• Geen weg terug

    Rudy Kousbroek prees in een van zijn essays in De archeologie van de auto, de 2CV als een wagen die gespeend was van elke pretentie, een vervoermiddel gelijk aan de eenvoud van een keukentafel, bed of koelkast.

    We waren nog nooit zo zorgeloos op vakantie gegaan, er was niets hoog te houden, het was wat het was. Op die laatste mooie zomerdag in augustus stonden we om vijf uur op. Sjorden de koffer op het bagagerek op de kofferklep van de 2CV en zochten met onze voeten een plaats tussen de plastic kledingzakken, proviand en onder stoelen weggestopte slaapzakken. We vertrokken en vroegen ons niet af of het huis goed was afgesloten, of alles wel meegekomen was.  Zoon plugde de minispeakers in op zijn iPhone. Terwijl we de snelweg richting Arnhem opreden vulde David Bowie’s , Ground control to Major Tom de ruimte van het Eendje. ‘Ik heb de landkaart op tafel laten liggen, riep plots de Dochter, kunnen we nog terug?’.
    ‘Er is geen terug.’ zei de bestuurder, en duwde het pookje naar de vierde versnelling.

    Take your protein pills and put your helmet on (gitaarslag: djungdjungdjungdjungdjung), zongen en djungden we. Het geluid van de klapperende raampjes, het wapperende doek boven ons hoofd versterkten het gevoel van onoverwinnelijkheid; For heeeere am I sitting in a tin can. In Maastricht  zochten we naar een NL sticker voor op de Eend. We dwaalden wat en kwamen uit bij Boekhandel De Tribune in de Kapoenstraat. Metershoge boekenkasten langs de wanden, boekentafels in het midden en overal waar een tafeltje kon staan, stond er een. Een grote collectie kunst- en fotoboeken en veel originele Engels-, Frans- en Spaanstalige uitgaven van onder meer Celan, Marques en Woolf. Ik schoof langs de kasten terwijl Mijn lief met een boekverkoper onderhandelde: ‘Kun je er niet een máken dan’. Waarop het onzekere lachje van de boekverkoper klonk: ‘Nu? Ja, Dat zou wel kunnen.’  Van een afstand zag ik hem plaatsnemen achter een computer. Mijn Lief ging, nog net niet in zijn nek hijgend, pal achter hem staan. Hij begon aanwijzingen te geven waarop gegoogeld zou kunnen worden.

    Ik moest iets doorbreken en riep: ‘Dan moet je er wel een boek bij kopen.’ Dat liet ie beter aan mij over, zei hij.
    Ik snakte ondertussen naar een groot literair werk maar raakte verward en koos voor een werkje van een schrijfster die door haar man ‘De schrijver’, aan de kant was gezet. Daar had ze een boek over geschreven. Het was zoiets als op een verjaardag een gebakje moeten kiezen en dan maar een slagroomsoes neemt, die er het smakelijkst uitziet maar nogal kleverig blijkt.

    ’s Avonds misten we bij Bastogne in België een afslag en reden Luxemburg binnen waarvan we nog zo gezegd hadden dat we daar niet heen wilden. De dag daarop begon het te regenen en het hield maar niet op. Regenwater sijpelde door de kieren boven het dashboard en bij de deuren naar binnen. Maar het gaf niet. We hadden een NL sticker en niets te verliezen.

     

  • Vergeten schrijver

    Laatst was ik toevallig op Tirade.nu verzeild geraakt, (hóe toevallig dat ik  daar verzeild raakte weet ik eigenlijk niet, zo nu en dan beland ik daar en vraag me altijd weer af waarom ik niet vaker, zeg maar dagelijks, hier voor een moment of meer verpozing zoek). Elke dag wordt daar een blog geplaatst van wisselende bloggers die lezen als een goed-begin-van-de-dag-verhaaltje. Er staan inmiddels honderden blogs op van meer dan twintig schrijvers.

    Ook Wim Brands schreef een serie blogs voor Tirade.nu. Waaronder een stuk over de journalist en schrijver Eelke de Jong (1935-1987). Een schrijver waarvan gezegd kan worden dat hij niet het soort schrijver is die na zijn dood nog voortleeft. Ik bedoel, zijn boeken worden niet meer herdrukt en in geen enkel literair circuit (met uitzondering van de ingewijden) hoor je meer over hem. Het was goed te lezen dat Brands hem niet vergeten is, (hoewel hij onmiskenbaar tot de ingewijden behoort). Brands beschouwt Eelke de Jong als een van de betere naoorlogse Nederlandse schrijvers. Dat is mooi. Hij had gehoord dat Eelke de Jong eens een verhaal schreef over Jan Arends. En dat dat verhaal door een misverstand in een verhalenbundel van Jan Arends zelf terecht kwam en dat niemand dat ooit opmerkte.

    Dat voorval noemt Brands typerend voor het talent van Eelke de Jong. Al begreep ik niet direct wat hij daar mee bedoelde. Misschien dat Eelke de Jong in de luwte leefde, er niet van hield in het zicht te staan, inwisselbaar bleek. Niet voor niets trok hij zich in de jaren zeventig terugtrok als schaapherder bij Hoog Buurlo. In 1984 (hij woonde inmiddels weer onder de mensen) had ik me ingeschreven voor een schrijfcursus bij Eelke de Jong. De cursus vond plaats in de kelder van een café in het centrum van (off all places) Raalte.

    Eelke de Jong was een boomlange man met een onwaarschijnlijke snor. Hij rookte de ene sigaret na de andere, na afloop werd er steevast nagepraat met een borrel aan de bar. Tijdens die zes avonden dat de cursus duurde, heb ik hem nooit die bar zien verlaten. Wanneer de cursisten aanstalten maakten te vertrekken, plaatste hij nog een bestelling en liet ons met een vriendelijke blik en een knikje van zijn hoofd de late avond ingaan. Ik kan me zomaar voorstellen dat hij daar nog steeds zit. Sigaret in de mond, dichtgeknepen ogen tegen de rook, een borrel voor zich.

    Op de laatste avond dat ik hem zag, zei hij ‘het te laten weten wanneer ik wat af had’. Ik had nooit wat af en kon toen niet weten dat hij er drie jaar later niet meer zou zijn dan alleen nog in mijn boekenkast, waar hij vertegenwoordigd is met De verhalen en De kunst van het lassowerpen. Inderdaad, hij is een van de betere Nederlandstalige kortverhaal schrijvers die ik ken.

     

     


    Inge Meijer is een pseudoniem. Zij schrijft over boeken als steunpilaren en over ontdekkingen die zij doet in de marges van de literatuur.

     

  • Romeinse koorts

    Ik was alleen in mijn zolderkamer met mijn koortsaanvallen. Wanneer de koorts voor een moment geweken was, nam ik de dingen om me heen waar met een klaarheid die ik in het dagelijkse leven ontbeerde. De gordijnen voor het raam, een karaf water naast mijn bed, een drinkglas, een boek; Romeinse koorts van Edith Wharton. Alles lag en stond precies waar het staan en liggen moest,  ik hoefde er niets aan te veranderen. En daar, in dat perfecte beeld, stapte de dokter, die nooit ons huis bezocht, op stevige wandelschoenen mijn zolderkamer binnen.
    Hij stak mij zijn hand toe en zei: ‘Ha, Romeinse koorts. Dat heeft mijn vrouw ook. Goed Boek?’, beide woorden met hoofdletters uitsprekend. Ik zei: ‘Het is Meesterlijk’. Omdat ik het een mooie geste vond, opende ik het boek en las hem, slechts met een enkel kuchen onderbroken, de openingszin van het titelverhaal voor:

    Twee al wat oudere, maar goed verzorgde Amerikaanse dames liepen van het tafeltje waaraan zij de lunch hadden genoten naar de overkant van het imposante terras van  het Romeinse restaurant, waar ze, leunend op de balustrade, elkaar even aankeken en toen met eenzelfde blik van onbepaalde maar welwillende goedkeuring uitzagen over de uitgestrekte pracht van de Palatijn en het Forum.

    ‘Hm, hm,’ humde de dokter, ‘prachtige zin,’ waarna hij zich vervolgens afvroeg hoe een blik van ‘onbepaalde maar welwillende goedkeuring’ er uitziet. ‘Ja’, zei ik, ‘dat kunt u zich nu wel afvragen maar het mooiste is om je bij zulke zinnen niets af te vragen. Ze er gewoon te laten zijn.’ ‘Ah, ik zie het al, zei de dokter. Dit is duidelijk een geval van grensvervagende observaties.’ Het duizelde me  en ik liet me achterover in de kussens zakken. De dokter greep mijn koortsige hand en telde mijn polsslag waarna hij vervolgde: ‘Niemand geniet van lange openingszinnen. Ik voor mijzelf, ik houd er wel van. Mijn vrouw ook, vermoed ik, maar in mijn praktijk en kennissenkring ken ik niemand die het heeft op lange zinnen. Het moet tegenwoordig allemaal kort en vooral niets verbloemend zijn. Zodat er aan eigen beeldvorming niets hoeft te worden overgelaten.’ Hij nam Romeinse koorts ter hand en las me op zijn beurt een passage voor,… tot ik door slaap overmand werd.

    Ik ontwaakte opnieuw toen Mijn lief binnenkwam met een kommetje yoghurt. Ik vertelde hem over de lange vriendschap tussen twee oudere Amerikaanse dames. Dat ze die hele vriendschap lang een ernstig geheim, ieder voor zich, met zich meegedragen hadden. Dat het verhaal zo Meesterlijk goed in elkaar zat. En dat een lange zin je de tijd geeft om het beeld dat opgebouwd wordt en weer  verandert, waar heden, verleden en toekomst in verborgen zit, in eigen tempo kunt laten ontstaan. En dat de vrouw van de dokter ook Romeinse koorts heeft…. Hij legde een koud washandje op mijn voorhoofd en vroeg: ‘Welke dokter?’

     


    Inge Meijer (een pseudoniem) schrijft over boeken als steunpilaren in haar dagelijkse bestaan en over ontdekkingen die zij doet in de marges van de literatuur.

     

     

  • Joseph Roth en de wachtkamer

    ‘Wie leest, doet geen kwaad’, of, ‘elke dag zonder lach is een verloren dag’. Oneliners van mijn vader. Daar moest ik aan denken toen ik in de wachtkamer van de afdeling dagbehandeling in het ziekenhuis zat. Wachtend op mijn kleine vriendin die een ingreep moest ondergaan, (waar ik het verder niet over kan hebben), waarvoor ze onder volledige narcose moest. Voor ik de deur uitging, pakte ik nog snel het boek Job, het verhaal van een simpel man, van Joseph Roth uit de kast. Om het wachten wat te helpen. Het was een komen en gaan in de wachtkamer. Mensen namen plaats, waarna ze om beurt werden opgehaald en gehuld in en lichtblauw operatiehesje in een bed op wieltjes plaatsnamen en richting OK gingen. Er kwam een door de zon gebruind en gelooid echtpaar met vriendelijke gezichten en grijze krullen de wachtkamer binnen. Het leek of ze hun verblijf in een van de zuidelijk gelegen pensionado gebieden even hadden onderbroken voor een opname op de dagbehandeling in eigen land. De gebruinde vrouw nam plaats en wilde het duidelijk wél over haar ingreep hebben. Net als de anderen die in de dagbehandelingswachtkamer zaten.

    Alleen mijn kleine vriendin niet. En dat prees ik in haar. De gebruinde man roffelende met zijn vingers op de leuningen van zijn stoel terwijl hij de ruimte met weidse blik rondging. Zijn vrouw merkte met een schok dat ze de tijd vergeten was en of hij die bij zich had. De gebruinde man roffelde: ‘Waar geen tijd is, is geen haast.’
    Ik moest aan mijn vader denken. Hij kon een rappe versie van De Radetzkymars van Johan Strauss met zijn vingers roffelen: tadadam tadadam tadadamtamtam… Zijn neiging tot vingertrommelen was verworden tot een hardnekkig deuntje dat hij niet meer uit zijn vingers kreeg. Die andere Radetzkymarsch van Joseph Roth uit zijn boekenkast was sinds een jaar of tien in mijn bezit. Mijn vader was een stille man die een met zijn boeken was.

    In de roman Job, het verhaal van een simpel man wordt Mendel Singer voortdurend door zijn vrouw op zijn kop gezeten. De liefde tussen hen was zo koud als de winters in die tijd. Mendel verliest alles, zijn vrouw en zijn vier kinderen. Leven in een wereld waarin wat je deed, nooit genoeg was. Mijn vader had het tenminste goed voor elkaar door aan een boekenkast te bouwen waarachter hij zich verschuilen kon.
    Een verpleger kwam me halen om mijn kleine vriendin van de OK op te halen. Ik stopte Job in mijn tas, liep door de klapdeuren de steriele ruimte binnen. Toen ze me zag aankomen, vertrok haar gezicht tot een smartelijk huilen. Waarna ze prompt begon te lachen, te lachen… zo blij was ze mij te zien, en dat het voorbij was. Ook deze dag was weer gewonnen.

     

     


    Inge Meijer is een pseudoniem. Zij schrijft over boeken als steunpilaren van het leven en over de ontdekkingen die zij doet in de marges van de literatuur.

  • Liefdesgedicht

    Vrouwen en de liefde zijn niet eenvoudig te verenigen. Ze zijn kritisch, of noem het onzeker. Dat doet de liefde geen goed. Ik dacht er alles van te weten. Ik wist niets van degene die al die kritische noten (je drinkt teveel, je verrast me nooit, snurkt en dus: je houdt niet van me) moet zien te kraken. Het zijn nogal veel noten die in het vrouwelijke liefdeslied verwerkt zijn. Maar eerst was ik op weg naar een gesprek met een psycholoog. Nadat ik driemaal had aangebeld, er verder niets gebeurde, begreep ik dat ik mij in de week moest hebben vergist. Ik stak het marktplein over, zag onder ogen dat ik nog een week moest zien door te komen met ongelukkig zijn.

    Toen had ik de nieuwe Tirade nog niet gelezen. Waarin Ilja Leonard Pfeijffer die andere kant, de bekritiseerde kant, verwoordt in een liefdesgedicht. Met: ‘Wat ik je eerder eigenlijk had willen zeggen’, begint het gedicht waarin de hij ‘als radeloos ontvolkt gehucht kapotgeschoten’ achterblijft.  In dezelfde editie verklaart Maartje Wortel dat zij niet gelooft in de liefde. En dat beschrijft ze zo liefdevol  dat je de liefde zo bij het grof vuil wilt zetten. Maar dat had ik allemaal nog niet gelezen.

    Ik stond inmiddels in een Koffiebranderij waar ik maar niet kon kiezen tussen een pond Java bonen (zwaar, aromatisch) of Nicaragua bonen (licht, mild). Naast me, aan een cafétafeltje, hoorde ik een doorrookte stem zeggen: ‘’Ik mag het eigenlijk niet zeggen. Maar ik weet dat er subsidie voor is.’ Er zaten twee vrouwen aan het tafeltje. Die met de doorrookte stem had een flink ontwikkelde neus. Tegenover haar een tengere vrouw in een onmogelijke jas van aan elkaar gelapte stukjes bont. Een serveerster met dienstbare glimlach nam hun bestelling op. Toen ze zich verwijderd had, zei de ontwikkelde neus, terwijl ze een vaasje met tulpen resoluut opzij schoof, handen over de tafel naar voren stak: ‘Kunnen we samen niet iets doen. ‘ Met de nadruk op ‘doen’. Ze keek de Koffiebranderij rond alvorens verder te gaan. ‘Er was een zwakbegaafde vrouw die een kind kreeg en het in de kast legde, voor later. Het was geen opzet. Het kind ging dood. Ze werd veroordeeld tot negen jaar gevangenisstraf.’ Beiden weken iets naar achteren toen koffie en scones werden bezorgd door de dienstbare glimlach. Het stellige, ‘Kunnen we dáár niet iets mee’, overlapte de aarzelende opmerking van de onmogelijke jas: ‘Meen dat het negen maanden waren…’. En toen, ‘Oké’, piepte. Waarop  de ontwikkelde neus uitriep: ‘Zullen we gaan brainstormen!’

    Ik schrok ervan, koos prompt voor de Nicaragua bonen. Aan het tafeltje werden suikerzakjes opengescheurd, tikten lepeltjes door koffiekopjes, werden scones gehalveerd, met room en jam bedekt, vingertoppen afgelikt. En gezwegen. Wat Pfeijffer, (in het gedicht waarin hij verlaten wordt door zijn lief en dat ik vond toen ik thuis kwam), altijd nog had willen zeggen was niet dat hij van haar houdt, want dát had hij al gezegd. Wat hij had willen zeggen was: ‘Sorry. Ik voldoe niet aan je beeld van mij. (…) Jij hebt mij verkeerd verzonnen.’ Ik had opeens behoeft aan een brainstorm, met mijzelf. Dacht aan Maartje Wortels, visie. Dat liefde niet bestaat, dat geluk en liefde nu eenmaal niets met elkaar gemeen hebben. 

     

     

  • De bijna knipoog

    Het was in Utrecht dat ik hem wel eens tegenkwam. Steeds deed ik mijn best hem niet te herkennen door weg te kijken op het juiste moment en zelf niet herkend te worden. De eerste keer was in Lombok, in de Kanaalstraat. Er liep een kind aan zijn hand mee. Wij hadden net vanillevla gekocht, mijn dochter, net student aan, en ik. Er werden vluchtige blikken uitgewisseld en ik boog naar mijn dochter en zei: ‘Die ken ik!’ Maar ik kende hem natuurlijk niet echt. Bevriend op Facebook maakt nog geen kennis, laat staan een vriend. Er waren nooit handen geschud of namen uitgewisseld.

    De tweede keer was tijdens een festival. Onze wegen kruisten elkaar in een stroom van mensen die op weg waren naar een lezing. Ik vermoedde dat hij op weg was naar een optreden van de dichter Stephen James Smith. Daar kon ik me wel iets bij voorstellen, de vrijmoedige Ierse dichter en deze Facebookvriend. Onze blikken botsten nu, bij wijze van spreken, voor een moment tegen elkaar op. Waarop ik mij plotseling omdraaide naar mijn buurvrouw van twee deuren verder die mij vergezelde. Alsof we in een conversatie verwikkeld waren. Die was er niet maar ik begon er snel een. Zo moeilijk is dat niet. Je draait je naar de ander toe en begint te praten. Ik zei, een beetje druk, dat wel: ‘Zeg, zullen we eerst even wat te drinken halen. En moet jij ook naar het toilet?’ Dat was afdoende om te doen alsof je iemand niet had gezien. Tegelijk was het dodelijk en ik stelde me voor wat mijn Kleine Vriendin in zo’n geval zou doen. Ze zou iemand die ze van Facebook kende en in het echt zou tegenkomen, met stralende ogen tegemoet treden alsof het haar lievelings-neef was die ze lang niet had gezien. Er zou een grote lach op haar gezicht verschijnen en de kuiltjes zouden in haar beide wangen glippen. Ze zou: ‘Héé, halloo! Hoe gaat het?’, roepen. Maar goed, ik had niet van die stralende ogen. Ik was ook niet zo van ‘Héé halloo hoe gaat het’.

    En nu hadden onze blikken zich aan elkaar vergrepen. Er was aan zijn linkeroog iets van een knipoog te zien. Gek genoeg voelde ik dat mijn oog ook licht toegeknepen werd, als een reflex op zijn (net niet) knipoog. De derde keer was nadat ik in een winkeltje Egyptisch aardewerk had gekocht en waarvan de eigenaresse met een Kroatisch accent me meedeelde dat er alleen maar intelligente mensen in haar winkel kwamen. En dat, omdat ik over dagblad De Telegraaf, waarmee ze het aardewerk inpakte, had gezegd dat deze krant zeer  geschikt was als inpakpapier. Waarop ze luid lachte met een zwaar, Kroatisch volume. Ze vertelde in één adem door dat Arduur Gapin (Arthur Japin? Ja, Arduur Gapin) laatst bij haar in de winkel was geweest en dat ze wel een uur met hem had gesproken, want ook zij schreef aan een boek. Gevleid door zoveel verheffende mededeelzaamheid, ging ik de straat weer op. En daar fietste hij me in een rood jasje tegemoet en vervolgens voorbij. Had ik die bijna knipoog van zijn linkeroog waargenomen.

     

     

  • Kiespijn

    Het was maandagmorgen en de lente maakte veel goed, zo niet alles. Ik was op weg naar de tandarts, gedreven door kiespijn. Aan de overkant van de straat scheen uitbundig de zon, daar liep een man op de stoep die moeizaam vooruit kwam. Hij droeg een grijze wollen trui, een afhangende spijkerbroek. Het schurende geluid van stugge spijkerstof dat over de ruwe stenen sleepte, bezorgde me rillingen. Ik zette mijn fiets tegen de muur, bleef even staan, om de man aan de overkant op de rug gezien, na te kijken. Hoe hij daar voortging, traag, verslagen. Nu wreef hij met beide handen over zijn gelaat. Heftig, alsof er een boze droom verdreven moest worden. De man aan de overkant had vast alles en iedereen die hij liefhad verlaten. Zomaar, omdat hij niet anders kon. Mijn tandarts kende ik nog niet.

    Sinds ik in het dorp dat aan de rand van de Veluwe ligt, woon, had ik hem nog nooit bezocht. In het weekend had ik zijn stem op zijn antwoordapparaat gehoord. Een wat rochelende stem, die klonk alsof hij zijn keel moest schrapen. Hij deed zijn best het niet zover te laten komen. Hij sprak zijn boodschap, met steeds schordere stem, helemaal uit. Ik begreep dat ik niet bij hem terecht kon, of ik moest een noodgeval zijn. Maar dat was ik niet. Ik hield de kans een ‘noodgeval’ te worden op afstand door me terug te trekken in mijn werkkamer. Door in Rug aan rug van Julia Franck te lezen (dat me in een trance-achtige staat bracht), geregeld een paracetamol te slikken, meer glazen wijn dan ik gewoon was te drinken. Ik hield het wel uit. Tot maandagmorgen. Gek genoeg bracht het wrange verhaal over de twee aan zichzelf overgelaten Duitse kinderen in een uiteengeslagen land van kort na de oorlog, me een bepaald soort sereniteit.

    Het schuren van spijkerstof over de ruwe stoeptegels, verergerde de zenuwpijn. Het leven van de kinderen Thomas en Ella, die zonder enige bescherming opgroeiden in het communistische Oost-Berlijn eind jaren vijftig, maakte de pijn draaglijker. Alles kon altijd nog erger. Als een doekje tegen het bloeden, pijn gestelpt met ellende en pijn van anderen. De tandarts ging op blote voeten in klompschoenen. Of waren dit nu crocs? Op zijn neus groeide een plukje haar. Hij had een mooie neus en dat plukje misstond hem niet eens. Terwijl hij schrapend en borend met metalen werktuigen mijn kies bewerkte, dacht ik aan de man in de grijze slobbertrui die in die  stille straat in het zonlicht had gelopen. Zo je al overgevoelig kunt zijn voor elke mate van geluk, dan was deze man het wel. Dat had ik aan zijn smalle rug gezien. Toen werd ik afgeleid door het plukje haar op de neusrug van mijn tandarts. Het leidde me af van de reden waarom ik hier was.

     

  • Ik dacht, ik moest…

    Het was zondag en ik moest naar Zwolle. Tenminste, dat dacht ik. Ik liet een mooie verzameling vuile vaat op de keukentafel en het aanrecht achter en drukte mijn dochter, mijn kleine vriendin en haar huisgenoot op het hart de achterdeur goed af te sluiten voor als ze van plan waren nog ergens heen te gaan. Ik trapte, met wind tegen, negen kilometer naar het dichtst bijzijnde station. Onderweg alleen een paar fietsende gezinnen, een enkele auto, ongetwijfeld op weg naar vrienden of familie, voor een zondagse borrel en vermaak voor de kinderen. Maar ik moest naar Zwolle, tenminste, dat dacht ik. Het was de laatste dag van de Boekenweek en ik had er nog niets aan gedaan.

    Niet met Tommy Wieringa in een bootje de IJssel afgevaren terwijl hij voorlas en niet op het boekenbal voor lezers in Leeuwarden geweest. Benali en Van Dis was ik nergens tegengekomen. En voor Maartje Wortel, die met Franca Treur in de bibliotheek van Wageningen wachtte, was het al te laat. Dus ging ik naar Zwolle want het was vrij reizen. Ik dacht aan Boekhandel Waanders die de Broerenkerk had ingenomen. Er zouden wellicht een handvol dichters uit eigen werk voordragen, al had ik op internet niet zo snel iets daarover gevonden. Bij de boekenkiosk op het station koos ik willekeurig, of nee, eigenlijk deed de afbeelding van The Russian Tea Room van Beryl Cook op de cover, me het boek pakken, Gigengacks reizen, van Nelleke Noordervliet. Daarbij kreeg ik op de valreep van de Boekenweek, het boekenweekgeschenk. Op het perron vermaakte ik me direct al met mevrouw Gigengack die zich heeft voorgenomen het leven een stap voor te blijven. ‘Reizen’ zegt mevrouw Gigengack pertinent, ‘is uitstel van ouderdom’. Een mooie variant op ‘wie veel in beweging is, blijft  jong’.

    In de trein wisselde ik Gigengacks reizen in voor Een mooie jonge vrouw toen de conducteur naderde. De conducteur liep langzaam, haast statig en knikkend met zijn hoofd naar links, en naar rechts en weer naar links. Zonder problemen naderden we Zwolle. Daar liep ik langs de gracht, ging via de Sassenpoort en de Walstraat naar het Broerenkerkplein. De stad toonde zich verlaten. Een lichte windvlaag ging voor me uit, door lege straten. Een fietser, erop uit gestuurd met een kind voor in het stuurzitje, fietste over het plein. De Broerenkerk was gesloten. Geen boek, geen dichter zag ik. Door naar de Blijmarkt, waar Paleis Museum De Fundatie in volle glorie aan de stoep lag. De gastvrouw achter de ontvangstbalie staarde vermoeid langs me heen, terwijl ze het geld in ontvangst nam en  me het toegangsbewijs overhandigde. Terwijl ik van Turner naar Appel liep, en langs de landschappen van Jan Voerman, hoorde ik twee suppoosten verzuchten dat er die dag 2000 bezoekers het museum waren binnengekomen. Dat het gekkenwerk was en dat ze hoopten dat ze allemaal om vijf uur stipt het museum weer hadden verlaten. Want het was zondag, en ze hadden het wel gehad.  Ik wist opeens niet meer waarom ik zo nodig naar Zwolle moest.

     

  • Troost gezocht

    Ik zat op een rode driezitsbank in een van de gefingeerde woonkamers bij Ikea en dacht aan Leo Vroman. ‘Bij zijn leven kon hij zo over de dood schrijven dat je er bijna zin in kreeg’. Een zin waarmee Rob Schouten de dichter Vroman op treffende wijze memoreerde in een van zijn columns. Een tijd geleden zag ik met Mijn lief, die nu even Mijn lief niet is maar morgen vast weer wel, naar de documentaire over het leven van het echtpaar Vroman. We keken in gezegende stilte. Alsof we weer kind waren en een sprookje voorgeschoteld kregen waarin dingen gebeuren die je niet voor mogelijk houdt. En na afloop verzuchtten we: ‘Zo oud te worden.’

    Een behoefte sterker dan mezelf had me naar Ikea gedreven. We gingen samen onderweg, ik en Mijn lief, die nu even Mijn lief niet is, want we belandden in een belachelijke woordenwisseling. Ik visualiseerde me een plaatje uit de catalogus van Ikea. Een bank en plafondhoge boekenkasten met glazen deuren, een keuken met wit porseleinen spoelbakken en glimmende kranen. Ik liet me afzetten op de parkeerplaats en keek niet meer om. Bij de ingang stuitte ik op een bak vol met langwerpige witte plastic dingen met gekartelde ronde openingen; een organizer voor plastic zakken. Dat iemand daarover had nagedacht vond ik opmerkelijk.

    Thijs Wolzak zoekt wekelijks, voor de fotorubriek Binnenkijken in het NRC, naar design uit ‘de woonwinkel die een oplossing weet voor alle woonproblemen’. Er is weleens een lamp, een eettafel of staande afwasborstel op een aanrecht gespot. Op de standaardvraag: ‘Wat van Ikea’, wordt niet zelden ‘Niets’ ingevuld. En dat staat er dan, zo trots als een pauw. De verleiding steeds weerstaan. Waarbij soms, als opnieuw naar het plaatje gekeken wordt, het vermoeden rijst, dat er heimelijk iets weggeborgen is, voordat Wolzak zijn foto kwam nemen.

    Ondertussen zat ik nog steeds op die rode bank en zag aan de andere kant van het gangpad hoe een man de rugleuning van een eettafelstoel stevig vastpakte en eraan begon te duwen en te trekken. Waarna hij erop ging zitten, wiebelde met zijn bovenlijf woest heen en weer. Een vrouw, wat wel zijn vrouw moest zijn, probeerde hem ervan af te houden. Gegeneerd liep ze achter hem aan een volgende eethoek binnen. Ik kan me niet voorstellen dat Vroman en zijn Tineke ooit ruzie hebben gemaakt, of zich voor elkaar geschaamd hebben. Steeds zag je dat lieve tussen hen, dat krachtige zachtmoedige dat nooit wee werd.

    Vorig jaar waren ze, via skype, te zien tijdens de Nacht van de Poëzie. De hoofden naar elkaar toegenegen, dicht op de webcam, terwijl hij haar liet kiezen welk gedicht hij zou voordragen. Over en moordenaar ging het, die het leven niet gekend had, en over een levensvrije toekomst en ‘mijn dood ligt veilig achter mij’. Waarop gevraagd werd ‘hoe het dan met het leven moest’. En Vroman licht schouderophalend  zei: ‘Nou, gewoon. Leven.’ Troost was wat ik nodig had.

     

     

  • Het was niets

    Ik kom altijd met een boek thuis. Ook als ik  kleren of andere dingen nodig heb, kom ik met een boek thuis. Het is iets dat met me op de loop gaat en dan is het beter thuis te blijven. Maar deze februari-ochtend, moest ik de deur uit omdat mijn kleine vriendin een nieuwe werkplek had gevonden en ze de weg erheen nog niet kende. Toen we vanuit het station de stad inliepen regende het, een zwaar wolkendek hing boven de huizen. Mijn kleine vriendin zette er flink de pas in, niet om de regen, die leek haar niet te raken, maar omdat ze zich verheugde op wat het ‘nieuwe’ haar zou brengen. Ik kon haar amper bijhouden. We kwamen op tijd aan, ze ging naar binnen. Ik mocht wel gaan. Dicht langs de gevels van de stad, om uit de regenval te blijven, liep ik over donker glimmende stoeptegels tot ik moest uitwijken voor een geopend kelderluik. Een man in een geribd colbert droeg een zware boekendoos vanuit een auto de kelder in. Ik vroeg of er nog iets bijzonders tussen zat en of ik even mocht kijken. ‘Ga je gang’, zei de man en ik daalde de trap af, de kelder in.

    Langs de vochtige muren stonden schragentafels met boeken. Ik werd aangetrokken door een in zwart en wit gecoverd boek met de titel Nada, van Carmen Laforet. Een vertaalde roman met een Spaanse titel, waarvan ik de schrijfster niet kende. De gebonden uitgave liet zich met een lichte tegendruk  openvouwen, ik las de eerste zin, Vanwege moeilijkheden op het laatste moment om kaartjes te bemachtigen kwam ik rond middernacht in Barcelona aan, met een andere trein dan ik had aangekondigd, en er stond niemand op me te wachten.’
    Eenzaamheid, maar ook doortastendheid spraken uit deze eerste zin. Een roman over het leven van de wees en adolescent Andrea, in het jaar direct na de Spaanse Burgeroorlog (1936-1939). Een ontwikkelingsroman vol rauw verzet waarin geluk geen optie is. ‘Dit boek heb ik nodig’, zei ik tegen de man in het geribde colbert. Hij vroeg er drie euro voor.

    Het meisje van de lege lunchroom, nam mijn bestelling op. In afwachting bekeek ik de mooie rokende vrouw op het omslag van Nada. Toen kwam er een man met donkere krullen en een intelligent gezicht de lunchroom binnen. Met een krachtige, indringende blik keek hij me verwachtingsvol aan, alsof hij me naar zich toe wilde trekken. Opeens leek de lunchroom te klein, ik wist niet waar ik kijken moest, sloeg het boek op een willekeurige plek open, en las ‘Román glimlachte naar me en streelde me over mijn wangen; daarna verliet hij rustig de kamer (…).’ Toen ik weer opkeek, stond het meisje van de lunchroom voor me. Ze glimlachte, zette een cappuccino voor me neer. En ik dacht, het is niets.

     


    Inge Meijer is een pseudoniem, rommelt met boeken en schrijft over ontdekkingen aan de randen van de literatuur.

  • What’s in a name

    Vanmorgen liep ik een boekhandel binnen. Ik had geen paraplu nodig, of leesbril. Ik zocht een boek. Dat kon gelukkig in deze boekhandel. Het winkeltje lag aan een rustige winkelstraat waar, op het uitwaaierende geroep van voorbij fietsende scholieren en het rammelen van de winkeldeur die ik opentrok, verder niets te horen was. Bij binnenkomst stond daar als een blok de toonbank, vol papierwerk, boekjes, boeken, folders en een hoge kassa. Links lag de winkel als een open boek voor me. Boeken aan mijn voeten en boven mijn hoofd. Daartussen een smal pad dat langs boeken voerde die op kuithoogte lagen. Achter me een hoog opgetaste boekentafel. Rustig aan nu. Denk, denk om de rugzak. Draai met beleid en stoot nergens tegen aan. Bukken om, naar zal blijken, de zesde druk van Sylvia Plath’s De glazen stolp, naar me toe te halen.

    Vanuit een nis onder de trap die zich halverwege de winkel bevindt, klinkt een goedemorgen. En of ik het vinden kan. ‘Jaja, neenee’, zeg ik en sla het boek van Plath open. De boekhandelaar treedt uit zijn nis naar voren. Een echte boekhandelaar, beetje raar haar, plat op zijn hoofd, bril op zijn neus, niets bijzonders. ‘En, vraag ik, bent u blij dat het doek voor Polare gevallen is?’ Gelijk ik de naam uitspreek wordt er in mijn hoofd een gitaar aangeslagen. ‘Kreeg u zoiets als: eigen schuld dikke bult en ik had het wel gedacht?’ ‘Tjsa’, zei de boekhandelaar die een echte romanticus bleek: ‘die groots opgezette boekhandels kijken naar kopers maar vergeten de lezers. Deze stad kent geen Polare’, vervolgde de boekhandelaar grijnzend. Een hese stem zong in mijn hoofd: ‘Volare oho, cantaré oho ho ho’. Ik kon er niets aan doen. Zo gauw ik Polare hoor, denk of een vestiging binnenloop, gaan de Gipsy Kings los in mijn hoofd. Niet dat het er iets mee te maken heeft. Die opzwepende vurigheid bezat Polare helemaal niet. What’s in a name? In die van Polare dus niets. Echte boekenwinkels varen wel onder namen als Someren & Ten Bosch, Lovink, Nawijn & Polak, Athenaeum, Schimmelpennink. En daar staat dan Boekhandel voor, of achter. Weet je gelijk waar je aan toe bent.
    Ik stond nog met De glazen stolp in mijn handen en las de eerste zin die een hoop in me losmaakte:

    ‘Het was een merkwaardige snikhete zomer, de zomer dat ze de Rosenbergs elektrocuteerden, en ik was in New York, en wist niet wat ik er deed.’ De hitte was voelbaar, blote voeten over smeltende teerwegen en de dreiging van het onbevattelijke. En dat je dan niet weet wat je daar doet. Maar ook niet weg gaat. Bij de kassa zei de boekhandelaar, nog steeds grijnzend: ‘Een klant vertelde me laatst dat als hij bij Polare rondliep, hij subiet niet meer wist wat hij er deed. Merkwaardig niet?’ Volare, oho, cantaré oho ho ho, ging het in mijn hoofd terwijl ik toekeek hoe de boekhandelaar het boek met papier omwikkelde en vakkundig dichtplakte.

     

  • De getergde dichter

    Laat ik het hebben over een vergeten stad waar een getergde dichter woont (die liever muzikant was), die op een scooter zijn reisfobie tracht te overwinnen en van dit alles poëzie maakt. En over de groupie in mij die achter de getergde dichter aansurft tijdens zijn tour langs virtuele podia. Geen sex, drugs & rock ‘n’ roll groupie die steevast eindigt in de porno-industrie (volgens wikipedia) maar de eigentijdse. Surfend van blog naar blog waar de bundel Ademhalen onder de maan van hand tot hand ging en nu in enigszins beduimelde staat bij mij op tafel ligt. De sporen van bewondering en teleurstelling zijn gelegd, het oordeel is geveld.

    Als bundel werd het werk van de getergde dichter vergeleken met de uitstraling van een gemeentefolder of juist geprezen om dat ene gedicht dat nu net niet van de getergde dichter zelf was. Een ander prees zijn bundel als perfect waarna het verwijt (waarom niet eerder zo gedicht, was de getergde dichter soms te lui, te ongeduldig geweest?) direct toesloeg. En ach, de getergde dichter werd steeds getergder en zoals het een goed dichter betaamt schreeuwde hij met opeengeperste lippen: ‘Jullie begrijpen er helemaal niets van, laat me met rust’. Maar toen hij zijn lippen van elkaar deed en zijn mond opende kwam daar het verraderlijk vage: ‘Waarschijnlijk zit er wel wat in je kritiek’.

    Als groupie ter plaatse had ik hem een flinke borrel geschonken en hem het zelfvertrouwen van een klassiek dichter laten ervaren. Wat dit dan ook mag inhouden, zeker is dat aan ondermijnende kritiek, hoe licht ook, niet werd toegeven. De dichter hoeft niemand te vriend te houden. Een getergde dichter moet een beetje sarren en stoken. Dat is goed voor het vuur.

    De getergde dichter schreef een bundel vereenzamende en tevreden makende poëzie. Tevredenheid en eenzaamheid  gaan hand in hand, een fijn koppel. In eenzaamheid kan de groupie in mij een volstrekt tevreden staat van zijn bereiken. Daar komt geen drugs & rock ‘n’ roll aan te pas. Poëzie waarover een dergelijk fijn sluier van vervreemding ligt dat eenzaamheid zich des te sterker laat gelden, is mij genoeg. Dat is  niet dramatisch. De poëzie van de getergde dichter is aan de werkelijkheid ontleend en daar bevindt zich geen drama in. Zijn werkelijkheid gaat zo diep als hij nodig heeft om te (over)leven. Elke bundel steeds moeilijker te doorgronden. Waar vanuit een haast meditatief schrijven de schrijnende zaken des levens belicht worden; waar doen we het  voor en wat is het doel van dit al.

    Dan wordt het tergender. De bundel wordt geprezen om het gedicht dat niet door de getergde dichter zelf is geschreven maar vertaald. Dat doet denken aan een scène uit het liedje ‘De eerste klant’ van Wim Sonneveld. Over twee geliefden die een winkel
    beginnen maar geen klandizie oogsten. Toen ze ten einde raad waren en hun liefde verbleekte, ‘Toen kwam er een meisje naar binnen/ Een briefje van tien in haar hand/ Die vroeg of de baas dat kon wis’len/ En dat was hun enigste klant.’ De groentewinkel gebruikt als wisselkantoor en de bundel van de getergde dichter als doorgeefluik van een andere dichter.

    Tragisch het lot van de getergde dichter in zijn vergeten stad die verlangd naar (…) roken op bankjes met lotgenoten, roken / wat ik maar tussen vloeipapier kan krijgen, roken / tot elke gedachte is verdampt (…) Je bent zo moe. De wereld is groot / en vol geheimen. Het nest is het beste./ Pas op want ik blijf.’
    Waarmee de reisfobie gesublimeerd wordt en ik, als groupie hem vanachter mijn tafel op de voet zal volgen.

     

     


    Inge Meijer is een pseudoniem, schrijft over ontdekkingen aan de randen van de literatuur.