• De schrijver

    Het komt wel eens voor dat ik geen mensen verdraag. Dat het al teveel is wanneer ze langs mijn keukenraam voorbij lopen. Ik trek dan de voordeur open en roep: ‘U bent de zoveelste vandaag. Kunt u alstublieft ergens anders voorbij gaan lopen.’ En dat de nietsvermoedende wandelaar, ‘Oh, dat spijt me’, zegt, vind ik mooi. Als er zelfs gevraagd wordt of hij door zal lopen of dat ik liever heb dat hij terugloopt, om  het voorbijgaan aan mijn raam ongedaan te maken, kies ik geroerd voor het laatste. Waarop de wandelaar achterwaarts lopend uit beeld verdwijnt. Dat kan in een verhaal. Daarom hou ik meer van verhalen dan van mensen. Verhalen die ontstaan in de ruimte tussen de dingen in.

    Sinds enkele maanden sta ik op de zogenaamde graslijst voor zkv’s van A.L. Snijders. Zo gauw de schrijver een zkv klaar heeft, krijgen wij, die op de lijst staan, dat als eersten onder ogen. Ik geloof graag dat dat een privilege is. Dit weekend ontving ik een zkv getiteld Valérie. Waarbij ik direct aan Amy Winehouse moest denken. Maar die kwam er niet in voor. Het ging over een jongensachtig meisje dat de schrijver in 2002 bij een paasvuur in de Achterhoek zag. Een kind dat licht en springerig rond het vuur bewoog, er onderwijl takken opgooiend. Maar dat even plotseling stil op haar rug in het gras ging liggen, alsof ze dood was. Hoe een vrouw naast het kind ging liggen en zei: ‘Ik wil dezelfde dingen zien als jij.’ Daar schreef de schrijver toen een zkv over.

    Het is dertien jaar later als de schrijver dit voorjaar een boomchirurg laat komen om een berkenboom in te korten. De boomchirurg zegt, ‘U schreef eens een stukje over mijn dochtertje.’ Dat dochtertje is nu 21 jaar en studeert. Door deze ontmoeting is de schrijver opeens het besef van dertien jaren kwijt. Dat lukt je nooit in het echte leven: jaren laten verdwijnen. Maar wel in een verhaal. Ik vond dat prachtig en liet dit per omgaande de schrijver weten. Geen idee of de schrijver zelf achter de mailing zat maar wilde dat wel geloven. Ik ontving die dag nog een zkv. Hoewel die niets van doen had met het voorgaande, verbeeldde ik me dat deze alleen voor mij was. Omdat ik zijn stukje mooi vond en hij in een goede bui was en omdat het zondag was en de schrijver dacht: ‘Vooruit, het mag wel eens een zkv meer zijn.’

    Zo geloof ik ook dat de foto op de cover van Een handige dromer, de schrijver op jonge leeftijd is. Het voegt voor mij een speelsheid toe aan zijn verhalen. En kijkend naar zijn wenkbrauwen op die foto, weet ik dat het een soort wenkbrauwen zijn die nooit zullen stoppen met groeien.

     


    Inge Meijer is een pseudoniem en schrijft over wat ze leest en leeft.

  • Schaakmat

    Het kan wel eens gebeuren dat de communicatie stagneert. Of dat een gesprek zo vastloopt dat, ware het een schaakpartij geweest, het eindigt in een patstelling. Wat wil zeggen dat je pionnen, lopers, paarden, en andere stukken in beweging brengt in de overtuiging je punt te maken, maar dat uiteindelijk niemand wint. En daar zit je dan. Wás het een schaakspel geweest dan zou je zeggen: ‘Kom, laten we nog een spelletje spelen’. Maar het was geen schaakpartij. Het was een conversatie tussen man en vrouw. Op de bank met een wijntje,  kind noch kraai in de buurt. Tijd voor een goed gesprek, dacht de vrouw. Maar voor ze het wist ging het over de twee lampen boven de tafel.

    Van waar ze zaten, hadden ze goed zicht op de lampen. De vrouw zei: ‘die linkse lamp hangt scheef en ik krijg hem niet recht.’ De man die voor de lampen eigenhandig een gat in het plafond had geboord waaraan hij enig ontzag ontleedde omdat het iets was dat de vrouw (goddank) niet kon, zei, als schoof hij een pion één stap voorwaarts: ‘Oh’. Waarop de vrouw haar paard in stelling bracht en erop los galoppeerde door te zeggen dat het een rommelig zooitje was. Dat hij de lamp gewoon aan het snoer had moeten ophangen zodat het loodrecht naar beneden hing. Nu had hij naast het snoer een staaldraad aan de lamp bevestigd en daar de lamp mee aan het plafond gehangen. De staaldraad was loodrecht maar het snoer lubberde er zo’n beetje langsheen. Diagonaal bewoog de loper over het veld en de man zei: ‘Ik vind het mooi zo’. Toen sleepte de vrouw een toren naar voren, recht en hompig: ‘Maar dat kun je niet mooi vinden. Het is lelijk.’ Een pion rustig een stap vooruitplaatsend, zei de man: ‘Vind ik niet.’

    De vrouw fixeerde haar blik op een boek dat voor hen op tafel lag. Op de cover  van In ogenschouw, Essays over kunst, van Julian Barnes zaten eveneens een man en een vrouw op een bank. Verwikkeld in een amoureuze omstrengeling. ‘Kunst is een sensatie’ zegt Barnes. De man op de bank naast de vrouw die in een doodlopende conversatie was verwikkeld, droeg een versleten werkmansjasje, handen als om tubes verf mee uit te knijpen, penselen en spatels te hanteren.

    De vrouw draaide de wijn rond in haar glas, verstevigde haar greep in een aandrang het door de ruimte te laten suizen. Uit de radio klonk De Matheuspassion van Bach, het Judasgezang: Stehet auf, lasset uns gehen; siehe, er ist da, der mich verrät. Op het moment dat Judas, Jezus zou kussen, zou een licht klingelen van brekend glas weerklinken. De vrouw zag hoe de rode wijn langs de muur droop. Toen nam ze een slok en zei: ‘Dit weekend is het Pasen.’

     

     


    Inge Meijer is een pseudoniem, reist met korting, leest elke dag.

     

  • Leesclub

    Wellicht omdat ik ben opgegroeid in een soort van groepsgebeuren heb ik een hekel aan clubjes. Nooit een kamer voor mezelf gehad. Als jongste ondergesneeuwd door de expansiedrift van oudere broers en zussen. En wat dat allemaal teweeg bracht. Daar word je beschouwend van. We waren met zeven kinderen en een inwonende grootvader. En dan nog mijn ouders. Genoeg om nooit meer lid van een club te willen worden. Toch beklom ik op een doordeweekse ochtend de trap naar de bovenverdieping van een vrij jonge boekhandel in Arnhem. Tussen de ruim opgezette boekentafels en lange wanden vol boeken zaten zeven vrouwen rond een tafel. Er was een staande kapstok, een bijzettafeltje en thermoskannen met koffie en thee. Nee, geen koekjes.

    We hadden elkaar hiervoor één keer ontmoet. Om de boeken te kiezen en de data te plannen. Toen we uit elkaar gingen waren we een leesclub. Zo gaat dat. Dat was zes weken geleden. Mijn neiging af te zeggen (boek niet uit, geen tijd ) onderdrukte ik. Want ik was contactpersoon. Hoe dat zo gekomen was weet ik niet meer. De helleveeg van A.F.Th. van der Heijden lag in meervoud op tafel. Ik pakte mijn exemplaar erbij. Tussen de bladzijden die ik tijdens het lezen van belang achtte, had ik gekleurde strookjes papier gestoken. Belangrijke dingen vervliegen snel tot onbeduidende dingen zo gauw je ze kenbaar wilt maken. Zo ging het ook deze ochtend.

    We schreven onze namen op dubbelgevouwen A-viertjes en zetten die voor ons neer. Zo wisten we wie we waren. Toen zei iemand, ik keek op het dubbelgevouwen papiertje en zag dat ze Lieke heette. ‘Wat een afschuwelijk boek was het’. Ze kneep daarbij haar ogen dicht en schudde haar bovenlijf alsof ze het koud had. ‘Ik vond het taalgebruik zo grof’, voegde de vrouw die Annet op haar briefje geschreven had, eraan toe. ‘Zo ga je toch niet met elkaar om.’ ‘Vergeet niet dat het in de jaren vijftig/zestig speelde’, zei iemand waarvan ik de naam niet kon lezen. ‘Ja, maar dan hoef je toch niet zo’n grove taal te gebruiken’, zei Lieke weer. Zo ging het een tijdje door. Er was geen enkele compassie met de hoofdpersoon, tante Tiny. Altijd met haar poetsdoek in de weer. Altijd haar gelijk halend bij haar familie die ze de schuld gaf van haar mislukte leven.

    Het was eigenlijk een nogal hilarisch boek. Er sprak veel droefheid der dingen uit. Over gangen van zaken die geen keer nemen. Toen vertelde iemand dat toen ze op achtjarige leeftijd haar drie jaar jongere broertje verloor aan hersenvliesontsteking, haar moeder haar op het hart drukte vooral niets op school te zeggen. ‘Wat afschuwelijk’,  klonk het weer. Het was in dezelfde tijd waarin Tiny uit het boek opgroeide. Ook in Tiny’s leven was een geheim. Iets met misbruik door een huisvriend. Haar ouders hadden haar verboden hier iets over te zeggen. Zwijgen. Dat deden ze in die jaren. En vooral geen vuile was buiten hangen. Altijd bang voor de buren. Ja, toen wisten we het weer. Dat afschuwelijke boek viel toen eigenlijk wel mee. Het was gewoon zoals het was geweest.

     

     


    Inge Meijer is een pseudoniem en een onophoudelijk lezer.

  • Verzamellust

    Ik was in de kantine van de Universiteit voor Humanistiek verzeild geraakt. Het was in de week dat Remco Campert de Prijs der Nederlandse Letteren kreeg toegekend en ik besloten had dat als ik van één schrijver al zijn werk zou willen hebben, hij het is.
    In de kantine zaten drie studenten. Eén van hen was winnaar van de Poetry Slam van dit jaar. Op de tafel stond (of lag) een laptop, nergens een boek. ‘… tijd in ledigheid doorbrengen’, flitste er even door me heen. Maar ik wist wel beter. Ik werd aan de winnaar voorgesteld en zei, terwijl we handen schudden: ‘Ik ken je. Jij hebt de Poetry Slam gewonnen!’  Hij lachte en knikte met zijn hoofd en zei:’Ja, ja, ja, terwijl hij bleef knikken en lachen. Hij kende mij niet, vanzelfsprekend niet. Want zo gaat dat, treed je op dan zijn alle ogen op jou gericht, maar jij ziet niemand. Hij zag er eerlijk gezegd niet echt uit als iemand waarvan je verwachten kon dat hij zijn mannetje zou staan tijdens een poetry slam battle. Toch heeft hij gewonnen. Zijn gezicht verschoot van kleur en hij zakte nog wat meer onderuit op zijn stoel. Daar werd ik weer verlegen van. Verlegenheid werkt aanstekelijk, net als gapen.

    Ik lachte en knikte naar bekenden van degene die me hier had gebracht. We kwamen voor de ruilkast. In die kast, gemaakt van oude houten kistjes, bieden studenten hun overbodige boeken aan. Die kunnen dan geruild worden voor een ander boek. Zo blijft de kast gevuld en wordt kennis en literatuur kosteloos verspreid. Er stonden niet veel boeken, de kast was ook niet zo groot. Het was even zoeken maar daar, tussen een boekenweekgeschenk geschreven door Joost Zwagerman, en De pest van Albert Camus, lichtte iets op. De bundel Alle bundels gedichten van Campert stond daar. Ik kreeg het warm. Dit was de eenmalige editie die ter ere van de aan hem toegekende P.C. Hooftprijs in 1976 werd uitgegeven. Bij antiquariaat Kok in Amsterdam kost een gesigneerd exemplaar 20 euro. Het exemplaar dat hier als ruilobject stond was ongesigneerd. Ik genoot de onzuivere privileges als moeder van een student en mocht het zonder inruil meenemen. maar omdat ik hier de oudste was wilde ik iets terug doen. Ik dacht snel na. Het werk van Edward St. Aubin is aboluut noodzakelijke kost voor elke student (iedereen zou moeten kennismaken met Patrick Melrose, al was het maar om te ervaren wat literatuur vermag), maar Moedermelk van St. Aubin liet ik in mijn tas.

    Daar stond ik met deze eenmalige editie van Campert in mijn handen en twijfelde. Voor de slamwinnaar moest dit een onmisbaar exemplaar zijn. Waarschijnlijker was dat hij niet besefte hoe onmisbaar het werk van Campert is voor de poëzie. Ik overwoog het hem aan te bieden. Als cadeautje, omdat hij de winnaar was. Maar daar waren we te verlegen voor. Hij en ik.  

     

  • De liefde

    Opeens kon ik het idee dat ik nooit een selfie zou kunnen maken niet verdragen. Het overkwam me toen ik in een hoekje van een koffiebar een stel, dat duidelijk verliefd op elkaar was, de hoofden naar elkaar toe zag buigen en in lichte extase omhoog keken. Ze vormden een prachtige driehoek waarbij de iPhone van het meisje het middelpunt was. Ze lachten naar het toestel. Er werd afgedrukt. Dat moment kwam me opeens voor als het ultieme gebaar van liefde. Zo’n gebaar wenste ik mij ook te maken. Ik samen met Mijn Lief… Maar ik had geen iPhone. Dat besef maakte van mijn verlangen een onvervulbaar verlangen. Waar ik toch ook wel weer van genieten kon, van dat onvervulbare.

    Ik zuchtte, nog steeds door dat onvervulbare, en trok de krant naar me toe. Grunberg schreef in zijn voetnoot: ‘Alles wat echt is blijft verborgen.’ Dat trof me. Het was de eerste voetnoot na het overlijden van zijn moeder. Hij stond het niet toe verdrietig te zijn. Zijn moeder had zichzelf ooit één dag verdriet toegestaan. Dat was nadat ze had gehoord dat haar ouders waren vergast. Toen was het klaar. Terwijl hij naast het lichaam van zijn overleden moeder stond, vormde deze voetnoot zich in zijn hoofd. Zo gaat dat. Het verlies van een dierbare is niet met tranen te duiden. Ook niet met woorden. Door het op te schrijven brengt dat, wat tussen de regels staat soms meer aan het licht dan men vermoeden kan.

    ‘s Middag kwam Zoon met een vermoeide blik uit school. Hij mompelde een begroeting en liep naar de gang om zijn jas op te hangen. Onderweg daarheen liet hij zijn rugzak, zwaar van boeken op de grond vallen en slaakte een zucht. Ik zat op de bank met een glas wijn en Mijn Lief nadat we wat conflictueuze dagen hadden gehad die op een of ander miraculeuze wijze vanzelf waren opgelost. Dat doen conflicten soms.

    Zoon liet zich naast me op de bank vallen. Zuchtte en streek met een vermoeid gebaar zijn haar naar achteren waarbij hij zijn ogen ten hemel sloeg. ‘Gaat het’, vroeg ik. ‘Mwah’, zei hij waarna hij zijn hoofd liet hangen. ‘Het gaat op het moment niet zo lekker tussen ons.’ ‘Ah’, zei ik. Dan, opkijkend: ‘Hadden jullie dat nu ook toen jullie pas een relatie hadden?’ vroeg hij. ‘Och’, zei Mijn Lief met een relativeringszin die ik niet bij hem vermoedde, ‘de eerste dertig jaar waren niet makkelijk.’ Waarna Zoon in lachen uitbarstte en zei, ‘ Fantastisch, dat geeft moed.’ En ik dacht ‘zo zie je maar’: ‘Alles wat echt is komt bij tijden aan de oppervlakte’. En schonk de wijn nog maar eens bij.

     

  • Vrijheid van dromen

    Een nachtegaal die een merel was

    ’s Nachts doen de dingen zich anders voor dan bij daglicht en is de werkelijkheid soms ver te zoeken. Ik was bij de schrijver Maarten Biesheuvel en zijn vrouw Eva op bezoek. Hij zat in een gemakkelijke, gestoffeerde fauteuil en droeg een mooi pak. Eva zat op de leuning van zijn fauteuil en keek met liefdevolle blik naar hem. Er was geen ruimte waarin deze stoel geplaatst was. Het leek een plaatje, toch was het echt. De schrijver keek me aan. Ik zag dat hij me had verwacht. Hij knikte naar me, hield zijn hoofd iets schuin en sprak met zijn bijzondere stemgeluid: ‘Toe maar, je kunt het wel. Je moet gewoon doorgaan. Dat doe ik ook.’ Toen zag ik dat hij een zwart witte kat, die op zijn schoot lag, streelde. Ik was verguld en wilde het liefst niet wakker worden.
    Ik droom vaker over mensen die ik bewonder om wat ze zijn of doen. Over een verkoopster die met zorg een door mij gekocht cadeautje verpakt, een docent die zo mooi vertellen kan en natuurlijk Ursula. De van Pools/Duitse afkomstige Ursula. Onze dochtertjes zaten bij elkaar in de klas en ik, die bang voor paarden is, droomde dat ze me leerde paardrijden. Ach Ursula, met haar gitzwarte ogen en springerige haardos die tot onder op haar rug hing. Heerlijke verliefdheden waar niks mee te beginnen viel.

    Deze week was er een nacht dat ik niet kon slapen. Een nacht stiller dan alle andere nachten en het leek of mijn bed in een ruimte stond die niet bestond. Alsof mijn bed een plaatje was waarvan ik, op mijn buik gelegen, deel van uitmaakte. Ik dacht dat ik sliep toen mijn wijsvinger mijn mond binnenging en voorzichtig op onderzoek uit ging naar de oorzaak van een plotseling opkomende pijn in mijn rechter bovenkaak. Mijn vinger leek tegen een rammelend hek, een loszittende grafsteen tot stilstand te komen. Snel trok ik mijn vinger terug en sloot mijn mond. Het leek me beter te doen alsof er niets aan de hand was. Maar mijn fantasie was groter en ik voelde de gaten en proefde knarsende stukjes tand en bloed in mijn mond.

    Opeens werd ik bang. Bang dat het gebroken stukje kies, (want dat was het, enkel maar een stukje van een kies) dat nog een beetje vast in mijn kaak zat, zou losraken en dat ik  in mijn slaap zou stikken. Mijn Lief zou mij ’s morgens levenloos naast zich vinden. Lieve help, dat toch zou verschrikkelijk zijn. Dat kon ik hem niet aandoen. Of zou hij die vreemde leegte naast zich gewaar worden? De dood, die de afwezigheid van alles vertegenwoordigt, zal hem zeker doen ontwaken. Ik was er opeens zeker van: ik moest Mijn Lief waarschuwen dat er een kans bestond dat ik vannacht in mijn slaap de dood zou vinden. Maar toen ik me oprichtte en mijn hand naar hem uitstak, kwam het me opeens zo overdreven voor. Het leek me beter naar de badkamer te gaan. Ik schoof mijn voeten in mijn slippers en sloop de trap af.

    Op de rand van het bad lag Biesheuvel die zijn vrouw Eva in een woede aanval door elkaar schudde. Het schrijven lukte al weken niet meer. Hij werd er gek van. Eva stuurt hem op reis en wanneer hij gelouterd terugkeert bij zijn vrouw, telefoneert hij ’s nachts met zijn dode moeder en als hij in bed ligt, hoort hij een nachtegaal. Maar Eva haalt hem uit zijn droom en zegt dat het een merel is. Het is goed midden in de nacht een verhaal te lezen over een nachtegaal die een merel blijkt te zijn.

     

     

  • Bij aankomst het vrijheidsbeeld

    Soms wordt ik overvallen door een overtuigend weten dat ik, ongeacht leeftijd en studie, alles kan bereiken wat ik maar zou willen. Niet dat ik zou kunnen skydiven of in een luchtballon een wereldreis maken. Het moet reëel blijven. Wel denk ik dat ik bijvoorbeeld een blindedarm operatief zou kunnen verwijderen. Het heeft me altijd gefascineerd hoe met een chirurgisch vormgegeven stanleymes ,een snee door huid- en spierlagen wordt gemaakt. En dan de klemmen zetten die de huidsnee openhouden. Dat je dan, in die duistere, bloederige opening precies weet te vinden wat eruit moet. Zo trefzeker zou ik willen zijn. Keelamandelen knippen, doe ik in een handomdraai. Of als verloskundige in barensnood verkerende vrouwen begeleiden: Pufpufpuf, ja, persen, toemaartoemaartoemaaar. Stop. Pufpufpuf en zo door.

    En eens wil ik per schip naar Amerika varen. Daar droom ik van. Het eerste wat ik bij aankomst in de haven van New York voor me zal zien opdoemen (uit de mist), is het tot de verbeelding sprekende Vrijheidsbeeld. Waarna ik eindeloos in de rij moet staan voor ik Amerika wordt binnen gelaten en waarschijnlijk in quarantaine moet. Wat daar de reden voor zou zijn weet ik niet, maar het lijkt me een mogelijkheid die dichter bij de dingen staat die mij overkomen, dan de werkelijkheid. Leven als een Italiaanse immigrant in Amerika, zoals in de boeken van John Fante.
    En de rest is fantasie. Want ik sta gewoon op het station van Brummen te wachten op de trein naar Utrecht.

    Het is zondagmiddag en het miezert. Er komt een meisje op hoge pumps  met een wat onwennige, doch sierlijke gang, het perron oplopen. Samen met een jongen in een roestbruine bandplooibroek en een rugzak om. De jongen zegt: ‘Dat kon ik toch niet weten.’ Het meisje op de hoge pumps gaat er eens goed voor staan, slaat haar hoofd naar voren en naar achteren waardoor haar haren als een zweepslag heen en weer zwiepen, kijkt hem aan en legt uit: ‘Ik had alleen mijn jurkje aan.’ Drie keer zegt ze dit en ze spreekt het uit alsof er na elk woord een punt volgt, ‘Ik. had. alleen. mijn. jurkje. aan’. En dan begrijp ik dat ze ‘alleen haar jurkje’ aan had. Niet meer en niet minder. Dan zegt ze, wiebelend op haar hoge pumps en weer die haren rond haar hoofd zwierend: ‘Je hebt je kans gehad.’ Ik kijk naar haar, ze lacht er niet bij. Ik durf niet naar de jongen in zijn roestbruine bandplooibroek te kijken. Ik zou zijn schaamtevolle vernedering, die beslist in zijn blik ligt, niet kunnen verdragen. Deze bandplooibroek dragende jongen heeft zijn kans verspeeld. Ik zie, als hij met een schouderbeweging zijn rugzak opsjort terwijl hij de trein instapt, dat hij droomt van trefzeker handelen. Maar de realiteit heeft hem een loer gedraaid. Het meisje op de pumps zwiert met grote swingende stappen en zonder om te kijken het perron af. Ik begrijp dat wel.

     

  • Fantasie tussen het spoor

    Met een kartonnen beker koffie en de avondkrant neem ik plaats in de intercity naar Utrecht. Na een dagje met twee kleine jongens in een bakfiets door de stad te hebben gefietst, gestruind langs het strand van Scheveningen, ben ik mezelf weer genoeg en verheug me op een rustige reis. De trein vertrekt stipt op tijd en de conducteur wandelt even stipt, de glazen klapdeur ferm openzwaaiend, de coupé in. Zijn: ‘Uw vervoersbewijs alstublieft’, doet ons direct in jas- en broekzakken tasten.
    Terwijl hij de eerste kaart scant roept hij zijdelings: ‘Mevrouw! U kunt hier niet bellen. Dit is een stiltecoupé. Gaat u maar naar het tussen balkon.’ De betreffende jonge vrouw verstart. Met verschrikte, licht uitpuilende ogen staart ze naar haar smartphone waaruit geen enkel geluid had geklonken. De conducteur gaat, ‘Uw vervoersbewijs alstublieft, uw vervoersbewijs alstublieft’ dreunend verder naar de volgende coupé. De jongedame met de smartphone begint deze nerveus te bespelen, waarbij haar windjack lichtjes ruist.

    Dan klinkt er door de coupé: ‘Er is een verward persoon tussen het spoor aangetroffen. Wij zullen zo langzaam mogelijk rijden.’ De trein rijdt stapvoets omdat, ‘de persoon tussen het spoor eerst gevonden moet worden’. Een mysterieuze mededeling. Wie is er zo onhandig tussen de rails te geraken en onvindbaar te zijn. Onwrikbare metalen bielsen zie ik voor me met daartussen een verstrikt geraakt persoon. Een roodharige dame, schuin achter mij, gaat er eens goed voor zitten en begint haar tassen uit te pakken. Vijf plastic tassen ontdoet ze, om beurten van hun inhoud. En pakt ze opnieuw weer in. Het tergende gekraak en geritsel dat al dat herschikken van spullen veroorzaakt, verdrijft elke zingevende gedachte. Er sluipt een melodietje in mijn hoofd. Een liedje van Joop Fischers: Ik zoek de rust van een kist. Het zaagt door in mijn kop: van een dorre houten kist. Zo kan het dus gaan als dingen je worden opgelegd. Dat je denkt rust te vinden in een Stiltecoupé.

    Het doet wel wat met me. Een pling van een binnenkomend smsje, een gefluisterd: ‘Ik zit in een stiltecoupé ik kan nu niet met je praten …’, ophalende neuzen en frutselende vingers, een opklinkende lach, zetten me op scherp. Ondertussen durf ik het dekseltje van mijn koffiebeker er niet af te peuteren en de krant niet open te slaan. De zakdoekjes om mijn beginnende druipneus in te snuiten, laat ik in mijn tas. Om de rits maar niet te hoeven openmaken. Ik moet er niet aan denken dat de conducteur nog eens langskomt. Het leek zo’n type die het liefst van alle coupés, Stiltecoupés maakt. Om dan de hele tijd links en rechts rond te bassen: ‘Mevrouw dit is een stiltecoupé. Doet u dat, wat u daar aan het doen bent en geluid maakt, maar ergens anders’. En ondertussen hield zich nog steeds een persoon onvindbaar tussen het spoor op. We waren nog lang niet thuis.

     


    Inge Meijer is een pseudoniem. Zij schrijft over boeken als steunpilaren in het dagelijkse leven en over wat er fladderend beweegt in de kantlijn van de literatuur.

  • Recensentenborrel in Amsterdam

    Het was de warmste dag van November sinds 1848, bleek later. Zaterdag 1 november, de stad was vergeven van de toeristen. Op straathoeken en trottoirs, waar maar een tafeltje kan staan of alleen wat stoelen, geniet men, de toerist, van koffie, salades, borrels en elkaar. Het lijkt wel lente, zo bruist de liefde voor alles en iedereen door de straten van Amsterdam. Ik ben op weg naar Antiquariaat Egidius aan de Haarlemmerstraat, voor een recensentenborrel van Literair Nederland.

    Eerst had ik een afspraak met oudste Zoon om de stad te doorkruisen. We liepen onafgebroken en spraken over wat ons zo bezig houdt. Eerst naar –  en toen door Oud-West. Later rustten we uit op een trapje aan de Brouwersgracht. Zoon at een harinkje uit een servetje. Connie Palmen liep voorbij met een boodschappentas. Ze werd in de drukte door niemand herkend, maar Zoon zag haar. Ik had het nakijken, hoe ze richting Prinsengracht ging. Aan haar rug te zien, wist ik dat zij het was. Zoon ging, na een week vakantie in Nederland, weer terug naar Londen.  Hij liep de Brouwersgracht af terwijl ik hem nakeek. Waarna ik de Herenmarkt doorstak naar de Haarlemmerstraat. Daar zat een man op éénhoog in kleermakerszit in een open venster dingen te roepen waar je van opkeek. ‘Hé, schoonheid!’ Of, ‘Dag lieverd.’ Soms alleen maar: ‘Héééé…! Of Buhhh! Ook dan werd er omhoog gekeken. Wanneer je keek, zag je de man zacht heen en weer wiegen. Een wankel evenwicht dat zich steeds ten goede herstelde.

    Bij het Antiquariaat staat een tafel, vlak bij de ingang, waardoor het winkelend publiek misschien denkt dat er een besloten feestje gaande is Maar zo ging dat niet. Er  stonden flessen wijn en bier en allerlei hapjes. Er was muziek en het publiek, de toeristen, voelden zich vrij om binnen te komen. Sommigen dronken een wijntje mee. In Amsterdam kan alles, zullen ze gedacht hebben. De winkel bleef open tot ver na sluitingstijd. En doorbrak daarmee de stilte in de verder gesloten en donker wordende Haarlemmerstraat.

    De recensenten vermaakten zich voortreffelijk. Er werd gedronken, gelachen, recensies doorgesproken. Titels en auteursnamen vlogen over en weer. Er werden boeken genoemd die toch echt gelezen moesten worden (Zonsopgangen boven zee). Er werden tips gegeven voor als je vastloopt met een recensie. Of als je het boek niets vindt. Dat je er boven moet staan als recensent, werd er geleermeesterd. Enkelen hadden elkaar direct herkend als recensent. Een enkeling vergiste zich en sprak een klant aan. Andersom gebeurde dat een klant een recensent aansprak. ‘Hello, I’m from Manhatten. I wonder if you could help me …. Antiquriaat Egidius verkoopt veel (originele) prenten en oude stadsplattegronden. Een mooie collectie. Uit de lange wand met boeken zochten de recensenten drie boeken naar keuze terwijl een violist, een cellist en accordeonist muziek van Astor Piazzolla speelden. De wijn werd nog eens bijgeschonken. Waarna iedereen, voor even gelouterd en bemoedigd, weer op huis aanging.

     

  • Rituelen

    Hoewel een reeds gemaakt plan omgooien, of het compleet veranderen van de indeling van onze woning me gelukkig maakt, verdraag ik geen verstoring van een dagelijks ritueel. In het etablissement waar ik elke ochtend mijn koffie drink en de krant doorneem, zat een vrouw bij het raam die ik niet eerder had gezien. Ook zag ik dat De Trouw en De Volkskrant niet op de gewone plek lagen. De vrouw bij het raam was niet gekleed om op een hoge kruk aan een verhoogd tafeltje bij het raam met een espresso in de hand de krant te lezen. Maar ze deed het wel. Met haar crèmekleurig blouse met opstaand kraagje onder een donkerblauwe blazer, paste ze heel goed in een zeshoekig gebouwde serre met uitzicht over een rivier. Haar haren waren hoog opgestoken waardoor ze sowieso geen vrouw leek die gewoon was een krant te lezen. Maar men kan zich vergissen.

    De serveerster bracht me een cappuccino en een glas water. Ik keek nogmaals zoekend de ruimte rond. Nee, het kon niet anders dan dat zij, daar bij het raam, beide kranten had. Een bron van verontwaardiging werd in mij aangeboord. Ze zat statig rechtop, het opgestoken haar triomfantelijk omhoog stekend. Precies zoals één van mijn zussen het vroeger droeg. Mijn vader noemde het een suikerspin. De vrouw van de bakker, in de stad waar ik opgroeide, droeg tot het einde der dagen zo’n kapsel. De bakker overleed nogal onverwacht waardoor de bakkersvrouw er alleen voor stond. Ze bleef met haar blonde, hoog opgestoken kapsel vanachter de toonbank de klanten bedienen. Haar kapsel hield haar op de been, leek het wel. De keren dat ik er nog wel eens kwam, om de lekkerste puddingbroodjes die ik gekend heb, oogde ze steeds kleiner en fragieler. Op een dag bleven de rolluiken van de winkel gesloten.

    Ondertussen had ik nog geen krant gelezen en voelde me onthand. Op tafel lag enkel nog het Volkskrant magazine van het afgelopen weekend met een interview met Peter Buwalda. Ik houd niet van Buwalda, niet van zijn boek (‘boeken’ zijn het nog niet) en niet van zijn columns. Maar ik moést iets lezen dus ik las over Buwalda. Dat hij geen relatie en geen kinderen wil maar sinds hij Suzy kent, dit allemaal verleden tijd is. En dat hij nog twee jaar nodig heeft om zijn boek af te schrijven waar hij al jaren aan werkt. Knap vind ik dat. Ondertussen zag ik dat de vrouw bij het raam de kranten achteloos naast zich in de vensterbank legde. Waar niemand erbij kon! Toen ontstond er spontaan een soort van ‘Etiquette voor het krant lezen in openbare gelegenheden’ in mijn hoofd. Ik noteerde:

    Eigen je niet alle kranten in een openbare ruimte toe; Deel de katernen; Lees niet alle artikelen van A tot Z: Los nooit de puzzel op (tenzij het de krant van gisteren is); Leg de kranten na lezing terug op de centrale plek. Zo, dat luchtte op. Nu de krant nog en de dag kon zijn gang weer gaan.

     

  • Geen weg terug (2)

    Een kamermeisje uit Luxemburg

    En zo waren we in Luxemburg aangekomen. Hm, Luxemburg. Nu, vooruit. Omdat het aan de late kant was, we moe waren en er Belgische frieten langs de kant van de weg verkocht werden, legden we ons er bij neer. Al wisten we niet wat we in Luxemburg te zoeken hadden. Wat ik een tekortkoming van onszelf vond. Denkend aan Frankrijk, waarheen we op weg waren, breekt er een stroom aan informatie in mijn hoofd los: slag bij Verdun, invasie Normandië; stad Rouen, waar Flaubert vandaan komt en waar zich een pesthuis, in originele staat, dat nu dienst doet als Kunstacademie en een ‘Bibliotéque’ met de naam Simone de Beauvoir bevindt. De Beauvoir hoort bij Sartre, Sartre was bevriend met Camus die het veelgeroemde boek La peste schreef. De Beauvoir had overigens een oogje op Camus maar dat is nooit iets geworden. Dan weet ik nog dat Sartre in oorlogstijd in de Elzas choucroute (zuurkool) had ontdekt. Dit, ongetwijfeld omdat Mijn Lief er dol op is.

    In België had ik Manneken Pis, Elsschot en De Standaard, bij de hand. Iets minder spontaan Frank Van Passel. Die een film van Manneken Pis en Villa des Roses maakte. Van Luxemburg borrelt er niet eens zoiets als het equivalent van de Eiffeltoren in me op. Wat wist ik nu meer over Luxemburg dan dat het een Groothertogdom is en dat er in drie talen: Luxemburgs (Letzebuergesh), Frans en Duits gesproken wordt?
    Dat één op de zes inwoners van Luxemburg Portugees is, wisten we van Google. Dat gaf ons net dat zetje waardoor we er een overnachting op waagden. Eens woonden we in Portugal, aan de voet van het gebergte Serra de Estrella hadden wij voor zeven jaar ons onderkomen. Op vrije dagen bezochten we Lissabon (stad van Fernando Pessoa, cafe Brasileira, José Saramago). En nu, wanneer wij Portugees horen spreken, stroomt ons hart over. De Portugezen zeggen: Saudade is een sentiment dat wanneer het niet in het hart besloten ligt, het via de ogen zijn weg naar buiten zoekt.

    In een lunchroom, (de regen viel ondertussen met bakken uit de lucht), serveerden ze het beroemde Portugese gebakje: pastéis de nata. Een taartje van room, suiker, eidooiers en bladerdeeg. We gingen de straat weer op. Bij de Hema, jawel, de Hema, kochten we paraplu’s. Daarna liepen we een Zweedse kledingwinkel binnen voor truien, sokken en waterdichte schoenen. Bij de kassa werd Portugees gesproken. Wij schoven snel aan in de rij. Voor en achter ons Nederlandse gezinnen, die ook niets anders te doen hadden dan in Luxemburg kleding te kopen. Wij zwegen in alle talen. Even later raakten Zoon en Dochter met de verkoopster in een geanimeerd gesprek verwikkeld. Joana was een Luxemburgse Portugese. Familie van haar woonde in Rotterdam. Dat het in Luxemburg veel regende vertelde ze ook. Dat geloofden we wel. Joana wilde wel in Nederland wonen. Zoon en Dochter wel in Portugal. Saudade, saudade.

    Weer thuis herinner ik me de eerste editie van 2014 van De Parelduiker. Daarin stond dat Emmanuel Bove’s moeder kamermeisje in Luxemburg was geweest voor ze met haar man naar Parijs vertrok. Uit niets bleek dat ze er ooit naar terugkeerde.

     

    Lees ook hoe Inge Meijer in Luxemburg terecht kwam, Geen weg terug.

  • Masterclass

    Zondagnacht lag ik er wakker van dat ik die zaterdag daarvoor in aller vroegte op weg was gegaan naar een pand aan de Raamgracht in Amsterdam. Aldaar zou ik een Masterclass volgen, geheel vrijwillig en ik betaalde er, ook geheel vrijwillig, een flink bedrag voor. Ik had me goed voorbereid op dit weekend. Toch raakte ik aan het dwalen op de Wallen. Ik was er niet om rond te kijken maar zag veel. Terwijl ik over de Zeedijk richting Nieuwmarkt liep, overviel me plotseling het verlangen daar deel van uit te maken. Van dat leven waarvan geen dag zeker is hoe de afloop zal zijn. Weg met de conventies. Een stap opzij doen, weg van de zekerheden die voor me liggen. Een van die illustere cafés induiken waar voor tien uur ‘s morgens het bier al op tafel staat. Maar die Masterclass kostte me een rib uit mijn lijf dus spoedde ik mij voort. Er werd op mij gewacht.

    Toen ik een half uur te laat binnenkwam, was de (zelfbenoemde) ‘Master’ die – dat begreep ik later want hij is ook columnist voor Trouw en schreef er een column over – zichzelf niet serieus neemt, aan het woord. Ik schoof schielijk aan bij een getourmenteerd schrijfster, een recensielezer, een schrijvende bibliothecaresse, een zelden schrijvende computervrouw, een in het zwart geklede man, een postmodernistische dame, het meisje met de rechte rug en de neergeslagen ogen en een paar deelnemers die de hele class zwijgend doorstonden. Wat op zich nogal knap was. We hadden de verhandeling ‘Against Interpretation’ (1964), van Susan Sontag gelezen. Alsook een nog niet gepubliceerde roman van een schrijver die alleen maar over zichzelf schrijft, (zo oordeelde de gastdocent, recensent Vrij Nederland) die zondagmiddag langs kwam, en waarover wij een recensie moesten schrijven. De Master vroeg wat we van het stuk van Sontag vonden. De getourmenteerde schrijfster riep dat ze het er niet mee eens was. Dat ze het regelrechte onzin vond wat Sontag beweerde.

    ‘Hum’, humde de Master en vroeg wat we van de roman vonden van de schrijver die alleen maar over zichzelf schrijft. Er was er één die het wel een leuk boek vond. Verschillende deelnemers noemden wat ze geschreven hadden, een boekverslag. De getourmenteerde schrijfster vond het een irritant boek, evenals de in het zwart geklede man. Ikzelf vond de roman een vermakelijke klucht, waarbij er nog net geen lijk uit de kast viel.

    Wat we leerden was dat een recensent zich dient af te vragen: a) Wat bedoelt de schrijver, b) Slaagt hij daarin en c) Wat vind ik daar van. En dat je niet moet vergeten te laten weten wat een roman met je doet. ‘Dus als het me irriteert, zei de getourmenteerd schrijfster, dan kan ik dat gewoon opschrijven.’ En een titel is ook belangrijk, ‘doet dat de redactie dan niet’ zei de in het zwart geklede man met het Groningse accent. Het meisje met de rechte rug en de neergeslagen ogen glimlachte een verholen glimlach. Steeds weer, op momenten dat ze ermee instemde met wat er gezegd werd, plooide die glimlach zich rond haar lippen. Het was van een schoonheid waar ik mijn ogen niet van af kon houden. De Master zag het meisje met de neergeslagen ogen niet zitten. Ik voelde me bevoorrecht. Toen zei de Master: ‘Oh ja! We hebben het nog niet over het perspectief gehad. Vanuit welk perspectief een roman geschreven is.’ En toen verlangde ik naar de borrel die ook op het programma stond.

     

     


    Inge Meijer is een pseudoniem en een onophoudelijk lezer.