• Interculturele dialoog

    We schrijven augustus 1977. Ik zat op de eerste rij bij een recital in de St. Annakerk in Brugge. Eén van de musici was de Spaans-Catalaanse viola da gamba-speler Jordi Savall. Het leek wel of hij alleen voor mij speelde, want hij keek mij veelvuldig aan. Ik voelde me vereerd, maar ook steeds meer opgelaten. Toch volg ik vanaf dat moment de carrière van deze grote musicus – die in 1991 doorbrak met de film Tous les matins du monde – met steeds meer bewondering. Zeker de laatste tijd, waarin hij bruggen bouwt tussen muziek uit oost en west, noord en zuid, joden, christenen en islamieten. Niet voor niets werd hij in 2008 door de Europese Unie benoemd tot ambassadeur van de interculturele dialoog.

    Eén van Savalls aandachtspunten is de Mozarabische kunst uit Spanje. Ook Louis Couperus heeft er stil bij gestaan en een roman geschreven over het Granada uit de 15de eeuw: De ongelukkige. Daarin staat een prachtige passage over wat het symbool van een veelal gelukkig samenleven tussen joden, christenen en moslims in Andalusië is: de Leeuwenhof in het Alhambra. Dat gaat zo: ‘De zuilen, de slanke, bloemgestengelde zuilen, zoo tenger en teêr en bros en broos, bloeiden naast elkaar op tot kelkachtige kapiteelen; de bogen zwollen breed en spitsten dan puntiglijk uit; de teedere architectuur, onwaarschijnlijk van tooverachtigheid, zelfs in het helle licht van dit zonnemorgenuur, lijnde en boogde tot het paleis van een peri; in het midden van het hofverschiet spuwden de betooverde leeuwen de stralen, spoot de hoogste straal òp uit het groote bekken en viel neêr tusschen de droomende bloemen, goudblank op zwanehalssteelen, de arums, die tusschen de fonteinewateren met hare langwerpige bladeren zich hieven of neêr vielen als bezielde wezens bloemwezens, smachtend en sierlijk, onder het azuur boven den hof.’

    Een paradijselijk tafereel, en dat wilde de Leeuwenhof ook uitstralen. Romantisch? Deels, wellicht. Net als het feit dat Alfonso el Sabio, die vanaf 1252 koning was van Castilië en Léon, behalve vrouwen ook moslims en joden als hofmusici in dienst had. Volgens de een was dit omdat de koning hun spel hoog achtte, volgens de ander niet meer dan een soort wapenstilstand omdat haat tegen joden en islamieten gewoon doorging. Net als nu.

    Gelukkig zijn er meer ensembles die net als El Sabio en Jordi Savall ‘altijd op zoek zijn naar intrigerende samenwerkingen met musici uit andere culturen’, zoals in het programma 2016-2017 van het Nederlands Blazers Ensemble viel te lezen. Een voorbeeld uit dat concertseizoen was het programma Stemmen uit het Oosten met Moshen Namjoo, de ‘Bob Dylan uit Iran’ en de Iraans-Nederlandse verhalenverteller Sahand Sahebdivani. Van de leider van het ensemble, hoboïst Bart Schneemann, hangt terecht in de Eregalerij van de eenentwintigste eeuw in de Amsterdamse Hermitage, een prachtig portret van Mariecke van der Linde. Ere wie ere toekomt! Jordi Savall, Alfonso el Sabio én Bart Schneemann.

     

     

  • Xenofobie reflex

    Boeken die ooit indruk op me maakten werden persoonlijkheden. Ze staan als raadgevers in mijn kast en er zijn maanden, zelfs jaren, dat ik ze geen aandacht geef. Maar dan is er ineens zo’n moment dat ze me brutaal aankijken.

    Het gebeurde me de afgelopen week. Ik had genoten van Ivanov van Hanna Bervoets waarna vanaf de planken wetenschapshistorie in mijn boekenkast ineens Evolutionair denken. De invloed van Darwin op ons wereldbeeld van Chris Buskes mijn aandacht trok. Ik had het boek een jaar of tien geleden gelezen en het had me toen geïmponeerd. Hoewel ik me het niet kon herinneren, zou Ivanov er toch beslist in besproken worden, dacht ik ineens. Maar in het namenregister ving ik bot. Ik sloeg het hoofdstuk over sociaal-darwinisme en eugenetica er voor de zekerheid nog op na, maar inderdaad: niets over de man die probeerde apen en mensen te kruisen om een tussenvorm van beiden te kweken.

    Het bladeren door dat hoofdstuk bezorgde me een reflectie op een vraag die mij evenzeer bezighield: wat zit er achter de angst in de ‘beschaafde’ wereld voor vluchtelingen? Of, in het geval van Trump: de angst voor elke inwoner van de door hem verdoemde moslimlanden? Ik lees bij Buskes: ‘Competitie en concurrentie vormen de sleutel tot de vooruitgang’, stelde Herbert Spencer, de uitvinder van de term ‘survival of the fittest’ halverwege de 19de eeuw: ‘Ondernemingen die niet zijn aangepast aan de harde eisen van de kapitalistische vrije markt sterven uit’. Spencers gedachten sloegen aan bij zakentycoons in Amerika, die dachten dat ‘concentratie van macht en rijkdom in de handen van enkele individuen essentieel was voor de vooruitgang van de natie’.

    Dit sociaal-darwinisme kreeg in de vroege 20ste eeuw een vervolg in de eugenetica, de waakzaamheid tegen degeneratie van de eigen soort. Het eigen territorium moest worden verdedigd tegen ‘biologisch meer actieve rassen’. Amerika kreeg daarom in 1924 de Immigration Restriction Act, die toestroom van inferieure mensen moest tegengaan. Tot zover Buskes.

    De decreten van Trump zijn volgens mij een nieuwe variant op die wet. Is dat niet een te snelle constatering? Trump werpt zich immers op als beschermer tegen terrorisme, niet tegen infectering van het eigen volk. Toch geloof ik dat de conclusie niet te gewaagd is: in dit heethoofd zijn de zakenman, die net als zijn 19de-eeuwse voorgangers gelooft dat zijn macht en rijkdom de natie moeten redden, en een territoriumdriftige Trump, die bang is voor vreemd bloed, verenigd.

     

     

  • Engagement

    Het is al weer even geleden dat Aafke Romeijn schrijvers opriep zich te mengen in het publieke debat. De vraag die haar stuk bij me opriep, sluimerde al langer: in hoeverre zijn kunstenaars het aan zichzelf en de wereld verplicht om zich uit te spreken over – dan wel actief in te grijpen in de huidige maatschappij en de problemen die onze tijd met zich meebrengt?
    Soms voel ik me ongemakkelijk. Aan de ene kant denk ik: moet ik ook niet eens wat zeggen – over vrouwenrechten, seksisme, armoede in de wereld of over politiek? Anderzijds ben ik zo ontzettend meningen-moe. Als ik wil nadenken over rassenkwesties – vrouwenonderdrukking of wat voor onderdrukking dan ook – neig ik naar fictie. Niemand kan beter over vrouwen- en rassenhaat schrijven dan Toni Morrisson, om maar iets te zeggen. Of zij in haar romans uit eigen ervaring put of verzint, doet er niet toe. Het probleem blijft net zo actueel. Verschuil ik me hiermee achter andermans woorden, ontduik ik mijn plicht?

    Uit nieuwsgierigheid nam ik Vrouwen schrijven niet met hun tieten mee uit de bibliotheek. Misschien was die nieuwsgierigheid niet helemaal zuiver, misschien was ik al een beetje voorbereid op een lekker potje hate-reading, zoals ik Not that kind of girl van Lena Dunham enkel las om bevestigd te zien dat Dunham een vrouw-zijn bespreekt waarbij ik mij niet thuis voel.
    Er stonden goede stukken in het Tietenboek, eerlijke teksten die niet alleen over een individuele pijn gingen, maar deze juist aangrepen om een groter probleem te illustreren. Ik was onder de indruk van Alma Mathijsen en Anke Laterveer. Zoals deze vrouwen zijn aangetast, zo ben ik dat nooit. Dus kan ik alleen zeggen: wat is dat erg, hoe kunnen we ervoor zorgen dat zoiets niet meer gebeurt? Mijn plek is niet vooraan de barricade, dat is hun plek, hun pijn en niet de mijne. Indien Mathijsen en Laterveer willen, dan kunnen zij die pijn en woede prima zelf verwoorden – blijkt al uit hun teksten.
    Niet schreeuwen over iets dat niet jouw pijn is, daar geloof ik heel sterk in. Daarom vond ik het stuk van eerder genoemde Romeijn, waarin zij ingaat op de reacties die Anke Laterveer over zich heen kreeg met haar #zeghet-campagne op Twitter, nogal ergerlijk. Romeijn heeft geen ongelijk, die reacties waren vreselijk, maar is het aan haar om daarover te schrijven? En is het aan mij om daar weer over te schrijven?

    (Vermoeide zucht)

    Armoede en schending van mensenrechten zijn ook niet direct mijn pijn, dus zwijg ik daar liever over. Maar als iedereen zijn mond houdt, hoe lossen we deze problemen dan op? Daar ben ik nog niet over uit. De mensen die de moed hebben om op de barricades te gaan staan, hebben mijn bewondering. En wanneer het tijd is om mijn plek vooraan in te nemen, zal ik dat doen. Tot die tijd beperk ik me tot zorgvuldige voorzichtigheid. Er zijn al genoeg meningen. En er is een heleboel leerzame fictie.

     

     

  • Er wacht een boek

    Wat is dat toch dat als ik me ergens op verheug – denk aan een boek lezen van een debutant waarvan je nogal wat verwacht zonder dat je beloofd is dat het een boek zal zijn naar je verwachting en weet je ook wel dat je een debutant alle credits moet geven en gewoon hupakee, boek openslaan en lezen –  er opeens dringender zaken zijn die om voorrang vragen. Eerst moest de ontbijtboel de afwasmachine in, het aanrecht schoongeveegd, waarbij ik opeens allerlei vlekken zag die me niet eerder waren opgevallen; donkergele vlekken van geknoeide kurkuma tijdens het koken, donkerbruine kringen van gemalen koffie en een ondefinieerbare viezigheid langs de randen, nog nooit zo’n smerig aanrecht gezien. Met een ijver die me zelden overvalt maar me een gevoel gaf van: kijk mij toch eens lekker bezig zijn, boende ik met schuursponsje en huishoudzeep het hele aanrecht. Daarna demonteerde ik het espressopotje, poetste de randen en binnenkantjes en verving ook maar even de korrelig geworden rubberen ring – dat we daar koffie uit gedronken hebben – en nam al poetsend meteen de gootsteen mee.

    Ondertussen lag er een boek op de keukentafel – strakke cover, beetje yingyang in donker en licht – en nou ja, het zag er geweldig uit. Maar ik moest eerst maar eens koffie zetten en riep naar de anderen in huis dat er koffie was – als ik me ergens op verheug word ik behoorlijk kletserig en sociaal, wil alles met iedereen delen, ondertussen roepend dat ze niet op me kunnen rekenen. Dat ik zo een boek ga lezen. Zo zaten we dan koffie te drinken toen Mijn Lief zei dat hij geen sokken kon vinden, waarop Zoon liet weten dat er wel een ’teil vol’ van stond boven op de wasmachine. En omdat ik zo enthousiast was met alles omdat er een boek op me lag te wachten, riep ik: ‘Die ga ik wel even uitzoeken.’ Dus legde ik alle sokken naast elkaar op een rij en maakte er aannemelijke paren van. Een klus die tegenviel want na het vijfde setje was er geen match meer te maken met de overige dertig, maar ook Boring things verdienen de aandacht. Opgewekt toog ik naar beneden en was er klaar voor. Nadat iedereen de kamer verlaten had, nam ik het boek van tafel.

    Nu zeggen: “En ik las, en ik las, en las…”. Maar ten eerste houd ik niet van ‘puntje puntje’ teksten en ten tweede… is het wel waar. Vanaf het begin: “Boven slaapt de jongste. Alma brandt haar tong. Ze zet haar kop koffie neer en leunt met haar rug tegen het aanrecht. De laatste druppels chloorwater glijden vanuit haar nek naar beneden: ze heeft gezwommen en is net thuis. (…) Vandaag is het twee jaar geleden.”
    Ontrolt zich langzaam – en puntgaaf geschreven – een verhaal, een geschiedenis die prikkelt en kronkelt langs verschillende gebeurtenissen en achtergronden die elk op zijn tijd worden onthuld. Personages als herkenbare karakters, hoe klein hun rol ook is. En ik wist: Marijn Sikken beheerst het schrijven en weet hoe ze een roman moet construeren.

     


    Inge Meijer is een pseudoniem. Zij schrijft over boeken als steunpilaren van het leven en over de ontdekkingen die zij doet in de marges van de literatuur.

     

  • Zoektocht in marmer

    Sommige beelden zijn zo teer dat ze lijken weg te glijden. Zelfs als ze bijna twee meter hoog en uit het hardste marmer gehouwen zijn. Zodat je ze altijd wilt beschermen, omdat ze zo maar zouden kunnen vallen. Eén van de mooiste beelden in deze categorie is de Pietà Rondanini van Michelangelo. Veertien jaar werkte hij hieraan, tot de dood hem op 18 februari 1564 bezocht. Steeds zoekend naar de perfectie die hij wilde uitbeelden: de gestorven Christus in de armen van zijn moeder. Het was een moeizame zoektocht, die bij de dood van de beeldhouwer duidelijk nog niet ten einde was. Verschillende keren was hij op eerdere schreden teruggekeerd en had hij zijn Christus dieper in het marmeren blok gezocht. Steeds dieper.

    Michelangelo_pietà_rondaniniEen tot in perfectie uitgewerkte rechterarm – loshangend van het lichaam – getuigt nog van een verlaten zoektocht. Als in marmer gestold verdriet van de beeldhouwer die zich realiseerde dat hij afscheid moest nemen van deze Christus omdat in dieper marmer nog een andere Christus verscholen lag.
    Afscheid nemen kan enorm pijnlijk zijn. Vooral als het met afbraak gepaard gaat van een lichaam dat ooit krachtig was maar inmiddels door ziekte wordt verteerd. Het verslag van zo’n afscheid kan echter naast pijn ook troost bieden. Zoals blijkt uit Valt u al?, een fotoverslag van Milvia Luijendijk met fragmenten uit blogs van Jan Stoof, dat vertelt hoe Multiple Systeem Atropie Jan geleidelijk in zijn greep kreeg.

     

    De titel van het boek verwijst naar de vraag die een neurologe ooit aan Jan stelde om vast te stellen hoe ver de ziekte bij hem was voortgeschreden: “Valt u al?” Het blijkt één van de vele tekenen van het geleidelijke verval te zijn dat deze relatief onbekende ziekte veroorzaakt. Om meer bekendheid te genereren wilden Milvia en Jan hiervan verslag doen met dit aangrijpende boek als resultaat. Niet alleen aangrijpend omdat ik Jan persoonlijk kende, maar vooral omdat het pijn en troost zo dicht bij elkaar brengt. Pijn van de afbraak die normaal functioneren steeds meer in de weg stond. En troost van al het moois uit een leven dat bijna voorbij was. Dezelfde pijn en troost die ook te lezen was in de afscheidscolumns van Pieter Steinz. Valt u al? lijkt daar wel wat op, met dat verschil dat hier het beeld de boventoon voert. Zoals ook bij Michelangelo het beeld altijd op de voorgrond stond. Wat niet wegneemt dat hij ook prachtige gedichten schreef, over beeldhouwen, over liefde en over de essentie der dingen. Net als Jan overigens. Valt u al? sluit af met zo’n gedicht. Een gedicht dat net als Michelangelo’s Pietà Rondanini laat zien dat zoeken je altijd weer, met alle pijn en troost die erbij kan horen, dichter bij de kern brengt.

    Overal heb ik gezocht
    in vrienden
    in vrouwen

    in verre, vreemde landen
    in boeken
    En nergens was
    de eeuwige rust en vrede
    dan al die tijd al
    in mijzelf

     

     

  • Waarnemingen

    Het was een wat wonderlijke week. Na de hectische start van dit jaar – als een voortdurende apocalyps – viel deze week alles stil. De zon scheen, alles smolt, werd zacht en vloeibaar. Mijn mailbox bleef leeg, de telefoon stil. Het leek of plannen er niet meer toe deden en er voor elk boek een geschikt moment bleek te zijn. In deze stilgevallen week bleek dat het tijd was voor Onmiddellijke terugkeer van uw geliefde van Sander Kollaard. Ik weet niet meer waar ik het vandaan haalde (mijn indeling: gelezen/ongelezen/verhalenbundels/bio’s brengt me wel eens in verwarring) maar had het opeens in handen. Het was een rustige week en daar voegden de zinnen en de verteltrant van Kollaard zich met gemak in; langgerekt, af en toe brutaal, hier en daar een tikje verlegen.


    Toen ik het  boek opengeslagen in mijn handen hield, leek het of ik onder water getrokken werd.  De figuur Erik – die in alle verhalen voorkomt – staat als achtjarig jongetje aan de vloedlijn en ziet zijn vader in het water, die hem aanmoedigt er ook in te komen. Onbeweeglijk blijft hij op het zuigende natte zand staan waarin hij steeds verder wegzakt. Als een oponthoud in zijn leventje waarvan elke betekenis herzien moet worden. In alle verhalen is Erik de verteller, als kind, als getrouwd man, als vader, als student. Erik neemt de dingen zeer indringend waar. Kollaard beschrijft dat in registrerende zinnen die alle ruimte geven om er wat van te vinden. Betoverende verhalen over kleine, niet-noemenswaardige waarnemingen die, als je ze serieus neemt, je erdoor laat beïnvloeden, gevolgen kunnen hebben. Zoals de volwassen Erik zich op een ochtend bij het scheren in zijn rechterwang snijdt. Hij slaakt een kreet,  die hem schokt omdat hij de kreet niet herkent als van hemzelf.  “Verrast door de merkwaardige kreet verstarde ik, keek mijzelf aan in de spiegel en kreeg een tweede schok: ik herkende mijn spiegelbeeld niet – althans niet volledig.” En nee, dit wordt geen vervreemdend verhaal. Kollaard haalt er de wetenschap bij. En Erik laat een baard groeien om ervan af te zijn.

    Hypochondrisch ben je als je alles te zwaar neemt, overal wat achter zoekt. Erik is daar goed in. Hij registreert, oordeelt en onderzoekt zijn angsten die uit het oordeel van zijn waarnemingen zijn voort gekomen. In elk verhaal blijft hij ‘haken’ aan een gebeurtenis, een op het oog nietszeggend dingetjes. Zoals het doelpunt dat Marco van Basten in de EK-finale van 1988 maakte. Erik is daar getuige van: “Van Basten loopt juichend weg en over de hele wereld raken voetbalminnaars in extase.” En dan: “Ik niet. Natuurlijk zag ik hoe mooi het doelpunt was (…)  – ik sprong zelfs uit mijn stoel.” Maar: “Er klopt iets niet.”  En dat gevoel wordt onderzocht. Hij wil exact weten waar dat gevoel op stoelt. Een boek waarin de waarneming bevraagt wordt. Dat het belangrijk is vragen te stellen – niets is wat het lijkt – leerde ik in deze wat wonderlijke week. En de uitkomst? Doet er niet altijd toe. Een fijn boek.

     

     


    Inge Meijer is een pseudoniem en wil dat zo houden. Zij schrijft over boeken als steunpilaren van het leven en over de ontdekkingen die zij doet in de marges van de literatuur.

     

  • Bungelen aan een zijden draad

    1.
    ‘Muziek is geen entertainment’ las ik onlangs ergens. Het zal vast binnen de context van de zin en bedoeling van muziek ten tijde van cultuurbezuinigingen zijn geschreven. Het citaat speelde opeens door mijn hoofd toen ik in het Amsterdamse Concertgebouw de wereldpremière bijwoonde van Amérique du Nord van de componist Richard Rijnvos.

    Zelf schreef Rijnvos in het programmaboekje bij het concert van het Koninklijk Concertgebouworkest: ‘Het werk is een denkbeeldige roadmovie, kriskras door de Verenigde Staten, met halverwege een omweg door Mexico. De talloze belevenissen onderweg laten een bonte verzameling muzikale indrukken achter (…): een luidruchtige file (…), een sneeuwstorm (…), een naargeestig hotel (…), razen door de straten van New Jersey, Massachusetts en New York.’

    Een roadmovie was het, met talloze citaten uit filmmuziek. En het verhaaltje was duidelijk te volgen; vooral het slagwerk had een grote rol in het geheel, met getoeter, geratel, gefluit en ga zo maar door. Vier jonge mensen die op de bovenste rij van het podium zaten, hadden een goed zicht op de keuken van het slagwerk en wezen elkaar regelmatig lachend op iets leuks wat daar gebeurde. Ze vermaakten zich er kostelijk mee, net als ik, die overigens van het slagwerk vanuit de zaal niets zag. Entertainment op z’n best. Of mag het toch ietsje meer zijn?

    2.
    Eén van de onderdelen van de bundel Versjes, die onlangs bij uitgeverij Narratio verscheen van de hand van Dick Boer, heet: ‘Alles is politiek.’ En eigenlijk kun je naar zo’n stuk als dat van Rijnvos ook niet luisteren zonder te denken aan wat nu in de Verenigde Staten en de wereld gebeurt. Eén van de versjes luidt:

    een theezakje bungelt aan een zijden draad
    het water wacht geduldig
    tot het thee wordt
    beschuiten zitten onder de boter
    hagelslag ligt verstrooid te wezen
    het ei breekt zijn hoofd
    de jampotten hebben hun deksels
    afgeworpen
    het ontbijt kan beginnen

    Een stilleven stolt het theezakje, de beschuiten enz. Maar dat niet alleen – het geduld wil ze ook bewaren voor later, de tijd waarin de zachte krachten hebben gewonnen. Zachte boter en een wie weet zacht gekookt eitje staan er symbool voor. Maar wellicht ook voor boter op ons hoofd, dat qua gedachten te verstrooid is om de problemen in de wereld te vatten en het feit dat we ons hoofd breken over wat er allemaal om ons heen gebeurt.

    3.
    Misschien zit het geheim van het stuk van Rijnvos en het versje van Boer hierin, dat het gewoon leuk is om naar te luisteren en het te lezen, maar dat ze tegelijkertijd een diepere, al dan niet politiek geladen laag in zich bergen; na Trumps ‘Ik stuur het leger wel om de slechte hombres aan te pakken’, luister je – anachronistisch weliswaar – toch anders naar Rijnvos’ uitstapje naar Mexico.
    Een boodschap mag je er als luisteraar/lezer zelf uithalen. Muziek is niet louter entertainment, maar mag dat gelukkig óók zijn. Zoals Kees Schuyt in de titel van zijn recent verschenen boek over Spinoza vreugde, vrijheid en democratie aan elkaar koppelt. Zoiets.

     

     

  • Een toevalsboek

    Soms kom je een boek tegen waarvan je nog geen idee hebt dat het enorm veel met je gaat doen. Zo’n boek kies je niet per se zelf uit, je loopt er tegenaan, iemand geeft het je of je vindt het op een rommelmarkt waar je het koopt omdat er een ander boek ligt dat je erg graag wilt hebben en er een bordje hangt met ‘twee voor de prijs van een’.

    In de winkel waar ik als tiener werkte kwamen meer sigaren dan boeken binnen en was het haalbaar alle binnengekomen titels te bekijken. Op een ochtend stuitte ik op Het monsterverbond, dat ik direct afrekende en in mijn tas stopte. Een middag later kwam een jonge vrouw het ophalen.

    ‘Ophalen?’
    ‘Jazeker,’ zei ze. ‘Ik heb het vorige week besteld.’

    Gelukkig kon ze erom lachen toen bleek dat ik in mijn enthousiasme was vergeten te kijken of het boek gereserveerd was. In mijn lunchpauze fietste ik naar huis om haar exemplaar op te halen, voor mezelf bestelde ik het opnieuw. Vele jaren later staat Carolien Roodvoets boek over destructieve relaties nog steeds in mijn kast – De aantrekkingskracht van foute mannen – is de ondertitel.

    Op Utrecht Centraal, wachtend op de man met wie ik een heleboel bier ga drinken, duik ik de gratis minibieb in om er weer uit te komen met The Color Purple van Alice Walker. Op de valreep van het jaar wordt dat een van mijn favoriete boeken.

    Ik blader online het aanbod e-books door en kom een roman tegen met de titel: Het regende vogels. Alles klinkt mooier in het Frans, zo ook deze titel van de roman van Jocelyne Saucier, Il pleuvait des oiseaux, maar ik heb als dwarse puber Frans laten vallen zodra ik de kans kreeg en daar pluk ik nu geen vruchten van. De vertelling over de Canadese bosbranden van begin twintigste eeuw, over recht op zelfbeschikking, over ergens bij horen, is echt een aanrader.

    Tijdens de volle twee weken waarin ik op andermans huis pas, trek ik uit lome nieuwsgierigheid een Graham Greene uit de kast en blijk Een opgebrand geval geniaal te vinden.

    Door het trefwoord ‘katten’ in te toetsen op de zoekmachine, kom ik een autobiografische roman tegen van een Franse actrice die haar jeugdtrauma dankzij haar huisdieren weet te overleven. Onbegrijpelijk dat de Nederlandse titel Mensenkatten is en niet ‘Toevalskatten’, de term die Duperey zelf hanteert voor de bijzondere beesten die haar door het leven hebben geloodst. Oorspronkelijke titel: Les chats de hasard. Het boek eindigt met de conclusie dat Dupereys huidige katten geen toevalskatten zijn. En dat dat niet erg is, de poezen vermaken haar, maken haar aan het lachen, ze is dol op ze. Maar misschien ooit, mijmert ze, tref ik er weer een.

    Zo is het met mij en de boeken. Ik lees er een heleboel, ze vermaken me, sommige maken me aan het lachen, veel ervan vind ik goed. Soms zit er een toevalsboek tussen. Ik ben benieuwd naar de volgende.

     

     

  • Gewoon door

    Ik heb bewondering – die grenst aan adoratie – voor mensen die in stilte hun werk doen, gewoon omdat ze er goed in zijn. Zoals schoenlappers in Coimbra die achter een open venster in de muur zitten te kloppen en tikken op lederen vormen en daarmee een degelijk product weten neer te zetten. Of de tuinman die de leibomen onder handen neemt, hoog op zijn ladder staand, snoeit waar gesnoeid moet worden. Het is de aandacht voor de klus die ze onder handen hebben, wat me bekoort. De trefzekerheid waarmee ze het doen, secuur en kundig. De schoenmaker met de spijkertjes die in de zool geslagen moeten worden tussen zijn lippen, er telkens een uitnemend, op de juiste plaats aanbrengend, erin tikken met de hamer en zo door.

    Schrijvers die van niets anders willen weten dan schrijven, liefst met potlood in schriftjes waarin met regelmatig handschrift zinnen worden opgeschreven die gevormd werden door gedachten en beelden die voor het geestesoog van de schrijver verschenen. Die  scheppende interactie tussen geest en papier, waar alles voor wijken moet. Daar is waar mijn adoratie ontstaat; dat alles er voor moet wijken. Dat je alleen nog maar kunt leven in je boeken zoals Slauerhoff schreef ‘In mijn gedichten wil ik wonen’. Dat is het hoogste wat je als schrijver kunt bereiken. Leven als schrijver is schrijven in alles.

    Dat zou ik ook wel willen, me op zolder of in een schuurtje terugtrekken met alleen een stoel en een ruwhouten tafel. Mijn lief en kinderen laat ik achter in het huis, daar vermaken zij zich wel. Af en toe steek ik mijn neus om de hoek voor een verschoning of een boterham. Geen andere uitstapjes dan naar boekhandels en kringloopwinkels voor leesvoer en schrijfgerei.

    En dan zeggen: ‘Ik deugde nergens voor, toen ben ik maar gaan schrijven.’ Bij veel schrijvers die dit zo stellen, klopt het; zij zijn voor het schrijverschap bedoeld. Ze zetten er alles voor in, een goed huwelijk past daar niet bij. Niet bij de schrijvers die ik voor ogen heb. Jeroen Brouwers dus, die ook ergens in een interview zei dat hij nergens geschikt voor was en toen maar is gaan schrijven. Van Brouwers geloof ik het meer nog dan van enig andere schrijver.

    In de jaren tachtig was mijn adoratie voor deze schrijver zo nijpend dat ik naar de boekpresentatie van De zondvloed moest. Ik hield niet van boekpresentaties. Ik meed ze als zijnde gênante vertoningen waarbij de schrijver wordt ingezet als USP (unique selling point) wat beneden hun waardigheid is. Er was een podiumpje op het trottoir waarop Brouwers wat ongelukkig van zich afkeek. Later vormde zich een rij voor de signeersessie. Met verkrampte glimlach en het zweet op zijn voorhoofd keek hij steeds opnieuw op en signeerde zijn boek. Beter was het dat de schrijver – gelijk een koning – na gedane arbeid gewoon thuis bleef en een wandelingetje maakte in zijn tuin of omliggende landerijen en zich daarna voor de haard een goed glas wijn liet serveren. En dan gewoon door.

     

     

  • Dromen najagen

    Het is fascinerend. Iemand die zijn dromen achterna jaagt, ze realiseert, of toch maar niet. Je ziet het vaak in de kunst. Soms drukken schilderijen pure verwachting uit en lijken ze tegelijkertijd een in olieverf gestolde ongewisheid. Een voorbode van wat nimmer komen zal. Zoals Vincent van Gogh’s Terrasse du café le soir, geschilderd in september 1888. Van Gogh woonde toen een half jaar in Arles en leek zijn draai gevonden te hebben. Hij schilderde ‘s avonds een paar mensen op een vrijwel leeg terras, met daarnaast enkele flaneurs. De sterren sprankelden hoopvol aan het firmament.
    Verwachtingen kunnen ook in gesproken woorden stollen, in boeken opgeschreven of gezongen. Zoals in de prachtige en voor een Oscar genomineerde songteksten van de vrolijk-trieste musicalfilm La La Land.

    City of stars
    are you shining just for me?

    zingt Sebastian (Ryan Gosling) als hij verliefd door  lege straten dwaalt. En ook al hoor je lichte twijfel in zijn stem, hij lijkt toch te denken dat zijn droom uit zal komen.

    I don’t care if I know
    Just where I will go
    Cause all that I need is this crazy feeling
    A rat-tat-tat on my heart
    Ik denk dat Van Gogh datzelfde rat-tat-tat door zijn aderen voelde stromen toen hij in Arles nieuwe kleuren zag en op het Place du Forum zijn nachtcafé schilderde. Hoe kon hij anders zo’n prachtig, verwachtingsvol schilderij maken? Of het vibrerende Sterrennacht dat hij zo’n negen maanden na Terrasse du café le soir schilderde? Om zichzelf weer een jaar later uiteindelijk een kogel door het hart te schieten.
    Het is fascinerend. Al is de droom nog zo nabij, de realiteit achterhaalt hem vaak. Zoals bij de onbegrepen gebleven Van Gogh, zijn ambities ingehaald zag door de onmogelijkheid van het bestaan. En daar zijn wrange conclusies aan verbond. Zoals dat ook gebeurt in La La land, zij het minder absoluut. Daar jagen de verliefde Mia en Sebastian elk hun ambities achterna, om uiteindelijk te constateren dat hun beider succes een prijs vraagt. Realisering van die ene droom vraagt om afscheid van de andere. Een prijs die ze bereid zijn te betalen en die deze HollyBollywood film zijn charme verleent. Want een voorspelbaar eind-goed-al-goed had deze film van zijn schittering ontdaan.
    Het is blijkbaar belangrijker dromen te hebben dan ze  te bereiken. En het zijn kunstenaars die ons daar voortdurend mee confronteren en zo ons leven verrijken.

    So bring on the rebels
    The ripples from pebbles
    The painters, and poets, and plays

    zingt Mia (Emma Stone) tijdens haar laatste auditie in ‘La La land’. “A bit of madness is key”, zingt ze ook nog, “to give us new colors to see”. Om zich daarna op haar droom te storten en succes te boeken. Tegen een prijs, dat dan weer wel.

     

     

     

  • De (on)geschikte jongen

    Ik dacht dat er op deze wereld wel eens één iemand zou kunnen zijn die heel erg behoefte heeft aan iets moois, iets schoons, iets helders iets prachtigs. Aan woorden die kloppen en niets anders teweeg brengen dan zachtheid, compassie en mededogen nadat er al teveel woorden als verzengende lava over de wereld werden uitgebraakt en waar iedereen als door een zika-mug gestoken op reageerde. Die iemand wordt op zijn vrije zaterdag gebeld door verontwaardigde wereldleiders, die niet snappen waar je mee bezig bent. Dat je weer moet uitleggen: ‘Ik ben met meerderheid gekozen en het was heel druk bij mijn inauguratie’. Als antwoord verbreken ze botweg de verbinding. En daar zit je dan. Constant worden afgerekend op wat je zegt en doet, gaat je niet in de koude kleren zitten. Op een gegeven moment weet je ook wel dat je niet zo slim bezig bent maar dat kun je  niet toegeven want dat ligt nu eenmaal niet in je aard. Dan is er iets nodig van een geheel andere orde.

    Zelf had ik een nogal mokkende week achter de rug omdat niemand echt meedeed met wat ik wilde. Mijn lief maakte een vermoeide indruk als hij mij zag en van ingehouden woede kon ik de slaap niet vatten. Op een nacht sloeg ik het dikste boek dat ik had en steeds maar bewaarde – zoals sommige mensen het lekkerste hapje op hun bord voor het laatst bewaren, zo schoof ik dat boek  steeds opzij – open. Het was een boek van Vikram Seth, De geschikte jongen en telde 1357 – met kleine drukletter bedrukte, dunne bladzijden. Maar wat een mooie bladzijden! Het begon al met de inhoudsopgave, wat een compleet gedicht bleek.  Ik las het en was betoverd, wenste dat iemand aan mijn bed kwam zitten en me deze regels zou voorlezen. Dat ik even niet hoefde te morren, niet de baas zijn en zeggen dat ik de grootste ben. Iemand naast mijn bed, mijn hand vasthoudend en met zachte stem de inhoudsopgave aan me voorleest:

    ‘1 Twee jonge mensen raken aan de praat.
    Een moeder mokt; een souvenir vergaat.
    2 Een courtisane zingt koel haar zwoele lied.
    Vol hoop koopt een aanbidder een parkiet.
    3 Een paartje laat zich steels op de baren wiegen.
    Een moeder vreest haar hoop te zien vervliegen.
    4 Twee mannen lopen warm voor ’t schoenenvak.
    Een ander snijdt twee broques, met groot gemak.
    5 Er vloeit bloed in een steeg: in ’t parlement.
    Haalt een harpij uit naar haar opponent.
    6 Een baby schopt; een boze radja gromt.
    Een jongen kiest de goot; een vader bromt
    (…)
    14 Ook in de strijd blijft de premier en heer.
    Oprecht bewijzen zoons hun doden eer.’

    Bezwerende regels om bij weg te dromen, het grote weten te laten stromen. Betoverd raken, flabbergasted, denken What the …!  Dan moet het verhaal nog beginnen, zoals ik al zei, 1357 bladzijden aan prachtige beschrijvingen, gedachtenspinsels, koloniale geschiedenis. Ik dacht, lees die ene, die niet weet wat ie doet elke avond een paar van deze regels voor.

     

     

  • Ondertiteling

    Vriendelijk vroeg ik de oudere heer een paar stoelen op te schuiven omdat hij op ‘mijn’ plaats zat. Morrend deed hij dit en zei: ‘Dat zei die mevrouw daarachter net ook al.’ Het voorprogramma begon en terwijl hij de Filmladder nauwkeurig bestudeerde, stampte hij met één voet het aanstekende ritme van Ne na na na van Christel Samson mee. Ik hoorde twee dames achter me overleggen wat ze met hem aan moesten als hij dit onder de voorstelling ook bleef doen. Ze slaakten een zucht van verlichting toen hij pal voor de film begon, aankondigde dat hij verkeerd zat en weg beende. Maar zo vroeg op de ochtend draait er nog geen andere film, zodat hij binnen een mum van tijd, nog steeds even kwiek, weer terugkeerde.

    De film begon. Frantz was het. Ik hield mijn hart vast, want de film opent met een muziekkorps dat door de straten marcheert. Gelukkig, zullen ook de twee dames achter me hebben gedacht, stampte hij niet de maat mee. Sterker nog: kort daarna hoorde ik gesnurk rechts van me. Dat was opgelost. Tot hij op een gegeven moment wakker schrok en lachte om een bepaalde scène. En klikte met de tong om uiting te geven aan zijn empathie. De dames achter me hielden zich stil. Eigenlijk is het best leuk zo’n meelevende bioscoopbezoeker. Voer voor sociologen. En dan niet als er in een film een hondje of zo doodgaat, want dat brengt een hele zaal altijd in beroering, maar gewoon – bij andere dingen die niemand koud laten.

    Ik moest denken aan een openbare repetitie twee jaar geleden van de adaptie van Shakespeares King Lear door Tom Lanoye tot Queen Lear, voor Toneelgroep Amsterdam. Het was interessant om een stuk vorm te zien krijgen, en een ster als Gijs van Scholten Asschat in een setting als deze te zien zoeken hoe het nóg beter zou kunnen.
    Twee mensen voor ons voorzagen het gebeuren op het toneel, waar we met ons neus opzaten, van commentaar. Degene met wie ik de repetitie bezocht, vroeg op een gegeven moment nogal hard: ‘Stoor jij je aan dat gepraat?’ Waarop ik – recalcitrant als ik soms ben – al even hard én gemeend antwoordde: ‘Nee, ik vind het juist leuk te horen wat mensen ervan vinden.’ Ze hield prompt haar mond en de bezoekers voor ons gingen onverstoorbaar verder.

    Waarschijnlijk had ik het niet meer leuk gevonden als ze dat commentaar onder een ‘echte’ voorstelling hadden gegeven. Al schijnt dat authentiek te zijn; ik hoorde regisseur Nina de la Parra – onder meer assistent bij Toneelgroep Amsterdam – onlangs zeggen dat dit in de tijd van Shakespeare heel gewoon was. En bij concerten was dat ook lang zo; er stonden in het Amsterdamse Concertgebouw zelfs tafeltjes. Maar zó authentiek hoeft het voor mij nu ook weer niet. Een met zijn voet stampende, tong klikkende en op z’n tijd lachende meneer tijdens een film en commentaar leverende mensen bij een openbare repetitie is op z’n tijd leuk, maar niet altijd.