, en voor wie.’
    De vrouw komt voor in De vrouw met de sleutel door Vonne van der Meer. De roman werd bij verschijning in 2011 veelal als een niemendalletje, een tussendoortje neergezet, maar blijkt bij nadere lezing een zeer knap geheel waarin verschillende verhalen op ingenieuze wijze met elkaar verweven zijn. Het bestaat niet alleen uit verhalen maar gaat ook over het schrijven van verhalen. Beginnend schrijvers  zouden er beslist hun voordeel mee kunnen doen.

    Hoewel ik niet berooid ben maar wel sinds een maand werkloos, overwoog ik of ik iets soortgelijks had in te zetten waarmee ik de kost zou kunnen verdienen. Mijn ambachtelijke professie is zuurdesembroden bakken. De geur van ovenvers brood werkt opwekkend. Die geur zou ik kunnen verkopen zodat mensen met een vernietigend ochtendhumeur goed de dag inkomen. ‘Broodbakster, brengt geur van gebakken brood bij u thuis waardoor u opgewekt de dag begint. Voor het hele gezin.’ 

    Maar het liefst zou ik ‘brievenschrijver’ worden al betwijfel ik of dit een openbare behoefte zal dienen. Wie zou aan Tsjechov willen schrijven? Hem vragen of hij werkelijk zijn verhalen schreef aan een keukentafeltje in zijn ouderlijk onderkomen in Moskou? Hoe hij kon schrijven te midden van het huiselijke rumoer of inspireerde hem dat juist? Een brief aan Natalia Ginzburg, waarin ik haar schrijven zal dat haar verhalen nog steeds mijn maatstaf zijn. Of aan Frida Vogels, om te vragen wat zij van het huwelijk in het algemeen vindt. Dat haar boeken me met ernst en stilte vervulden. Alles ondertekend met ’Hoogachtend’, zoals Erik Menkveld dat deed in zijn prachtige en ook ontroerende brievenboek Met de meeste hoogachting. Brieven aan onder meer Boeddha, John Coltrane en zijn kinderen. Ik vrees dat ik daar geen droog brood mee verdienen zal.

     


    Inge Meijer is een pseudoniem. Zij schrijft over boeken als steunpilaren van het leven en over de ontdekkingen die zij doet in de marges van de literatuur.

  • Aanrijtijd

    Terwijl ik me in Londen verbaasde over het geringe aantal boekwinkeltjes dat er nog over is op Charing Cross Road, verscheen hier De daad bij het woord, het rapport waarin de Raad voor Cultuur – het wettelijke adviesorgaan van de regering en het parlement op het terrein van kunst, cultuur en media – de letteren- en bibliotheeksector onder de loep neemt.
    Voor de Raad voor Cultuur is het belang van geletterdheid de leidraad, maar de Raad ziet in zijn aanbevelingen de letteren niet louter als een vorm van toegepaste kunst. Naast de maatschappelijke waarde stelt hij de artistieke én economische waarde van de sector aan de orde.

    ‘Zorg dat iedere Nederlander onbelemmerd toegang heeft tot de culturele producten van de letterensector’ is de derde van de vier ‘overkoepelende aanbevelingen’ die de Raad doet. Om dat te bereiken is een fijnmazig netwerk van boekhandels en bibliotheken noodzakelijk. De Raad stelt zich daarbij het volgende voor: ‘De “aanrijtijd” tot boekhandels en bibliotheken zou nergens in Nederland groter mogen zijn dan de aanrijtijd tot een bakker of supermarkt. Kennis, informatie en de schone letteren vormen net zo goed een eerste levensbehoefte: voedsel voor de geest.’
    Een Raad voor Cultuur heeft makkelijk praten. Hij hoeft alleen maar te inventariseren, te analyseren en te adviseren. Knelpunten oplossen laat hij aan anderen over, al heeft hij wel ideeën over de richting waarin die gezocht moet worden. In het geval van de spreiding van boekhandels krijgen gemeenten een duidelijke opdracht: ‘Onderzoek in overleg met retail-brancheorganisaties hoe winkels met een cultureel profiel zich gemakkelijker zouden kunnen vestigen binnen stedelijke winkelgebieden.’

    De opdracht van de Raad voor Cultuur aan gemeenten veronderstelt dat het gemeenten iets kan schelen welke winkels zich waar vestigen. Dat zij het belang van een pluriform aanbod inzien en er wat voor over hebben om ‘winkels met een cultureel profiel’ in de gelegenheid te stellen zich op prominente – dus dure – plekken te vestigen. Dat zij vervolgens bereid zijn hun bestuurlijke invloed aan te wenden om een ondernemingsklimaat te scheppen waarin ook het culturele midden- en kleinbedrijf dat niet in staat is om marktconforme huurprijzen te betalen gedijt.

    Dat Charing Cross Road niet langer dé boekenstraat van Londen is, heeft met het gebrek aan een gemeentelijk winkellocatiebeleid te maken. De meeste winkels waren gevestigd op de begane grond van panden die eigendom waren van een woningbouwvereniging. Boekverkopers betaalden een huur ver onder de marktwaarde van de op een A-locatie gelegen panden.
    Toen de eigenaar van de panden de huurprijs fors wilde verhogen, kwamen de boekverkopers in verzet. Ze beriepen zich op hun toegevoegde waarde voor de buurt. Ze vonden weliswaar gehoor bij hun achterban, maar trokken toch aan het kortste eind.
    Het verhogen van de huur was het begin van het einde van wat ‘Charing Cross Road’ zo lang geweest was: een mekka voor boek(ver)kopers. De recessie deed de rest.

     

     



    Liliane Waanders komt wel eens ergens, ontmoet wel eens iemand en leest wel eens wat. Als dat met literatuur te maken heeft, schrijft ze er columns over.

     

  • De allerhoogste


    Prachtig, prachtig Nederland. Kan ik zo een blog beginnen? Het is vroeg in de ochtend en er waait een koude wind. Ik sta op de hoek van het Underom in Hegebeintum. Vanuit een laag perspectief kijk ik naar een kerk. Zo’n steile terp heb ik nog nooit gezien. Friesland is er trots op: de hoogste terp van Nederland, negen meter boven NAP. Het lijkt alsof de kerk uit de terp is gevormd. Zo steil is de zuidwand die bijna tot aan de kerkmuur is weggegraven.
    Mijn enthousiasme wordt ook veroorzaakt door het contrast van het silhouet van de kerk met een enorme caravan die vlak daarnaast (ook bovenop de terp) onder een afdak staat. De schoonheidspolitie van het landschap, als die bestonden, zou de caravan al lang verwijderd hebben. Maar juist de tegenstelling tussen lekker-op-vakantie-gaan en het dienen van de allerhoogste ontroert in dit verstilde landschap.

    Een paar uur later loop ik onder leiding van een gids het steile pad op. Hij vat de organisatie van het geloof van toentertijd eenvoudig samen: hoe meer men met de kerk te maken had, hoe meer geld je daaraan besteedde, des te groter de kans op een plaats in de hemel. De koude wind is gaan liggen.
    Bij slordige afgravingen, vertelt de gids, zijn hier doodskisten gevonden. Lichamen van mannen, zegt hij, gingen hun kist in met speerpunten en dobbelstenen en vrouwen met hun breipennen. Hij laat even een stilte vallen. Rolpatronen zijn van alle tijden. Ook zijn uitleg over de geschiedenis van het geloof is helder. Als we binnen in de kerk staan vat hij de Reformatie samen: wat nu de IS doet, deden toen de protestanten.

    Hij wijst naar de pilaren die het balkon met daarop het orgel steunen. Ze komen uit de Laurenskerk waarvan, in het platgebombardeerde Rotterdam, alleen de toren was blijven staan. Mijn grootvader, een Rotterdammer, trok me op zijn schoot en liet de foto zien in het midden van het boek Rotterdam brandt. Gods huis overleeft alles, zoiets zal hij gemompeld hebben. Elke keer als ik in Rotterdam logeerde, liet hij me die foto zien. De pilaar die ik nu aanraak, lag toen tussen het puin.

     

    De gids wijst op de schitterende rouwborden, laat het tafeltje zien waarop het opgehaalde muntgeld geteld werd. Hij wijst naar boven waar een stukje van een eeuwenoude fresco zichtbaar wordt.
    Ik moet denken aan de Fanefjordkirke op het eiland Møn in Denemarken. Een kerkje dat in dezelfde tijd (12e /13eeeuw) gebouwd werd als deze Nicolai-kerk in Hegebeintum. Ik schreef, toen ik daar die fresco’s zag: ‘In mijn gedachten hoor ik een stem van lang geleden, uit de tijd van voor de boekdrukkunst. De kerk zit vol mensen en de man vooraan vertelt. Priemend wijst hij met zijn vinger naar de afbeeldingen […]. Hij vertelt over hel, verdoemenis en de wonderbaarlijke visvangst. Iedereen kijkt omhoog en de hoofden draaien mee met het verhaal van de man.’*)
    Ooit waren de fresco’s dé manier van vertellen: de bijbel als een stripverhaal.

    In het groepje dat rondgeleid wordt, is een organist. Via een steil trappetje gaan we naar het orgel. Hij zet in: A toi la gloire van Händel. Een christelijk lied.
    En als ik terugloop, het steile pad af naar beneden, besef ik dat ik in dit eerste jaar van mijn waddenreis al voor de derde keer schrijf over het geloof. Met droge ogen beweer ik graag dat we de vrijheid van godsdienst moeten afschaffen omdat dit in onze grondwet via de vrijheid van meningsuiting is geregeld. Ik heb nooit geloofd zoals gelovigen dat doen, dus het afscheid van God ging bij mij als vanzelf. Maar nu, weer staand op de hoek bij het Underom, dringt zich een vraag op. Het zal toch niet zo zijn dat we met het ‘afschaffen’ van God ook alle rituelen en verhalen hebben weggegooid?

     

     

    *)
    Uit: Hanze! daar waar de reis naartoe gaat.

    Hans Muiderman reist graag langs de Wadden. Hij bezoekt niet alleen de eilanden maar ook de kustgebieden tot waar de zeeklei ophoudt en het hogere land begint. Zijn reizen gaan van de Kop van Noord-Holland tot het midden van Jutland in Denemarken. Hij reist niet in die volgorde maar ‘springt heen en weer’.

     

     

     

    foto: Anneke van Kroonenburg
  • Die ene zin, de plotselinge stilte

    Vrienden van mij zagen onlangs in het National Theatre in Londen een voorstelling van Shakespeares Macbeth (begin mei live in enkele Nederlandse bioscopen te zien). Hierin was, mailden ze, ‘een hoop geschreeuw (…), zelfs een echte disco’ te horen en te zien geweest. Het komt me bekend voor, het hard-harder-hardst toneelspel en af en toe ook het luid-luider-luidst muziek maken. Toch zit daar vaak een pareltje tussen dat alles min of meer goed maakt.

    Zoals laatst in het Amsterdamse Concertgebouw. Daar trad een pianokwartet op, drie Israëliërs en een Rus. Ze speelden onder meer het Pianokwartet opus 30 van Ernst Chausson, hard. Vooral hard, de klep van de vleugel wijd open. Dan, tegen het einde van het tweede deel, gebeurt het, Très calme. De primarius (aanvoerder) speelde drie dalende tonen, meer was het niet. Net voor de laatste noot hield hij even in, liet een Luftpause vallen. Dát deed het hem, want de kleine ‘secunde’ (interval tussen twee diatonisch opeenvolgende tonen en een toonbeeld van droefheid) werkt als een snik. Dat benadrukte op een prachtige, subtiele wijze het melancholieke karakter van het langzame deel. Het beklijfde. Ik weet: het is een foefje, maar als je het op het juiste moment op de juiste plaats toepast, mist het zijn uitwerking niet.

    Het is als met verzamelbundels poëzie. Het kan natuurlijk niet dat alles wat daarin is opgenomen je aanspreekt, het zijn enkele gedichten, soms zelfs maar een enkele zin die je hart een sprongetje doen maken. Neem de bundel Alle gedichten tot dusver van Kees Ouwens (520 pagina’s) en de zin:

    En de vonk valt waar de lamp wordt ontstoken

    Ik kan er uren over nadenken. Of de verzamelbundel Altijd weer dit leven, van Pieter Boskma (376 pagina’s) met onder meer een royale keuze uit de mooie bundel Het zingende doek & De Geheime Gedichten, maar ook prachtige zinnen als:

    knielen de wolken
    die mij op het hoogste punt
    brengen en daar achterlaten.

    Hoeveel gedichten, zo niet zinnen, zal ik straks niet aantreffen in Man met hoed, de bundel gedichten uit 2005-2017 van Lieke Marsman (192 pagina’s, ze worden steeds dunner) die op mijn verlanglijstje staat?
    Ik realiseer me dat de twee voorbeelden, van Ouwens en Boskma, met elkaar te maken hebben. Daarom zou ik willen concluderen dat het verdriet bij Chausson, de vreugde bij de gedichten en vooral de losse zinnen en fragmenten van Ouwens en Boskma elkaars keerzijde vormen. Sterker nog, dat ze allemaal – om met de filosoof Ben Schomakers in een recent boek Het begin van de melancholie te spreken – een mogelijke toegang verschaffen tot ‘wie de mens is.’Ook omdat ik geleerd heb nooit in algemene zin te zeggen ‘dát is mooi’ liever: ‘tot wie ík ben’.

     


    Els van Swol leest alles wat los en vast zit en slaat als het even kan geen toneelvoorstelling van Shakespeare over. Zij bezoekt regelmatig het concertgebouw waar ze dan weer over schrijft in haar columns.

     

  • Wiegend naar het einde

    Als in een boek iets geschreven staat waar je later, exact zoals beschreven staat onderdeel van wordt, dan is dat boek nooit meer hetzelfde en wordt literatuur een intense beleving.

    Er was de begrafenis van F. Starik.

    Zijn gedichten en poëtische vertellingen zijn miniatuurtjes. Zijn voordrachten overweldigend. De eerste keer hoorde ik hem voordragen in Pakhuis de Zwijger tijdens ‘De Langste Dag’ (2010). Een voordracht-marathon waarmee de Digitale Bibliotheek voor de Nederlandse Letteren (DBNL) zijn tienjarig bestaan vierde. Levende dichters brachten dode dichters tot leven door hun werk voor te dragen, een avond lang, tot diep in de nacht. Starik deed Willem Kloos. Hij declameerde gematigd en ingehouden vanachter het spreekgestoelte de eerste gedichten, sterk articulerend, met raspend keelgeluid. Een van de laatste gedichten, (alsof hij eindelijk de boeien had losgegooid, het anker gehesen en vaart kon maken) kwam sputterend en schreeuwend naar buiten. Zo krachtig dat ik er voor terugdeinsde, als door een golfslag op het strand gesmeten. Een dichter waar je niet omheen kon.

    Toen was er opeens zijn uitvaart. De kleine kapel van begraafplaats Sint Barbara stroomde vol. We stonden langs de muren opgesteld, er kon geen mens meer bij. Starik had ooit beschreven hoe zijn uitvaart eruit moest zien, vertelde zijn uitgever Jasper Henderson, hij las het stukje voor. Daarin stond de wens op een speciaal nummer van Virgin Prunes te worden binnengedragen, aan de bezoekers het verzoek met de dragers mee te bewegen op de maat van de muziek.

    Deze week las ik Moeder doen, waarin de dichter nog zo verschrikkelijk in beweging is, zorgend voor zijn moeder en zijn vissen. Daar kwam ik hetzelfde stukje tegen.

    ‘Bij het binnenrijden van de kist klinkt het nummer van The Virgin Prunes, van …If I Die, I Die (…). De mensen zitten al in de aula. Dan klinkt het nummer op, de deuren van de aula gaan open, ik maak mijn laatste entree. De baar met mijn kist erop wordt naar voren gerold, vier stokoude dragers, liefst met karpatenkop, stampen hard op de trage maat van de muziek, voet voor voet, stukje naar voren, rukje naar achter, alsof de dode tegenstribbelt, (…).
    Het zou natuurlijk aardig zijn als jullie, mijn hooggeëerd publiek, de dragers spontaan te hulp zouden schieten door op de maat van de muziek mee te stampen. (…)’

    De kist werd gedragen door zes mannen (niet stokoud, geen karpatenkoppen) die na twee stappen vooruit er een weer terug stapten. Wij, de aanwezigen, stonden allen op en stampten met onze voeten op de kerkvloer op het trage ritme van de muziek. Een dreun als van neerkomende paukenslagen trok door de kapel. Vijf jaar voor zijn werkelijke verscheiden, beschreven in dat ontroerend eerlijke boekje Moeder doen. Toen ik het teruglas, zat ik in die tekst, beleefde wat daar beschreven stond.We stampten met onze voeten op de plaats, links – rechts, minutenlang wiegden we F. Starik naar zijn eindbestemming. Dat hij nog lang moge leven in zijn boeken.

     

    Opname van De Langste Dag (2010).


    Inge Meijer is een pseudoniem, leest de godganse dag, heeft een OV kortingskaart.

  • Eerlijke broodwinning

    Volgens Raymond van de Klundert – alias: Kluun – hoeft een schrijver van werk dat te weinig opbrengt om ervan te kunnen leven zich niet te schamen voor een ‘bijbaantje’. Iedereen moet immers werken voor de kost. Hij zelf ook. Ondanks verkoopcijfers waar de meeste collega’s slechts van kunnen dromen, klust Kluun vanwege drie studerende dochters regelmatig bij.
    Kluun heeft dan ook een hekel aan schrijvers die keer op keer hun hand ophouden bij het Letterenfonds zonder een gebaar te maken richting de lezer. Aan schrijvers die zich boven elke (economische) wet verheven voelen en zichzelf als een geschenk van God aan de samenleving beschouwen.

    Kort nadat ik dit Kluun had horen zeggen – hij nam tijdens Woordnacht deel aan Het Grote Gelddebat – las ik in Dagelijks werk: een schrijversleven hoe bevoorrecht Renate Dorrestein zich voelt, dat zij tot een generatie schrijvers behoort die kan leven van de pen. Dat ze niet zoals de schrijvers voor en na haar ook nog een ander beroep moet uitoefenen om het hoofd financieel boven water te houden. Waarbij aangetekend moet worden dat Renate Dorrestein pas na het verschijnen van haar tiende roman de baan die ze had op durfde te zeggen. Voor het werk dat ze tot die tijd deed, had ze overigens ook een pen nodig: ze was redacteur bij het toen nog feministische tijdschrift Opzij.

    Er zijn maar weinig schrijvers die zoveel boeken verkopen dat zij op hun royalty’s kunnen rusten. Wie geen bestseller schrijft, verdient omgerekend per uur minder dan het minimumloon.
    Een schrijver is echter niet alleen afhankelijk van de verkoop van zijn boeken. Wie naam gemaakt heeft, kan – zonder zichzelf of het ambt te verloochenen – zijn talent ook op andere manieren te gelde maken. Hij kan optreden/lezingen geven, columns schrijven, deelnemen aan discussies of (gast)docent worden.
    Daar moet hij dan wel naar behoren voor betaald worden. Hij wordt immers aangesproken op zijn specifieke kwaliteiten, en doet doorgaans al heel veel gratis en voor niets – interviews, fotoshoots, signeersessies – om zijn werk aan de man te brengen.

    De meeste van deze ‘bijbaantjes’ zijn van een andere orde dan de werkzaamheden waarmee Kluun de studies van zijn dochters bekostigt. Kluun is behalve schrijver ook bekende Nederlander. Dat is zijn keuze en daar plukt hij vruchten van. Ook financiële.
    Andere auteurs verkiezen de relatieve anonimiteit die in hun ogen bij het schrijverschap hoort, zijn selectief in het aannemen van opdrachten en doen – soms meer dan eens – een beroep op het Letterenfonds voor een werkbeurs. Als ze schrijver genoeg bevonden worden, honoreert het Fonds hun aanvraag.

    Schrijvers die een beurs aanvragen hoeven zich niet te schamen. Die beurzen zijn er om de Nederlandse literatuur recht te doen. Wie van toegevoegde waarde is, heeft er in zekere zin recht op. Maar Kluun heeft gelijk als hij schrijvers hekelt die er bij voorbaat van uitgaan dat zij door het Fonds ondersteund zullen worden en niet eens meer de moeite nemen hun huis te verlaten om geld te verdienen. Alleen hele groten verdienen levenslang een beschermde status. Van de rest mag niet alleen gevraagd worden dat zij zich keer op keer bewijzen, maar ook dat zij hun publiek welwillend tegemoet treden. Ook in levenden lijve.

     

     



    Liliane Waanders komt wel eens ergens, ontmoet wel eens iemand en leest wel eens wat. Als dat met literatuur te maken heeft, schrijft ze er columns over.