• Public relations en ontwikkelingshulp

    Deze maand is bij de VPRO de vierdelige serie De Trek te zien over de migratiestromen in Afrika. Voorafgaand aan de eerste aflevering stond in NRC Handelsblad van 5 november een artikel van Bram Vermeulen, de maker van de serie. Daarin trof me onder andere de volgende passage: ‘De deal tussen Afrika en Europa over het terugnemen van migranten berust op een belangrijk misverstand. Ontwikkelingshulp stopt migratie niet (…) Ontwikkelingshulp jaagt migratie aan. In het oosten van Senegal zag ik voor ieder dorp een woud aan borden van ontwikkelingsprojecten, gefinancierd door Europese donoren. (…) Senegal is een donor darling.

    Niet de bewering op zich raakte me, maar het riep een herinnering bij me op aan De crisiskaravaan van Linda Polman, dat ik in 2008 las en dat me toen volkomen lam sloeg. Het schetst een gevecht van belangen die achter hulpverlening in crisisgebieden schuil gaat. In het derde hoofdstuk van het boek vertelt Polman over Murray Town Camp, een kamp in Sierra Leone dat tijdens de burgeroorlog in de jaren ’90 uitpuilde van geamputeerden; hun ledematen waren afgehakt door rebellen en soldaten. Het was een gangbare methode om tegenstanders uit te schakelen in deze gruwelijke oorlog die lang schimmig bleef voor de buitenlandse pers. Tot Murray Town Camp ontdekt werd. ‘Als pitbulls op een kleuterklas, storten journalisten uit de hele wereld zich op het verhaal van de geamputeerden’, schrijft Polman.

    Kort daarna werd de grootste humanitaire hulpoperatie tot dan toe op touw gezet: ‘Ongeveer driehonderd INGO’s [International non-governmental organisations] repten zich naar het landje. Ook organisaties die niet speciaal voor de geamputeerden kwamen, gebruikten foto’s van de arm- en beenloze bewoners van Murray Town Camp in hun fondsenwervingscampagnes.’
    Er ontstond een waar gevecht tussen concurrerende belangen. Aan de ene kant de geamputeerden, die zich splitsten in real amputees (slachtoffers van rebellen) en war wounded (mensen die om geneeskundige redenen waren geamputeerd na oorlogsverwondingen). De ‘echte’ vonden dat ze meer recht op geld hadden dan de ‘onechte’, want de donaties stroomden binnen dankzij de foto’s die van hén gemaakt waren.

    Aan de andere kant een strijd tussen de INGO’s. Die present wilden zijn op de plek waar de meeste camera’s flitsten. Want je bord in beeld betekent dat je thuis weer giften op kunt halen voor je eigen organisatie. Je moet ter plekke zijn, of je nu adequaat hulp kunt verlenen of niet, omdat je gezien moet worden. En wat je met je verblijf daar investeert, moet ook weer worden terugverdiend. Ontmoedigend vond ik destijds vooral dat Murray Town Camp maar één van de vele voorbeelden is die Linda Polman geeft in haar boek. De ruim 200 pagina’s bevatten nog veel meer misstanden. Die beschreef ze acht jaar geleden.

    Ontmoedigend is dan ook dat Bram Vermeulen in 2016 voor ieder dorp weer een woud aan borden ziet staan van Europese donoren. Opnieuw symbolisch voor een hulpindustrie die zijn public relations uitvecht over de ruggen van slachtoffers?

     

     

     

  • Boeken en koffiepraat

    In een essay van Roel Weerheijm op de website van Tzum staat in een tussenzinnetje: ‘net als boekpresentaties lijken literaire polemieken op de koffieautomaat van een kantoor’. Het stuk gaat over recensies, belangenverstrengeling en wat er allemaal speelt op die vierkante centimeter die de literaire wereld van ons landje behelst. Zeer prettig proza over een onderwerp waarvan ik zo min mogelijk probeer te vinden omdat ergens-iets-van-vinden me vaak helemaal niet helpt.

    Ik heb geen kantoor. Thuis ben ik de enige die koffie drinkt, van een automaat geen sprake, bovendien ben ik zo’n zeurderig type dat uitsluitend biologische decafé in een cafetiere zet en dan aan het aanrecht wacht tot het water heeft gekookt en precies genoeg is afgekoeld, u kent het wel, dan kan ik eens rustig nadenken over al die zaken waarover ik geen mening heb (intussen schrijf ik geen woord). Wel ben ik onderdeel van een groep schrijvers die op woensdagen in de centrale bibliotheek aan eigen werk werkt. Na urenlange overwegende stilte – het gezucht en gedempte getik op de toetsenborden van meegebrachte laptops, het heen en weer lopen naar het toilet, de rook- en lunchpauzes – bespreken we waar we mee bezig zijn. Soms leest iemand voor en vraagt om commentaar, soms gaat het over randzaken: dingen die niet letterlijk over het schrijven gaan, maar juist alles daaromheen. Dus recensies en hun recensenten, prijzen en hun jury’s, uitgevers en redacteuren, romans en dichtbundels, boekhandelaars en, zoals Roos van Rijswijk fijntjes opmerkt in haar stuk Afleidende bijzaken op de site van Tirade.nu, het Literaire Internet. Koffiepraat, inderdaad.

    Nu ik een paar weken niet ben geweest, mis ik het. Wel bezoek ik de laatste tijd veel boekpresentaties. Heel vaak heb ik mensen horen zeggen dat je hen op elke willekeurige begrafenis aan het huilen krijgt. Of ze de overledene nu kenden of niet, die tranen komen er toch wel. Dat lijkt me niet vreemd: naast oprecht mededogen met andermans verlies roept hun verdriet eigen verdriet op, dus huil je, naast die ander, ook om jezelf. Bij boekpresentaties ervaar ik iets vergelijkbaars. Of ik de schrijver van het gepresenteerde boek nu goed ken of niet, ik bevind mij hoe dan ook in opperste staat van ontroering. Komt dat doordat ‘het’ bij mij binnenkort ook gaat gebeuren? Waarschijnlijk. En evengoed omdat ik blij word van boeken.

    Bij de presentatie van De Ruiter van Jan van Mersbergen denk ik terug aan dat zinnetje over die koffieautomaat. Strikt genomen gaat de koffie niet over het werk zelf, maar het is wel belangrijk. Die koffie betekent contact, betrokkenheid bij De Zaak en alles wat (en iedereen die) daarbij hoort. Zo is het met presentaties ook. Het grote schrijven is geweest, het boek is af, dat mag gevierd worden. Het gaat tegelijkertijd wel en niet over schrijven maar draagt allemaal bij aan De Zaak, aan lezen en literatuur. Daar geniet ik van. En dan weer aan het werk, stilletjes, met af en toe een uitstapje naar het aanrecht en de cafetiere.

     

     

  • Geïnspireerd raken

    De dood en verkeerde keuzes zijn de definitieve punt achter alles wat nog enigszins een belofte inhield. Ik lette even niet op, ik was er niet. Had mijn spullen gepakt en vertoefde ergens anders. En alsof ik gestraft werd voor mijn afwezigheid stierf er een schrijfster waarvan ik nog wel een boek verwachtte, overleed de zanger die mijn eerst verliefdheid belichaamde en is de democratie in Amerika in een terminaal stadium geraakt. Leonard Cohen overleed nadat hij een nieuwe plaat had uitgebracht en  geopperd had toch wel 120 te willen worden. Helga Ruebsamen had nog een vervolg op haar roman Het lied en de waarheid willen schrijven. Het had er nog van kunnen komen, maar de dood haalde haar belofte onderuit.

    In de jaren zeventig leerde ik een jongen kennen die enkel wilde samenwonen met een zwart geklede schone. Op zijn zolderkamer luisterden we tot diep in de nacht naar Songs of Love and Hate van Leonard Cohen. Door het donkere stemgeluid van de Canadese bard en zijn ondoorgrondelijke teksten werd ik verliefd op die jongen. Een jongen als een belofte. We gingen dat jaar samen naar een concert van Leonard Cohen in de Doelen in Rotterdam. We gingen met een bus en een groep vrienden die alles kenden van deze poëtische zanger. Blowend legden we de reis af.

    Dat hoorde bij de muziek van Leonard Cohen, een flinke joint  deed je alles begrijpen. Ik werd misselijk van de belofte van die avond en van de ongrijpbaarheid van liedjes als The Sisters of Mercy of Famous Blue Raincoat: ‘And what can I tell you my brother, my killer / What can I possibly say? /I guess that I miss you, I guess I forgive you / I’m glad you stood in my way.’ Nog weet ik niet waar het eigenlijk over gaat maar de uitwerking is zo sterk dat ik – telkens als ik er naar luister – de realiteit uit het oog verlies en geïnspireerd raak, tot wat dan ook.

    Zoals het met de democratie in Amerika nooit meer goed zal komen, is het met mij en die jongen niks geworden. Ik was niet die in het zwart geklede schone. Dat het nummer Chelsea hotel een elegie voor Janis Joplin was, weet ik pas sinds kort. En dat Cohen een affaire met haar heeft gehad ook. Achteraf, als beloften niet meer meespelen, kom je altijd meer te weten, is alles helder en blijft er niks over. Yes and lover, lover, lover, lover, lover, lover, lover Come back to me.

     

     

  • Tangomuziek op de achtergrond

    Misschien danst ze tango in een te rode jurk
    gelakte pornoschoenen een kwabje hier en daar
    stappen iets te groot, net of niet op maat

    dichtte Florence Tonk in haar Gemeen gedicht, in het midden latend of die schoenen net niet de goede maat hadden of dat haar stappen niet in de maat van de muziek waren.
    Het was voor zover ik me kan herinneren geen rode jurk, laat staan een te rode jurk die de danseres aan had die het Koninklijk Concertgebouworkest voor een Spaanse avond had ingehuurd. De schoenen verdwenen achter het orkest, de stappen waren in de maat. En toch heb ik me in tijden niet zó verveeld tijdens een concert. Het spijt me dat ik het moet zeggen en er is niets aan te doen. Volgende keer beter.

    Wel vermaakte ik me kostelijk met het bestuderen van het orgelfront in de Grote Zaal van het Amsterdamse Concertgebouw. De orgelkas is gebouwd door A.L. van Gendt, die ook het Concertgebouw zelf ontwierp. Hoog rijst het symmetrische gevaarte boven het podium uit. De pijpen links en rechts worden bekroond door koepeltjes die doen denken aan bijvoorbeeld de Kathedrale Basiliek St. Bavo in Haarlem. Geen vreemde keus voor de rooms-katholiek Van Gendt.
    Aan de onderkant van de kleinere pijpen ontwaar ik aan weerszijden boogvormen. In gedachten ben ik opeens in het Alhambra in Granada. En dat komt niet alleen door de Spaanse muziek die ik aan me voorbij laat gaan. Er schiet me ook een regel van de architect van de Bavo te binnen, die het had over de ‘Spaansch-Arabische motieven’ van zijn schepping. Toch zal het onbewust wel door de dans komen dat niet alleen allerlei beelden maar ook allerlei zinnen over elkaar heen buitelen.

    Het meest daarvan beklijven die van de jonge Frederico García Lorca, die in zijn Impressies van Spanje de Moorse wijk Albaicín in Granada beschrijft. Ook bij hem vechten sacrale en profane uitingen om voorrang. Hij hoort uit een klooster orgelklanken komen, terwijl op straat een man hartgrondig staat te vloeken. Hij heeft het over ‘een lucht geladen met gitaararpeggio’s.’
    Ik kijk niet verbaasd op, dat op het moment dat ik weer met beide benen op de grond sta, er opeens een gitarist op het podium zit. Voor even vertoefde ik in de heerlijke najaarszon bij het Mozarabische Alhambra. Met tangomuziek op de achtergrond.

     

     

  • Te waar om mooi te zijn

    De relatie tussen werkelijkheid en kunst is altijd een ongemakkelijke. Kunst is per definitie een selectie en interpretatie, die net zomin ‘echt’ is als de kaart van ons land Nederland is. Sterker nog, hoe dichter kunst de werkelijkheid benadert, des te banaler en oninteressanter ze wordt. Goede kunst houdt daarom altijd afstand tot de werkelijkheid, omdat in die afstand de betekenis wordt geboren.

    Je ziet dat mooi bij portretten, waarin – hoe naturalistisch en gelijkend ze ook zijn – vaak een forse dosis interpretatie zit. Afstand tot de werkelijkheid omdat dat noodzakelijk is voor een goed begrip van wie iemand is of waar hij voor staat. Dus toen Bernini, één van de beste portrettisten uit de geschiedenis, in 1665 de Zonnekoning portretteerde gaf hij hem een extra groot voorhoofd en reukorgaan mee, omdat dat volgens de beeldhouwer sinds Alexander de Grote, kenmerkend is voor grootse heersers. En het was voor Bernini belangrijker dat zijn portret de gewenste grandeur van de koning toonde dan dat het daadwerkelijk op Lodewijk XIV zou lijken.

    Je vraagt je af hoe zo’n begenadigd portrettist de nieuwe president-elect van de Verenigde Staten zou portretteren. Hoe zou Bernini hem grandeur geven? Zou hij zijn neus net zo groot maken als die van Alexander en zijn haardos net zo flamboyant als die van de Zonnekoning? Zou hij hem mooier maken dan hij in werkelijkheid is, of zou dat bij deze heerser-in-de-dop niet werken omdat niemand zou geloven dat dat echt is? Want als de waarheid lelijk is, wordt het ongeloofwaardig als je hem probeert te pimpen.

    Volgens Frank Westerman komt dat omdat iets soms ‘te waar is om mooi te zijn’. Hij sprak deze woorden tijdens zijn Verweylezing in Leiden, waarin hij uitlegde waarom hij liever non-fictie schrijft dan fictie. Omdat je volgens hem met feitenliteratuur bestaande, moeilijk grijpbare zaken beter bij de kladden kunt pakken, zonder dat ze losraken en afdrijven van het hier en nu. En omdat je met feitenliteratuur tegenwicht kan bieden tegen het alomtegenwoordige fabuleren. Tegen de simplistische ‘waarheden’ die ons dankzij internet tegenwoordig waar je ook maar kijkt in de media boven het hoofd dreigen te groeien.

    Feitenliteratuur? Is dat wat we nodig hebben om de onwerkelijke verkiezing van president-elect Trump te kunnen begrijpen? Of heeft Bernini toch gelijk en schiet de werkelijkheid uiteindelijk te kort voor een goed begrip? En moeten we die werkelijkheid een beetje geweld aan doen om haar te begrijpen, door er hier en daar wat bij te verzinnen? Ik denk dat de tijd nog niet rijp voor een antwoord op deze vragen. De werkelijkheid is nog te waar om kunst te zijn. Want kunst is interpretatie en interpretatie vraagt afstand. Daarin wordt betekenis geboren. Ook, of misschien wel juist, als die ongemakkelijk is.

    Zie hier een afbeelding van de Zonnekoning

     

  • Te mooi voor woorden

    Het was op tv: de twintigste eeuw is nu bijna afgelopen! Het Journaal bracht het terloops, het nieuws zat verstopt in een kunst-itempje.
    Een museumdirecteur, uiterlijk tot in de puntjes verzorgd, stond besmuikt een schilderij te prijzen. Het ging om een kleurrijk historiestuk van Alma Tadema, van wie het Fries Museum momenteel een overzichtstentoonstelling brengt. Victorianen in klassieke gewaden, ooit de succesformule van de schilder, lange tijd verguisd, nu opgediept uit de opslag en toe aan herwaardering. Fryslân boppe! ‘Ja, toen ik studeerde werd hier alleen maar om gelachen’, vertelde de museumdirecteur, ‘maar moet je toch eens zien: wat een techniek!’ Alsof technisch kunnen niet het minimum is wat je van een kunstenaar mag verlangen.

    Hij zei niets over compositie of kleurgebruik, niets over historische betrouwbaarheid en ook niet dat hij het mooi vond. Ha! Het begrip ‘schoonheid’ is sinds lang uit het kunstzinnig discours gebannen. Je mag zeggen dat iets ‘spannend’ is of dat iets ‘schuurt’, er ‘kantelt’ regelmatig iets en dat is ‘confronterend’. Ook mag je spreken over de ideeën die het kunstwerk geacht wordt te verbeelden, maar niet dat je geraakt bent of ontroerd. ‘Schoonheid heeft haar gezicht verbrand’, dichtte Lucebert kort na de Tweede Wereldoorlog. Met die uit z’n verband gerukte opvatting zitten we nog steeds opgescheept, getuige het feit dat in heel Nederland zegge en schrijve één werk van Henk Helmantel zich in een museumcollectie bevindt. Terwijl Lucebert toch na dat verbrande gezicht nog iets anders ook over de schoonheid zei, namelijk:

    (…) de mens verschrikt zij
    en treft hem met het besef
    een broodkruimel te zijn op de rok van het universum

    De esthetische ervaring als epifanie, kom er eens om. Gek eigenlijk, die museumman zag er op en top verzorgd uit: modieus kapsel, gebeeldhouwde baard, fraai pak, überhip brilmontuur. Wat zou hij ‘s ochtends hebben gedacht toen hij voor de spiegel stond? ‘Hmm, interessant’? Of toch gewoon het m-woord?

    De negentiende eeuw eindigde volgens velen met het begin van de Eerste Wereldoorlog. Een ‘breukvlak van twee  eeuwen’ houdt zich niet aan de kalender. Werd Christus niet geboren vóór het begin van onze jaartelling? En nu dan de twintigste eeuw, niet geëindigd in 1989, toen de muur viel, of in 2001, toen de Twin Towers neerstortten, maar any day now. In het jaar onzes heren 2016 staan we, gezien het eerherstel voor Alma Tadema en godbetert een lofzang op de schildertechniek, op de drempel van een nieuwe eeuw.
    Het werd tijd. Nu alleen ‘schoonheid’ nog terug als artistiek begrip en we kunnen de rampzaligste aller eeuwen achter ons laten.

    Ooit schreef Jacques Perk (1859-’81) de volgende variant op het Onze Vader:

    “Schoonheid, o gij, wier naam geheiligd zij,
    Uw wil geschiede; kóme uw heerschappij;
    Naast u aanbidde de aard geen andren god!

    Dat was een beetje veel van het goede. Maar met de dominantie van alles wat maar modern heette (Dada werd honderd jaar geleden geboren en nog steeds zijn er mensen die dat boeiend vinden) ging er iets mis, getuige het kwatrijn ‘Kunst’ van Gerard Reve, uit 1973:

    De schildert Aldert K., te R.,
    werkt overdag, voor het Bestel, abstrakt.
    Des nachts, in het geheim,
    schildert hij figuratief.

    Die tijd is voorbij. In Amsterdam hebben we op de tentoonstelling Opwinding in het Stedelijk Museum, nog eens kunnen zien welke monsters de twintigste eeuw heeft gebaard, dus nu óp naar Leeuwarden, waar de deur naar een heerlijk nieuw tijdperk op een kier is gezet.

     

     

  • Watertaal

    Politiek is niet alleen het maken van beleid. Het is ook het aanpassen van woordgebruik ter verhulling van onvermogen om tot beleid te komen. Onze premier vond zichzelf waarschijnlijk kordaat toen hij ‘Pleur op!’ zei tegen de hier wonende Turken die zich liever beroepen op Turkse dan Nederlandse normen. Het verhulde dat hij eigenlijk niet goed weet hoe het probleem aan te pakken. Vorige week besloten het CBS en de WRR de termen allochtoon en autochtoon niet meer te gebruiken. Ze zijn te stigmatiserend en niet precies genoeg. Ze worden vervangen door ‘inwoners met een migratieachtergrond’ en ‘inwoners met een Nederlandse achtergrond’; een gruwel lijkt me voor tekstschrijvers die deze groepen vaak moeten benoemen. En is een kind van een Turkse vader en een Nederlandse moeder, dat hechte banden met haar Turkse familie wenst te onderhouden, straks een inwoner met een Nederlandse achtergrond? Ik hoor al roepen dat haar liefde voor haar vader wordt miskend. Stigmatiserend! Niet precies genoeg! Maar vooral verhult de nieuwe benaming de onmacht en verlegenheid.

    Onlangs woonde ik een lezing bij van Marlou Schrover, hoogleraar Migratiegeschiedenis aan de Leidse Universiteit. Zij vergeleek de huidige vluchtelingenstroom met golven immigranten uit het verleden. Benamingen die een aardig detail vormden in haar betoog. ‘Watertaal’ noemde ze het. Het is een tendens om over de problematiek te spreken in metaforen die aan water zijn ontleend. Zegswijzen als ‘vluchtelingenstroom’, een ‘vloedgolf’ van illegalen, een ‘tsunami’ van moslims, die ons ‘overspoelt’ en waartegen ‘dijken’ moeten worden opgeworpen, zijn zozeer ingeburgerd dat we niet beseffen dat ze vrij nieuw zijn. Een woord als ‘vluchtelingenstroom’ kennen we sinds de Tweede Wereldoorlog; een ‘vloedgolf van illegalen’ duikt rond 1980 in de media op; en om een ‘tsunami van moslims’ ingang te doen vinden waren eerst een Aziatische zeebeving in 2004 en de beeldspraak van een extreem rechtse politicus zo’n tien jaar later nodig.
    Haar gespreide handen voor zich uit strekkend, beeldde Marlou Schrover iemand uit die probeert het water tegen te houden. Zo maakte ze duidelijk dat watertaal staat voor machteloosheid. De politiek voelt zich overstroomd en kan zich nauwelijks staande houden. Watertaal verhult een gebrek aan oplossingen.

    Allochtoon en autochtoon zijn eveneens bedacht in 1989. Maar verrassender vond ik dat het woord ‘asielzoeker’ pas sinds het midden van de jaren ’80 wordt gebruikt. Ook deze benaming verhult in zekere zin een onmacht. Eeuwenlang noemden we ‘vluchteling’ iemand die probeerde te ontkomen aan levensbedreigende situaties in eigen land. Maar het werden er zoveel, en we wisten zo slecht wat we ermee aan moesten dat we een blokkade opwierpen. Iemand die zijn land had verlaten en hier bescherming zocht, moest eerst maar eens bewijzen dat hij vluchteling was.

    Opvallend is dat we sinds de tachtiger jaren zo overhoop liggen met onze terminologie. Omdat er ineens veel meer vluchtelingen kwamen? Nee. Feitelijk zijn er, in verhouding tot het verleden, helemaal niet zoveel gekomen, zelfs niet in de afgelopen twee jaar. Dat bleek vooral uit het verhaal van Schrover.
    Eenmaal weer thuis, pakte ik het boek Komen en gaan (2008) uit de kast. Ze schreef het met haar Leidse collega Herman Obdeijn. Hoewel het dateert van vóór de ‘stromen’ van de laatste jaren, heeft het aan actualiteit niets ingeboet. Bij gebrek aan kennis van de feiten en van de geschiedenis zien we nu reacties en angstreflexen die al sinds eeuwen opkwamen. Wie meer wil begrijpen van onszelf in anno nu: lees dit boek.

     

     

     

  • Steeds hetzelfde boek

    Er zijn schrijvers op wie ik wacht. Herman Koch, Douglas Coupland: zodra ze met een nieuw boek komen, voelt het alsof ik een beetje jarig ben. Dus toen Worst. Person. Ever enkele jaren geleden in de winkel lag, maakte ik nog net geen vreugdedansje. Een nieuwe Coupland, wat heerlijk! Wild enthousiast nam ik zijn jongste mee naar huis. ’s Avonds, in bed, opende ik het boek. Ik las een hoofdstuk, nog een, zuchtte en legde het weer weg. Wat een teleurstelling. Coupland, die naar mijn idee telkens heerlijke variaties op hetzelfde boek schrijft, verveelde me.

    Is het bezwaarlijk wanneer een schrijver steeds hetzelfde boek schrijft? Dat ligt eraan. Schrijvers die steeds hetzelfde verháál vertellen, zij het in een iets andere vorm, zullen zichzelf op zeker moment achterhalen. Interessanter wordt het wanneer een schrijver telkens hetzelfde onderzoek doet. Zo is Toni Morrison altijd bezig met de onderdrukte en achtergestelde mens, maar de wijze waarop zij haar thema’s in haar literatuur behandelt, verschilt – vergelijk bijvoorbeeld Home met Beloved.

    Stephen King zou eens hebben gezegd dat hij zijn personages in extreme situaties laat belanden en kijkt hoe ze daarop reageren. Ik kan natuurlijk de juiste quote niet meer vinden, vermoedelijk komt het uit On Writing, maar die gaf ik weg – het enige wat me spijt is dat ik het nog niet opnieuw kocht. De vraag is: schrijft King met deze werkwijze steeds hetzelfde boek? Naar mijn idee niet: vergelijk Carrie met boeken als The Shining en Pet Sematary of The Green Mile, Cujo als je wilt. Het zijn allemaal extreme situaties en er komen veel bovennatuurlijke elementen in voor. Maar waar King in Carrie over anders-zijn en pesten schrijft, over de kracht van ‘nu ga je te ver’, verhaalt The Shining over de gekte van isolatie; Pet Sematary en Cujo gaan ieder op hun eigen manier (onder meer) over ouderschap en het meer dan briljante The Green Mile behandelt goed en kwaad. Ondanks de typische King-elementen zijn de boeken niet zomaar met elkaar te vergelijken.

    Marlen Haushofer is ook zo iemand met een hardnekkige onderzoeksvraag. Telkens lijken haar personages, veelal vrouwen, tussen verlies en overleven te zitten – zie De Mansarde, De Wand, Wij doden Stella, lees de verhalen in Ontmoeting met de onbekende, in het bijzonder I’ll be glad when you’re dead. De wereld glijdt uit hun handen of staat op het punt dit te doen, maar de personages zijn niet bij machte er iets tegen te doen. Geen moment denk ik: dit heb je me al eens verteld.

    Natuurlijk moet een lezer niet te hard zijn. Als ik het mijn man vergeef dat hij melkchocolade koopt in plaats van puur (hallo?!) dan moet ik Coupland een misser kunnen vergeven. En dus sta ik opnieuw te kirren bij de kast in de boekhandel als ik de bundel Bit Rot zie staan: essays en korte verhalen. Thuis begint het bekende ritueel: in bed, kat en man aan mijn zij, leeslampje aan. Mocht ik Couplands bundel halverwege beu zijn, dan wacht me nog altijd de nieuwe Herman Koch.

     

     

  • Lege kamers

    In mei van dit jaar overleed Jenny Diski. Ze publiceerde romans, reisboeken en essays. In haar jeugd woonde ze een aantal jaren bij Doris Lessing – schrijver van meer dan tachtig romans en verhalen – in huis. Lessing kende ik van het Golden Notebook. Ik las het eind jaren tachtig, toen de romancyclus De jaren des onderscheids van Sartre in bepaalde kringen relaties op scherp zette. Het Golden Notebook was voor de vrouwen die zich van die opscherp gestelde relaties hadden losgemaakt, en overgingen tot een enigszins ingewikkelde zelfontplooiing. Want het was een ongelooflijk complexe roman. Met veel perspectiefwisselingen en alter ego’s. Ik kwam er niet doorheen, maar mijn bewondering voor haar als schrijver nam een vlucht. En ik begreep: niet alles wat geschreven is, hoeft te worden doorgrond. Er zijn boeken die alleen maar in de boekenkast dienen te staan. Om niet te vergeten dat ze er zijn.

    Lessing verliet op vijftien jarige leeftijd het ouderlijk huis. Dertig jaar later – toen Jenny Diski vijftien was, een verknipte jeugd en een opname in een psychiatrische kliniek achter de rug had – liet Lessing haar weten dat Diski bij haar en haar zoon kon komen wonen. In datzelfde jaar was ik acht, pleegde Sylvia Plath zelfmoord en dacht ik er serieus over van huis weg te lopen. Ergens droomde ik toen van een vrouw als Doris Lessing die me op een briefje liet weten dat ik bij haar kon komen wonen. Omdat ze een groot huis had en er kamers leeg stonden.

    In In Gratitude van Jenny Diski – een bundeling dagboekaantekeningen die ze schreef voor de London Review of Books – beschrijft ze hoe ze in dat huis van Lessing ronddwaalde. Die dagboeknotities begon ze te schrijven nadat in 2014 longkanker bij haar was geconstateerd. Een derde deel van In Gratitude is getiteld Doris and me. Haar leven begon werkelijkheid te worden vanaf het moment dat Doris Lessing haar in huis nam. Ergens schrijft Jenny Diski dat Lessing haar geleerd heeft te schrijven. Niet door schrijflessen, maar door te leven bij iemand die voor alles schreef. Diski begreep dat schrijver zijn niets meer of minder is dan: getting on with it.

    Iemand in een lege kamer achter een gesloten deur weten. Ritselende schrijfgeluiden of tikkende aanslag van een typemachine doordringen de atmosfeer. Leven in een huis waar de helderheid van het geschreven woord voorop staat, leek me wonen als in een huis waar je op wolken liep en waar de zon als een bundel strijklicht over de plankenvloer schijnt.
    Lessing hield niet van Sylvia Plath herinnerde Diski zich, maar wel van ‘Poor Ted’. Dat was in het jaar dat ik ongemerkt al op zoek ging naar een groot huis met lege kamers.

     

     

     

  • Bovenaardse E

    In het prachtige boek Revival van Stephen King komt een soort mantra voor: ‘De E was bovenaards, Schakelen tussen a-mineur en E (…) doet altijd dreigend onheil vermoeden’. In ieder geval staan volgens hoofdpersoon Jamie Morton de beste popsongs in deze toonsoort. Het is in ieder geval één van de eerste akkoorden die een popgitarist leert. En niet alleen popmuziek, ook de mooiste klassieke muziek die ik ken staat in E. Neem alleen al het openingskoor van Bachs Matthäus Passion.  Meer hoef ik toch niet te zeggen?

    Allerlei componisten en muziekwetenschappers hebben zich in het fenomeen ‘ E’ verdiept. Volgens Mattheson, een tijdgenoot van Bach, staat de toon(soort) voor ‘dodelijke droefheid’, maar volgens zijn tijdgenoot Rameau is het ook geschikt voor vrolijke liederen. Quantz meent dat je er ook woede mee uit kunt drukken. Anderen verbinden de klankkleur met de kleur geel. Met levensvreugde en vroomheid. Kortom: je kunt er veel kanten mee op.

    Hoe het ook zij: ik herken wat Kings hoofdpersoon zegt, want ik heb zelf ook wat met die toon. Hij zakt niet in de diepte weg, maar neigt ook niet naar de hoogste, schrille regionen. Hij zit er tussenin: een beetje aards en donker, en een beetje bovenaards en licht. En geel, ja: dat is toevallig ook mijn lievelingskleur, en – las ik in zijn nagelaten werk – ook van Frans Pointl.

    Zou de voorliefde voor een bepaalde toonsoort iets over iemands karakter zeggen, net zoiets als een blik in de boekenkast dat kan doen? Ik denk het wel, al schieten geleerden als Mattheson en consorten alle kanten op. Nu pas meen ik te begrijpen waarom sommige kennissen en vrienden hun mails ondertekenen met alleen de eerste letter van hun voornaam – niet uit gemakzucht om hun hele naam te moeten typen, want daar bestaan automatisch te genereren handtekeningen voor. Maar omdat het tevens hun lievelingstoon(soort) is!

    Als het met een voornaam niet lukt, kom je met een achternaam soms ook een heel eind. De volledige achternaam van Bach (op zijn Duits gespeld) leende zich zelfs voor hele composities: Bes – A – C – B; als je ‘BACH-motief’  in Google intypt, krijg je een overigens verre van volledig lijstje voorgeschoteld.

    Ik heb inmiddels geprobeerd wat de uitwerking is van het ondertekenen van mijn naam met louter een E. Er kwam geen enkele reactie; ligt het zo voor de hand? Dat ik daar dan niet eerder op ben gekomen!

     

  • Serieuze aangelegenheid

    Kunstkritiek is een serieuze aangelegenheid, of het nu gaat over beeldende kunst of literatuur. Je matigt je een oordeel aan over het bloed, zweet en tranen van een ander, wat mag en goed is. Maar wat je niet lichtzinnig moet doen. Daar mag je dus best een beetje over nadenken. Dat is wat Charles Baudelaire (1821-1867), dichter, essayist en misschien wel bekendste kunstcriticus van zijn tijd, ook deed.

    Volgens Baudelaire wordt goede kritiek ‘geboren in de baarmoeder van de kunst’. Een stellingname waaraan ik denken moest toen ik vorige week een masterclass recenseren volgde. Literair criticus Arjen Fortuin vertelde hier over de ‘Tien geboden voor de criticus’, die hij een paar jaar geleden als literair-kritische gimmick heeft opgesteld. Met een knipoog weliswaar, om het al te overmatig serieuze eraf te halen, maar desalniettemin met een ondertoon die net zo serieus is als de kunstkritiek zelf. Dat blijkt al direct uit het eerste gebod: ‘Gij zult onderscheiden wat kunst is en wat niet.’ Alsof je de echo van Baudelaire hoort. En de toon is meteen gezet. Of je nu positief of negatief bent; kritiek moet altijd gaan over iets dat ertoe doet. Dat het waard is besproken te worden. Anders hoeft het niet in de krant of op de website van LiterairNederland gepubliceerd te worden.

    In zijn achtste gebod stelt Fortuin dat een literair criticus in de eerste plaats zelf ook goed moet schrijven, omdat anders niemand gelooft dat je kunt lezen. Je moet de lezer bij de kladden grijpen, zoals Baudelaire dat natuurlijk als geen ander kon. Met een duidelijk eigen visie, authentiek en prachtig geformuleerd: ‘De ware schilder is de schilder die het leven van alledag zijn heldhaftige kant weet af te dwingen, die ons met zijn verf of zijn tekenstift leert bevatten hoe groots en poëtisch wij zijn met onze stropdassen en laklaarzen.’ Waarbij dat ‘leven van alledag’ voor Baudelaire overigens cruciaal was. Hij vond dat kunstenaars zich moeten uitdrukken in een (beeld)taal die de tijd waarin ze leven spiegelt. En dat de moderne tijd waarin hij zelf leefde, met al zijn veranderingen en industrialisatie, vroeg om een nieuwe techniek, die de luchtigheid van het moment beter zou vastleggen dan de traditionele kunst deed. Een wens die een aantal jaren later door de impressionisten zou worden ingewilligd.

    Deze relatie tussen kunstcriticus Baudelaire en de kunstenaars om hem heen illustreert ook dat goede kritiek niet alleen de lezer beroert, maar ook de maker van het kunstwerk zelf. En het is een perfect voorbeeld dat goede kunstkritiek ook bijdraagt aan de ontwikkeling van de kunst. Omdat een goede kritiek als het ware een betekenis toevoegt aan een boek of schilderij, die de schrijver of schilder er misschien niet heeft ingelegd, maar die wel door de criticus gezien wordt. Wat mag, mits je het goed beargumenteert. Want kunstkritiek is een serieuze aangelegenheid.

     

     

  • Zaken om te overdenken

    Wat je moet doen als het je teveel wordt. Pak een boek van een schrijver die als enige ambitie heeft een verhaal te willen vertellen. Een schrijver die met woorden een beeld schetst zoals een schilder een glooiend landschap opzet met daarin een stervende zwaan of een ingezakte schuur. Het is het beeld van de vergankelijkheid dat troost biedt. Verhalen waarin je wordt meegevoerd en toch op veilige afstand blijft, scheppen ruimte voor beschouwingen. Natalia Ginzburg (ik weet het) is zo iemand, en Updike en Steinbeck (ook al vaker over gehad) en Sherwood Anderson. In zijn verhalen in Winesburg, Ohio doen de mensen wat ze moeten doen. Een man een man een woord een woord. Zoiets.

    Ergens schrijft Anderson over vier broers die als ‘bezetenen’ werken en op zaterdagmiddag naar het dorp gaan. Waar ze in een winkel rond een kachel gaan staan en min of meer praten met andere boeren. ‘Ze hadden overalls aan en in de winter droegen ze daar zware jassen overheen die vol modder zaten. De handen die ze naar de gloed van de kachel uitstrekten waren rood en gekloofd. Praten viel hen niet gemakkelijk, daarom zwegen ze meestal.’ Een meesterlijk beeld waar ik uren naar kan kijken. Naar die kachel, waaromheen gestaan wordt. Ik zie een niet al te grote ruimte met een vloer van uitgesleten planken en een grote kachel waar mannen met stugge haren en ongemakkelijke lijven om heen staan. Die drinken en roken en van zich af spugen. Dan krijg ik ook zin om van me af te spugen. Het leek me zo op te luchten om van je af te kunnen spugen zonder te hoeven denken aan hoe de vloer daardoor bevuild zal worden. Wie dat dan weer schoon moet maken.

    Van de week had ik het boodschappen doen steeds uitgesteld. Dat krijg je als alles je teveel is, dan vertoon je uitstelgedrag. Ik moest het doen met een restje yoghurt, wat droge crackers en Sherwood Anderson. Lezen is altijd een goede reden voor wat dan ook. Ik ritste tussendoor met scheurend geluid stroken papier van de ongelezen kranten en stopte die in de kachel. Dat kan. Dat je een dag voor de kachel doorbrengt met de gebroeders Bentley, die alle vier sneuvelden in de Burgeroorlog. Tot overmaat van ramp overleed ook hun moeder nog. En de vader kon het niet meer aan en verwaarloosde de boerderij. Toen moest de jongste zoon Jesse, die in de stad studeerde, naar huis komen en de zaak overnemen. En door hem loopt het allemaal niet goed af. ‘Jesse Bentley was een fanaticus. Hij was in de verkeerde tijd en op de verkeerde plaats geboren, daar leed hij onder en liet hij anderen onder lijden.’ Zijn vrouw stierf in het kraambed. Jesse haalde er zijn schouders over op en werd een man die in een stoel zijn zaken overdacht. Ach, dat leek me ook wel wat. In een stoel zitten en mijn zaken overdenken en alles aan me voorbij laten gaan.