• Gevangen in het ijs

     

    In mijn boekbesprekingen bezie ik boeken het liefst als kunstobjecten, met esthetische en stilistische kenmerken die een bepaald effect bij mij als lezer teweegbrengen. Maar de kennis die ik tijdens mijn studie Scandinavische literatuurwetenschap heb opgedaan over Deens-Groenlandse literatuur, maakt nog altijd dat ik Deense boeken over Groenland eerst en vooral zie als culturele objecten: producten die zijn voortgekomen uit een bepaalde literaire traditie en binnen een zekere culturele context.

    Toen ik De kolde flammer van de Deense Knud Sønderby las, bekeek ik dat boek dan ook min of meer uit automatisme door een culturele lens. De Nederlandse vertaling van de gelauwerde klassieker uit Denemarken verscheen in 2023, precies 80 jaar na de publicatie van het origineel. Het boek werd in Nederland met een nogal lauw enthousiasme ontvangen en baarde maar weinig opzien. Bovendien maakt volgens de twee recensies die verschenen – in Het Parool en het NRC – ‘de liefde’ het hoofdonderwerp van deze roman uit. De besprekingen richten zich vooral op de ontwikkelingen die zich tussen de twee hoofdpersonages voltrekken en de gevolgen die hun omstandigheden hebben voor hen als koppel. Het perspectief van het boek als cultuurobject komt zo goed als niet aan de orde.

    Een rijke traditie van literatuur over Groenland

    In Koude vlammen vertrekt fotograaf Kristian voor een jaar met zijn vrouw Vera vanuit Kopenhagen naar een afgelegen Groenlands dorp. Het kost Kristian en Vera moeite om te wennen aan de veranderde leefomstandigheden en in hun zoektocht naar geluk komt hun huwelijk al snel op de tocht te staan. De verhaallijn in Koude vlammen is, hoewel met kundige hand beschreven, maar weinig spectaculair of origineel.

    Wat mij betreft schuilt de grootste literaire verdienste van Koude vlammen in de omgeving waar het boek zich afspeelt. Die omgeving bindt het boek namelijk aan een buitengewoon rijke en al bijna 200 jaar oude traditie binnen de Deense letteren: de Deens-Groenlandse migratieliteratuur. Met die term verwijst cultuurhistoricus Ebbe Volquardsen naar Deenstalige boeken waarin een Deense protagonist voor langere tijd naar Groenland vertrekt om aldaar, met wisselend succes, te integreren in de Groenlandse samenleving.

    Sinds de jaren 2000 wordt de Deens-Groenlandse migratieliteratuur – bijvoorbeeld die van schrijvers zoals Iben Mondrup en Kim Leine – gekenmerkt door een vrij radicaal antikoloniale stem als het gaat om de historische en hedendaagse banden tussen Denemarken en Groenland. Die antikoloniale kijk komt op uiteenlopende manieren tot uiting: stereotypen over de inheemse bevolking worden ontkracht, en het traditionele narratief, waarin de Groenlandse samenleving wordt weggezet als ouderwets en primitief, wordt ondubbelzinnig weersproken. Over het algemeen zijn de hoofdpersonages van deze boeken solidair met de Groenlanders en steunen zij hen actief in hun strijd voor onafhankelijkheid van Denemarken. Zo laat Rasmus Theisens boek Andre hunde (Andere honden, tot op heden niet in het Nederlands vertaald) zien hoe een Deense protagonist zich, zij aan zij met de Groenlanders, inspant om de macht van een Deense vastgoedmagnaat in een Groenlands dorp te ondermijnen.

    Subtiel tegendraads

    Koude vlammen stamt van ver voor het begin van die antikoloniale trend in de Deense migratieliteratuur over Groenland. Het is dan ook niet vreemd dat dit boek niet onder de antikoloniale Deenstalige literatuur kan worden geschaard. Dat wordt bijvoorbeeld duidelijk uit het feit dat de Inuit-personages in Koude vlammen bijna allemaal aan de Denen ondergeschikte rollen vervullen. Op die manier stelt het boek een sociaal overwicht tentoon van de Denen over de Groenlanders die nergens kritisch aan de kaak wordt gesteld. Daarbij zijn de Groenlandse karakters stuk voor stuk bij-personages; het zijn de Denen die centraal staan.

    Toch is het duidelijk dat Sønderby niet bepaald een hoge pet op heeft van de Denen die zich op Groenlands grondgebied bevinden. Hij zet de Denen in Groenland neer als personages die niet in staat zijn te denken buiten de hen bekende kaders en die er daardoor niet in slagen zich aan te passen aan hun Groenlandse omgeving. Die starheid komt bijvoorbeeld tot uiting in het feit dat zij zich in allerijl vastklampen aan de etiquette die zij kennen van thuis. Ook staan de Denen erop de hun bekende functietitels, zoals ‘assistent’, ‘dokter’, ‘schilder’ en ‘ingenieur’, te handhaven, zonder dat zij daar baat bij hebben in de Groenlandse realiteit.

    Een sluimerend ongeluk

    Het is duidelijk dat het handhaven van de Deense maatschappelijke kaders in Groenland niet bepaald tot gelukkige levens leidt. De dynamiek onder de Denen in het dorp benauwt Vera en Kristian en maakt hen met de dag ongelukkiger. In hun buitenechtelijke vrijages met andere dorpelingen zoeken Vera en Kristian de grenzen van de sociale etiquette op, om zich aldus een wrang gevoel van vrijheid toe te eigenen.

    En het heeft er alle schijn van dat Kristian en Vera niet de enige Denen zijn die in Groenland met een groot ongeluk te kampen hebben. De manier waarop de verpleegster er prat op gaat dat Kristian haar, in een dronken bui nota bene, vergelijkt met een van de personages uit Dumas’ De drie musketiers verraadt hoe ongelukkig zij in werkelijkheid is. En hoewel de vrouw van de opziener haar man vertelt dat zij op haar gelukkigst is wanneer zij door het raam in de woonkamer naar buiten kijkt, wekt de dwangmatige manier waarop zij de Deense dorpelingen in de gaten houdt de indruk dat zij koortsachtig probeert grip te krijgen op een plek waar zij in werkelijkheid geen vaste grond onder de voeten krijgt.

    Het ongeluk dat bij iedereen sluimert zorgt voor onderlinge vijandigheid en sociale spanningen. Wanneer hun relatie op den duur volledig is bekoeld, realiseren Kristian en Vera zich dat ‘het niet slechter krijgen dan anderen’ het hoogst haalbare is voor hen. Zij hebben geen idee hoe zij hun eigen geluk kunnen vinden in Groenland.

    Oprechte gevoelens

    De schijnheiligheid waarmee de Denen zich in Koude vlammen door het leven in Groenland bewegen, doet denken aan de onoprechtheid die Alberto Moravia in zijn roman De onverschilligen centraal stelt voor het uitwerken van zijn personages, die tot de welgestelde adel in Italië behoren. Net als in Koude vlammen wordt in De onverschilligen getoond hoe de obsessie met het behalen van meer sociaal kapitaal dan anderen de zoektocht naar het persoonlijke geluk in de weg staat. Beide boeken laten zien dat de hyperfocus op uiterlijk vertoon van deze klasse aan hun levenswijze een allesoverheersende betekenisloosheid verleent.

    Maar waar Moravia’s personages opgesloten zitten in een milieu dat zij zelf in stand houden, worden de hooghartige Denen in Koude vlammen geconfronteerd met een groep mensen die wel degelijk een zinvol bestaan leidt. De liefde en het verdriet van de inheemse bevolking gaat door merg en been; hun gevoelens zijn oprecht, onnavolgbaar en intuïtief. Wanneer de vrouw en het kind van Groenlander Ringsted ziek worden en uiteindelijk overlijden, verbittert Ringsted volkomen. In een gesprek tussen Ringsted en Kristian legt Kristian de vinger precies op de zere plek: ‘Jij kunt tenminste nog aan ze denken. Jij kunt blij zijn met hoe jullie het hadden. Er zijn mensen die verder van hun vrouw verwijderd zijn terwijl ze nog leven, dan jij op dit moment van de jouwe bent.’

    Koude vlammen laat zien hoe de Deense personages het spartelend proberen te rooien in een omgeving die zij absoluut niet de baas zijn. Sønderby is kritisch op de Deense aanwezigheid in Groenland door te laten zien dat die voor de Denen zelf noch voor de Groenlanders profijtelijk is. Maar het boek verbergt die kritiek achter de verhaallijn tussen Kristian en Vera. Misschien deed Sønderby dat bewust, om te voorkomen dat het boek ten tijde van de oorspronkelijke publicatie in 1943 al te veel stof zou doen opwaaien. Destijds waren de antikoloniale stemmen in het Deense culturele landschap immers nog niet zo duidelijk hoorbaar. Maar door het stellen van de vraag wat de Denen daar in Groenland eigenlijk te zoeken hebben, voorafschaduwt het boek een antikoloniaal sentiment dat pas later in de Deens-Groenlandse migratieliteratuur tot volle bloei zou komen.

     

     


    Bjorn Lichtenberg studeerde taal- en literatuurwetenschap in Utrecht en Amsterdam. Hij werkt als bureauredacteur bij een typografisch bedrijf in Utrecht. Ook schrijft hij boekrecensies, essays en korte verhalen die hij publiceert op zijn blog: bjorninschrijfland.nl.

     

  • Vormen van rouw

    ‘Egidius waer bestu bleven.’ Deze versregel schiet mij de laatste weken geregeld te binnen. Hij is afkomstig uit het Egidiuslied dat rond 1400 in Brugge werd geschreven. Het hardop uitspreken ervan geeft troost, nu ik in de rouw ben om twee onlangs overleden vrienden. De literatuurlessen op het atheneum hebben toch iets nuttigs achtergelaten. Troost geeft ook het zingen van psalmen die ik wekelijks uit mijn hoofd leerde op de School met den Bijbel.

    De twee vrienden stierven in de afgelopen zomer, beiden na een ziekbed. Ze waren van mijn leeftijd en dat klopte niet. Sterven doe je toch pas na je tachtigste? Twee jaar geleden waren zij nog volop actief. Toen de ziekte werd geconstateerd, was er voor hen geen houden meer aan. Hun ziekte en overlijden bracht mij in de rouw. Een periode van herinnering en gemis, van het besef dat alles wat mij omringt breekbaar is. En dat er voor mij ook ooit een einde aan komt.

    Rouwen komt van het Germaanse woord hreuwan wat jammeren, verdriet hebben betekent. En dat verdriet kwam, het gemis werd gevoeld. Op de momenten waarop ik tijdens hun leven normaliter contact met hen had. Of zomaar, in een flits, terwijl ik iets heel anders deed, wat niets met hen te maken had. Alles in mijn omgeving lijkt de afgelopen maanden wel op rouwen betrokken. Ik struikel over een ‘walk of grief’, een wandelpad van 75 kilometer op Terschelling.  Volgens de tekst op de site kun je je er wandelend ‘weg van de drukte van het dagelijks leven’ openstellen voor ‘wat gezien wil worden.’ Blijkbaar moeten mensen daar speciaal de tijd en de ruimte voor nemen. Alsof rouwen sowieso niet allesoverheersend is.

    Rouwen om een vriend is echter heel anders dan rouwen om een echtgenoot of kind. Iemand zei me: ‘Als je vriend overlijdt is dat een heftig moment van pijn, maar je leven gaat door. Als je vrouw overlijdt staat je hele leven stil, je moet opnieuw leren leven.’ Heel treffend komt dat naar voren in het Rouwjournaal van Jan Siebelink. Hij schreef het na het overlijden van zijn vrouw Gerda. De 125 passages in het boek lijken zonder literair filter te zijn geschreven, waardoor je het proces dicht op de huid komt.

    Een ziekte- en stervensproces kent overeenkomsten. Herkenbaar in Rouwjournaal is de af en toe opvlammende hoop bij Gerda beter te worden, afgewisseld met bittere teleurstelling als dat niet voor de hand ligt. De dichtbije gesprekken tussen Jan en Gerda over wat er echt toe doet, afgewisseld met de momenten waarin de geliefden ver van elkaar staan. De huisarts die het proces begeleidt met goede raad, komt ook bekend voor. Hij raadt Siebelink bijvoorbeeld aan geen tijd te verliezen met onzinnige dingen, want ‘nooit is tijd kostbaarder geweest.’ Ook de raad om niet bij Gerda te gaan slapen, omdat hij dan te weinig nachtrust krijgt. Ook dat herken ik uit het ziekte- en stervensproces van mijn vrienden. Het komen en gaan van de jongens en meisjes, mannen en vrouwen van de thuiszorg.

    Onmiskenbaar zijn de ingewikkelde medische termen, die tot opzoeken dwingen. Bij Siebelink is dat cholangiocarcinoom. De middelen voor palliatieve sedatie: pomp, morfine en dormicum, komen langs. Herkenbaar is ook het vochtig houden van de lippen, met allerlei middeltjes, door deze of gene aangeraden. Liefdevol is de opoffering voor de partner. Siebelink schrijft: ‘Steeds meer ben ik erachter gekomen dat alles wat ik doe, onderneem, doe ik voor haar, zij wordt er rustig van’. Siebelink schrijft met liefde over zijn vrouw zonder zichzelf of haar te verheerlijken.

    Na Gerda’s dood voelt Jan zich in een vreemd land, waar hij de weg niet weet: ‘Ik lijk verborgen onder een glazen mand.’ Op de eerste zondag na haar begrafenis moet hij bekennen dat hij naast haar in het graf wil liggen. ’s Morgens vroeg verlangt hij soms al naar het einde van de dag, ‘om dan, boordevol slaapmiddelen, in bed te tuimelen, als in een graf, om niet te worden lastiggevallen door het beeld van een trotse vrouw, die, zonder morren, het blauwige, vernederende absorptiebroekje aantrekt.’

    Siebelink beseft dat hij niets is zonder Gerda die opgesloten ligt in de aarde. De enige die hem warmte geeft is hond Sarah. ‘Nevelslierten tegen de ramen, de hond dicht tegen me aan, op de bank, waar eerder je bed stond. De nevel zelf is donker, rouw op het dak, om mijn huis, rauw op het dak.’ Hij denkt dat hij haar nog werkelijk in zijn armen heeft, ze is ‘meer dan ooit aanwezig’.

    Jan Siebelink zou Jan Siebelink niet zijn als zijn vader en de religie niet in het boek zouden verschijnen. In de laatste passage herdenkt hij het overlijden van zijn ouders dat hij eindigt met: ‘Niet alleen verse wonden doen pijn, ook diepe littekens blijven pijnlijk. De afgelopen tijd heb ik de veiligheid en geborgenheid van het ouderlijk huis extra gemist.’

    Illustratief voor zijn vader en religie is de passage waarin hij beschrijft hoe hij na Gerda’s dood met zijn hond Sarah wandelt op de Ginkelse heide. Het is al een hele stap voor hem om die open vlakte binnen te treden zonder bescherming van bomen of muren. Het is een donkere dag, maar rondom hem wordt het opeens licht, helder licht. Hij heeft het idee van bovenaf bekeken te worden. Dan schiet hem te binnen dat zijn vader ooit een teken van boven ontving, een stem die zijn leven radicaal veranderde. Zijn vader kwam tot bekering. Siebelink schrijft: ‘Ik was ooit jaloers op mijn vader, en sindsdien lijkt God te zwijgen.’ Maar nu ontvangt hij ook een teken. Hij ziet het als een teken van zijn vader en moeder en van Gerda, aangekomen op de plaats van hun bestemming.

    In één van de passages loopt hij de tuinpoort van zijn woonhuis uit. Als hij in de auto wil stappen komt de jonge buurvrouw naar hem toe. Ze vraagt hem hoe het gaat en geeft zelf een antwoord: ‘U wilt uw vrouw terug hebben.’ Ze kijkt hem aan en zegt: ‘Ik bid elke dag voor u.’ Jan bedankt haar en herinnert zich een zin die thuis vaak werd gebruikt: ‘Het gebed van een rechtvaardige vermag veel.’ De passage eindigt cryptisch met de zin ‘De mythe van de secularisatie’. Siebelink wordt getroost omdat het geloof van zijn vader blijft doorwerken en niet alleen bij hem.

    Rouwjournaal is een schitterend, droevig, maar ook hoopgevend boek. Het is niet alleen kommer en kwel. Het toont ook aan hoe dicht geliefden elkaar kunnen naderen in zo’n fataal ziekteproces. Liefde is sterker dan de dood.

    Het overlijden van mijn vrienden heeft minder impact op mijn dagelijks leven, dat staat niet stil. Geregeld schiet mij een herinnering aan één van hen te binnen. Als Ajax voor de Champions League speelt, mis ik het appcontact met de ene vriend. Ik denk aan een wedstrijd in het afgelopen voorjaar. Ajax speelde tegen het Brusselse Royal Union St Gilles. De wedstrijd werd gespeeld in het stadion in Brussel waarvan de grasmat zo kaal was dat het wel een zandbak leek. Mijn vriend appte dat het knap van Ajax was om drie punten mee te nemen uit die zandbak. Waarop ik terug appte dat Ajax de tweede helft prima had gevoetbald in de Sahara. Na enkele ogenblikken schreef hij: ‘Kun je toch zien dat die klimaatsverandering geen onzin is. De Sahara komt steeds dichterbij.’ Het lezen van de app troost me, maakt me zelfs een beetje gelukkig omdat ik zo’n humoristische vriend heb gekend. Meteen denk ik aan een gedicht van Kees van Domselaar.

    ‘Geluk is nooit volledig
    is nooit af
    geluk lijkt een beetje op rouw
    het is nooit helemaal klaar.

     

    Rouwjournaal / Jan Siebelink / De Bezige Bij