• De lijst

    Ruim een week geleden bracht ik een bezoek aan museum De Fundatie in Zwolle waar vooral de Zomerexpo 2017 op de twee bovenste verdiepingen me verraste: een selectie van kunstenaars die hun associatie met het thema Water hadden vormgegeven en via een strenge jury een podium kregen in een van onze mooiste musea. Ik was onder de indruk van de enorme variëteit waarmee het thema is verbeeld: als dorstlesser, als middel van vermaak, als schoonwasser, als voortgaande beweging, als energiebron, als schoonheid op zich, en sommige kunstenaars zochten het juist in een gebrek aan water; de droogte.
    Na een rondgang door het museum ging ik even zitten op een bankje. Achter me op de vloer een opstelling van aluminium blokjes met zeiltjes of vlaggetjes, waarvan de betekenis me ontging: mijn ogen blijven in een museum vaker hangen aan slechts een deel van het geëxposeerde; ik kan niet alles binnen laten.

    Zonder veel aandacht pakte ik naast me een map op met vellen vol lijsten van incidenten met vluchtelingen. Op het losgeraakte voorblad zag ik in de gauwigheid een site vermeld staan: themigrantsfiles.com. Meer dan een argeloze vraag waarom dit hier lag en de impuls om thuis de site eens op te zoeken, vielen me echter niet in.
    De dag erna las ik in de NRC het indrukwekkende verhaal van correspondent Bram Vermeulen over 25 vluchtelingen uit Guinee, die door hun smokkelaars midden in de Sahara waren achtergelaten. Ze hadden te voet de acht dagen lange terugweg aanvaard met als enige leidraad de sporen van de Toyota Hilux die hen daar in het hete zand had gedumpt. Bijna allemaal stierven ze onderweg. Ik moest denken aan Dit zijn de namen van Tommy Wieringa. Maar vooral dacht ik aan dat mapje naast me op de bank in De Fundatie. Wat was dat eigenlijk voor lijst? En waarom lag die daar?

    Ik ging googelen. The Migrants Files blijkt een project te zijn van een collectief van onderzoekers uit vijftien landen. The human and financial cost of 15 years of Fortress Europe heet het overzicht. De conclusie was: Vluchtelingen en migranten geven meer dan een miljoen euro per jaar uit om Europa te bereiken. Evenveel als de Europese landen uitgeven om ze er buiten te houden. Elders  op de site, onder Events, een indrukwekkende lijst met mensen die Europa niet haalden; kolommen voor de doodsoorzaak, datum en tijd van het voorval, het aantal slachtoffers en een toelichting. De bestanden worden sinds 24 juni 2016 niet meer bijgehouden. Het geld was op.

    Nu pas realiseerde ik me dat de lijst op dat bankje in De Fundatie te maken had met die bevlagde blokjes die ik de rug had toegekeerd. Sea of Sorrow heet het, weet ik nu achteraf. Maker is Eric Hage. De lijst bracht hem tot zijn werk. Zijn werk bracht mij naar de lijst.

     

     

     

  • Grillig en toch betrouwbaar

    ‘Be patient,’ las mijn man ergens. Hij vond het zo’n goede uitspraak dat hij hem graag met me wilde delen – en dat doet hij nog steeds, te pas en te onpas. Ondertussen lig ik volkomen onverwachts vier dagen in een ziekenhuisbed een beetje patiënt te wezen. Van het een op het andere moment volgt er een operatie, de dubbelzinnigheid van die twee enkele woorden gaat ondanks de overvloed aan opiaten niet aan me voorbij.

    Patiënt zijn is iets wat je moet leren. Daarom lees ik niet alleen veel – Pijn van Sytze van der Zee, Mijn heldere afgrond van Christian Wiman – maar mocht ik ook maandenlang, als onderdeel van het bijzondere project ‘Grillig en toch Betrouwbaar’, heel veel luisteren. Tijdens focusgroepen met jonge chronisch gehandicapten onderzochten we gezamenlijk waar de uitdagingen liggen op dit gebied. Hoe blijf je trouw aan jezelf en je beperkingen, maar zorg je er ook voor dat je een betrouwbare vriend(in)/klasgenoot/collega of teamspeler bent voor je omgeving? Waar zitten de gaten, hoe vullen we die op?
    Voor de schrijvende mens is luisteren een groot goed. En nu, mijn taak binnen het project zit erop, word ik zelf met vragen geconfronteerd. Ben ik vandaag, op dit moment en op deze bank met deze deken en de Italiaanse adoptiekat spinnend in haar mandje naast me, Marijn de schrijvende mens of Marijn de patiënt? Hoe verschillen die twee – en werkt dat? Wat patiënt-zijn betreft, vrees ik, blijf ik een eeuwige eindexamenkandidaat. Ik neem nog een pil en probeer wat te lezen. Al snel val ik in slaap.

    Moeheid is een mantel die ik, net als fysieke pijn, altijd draag: de ene dag is hij wat zwaarder dan de ander, hij valt niet iedereen op, maar hem afleggen is geen optie. Nu zit hij erg strak om mijn hals geknoopt, zo strak zelfs dat ik op zoek moet naar ademruimte, ik moet lucht happen. En zoals altijd vind ik zuurstof in woorden.

    Om pijn
    te schrijven
    heb je
    weinig woorden nodig,’ schreef Jan Arends. Ik kreeg die woorden op een kaart en denk er steeds over na. Als er iets is waar ik veel woorden voor nodig heb is het wel voor pijn, zoals ik veel woorden nodig heb om aan te geven dat ik me nu alleen maar kan opkrullen – net als dat diertje naast me – en in mijn mandje moet wachten tot het voorbij is.
    In ‘Hoe diep’ vraagt Ted van Lieshout zich af:

    Stel dat ik door een ongeval
    mijn lichaam niet meer voelen zal,
    aai jij dat lichaam dan nog wel?
    Of stopt de liefde bliksemsnel?’

    Mijn man brengt een kopje thee, kriebelt in mijn nek, is zo lief dat het bijna te veel is – en dus precies genoeg. ‘Be patient,’ zegt hij weer. Vooruit dan maar. Ik zorg het beste voor mezelf als ik de zorg uit handen geef. Of, zoals M. – nog geen twintig en deelneemster aan een focusgroep – zegt: ‘Gotta love the lichamen.’ Zet dat maar op mijn tegeltje.

     

     

  • De Kameleon, Ferrante en Lispector

    Ik ging van huis om voor een week in Den Haag te verblijven. In mijn rugzak de gebruikelijke spullen voor een week logeren (tandenborstel, badpak, zes stuks verschoning) en De ontdekking van de wereld van Clarice Lispector. Al verwachtte ik niet echt aan lezen toe te komen daar de zoontjes (7 en 8 jaar) van mijn dochter, die er zelf niet zou zijn, op mijn onverdeelde aandacht rekenden.

    Zij wensten nagenoeg elk moment uit De kameleon te worden voorgelezen. Waar ik dacht dat één deel uit de zestig-delige reeks voldoende zou zijn, verheugden zij zich na het dichtslaan van het ene deel, op het openslaan van een volgend deel, (ze hadden er vier). Werd ik door gaapneigingen overvallen wanneer de tweeling voor de zoveelste keer en in vrijwel eendere bewoordingen met de Kameleon de poldervaart opvoer, en hoorde ik mezelf weer uitspreken dat ze op de Woudaap (een molen) afvoeren om Kees op te halen, zij kregen er geen genoeg van. De gretigheid waarmee ze  luisterden, deed me afvragen of ik iets gemist had. Onderschatte ik wellicht de simpele eenvoud waarmee de verhalen geschreven waren of zag ik iets over het hoofd, een sublimiteit van vertellen die alleen door kinderoren werd opgepikt?

    ’s Avond op mijn logeerkamer inspecteerde ik de boekenkast waar ik altijd nieuwe titels ontdek naar gelang mijn gemoed. Zo had ik nu opeens oog voor, na haar maandenlang genegeerd te hebben, Elena Ferrante. Ik nam haar Napolitaanse romans ter hand maar begon te lezen in Dagen van verlating, dat er ook stond. Zo gauw de jongens in hun eigen spel zaten en De Kameleon  terzijde lag, las ik aan de keukentafel of in de tuin Ferrante. Lispector was voor aan zee of in bed, (elk boek heeft zijn plek waar deze het best tot zijn recht komt). Ferrante’s verlaten Olga die tot alles in staat is om haar man te laten inzien dat hij toch echt gelukkig met haar was, leest vlot en lijkt heel even een romannetje zoals je er honderd in een dozijn hebt, even maar. Tot de woede en de zinnen waarin Ferrante de ontluistering van Olga laat beleven waarbij het masker van geluk af gaat en de ware gedaante naar voren komt. Jezelf terugvinden heeft grote gevolgen voor het dagelijks bestaan maar tilt je er dan ook voorgoed overheen; de blik op de rol die je speelt is opeens helder.

    En dan Lispector in bed, die me fluisterend heldere beelden schetst in het stuk ‘Persona’. Dat we allemaal maskers dragen, met make-up of onze dagelijkse opgewektheid, we dragen een masker om te maskeren hoe we ons voelen. Over de ‘verschrikkelijke vrijheid van niet te zijn’. Dan begrijp ik opeens wat de jongetjes in de Kameleon zo aantrekt, de recht toe recht aan karakters van Sietse en Hielke en de andere personages; die zijn wat ze zijn. Daar valt op te bouwen en vormt een basis van waaruit later, in de ‘echte’ literatuur, weer naar de onschuld van toen kan worden gezocht.

     


    Inge Meijer is een pseudoniem. Zij schrijft over boeken als steunpilaren in het dagelijkse leven en over ontdekkingen die zij doet in de marges van de literatuur.

     

     

     

     

  • De straten van Londen

    Van Virginia Woolf mag ik niet zeggen dat ik Londen ken. Dat mag pas als ik ten minste een echte Cockney ken en als er in een achterafstraatje opengedaan wordt als ik op een deur bons of aanbel. Ik weet niet waar de drie mensen wonen bij wie ik, misschien, in geval van nood, terecht zou kunnen –  working class heroes zijn het zeker niet – dus ondanks al het wandelen door  wijken die toeristen mijden, ken ik Londen niet. Zeker het Londen van Virginia Woolf niet. Er is tijd verstreken, haar Londen bestaat niet meer. Wijken, straten en parken veranderden zo definitief van karakter dat haar associaties niet meer opgaan. De koepel van St. Paul’s Cathedral is niet langer een silhouetbepalend baken in de skyline van de stad en de achterbuurten van toen zijn nu hippe en trendy wijken.

    Wandelen in haar voetsporen kan nog en ik beken dat ik dat meer dan eens gedaan heb. Ik moest moed verzamelen voordat ik me in het doodlopende Hyde Park Gate waagde om er van een afstand naar het op één na laatste huis aan de linkerkant te kijken. Op het veel minder beladen Mecklenburgh Square – de laatste Londense straat waar Virginia Woolf woonde – vroeg ik me af of haar zenuwen wel bestand waren tegen de tussen de gevels kaatsende kindergeluiden van de toen buitenspelende wezen aan de overkant van de straat. Ik vond ze – al spelen er op Coram’s Fields  strikt genomen geen wezen meer – behoorlijk luidruchtig.

    In haar voetsporen treden, of in die van een van haar personages, is leuk. Maar street haunting à la Woolf is leuker. Onder het mom van – in haar geval kon de aanschaf van een potlood niet langer wachten – door de stad zwalken. Bijna doelloos banjeren en ondertussen van alles opmerken dat vast nog wel eens van pas komt, maar hoe dan ook het waarnemen waard is. Eventueel op de een of andere plek uitkomen, maar noodzakelijk is dat niet. Want: ‘how beautiful a London street is then, with its islands of light, and its long groves of darkness, and on one side of it perhaps some tree-sprinkled, grass-grown space where night is folding herself to sleep naturally and, as one passes the iron railing, one hears those little cracklings and stirrings of leaf and twig which seem to suppose the silence of fields all round them, an owl hooting, and far away the rattle of a train in the valley.’ Dat kunnen is Londen kennen.

    Ik heb nog een lange weg te gaan. Al het struinen ten spijt blijk ik vaak onbewust toch weer een route uitgestippeld te hebben. Er is zo veel te zien en het blijft moeilijk verleidingen te weerstaan. Maar ik houd hoop: ik heb al steeds minder pleisterplaatsen nodig. Het lukt steeds beter om schoonheid te negeren en het obscure te koesteren.

     

    Voor de gelegenheid las en herlas ik: The London Scene – Virginia Woolf / Street Haunting: A London Adventure – Virginia Woolf / Geheim Londen – Virginia Woolf (vertaling: Catalien en Willem van Paassen) / Virginia Woolf. Life and London: A Biography of Place – Jean Moorcroft Wilson

    CityTripS bracht mij ook naar Lissabon, Venetië en Oostende , Heraklion, Parijs, Rotterdam en Brussel.

     

  • Zonder gemis

    In mijn kamer hangen twee zeefdrukken van Ron van der Werf, Mysterie I en II (2003). Twee abstracte werken die ontegenzeggelijk een duo vormen, want de kleurstellingen zijn duidelijk op elkaar afgestemd en de composities komen in hoofdlijnen overeen. Blijkbaar wilde Van der Werf tweemaal een vergelijkbaar verhaal vertellen, met hier en daar een andere insteek. Of beter gezegd, vanuit een iets gewijzigd innerlijk vertelt hij tweemaal hetzelfde of op zijn minst een vergelijkbaar beeld. Waardoor ik me altijd afvroeg of de zeefdrukken elk voor zich dezelfde zeggingskracht zouden hebben. Kunnen ze het ook op eigen kracht, of heeft de een de ander nodig? Soms probeer ik het weleens en dan kijk ik heel lang naar een van beide zeefdrukken, om er dan achter te komen dat het altijd een geamputeerd beeld oplevert, alsof er iets ontbreekt. Een onbewust gemis.

    Datzelfde heb je soms met boeken. Het overkwam me laatst toen ik Old Filth had uitgelezen (Een onberispelijke man), Jane Gardam’s boek over Sir Edward Feathers, gepensioneerd rechter uit een ander tijdperk. Feathers is geboren en opgegroeid in het verre Oosten, naar Engeland teruggestuurd om naar school te gaan, in de oorlog verder ontworteld geraakt en na de oorlog naar het Oosten teruggekeerd om in Hongkong een gevierd rechter te worden. Maar na zijn pensionering gaat hij terug naar Engeland  om daar zijn oude dag te slijten. Dit leven van Feathers ontvouwt zich in Old Filth langzaam, steeds door zijn ogen gezien. Toen ik het boek uit had zat ik nog met allerlei vragen, onduidelijke passages of gaten in het leven van Feathers. Niet omdat het slecht was geschreven of opgezet. In tegendeel, maar de gaten waren er desalniettemin, wat ik overigens niet heel vervelend vond, omdat dat ook een beetje het leven is. Maar het knaagde wel, dat gebrek aan volledigheid. Een beetje een soortgelijk gevoel als het kijken naar een van de twee Mysteries van Van der Werf.

    Pas toen ik Old Filth had uitgelezen kwam ik erachter dat het het eerste deel is uit een literair drieluik. In The man in the wooden hat kan je het verhaal nog eens beleven, maar dan door de ogen van Betty, Edward Feather’s echtgenote. Waarschijnlijk in grote lijnen vergelijkbaar, met hier en daar natuurlijk de persoonlijke inkleuring van Betty. En in Last Friends krijg je zelfs een derde kans om het verhaal te herbeleven, maar dan vanuit het gezichtspunt van Terry Veneering, Feather’s professionele rivaal en kortstondige minnaar van Betty. Nu heb ik nog twee mooie boeken te gaan, met alle gelegenheid om de gaten uit Old Filth gevuld te krijgen, zodat ik een completer beeld krijg van het verhaal dat Gardam te vertellen heeft, zonder gemis.

     

     

     

  • City of Literature

    Ik liep door een stad die zich opmaakte om voortaan als City of Literature door het leven te gaan. De zon blakerde de daken en langs de stoep stond vuilnis in grijze plastic zakken te wachten om afgehaald te worden. Ik liep er met twee andere vrouwen op weg naar een terras onder hemelhoge en zacht ruisende platanen. Er was van alles te bespreken. We namen er een cappuccino, een muntthee en een latte macchiato bij. En water. Zittend rond een tafeltje met de stadsgeluiden die zo nu en dan onze stiltes overnamen. We waren bedacht op onverwachte kantjes, een teleurstellende opmerking – verwachtingen steken altijd onverwacht de kop op – en wie het ongelijk dan zou opheffen, het evenwicht herstellen. Maar de vragen verdroegen het gesteld te worden, meebewegende vragen waarin verwachting en nieuwsgierigheid school. Waarna zich nieuwe verhalen en ideeën  ontvouwden en bovenal mogelijkheden toonden. We dronken onze cappuccino, muntthee en macchiato, de koekjes bleven liggen, hoewel, ik kon het niet laten ze bij de twee anderen weg te nemen en op te eten.

    Later, toen het middaguur verstreken was, gingen we terug naar het station. Want er was meer te doen dan in gefilterd zonlicht onder platanen te zitten. We staken de Nieuwegracht over en een van de drie vrouwen nam afscheid. Toen waren we nog met zijn tweeën. De ander (of ik) zei: ‘Hee, kijk nou.’ En ik (of de ander) zei ‘Wat.’ Toen zagen we het. Dozen vol boeken, buiten in een vensterbank. We zeiden: ‘Zullen we?’ En we zeiden: ‘Ja, vooruit, nu we er toch zijn.’
    Boeken voor 1 euro per stuk, stond er met zwarte viltstift op een stuk karton geschreven. We graaiden en schoven elkaar exemplaren toe van kijk hier en ‘hé’ kijk daar. Waarbij ik het geluk had een exemplaar van Konijn van J.M.A. Biesheuvel in handen te krijgen, (of was het de ander). Een hand geschreven verhaal met tekeningen van de schrijver, A4 formaat met slappe kaft. Een wonderlijk intrigerend exemplaar, zoals de schrijver zelf. Iets dat je hebben moet, als je van Biesheuvel houdt. Een uitgave die bij het antiquariaat € 22,50 doet. Ik speelde het boekje de ander toe die het weer naar me terug speelde en ik wilde niet flauw doen en kocht het voor die ene euro.

    Later schuifelden we langs de boekenwanden, rugtitels voor ons uit mompelend en af en toe zei de ander (of ik), ‘Oh, dit is zo’n mooi boek’. En zei ik (of de ander) alles gelezen te hebben van bijvoorbeeld Simone de Beauvoir. Je had nooit gedacht dat ze verloren zou gaan, dat niemand  meer naar haar taalt. We lazen de titels van plafond tot de vloer en weer terug. Was het niet: zeg me wat je leest en ik zeg je wie je bent? Nou ja, zoiets was het in de stad die het in zich had City of Literature te worden.


    Inge Meijer is een pseudoniem en wil dat wel zo houden. Zij schrijft over boeken als steunpilaren van het leven en over de ontdekkingen die zij doet in de marges van de literatuur.

     

     

  • Lezen

    Ik heb zo mijn tradities waar ik naar uitzie. Een daarvan is dat ik elk jaar in de zomer een orgelconcert bezoek in de Haarlemse Grote of St. Bavokerk. Dit uitstapje ligt nog in ’t verschiet. Van verleden jaar herinner ik me nog dat ik op een plek zat vanwaar ik zicht had op een stuk in de houten vloer waarin ik, met een beetje fantasie, een hoofd zag afgebeeld. Op de één of andere manier kon ik mijn ogen er niet vanaf houden. Het gezicht leek een beetje op een van de maskers die je nu in het Circustheater in Scheveningen kunt zien bij de opvoering van de Disneymusical The Lion King.

    In deze musical aait een wijze vrouw op een gegeven moment over de bast van het soort boom waaruit in de Haarlemse kerk de plankenvloer is gelegd. En ziedaar: het gelaat van Mufasa – de koning van de dieren – verschijnt aan zijn zoon Simba. Als een geestverschijning, zoals in het begin van Shakespeares Hamlet (waarop de musical is gebaseerd) de geest van Hamlets vader opdoemt en tot diens zoon spreekt.

    Deze twee ervaringen, de Haarlemse en de Scheveningse, brachten bij mij nog iets boven: een gedicht van Ingmar Heytze, uit Alleen mijn kat applaudiseert. Een prachtig gedicht over lezen, over stemmen die de stilte niet doorbreken, zoals de plank in de vloer. Het zijn de bomen die uiteindelijk spreken – letterlijk of figuurlijk – en zo méér zijn dan zomaar dood hout. Ruisende werelden op zich zijn het, zoals het wandelende bos in een ander stuk van Shakespeare: Macbeth.

    Lezen

    Mijn boeken zijn meer
    dan gebundeld papier
    zoveel meer
    dan een paar glazen inkt
    op dood hout

    het zijn stemmen
    die nimmer
    de stilte doorbreken

    ruisende werelden,
    plaatsen van rust

    het zijn bomen
    die weer zijn begonnen
    te spreken.

    Zoals ook de houtsculpturen van Omer Gielliet, die op 7 mei van dit jaar overleed. Hij luisterde naar wat de natuur in zich had om te vertellen, naar wat de vluchtelingen die hij in huis nam hem vertelden. Zelfs noodde hij eens een vriendin en mij binnen. Wij hadden in zijn tuin in Breskens naar zijn fascinerende, uit boomstammen gemaakte werk staan kijken. Gewoon, op de thee, met een chocolaatje. Ik zal aan hem denken, wanneer ik komende zomer weer in Haarlem naar een orgelconcert ga en in de planken op de vloer een gezicht ontwaar: ‘Het zijn bomen / die weer zijn begonnen / te spreken.’  In boeken, beelden, verbeelding en herinnering.

     

     

  • Niet allemaal genieën alstublieft

    Over een verband tussen xenofobie en eugenetica heb ik hier al eens geschreven: de verbetering van de kwaliteit van het eigen volk en het tegengaan van degeneratie ervan door vermenging met vreemd bloed. Dat verband wordt momenteel niet snel openlijk gelegd, maar in de geschiedenis gebeurde dat wel degelijk.
    Velen moeten bij de toepassing van eugenetica denken aan het nazisme, maar al eerder vonden de ideeën in brede kring gehoor. En bovendien in de hoofden van mensen van wie we dat maar moeilijk kunnen accepteren. Ik althans. Het is voor mij elke keer weer danig schrikken als ik er de voorbeelden van tegenkom. Dat gebeurde me de afgelopen maanden vier keer toen ik kennis nam van Het verboden boek van Ewoud Kieft, Oorlogsenthousiasme van dezelfde auteur, Wat is fascisme? van Robin te Slaa en Zie de mens van Linda Roodenburg. Het laatste is uit 2014, maar ik vond het nu pas in de ramsj.

    Ze halen allemaal de Britse grondlegger van de eugenetische beweging, Galton, aan die in 1865 al schreef dat we een wereld van genieën zouden kunnen creëren als we een twintigste deel van het geld dat we in de paardenfokkerij staken zouden besteden aan verbetering van het menselijke ras. Dat van Galton wist ik al langer, maar het is toch weer een dreun als je, vooral bij Kieft en Te Slaa, leest welke gerespecteerde personen dat idee serieus hebben overwogen. Wie bijvoorbeeld vond het verschrikkelijk dat zieken die totaal niet werkten en alleen maar noodlijdende kinderen op de wereld zetten, er beter maar niet konden zijn? Jawel: H.G. Wells. Wie wilde risicovolle groepen laten steriliseren? Jawel: Churchill als Minister van Binnenlandse Zaken in 1910. Wie schreef in haar dagboek dat verstandelijk gehandicapten beter ter dood gebracht zouden kunnen worden? Jawel: Virginia Woolf. En wie vond dat alleen een eugenetische religie onze beschaving nog zou kunnen redden en dat een groot aantal mensen beter gedood kon worden omdat het voor anderen tijdverspilling is om voor ze te zorgen? Jawel: George Bernard Shaw. Meer van soortgelijke beweringen zijn er van Keynes en Roosevelt.

    In Amerika en een paar Europese landen kwamen daadwerkelijk wetten tot stand die gedwongen sterilisaties mogelijk maakten,  en de grenzen sloten voor immigranten uit bepaalde landen uit angst voor gemengde huwelijken en dus degeneratie van het eigen volk. Wie de feiten kent moet vrezen dat achter de kreten van Trump, Wilders, Le Pen wn Orban een diepere angst zit dan een aanslag op onze trots en vrijheid.
    Roodenburg ziet in haar boek een parallel met honderd jaar geleden: de toenemende angst dat een vreemde meerderheid de eigen minderheid kan gaan domineren. Maar zij vertelt ook dit: de  Duitse naturalist Blumenbach classificeerde rond 1800 de menselijke rassen. Exotische volken zette hij lager in de ontwikkelingsboom van ‘autochtones’. Daarmee bedoelde hij, volgens Roodenburg, ‘de oorspronkelijke, door God geschapen, perfecte mens’. Ook daar schrok ik van. Goed dat we de term autochtoon hebben afgeschaft.

     

     

  • Een kik geven

    De New York Times berichtte over het overlijden van Margaux Fragoso, achtendertig jaar en schrijfster van Tiger, Tiger, een geschiedenis van een jeugd waarin zij vanaf haar zevende seksueel werd misbruikt door een man met wie ze een relatie zou onderhouden tot zijn zelfmoord. Dat is vijftien jaar later. In haar bespreking vroeg Kathryn Harrison zich destijds al af: waarom zou je zoiets willen lezen?
    Over schrijven over jezelf is al veel geschreven, daar voeg ik weinig aan toe. Wel zie ik hoe ik me in mijn dagboek, dat onder onopvallende schuilnaam en met een onmogelijk wachtwoord in een tussenmapje op mijn laptop staat, al bewust ben van eventuele lezers – ik perform, wil ik maar zeggen, zelfs in dat kleine bestandje dat alleen voor mij bedoeld is. Is dat schrijver-eigen, narcisme of een schrijver-eigen narcisme?

    Tegelijkertijd zijn er weinig mensen van wie ik alles wil weten – misschien alleen van de mannen waarop ik verliefd was. Alles? Ja, alles. Toch lees ik veel autofictie, autobiografische non-fictie, memoires. Zo pakte ik Haar laatste dood van Susanna Sonneberg en Onder volwassenen van Sophie Dahl uit de kast. Beide boeken gaan over verstoorde moeder/dochterverhoudingen, over vrouwen met een persoonlijkheidsstoornis. Net als De uitweer van Amy Liptrot – over het alcoholisme van de jonge schrijver – moesten deze persoonlijke geschiedenissen geschreven worden om de auteurs verder te kunnen laten gaan. Daar is niets mis mee. Ik wil er alleen wel literatuur voor terug.
    Ook las ik Ariel Levy’s autobiografische The rules do not apply. Ik genoot van de humor en wijsheid die me in Female Chauvinist Pig al had aangetrokken, maar vroeg me evengoed af waarom ik dit nieuwe boek interessant vond – vanwege mijn miskraam, het herkenbare van alles willen maar erachter komen dat niet alles kan, of omdat Levy gewoon een verdraaid goede schrijver is?

    Mijn beter ik van Renate Rubinstein, het boek dat ze schreef over haar verhouding met Simon Carmiggelt (en dat pas na zijn dood verscheen) is het meest ontwapenende dat ik tot nu toe in dit genre las – alleen het begin al is schitterend. ‘In een opzicht verschilde Simon Carmiggelt niet van veel andere mannen: bij zijn dood liet hij twee weduwen achter. Met de ene was hij getrouwd. De andere ben ik.’
    Rubinstein vertelt hun geschiedenis, door het verbodene vermoeizaamd, in montere stijl. ‘Als het ooit uitgaat, schrijf ik in de krant: God is niet dood. Hij is getrouwd en zijn vrouw neemt de telefoon aan,’ schrijft ze. En toch, als er toch over je geschreven wordt zoals Renate over haar Simon deed – wow. Op het eind staat er: ‘Alles zou verloren zijn gegaan, vergeten worden, tot stof weergekeerd als ik het niet vastgelegd had. Zonder een kik te geven zou het grote sterven zijn ingezet. Maar ik heb een kik gegeven.’

    Een kik geven, dat deden al die andere autobiografen ook. Tiger, tiger was Fragoso’s enige boek. Maar voor haar, en voor een heleboel andere slachtoffers van seksueel misbruik, schreef ze misschien wel alles.

     

     

  • Red me

    Dromen over de prins op het witte paard, daar heb ik als kind wel last van gehad. Zingend als Julie Andrews in The  Sound of Music,  heuvels en dalen nemend met de armen in spreidstand alsof ze vloog. Had ik ook last van. Ik groeide op met een beeld van zingende en zwevende gebeurtenissen en geloofde dat de wereld zo in elkaar stak. Daarom moet je kinderen geen sprookjes voorlezen,  niet meenemen naar lichtvoetige musicals  – want hoe zwaar het onderwerp ook, door het te bezingen, wordt de ernst van het leven onnodig geromantiseerd. Na The Sound of Music, ik was en jaar of elf, dacht ik nog lang dat je do-re-mi zingend de oorlog in ging. Wat ik wel weer romantisch vond. Een wereld van mooie plaatjes waar musicals en sprookjes aan lijden. Dat soort geluk bestaat niet en er was geen prins op een wit paard die mij kon redden van het leven dat ik nu lijd. En als ie – stel dat – zou komen opdagen, dan zou ik weigeren me met zulk in de schoot geworpen geluk in te laten.

    Deze week las ik in een interview met Matt Haig (van Redenen om te blijven leven (2015)) in The Guardian: ‘I think that books can save us and I think they sort of saved me.’ Alsof ik een zielsverwant gevonden had. Want dat is waar ik wél in geloof. Dat een boek je leven kan redden in plaats van die prins op het witte paard. Een boek om bij te schuilen. Achter een opengeslagen boek  mag je gepermitteerd afwezig zijn en al lezende verzamel je een schat aan kennis waar je in het dagelijkse leven nog wat aan kunt hebben.

    In diezelfde week zag ik een vriendin die ik lang niet gezien had. Het was in een vluchtig voorbij gaan – nu ik erover nadenk, beende ze door de supermarkt – waarbij haar lange linnen jas achter haar aan zwierde. Voor ik het wist, was ze weg. Ik had nog net gezien dat een deel van haar blonde haren, blauw waren. Een dag later passeerden we elkaar, zij op weg naar de stad, ik op weg naar huis, op de fiets. Ik riep, zij riep, ik keek achterom maar weg was ze. Ik zag nog dat haar blonde haar nu met zwart bedekt was. Wanneer ze dagelijks van haarkleur veranderde, was er een crisis gaande.

    Toen ik haar dan weer zag op de markt bij een groentekraam – het haar nu deels roze – waar ze gebogen stond boven een krat avocado’s, begroette ik haar, “Hé, gaat het?’ en moest denken aan Richard en Cynthia uit, Dit boek redt je leven van A.M. Homes. Ze zei, net als in het boek, ‘Laat me met rust’. Ik zei: ‘Ik ben het, weet je nog?’ Ze keek me aan en ik zei: ‘Ik heb nog een goed boek liggen.’ Ze begon te stralen en zei: ‘Red me, lees me voor.’ En dat deed ik.

     

     

     

  • Het huis van een schrijver

    De schrijver heeft al vaak gezegd dat ze tijdens het schrijven geen mensen in huis duldt. Dat het schrijven van een roman een opperste vorm van concentratie vergt. Dat zij dan onaangenaam gezelschap is. Ik wist dus wat me te wachten stond, toen ik een uitnodiging kreeg om voor onbepaalde tijd te komen logeren. Dat ik de uitnodiging ondanks dat aanvaarde, had alles met schrijven te maken. Ook ik moest de komende tijd het nodige produceren.
    In het huis met drie verdiepingen en een kelder, woon en werk ik wel vaker op de bovenste verdieping. Niet eerder maakte ik mee dat er onder mij aan een roman werd gewerkt. Ik ben een gewaarschuwd mens, maar hoe ik mij in deze situatie dien te gedragen weet ik niet precies. Ik maak mezelf zo klein mogelijk. Wacht ’s morgens tot ik de vloer hoor kraken voordat ik naar de wc ga. Spring onder de douche als ik beneden water hoor lopen. Ontbijt als ik zeker weet dat zij uitgegeten is. Koffie drink ik alleen als de omstandigheden het toelaten.

    Terwijl de muziek, die de schrijver in de stemming houdt door het hele huis klinkt, werk ik aan wat een essay, een artikel dan wel een column moet worden. Het antieke bureau, met daarop een al even antiek inktstel, dat hier lang alleen voor de sier gestaan heeft, is voor mij de ideale werkplek. Het schrijven vordert zonder grote afleiders als internet en telefoon gestaag. In een vreemde verte staren, blijkt ook heel inspirerend.
    Het liefst zou ik de dagen van ’s morgens vroeg tot ’s avonds laat schrijvend doorbrengen, maar halverwege de middag zit de werkdag van mijn gastvrouw erop. Dan komt ze tot leven. Wil ze wandelen.
    Ik leef en wandel mee. Merk dat het verhaal en haar personages nooit ver weg zijn. Alle gesprekken staan in het teken van het boek, al mag ik nog niet weten waar het boek over gaat. De wereld en de werkelijkheid spelen een bijrol. Zo ken ik haar niet. Zo geconcentreerd. Zo in dienst van.

    Na het eten wil ze ontspannen. Niet nadenken. Niet meer afgeleid worden. Ze gaat vroeg naar bed. Ik trek mij terug in mijn slaapkamer, waar niet veel later en vroeger dan normaal het licht uitgaat. Ook ik moet de volgende dag de draad van een verhaal zien op te pakken.
    Dat er in dat huis in het Grote Hazelaarsbos vier romans geschreven werden, maakte bij het bepalen van de waarde helemaal niets uit. De mensen die het kochten, vielen voor de charme van het ‘maison en meulière’ en de vier linden die er trouw de wacht houden. De naam van de schrijver zei hun hoogstwaarschijnlijk niets.

    Nooit zal er een plaquette aan de gevel van nummer 17 prijken. De kans dat het huis van de schrijver een museum wordt, is nihil. Wat in het dorp veel meer tot de verbeelding spreekt is dat er ooit, ver voordat het verbouwd en daardoor twee keer zo groot werd, een taxichauffeur met vrouw en zeven kinderen woonde.

     

     

  • De kracht van de roos

    Als je weet dat mijn vrouw Roos heet, zal je begrijpen dat ik altijd geroerd word als ik rozen zie bloeien. Zo’n acht jaar geleden bevond ik  me in het Groninger Museum voor een prachtig schilderij – waarop een frêle schoonheid met geloken ogen in een grijsblauw gewaad, leunt tegen een muur onderwijl ruikend aan een roze roos – van John William Waterhouse. Heel voorzichtig, om zich niet aan de doornen te bezeren. Het schilderij is zo intens dat je haast door de geur van de roos bedwelmd wordt. Ik was betoverd en, om Tennyson te citeren, ‘de ziel van de roos ging open in mijn bloed’. Waterhouse leende deze woorden van de dichter uit het gedicht Maud als titel voor zijn schilderij en noemde het De ziel van de roos. Hij schilderde het ruim een eeuw geleden, in 1908,  in hetzelfde jaar dat tuinarchitect Thomas Mawson het ontwerp maakte voor de tuin van het Vredespaleis.

    Een tuin waar scherpe doornen geweerd werden, zo leerde ik dit weekend tijdens het struinen door Haagse tuinen. Want in een tuin die het Vredepaleis zou omzomen, moest je gevrijwaard zijn van pijn en het licht moest overheersen, zo meende Mawson. Daarom plantte hij rondom het Vredespaleis zoveel mogelijk bomen en struiken met kleine bladeren en vermeed hij alles wat doornen had. Nou ja, op de roos na dan, want voor de roos had Mawson, net als ik nu, een bijzonder plekje in zijn hart ingeruimd. Hij besloot dat rozen ondanks hun doornen volop in de vredestuin mochten bloeien en liet er zo’n vijfendertig soorten in grote getale planten. Tot op de dag van vandaag kun je ze zien, de duizenden rozen in het rosarium van het Vredespaleis. Mawson’s eerbetoon aan liefde en vrede.

    Geen betere plaats om in te verpozen dan in zo’n prachtige tuin waar je kunt dwalen, dromen en rusten. Het liefst met een boek waarin een tuin een belangrijke rol speelt. Zoals in Giorgio Bassani’s boek over de tuin van de familie Finzi-Contini, het toevluchtsoord voor de Joodse gemeenschap in Ferrara in een tijd dat de vrede ver te zoeken was. Een boek dat me voortdurend heen en weer slingerde tussen plezier en ontzetting. Plezier om het genieten van de Finzi-Contini’s in hun tuin en ontzetting over hoe oorlog en vervolging het leven op zijn kop zet. Maar ook een boek dat de bescherming en kracht van een mooie tuin goed illustreert. Zelfs (of misschien wel juist) als de doornen buiten de tuin even alle aandacht naar zich toetrekken.