• Schrijven bij geluid

    Sinds kort woon ik naast een wasmachine. De wasmachine wordt niet alleen door mij gebruikt maar ook door anderen, juist op momenten dat ik aan het schrijven ben. Op dit moment bijvoorbeeld schrijf ik met het geluid van een gillende centrifuge op de achtergrond. Een verbetering, denk ik, hoewel ik er zo nu en dan wel door word afgeleid. In de maanden hiervoor moest ik schrijven op het geluid van optrekkende bussen, scooters en trams bij een kruispunt in een drukke stad. En daarvoor schreef ik een paar jaar lang op het geluid van voorbijrijdende auto’s langs een provinciale weg.

    Er zijn mensen die op muziek schrijven. Dat lukt mij meestal niet, want dan kan ik mijn gedachten niet meer horen. Hetzelfde had ik in het huis langs de provinciale weg; de auto’s reden door mijn zinnen heen. Soms deed ik tijdens het schrijven oordopjes in. Soms zette ik toch muziek op, rustige, ordenende muziek, omdat mijn gedachten het beter deden op die muziek dan op rijdende auto’s.

    In het huis langs de provinciale weg kende ik een man die niet zo’n last had van de weg, maar wel van mensen die langs zijn deur liepen. Het klonk voor hem alsof die mensen door zijn kamer liepen. Een andere vrouw woonde onder de trap en had hetzelfde probleem. Toen ik in haar kamer ging luisteren naar de voetstappen hoorde ik ze nauwelijks. Maar de auto’s hoorde ik luid en duidelijk. Ze klonken alsof ze door het hele huis heen reden. En dat vonden mijn huisgenoten dan weer overdreven. Zodat ik concludeerde dat er twee soorten mensen zijn: mensen die meer last hebben van geluiden van buiten en mensen die meer last hebben van geluiden van binnen. Of misschien drie, want je hebt ook mensen die nooit ergens last van hebben. Maar zelf val ik in de eerste categorie. En daarom ben ik al met al wel blij dat ik de provinciale weg verruild heb voor een wasmachine.

    Maar wat wilde ik zeggen? Toen ik bij het drukke kruispunt woonde vroeg ik me vaak af hoe mensen die permanent in een grote stad wonen boeken kunnen schrijven. Misschien wonen ze niet bij een druk kruispunt. Of misschien zijn ze eraan gewend. Of misschien zijn ze erin geslaagd het stil te maken in zichzelf. Geluiden storen me vooral als het niet lukt om erin te komen, in wat ik aan het schrijven ben, of aan het denken, of aan het lezen. Als een verhaal me eenmaal te pakken heeft, of ik het nu lees, denk of schrijf, maakt het niet meer uit wat er om me heen gebeurt. Dan klinken de gedachten luid en duidelijk.

     


    Gerda Blees schrijft tweewekelijks een column voor Literair Nederland. Ze debuteerde in 2017 met de verhalenbundel, Aan doodgaan dachten we niet. In april debuteerde ze met de dichtbundel, Dwaallichten.

  • Campert-nummer

    Volgend jaar wordt de dichter negentig. Een gedenkwaardige leeftijd die dit jaar met het verschijnen van zijn biografie gevierd wordt als een voorschot op de dood. Die biografie had ik als Campertadept al in huis moeten hebben. Maar dat heb ik niet. Ik behoed mezelf voor ontluistering door me de inzage in het leven van een dichter die we op een voetstuk hebben geplaatst, vooralsnog te ontzeggen. Afstand is een mooi ding in de literatuur, verhalen en gedichten zijn de ontmoetingsruimte voor lezer en auteur. Pas als de dichter niet meer leeft, wil ik (denk ik) misschien wel, in de loop van de tijd, alles van hem weten. Ik geloof wel dat Mirjam van Hengel een liefdevol boek heeft geschreven, gezien haar boek over het leven van de dichter Leo Vroman. Daar ligt het niet aan. Struisvogelpolitiek mijnerzijds, dat is het. Een biografie omvat een afgesloten leven; Campert is nog niet klaar met leven. Er kan nog wat komen. Je weet het nooit met Campert.

    Voor nu stel ik me tevreden met het literaire tijdschrift Revisor, Het Campert-nummer. Een mooi nummer met vele knipoogjes naar Campert. Astrid Lampe maakte een ‘Campert sample’ die geheel bestaat uit regels uit Dichter, Remco Camperts verzamelde gedichten uit 2015. Dean Bowen maakte een gedicht dat bestaat uit de laatste regels van diezelfde verzamelbundel. Ze konden met zijn regels doen wat ze wilden (ze naast elkaar zetten, achter elkaar, onder of door elkaar) het blijven Camperts regels.
    Het personage Boelie (Het leven is vurrukkulluk) is gerecycled tot een dj, door Daan Heerma van Voss neergezet in een treffend verhaal over een rondleiding door de stad van de dichter. De bijdrage van Camperts vertaler Donald Gardner gaat over zijn kennismaking met de dichter en zijn vrouw. Hij haalt fragmenten aan die volgens hem, (en daar sluit ik mij geheel bij aan): de kern des dichters dichterschap bevatten: Op straat lopen lezen / dat zie je niet zo vaak meer. / Als ik het nog eens doe / loop ik in het verleden…

    Hoe de jongere generatie zich tot de dichter verhoudt, daar schrijft Roos van Rijswijk over. Na het lezen van (het ongecorrigeerde manuscript) Een knipperend ogenblik heeft ook zij last van het ontmythologiseren van de dichter: ‘Dat ik dan weet welke leeftijd hij had toen zijn moeder zakdoekjes rond zijn bed vond,…’. Ze kent de dichter uit de boekenkast van haar oma, moeder en eigen boekenkast en uit het straatbeeld van Amsterdam. Er is sprake van een ‘Campert-radar’ met haar moeder. Wie de dichter signaleert, stuurt een berichtje naar de ander: ‘Ik zag Campert op Het Leidseplein.’ Hoe geruststellend dat is, te weten dàt hij er is, de constante in het stadsbeeld. Van Rijswijk schrijft: ‘Je kunt een standbeeld neerzetten voor zo’n kerel, maar mooier is dit: een boek waarin je, al naar gelang wie je zelf bent, hem leert kennen of terugvindt.
    Ja, die biografie wil ik beslist wel eens lezen. Maar eerst op naar de negentig. Dan zien we wel weer.

     

    Bestel Revisor, Het Campert-nummer hier.

     


    Inge Meijer is een pseudoniem. Zij schrijft over boeken als steunpilaren in het dagelijkse leven en over wat er fladderend beweegt in de kantlijn van de literatuur.

  • Een ode aan woorden die werken

    Debuterend dichter Dean Bowen besteedde eind mei een belangrijk deel van zijn spreektijd tijdens de avond dat de C. Buddingh’ Prijs uitgereikt werd aan het noemen van namen. Ruim twee minuten liet hij de namen klinken van niet-witte Nederlandse schrijvers: ‘Ik  herhaal hun namen, zodat ze niet uit monden gewassen worden.’
    Wat Dean Bowen deed, was geen overbodige luxe. De meeste namen die hij noemde, zeiden het aanwezige publiek – hoe literair onderlegd ook – hoogstwaarschijnlijk niets. Zoals de literatuur uit de (voormalige) overzeese gebiedsdelen voor de meeste toeschouwers grotendeels (nog) onontgonnen gebied is.

    Dean Bowen is een dichter die in zijn werk ‘de dynamiek van de samengestelde identiteit’ onderzoekt. Zijn ‘canon’ was een statement, zoals ook zijn gedicht .canon in de genomineerde bundel Bokman een statement was. Halverwege een verder witte bladzijde staat alleen die ene regel: ‘Ik  herhaal hun namen, zodat ze niet uit monden gewassen worden’.

    Raoul de Jong is een schrijver die op een heel andere wijze dan Dean Bowen bezig is met identiteit.
    Maar hij zoekt ook en ook zijn zoeken mondt uit in verhalen. Weliswaar schrijnen die van hem minder dan die van Dean Bowen, maar hun zeggingskracht is er niet minder door. Zijn meeste recente verhaal werd een vertelvoorstelling over de geschiedenis van Suriname.

    Tweemaal nam hij op het toneel plaats achter een schrijftafeltje om te vertellen hoe hij na een ontmoeting met zijn Surinaamse vader de confrontatie met Suriname en daarmee met zijn eigen identiteit aanging. Zijn ervaringen in het land van zijn voor- en voorvoorouders vormden de rode draad, maar in In Suriname: een ode aan Surinaamse helden hadden velen een aandeel. Raoul de Jong en Sanneke van Hassel vervlochten zijn verhaal met teksten over het (slavernij)verleden van een land dat al voor de koloniale inmenging van Nederland een samengestelde identiteit had.

    Op het toneel zaten bijna alleen maar niet-witte mensen – Pierre Bokma was de uitzondering, en ook in de zaal waren de witte mensen in de minderheid.

    Sanneke van Hassel bepleitte het opnemen van fictie in de voorstelling, en vanzelfsprekend zaten daar namen uit de canon van Dean Bowen tussen. Hun teksten vulden de geschiedschrijving en de berichtgeving in de media aan.
    Schrijvers genieten nu eenmaal een vrijheid die officiële instanties niet hebben. Zij kunnen de klemtoon leggen waar ze willen. Zij hoeven zich niet aan de feiten te houden. Terwijl zij toch de waarheid blijven spreken.

    Zwart en wit werd geraakt door In Suriname: een ode aan Surinaamse helden. De zaal zinderde. Niet iedereen zal hetzelfde gevoeld hebben. Niet iedereen zal hetzelfde verhaal gehoord hebben, maar de woorden deden hun werk. Ze drongen door tot de kern. Ze kwamen aan. Ze legden een vinger op een zeer zere plek.
    En ze luchtten op.

     

    De canon van Dean Bowen (eigen opname):

     



    Liliane Waanders komt wel eens ergens, ontmoet wel eens iemand en leest wel eens wat. Als dat met literatuur te maken heeft, schrijft ze er columns over.

     

     

     

  • Een stem vinden

    Alle boeken die ik in mijn Zomerrubriek 2018 noemde, heb ik deze zomer gelezen. Op de boot in de Noorse fjorden natuurlijk Nooit meer slapen van W.F. Hermans. Ook deed ik aan contrapuntisch lezen: een boek in het kader van O’s (‘Ophra’s 2018 Boek Club Selectie’ aan boord van de Holland America Line). Daar las ik American Marriage van Tayari Jones, dat deze week zal verschijnen in Nederlandse vertaling. Een boek dat, zoals iemand op de boot zei tijdens de bespreking  met zo’n twintig andere lezeressen(!), je binnenvoert in de wereld van Afro-Amerikanen.

    Waar het bij Hermans gaat over ‘geestelijke slavernij’ van kinderen die ‘proberen Miles Davis of John Coltrane te worden op een manier waarop het nooit zal lukken’, zo zijn de levens van de drie hoofdpersonen die Jones ten tonele voert (Roy, Celestial en Andre) doordesemd van zwarte muziek, die je op een weergaloze manier het verhaal binnenzuigen. Af en toe wordt er een muziekinstrument genoemd dat vooral in de jazzmuziek wordt bespeeld, en een naam van een zwarte muzikant. Af en toe, maar de hele roman is van muziek doordrongen. In de beschrijvingen van bewegingen, in accenten in de taal, in de opbouw. Hierin gaat – als in een geleide improvisatie – om beurten een van de drie personages met het thema aan de haal. De muziek gaat onder je huid zitten.

    Ik begrijp nu hoe het schrijfster Christine Otten is gelukt de wereld van Afro-Amerikanen om te zetten in taal; via hun muziek!  In Als Casablanca deed ze dat aan de hand van de zwarte zanger Paul Robeson en ex-Black Panther Charles Perry. Maar evengoed in We hadden liefde, we hadden wapens, waarin de ik-figuur in de proloog zegt: zolang liedjes in je ‘kop zoemen was alles goed’. Liedjes maakten het leven van de zwarte verzetsstrijder Robert Franklin Williams lichter, dragelijker. Ze staan – schreef ik eerder in een recensie – ‘voor een “parallelle wereld” waarin “je in een flits ziet wat er achter de dingen is (…), belofte, betekenis, toekomst”.’

    In het schitterende essay, Als een vis, (De Gids, nr. 4/2018) legt Otten uit hoe dit zo is gekomen; als witte vrouw te schaken op hetzelfde bord als de zwarte schrijfster Tayari Jones. ‘Ik weet nog dat ik de compositie voor De laatste dichters bedacht vanuit de muziek van saxofonist John Coltrane, A Love Supreme’.  Ze schrijft verder dat ze ‘schijnbaar moeiteloos’ de stemmen van haar personages vond, ‘en een taal waarin ik hun geschiedenis en belevingswereld het dichtst benaderde. ‘Vond’ hun stemmen, zeg ik. Dat is essentieel.’ Dat is haar helemaal gelukt. Net als Tayari Jones.


    Els van Swol leest alles wat los en vast zit en slaat als het even kan geen toneelvoorstelling van Shakespeare over. Zij bezoekt regelmatig het concertgebouw en schrijft daarover in haar columns.

  • Heilzaam kaderen

    Er zit iets troostrijks in hoe weinig het dagelijks leven op literatuur lijkt – omdat het leven te rommelig is, te weinig gestileerd, doorgaans zit er weinig betekenis in de uren die we doorbrengen op het toilet, in de metro of in de badkamer als we WhatsAppend onze tanden flossen. Pas achteraf maken we er een verhaal van, leiden we gebeurtenissen in en wikkelen ze zorgvuldig af, hechten waarde aan details en ziedaar, ineens vormt het leven een geheel. Achteraf kun je dingen tussen de regels plaatsen, terugbladeren en een aanwijzing vinden op pagina vier: toen begon het.
    Iemand vertelde me over hoe mensen enkele dagen voor hun plotselinge overlijden ineens iedereen in hun omgeving een hand gaven of omhelsden, als een weten zonder weten. Ook dat is iets wat achteraf pas ingevuld wordt, dan pas zijn kleur krijgt. Maar maakt het opmerken van die hand wat uit? Wat schieten we op met de onzalige vraag of we het hadden kunnen zien aankomen? 

     Na De gulheid van de zeemeermin kocht ik JezusZoon. De verhalen van Denis Johnsons hebben iets onweerstaanbaars echts. Ze zijn rommelig en rauw, soms breekt de verteller door de vierde wand om de lezer rechtstreeks aan te spreken: ‘En jullie, jullie bespottelijke mensen, verwachten van mij dat ik jullie zal helpen.’ Er zit een logica in de vertellingen, maar wel een grillige, de logica van het delier. Is JezusZoon een goede afspiegeling van de zelfkant, van een of andere ‘uit het leven gegrepen’ werkelijkheid? Wonderlijk blijft het hoe sommige boeken, of je nu bekend bent met de materie of niet, zo echt kunnen aanvoelen.
    Gelijk denk ik aan Holden Caulfields allergie voor alles wat phony is en aan die tirade die de naamloze verteller in Red ons Maria Montanelli houdt over een pianospelend klasgenootje. Het gaat niet om dat hinderlijke klasgenootje met zijn uitgestreken smoel, het gaat om die woede van de vertellers in beide romans, de rauwheid ervan – die voelt echt. Ook het proza van Denis Johnson leest als het tegenovergestelde van phony. 

     In Ontwenning, haar boek over alcoholverslaving, vertelt Leslie Jamison hoe ze haar aanvankelijke weerstand ten opzichte van de AA overwon toen ze inzag hoe heilzaam het vertellen van hetzelfde verhaal was. Zij haalt, in tegenstelling tot Denis Johnson, de romantiek van de zelfkant af: gebruiken is niet grappig of sexy, het is niet Groots en Meeslepend Leven. Afkicken is moeizaam – en saai. Met het steeds opnieuw vertellen van het eigen verslavingsverhaal en het steeds opnieuw aanhoren van andermans verhalen houdt Jamison zichzelf nuchter. Dat is de kracht achter de AA en misschien wel de kracht achter verhalen in het algemeen.
    Vaak wordt gezegd dat we verhalen van ons leven maken, al dan niet fictief, om gebeurtenissen eruit te begrijpen. Mij lijkt het even waarschijnlijk dat we verhalen maken omdat we de willekeur niet aankunnen. We kaderen om dingen die ons overkomen behapbaar te maken. En wat behapbaar is, zelfs al is het een hand, een teken, daarmee kun je leven.

     


    Marijn Sikken mijmert over lezen, verhalen en literatuur en schrijft daar columns over. Haar debuutroman, ‘Probeer om te keren’ (2017) verscheen bij Uitgeverij Cossee.

  • On Chesil Beach: het boek is beter, maar…

    Terwijl naast mij aan tafel druk gespeculeerd wordt over wat Florence en Edward tijdens hun huwelijksnacht mankeert, doe ik er het zwijgen toe. Het duurt meestal even voordat ik iets van een film vind, en dit keer zelfs iets langer. Ik leg, zonder dat de dames met wie ik net nog naar On Chesil Beach zat te kijken dat merken, de film naast de gelijknamige roman die ik jaren geleden las. Ondertussen hoor ik verschillende verklaringen voor het gedrag van Florence voorbijkomen, vind ik iets van dat gepsychologiseer, maar dat is niet wat mij na het zien van On Chesil Beach bezighoudt. Mij zit de voorlaatste, veel te sentimentele, weinig subtiele scène dwars.

    Wat Aan Chesil Beach van Ian McEwan zo mooi maakt, is de manier waarop het verhaal verteld wordt. Met  kennis een alwetende verteller eigen kijkt Ian McEwan met veel oog voor de details en zonder haast terug op de levens van twee personages die ondanks hun liefde weinig met elkaar gemeen hebben. Dat hun huwelijk de eerste nacht niet zal overleven, is al na een paar bladzijden duidelijk. Een hele roman werkt McEwan toe naar de vaststelling dat het tij gekeerd had kunnen worden als Edward haar woorden niet zo letterlijk had genomen en wat meer geduld had gehad. Als hij op dat bewuste moment daar op dat beroemde kiezelstrand (Chesil Beach is Werelderfgoed) maar iets gezegd had.
    Zo eindigt ook de film. Maar anders dan in het boek gaat daar dus een weinig subtiele tranentrekkende scène aan vooraf.

    Terwijl de anderen het inmiddels over de seksuele moraal in de jaren zestig hebben, vraag ik me in stilte af wat Ian McEwan tijdens het schrijven van het scenario van On Chesil Beach bezielde. Want het was McEwan zelf die het boek bewerkte. Vond McEwan dat het verhaal deze wending nodig had en betreft het een draai die hij zijn roman achteraf ook wel had willen geven; gaat het wellicht zelfs om een gekilde darling die het boek niet haalde?

    Eenmaal thuis zocht ik naar een antwoord op die vraag. McEwan gaf de nodige interviews naar aanleiding van de verfilming van On Chesil Beach, maar er was niemand die specifiek naar die bewuste scène vroeg.
    Wat mij wel duidelijk werd, is dat McEwan per se zelf het scenario wilde schrijven: ‘It’s a very intimate, very delicate story, and I really didn’t want anyone else to do it.’

    Mijn zoektocht leverde ook nog iets anders op: de eerste versie van het scenario, uit 2010. Daarin staat de bewuste scène nog niet. In die versie kiest de scenarioschrijver in de laatste drie scènes voor een voice-over die de tragiek van het onvermogen van Florence en Edward alwetend samenvat. Een filmische oplossing die beter bij het boek past, terwijl er toch iets eigens aan de verfilming toegevoegd wordt.
    Als scenarist Ian McEwan zich – zoals hij aanvankelijk van plan was – beperkt had tot het verleden van zijn personages was On Chesil Beach een film geworden die had kunnen wedijveren met het boek van de schrijver met dezelfde naam.

     

     



    Liliane Waanders komt wel eens ergens, ontmoet wel eens iemand en leest wel eens wat. Als dat met literatuur te maken heeft, schrijft ze er columns over.

     

  • Merijn de Boer lezen

    De herfst staat voor de deur en ik heb gelukkig nog niet al het moois van deze zomer gelezen heb. De geur van miljoenen van Merijn de Boer ligt er nog. ‘Wie wat bewaart, die heeft wat’, zegt het spreekwoord dat mijn moeder vroeger (in armoediger tijden) veel gebruikte. Tijden waarin mijn vader een abonnement op de Wereldbibliotheek nam, dat weer wel. Hij ontving op gezette tijden de Russische schrijvers per post en was dagen zoet met lezen. Uit zijn boekenkast ligt hier een bundeling van twee verhalen De jaarmarkt in Sorotsjínintsy en Kerstnacht van N.W. Gogolj, (in 1952 fonetisch gespeld). Het mooiste stuk in dit boekje is eigenlijk het voorwoord van een imker, Rode Pánjko. Voor wie Gogol kent, weet dat de schrijver zelf dit voorwoord schreef waarin hij het heeft over de ‘Avonden op een hoeve bij Dikánjka’ waar boeren en dorpelingen elkaar verhalen vertellen. Verhalen die door de zogenaamde imker (Gogol dus) op papier worden gezet, en wat voor nut dat heeft. Wijdlopige verhalen met vele terzijdes die op het oog niet zo belangrijk lijken maar een verhaal wel uittekenen tot in alle hoeken waar anders niet gekeken wordt.

    Zo gauw de eerste regen viel, sloeg ik De geur van miljoenen open. Na de eerste alinea’s keek ik, een zucht slakend, een moment dromerig voor me uit en wist dat het goed was, beter dan goed. Ik trok mijn benen op de bank en las het verhaal ‘Een acrobaat in Accra’ over een vriendschap die de uiterste houdbaarheidsdatum heeft overschreden. En daarna het titelverhaal, waarin een oude rekening vereffend moet worden maar de gedupeerden het er om persoonlijke redenen bij laten zitten. Met daarin een hilarisch terzijde over een van de gedupeerden – Anna Graswinkel: ‘Ze was vernoemd naar Anna Achmatova. Een volstrekt overbodig detail, maar als een personage is vernoemd naar een dichteres, dan kan een schrijver dat moeilijk onvermeld laten.’ Prachtig!
    Dan is er nog een zeer (echt waar) liefdevol verhaal, ‘De remise’. Over de laatste dagen van een bejaarde Nederlandse ambassadeur in Marokko die uiteindelijk sterft op straat terwijl een hond hem gezelschap houdt. Dat klinkt triest maar is het niet. Het is of die ambassadeur dit gewenst heeft zo te sterven!

    Merijn de Boer schrijft als een muzikant tijdens een jamsessie. Hij varieert er lustig los, gebruikt een ongewone terminologie en vertelt schijnbaar zonder structuur een verhaal. Zoals in ‘De jaguar, Naar een verhaal van Gogol’, waarin een speech wordt ‘getermineerd’, personen ‘gedefenestreerd’ en een ‘petomane snuiter’ in voorkomt. Een terminologie die pedanterig aandoet maar dat helemaal niet is! Gelijk als in een jamsessie. Nog één variatie  op een verhaal:‘In slechte handen, Naar een roman van Robbert Welagen’, waarin twee identieke ikken voorkomen. Dubbelgangers die elkaar naar het leven staan en waarin de heerlijke en op het oog niets toedoende terzijde als: ‘Na het eten deden we onze twee zoons (Jacob en Jacob, een tweeling) in bad.’
    Om deze terzijdes, de eigenzinnige variaties, lees ik deze schrijver het liefst.

     


    Inge Meijer is een pseudoniem. Zij schrijft over boeken als steunpilaren en over ontdekkingen die zij doet in de marges van de literatuur.

     

  • Hype hype hoera

    Eigenlijk heb ik een hekel aan over het paard getilde boeken. Aan boeken die – daar kunnen ze zelf niets aan doen – al voor verschijnen de hemel in geprezen worden. Aan boeken dus die van hun uitgever niet de kans krijgen om voor zichzelf te spreken en op eigen kracht lezers te veroveren.
    Ik heb de neiging om dat soort boeken links te laten liggen tot de publieke belangstelling geluwd is en ik vergeten ben wat er allemaal over gezegd en geschreven is, zodat ik zelf kan bepalen wat ik van zo’n boek vind.

    Door ervaring wijs geworden – de laatste keer dat ik toegaf aan mijn nieuwsgierigheid en niet teleurgesteld werd, was in 1992 toen ik The Secret History van Donna Tartt niet kon weerstaan – weet ik dat voor de meeste gehypte boeken geen langdurige literaire roem in het verschiet ligt. De meeste zijn niet eens in staat gewekte verwachtingen waar te maken. Tegen de tijd dat lezers dat ontdekken is zo’n boek echter al een bestseller.

    Ondanks mijn hekel aan gehypte boeken was er iets – en ik zal zo zeggen wat – dat maakte dat ik nieuwsgierig werd naar Asymmetrie van Lisa Halliday. Ergens op internet zag ik de eerste zinnen uit Asymmetrie voorbijkomen. Zinnen onmiskenbaar geënt op de eerste zinnen uit Alice in Wonderland van Lewis Carroll, die maakten dat ik wilde weten wat voor avonturen Lisa Halliday haar Alice laat beleven.
    Dat die Alice iets met boeken doet, zal vast meegespeeld hebben.

    Veertig bladzijden na die aantrekkelijke, intertekstuele eerste zinnen begreep ik niet waarom de debuutroman van Lisa Halliday zo tot de verbeelding spreekt dat er al ver voor de verschijning van de Nederlandse vertaling aandacht aan besteed werd in de media. Dat Halliday kan schrijven en humor heeft, is dan al lang en breed duidelijk, maar er moest meer zijn. En dus ging ik op zoek naar informatie.
    Het kostte niet veel moeite om het haakje te vinden dat verantwoordelijk is voor de meeste ophef. Ezra Blazer, de schrijver die op de eerste bladzijde van Asymmetrie naast Alice plaatsneemt op een bankje, heeft trekken van Philip Roth, en met Philip Roth had Lisa Halliday toen ze twintig jaar jonger was dan ze nu is kortstondig een relatie. Toen die relatie verbroken werd bleven ze tot het einde van zijn leven bevriend.
    Het duurde daarna even voordat ik tijdens het lezen niet meer aan Philip Roth moest denken. Terwijl het heel duidelijk is dat Ezra Blazer Philip Roth niet is.

    Inmiddels heb ik Asymmetrie uit en vind ik het jammer dat er juist vanwege dat autobiografische detail een kleine hype rondom de roman is ontstaan. Er is zoveel meer over Asymmetrie te zeggen. Dat Lisa Halliday het idee om Ezra Blazer nog een keer op te laten komen – na een ijzersterk, schrijnend tweede bedrijf in de eerste persoon enkelvoud waarin Amar Jaafari heel wat uit te leggen heeft – en wel als gast in het BBC-radioprogramma Desert Island Discs, kreeg toen ze stond te strijken bijvoorbeeld.
    Dat is het grote nadeel van hypen. Er wordt van alles uit zijn verband gerukt en eventueel uitvergroot om dat ene – commercieel succes – te bereiken.

     

    Illustratie: Gartner Hype Curve

     



    Liliane Waanders komt wel eens ergens, ontmoet wel eens iemand en leest wel eens wat. Als dat met literatuur te maken heeft, schrijft ze er columns over.

     

     

  • Hou het klein

    Binnenkort komt het boek uit: Bede aan de zee van Khaled Hosseini. Hij schreef het naar aanleiding van een beeld dat op ons netvlies staat gebrand: van de driejarige Alan Kurdi, die in september 2015 na een helse boottocht van Kobani naar het Westen dood op een Turks strand aanspoelde. Een foto van hem ging de hele wereld over.
    Hosseini verbindt het verhaal van dit ene kind met zijn eigen vlucht uit Afghanistan. Zo werden het twee verhalen. Over dat ene jongetje, over die ene man, die allebei symbool staan voor het universele verhaal van 68.500.000 mensen die op de vlucht slaan. Hosseini heeft op die manier het verhaal, dat verteld moet worden, klein gehouden. Misschien moet dat ook wel, wil je het kunnen vatten.

    Hou het klein – dat moeten ook veel componisten na het niet te omvatten drama van de Eerste Wereldoorlog hebben gedacht, toen ze ultiem korte stukken voor kleine bezettingen gingen schrijven als reactie op vooroorlogse, ellenlange en zwaar geïnstrumenteerde, grootse en laatromantische werken voor symfonieorkest. Het grote leed samengebald in minieme bewegingen, waardoor het misschien nog wel indringender overkomt.
    Webern was zo’n componist, en hij zou na de Tweede Wereldoorlog ongetwijfeld op die manier verder zijn gegaan, als hij niet voortijdig was gedood – door een kogel uit de loop van een geweer van een geallieerde soldaat, die het oplichten van zijn sigaret voor iets anders aanzag. Zo klein kan het óók zijn.

    Terwijl ik de foto van Alan Kurdi weer voor me zie, schiet mij het verpletterende boekje De Poolse vlecht van de in maart jongstleden overleden schrijver J. Ritzerfeld te binnen. Daarin beschrijft hij een bezoek van de pianist Mathias Reber aan een concentratiekamp:

    ‘Voor de ingang naar een van de vier miljoenengraven knielde ik om een steen op te pakken. Het is goed om uit de voor het gevoelsleven onbevattelijke miljoenenaantallen een enkele steen, die slechts één enkele, jou en mij bekende naam draagt, in de handen te nemen en te herdenken.’

    Even verderop heet het:

    ‘Bezoek het graf van je grootmoeder. Als je het detail niet kunt verdragen, vermiljoenvoudig het dan, dan wordt het historie.’

    Het stelt het ons op die manier voor een interessant dilemma. Hoe kan een onbevattelijk drama doordringen tot een nietig mens? Door het klein te  houden (één steen) of juist niet (het te vermiljoenvoudigen)? Een dilemma dat soms alleen door componisten met weinig noten in muziek kan worden gevat of door schrijvers met al even weinig middelen verwoord kan worden. Zelfs een opsomming van de UNCHR wordt dan een ogengedicht dat op je toerolt als een golf:

    68,500,000 people.
    68,500,000 stories.
    68,500,000 dreams.
    68,500,000 journeys.
    68,500,000 lives uprooted.
    68,500,000 missed chances.
    68,500,000 longing for home.
    68,500,000 unthinkable tragedies.
    68,500,000 heads full of memories.
    68,500,000 were displaced at the end of 2017.

    Of is het water, dat als een muur blijft staan, om een veilige doorgang te creëren?

     


    Els van Swol leest alles wat los en vast zit en slaat als het even kan geen toneelvoorstelling van Shakespeare over. Ook bezoekt zij regelmatig het concertgebouw waar ze dan weer over schrijft in haar columns.

  • Lezen is het nieuwe roken

    In de zomer ruik ik beter – misschien is het iets hormonaals – en wat ik ruik, naast versgebakken chocoladebroodjes en roombotercroissantjes, is rook. Sigarettenrook. Het gaat overal doorheen, alsof het geen geur is maar een geluid, een radio die net iets te hard aanstaat bij de buren. Ik ben op de camping en misschien lijkt het zo, maar ik heb het idee dat het vooral Duitsers zijn die roken. Of eigenlijk: die openlijk roken, want natuurlijk zie ik jonge moeders met peuken bij een muurtje staan, beschaamd, en later tref ik diezelfde moeders in de rij bij het winkeltje voor verse kaiserbroodjes, veel minder beschaamd, en dan hoor ik ze het platte Utrechts van mijn jeugd spreken – opvallend, want we zijn best wat kilometers van mijn geboortestad verwijderd. De mensen die open en bloot hun rook de wereld inblazen blijken allemaal Duits. Of zo lijkt het, het is te warm om dit te toetsen.

    Als tiener was ik nogal gek van een man die het roken tot iets erotisch verhief. Het was altijd zomer in die tijd en ik wilde het van zijn lippen kussen, de dorre smaak van zijn Gauloises maakte me niets uit. Toch stak ik zelf nooit een sigaret op. Maar het roken bleef lang na deze man nog iets romantisch houden, ondanks alle waarschuwingen, en altijd als ik mensen rond een rookpaal zag staan – op het station, bij de ingang van om het even welk gebouw, bij de bushalte desnoods, of gewoon bij een afdakje, de lichtgevende puntjes een grimmig soort vuurwerk – dacht ik: zij hebben tenminste iets te doen. Ik bedoelde: zij weten zich tenminste een houding te geven. Nu levert de aanblik van rokers me vooral een oorwurm op, mijn hoofd wordt direct in beslag genomen door The Editors: the saddest thing I’ve seen / were smokers outside the hospital doors. Ik heb nooit meer iemand gezien die sexy rookt. Ik heb er ook nooit naar gezocht.

    Over iets te doen hebben en jezelf een houding geven, hoefde ik gelukkig niet lang na te denken. Er kwamen smartphones die afleiden maar, fijner nog, er bleef altijd wat te lezen. Waar ik ook ga, heb ik een boek bij me. En ik ben niet de enige. Op het strand naast de camping zie ik ze overal – Nederlandse boeken, Duitse, Engelse, Tsjechische. Een topless zonnende vrouw (zijn die borsten echt? nee, maar wat zijn ze goed gelukt!) houdt een ereader tussen haar gezicht en de zon. De dames naast me (‘hij lijkt rustig maar geloof me, het is een beest in bed’) steken na hun geroddel geen peuk maar een boek op. Mijn oudste zoon leest een essaybundel over tijd, zestien is hij en hij snapt er niets van, om de paar zinnen vraagt hij hulp aan zijn vader, maar hij probeert het. Mijn nichtjes lezen Duckies, zelf verlies ik me in de verhalen van Denis Johnson. Af en toe ruik ik rook. Sigarettenrook. Dan steek ik mijn neus tussen de bladzijden – veel beter.

     


    Marijn Sikken mijmert over lezen, verhalen en literatuur en schrijft daar columns over. Haar debuutroman, ‘Probeer om te keren’ (2017) verscheen bij Uitgeverij Cossee.

     

     

     

  • Oxford, stad van Morse, Lewis en Carroll

    Toen ik in 1992 naar Oxford reisde, deed ik dat vooral vanwege Morse, en detective sergeant Lewis. Ik wilde de stad zien die in de serie veel meer is dan een decor. Eenmaal daar – bus, trein, boot, trein en nog een trein – deed de inspector er al snel niet meer toe. Liep ik de eerste dagen nog in de klompvoetsporen van John Thaw – om te constateren dat de makers ondanks het onroerende karakter van de decorstukken de stad voor de op de verhalen van Colin Dexter gebaseerde serie enigszins herschikten; de dagen die daarop volgden, voelde ik me volkomen vrij om Oxford en omgeving op eigen houtje te ontdekken.

    Al gauw bleek dat de stad me veel vertrouwder was dan ik dacht, en dat was niet alleen de verdienste van Inspector Morse. Hoewel ik me dat vooraf niet zo gerealiseerd had, is Oxford ook de stad van Alice uit Wonderland. Haar vader – de vader van de echte Alice dan, Alice Liddell met wie Lewis Carroll een dagje uit varen ging – had het nodige te zeggen in een van de colleges die samen de universiteit van Oxford vormen. Aan datzelfde Christ Church College was Carroll als de wiskundige werkzaam. Dan heette hij Charles Lutwidge Dodgson. Ik hoef alleen maar langs de bolhoeden te glippen die onder Tom Tower de wacht hielden om te kunnen zien waar hij woonde (en fotografeerde).

    Op zoek naar Wonderland wandelde ik naar Port Meadow waar Dodgson/Carroll picknickte met Alice en haar zusjes. En ik liet me tot ver buiten de bebouwde kom varen. Wonderland vond ik natuurlijk niet, maar het was er wel mooi. Idyllisch bijna. En dat zou het ook geweest zijn zonder het ijsvogeltje dat voorbij flitste.
    Het landelijke Oxford dat ik en passant leerde kennen, oogt eigenlijk te onschuldig voor een plaats delict. Colin Dexter zag dat duidelijk anders.

    In de stad – de plattegrond en het straatbeeld – is de universiteit prominent aanwezig. De stad doet er tegenwoordig haar voordeel mee, maar Town and Gown verdroegen elkaar in de loop der eeuwen niet altijd even goed. Jan Morris doet daar in Oxford een klein boekje over open. De universiteit nam lang actief deel aan het stadsbestuur, terwijl omgekeerd inmenging van buitenaf uit den boze was.
    Maar voor de al dan niet toevallige passant, hebben town en gown geen negatieve bijklank. Die hoopt het mee te maken dat gedurende haar verblijf professoren in toga in optocht richting het Sheldonian Theatre wandelen voor alweer een plechtige diploma-uitreiking. Die kijkt haar ogen uit voor de etalage van The University of Oxford Shop waar wat een student dragen moet in de kleuren van alle colleges te koop is.

    Waar studenten zijn, zijn fietsen. Dat is in Oxford niet anders. Nergens in Groot-Brittannië zag ik zoveel fietsers als daar. Zelfs in Londen niet.
    Waar studenten zijn, zijn ook boeken. Hele oude in de Bodleian Library, die ik wel moest bezoeken omdat ik haar ooit van papier op schaal nabouwde, maar dierbaarder dan die ene beroemde bibliotheek waren mij de boekwinkel(tje)s. In één ervan kocht ik The Complete Works of Lewis Carroll: a Wonderland of Stories, Nonsense and Wit. Dat is niets teveel gezegd. En dat 1165 bladzijden lang.

     

    Ik nam mij voor voor de gelegenheid

    Alice in Wonderland – Lewis Carroll
    Last bus to Woodstock – Colin Dexter
    Oxford – Jan Morris

    te (her)lezen. Het kwam er niet van. Maar na het schrijven van deze column heb ik er alsnog zin in.

     



    Liliane Waanders komt wel eens ergens, ontmoet wel eens iemand en leest wel eens wat. Als dat met literatuur te maken heeft, schrijft ze er columns over.

  • Ook als je denkt

    De zomer belooft dit jaar alle observaties uit het ‘Liedje’ van Judith Herzberg waar te maken. Om te beginnen: ‘Het duurt altijd langer dan je denkt, / ook als je denkt / het zal wel langer duren dan ik denk / dan duurt het toch nog langer / dan je denkt.’
    In het midden van de zomer duurde alles langer dan ik dacht. De hitte duurde langer, de slapeloosheid, de jeuk van de wespensteek die ik op zo’n hete avond opgeholpen had – een steek die, dat moet gezegd, wel veel minder pijn deed dan ik had gedacht –, mijn zoektocht naar een huis waar ik zo lang zou mogen blijven als ik wilde, mijn verlangen naar drukte en afspraken, het gapende gat tussen mij en september. Het kind dat elk moment geboren kon worden, kon voor eeuwig elk moment geboren blijven worden. Het was alsof ik middenin een boek zat dat op zich best fijn was om te lezen, maar ik wilde niet meer lezen, ik wilde de ontknoping weten. En ik wilde weg uit de stad.

    Alles was ook, zoals Herzberg al voorspelt, duurder dan ik dacht, en kostte meer moeite. Ik moest meer geld betalen voor slaapkamers, meer e-mails schrijven, meer informatie tot me nemen, meer bus- en treinreizen maken en meer bezoekjes afleggen, ondertussen steeds maar vrolijk en vriendelijk naar de mensen lachend.

    En net nu ik de eindeloosheid van de zomer heb geaccepteerd, begint de tijd vaart te maken. Een ontknoping komt in zicht, de laatste bladzijde van het boek dat dus toch best wel fijn was om te lezen. Ik zit lachend op een terras en iemand die ik ken fietst voorbij en knipoogt naar me. Ik moet de rittenkaart van het kickboksen nog opmaken. Ik ben nog niet naar het Stedelijk Museum geweest. Ik heb opeens allemaal goede ideeën voor mijn boek en ik heb geen tijd ze op te schrijven. Ik zou nog met de ene persoon koffie gaan drinken en met de andere persoon een dag in een bibliotheek gaan werken, maar welke dag? Ik ben in al die lange tijd pas één keer naar de bioscoop geweest. Er ligt nog een hele stapel boeken die ik zou gaan lezen. Ik heb een mooie fotocamera die ik wilde gaan begrijpen. We moeten nog met zijn allen in de tuin eten. Ik wil nog een mooi cadeau maken voor het kind dat nu toch écht wel élk moment geboren kan worden. Ik moet mijn website nog updaten, ik zou nog een artikel afmaken en ik moet dat ene hoofdstuk van mijn vaders proefschrift nog uitlezen.

    En ik heb nog maar drie weken.

    Dus ja, uiteindelijk duurt ook deze zomer, ondanks de waarschuwing van Judith Herzberg, toch veel korter dan ik dacht, want ‘ook als je denkt, / het zal wel korter duren dan ik denk / dan duurt het toch / nog korter dan je denkt.’

     

    foto: Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed


    Gastcolumnist Gerda Blees schrijft tot september tweewekelijks een column voor Literair Nederland. Ze debuteerde in 2017 met de verhalenbundel, Aan doodgaan dachten we niet. In april debuteerde ze met de dichtbundel, Dwaallichten.