• Mijn Portugese kat

    Ik verkeer de laatste tijd nogal in Portugese gedachtesferen, het zal wel te maken hebben met de warme dagen waardoor het leven zich tot de basale levensbehoeften beperkt. Het is heerlijk hoor, maar het voelt ook als een vergeefs teruggrijpen in de tijd. Want wat geweest is, is geweest, over en uit. Wat blijft zijn herinneringen die op onverwachte momenten opduiken. Wonderlijk genoeg laten ze je altijd een andere kant van de betekenis zien dan die je aan een bepaald moment hechtte. Keer op keer. Herinneringen kunnen zich, als een tentakel die vanaf het plafond hangt, je in de kraag grijpen wanneer je te dicht in de buurt komt en je omhoog halen, zodat je in zwevende toestand het onderliggende vloerkleed met zijn ingewikkelde patronen kunt aanschouwen. Gek genoeg komt dat kleed je opeens vreemd voor en je denkt: hé, verdomd leuk vloerkleed, eenvoudige patronen, sprekende kleuren! Je zou het wel willen hebben.

    Dat is de grap van herinneringen, alles van voorbije tijden lijkt, hoe rot het ook was, altijd mooier, eenvoudiger. Maar goed, nu ik er bij stil sta, (herinneren is stilstaan) zijn die Portugese gedachtesferen begonnen toen de kat met drie poten ons huis binnenkwam. Het was altijd de taak van de kinderen ervoor te zorgen dat er levende have in huis kwam. Maar opeens bemoeide ik me ermee. Er was een oproep via social media dat een kat met drie poten een huis zocht in een buitengebied. ‘Klik’, zei het ergens in  mijn herinneringen. Het is natuurlijk een beetje gek, maar we hadden eens een driepotige hond. De kat kwam uit Portugal (klikklik… de hond ook) en woonde op een Amsterdamse bovenwoning. Zonder enige ruggespraak met Mijn lief, reageerde ik direct, als was ik bang dat iemand me voor zou zijn. Nou ja, het kan je bezielen soms.

    Het katje kwam een week later met grote verhalen binnenlopen. Het kletste me de oren van het hoofd, en ik begreep dat, want dat doen ze in Portugal, eindeloze verhalen vertellen. Het maakt dus nogal geluid.Vanaf het moment dat je ’s ochtends de woonkamer binnengaat, (soms al wanneer ze de trap hoort kraken), pakt ze de draad van de dag daarvoor moeiteloos op en  hoef je alleen te zeggen: ‘Aha, tudo bem, simsim’ (u begrijpt, deze kat verstaat alleen Portugees). Of ze start een klaagzang: ‘saudade, saudade’ en dan is het goed haar even in de armen te nemen. De litanieën van de kat sloten moeiteloos aan bij Violeta en de engelen dat ik weer gepakt had omdat ik in Portugese gedachtesferen verkeerde. Dulce Maria Cardoso vertelt in één lange zin het verhaal van Violeta’s leven. Een roman die begint en eindigt met het woord ‘onverwacht’. Daartussen de herinneringen van Violeta als het aaneenrijgen van kralen aan een snoer, van een leven waarin alles ongepast leek. Waarin witregels de enige adempauzes zijn, zoals de nachten voor mijn Portugese kat. Wie ook in Portugese sferen wil verkeren, lees Cardoso, of Lobo Antunes en niet te vergeten, Saramago.

     

     

     

  • Dissonanten

    In de rubriek ‘Mijn favoriet’ (NRC) las ik over iemand die een kunstwerk van Hugo Tieleman kocht. Bij zijn aankopen let hij er altijd op, scheef hij, of het werk harmonie heeft, ‘zoals muziek geen dissonanten mag hebben.’ Oké, dat is zijn opvatting. Maar net zomin als het leven altijd harmonieus verloopt, net zo goed mag – of misschien moet – muziek op z’n tijd dissonanten hebben om dit te kunnen uitdrukken.

    Deze opvatting speelde door m’n hoofd. Eerst bij een grote boekwinkel in de stad, waar tussen de ramsj een piano stond, met een zitje ernaast – om wat te lezen, te mijmeren of naar de piano te luisteren. Een sjofel uitziende, oudere heer in regenjas, stijl Carmiggelt, nam achter de piano plaats en probeerde wat toetsen in allerlei registers uit. Over de hele omvang van het klavier: ping, ping, ping. Als een atonale melodie.

    Het schijnt dat Beethoven altijd ritueel met zijn handpalmen over de toetsen wreef voor hij begon,
    en daar is wel wat voor te zeggen. (Christiaan Weijts)

    En toen, opeens, toen ik de hoop al een beetje had opgegeven, speelde hij vloeiend achter elkaar enkele jazznummers. Bijna was hij uit het dagelijks leven gevallen, maar hij hernam zich, zonder acht te slaan op de mensen om hem heen.

    Ik ben niet mooi meer,
    ik heb in het gesticht gezeten,
    mijn vingers staan stijf van de medicijnen,
    en toch ga ik een blues spelen op de piano
    (Rogi Wieg)

    Ik verliet de boekwinkel en liep naar het theater waar studenten van de Theatervooropleiding Amsterdam een stuk van Shakespeare zouden spelen: Troilus en Cressida. Eén van de studenten zat in een ochtendjas met tijgerprint achter een piano en speelde erop, tussen de bedrijven van zijn rol als Hector door; zoals we van oorlogsmisdadigers weten dat ze graag piano speelden. Tegen het einde van het toneelstuk zegt hij dat zijn dagtaak erop zit, de avond goed doet: Zwaard, rust, je bent verzaad van dood en bloed.

    Met een klappertjespistool wordt Hector gedood. Hij valt van de pianokruk, random wat toetsen aanrakend. Wanneer hij uit de tijd valt, de eeuwigheid in, klinkt weer een atonale melodie. Ping, ping, ping.

    de rest zijn
    afgevallen noten
    die aan het

    behang zijn
    blijven plakken
    (Henk Knibbeler)

    Dissonanten. Zoals het leven op z’n tijd zelf. Het bestaat wel, een geluidloos, teder akkoord / dat alle dissonanten samenvoegt
    (Peter Handke)

    Dat is een moment van stilte in verbondenheid. De mooiste muziek die er is, alles is op zijn plaats, in voorbeeldige harmonie
    (Wisława Szymborska)

     

     

  • Tijdreizen

    Boeken reizen op een vreemde manier door de tijd. Soms blijven ze gewoon zichzelf, soms krijgen ze extra gewicht door de omstandigheden waarin ze gelezen worden.

    Deze bewering las ik in een essay van Julian Barnes – dat oorspronkelijk verscheen in The London Review of Books – in De Groene van 1 juni jongstleden. Barnes legt op een vinnige manier een verband tussen de Brexit en xenofobie. Het essay leverde me een curieus voorbeeld op van de waarheid van deze constatering. In de inleiding schrijft Barnes dat hij twintig jaar geleden Chez Krull, één van de romans durs van Simenon, cadeau kreeg en waarin hij nooit verder kwam dan het eerste hoofdstuk. Hij had er niks mee. Tot hij onlangs het boek oppakte en er wel door werd gegrepen. Het gaat over ‘de rusteloze dynamiek tussen autochtoon en immigrant, vooral als er iets misgaat (…) als de immigrant niet hard werkt, is hij een bietser; als hij wel hard werkt, is hij alleen maar uit op geld en gierig’. Het bracht hem bij de Brexit.

    Ik moest denken aan hoe iets dergelijks me overkwam met een boek van Julian Barnes zelf, Een geschiedenis van de wereld in 10½ hoofdstuk. Dat boek las ik na verschijning van de Nederlandse vertaling in 1991. Ik vond het (anders dan de ervaring van Barnes met Simenon) meteen geweldig. Maar vorig jaar bleek dat ik het niet ten volle begrepen had. Kleinkunstenaar Jan Beuving vertelde dat toen hij zijn theaterprogramma Raaklijn voorbereidde, hij zich bij de opbouw ervan had laten inspireren door de manier waarop Barnes verschillende hoofdstukken in die roman verknoopt. Raaklijn werd overigens vorige week genomineerd voor de Neerlands Hoopprijs en oogstte lof om zijn schitterende liedteksten. Het verhaal van Beuving trof mij persoonlijk door zijn omgang met PVV-aanhangers en linkse intellectuelen die deel uitmaken van zijn dagelijks leven.

    Daardoor ging ik Barnes herlezen en besefte opeens dat ik het als een verzameling op zichzelf staande verhalen en essays had gezien. Niet als een roman. Terwijl dat wel met koeienletters op het omslag staat.
    Maar er gebeurde nog iets. Enkele hoofdstukken in de roman gaan over de ondergang van het fregat De Medusa in 1816. De overlevingsstrijd van de opvarenden vormt het beroemde doek Het vlot van de Medusa van Théodore Géricault dat in Het Louvre hangt. Daarover schreef Barnes in zijn essaybundel In ogenschouw. Van Een geschiedenis bleek me nog veel bij te staan, maar omdat ik dat boek las in een tijd dat ik met vluchtelingen werkte, kon ik die hoofdstukken niet los zien van de ervaringen van de bootvluchtelingen die ik de laatste jaren heb gehoord. Inderdaad: ‘Boeken reizen op een vreemde manier door de tijd’.

    Ondertussen heeft Barnes door zijn stuk in De Groene mijn belangstelling gewekt voor Chez Krull van Simenon. Ik ging ervan uit dat alles van deze auteur in het Nederlands is vertaald. Maar dat blijkt niet te gelden voor Chez Krull uit 1939. Of heb ik het mis? Wie me aan een Nederlandse editie kan helpen zal ik diep dankbaar zijn.

     

     

  • Vader en dochter

    Over twee jaar wordt mijn vader zestig. Natuurlijk weet ik al wat ik hem dan ga geven. Dat ga ik hier nog niet vertellen (leuk geprobeerd, pa) maar het feit dat ik mijn cadeau al weet zegt niet alleen iets over onze band, maar ook over wat voor ontvanger mijn vader is. Voor sommige mensen is het makkelijk om een cadeau te verzinnen, ik weet niet helemaal waar dat aan ligt, mijn vader is er zo een.

    Ondertussen nadert Vaderdag (cadeau al lang onderweg) en staan mijn internetadvertenties weer vol aanbiedingen. Iemand prijst een lijstje met boeken aan voor Echte Mannen: tips met verslagen over kerels die wekenlang als vos langpootmuggen van het gras likken, voetbalbiografieën en allerhande hippe analyses van onze recentere geschiedenis. Als er in de Intertoysgids blijmoedig bij ‘speelgoed voor haar’ een kleine meisjes-uitvoering van een stofzuiger wordt aangeprezen, buitelt men over elkaar heen in een wedstrijd om het hardst roepen dat dit allemaal niet kan. Over Echte Mannenboeken hoor je nauwelijks iemand.

    (Tussen de betrekkelijke veiligheid van deze twee haakjes zal ik de hand in eigen boezem steken en toegeven dat ik mijn eigen roman vorige maand op sociale media heb aanbevolen onder de noemer Ideaal Moederdagcadeau. Waarom? Omdat het, onder meer, over moeders en dochters gaat. We doen het, kortom, nooit goed met zijn allen). Terug naar Vaderdag.

    Als lezende dochter van een lezende vader ben ik altijd extra ontroerd door vader-dochterverhalen. Een van mijn lievelingsromans gaat dan ook over de bijzondere band tussen de getroebleerde jonge vader Cor en zijn doodzieke dochter Merel. Waar ik de taal en retoriek roemde noemde iemand anders De vaders van de gedachte incestueus, maar zo lees ik deze novelle van Nanne Tepper niet: de dialogen, de interactie tussen ouder en kind, de flauwe grapjes, ik vind het allemaal geloofwaardig en zuiver.

    Een ander voorbeeld is Het land van Melk en Honing, een prachtige roman van Grace McCleen over rouw en religie. Ik gaf het boek tijdens een boekenruilborrel aan iemand anders mee, gunde haar mijn leeservaring, maar het verhaal bleef rondspoken in mijn hoofd. De vader, bitter van zijn geloof gevallen, blijft zijn dochter Judith onvoorwaardelijk steunen in haar religieuze rituelen – hoeveel liefde en mentale rekbaarheid is daarvoor nodig?

    Nog een voorbeeld: de liefde die Liesel voelt voor en ontvangt van haar aangenomen vader Hans in De Boekendief (Markus Zusak), nog steeds een van de romans waar ik het hardst om heb gehuild. En dan is er nog Vader en dochter van Michael Dudok de Wit, dat eerst verscheen als animatiefilm en later uitkwam als prentenboek. Zijn dit Echte Mannenboeken? Wat zijn dat in godsnaam?

    Het mooiste aan mijn band met mijn vader vind ik hoe weinig we nodig hebben. Een auto, een radio, een snelweg – of, thuis, een paar stoelen en een glas wijn. Soms praten we over boeken, over andere dingen. Vaak zeggen we bijna niets. Dat is heel gezellig. Maar probeer dat maar eens in woorden te vangen. Of schrijf er een echt mannenboek over.

     

     

  • Advies

    Een paar jaar geleden was ik op Vilm, een klein eiland in de Baltische Zee, ruim de helft kleiner dan Rottumerplaat en een van de stilste en meest verlaten plekken van Duitsland. Dit eilandje was in de DDR-jaren dé vakantielocatie voor Communistische apparatsjiks. Ik sliep er dan ook in een bed waarin voorheen misschien wel Erich Honecker of Leonard Brezjnev hadden gelegen en voelde me een bevoorrecht mens (aan de juiste zijde van de geschiedenis).

    Het meest bijzondere aan Vilm was overigens niet zijn communistische geschiedenis maar de natuur, en dan vooral het bos. Een bos zoals een bos moet zijn: groen, grillig en bemost, zodat je eigenlijk overal trollen, kabouters en bosnimfen verwacht. Van een sprookjesachtige schoonheid zoals ik nog nooit had gezien en die terug te voeren is op het feit dat het bos decennia lang geen mensenhand meer had gezien. Niet zo vreemd dus dat het al sinds de jaren dertig van de vorige eeuw een beschermd natuurgebied is (en evenmin vreemd dat dat voor de leiders van de DDR het perfecte vakantie-uitje was).

    Maar niet alleen de apparatsjiks waardeerden de bossen van Vilm. Ook kunstenaars deden dat, in groten getale. De afgelopen 200 jaar schilderden ruim 350 Duitse landschapsschilders de natuur van het eiland. Een mooi voorbeeld daarvan is Eiken aan zee van Carl Gustav Carus (ca. 1834). Eiken zoals eiken moeten zijn: groot, grillig en majestueus, met een zacht ogend grasveld aan zijn voet, zodat je niets liever wil dan jezelf er neer vleien voor een subliem rustmoment.

    Ik moest aan Vilm en de bomen van Carus denken toen ik de Oogst van de week op Literair Nederland las. De nieuwe Nederlandse uitgeverij Bint heeft John Steinbeck’s klassieker To a God unknown uit 1933 opnieuw in Nederlandse vertaling uitgebracht. Die sublieme roman waarin, net als op Vilm en Carus’ schilderij, de eik de hoofdrol opeist. In mijn kast staat nog een licht beduimelde Penguin-Twentieth-Century-Classic-versie van deze roman. Ik heb het verschillende keren gelezen en wordt iedere keer weer gegrepen door de sage die Steinbeck hier spint, waarin de relatie tussen mens en natuur centraal staat en de levensfilosofie van de kolonist Joseph Wayne lijkt voort te komen uit een onderhoudende potpourri van heidense, Griekse en Bijbelse verhalen. Met dat onbeschrijfelijk mooie einde dat ik het liefste zou willen citeren, maar niet doe omdat je dat uiteindelijk het beste zelf kunt ontdekken. Dat einde waarin man en boom één worden en zo het Leven redden. Dat einde dat een mustread is voor iedereen die van literatuur houdt. En dat kan nu dus weer in het Nederlands. Alhoewel uitgeverij Bint alle lof verdient voor deze uitgave zal ik deze zelf niet kopen. Ik zal binnenkort domweg voor de zoveelste keer mijn Penguin-klassieker ter hand nemen. Voor wie dit boek nog niet bezit, ligt mijn advies overduidelijk voor de hand.

     

     

     

  • Het gat waar ze insprong

    Iedereen heeft zijn eigenaardigheden. Iets om rekening mee te houden. Zo heb ik nog geen van de boeken van Elena Ferrante gelezen alleen maar omdat er zo veel over te doen was en is. Ik sta te popelen, maar eerst moet niemand meer weten wie ze is en kan ik mijn gang gaan. Een eigenaardigheid waar je niet perse gelukkiger van wordt. Of je nu uit Europa of Azië komt, we willen het allemaal ‘selluf doen’, op eigen kracht, eigen initiatief. Het geloof dat je kunt vliegen gaat bij kinderen vaak gepaard met de overtuiging dat je het kunt.

    Toen iedereen naar de kleedkamers ging, wist niemand of alle kinderen er waren. Er was niemand die riep: ‘He, ik mis er een.’ Die om zich heen keek en dacht; Er was toch … Hoe heette ze ook weer. ‘Salam’ schoten de kinderen te hulp, en je riep: Jongens waar is Salam?’ En natuurlijk werd er direct in het water gekeken, want dat doe je. Als je met een kind bij water bent en je bent het kwijt; dan kijk je als eerste naar de diepte van het water, en wanhoopt, altijd die wanhoop; ze zal toch niet? En dan je hoofd schudden; waarom het ergste denken, daar moet je eens mee ophouden. ‘Jongens, vooruit naar de kleedkamers’ en sluit de deuren.

    Het eigenaardige is dat je niet wist of ze je kon verstaan. Maar goed, ze was al maanden in Nederland, en kinderen leren snel. Je hebt het haar in ieder geval gezegd, dat ze niet bij het diepe mocht. Dat moeten ze weten, dat je het wel gezegd hebt. Gezegd dat het diepe bad voor haar verboden is. En je hoopte dat ze het verstaan had, tegen beter weten in.
    Er waren mazen in het net geweest, ze hadden ze niet gezien, maar ze waren er. Ze hadden niet gezien dat ze met elkaar een uitnodigende opening in dat net van veiligheid hadden gecreëerd door te denken dat de ander…, en in dat gat sprong ze.

    De film ‘I’m Not Your Negro’ naar het (onvoltooide) boek van schrijver James Baldwin, vertoont beelden van de vijftien jarige Dorothy Counts, die in 1957 als enige zwarte naar een blanke school in Noord Carolina gaat. Ze wordt op die beelden vernederd en uitgelachen door witte leerlingen en hun ouders. Het zien daarvan vervult je met woede over zoveel domheid. Baldwin wist: ‘Some one of us should have been there with her!’

    Tien minuten op de bodem van het zwembad. Je zag nog de luchtbubbels door het water opstijgen naar het licht. Bubbels zo vrolijk en bruisend als de blijheid die je voelde toen je hoorde dat je zou leren zwemmen. Er was iets dat je zou moeten weten. De badmeester had het gezegd, maar al die korte klanken, die ee en aa’s en ghghghgg’s en sissers werden geen woord dat je kende. En dan, tien minuten. ‘Waar was de wereld in die tien minuten?, vroeg haar moeder zich af.

     

     

     

  • Blonde schaduw

    Het vroege zonlicht trilt in de cypressen,
    Drijft als een blonde schaduw over ’t gras
    En stroomt, huiv’rend in ’t hooge vensterglas,
    In ’t blank boudoir der grijzende comtesse.

    Het zou zomaar een beschrijving van een schilderij van David Hockney kunnen zijn, van wie een overzichtstentoonstelling te zien was in Tate Britain, maar het is het begin van ‘Mozart’, een gedicht van Martinus Nijhoff. Hockney gaat door als een schilder van de ‘sun’ en ‘fun’ in Californië, waarnaar hij in 2013 terugkeerde. Sommige werken van Mozart wekken eenzelfde indruk, zoals bijvoorbeeld de Symfonie in A grote terts KV 201.

    Op het eerste gezicht. Op het eerste gehoor. Want er ligt een schaduw overheen. Soms letterlijk, zoals op Portrait of an artist (1972) of van een stapeltje boeken (Christopher Isherwood and Don Bachardy, 1968), vaak meer figuurlijk. Zo is de symfonie van Mozart uiteindelijk ook niet de bevallige rococosymfonie waarvoor hij wordt versleten, of zoals Wouter Paap het in een boek over de componist zo mooi omschreef: ‘Doordat alle ernst en zwaarte uit de weg is gegaan, maakt zij de indruk van een onbewolkte geluksdroom.’ De indruk – maar er is méér: een blonde schaduw over ’t gras, een grijzende comtesse in zichzelf verzonken.
    Je kunt je afvragen of Robert Hughes (in The shock of the new) gelijk had, toen hij schreef dat Hockney geen Mozart is maar een Cole Porter. Op z’n minst is een nuancering op zijn plaats, die nota bene begint met de constatering dat Porter wel de Mozart van de lichte muziek wordt genoemd! Dat zal ongetwijfeld te maken hebben met de vermeende lichte toets van beider muziek.

    Maar niemand verwijt toch ook Tintoretto’s sprezzatura (vakkundig maar moeiteloos tot stand gebracht)? Nee, de op een soortgelijke manier geschilderde teckels Boogie en Stanley van Hockney, die Mensje van Keulen beschreef als ‘aandoenlijk’ en ‘mooi’ (in het korte verhaal ‘Laatste wens’ uit: Een goed verhaal) waren in Londen niet te zien, maar wel de vergelijkbare, rake en diep getroffen tekeningen van bijvoorbeeld Andy Warhol en W.H. Auden. Je kunt je afvragen waarom die nooit in Nederlandse musea te zien zijn – in tegenstelling tot de teckels, die in 1995 in Boijmans Van Beuningen werden geëxposeerd –; ze vormen ‘het meest complete tegendeel’ van ‘sun’ en ‘fun’ zoals Huub Beurskens terecht concludeerde in zijn artikel ‘Ik ben geen camera’ (De Gids, 1999). Ze betoveren volgens hem niet de kijker, maar laten iets trillen in de mensen die Hockney tekende. Dichter bij de mens Warhol kun je misschien wel nooit komen. Ik heb er geruime tijd gefascineerd naar staan kijken.

    Je kijkt (op)nieuw naar Hockneys werk en ontwaart die blonde schaduw en die grijzende comtesse, als in de muziek van Mozart. En je hoort Mozart sardonische lach zoals in de film Amadeus: Ik had je beet, is het niet?

     

     

  • Sensatie van verlies

    De Eritreese jongeman die ik regelmatig spreek, was erg bedroefd. Hij was bezig geweest zijn vrouw en kind te laten overkomen. Dat was mislukt. Ik probeerde uit hem te krijgen waarom, maar het werd een onduidelijk verhaal. Zijn verzoek was door Nederland niet afgewezen, meende ik te begrijpen. Maar de werkelijke reden wilde of kon hij me niet vertellen. Wil zijn vrouw niet meer naar hem? Staat ze misschien onder druk van de Eritreese dictatuur? Kan hij haar overkomst niet betalen?

    Hij is iemand die niet snel vertrouwen schenkt, maar volgens mij is dat het probleem niet tussen ons. Toch durf ik die vragen niet te stellen. Ik cirkel erom heen, maar voel dat er compartimenten hermetisch gesloten blijven. Hij is bijvoorbeeld altijd erg terughoudend over de reden van zijn vlucht. Ik heb in de loop van de gesprekken slechts een vermoeden gekregen: hij had een tuinderij, die hij moest opgeven omdat hij gedwongen werd voorgoed in militaire dienst te gaan voor een regiem waar hij tegen is.
    Zonder dat ik er op aan stuur komt het gesprek op zijn groentekwekerij. Hij ontdooit. We dwalen van zijn bedrijf naar de groenten die hij verbouwde, naar de markten waar hij ze verkocht en naar de verwerking in gerechten. Hij vertelt steeds enthousiaster, vooral als we plaatsnamen, markten en groenten en fruit via Google laten illustreren. Hij vergeet bijna dat hij matig Nederlands spreekt en bloeit op. Even. Maar als we uiteen gaan, zakt zijn hoofd weer. Hij zwaait losjes als hij de deur uitgaat. Een dag of wat later zie ik hem opnieuw. De grauwsluier is terug.

    Ik moest aan dit voorval terugdenken toen ik de afgelopen dagen Exit West las van Mosin Hamid. Het is een ontroerende, poëtische roman over een verliefd stel dat hun (niet nader genoemde) land in het Midden-Oosten ontvlucht voor oorlogsgeweld. Wat me er zo aan boeide was naast de gevoelvolle, bijna tedere, beschrijving van de relatie tussen Saïd en Nadia (namen die mij onbedoeld steeds aan Saïdja en Adinda van Multatuli doen denken) en de verteltrant van Hamid. Hij schrijft vanuit de gedachtewereld van de hoofdpersonen. Maar vooral: hij heeft het niet over gruwelijkheden (op één geval na) maar over sensaties van verlies, ontheemd zijn maar ook nooit los komen van je wortels, het zoeken naar houvast in een (nieuwe) identiteit. Bijzonder mooi is ook zijn metafoor om migratie voor te stellen als het openen van deuren die je in andere werelden brengen. Het zijn niet alleen vluchtdeuren; ze worden ook in omgekeerde richting gebruikt. Op die manier weeft Hamid een web van migratie als gevolg van de globalisering. Uiteindelijk blijken we allemaal migranten, van cultuur naar cultuur, én in de tijd, in fasen van ons leven.

    Maar het verleden blijft ons volgen. En dat is urgenter voor degene die gedwongen vertrok. Zijn familiebanden, de gehechtheid aan het moederland. Onuitwisbaar. Een pijn om verloren geliefden, verloren land en een verloren droom. Levenslange pijn. Zoals  van de jonge Eritreeër die ik ontmoet.

     

     

  • Bovendrijven

    Een van mijn oudste en dierbaarste vriendinnen (we zijn allebei jong maar op zeker moment, in een zucht, volwassen geworden) opent haar eerste expositie. Het zijn foto’s, een zoektocht naar vrijheid in beeld. Ik vind uiteraard al jaren iedere scheet die ze laat briljant, maar zie ook haar groei en ontwikkeling terug in haar werk, het worden van wie je bent door wat je doet.
    De overeenkomsten tussen schrijven en fotograferen zijn gauw gevonden en misschien iets te makkelijk om hier te herhalen, dat eeuwige kijken, het kaderen, anderen hebben dat vast al eens veel ingewikkelder geformuleerd.
    Laten we zeggen dat we ons allebei in een overvol zwembad bevinden. We willen allebei bovenkomen en blijven drijven, maar met ons nog zoveel anderen – het is zo druk in dat bad, we moeten zo ontzettend dringen.

    Op hetzelfde moment vindt er een boekpresentatie plaats – al heb ik het idee dat er altijd, op elk moment, wel ergens een boekpresentatie plaatsvindt – het is net als met die cijfers over hoe er om de paar seconden wel ergens iemand sterft of wordt geboren. Dichter debuteert met roman. Heel spannend en mooi natuurlijk, ik neem me al jaren voor iedereen alles te gunnen, zeker wanneer het – zoals mijn opa zou zeggen – jaartaarten betreft. Ondertussen watertrappelen we.

     

    Binnenkort schuif ik aan bij een programma, goddank op de radio, om het over mijn romandebuut en over debuteren in het algemeen te hebben. Vooral dat laatste vind ik lastig. Hoewel ik veel Nederlandstalige romans lees, lees ik lang niet alles en lang niet alles wat ik lees vind ik even goed. Moet ik dat dan zeggen? Wie schiet daar iets mee op?
    Waar ik tijdens het praatje van mijn vriendin aan moest denken is dat je verwachtingen niet alleen kunt hebben maar je het ook kunt zijn: in verwachting van een baby, van nieuws, van een expositie of een boek – echt zo’n zin die bij nader inzien niet zo diep gaat als je hoopt, maar u begrijpt waar ik naartoe wil. Iemand heeft ergens zoveel tijd en energie aan besteed en presenteert zijn of haar werk aan de buitenwereld. En die buitenwereld is, zoals bekend, genadeloos. Snoeihard.

    Misschien geef ik daarom geen sterren op Goodreads aan boeken van mensen die ik bij een biertap tegen zou kunnen komen, al is dat ook flauw. Waarom zou die griet van dat feministisch pamflet dat ik zo ruk vond dat ik er één ster aan gaf niet ook af en toe op Goodreads zitten? Zou haar laptop mijn commentaar (‘ik wil graag mijn vijf euro terug’) niet ook automatisch vertalen?
    Om kort te gaan: omdat ik kritisch kan denken, moet ik het dan ook doen?

    Van foto’s weet ik niets, dus kan ik ongegeneerd alles mooi vinden, trots zijn, mijn favorieten aanwijzen. Mijn vriendin straalt, vooralsnog blijft ze boven water, net als ik. Misschien moet ik het daarover hebben, bij die uitzending: de verwachting, het drukke bad en hoe we allemaal niets anders willen dan blijven drijven.

     

     

  • Kus me

    De zonovergoten dagen, de picknicks, zwemmen in het meer, een terrasje en ’s avonds tot laat bij de vuurpot met stukken overgebleven pizza en bietensalade (ja, de combinatie zie ik ook nu pas) kon de oorzaak zijn geweest. Ook waren er hier ten huize  drie verjaardagen in één week te vieren. Oh, we deden ons best maar wat verlangde ik naar gewone dagen waarin de enige verleiding bestond uit de wijn bij het avondeten. Steeds zei ik tegen beter weten in ‘ja’ waar ik ‘nee’ dacht. Daar kon geen hoofdpijn, die ik niet nader wil benoemen, omheen. Geen migraine, dat legt de boel maar vast en ontneemt me het geloof dat ik er niet aan lijd. Hoofdpijn dus.

     
    In een verduisterd kamertje onttrok ik me aan de dag – ijscompressen zouden helpen maar er was niemand die eraan dacht – met een hoofd dat voor het komende etmaal even nergens bij aan zou schuiven. Het enige wat ik nog kon was lezen. Als niemand het zag. Anders zou het lijken of ik simuleerde; want hoe leg je iemand uit, die geen ervaring heeft met een zichzelf misdragend hoofd dat scheef staat van het bonzen en gonzen, dat lezen de enige redding is die je voor het wegzakken naar de diepste regionen in jezelf behoedt? Als ik de trap hoorde kraken lag ik amechtig achterover, Kus me, Straf me van Marja Pruis samenzweerderig op het tafeltje naast mijn bed. Ik wilde niet eten, niets drinken, geen mensen zien. Na ‘alle dagen feest’ vond ik mezelf weer terug met het lezen van Marja Pruis’ teksten over fictie en non-fictie en over haarzelf en daar weer een menging van. Verhalen ook, karakterschetsen ter illustratie van haar beschouwende stukken. Ik las en hoefde niets te begrijpen. Ik las om me met belangrijker materie bezig te houden dan gekraakt te worden door een hoofdpijn; voorbij gaan aan de dingen. Dat is ook wat Pruis deed op een dinsdag in 2001.

     
    Ze had een afspraak met Anthony Mertens in café Scheltema, 16.00 uur in de middag. Er was iets met die dag. Er zaten een jongen en een meisje, ‘als een stel zombies’, onafgebroken naar de tv te kijken.
    ‘Ik was de hele week nerveus. (…) Ik was te vroeg, (…). Wat zich op het scherm afspeelde zag ik wel en niet. (…) hoe ik ook krantenkoppen wel en niet kan zien. Hoe groter de kop, hoe minder ik ‘m zie. (…) Gehaast en een beetje krom kwam hij binnen (…). bestelden de eerste lading bier en bitterballen (…) Af en toe werden we lastig gevallen door de ober die een uiterst somber wereldbeeld ontvouwde. (…)  knikten instemmend en bogen ons weer over belangrijker materie.

    Ze worden steeds gestoord door die ober, door een paar studenten die hun mening willen over het wereldgebeuren. Ze geven beiden niet thuis, wimpelen af en steken de kop in de literatuur waardoor de wereldschokkende gebeurtenis op 11 september 2001 finaal aan hen voorbijging. Dat bracht herkenning. De dingen voorbij laten gaan.

     

     

     

  • Ochtendritueel

    In het antiquariaat is schatzoeken een heerlijke activiteit. Tussen een partij boeken net die ene titel vinden die erg gezocht is of zeer zeldzaam. Afgelopen zaterdag was het een onverwacht soort schat die ik aantrof. Op een onvoorzien moment ook. Ik pakte de krant uit de brievenbus en vond er een gekreukt A4tje in. Het was een ‘wijklijst’. Een lijst van adressen die de krantenbezorger bij zich heeft om ervoor te zorgen dat de krantenlezer ’s ochtends niet voor niets naar de brievenbus sloft. Want, helaas, het is mij  wel eens gebeurd. Dat je heel af en toe toch enigszins gepikeerd in een leeg postvak staart. Ai, daar gaat je ochtendritueel, van ontbijt maken, krant doornemen, koffie zetten, krant lezen en dan aan het werk. Althans, zo gaat het bij mij tijdens de eerste wakkere uurtjes van de dag.

    De krant liet ik links liggen, want ik raakte onmiddellijk gefascineerd door deze ‘wijklijst Amsterdam Slotermeer’. Ik telde het aantal krantenlezers in deze wijk. Dat blijken er rond de vijftig te zijn. Zeven adressen hebben alleen de krant op zaterdag. Voornamelijk zijn het Telegraafabonnees, de Volkskrant komt – op grote afstand – op de tweede plek en dan een handjevol AD-lezers, Trouw en NRC Next. Hoeveel mensen wonen er in deze wijk? Ik gok tweeduizend huishoudens. En dan 50 abonnementen. Middagkranten als NRC Handelsblad en Het Parool zullen mogelijk ook eenzelfde aantal abonnees hebben. En dan hebben wij zelfs 1/25 van de abonnementen, want we hebben twee ochtendkranten. Redelijk krantengek, zeg maar papiergek zijn we hier.

    Twee jaar geleden werd ik – als nieuwkomer – geïnterviewd voor een boek over dit stadsdeel. Ik maakte deel uit van een beweging die zich vanuit het centrum van de stad naar de periferie bewogen. Verhuist van de binnenstad naar een in veel opzichten totaal andere stadswijk. Ik wist dat deze wijk als een sociaal en economisch redelijk achtergestelde buurt geldt. Laag opleidingsniveau, hoge (jeugd)werkloosheid, lage lonen, veel mensen met een migratie-achtergrond. De boeken langs de muren in mijn werkkamer aan de straatkant wekken vaker de lachspieren of verbazing op – kijk daar, boeken? –  dan interesse. Ik ben een absolute Fremdkörper en dat bevalt me wel. Het wringt maar ook, het voelt goed. Die combinatie van licht ongemak en een mild non-conformisme geeft me energie om te blijven zoeken en ogen open te houden voor kleine en soms grote schatten die je soms gewoon voor de voeten worden geworpen.

     

     

     

  • In de zevende hemel

    De allereerste handtekening die we kennen, is tegelijkertijd de eerste schildering. In bruinrode verfspatten op de muur van een grot in Spanje toont zich de hand van de maker. Letterlijker kan een handtekening niet zijn. Ouder ook niet. Ik vond dat altijd een soort van kunsthistorische grap. Het oudste kunstwerk dat we kennen heeft een handtekening, terwijl de kunstwerken die daarna zouden volgen nooit werden gesigneerd. Nou ja, tot pakweg de laatste vijf tot zeshonderd jaar van onze geschiedenis dan. Maar dat is in verhouding tot die eerste handtekening die ongeveer tweeëndertigduizend jaar oud is, eigenlijk pas sinds gisteren. Toen de klassieke oudheid herboren werd deed ook de handtekening weer meer en meer opgeld in de kunst. Al moest het wel in het geniep gebeuren. Zo kon het dat een jonge Michelangelo in de nacht met hamer en beitel door de Sint-Pieter dwaalde om zijn Pietà te signeren. Hij had namelijk horen vertellen dat iemand anders zijn beeld gemaakt zou hebben. Om die vergissing voor eens en altijd de wereld uit te helpen bewerkte hij Maria’s sjerp: Michael Angelus Bonarotus Florent Facibat (Michelangelo uit Florence heeft dit gemaakt), zijn eerste en enige signatuur. Zo ongebruikelijk was dat toen.

    Nu zijn we daar een stuk soepeler in. Sterker nog, we zouden het raar vinden als we bijvoorbeeld een boek kopen waar niet bij staat wie de schrijver is. Dat staat dus pontificaal op de omslag. Als een soort van authenticiteitskeurmerk. Geen naam, geen waarde lijkt de ongeschreven regel tegenwoordig te zijn. De overtreffende trap daarvan zie je in de gewoonte boeken te signeren. Het geeft het boek een zweem van nog meer echtheid mee. Een bewijs dat de schrijver het boek niet alleen geschreven heeft, maar ook heeft aangeraakt. Soms sta je er uren voor in de rij, schuifelend en licht zenuwachtig of opgewonden dat je straks oog in oog met de schrijver van het boek in je handen staat. Soms haal je zo’n gesigneerd boek gewoon van een stapel in de boekhandel. ‘Auteursexemplaar’ staat er dan op, alsof de niet gesigneerde boeken niet van hem of haar zijn.
    Persoonlijk vond ik die dubbele signatuur van boeken nogal overbodig. Op de titelpagina stond immers al wie het boek geschreven had. Tot ik mijn eerste auteurshandtekening ging halen, op 11 maart 1993 in de Leidse Schouwburg. Ik weet het nog als de dag van gisteren. Mijn schrijver was de rokerige boekhandels (die je toen nog had) allang ontgroeid. Hij signeerde zijn boeken liever op een podium, na een interview waarin hij weinig meer van zichzelf blootgaf dan het gestileerde beeld dat we al van hem kenden. Maar waar we in grote getale gretig op af kwamen, omdat we de schrijver toch wilden horen. En, misschien ook wel, omdat we die handtekening wilden bemachtigen. Die persoonlijke aanraking van de schrijver van het boek. Me in de zevende hemel wanend, liep ik naar buiten.