• Schriftje

    Ik heb een onwrikbaar beeld van schrijvers. Denk ik A.L. Snijders, dan zie ik hem zitten in een tochtig schuurtje – met een peervormige gloeilamp boven zich. De hele dag bezig met het schrijven van zkv’s en af en toe voedert ie de kippen, veegt het erf of haalt iemand van het station, maar verder zit hij achter een brede plank – zijn schrijftafel – en schrijft. Philip Roth net zo. Die zie ik staand achter zijn schrijfaltaar waar hij onverdroten aan een boek werkt. Ook nu hij niet meer schrijft, zie ik hem zo. Dat kan natuurlijk niet, een schrijver die alleen maar schrijft. Hoewel, als ik aan A.F.Th. van der Heijden denk – in zijn schrijfkantoor met al die werktafels –  dan klopt het: een schrijver die alleen maar schrijft. Gek genoeg krijg ik Adriaan van Dis niet achter een tafeltje geplaatst waar hij zijn noeste schrijfwerk verricht; hem zie ik in de moestuin en bij de geiten.

    In Deventer was De avond van Eus in het Burgerweeshuis. Daar was Adriaan van Dis om te praten over Het buitengebied. Dat zich ergens rond Deventer bevindt. Eus is de schrijver Özcan Akyol. De avond(en) van Eus zijn avonden die ergens over gaan. Daar zorgde Ellen Deckwitz voor – die heeft wat Eus niet heeft – zij trok lering uit de gesprekken, gaf na elk gesprek stante pede een scherp resumé waardoor je dacht: ‘Ah, zó doe je dat!’ Maar zou het jezelf nooit lukken. Nico was er ook, Dijkshoorn. Zat in een zwart poloshirt langs het gangpad. De wat gebogen rug –  schrijverssrug – en zijn blote armen waardoor de gedachte kwam: van schrijven krijg je geen spierballen. Voor hem zat een jonge vrouw met lang blond haar en een blote rug. Nico en de mooie vrouw waren met elkaar aan de praat geraakt. Zij achterstevoren op haar stoel, luisterde aandachtig als hij sprak. Hij lachte wat beschroomd  als zij sprak, zich ondertussen afvragend hoe ie in godsnaam in Deventer was terechtgekomen, stelde ik me zo voor.

    Terwijl Eus, Beatrice de Graaf ondervroeg over het kwaad – dat terug is – dacht ik aan schrijvers in het wild. Wat moet je ermee. Als ik nu een mooi schriftje had waarin ik handtekeningen verzamelde. Dan liep ik op ze toe en zei: ‘ik verzamel handtekeningen’, en dan zetten ze hun handtekening gelijk met een opdracht erbij. In de loop der jaren zou ik bekend staan als die vrouw met haar schriftje, stelde ik me zo voor. Maar ik houd niet van handtekeningen verzamelen en een mooi schriftje had ik ook niet.
    Beatrice bekende ondertussen dat haar eigen kwaad in haar ongeduld schuilt. Dat haar dochtertje eens een boom wilde tekenen voor opa, dat het Beatrice te lang duurde en ze het potlood pakte en zei: ‘Kijk, zo teken je een boom.’ Ja, dat is inderdaad niet aardig.

    Het ging er vrolijk aan toe in het Burger Weeshuis in Deventer  met Özcan Akyol die volledig naturel publiek en genodigden bespeelde en waarvan ik geen idee heb waar hij is als hij schrijft.

     


    Inge Meijer is een pseudoniem. Zij schrijft over boeken als steunpilaren van het leven en over de ontdekkingen die zij doet in de marges van de literatuur.

     

     

  • Feest op de toetsen

    Je zal maar Schubert heten en als beeldend kunstenaar ook nog eens een serie kunstwerken maken onder de titel A four hand piano piece (nog tot 3 juni te zien in de galerie van Gerhard Hofland in Amsterdam).
    Het persbericht werkt uiteindelijk toe naar de clou van de vier vlakken op de verschillende doeken. Eerst gaat het over gebalanceerde, abstracte composities van een bijna meditatieve aard. Dan over de vredige en rustige werkmethode van de Duitse kunstenaar, die klassieke materialen gebruikt, zoals ei tempera. Vervolgens zwenkt de blik naar de toeschouwer van wie concentratie en doorzettingsvermogen wordt gevraagd. De cyclus blijkt uiteindelijk bedoeld te zijn om dingen vanuit een verschillend gezichtspunt te bekijken. Zowel de bedoeling van de kunstenaar als de receptie van zijn werk door de toeschouwer spelen een even belangrijke rol.

    Enkele jaren geleden was er een concert in TivoliVredenburg in Utrecht. Twee pianisten, een Hongaarse en een Nederlander, speelden met orkest het Concert voor twee piano’s en orkest KV 242 van Wolfgang Amadeus Mozart, die het werk zelf in Wenen had gespeeld met zijn leerlinge Josepha von Auernhammer.
    De twee in Utrecht waren zowel leerling en oud-docent als, vermoedde ik toen ik ze na het concert zag lopen, geliefden. Ze speelden niet alleen prachtig; het was ook een genot om naar ze te kijken. De pianiste jutte haar pianopartner op om nóg meer te geven, wat minder introvert te spelen maar er helemaal voor te gaan. Je zag en hoorde hoe hij probeerde hier gehoor aan te geven, maar helemáál lukte het hem niet. Wat ook niet erg was, want zo bleven het – gelijk de doeken van Daniel Schubert – verschillende gezichtspunten. Dan weer een donker vlak onder aan het doek, of in de laagte van de ene piano, dan weer een licht in de rechter bovenhoek, of in het hoogste register van de andere piano.

    Iemand die mooi formuleerde hoe dat zit met zo’n duo, in zijn geval net als bij Schubert quatre-mains op één piano, is Christiaan Weijts in zijn gelauwerde debuutroman Art. 285b. Over Sebastiaan, een pianoleraar en zijn Italiaanse leerlinge Rosetta: ‘Iedereen die wel eens quatre-mains heeft gespeeld, kent de gewaarwording: de wonderlijke duplicatie waardoor jouw handenpaar zich uitbreidt met dat van een kloon waar je geen controle over hebt, maar die toch dingen doet die wonderwel blijken te passen bij wat jij speelt.’

    De duplicatie zie je bij de expositie met werk van Daniel Schubert, – de dingen die wonderwel blijken te passen hoorde ik in het concert in Utrecht: ‘Het paar stuwt elkaar (…). Nu is het feest op de toetsen en staat niets het paar nog in de weg om los te breken en los te zijn en de razendsnelle klim te maken.’ Prachtig. Om te zien en te horen. En over te lezen.

     

     

     

  • Generaliseren

    Generaliseren, ik hou er niet van. Toch betrap ik me zelf er ook geregeld op. Ik dacht eraan toen ik deze week het boek Ontmoetingen met Syriërs van Eveline van der Sande en anderen doorlas. De schrijvers geven een beeld van het leven van Syriërs in hun land en hun ervaringen in Nederland. Dat allemaal aan de hand van een soort keukentafelgesprekken. Hoewel het aardige literatuur is, stoorde me iets in dit boek. De schrijvers zullen niet gekozen hebben voor een titel als Ontmoetingen met de Syriër. Toch voelde ik bij lezing dat me gemeenplaatsen opgedrongen werden die ik vanuit mijn persoonlijke contacten met Syriërs niet herkende. Ik praatte veel met Syriërs en leerde ze niet alleen te zien als lid van een bepaalde bevolkingsgroep of als vluchteling, maar als dorpsgenoot. Waarbij de een me sympathieker was dan de ander.

    Ik ben geneigd te concluderen dat mijn contacten met Syriërs gemakkelijker wederkerig worden dan met Eritreeërs. En hup: daar heb ik weer een generaliserende opmerking gemaakt. Eritreeërs verschillen evenzeer van elkaar als Syriërs en Nederlanders. Het is een gedachte die ik al veel langer koester. Sinds Het zijn net mensen van Joris Luyendijk verscheen. Toen ik dat boek las kon ik niet meer vol vertrouwen kijken naar bijvoorbeeld Marieke de Vries, die vanuit Bejing bericht over gebeurtenissen in Zuid-Korea. Hoe zou ik vanuit Limburg moeten berichten over een incident in Friesland? Als me dat al niet lukt met een afstand van een paar honderd kilometer, hoe veel moeilijker kan dat zijn over hemelsbreed duizend kilometer? En op microniveau: wat mag ik voor conclusies trekken uit één gesprek met een Syriër, of met twee, of meer?

    Dat wringt voor mij aan Ontmoetingen met Syriërs. Vrijwel alle gesprekken in het boek zijn gevoerd met mensen die goed opgeleid zijn én in Nederland een plek hebben verworven als muzikant, filmer, rechter, sociologe of als architect.
    Het is een informatief boek, maar ik vraag me tijdens het lezen voortdurend af wat ik er mee kan. De Syriërs met wie ik omga, zijn vaak al twee jaar in Nederland. Ze zijn aan het inburgeren, hebben geen baan en zitten soms nog op gezinshereniging te wachten. Ze hebben wel wat anders aan hun hoofd dan koketteren met cultuurverschillen. Het gebeurt wel, maar mondjesmaat.

    Het boek past wel in ons geknuffel met Syriërs. Hoeveel boeken zijn er verschenen over Eritreeërs en hun omgang met onze cultuur en die van ons met de hunne? Ik zocht het op in de catalogus van de landelijke bibliotheken Picarta. Eén treffer in het Nederlands. Een onderzoeksrapport uit 1993. Gelukkig schoot Google te hulp om aan te tonen dat het zo triest nu ook weer niet is. Daar vond ik ook nog Wachtkamer Havenstraat van Tanja te Beek. Een recensie op ‘www.Majella.nl’ heeft als kop De Eritreeërs waren er ook. Het generaliserende ‘De’ vergeef ik ze. De titel is heel toepasselijk: alsof de auteur zich verontschuldigt vanwege de aandacht voor een minder geknuffelde groep. Ik moet het maar eens gaan lezen.

     

     

  • Fijn griezelen

    Als tiener keek ik de ene na de andere horrorfilm. Het kon me niet eng genoeg zijn en de bloederigheid van het genre nam ik voor lief tot ik op een dag, tijdens het zoveelste deel van Saw, begreep dat het genoeg was. Sindsdien verdraag ik geen enkel gruwelijk beeld meer en kijk ik uitsluitend spookfilms, van die vertellingen waarbij plots de paranormale pleuris uitbreekt – al heb ik de helft van de tijd mijn handen voor mijn ogen en roep ik dingen als: ‘Nee joh, ga weg’.
    Ik griezel dus graag, maar walgen staat me tegen. Om die reden stopte ik, kotsmisselijk in een intercity, voortijdig in Elementaire deeltjes van Michel Houellebecq en word ik alleen al bij de samenvatting van Edgar Allen Poe’s The cat licht in mijn hoofd. Maar ik lees die samenvatting wel.

    Waarom mensen het zichzelf aandoen, met films of springend uit een vliegtuig, weet ik niet. Wat ik wel weet, is hoe moeilijk het is om bepaalde gevoelens op te wekken via papier. Iemand met woorden fysiek aan het rillen krijgen, is knap. De spanning die ik in heel mijn lijf voelde toen ik als kind de boeken van R.L. Stine las, wanneer heb ik dat tegenwoordig nog? Gebeurt er tijdens het lezen nog iets fysieks – hartkloppingen, kippenvel?
    Minstens zo moeilijk als het gedoe met die nekharen is humor. Veel boeken die ik lees zijn met droogkomische toon geschreven, de observaties scherp en de dialogen ad rem, ik kan daar erg van genieten. Maar genieten is iets anders dan lachen. En als ik zou optellen hoe vaak ik in chats reageer met ‘hahaha’ en iets heus wel grappig vind maar niet zo grappig dat er echt een geluid uit voortkomt, zou ik wellicht tot de deprimerende conclusie moeten komen dat ik een sociaal aangepaste leugenaar ben.
    Misschien hecht ik er teveel waarde aan. Aan de andere kant las ik onlangs Geen Jalapeños van Thomas Beijer en barstte ik tijdens een passage over postduiven en emoji hardop in lachen uit, een gevoel dat zo vrolijk en bevrijdend is dat Beijer alleen daarom al een prijs verdient.

    In een interview zei een schrijver dat ze ‘het’ met porno niet kon, ze had woorden nodig om opgewonden te raken. Eerst vond ik dat maar aanstellerij, nu denk ik: waarom niet? Wanneer heb ik eigenlijk voor het laatst gehuild bij een boek?

    Ik kom hier allemaal op door de verhalen van Mariana Enriquez. Haar verhalen in de bundel Dingen die we verloren in het vuur lezen als horrorsprookjes, met een moddervette vertelstem en bloederige details die ik maar net aankan, haar werk doet denken aan jaren tachtig teen slashermovies. Van de schrijver weet ik niets, meestal houd ik dat liever zo, maar in het geval van Enriquez stel ik me graag voor dat ze haar lezingen in donkere ruimtes houdt, met een zaklamp die vanonder haar kin naar boven schijnt, of in gezelschap van een kampvuur. Met haar verhalen komt het fijne van griezelen weer terug. En hoe.

  • Twee taartjes

    ‘Je koopt bij de slager twee biefstukjes – twee, omdat je je schaamt alleen te zijn.’ Zo opent Adriaan van Dis zijn nieuwste boek, In het buitengebied. Ik vroeg me af of ik mezelf ook voor de gek zou houden als Mijn lief me verlaten had en ik alleen bleef.
    Bij de slager kom ik nooit en vegaburgers koop ik zonder tussenkomst van een winkelbediende in de supermarkt. Misschien bij de bakker, een taartje voor mezelf  en dat ik er dan toch – in een impuls – twee van maak omdat het zo zuinig lijkt. Ja, dan denkt de bakker vast dat ik dat taartje doormidden snijd om te delen met degene die ik liefheb. Niemand die weet dat je de taartjes thuis allebei gaat opeten. Maar goed, ik koop nooit taartjes. Ik ben van het zelfbak type, en van grote verlangens en aan niemand verantwoording te hoeven afleggen. Elke dag snak ik ernaar, de hele dag door, mijn hele leven en elke dag opnieuw. Soms breng ik dagen (in bed) op mijn zolderkamertje door en benijd ik de zonderlingen onder ons maar weet dat dit net zo naïef is als geloven dat het gras bij de buren groener is.

    Binnenkort verschijnt er een boek over de zeer bewonderde interviewster, Bibeb (1914-2010). Ze interviewde (ik wilde schrijven ‘sprak’ maar dat is niet waar: ze liet de ander spreken) Martin Luther King, Jerzy Kosinski, Pablo Picasso en vele, vele bekende Nederlanders. Het leek me zo dat Bibeb een zolderkamertje bewoonde waar niemand kwam: voor altijd niet storen en dan al die interviews uit schrijven. Met de hand vermoed ik en daar moet je wel een zolderkamertje voor betrekken.
    Laatst vond ik bij een kringloopwinkel het boek Bibeb Interviews 73/77. Achttien interviews, waaronder met Wim Hora Adema (1914-1998). Waarvan ik dacht dat het een man was. Maar haar volledige naam is: Wilhelmina (Wim) Remelia Hora Adema. In 1972 richtte ze met Hedy ‘d Ancona het tijdschrift Opzij op.

    Bij de interviews van Bibeb val je midden in het verhaal van de geïnterviewde. Daar houd ik van. Het interview met Hora Adema begint zo: ‘Ik denk niet dat het kan (..),’ en je zit erin. Hora Adema promootte het alleen zijn:

    t Klinkt gek maar ik ben een alléner. Ik ben het gelukkigst als ik alleen ben. (…) Zalig. Het walgelijk gedram dat je van jongsaf moet aanhoren, dat alleen zijn zo vreselijk is… Als je niet uitkijkt krijg je er een complex van. In ’t begin dacht ik ook wel es jezus… (…) ik zou nooit met talentvolle vrouwen die ik ken willen oversteken. Omdat geen van die vrouwen echt alleen is. Ze hebben allemaal wel een man of een vriend, of een kind, ze hebben allemaal wel wat.’

    Ja, we hebben allemaal wel wat. Gedoe om kinderen, om afspraken, om ouders, om liefde en de vuilnisbak. Gedoe ook omdat je nooit meer alleen bent om twee taartjes op te mogen eten.

     


    Inge Meijer is een pseudoniem en wil dat wel zo houden. Zij schrijft over boeken als steunpilaren van het leven en over de ontdekkingen die zij doet in de marges van de literatuur.

     

     

  • Flessen en kruiken

    Vorige week bezocht ik in Bologna het moderne kunstmuseum en bekeek er meer dan zeventig schilderijen en tekeningen van Giorgio Morandi. Op vrijwel alle schilderijen en tekeningen stond hetzelfde: een stuk of wat flessen en kruiken. Van een steeds grotere eenvoud.

    Wat drijft een kunstenaar om voortdurend dezelfde flessen en kruiken te schilderen? En dan ook nog eens in hetzelfde kamertje, in de flat waar hij zijn hele leven zou wonen. Waarschijnlijk omdat herhaling meesterschap brengt, wat duidelijk in zijn schilderijen naar voren komt. Want in alle eenvoud bleek perfectie te gedijen, zonder dat het monotoon werd. Wat gezien Morandi’s geboorteplaats eigenlijk volstrekt logisch is, want waar anders dan in Bologna kun je leren wat de kracht van eenvoud is? Bologna excelleert in culinaire eenvoud, de eenvoud van simpele gerechten. Daar is deze stad groots in, van de lekkerste mortadella en salami tot de heerlijkste tagliatelle al ragu en tortellini in brodo. Je kunt het allemaal tot in de kleinste steegjes proeven, in de Italiaanse trattoria’s en ostaria’s. Het enige nadeel is dat je er al snel teveel van neemt en na een paar dagen begint te ontdekken dat Bologna niet voor niets La Grassa wordt genoemd, ‘De Vette’. Een combinatie van eenvoud en perfectie die ik uiterst smakelijk vind, zoals ik dat ook bij Morandi waardeer.

    Toch was mijn favoriete restaurant in Bologna niet Bolognees maar Siciliaans. En dat was helemaal geen straf; ook Sicilianen kunnen prima koken, zij het dat eenvoud hier wordt vervangen door extravagantie. Zoals door Tomasi de Lampedusa onovertroffen is geboekstaafd in de Tijgerkat, waarin de Prins van Salina een feest geeft om zijn jaarlijkse verblijf op het platteland in te luiden. De Lampedusa’s beschrijving van de culinaire rijkdom van de Salina’s doet je  watertanden: ‘De goudbruine korst en de geur van suiker en kaneel die deze verspreidde, waren slechts voorboden van de heerlijkheden die van binnenuit tevoorschijn kwamen, toen het mes de korst doorstak: eerst kwam er een naar specerijen geurende damp van af, daarna kwamen kuikenlevers, hardgekookte eieren, plakken ham, kip en truffel in een overvloed van gloeiend hete, glinsterende maccheroni, waaraan het braadvocht van het vlees de geraffineerde kleur van gemzenbont gaf.

    Ik heb eens geprobeerd zo’n maccheroni-timbaal als die van de Prins van Salina te maken. Het resultaat was prachtig, maar toen ik er het mes inzette, bleef het orgastische effect uit de Tijgerkat volledig achterwege. De literair-culinaire strapatsen van De Lampedusa waren voor mij te hoog gegrepen. De volgende keer maakte ik maar weer een eenvoudige pastaschotel. Die net als Morandi’s kunst prima beviel. Want ook in eenvoud schuilt perfectie.

     

     

  • Dat zal wel

    Wie op reis gaat, raadpleegt de online ‘reisplanner’ om onvolkomenheden tijdens de reis te kunnen vermijden. Maar zo zit ik niet in elkaar – route uitstippelen inclusief oponthoud – dat werkt ontmoedigend. Liever laat ik me verrassen. En om het beetje avontuurlijke dat er nog is te beleven in dit overvloedig georganiseerde land, is het aan te bevelen onvoorbereid op reis te gaan. Onder het motto: alles komt goed (ergens zal het goed komen, hoe dan ook). Laatst moest ik naar Utrecht. Na 25 minuten onderweg te zijn geweest met de sprinter werd de reis op een klein station onderbroken. Ik wist van niks en liet ik me als een schaap, dat van de kudde was afgedwaald, naar de bus voeren.

    We dromden met de hele treinbezetting tegelijk tegen de bussen op – waarbij rond de deuropeningen een verheviging van op een kluitje gedrukte reizigers ontstond. Bang als we waren niet mee te mogen. Ik eindigde vrij dicht bij de ingang, vanuit de lengte van de bus opkomend, net in de bocht naar de deuropening toe. Nu dromden er ook reizigers rechts van me tegen de bestaande rij op. Het was  nu zaak standvastig te zijn en niemand te laten invoegen. Naast me drong een vrouwtje met kunstmatige krullen waardoorheen de hoofdhuid schemerde, zich tegen me aan. Ik herkende haar als de vrouw die eerder deze ochtend instapte in het treinstel waar ik zat, toen haar telefoon ging. En dat ze zei: ‘Altijd als ík de trein instap wordt ik gebeld.’ Alsof iemand het erom deed. Iemand die haar van bovenaf in de gaten hield en telkens, wanneer zij haar voet op de trede van een treinstel plaatste om in te stappen, haar belde. Van de jongeman met de tatoeages die achter haar de trein instapte vermoedde ik dat het haar zoon was.

    Eenmaal in de bus bleek al dat dringen voor niets. Ik zette mijn tas naast me neer en bladerde de krant open waar ik was gebleven. Achter me namen het vrouwtje en de getatoeëerde jongeman plaats waarbij het vrouwtje direct zeurde: ‘Nou, de volgend keer neem ik gelijk de bus wel.’ De jongeman snoof luidruchtig. Ze morrelden wat met opmerkingen naar elkaar toe, tot het vrouwtje overstapte op een soort van converseren: ‘Ik heb nog een tas van jou gekregen.’ ‘Welke dan,’ reageerde de jongeman alsof hij gebeten werd. ‘Die ene,’ moedigde zij hem aan. ”k Weet nergens van,’ wilde hij zich ervan af maken. Waarop het vrouwtje zei: ‘Als ik thuis ben, zal ik m je laten zien en als je m ziet dan zeg je: Oh die.’  ‘Ja, dat zal wel,’ schimpte de jongeman en snoof opnieuw – ik vermoedde dat het een tik was – luidruchtig. Ik schudde mijn krant nog eens en wist van niks.

     

     

     

  • Drieluik

    Op de tentoonstelling Ed van der Elsken – de verliefde camera in het Amsterdamse Stedelijk Museum – die nog tot 22 mei te zien is – hangen ze als een drieluik naast elkaar: foto’s van drummer Kenny Clarke tijdens een Jazz from Carnegie Hall-concert (1958). In het boek Jazz van J. Bernlef en Ed van der Elsken (1981) staan ze ónder elkaar afgebeeld. Naast elkaar valt de nadruk op het feit dat ze pal na elkaar zijn gemaakt: Clarke in extase, nog net in extase, met de ogen half open gericht op wat was en wat zo weer voorbij dreigt te zijn, en Clarke die nageniet van het moment. Als een horizontaal gebeuren in de tijd. Verticaal afgedrukt valt de aandacht op iets dat van buiten leek te komen en het de drummer overkwam. Het effect is er niet minder om, maar anders.

    Het drieluik is uniek binnen het oeuvre van Van der Elsken: close ups van één  musicus, zonder mede-musici, zonder band,  zonder publiek. Het drumstel fel uitgelicht, de achtergrond donker. Dat was Van der Elsken óók, met oog voor wat de muzikant bewoog en een trefzekere vinger om dat heel kort na elkaar, en zonder flits (wat een technische beheersing in die tijd!) vast te leggen. Het zijn ook unieke foto’s omdat ze – in tegenstelling tot wat Bernlef als kenmerkend voor de meeste jazzfoto’s van Van der Elsken omschrijft – in werkelijkheid juist niet ‘een tikje aardser en grover maakte dan zij al was’. Door die serie van drie besefte ik óók opeens waarom Bernlef wél van de rationele cooljazz hield en niet van de emotionele bebop van Clarke die hieraan vooraf ging.

    De foto’s vormden een sleutel die me binnen liet in de binnenkamer van jazzliefhebber Bernlef. Ik wist het ook eigenlijk wel, want schreef hij in zijn gedicht Conservatorium (Raster, 89/2000) niet: De ramen van het conservatorium staan wijd open / daarbinnen vergrijpt iemand zich aan eeuwenoude gevoelens / de vleugel jammert en klaagt Bebop was in zijn ogen niet alleen te emotioneel, maar ook onvolmaakt, met zijn breaks waarin opeens maten worden toegevoegd aan een standaard bluesschema. Want, zo dichtte hij niet zozeer verrast als eerder wat teleurgesteld (Het ontplofte gedicht, 1978): Sonny Rollins in Londen /
    begon met een blues / die geen blues bleek te zijn

    Muziek moest in de ogen van Bernlef even ‘cool’ en overdacht zijn als de opbouw van een gedicht. Niet emotioneel en extatisch. Dat maakte het drieluik van Ed van der Elsken in combinatie met de gedichten van Bernlef op één of andere manier nog eens haarscherp duidelijk.

     

     

  • Matras

    Yaser uit Syrië woont ruim een jaar in mijn woonplaats. Ik sprak hem af en toe maar nooit diepgaand. Een paar weken terug kwam ik hem tegen op straat. Hij omhelsde me uitgelaten. Hij zag er anders uit, verzorgder. En toen ik zag hoe licht zijn ogen waren, realiseerde ik me pas hoe verlegen en in zichzelf gekeerd hij was tijdens die paar keer dat ik hem had gesproken. Reden van zijn opgetogenheid was de hereniging met zijn vrouw en twee kinderen.

    Een paar dagen later kreeg ik een mail van een kennis die weet van mijn contacten met vluchtelingen. ‘Ik heb een tweepersoons matras over. Kan ik er iemand blij mee maken?’ Het bleek een matras van hoogwaardige kwaliteit. Yaser, dacht ik al snel. Ik belde hem; wat aarzelend, want ik had het matras niet gezien. Maar hij hapte meteen toe. Hij en zijn vrouw sliepen nu op een provisorisch bed, vertelde hij, in afwachting van wat beters. ‘Het is wel een matras zonder ombouw’, zei ik. ‘Geeft niet. We leggen het op de grond. Later bouw ik wel een bed.’

    Mijn kennis had aangeboden het met zijn auto te brengen omdat het een log geval was. Toen het aankwam, zei Yaser meteen: ‘ik draag het wel. Ik woon vlak bij.’ Tijdens zijn vlucht heeft hij voor hetere vuren gestaan. Hij schoof het 1.60 bij 2.00 metende geval tot ver over zijn hoofd, zijn armen breeduit eronder. Ik tilde het laaghangende stuk om te voorkomen dat het over de grond zou slepen. We hadden 800 meter te gaan. Onderweg moest ik Yaser tot twee keer toe vragen even stil te staan omdat mijn armen verkrampten. Toen we beiden bezweet aankwamen, nodigde hij me uit voor koffie. Zijn vrouw was er niet. Ze bezocht haar zus die tien maanden geleden naar hier kwam. We praatten luchtiger deze keer. Het ging nu meer over de toekomst. Ondertussen bedankte hij me diverse keren voor het matras. Ik ben daar altijd wat verlegen mee. Ik wil geen hulpverlener zijn, maar elk ‘dankjewel’ wrijft me die rol in.

    Waar ik naar op zoek ben in deze contacten is de verwantschap. Zo verschillend als we zijn herken ik in het vluchtelingenbestaan iets dat appelleert aan ervaringen uit mijn eigen leven. Ik ben benieuwd naar hun verhaal omdat het, hoe onduidbaar dat ook is, iets losmaakt in mezelf: ontheemd zijn, je onveilig voelen, de verrukking over iets moois, je een vreemde in de wereld voelen, geluk om een weerzien. Is het iets dergelijks? Als ik even later naar huis ga, denk ik aan een scène uit Het kleine meisje van meneer Linh van Philippe Claudel, waarin vluchteling Linh en de dikke Bark op een bankje in het park zitten. Ze vertellen elkaar hun levensverhaal. Jij bent als lezer de enige die het te horen krijgt. Linh en Bark missen die informatie: ze verstaan elkaars taal niet. En toch begrijpen ze elkaar. Ik geloof dat ik een beetje Bark zou willen zijn. Liever dan hulpverlener.

     

     

  • Alle begin is moeilijk

    In het eerste jaar van de opleiding aan de Schrijversvakschool kreeg ons klasje de opdracht om de eerste bladzijde van een roman te schrijven. Het hoefde niet per se iets te zijn waarmee je door wilde gaan, het ging om het openen van een (groter) verhaal.
    Geen idee meer wat ik destijds deed, het is alweer een laptop geleden, de opdracht was vooral bedoeld om stil te staan bij wat zo’n eerste pagina behoeft. Wat is er nodig om een verhaal in te komen?

    Op Instagram postte iemand een foto van de eerste pagina uit Caribou Island van David Vann, het onderschrift luidde: ‘En dan moet het nog beginnen.’ Vann is een interessante schrijver, zelfmoord zijn drijfveer, hij is een uitmuntend stilist maar zijn werk behoorlijk zware kost – niet moeilijk om te lezen, wel veel om emotioneel te bevatten. Toch begreep ik het bericht: hoe deprimerend ook, toch kun je zin hebben in zo’n boek (of film of liedje). Ik kijk al jaren naar Grey’s Anatomy, puur om te kunnen huilen. Een andere oefening van de opleiding: het grote raad-de-begin-zin-spel. Inderdaad, we moesten een reeks beginzinnen uit de Nederlandstalige literatuur koppelen aan hun schrijver.

    Caribou Island begint met: ‘My mother was not real.’ Een schokkende herinnering volgt, de lezer wordt er bijna ingeslagen, in het verhaal dus, net als de andere toehoorders van die herinnering. Het stukje over de moeder wordt door Irene uitgesproken, haar man Gary en dochter Rhoda luisteren ernaar, dit alles in een kleine scène waarin de volledige belofte van het hele boek huist: de pijnlijke strijd tussen man en vrouw; tussen een droom om na te jagen en de straffe realiteit van het echte leven; de grilligheid van de natuur; de afstand tussen de personages. Ik herinner me het als een boek waar ik ondanks alle ellende erg van genoot.

    Een beginzin die ertussen zat, bij dat raadspel, was van Gerbrand Bakkers Boven is het stil. ‘Ik heb vader naar boven gedaan.’ Het is een zin waar heel veel inzit, afstand vooral, ook hier volgt in enkele pennenstreken genoeg om de lezer een belofte te geven: dit is waar het over gaat.

    Precies die belofte zorgt er waarschijnlijk voor dat ik slecht reageer op dromen. Daar ben ik niet de enige in. Het openen van een boek of film met een droom en een ontwaken, frustreert veel lezers en kijkers die zich in de maling genomen voelen. En terecht: op basis van die eerste pagina’s, die eerste scènes, baseer je je verwachting. Als dan iemand ineens het luik onder je voeten opent – ‘en toen werd hij/zij/ik/wakker’ – kun je daar kwaad om worden.
    Een verhaal van een jonge schrijver kwam op mijn pad. Het begon met een liefdesgedicht, daarna een personage dat hardop over dat gedicht denkt: ‘Nee, dat is stom.’ Dat zinnetje had hetzelfde effect op me als een droom: het luik werd onder me weggetrokken. Denk aan de belofte, had ik tegen die schrijver moeten zeggen.

     

     

  • Knipoog

    Sommige schrijvers geven de voorkeur aan symboliek boven klaarheid. Ook Harry Mulisch, totdat hij Twee vrouwen schreef, een voor zijn doen ongebruikelijk toegankelijke roman over een liefde tussen twee vrouwen. Om de eenvoud van zijn verhaal kracht bij te zetten besloot hij om een schilderij uit Siena op de omslag te zetten – wat uiteindelijk een fragment werd – drie dansende figuren in lange jurken. Ongetwijfeld als verbeelding van de liefde tussen de vijfendertigjarige museumconservator Laura Tinhuizen en de twintigjarige kapster Silvia Nithart.

    De figuren komen uit een frescocyclus over het verschil tussen goed en slecht bestuur van Ambrogio Lorenzetti in het stadhuis van Siena. In de slecht bestuurde stad overheerst donkerte, ziekte en narigheid, terwijl in de goed bestuurde stad alles licht en helder is, de huizen luxueus zijn en in het centrum jongedames vrolijk door de straten dansen. Waarvan Mulisch er dus drie adopteert voor zijn omslag. Maar schijn kan in schilder- en schrijfkunst bedrieglijk zijn. Want in 1991 heeft de kunsthistorica Jane Bridgeman aangetoond dat Lorenzetti’s dansende jongedames helemaal geen jongedames zijn, maar mannen. Ze ontberen bijvoorbeeld de lange haren en borsten waarmee Lorenzetti de andere dames op zijn frescocyclus tooide. Nee, Lorenzetti zette in zijn fresco over de gevolgen van goed bestuur geen jongedames maar mannen centraal en liet hen een symbolische dans uitvoeren ter verheerlijking van het goede bestuur. Omdat alleen mannen kunnen verheerlijken.

    Het is een omslagkeuze die lijkt te onderstrepen dat Mulisch’ Twee Vrouwen eigenlijk over twee mannen gaat, een these die het boek al sinds de eerste druk achtervolgt. Mulisch koos zijn omslagontwerp weliswaar een paar decennia voordat Bridgeman aantoonde dat Lorenzetti’s dansers man waren, maar die these zal niet helemaal uit de lucht zijn komen vallen. En het moet de viriele Mulisch toch zijn opgevallen dat de dansers geen borsten hadden. Dus alhoewel Mulisch Lorenzetti’s fresco niet met naam en toenaam noemde, moet ik glimlachen bij de gedachte dat er vast en zeker een betekenisvol verband bestaat tussen de dansende mannen en Mulisch’ Twee vrouwen. Dit is echt te mooi en te Mulischiaans om niet te kloppen! Ik geloof dan ook dat Mulisch willens en wetens louter mannen op de omslag van zijn boek over een vrouwenliefde zette. Wat niet zo raar is voor een schrijver die in Twee vrouwen een andere schrijver (of zichzelf) laat zeggen dat vrouwenrollen bij de Grieken natuurlijk altijd door mannen werden gespeeld. Omdat liefde tussen mensen uiteindelijk alleen tussen mannen bestond, zoals bij Lorenzetti ook alleen mannen eer konden bewijzen aan het goede bestuur. Een vette, male-chauvinistic knipoog van Mulisch aan de lezers van zijn ‘simpele’ vertelling over een lesbische liefde, die bij nader inzien helemaal niet zo simpel blijkt en vanaf de omslag stijf staat van de symboliek.

     

     

  • Een koe

    Er riep een koe door de nacht. Het was een mooie roep; donker en dwingend. Het riep herinneringen op aan momenten dat je in de ochtendnevel van een feest naar huis fietste. Die koe in de nacht wekte net als de nachtelijke misthoorn van een trein het verlangen wekt om weg te trekken, zomaar ergens heen. Mijn lief sliep, zuchtend en stoom afblazend, waarbij de lucht zijn mond met een pfffff-end geluid verliet, als een band die leegliep. Het is niet erg wakker te liggen zei ik tegen mezelf en draaide op mijn andere zij. Maar ik had ook nog José Eduardo Agualusa in mijn hoofd. En iets uit Bekentenissen van een nieuwsgierig mens van Maarten Asscher. Waarin hij schrijft hoe irritant het is als een Portugese José wordt uitgesproken als een Spaanse José. Een Portugese José spreek je als ‘zjosé en niet als het harde Spaanse ‘gossé’. Dat het pedanterig is om dit te corrigeren, betweter die je dan bent. En dat ik laatst in Paradiso bij leesclub Le Monde was, waar een boek van Agualusa besproken werd en waar de moderator, ‘Gossé’ Eduardo Agualusa zei en ik me (dankzij Asscher) inhield.

    Weer riep een koe door de nacht, urgenter nu. Het leek me een andere koe dan de eerste. Daardoor kwam ik in een staat van alertheid. Alsof ik straks verantwoording zou moeten afleggen over dat verschillend klinkende boegeroep en vanaf welk weiland dat dan kwam. Dat die koeien dan voor de nachts gemuilkorfd zouden worden. En of ik dat wilde; nee, dat wilde ik niet, dus laat die koeien nu maar. En ik probeerde niet naar koeien te luisteren. Maar Agualusa was er nog. Ik draaide me op mijn rug en dacht aan Een algemene theorie van het vergeten. Waarin zoveel verhalen zitten als het leven zelf. Het verhaal van de hoed, dacht ik, zit verweven door de roman. Dat ging zo (geloof ik):

    Er lag een hoed naast een vuilcontainer. Iemand vertelt dat een man in de grond is verdwenen, precies op de plek waar de hoed ligt. Dat hij met eigen ogen zag hoe de man er het ene moment was en het volgende alleen zijn hoed. Zo ontstond het verhaal van de man die in de grond verdween. Ik moest denken aan een Angolese jongeman bij Leesclub Le Monde. Hij zei: ‘Ik lees niet.’ Hij zei niet: ‘Ik lees nooit’. Het was op aandringen van zijn Nederlandse vriendin dat hij het boek heeft gelezen. ‘Een knap boek’, vond hij het, want: ‘Niets is moeilijker dan orale verhalen opschrijven.’ In de stilte van de nacht begreep ik waarom hij ‘Ik lees niet’ zei.  Dat als je met verhalen, zoals in het boek van Agualusa, bent opgegroeid, niet hoeft te lezen. Ik nam me voor, vanaf morgen verhalen te vertellen waarin de waarheid een schier onopvallend aspect zal zijn.

     


    Inge Meijer is een pseudoniem. Zij schrijft over boeken als steunpilaren van het leven en over de ontdekkingen die zij doet in de marges van de literatuur.