• Uit hoeveel Bruxelles bestaat Brussel?

    Toen mijn ouders in 1958 de Wereldtentoonstelling in Brussel bezochten en onder de indruk waren van het Atomium, was Brussel niet langer de bruisende stad die door Jacques Brel bezongen werd. Aan dat onbekommerde Brussel kwam een einde door de Grote Oorlog. In Bruxelles geeft Brel een beeld van de stad in het Belle Époque, maar omdat hij het met de details niet zo nauw nam, zoeken mensen nu nog steeds tevergeefs naar het Place Sainte-Justine.
    Terwijl meer dan 42 miljoen mensen op de Heizel tijdens Expo 58 vrijheid en vooruitgang vierden, ging in de stad het dagelijks leven gewoon door. Daar werden dromen van een kleiner kaliber gekoesterd.
    Dat was allemaal ver voor de tijd dat Brussel het bestuurlijk centrum van de Europese Unie werd, en lang nadat Boorman er de boel bedonderde.

    Ik meed Brussel een hele tijd vanwege het Frans dat er de voertaal zou zijn. In de praktijk bleek dat mee te vallen. En bleek ik het Frans, in elk geval passief, bovendien beter te beheersen dan ik dacht.
    Ik leerde de stad echt kennen in de slipstream van iemand die er dagelijks voor haar werk moest zijn. Daardoor kwam ik op plekken die voor de gemiddelde bezoeker niet voor de hand liggen. Ik liet me leiden, me op dat moment niet realiserend dat ik de meeste plekken daardoor nooit meer terug zou kunnen vinden. Tevergeefs zocht ik een volgende keer dan ook naar die leuke salon de thé gedreven door twee Griekse broers, waarvan er één eigenlijk vioolbouwer was.

    Later leerde ik ook dat andere Brussel kennen. Het Brussel waar de scepter over Europa gezwaaid wordt. Eén keer woonde ik er een commissievergadering bij. Tenenkrommend was het wat ik in verschillende talen door de dames en heren volksvertegenwoordigers hoorde beweren over een onderwerp waar ik niet geheel toevallig nogal wat vanaf weet. Het was voor ingewijden duidelijk dat zij zich zeer eenzijdig hadden laten ‘informeren’. Lobbyen loont.

    Vier weken, dat leek de Oostenrijkse schrijver Robert Menasse rijkelijk lang om de mores van dat ‘Brussel’ te doorgronden. Toen hij de stad na vier jaar verliet, had hij genoeg materiaal voor een essay – De Europese koerier: de woede van de burger en de vrede van Europa – waarin hij pleit voor een postnationaal Europa, en een roman – De hoofdstad (die titel slaat niet op Brussel)die duidelijk maakt dat het niet eenvoudig is de crisis waarin ‘Europa’ verkeert te bezweren. Het ‘nooit meer’ van na die andere grote oorlog, is uitgewerkt. Niet verstandig dus om het Big Jubilee Project dat het imago van de Europese Commissie moet oppoetsen aan dat thema op te hangen.

    In weer een ander Brussel opereerde in het interbellum Boorman, Elsschots opportunistische uitgever van het Wereldtijdschrift. Een tijdschrift zonder abonnees, maar met een hoge oplage. Boorman kan lijmen als de beste en draait menig middenstander met zijn mooie praatjes en instant artikelen een poot uit. Hij verplicht zijn totaal overrompelde klanten tot het afnemen van het schriftelijk overeengekomen aantal exemplaren. Fake News was het Wereldtijdschrift net niet, laten we het maar op een sterk staaltje bedrijfsjournalistiek houden.

     

    Voor de gelegenheid (her)las ik:

    De hoed van tante Jeannot – Erik De Kuyper
    Lijmen
    – Willem Elsschot
    Het been – Willem Elsschot
    De hoofdstad – Robert Menasse (vertaling: Paul Beers)

    En ik luisterde voor de zoveelste keer naar:
    Bruxelles – Jacques Brel

     



    Liliane Waanders komt wel eens ergens, ontmoet wel eens iemand en leest wel eens wat. Als dat met literatuur te maken heeft, schrijft ze er columns over.

     

  • Dikke pil of dichtbundel

    Uit een onderzoek naar het leesgedrag van Nederlanders in de zomervakantie door de grootste online boekwinkel van ons land, blijkt dat tachtig procent van de vakantiegangers twee boeken in de vakantiekoffer meenemen: een thriller en een roman. Een voor de hand liggende genrekeuze waar ik jaloers op ben. Het kost mij meestal wel wat hoofdbrekens een goed vakantieboek te kiezen. Vaak ging ik voor de dikke pil. Waar je zo gezegd lang mee doet, soms te lang. Zoals met James Joyce’s Ulysses of De Toverberg van Thomas Mann. Ook Bonita Avenue van Buwalda is een dikke pil maar bleek geen vakantieboek. Ik kwam er maar niet ‘in’. Ook niet na herhaalde pogingen. Enkele zomers terug heb ik het achtergelaten bij een meeneembibliotheekje op de Place du Vieux-Marché van Rouen. Ik verruilde het voor de Franse uitgave van de Kreeftskeerkring, het debuut van Henry Miller (waarvoor hij inspiratie opdeed in Parijs en gelijk wereldberoemd mee werd).

    Deze vakantie overwoog ik een dichtbundel mee te nemen, misschien meerdere. Je kunt er vrij onopvallend mee rondlopen, meenemen naar het toilet. Het geïmproviseerde leven op een camping zou er een wat poëtischer karakter door kunnen krijgen. Ik dacht aan Peter Swanborns nieuwe bundel Het wolkenreparatieatelier, die een soort buiten – (anders dan natuur) – observaties bevat. Zijn gedicht ‘Craquelé’ deed me denken aan gebarsten aarde, veroorzaakt door langdurige droogte. Een uitvergrote craquelé verspreid over de aarde die, als je tussen de opengebarsten spleten kijkt, een andere dimensie van leven doet vermoeden:

    Het glazuur transparant en aan de oppervlakte gaaf, / zoeken onderliggende barsten zijwegen, vertakkend / als ijs onder dun water. Ik weet: deze kom stamt van / voor mijn tijd. (…).’
    Maar ik vroeg me af of een dichtbundel me genoeg zou zijn als ik wakker lag in mijn tent.

    Literaire tijdschriften leken me ook geen gek idee; een Kluger Hans, Terras, Tirade, de Parelduiker, De Gids. Voor elk moment wat wils: poëzie, verhalen, essays. Licht en makkelijk mee te nemen leesmateriaal. Hoewel Terras toch meer het formaat van een boekwerk heeft en een Parelduiker, die zag ik me bij nader inzien ook niet lezen in de blakerende zon.

    De avond voor ik op vakantie ging, keek ik het laatste deel van de vijfdelige serie Patrick Melrose op NPO 2. Een serie die ik niet vanaf het begin had gevolgd omdat ik vreesde dat Benedict Cumberbatch zo goed zou zijn in de rol van de eigenzinnige, aan heroïne verslaafde upperclass jongen Patrick Melrose, dat hij mijn beeld van Melrose uit de trilogie van Edward St Aubyn compleet zou overspelen. Toch, gedreven door nieuwsgierigheid vond ik de laatste aflevering nog net online beschikbaar. Het bleek een fantastische en overtuigende weergave van een romanfiguur die je alleen door over hem te lezen, nooit zo uitgebeeld zou krijgen. Ik wist gelijk welk boek er mee zou gaan: Patrick Melrose romans.  Over een leven, zo ingenieus beschreven dat je  het net zo gretig als de eerste keer, opnieuw leest.

     


    Inge Meijer is een pseudoniem. Zij schrijft over boeken als steunpilaren in het dagelijkse leven en over ontdekkingen die zij doet in de marges van de literatuur.

     

     

     

     

  • Rotterdam, wat voor stad is dat?

    H.J.A. Hofland (1927 – 2016) beschrijft het naoorlogse Rotterdam in het nawoord van zijn roman Het diepste punt van Nederland (1993) als een stad die door drie kaalslagen getekend wordt: het bombardement, de oorlog en de niet-wederopbouw. En hoewel

    ‘Geen mens kan zeggen in hoeverre het opgroeien in een bepaalde stad, welke dan ook, bepalend is voor iemands leven en vervolgens, de kijk op zijn leven’,

    weet Hofland zeker dat die drie ervaringen sporen nagelaten hebben bij hem en degenen die net als hij het vooroorlogse Rotterdam nog gekend hebben.

    Terwijl Rotterdam voor veel mensen het toonbeeld van wederopbouw is – dankt de stad daar niet de bijnaam ‘Manhattan aan de Maas’ aan – herinneren de Rotterdammers die de dertien minuten durende bommenregen meemaakten zich vooral dat het centrum voordat de mouwen opgestroopt werden en het bouwen daadwerkelijk begon jarenlang braakliggend terrein bleef.
    Ze maakten niet veel woorden vuil aan hun ongenoegen. Het leven ging door, en er moest ook gewerkt worden. ‘Geen woorden, maar daden’ heeft niet alleen betrekking op Feyenoord 1.

    Sinds ik in Rotterdam woon – en dat is inmiddels een jaar of drie – vraag ik me af of er een relatie is tussen dat werken en die wederopbouw en het feit dat literatuur in Rotterdam een ondergeschoven kindje is.
    Er vinden weliswaar op gezette tijden festivals plaats, maar een literaire infrastructuur waar je het hele jaar wat aan hebt ontbreekt.
    Rotterdam heeft een universiteit, maar geen letterenfaculteit. De uitgeverijen die er gevestigd zijn, zijn klein en spelen landelijk nauwelijks een rol van betekenis. Het aantal ‘betere boekhandels’ is op de vingers van anderhalve hand te tellen. Dat is mager voor een stad met 641.326 inwoners, die zich nadrukkelijk als wereld(haven)stad profileert.

    Literatuur mag in de stad van de arbeid die Rotterdam klaarblijkelijk is – zoveel is mij inmiddels wel duidelijk – bestuurlijk en politiek geen hoge prioriteit hebben, de stad telt de nodige toonaangevende schrijvers, dichters en essayisten. Hardcore Rotterdammers – Deelder, Sleutelaar, Vaandrager, Waskowsky – die heel direct en onopgesmukt opschrijven wat ze te zeggen hebben.
    Maar er zijn ook auteurs van Rotterdamse origine die zich lyrischer uitlaten. Tel daarbij de schrijvers op die om hen moverende redenen voor Rotterdam kozen en zij die de stad verlieten zonder hun afkomst te verloochenen, en het is duidelijk: (de) Rotterdamse literatuur is veelstemmig, en meertalig bovendien. Er worden in Rotterdam minstens 168 talen gesproken, en in al die talen wordt geschreven, gedicht en van alles geprobeerd.

    Niet iedere Rotterdamse auteur schrijft even letterlijk over de stad aan de Oude Maas als Henk Hofland die in Het diepste punt van Nederland zijn personage Arnold Boekestein laat dromen over een modern Rotterdam dat uit de as herrijst (en vervolgens bedrogen uit laat komen), maar ontkennen dat er Rotterdam in gedichten, verhalen, romans en essays sluipt, heeft geen zin. Dat het verbeelde Rotterdam evenveel facetten heeft als het koor van schrijvers stemmen spreekt voor zich. Hét Rotterdam bestaat niet.

     

    Voor de gelegenheid (her)las ik

    Stille grond – Sanneke van Hassel
    Het diepste punt van Nederland – H.J.A. Hofland
    Een vlaag van troost – Nelleke Noordervliet
    De Ramblers gaan uit vissen – Cornelis Bastiaan Vaandrager
    Verzamelde gedichten – Riekus Waskowsky

     

    CityTripS bracht mij ook naar Londen, Lissabon, Venetië, Oostende, Heraklion, Parijs en Brussel.

     



    Liliane Waanders komt wel eens ergens, ontmoet wel eens iemand en leest wel eens wat. Als dat met literatuur te maken heeft, schrijft ze er columns over.

     

  • Buitenlezen

    De zomer begon vroeg dit jaar. In de tweede week van april dwong hij mij al om van schaduwschots naar schaduwschots te springen. Ik deed dat zo goed en zo kwaad als dat in Londen ging.
    Niet alleen ik, maar ook de Londenaars werden door het weer overvallen. Toch lieten zij de boel de boel. In no time namen zij bezit van de parken en squares om er te luieren of te lezen.
    Er werd opvallend veel gelezen, die eerste dagen dat de zon scheen. Op bankjes lazen mannen kranten. Groepjes studenten, stapels studieboeken torsend, bezetten het gazon. Wie alleen wilde zijn met zijn of haar boek nestelde zich tegen een boom of ging languit in het gras liggen. Dat laatste deden ook degenen die zich bedienden van een e-reader of smartphone.

    Niet in alle parkjes werd even intensief gelezen, constateerde ik tijdens mijn vijfdaagse verblijf in de stad. Russell Square – daar deed ik mijn eerste waarnemingen – is zeker niet representatief voor het Londense buitenlezen. Zelfs vergeleken met andere parkjes in de Bloomsburybuurt is het aantal en het percentage lezers er hoog. Tavistock Square moet het zo goed als zonder lezers doen, en dat geldt ook voor het daar weer dichtbij gelegen Gordon Square. Terwijl de universiteit om de hoek zit.
    Dat deze beide parkjes bezoekers minder beschutting bieden zal een rol spelen. Dat de afwezigheid van een parkcafé doorslaggevend is, kan ik me niet voorstellen. Ook op Russell Square nuttigen lezers vooral zelf meegebrachte etenswaren.

    Er wordt in Londen overigens niet overal zo literair gelezen als op Russell Square. De her en der verspreid zittende lezers – vooral vrouwen van een zekere leeftijd – in het veel grotere Hyde Park lezen aanzienlijk lichtere kost.

    Twee jaar geleden deed ik een soortgelijk onderzoek in Lissabon. Tegen mijn verwachtingen in – ik was op het verkeerde been gezet door iemand die al jaren in Portugal woont en beweert dat Portugezen niet lezen – is lezen, ook in de publieke ruimte, daar heel normaal. Natuurlijk vertekende de populatie lezers in de buurt van de parkbibliotheek in het Jardim da Estrela het beeld, maar het was zeker niet de enige plek in de stad waar ik mensen lezend aantrof. Tot ver in de binnenstad signaleerde ik mensen verzonken in een boek. Ik zag er zelfs één aan de voet van het standbeeld van Luís de Camões. Dat de grote dichter over zijn schouder mee kon lezen, leek hem niet te deren.

    Van participerend onderzoek was in Londen en Lissabon geen sprake: ik ben zelf namelijk niet zo’n buitenlezer, al kan ik me de laatste boeken die ik buiten las nog heel goed herinneren: De naam van de roos van Umberto Eco. Dat was in 1981. Ik las het in afwachting van de uitslag van mijn eindexamen op het terras achter ons huis. Ik deed heel lang over de eerste zeventig bladzijden. Daarna ging het beter.
    Angela’s Ashes van Frank McCourt las ik in 1988 op de grens van binnen en buiten in een tent tijdens een verregende fietsvakantie in Canterbury en omstreken. Ik kan niet ontkennen dat de weersomstandigheden in positieve zin bijgedragen hebben aan mijn beleving van die roman.

     



    Liliane Waanders komt wel eens ergens, ontmoet wel eens iemand en leest wel eens wat. Als dat met literatuur te maken heeft, schrijft ze er columns over.

     

  • Waar is Parijs gebleven?

    Onder de grond ken ik de stad op mijn duimpje. Ik weet dat Châtelet-Les Halles het eerste station is na Gare du Nord, en dat daarna Saint-Michel – Notre-Dame, Luxembourg, Port-Royal en Denfert-Rochereau volgen. Allemaal bestemmingen die het bezoeken waard zijn, maar ik moet verder. Bovengronds volgen er nog 21 veel minder tot de verbeelding sprekende stations voordat ik in de voorstad waar ik moet zijn uitstap, het station aan de achterkant verlaat, bij de acacia’s linksaf sla en na een kort venijnig klimmetje mijn bestemming bereik.
    De keren dat ik echt in Parijs ben geweest, zijn op de vingers van één hand te tellen. Maar dan reken ik die keer dat ik een houten poppenhuis door het 6e arrondissement zeulde niet mee.

    Ik ken Parijs dus niet goed, wil ik maar zeggen. Dat zou geen bezwaar zijn als ik het Parijs van horen zeggen maar herkende. Dan zou ik er mijn weg wel vinden. Maar dat herkennen, valt niet mee. Hoewel het decor bekend oogt, gaat er achter de gevels inmiddels een andere stad schuil. Ik zoek tevergeefs naar het Parijs dat uit boeken en beelden tot mij kwam. Naar de culturele metropool die als een magneet werkte op bohemiens en jetset, en naar de andere kant. De frivole kant die voor ophef en vertier, en ook voor overlast zorgde. De zelfkant, waar het canaille geur gaf aan de stad.
    Die tweeledige stad lijkt definitief verdwenen. Veel van wat Parijs maakte tot de stad die ze was, is letterlijk, figuurlijk en moedwillig onder het plaveisel verdwenen. Planologie maakte korte metten met het organisch gegroeide stratenplan. Door Hausmanns herinrichtingsideeën werden hele groepen inwoners naar voorsteden verbannen. Waarna een deel van die voorsteden veranderde in beruchte banlieues.

    Gelukkig hebben we de boeken nog. Dat Ernest Hemingway zich in Parijs is een feest niet altijd aan de waarheid hield – zo arm als hij zich voordeed was hij bijvoorbeeld niet, doet aan zijn ontmoetingen met Gertrude Stein, Scott Fitzgerald en Ezra Pound, en aan de roaring twenties niets af. Dat de pleisterplaatsen van de subculturen die in Het andere Parijs door Luc Sante zo liefdevol beschreven worden, tegenwoordig toeristische attracties zijn, weerhoudt mij er niet van ze te bezoeken.

    Ik wil Parijs gewoon heel graag beter leren kennen, en vraag me af welke strategie ik de volgende keer dat ik er ben zal volgen. Flaneren zoals Adriaan van Dis dat in de voetsporen van vele voorgangers deed, of à la Georges Perec gewoon ergens gaan zitten, om me heen kijken en in me opnemen wie ik zie en wat er gebeurt.
    Voor beide valt iets te zeggen. Flanerend ben ik min of meer degene die de route en het tempo bepaalt; vastgepind op één plek ben ik in alle opzichten overgeleverd aan het toeval. Welke keuze ik ook maak: het zal mijn kijken naar Parijs beïnvloeden, en daarmee ook het beeld bepalen.
    Voorlopig voel ik het meest voor de methode Perec (al denk ik dat flaneren effectiever is). De vraag is dan wel welk terras of bankje zich het beste leent voor mijn ontdekkingstocht. Suggesties zijn welkom.

     

    Voor de gelegenheid (her)las ik:

    Onder het zink: un abécédaire de Paris – Adriaan van Dis
    Parijs is een feest – Ernest Hemingway (vertaling: Arie Storm)
    Poging tot uitputtende beschrijving van een plek in Parijs – Georges Perec (vertaling: Kiki Coumans)
    Zazie in de metro – Raymond Queneau (vertaling: Jenny Tuin)
    Het andere Parijs
    – Luc Sante (vertaling: Hans E. van Riemsdijk)

     

    CityTripS bracht mij ook naar Londen, Lissabon, Venetië, Oostende, Heraklion, Rotterdam en Brussel.

     



    Liliane Waanders komt wel eens ergens, ontmoet wel eens iemand en leest wel eens wat. Als dat met literatuur te maken heeft, schrijft ze er columns over.

     

  • Tweede-boekvloek

    Veel van mijn gesprekken met jonge schrijvers (het is even schakelen, want hoewel ik mezelf niet langer als jong-jong beschouw, ben ik wel degelijk schrijver – toch zit ik niet in die hoedanigheid tegenover iemand aan tafel) zijn zoektochten naar het verhaal. Vaak is het het eerste verhaal dat iemand wil vertellen, het eerste Grote Verhaal. Er is geëxperimenteerd, gegroeid, het een en ander gewonnen en/of gepubliceerd, er is misschien gestudeerd, en nu komt het Echte Werk. Een boek! Waarover moet het gaan? Soms komt er een verhaal uit iets dat van henzelf is, soms komt een idee voort uit een fascinatie, soms is er zelfs nog geen idee.
    Je zou kunnen zeggen dat zo’n gesprek dan te vroeg komt, is er al iets om over te praten? Maar er is altijd iets om over te praten en soms komt er tijdens de koffie zomaar iets naar boven: de jonge schrijver gaat met aantekeningen en een paar zorgvuldig uitgekozen boeken naar huis. Geduldig wacht ik af. 

     Dat het Tweede Verhaal nog zoveel moeilijker is, blijkt uit wat we de tweede-boekvloek zijn gaan noemen. Iemand is gedebuteerd, misschien met iets dat een hoog autobiografisch gehalte heeft (er is vaak het verwijt dat de debuten van onze tijd het papieren resultaat zijn van een verwerkte jeugd/trauma – dat er te weinig wordt verzonnen, een verwijt dat de compositie, structuur, de selectie van het materiaal en de manier waarop dat in een fictie wordt gegoten overboord zet), en dan? Heeft hij of zij nog meer te vertellen – is hij of zei, om Rilke maar te parafraseren, een scheppend kunstenaar?
    In een recensie las ik dat iedereen een boek in zich heeft (…) en dat de betreffende debutant er waarschijnlijk niet nog een zal schrijven, maar: ‘Misschien is het beter één keer raak te schieten dan een carrière lang liflafjes te publiceren.”

    Ik denk aan Eminem, die onlangs, voor het eerst sinds 2003, een concert in Nederland gaf. Destijds, in de Amsterdam Arena, was ik erbij. Het was mijn eerste concert en ik vond het magisch, wat hij met woorden deed. Jarenlang riepen critici: wat gebeurt er als Marshall Mathers is uitgeschreven over zijn jeugd, zijn trauma’s – wat blijft er dan over? Genoeg, kennelijk, want hij schrijft en rapt gewoon door. Hij nam de tijd voor nieuw werk. Misschien zorgde dat ervoor dat hij niet dichtsloeg. 

    Want soms komt dat werk niet. Ik ken er genoeg, die worstelen met het vervolg, zichzelf gek maken met verwachtingen. Ooit kende ik bovendien een meisje met heel duidelijk een verhaal – en, belangrijker, een ontkiemend talent. Daar bleef het bij, het kwam er niet uit. Een ander zei: ‘Toen ik eenmaal dingen kon gaan maken, sloeg ik dicht’. Als deze twee nog schrijven, dan is het niet voor de buitenwereld bestemd. Daar zit geen schande in. Je weet pas hoeveel verhalen je in je hebt zodra je je kladblok/laptop openklapt en begint. Wie dat te lezen zal krijgen, is op dat moment niet zo belangrijk. 

     


    Marijn Sikken mijmert over lezen, verhalen en literatuur en schrijft daar columns over. Haar debuutroman, ‘Probeer om te keren’ (2017) verscheen bij Uitgeverij Cossee.

  • De faxen van Mizee

    Verwarde geesten hebben baat bij goede literatuur. Liever geen therapeutische boeken of levenslessenliteratuur. Beter een oprechte stem die zichzelf niet spaart, zoals in het tweedelige ‘Faxen aan Ger’ van Nicolien Mizee, daar leer je wat van. Dikke boekwerken met ‘verslavend proza’ – vermeld de achterflap – wat gewoon waar is. Met het eerste deel De kennismaking kon ik al amper stoppen met lezen. Uit dit tweede boek De porseleinkast, kan ik niet meer wegblijven. Dus doe ik of ik niets anders te doen heb en lig een hele dag op bed met Mizee. Wat ook wel weer toepasselijk is, als je de wereld van Mizee een beetje kent. Lezen over iemand die nergens geschikt voor is, overal buiten valt en als ze ergens aan meedoet, bang is door de mand te vallen. Wie kent dat niet, roept het in mij. In De porseleinkast is de toon urgenter en dwingender dan in het eerste boek. Mizee stopt na vijf jaar les, met scenarioschrijven maar blijft faxen versturen aan haar docent.

    Wat maakt het zo verslavend, vraag ik me af wanneer ik terugkom van het toilet en het boek weer naar me toetrek. De stukken in het tweede boek zijn diepgravender, onderzoekender. Dat onderzoekende boeit mateloos. Mizee schrijft om haar angsten te bestrijden. Vooral de angst om afgewezen te worden maakt haar het leven ondragelijk. Ze bekent in een fax, dat ze pas vrijuit heeft leren schrijven, ‘toen het een middel werd om Ger te veroveren’. Ze ontdekt dat als de echt belangrijke dingen een terzijde worden, ze binnen je bereik komen. Ger is ‘bereikbaar geworden. Nu het leven nog dat ze voor zich ziet en het maar niet wil worden.  ‘de enige manier om het leven tot een terzijde te maken, was door je op God te richten.’
    Haar eerste boek Voor God en de sociale dienst (2000) vindt zijn ontstaansgeschiedenis in deze faxen aan Ger.

    Mizee schrijft zich met deze faxen – als waadt zij door aanzuigende moerasgronden – een weg naar haar schrijverschap. Haar mededelingen in de faxen worden naar het eind toe meer prozaverhalen. Over haar jeugd, dilemma’s die in de familiesfeer spelen en aandoenlijke beschrijvingen van haar vijfjarige nichtje Bio die (net als Mizee) in een volstrekt eigen wereld leeft.
    Ze schrijft  hoe ze als vijftienjarige gedichten van Vroman uit haar hoofd leert, hem een brief schrijft. Waarop Vroman terugschrijft, een gedicht aan haar opdraagt. Ze schreef hem nog twee keer en hij haar ook. Toen hield ze er opeens mee op. ‘Ik denk dat ik mezelf niet goed genoeg vond. Wat had ik nou te geven?’

    Dezelfde onzekerheid uit haar jeugd, brengt haar in haar faxentijd nog tot wanhoop: ‘Ger, waarom ga je eigenlijk met me om? Wat heb ik je te bieden?’ Maar nu schrijft ze door. In die intens geschreven faxen die haar, tegen alle verwachtingen in, een uitweg boden.
    Nu dacht ik zo dat iedereen die de zwaarte van de huidige  tijd niet verdraagt, eens begint te schrijven naar een te bewonderen persoon, of anders dit boek gaat lezen.

     


    Inge Meijer is een pseudoniem. Zij schrijft over boeken als steunpilaren en over ontdekkingen die zij doet in de marges van de literatuur.

  • Heraklion, een in de tijd gestolde stad

    Megálo Kástro
    in naam: een onneembare vesting

    Met deze zin begint een van de scènes in mijn monoloog Er zijn. Toen ik er geboren werd, had Megálo Kástro – Grote Vesting – de muren die in die naam besloten liggen niet meer nodig. Arabieren, Byzantijnen, Venetianen en Turken hielden er in de loop van de geschiedenis huis. Daarna volgde een korte periode van autonomie, maar in het jaar dat ik in de Odis Monis Kardiotissis ter wereld kwam, hoorden stad (Heraklion) en eiland (Kreta) al weer vijftig jaar bij Griekenland.

    Heraklion. Ik ben er geboren, maar kreeg niet de kans er op te groeien. Ik verliet Kreta toen ik een paar maanden oud was en keerde er pas 38 jaar later terug. Zogenaamd als toerist. Met mijn korte broek en bergschoenen hield ik iedereen op afstand.
    De stad duldde mijn omtrekkende bewegingen en voelde hoe ik mij tot haar probeerde te verhouden.
    Ik liep rond, stelde me voor hoe het geweest zou zijn ‘als’, en hoorde er zo toch een beetje bij.
    Na acht dagen verliet ik mijn geboortegrond. In het holst van de nacht kwam ik thuis en eenmaal in slaap droomde ik dat ik een gier was. Een lammergier. Ik had er daar één zien zweven toen ik op de binnenplaats van een klein klooster het eiland in me zat op te nemen.

    Acht dagen is niet genoeg om het stratenplan, de geschiedenis en Heraklion te doorgronden. Acht dagen is net genoeg voor een eerste indruk. Ondanks dat waande ik me onmiddellijk weer daar toen Nikos Kazantzakis – net als ik in Heraklion geboren – me alle hoeken van Grote Vesting liet zien in zijn roman Kapitein Michalis. Terwijl zijn roman in een ver verleden speelt, verbeeldde ik me dat ik precies wist achter welke deuren plannen gesmeed werden en waar de een of de ander zich zat te verbijten. Ik had genoeg gammele panden gezien die in aanmerking kwamen.
    Dat Vita Sackville-West mij in Challenge een imaginair Heraklion voorschotelt, had ik tijdens het lezen ook meteen in de gaten. Haar Heraklion is veel te mondain. Maar wat wil je, ze nam niet de moeite om ter plekke poolshoogte te nemen. Zij verkoos de Mediterranee boven de Levant.

    Dat zij ter hoogte van Heraklion eilanden voor de kust situeert die zich willen losmaken van Kreta, is geografisch gezien onzin, maar het streven naar onafhankelijkheid is een terugkerend thema in de Kretenzische geschiedenis.
    Daar weet Nikos Kazantzakis alles van. In Kapitein Michalis veegt hij een aantal Kretenzische opstanden op één hoop. Het gaat hem niet om de historische loop der dingen. In zijn roman laat hij zien dat Kreta en Grote Vesting in de loop der eeuwen hebben geleden onder de diverse overheersers en dat behoorlijk zat zijn.

    Iedereen heeft recht op haar of zijn beeld van een stad. Het Heraklion dat ik koester, is in de tijd gestold. Dat zij een verleden, heden en toekomst heeft, zegt mij niet zo veel. Die drie dimensies van tijd vloeien voor mij naadloos in elkaar over, en ik loop er hoe dan ook altijd achter de feiten aan.

     

    Voor de gelegenheid (her)las ik:

    Kapitein Michalis (Vrijheid of dood)
    – Nikos Kazantzakis (vertaling: Hero Hokwerda)
    Challenge – Vita Sackville-West

     

    CityTripS bracht mij ook naar Londen, Lissabon, Venetië, Oostende, Parijs , Rotterdam en Brussel.

     



    Liliane Waanders komt wel eens ergens, ontmoet wel eens iemand en leest wel eens wat. Als dat met literatuur te maken heeft, schrijft ze er columns over.

     

  • Een mysterie

    Op een zomerse woensdag ging ik naar het lunchpauzeconcert in het Amsterdamse Concertgebouw, waar het Koninklijk Concertgebouworkest onder leiding van Daniele Gatti samen met sopraan Eva-Maria Westbroek het slotgezang van Brünnhilde (uit de Götterdämmerung) van Wagner uitvoerde.
    De recensent van dagblad Trouw schreef na het concert van diezelfde avond, dat het ‘”Schlussgesang”, dat ze hier voor de allereerste keer zong, haar werkelijk paste als een handschoen [met] een orkest dat op de toppen van zijn kunnen speelde’.
    Dat over die handschoen parachuteerde mij naar de tentoonstelling ‘Rendez-vous met Frans Hals’ in het Frans Hals Museum in Haarlem.

    Ik moest denken aan het doek Portret van een dame met handschoenen van Frans Hals en hoorde het prachtige, korte verhaal dat Gerdien Verschoor er, speciaal voor deze tentoonstelling, bij schreef. Die dame van Frans Hals werd voor mij opeens Brünnhilde, bevrijd uit de maliënkolder waarmee ze was vergroeid, zoals die dame was vergroeid met haar handschoenen. Ook de ik-figuur in het verhaal van Gerdien Verschoor, Maurizio Canari XXIII, telg uit een Venetiaanse familie van handschoenenmakers, hielden die handschoenen in zijn greep. Hij wilde het mysterie achterhalen: hoe had Frans Hals die handschoenen zó kunnen schilderen? Maar de handschoenen gaven hun geheim niet prijs en dat maakte Maurizio onrustig. Koste wat kost wilde hij het geheim vatten, het mysterie ontdekken. Een mysterie dat er misschien in gelegen was, dat de handschoenen  nog niet af waren, ‘niet helemaal gepolijst: aan de ringvinger kleefden nog wat schilfers’.

    Maurrizio Canari reist van Venetië naar Haarlem, deels op de fiets (O, die buitenlanders, denk ik dan. Door zomers Nederland zwabberend op de fiets!). In het museum snijdt hij op een onbewaakt moment de handschoenen uit het schilderij en neemt ze mee naar Italië. Dan volgt de teleurstelling: ‘En gek, dat het me toch nog verraste: ze waren zo hard en zo koud als het allerhardste en allerkoudste marmer dat ik ooit had aangeraakt’. Hij probeert ze na te maken, die handschoenen, ‘maar in mijn beweging, in die onbewaakte fractie van een seconde, rukten de marmeren handen zich los. Vingers vlogen door de ruimte. De handschoenen van Frans Hals spatten op de vloer in stukken uiteen.’

    Later maakt Canari opnieuw de reis naar Haarlem. De scherven van de losgesneden handschoenen naast zich op de bijrijdersplaats of onder de snelbinders van de fiets. Hij legt ze in een bagagekluisje in het Frans Hals Museum. Het was hem niet gelukt het raadsel aan de handschoenen te ontfutselen. De betovering was verbroken, letterlijk gebroken, en de sleutel van het kluisje (fantaseer ik erbij) raakt zoek.
    Nooit doen, zoiets. Laat het mysterie het mysterie. Probeer het niet te vatten, laat staan na te bootsen, want dat lukt toch niet. Hooguit kun je proberen het onaffe – in dit geval van de handschoenen – in je verbeelding aan te vullen. Dát is wat beeldende kunst, maar ook literatuur en muziek van je vragen. En dat is meer dan genoeg.

     


    Els van Swol leest alles wat los en vast zit en slaat als het even kan geen toneelvoorstelling van Shakespeare over. Ook bezoekt zij regelmatig het concertgebouw waar ze dan weer over schrijft in haar columns.

  • Bij de tempelpoort

    Het waren de weken dat de brieven van het Letterenfonds verstuurd zouden worden en al mijn jonge schrijvende collega’s nagelbijtend bij de brievenbus zaten te wachten, behalve S., die niet wist dat het fonds via de post communiceerde.
    ‘Een brief,’ sms’te ze, ‘dat meen je niet. Zit ik voor niks de hele tijd mijn telefoon in de gaten te houden en mijn mail te checken.’
    In de brieven zou te lezen zijn of het Letterenfonds ons geld wilde geven om een tweede of derde boek te schrijven, of dat we veroordeeld waren of bleven tot broodjes bakken, huizen schoonmaken, biertjes tappen of scripties nakijken. Mijn eigen baan bij de universiteit zou per 1 augustus ophouden en mijn plan, plan A, was om daarna van de subsidie van het Letterenfonds te gaan leven. Plan B bestond nog niet.

    Begin juli zou het besluit worden genomen. Omdat mijn eigen brievenbus tijdelijk niet binnen handbereik was, had ik de huispostbode de instructie gegeven een brief met het logo van het Letterenfonds direct te openen en een foto van de inhoud aan me te appen. Op 3 juli trad ik op met twee dichters die ook een aanvraag hadden ingediend. Hun postbode was al geweest, de brieven waren nog niet gekomen. Op 8 juli had ik afgesproken met S. om ons geluk of ons verdriet over de uitslag te verdrinken op een terras. De brieven waren nog niet gekomen. Op 11 juli sms’te ik haar: ‘Nu vind ik het niet leuk meer.’ Ze schreef terug: ‘Als die brief nu nog komt stuur ik hem ongeopend terug. Ze houden dat geld maar.’

    Op 13 juli was ik bij mijn ouders om ze te helpen inpakken voor hun verhuizing van het provinciedorp terug naar de grote stad. In een doos met vergeelde papieren vond ik een briefje met een citaat van Kahlil Gibran: ‘Arbeid is zichtbaar gemaakte liefde. En als gij niet met liefde arbeiden kunt en enkel met tegenzin, dan is het beter uw arbeid op te geven en te gaan zitten bij de tempelpoort om aalmoezen in ontvangst te nemen van hen, die vol blijdschap arbeiden.’
    Als mezelf serieus nemende schrijver zou ik natuurlijk moeten vinden dat schrijven ook arbeid is, dat het tijd en vakmanschap vergt en dat je er ‘keihard’ voor moet werken om iets goeds te schrijven. Maar eerlijk gezegd vind ik verhalen en gedichten schrijven toch niet erg op arbeid lijken, al kan het wel verschrikkelijk moeilijk en vervelend zijn. Broodjes bakken, scripties nakijken, officiële brieven opstellen en ze op tijd versturen, dat is pas arbeid. En voor de zoveelste keer mijn telefoon controlerend zag ik mezelf bij een virtuele tempelpoort zitten, wachtend op een aalmoes van de vol blijdschap arbeidende beleidsmedewerkers van het Letterenfonds.

    Het verlossende bericht kwam een paar uur later, niet van de huispostbode, maar van mijn uitgever, ook al zo’n vol blijdschap arbeidende uitdeler van aalmoezen aan schrijvers die geen broodjes meer willen bakken. De uitslag van de subsidieaanvraag had hem eerder bereikt dan mij. Het was goed nieuws. Ik kon aan het werk.

     

     


    Gastcolumnist Gerda Blees schrijft tot september tweewekelijks een column voor Literair Nederland. Ze debuteerde in 2017 met de verhalenbundel, Aan doodgaan dachten we niet. In april debuteerde ze met de dichtbundel, Dwaallichten.

  • Hoe verdwaal je

    Ik was in Den Haag en haalde mijn jongste kleinzoon van school. De school lag in de buurt van de Gerrit Kasteinstraat, ik kwam op de fiets vanuit Mariahoeve. Ik peddelde vrolijk over de fietspaden, stak de juiste kruispunten over en nam de goede afslagen. Tot ik ergens de verkeerde nam. De bocht naar links leidde stadswaards terwijl ik richting zee moest, de zee lag rechts. Tot zover mijn geografische inschattingen. Ik minderde vaart, reed een bruggetje over. Hoe lang moet je een eenmaal ingeslagen pad blijven volgen om te weten dat je fout zit? Bij een bord met Landgoed Clingendael stopte ik.

    Het was een rustige weg. Ik was een enkele hardloper gepasseerd, een man met een fototoestel en zag nu een auto op me toe rijden, waarin een man en een vrouw. Zouden ze het aan me zien dat ik hier niet hoorde, de weg kwijt was? Mijn blik kruiste de blik van de vrouw die op de bijrijdersplaats zat. We hadden elkaar zeker toe geknikt (waarna de weg vrij was om mijn verdwaald zijn te bekennen) als ik mijn blik niet snel weer had afgewend. Ik moest een kind van school halen. Ik wist ook niet waarnaar te vragen: ‘Euh, ik ben verkeerd gereden… zoek een pad door de duinen… euh…, Duinzigt…? Ik fietste terug. Concentreer je, probeer te herinneren hoe je de vorige keer bent gereden. Van A naar B, hoe moeilijk kan dat zijn.

    Misschien was me ooit een aanwijzing (dat huis met de drie voorportalen, daar linksaf) gegeven. Maar die had ik dan niet opgeslagen. Net als de vader in Waar gaat die vrolijke trein naar toe van Sandro Veronesi. Alleen om de titel al een aantrekkelijk boek. Vrolijk is het verhaal overigens alleen voor de lezer, die zich bij tijden handenwrijvend vermaakt over hoe de relatie tussen vader en zoon wordt uitgespeeld. De vader (een look-a-like van Robert Mitchum) is voor de zoveelste keer failliet en heeft zijn (brave) zoon nodig om vanuit Zwitserland een aanzienlijk bedrag dat buiten het faillissement viel, Italië binnen te smokkelen. Die vader, die zijn zaakjes altijd op orde heeft (ook zijn faillissementen), raakt verdwaald rond het flatgebouw van zijn zoon als hij een wandelingetje maakt.

    ‘Je had de gashouder kunnen noemen.’ zei de voorzichtige zoon tegen zijn vader. ‘Welke gashouder?”, riposteert de vader. ‘Daar heb ik over geschreven in mijn brief, je zei dat je hem gelezen had. Vanuit mijn huis zie je de gashouder.’ reageert de zoon nu licht verontwaardigd. ‘Ja, natuurlijk.’ veinst de vader verstrooidheid.
    Maar, voegt hij eraan toe: ‘Ik was niet echt verdwaald, ik dacht alleen maar dat ik verdwaald was. Als ik door was gelopen zonder na te denken zou ik linea recta bij je huis zijn uitgekomen.’
    Dus overtuigde ik mezelf dat ik niet verdwaald was, ik moest gewoon de weg richting zee volgen dan zou ik er vanzelf wel komen.  Want je bent pas verdwaald als je denkt dat je verdwaald bent.

     


    Inge Meijer (een pseudoniem) schrijft over boeken als steunpilaren in haar dagelijkse bestaan en over ontdekkingen die zij doet in de marges van de literatuur.

     

     

     

  • Miskend talent

    Dat De blinde uil van Sadegh Hedayat een (Perzisch) meesterwerk is, heeft niet iedereen tijdens het lezen onmiddellijk in de gaten. Sommige lezers geloven domweg niet wat ze lezen (of kunnen zich er niets bij voorstellen), andere vinden het verhaal te zwart en zwaarmoedig om ervan te genieten.
    Lezers die na eerste lezing nog niet doorhebben hoe bijzonder De blinde uil is, doen er goed aan de roman nog een keer, maar dan horizontaal, te lezen. Horizontaal lezen, kent u die uitdrukking niet? Wie een roman horizontaal leest, betrekt het leven van de schrijver, de rest van zijn oeuvre, maar ook schrijvers door wie de auteur beïnvloed is en schrijvers die door een auteur beïnvloed zijn bij het lezen van de roman. Door die brede context begint een lezer beter te begrijpen wat hij leest en wint een werk aan betekenis.

    Ook Alexander Reeuwijk – Schwob*-ambassadeur van De blinde uil – had na zijn eerste kennismaking met de roman van Sadegh Hedayat behoefte aan duiding, vertelde hij voor aanvang van de screening van Naked Solitude: A View of the Life of Sadegh Hedayat. Na het boek al horizontaal te hebben herlezen, hoopte hij het na het zien van de documentaire nog beter te begrijpen en op waarde te kunnen schatten. Waarop hij plaatsnam om samen met de aanwezige anderen naar Naked Solitude te kijken.

    Na de screening volgde een Q&A met de regisseur en daarna had niemand het meer over De blinde uil. Het ging alleen nog maar over regisseur Moslem Mansouri en de manier waarop hij de beeldvorming over Sadegh Hedayat  positief probeert te beïnvloeden. Alles in Naked Solitude staat in het teken van het oppoetsen van het imago van de schrijver die volgens Mansouri ten onrechte te boek staat als ‘suïcidaal, depressieve pessimist en vrouwenhater’.
    Mansouri verzamelde uitspraken van Hedayat en knipte en plakte die woorden tot een script. Vervolgens legde hij die voor een buitenstaander niet tot Hedayat herleidbare tekst in de monden van acteurs die doen alsof ze autoriteiten zijn die met veel kennis van zaken over de schrijver en zijn werk spreken.

    Tot er vragen gesteld konden worden, dacht ik dat ik naar een documentaire had gekeken, en vond ik Mansouri’s  cinematografische oplossing om het ontbreken van bewegend beeld van Hedayat te compenseren op zijn minst interessant.
    Nu ik weet dat Naked Solitude van begin tot eind gescript is, voel ik me bekocht en begrijp ik waarom er in de film geen enkele kritische vraag gesteld wordt.

    Van Sadegh Hedayat wordt wel gezegd dat hij zich vereenzelvigde met Franz Kafka, wiens werk hij in het Farsi vertaalde. Na het vraaggesprek met de niet bijzonder toeschietelijke Mansouri kan ik me niet meer aan de indruk onttrekken dat Naked Solitude: A View of the Life of Sadegh Hedayat vooral een verkapt zelfportret is van een regisseur die al achttien jaar in ballingschap leeft en zich misschien daarom steeds meer is gaan vereenzelvigen met het miskende talent dat Sadegh Hedayat volgens hem is.

    Om te weten of dat waar is, zit er niets anders op dan deze pseudo-documentaire nog een keer – en dan horizontaal – te bekijken.

     

     

    * Schwob: de campagne van het Nederlands Letterenfonds die ‘de beste onbekende boeken uit de wereldliteratuur’ onder de aandacht van Nederlandse lezers brengt.

     



    Liliane Waanders komt wel eens ergens, ontmoet wel eens iemand en leest wel eens wat. Als dat met literatuur te maken heeft, schrijft ze er columns over.